Reuzenalk (Plautus impennis). 1/6 v. d. ware grootte.

Reuzenalk (Plautus impennis). 1/6 v. d. ware grootte.

Lang heeft men gemeend, dat deze Vogel de zeeën van het noordelijkste deel der aarde bewoonde of nog bewoont; uit Wolley’s onderzoekingen blijkt het tegendeel; Steenstrup’s ontdekkingen bewijzen, dat de Reuzenalk in den vóórhistorischen tijd in grooten getale aan de Deensche kusten geleefd moet hebben. Er zijn geen bewijsstukken gevonden voor de meening, dat hij ooit Spitsbergen bezocht heeft, evenmin werd hij in ’t hooge noorden van Amerika gevonden. Holböll bericht, dat op de Groenlandsche kust bij Fiskernaes in het jaar 1815 de laatste Reuzenalk gevangen werd. Alle overige mededeelingen bevestigen de stelling, dat deze Vogel eertijds zuidelijker gedeelten van de IJszee bewoonde en waarschijnlijk in nog grooter aantal in het noorden van den Atlantischen Oceaan of van de Noordzee gevonden werd. Dat hij vroeger tot aan de Fär-öer als broedvogel afdaalde, schijnt vast te staan, evenmin kan men in twijfel verkeeren over zijne bezoeken aan de Hebriden. In het jaar 1790 werd een exemplaar buit gemaakt in de haven van Kiel; in 1830 spoelde, volgens Naumann, een doode Reuzenalk op de kust van Normandië aan. Het veelvuldigst is hij waarschijnlijk ten allen tijde op IJsland en Newfoundland geweest; het was echter niet op IJsland zelf, maar op de omliggende, bijna voortdurend door een woedende branding omringde klippen en kleine rotsachtige eilanden, dat deze Vogel veilige broedplaatsen en tot in den laatsten tijd van zijn bestaan een nagenoeg ongenaakbaar toevluchtsoord vond.

Werkelijk veelvuldig schijnt de Reuzenalk hier reeds in de vorige eeuw niet meer geweest te zijn. In een oud handschrift uit het begin van de laatste helft van de vorige eeuw vonden Newton en Wolley een beschrijving van de Alkklip van Reykjanes, waarin melding wordt gemaakt van het wonderbaarlijk aantal Vogels op de daar aanwezige rotsen, met de toevoeging echter, dat de Reuzenalk daar volstrekt niet zoo veelvuldig voorkomt, als gezegd werd; de door hem in beslag genomen ruimte werd op niet meer dan het 1/16e deel van de klip geschat; wegens zijn ongeschiktheid tot vliegen kon hij de hooger gelegen rotsen niet bereiken. Een deel van het handschrift is gewijd aan een nauwkeurige beschrijving van den Reuzenalk en zijne eieren; ten overvloede is er een teekening bijgevoegd, die de klip voorstelt met twee mannen, welke zich met de vangst van Reuzenalken bezighouden. Olafsen, die in het jaar 1458 op IJsland vertoefde, vernam, dat men in vroegeren tijd booten vol eieren van de bedoelde klip weghaalde en dus geregeld jachttochten daarheen ondernam. Naar het schijnt, is men hiermede voortgegaan tot in het begin van deze eeuw; in Faber’s tijd echter, in het jaar 1822 dus, geschiedde dit niet meer en werden slechts toevallig bezoeken aan de klip gebracht. Zoo kwam in den zomer van 1813 een schip, dat van de Fär-öer naar IJsland zeilde om levensmiddelen te halen, langs de klip, die toen met Vogels bedekt was; omdat het weer gunstig was ging de bemanning aan land en doodde verscheidene Reuzenalken, waarvan er eenige naar Reykiavik werden gebracht. Naar men bericht, hebben deze zeelieden toen een geweldige slachting onder de Vogels aangericht; hun buit bestond uit niet minder dan 24 Reuzenalken, zonder te rekenen die, welke reeds ingezouten waren. Faber bericht, dat in het jaar 1814 een boer op een kleine klip 7 Reuzenalken doodde. Van 1814 tot 1830 hebben stellig nog verscheidene exemplaren, maar geen groote troepen, hetzelfde lot ondergaan.

In het jaar 1830 ging een zekere Goudmundsson tweemaal ter jacht naar Eldey of de “Meelzak”-klip; hij bemachtigde de eerste maal 12 of 16, de andere keer 8 Reuzenalken, die voor ’t meerendeel voor verzamelingen behouden zijn gebleven. Bij een dergelijken tocht in het volgende jaar werden 24 Reuzenalken buit gemaakt; sommige van deze werden levend medegenomen en een tijdlang in ’t leven gehouden, alle werden ten slotte opgestopt. In 1833 ving men er dertien, in 1834 negen, in 1840 of 1841 drie, in 1844 nog twee; deze beide, de laatste exemplaren waarvan men berichten heeft, waren misschien de laatste vertegenwoordigers van hun geslacht.

Uit talrijke door Steenstrup verzamelde mededeelingen van zeelieden uit vroegeren tijd en uit latere onderzoekingen is gebleken, dat de Reuzenalken of “Pingoeïns” (zooals zij aan de westkust van den Atlantischen Oceaan steeds genoemd worden) op Newfoundland en eenige naburige klippen eveneens veelvuldig zijn geweest; zij waren dit o. a. nog in de 16e eeuw. Hakluyt verhaalt in een brief van 18 November 1578, dat men deze vogels over de loopplank in de boot dreef, totdat het vaartuig vol was. “Wij kregen,” schrijft hij, “een eiland in ’t zicht, dat Pingoeïn-eiland wordt genoemd, naar een Vogel, die daar in ongelooflijke menigte broedt; de Pingoeïn kan niet vliegen, zijne vleugels kunnen het lichaam niet opheffen; hij is zeer groot, niet kleiner dan een Gans en buitengewoon vet. De Franschen vangen dezen Vogel op genoemd eiland zonder moeite en zouten hem in.” De Noorsche onderzoeker Stuvitz vond bij een bezoek, dat hij in 1841 bracht aan een groep van kleine klippen, die voor den ingang van de Bonavista-baai liggen, de overblijfselen van muren, uit opeengestapelde rotsklompen samengesteld, tot het begrenzen van perken, waarin eertijds de Reuzenalken door hunne vervolgers gedreven en afgemaakt werden. Ook vond hij hier hoopen van beenderen, die bij nader onderzoek van den Reuzenalk afkomstig bleken te zijn. In het jaar 1863 kreeg een Amerikaan van de regeering verlof om de aarde van deze rotsen weg te voeren en als mestspecie naar Boston te zenden. Bij het opruimen van den half bevrozen grond werden, behalve vele beenderen, op een zekere diepte ook verscheidene door de natuur gevormde mummiën van den Reuzenalk gevonden. Twee van deze in veen en ijs voor bederf bewaard gebleven exemplaren werden naar Engeland gezonden en stelden Owen in de gelegenheid tot het schrijven van zijn beroemde verhandeling over het beenderenstelsel van den Reuzenalk.

Volgens een in 1883 door Blasius opgemaakte lijst bevatten de Amerikaansche musea 3, de Europeesche 71 opgestopte exemplaren van den Reuzenalk; van deze vindt men er 21 in Groot-Britannië, 20 in Duitschland en 2 in Nederland (n.l. in het Rijksmuseum te Leiden en in het museum van Natura artis magistra te Amsterdam). Een dergelijk exemplaar vertegenwoordigt een waarde van 2000 à 2500 gulden. In ’t geheel zijn 65 eieren van deze vogelsoort in de verzamelingen aanwezig. In 1888 werd zulk een ei verkocht voor f 2640. In het museum van “Artis” is zulk een ei aanwezig.

Eertijds kregen de IJslandsche visschers gedurende den zomer in de zee zoo geregeld Reuzenalken te zien, dat aan deze Vogels geen bijzondere aandacht werd geschonken. Volgens alle waarnemers zwommen zij gewoonlijk met hoog opgeheven kop, maar ingetrokken nek en doken steeds onder, als zij verontrust werden. Op de rotsen zaten zij rechtop, in steiler houding dan de Zeekoeten en Alken. Zij gingen of liepen met kleine, korte pasjes en hielden daarbij den romp verticaal gelijk de mensch; als een gevaar hen bedreigde, stortten zij zich van een hoogte van 4 à 5 M. naar beneden in de zee. Door een gedruisch werden zij meer verschrikt dan door een verschijnsel, dat met de oogen waargenomen wordt. Soms hoorde men van hen een zwak gekras. Nooit heeft men opgemerkt, dat zij hunne eieren verdedigden; wanneer zij zelf aangevallen werden, verweerden zij zich door hevig te bijten.

Hun voedsel schijnt bestaan te hebben uit Visschen van verschillende grootte. Fabricius bericht, dat hij bovendien in de maag van een jong overblijfselen van planten vond.

Het eenige ei, dat in ieder voortplantingsseizoen ontstond, werd in Juni gelegd; het heeft dezelfde tolvormige gedaante als de eieren van andere Alken, maar is veel grooter dan deze; het is grooter dan eenig gevlekt ei, dat van een Europeeschen Vogel afkomstig is. De lengte is 120 à 130, de middellijn Op de dikste plaats 75 à 80 mM. De mannetjes en de wijfjes hebben, zooals uit hunne broedplekken blijkt, om beurten gebroed; hoe lang het duurde, voordat de jongen het ei verlieten, weet men niet, misschien 6 à 7 weken. Het jong had bij de geboorte een donkergrijs donskleed en werd zeer spoedig naar het water gebracht.

*

De Zeekoeten (Uria) verschillen van de Alken door den vorm van den snavel; deze is slank, recht, zijdelings weinig samengedrukt, eenigszins priemvormig, ongeveer even lang als het overige deel van den kop, tot op de langwerpige neusgaten bevederd; de bovensnavel is op den rug flauw afgerond, alleen aan de spits een weinig naar beneden gebogen, de scherpe zijranden zijn eenigszins ingetrokken, de kinhoek is onduidelijk. De pooten zijn ver achterwaarts geplaatst, de vleugels smal en spits met dikke slagpennen; de staart is kort en afgerond, uit 12 à 14 pennen samengesteld; het vederenkleed van den romp bestaat uit korte, losbaardige veeren, heeft op de onderdeelen overeenkomst met een vacht en is bij ouden en jongen, in den zomer en in den winter merkbaar verschillend.

Bij de Kleine Zeekoet (Uria grylle) is het bruiloftskleed fluweelachtig zwart met groenachtigen weerschijn; op de vleugels komt een wit veld voor, het oog is bruin, de snavel zwart, de voet koraalrood. In den winter zijn de onderdeelen wit en zwart gevlekt. Totale lengte 34, staartlengte 5 cM.

De Kleine Zeekoet behoort in ’t hooge noorden thuis en broedt tusschen 80 en 58° N.B. Binnen deze grenzen is zij algemeen, hoewel men haar zelden in zwermen, meestal slechts paarsgewijs en afzonderlijk aantreft. In ’t begin van den eigenlijken winter trekt zij meer of minder geregeld zuidwaarts. Op de Duitsche kusten komt zij echter zelden voor; bij ons werd zij nog niet waargenomen.

Deze Vogel maakt steeds een aangenamen indruk, hetzij men hem op een rotsblok ziet zitten, of hem bij ’t zwemmen en duiken, of vliegen bespiedt. Bij ’t zitten is hij gewoon den geheelen loop op den grond te laten rusten, den romp een nagenoeg verticalen stand te geven en met bevallige kronkelingen van den hals den kop heen en weer te bewegen. In ’t zwemmen is hij zeer bedreven: lichter dan zijne verwanten rust hij op het water, daar gewoonlijk slechts een klein deel van den romp ingedompeld is. Bij ’t roeien worden de fraaie, roode voeten dikwijls zichtbaar. Om te duiken strekt hij beide pooten met kracht achterwaarts, buitelt tevens zonder gedruisch over den kop, breidt onder water dadelijk de vleugels uit en gebruikt ze tegelijk met de voeten als roeiriemen. Na hoogstens twee minuten komt hij weer boven om te ademen. Het vliegen schijnt hem betrekkelijk weinig moeite te kosten, hoewel hij de vleugels zeer snel, als ’t ware gonzend, bewegen moet. Om van ’t water op te vliegen, neemt hij een korten aanloop; op een zekere hoogte gekomen, is zijn vlucht echter veel sneller dan men aanvankelijk vermoed zou hebben; schielijk bereikt hij een aanzienlijke hoogte, b.v. het hooge gedeelte van de rots, waar zijn nest zich bevindt. Naar ’t water terugkeerend, breidt hij eenvoudig de vleugels uit, zonder ze eigenlijk te bewegen. De Kleine Zeekoeten toonen een zachtzinnig, goedaardig, verdraagzaam karakter. Op de broedplaatsen verschijnen zij in ’t begin van Maart, op een grooten vogelberg hoogstens een dertigtal, die zich om de overige zeevogels niet schijnen te bekommeren, ieder paar steeds afgezonderd te midden van millioenen Zeekoeten van andere soorten. Als een mensch de broedplaats nadert, zal het paartje wachten, tot hij op een afstand van slechts 15 à 10 schreden gekomen is en dan de vlucht nemen. De broedende Vogel zit dikwijls zoo “vast”, dat men hem met de hand kan grijpen. De Groenlanders en IJslanders vangen Kleine Zeekoeten, zooveel zij kunnen; de Noren ontnemen haar alleen de eieren. Haar vleesch smaakt tranig, maar kan zoo toebereid worden, dat het eetbaar is; in Lapland worden den reiziger dikwijls jonge Zeekoeten voorgediend, die hij mettertijd als een smakelijk gerecht leert beschouwen. De veeren worden gebruikt tot vulling van bedden. Het meest worden de eieren geschat; wie gewend is aan hun eigenaardigen smaak, vindt ze lekker. Zij worden (zelden voor het midden van April, dikwijls eerst in Mei) ten getale van twee in een rotsspleet gelegd en zijn gemiddeld 6 cM. lang en 4 cM. dik. Het mannetje en het wijfje broeden afwisselend 24 dagen lang en voederen hunne jongen aanvankelijk in het nest met Zandpieren, Slijkvisschen, kleine Zandalen, enz., totdat zij geschikt zijn om, evenals de volwassen Vogels, allerlei soorten van Visschen en Schaaldieren te eten. De jongen in het donskleed kunnen wel zwemmen, maar niet duiken.

Bij de Gewone Zeekoet (Uria troïle of Uria lomvia) zijn de kop, de voorhals en de bovendeelen fluweelachtig bruin, de spitsen van de schouderveeren wit, waardoor op den vleugel een lichte band ontstaat; de onderdeelen zijn wit, aan de zijden met bruine, overlangsche strepen. In het winterkleed zijn ook de voorhals en een deel van de achterwang wit. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs, aan de buitenzijde donkerder. Totale lengte 46, staartlengte 6 cM.

De Bastaard-zeekoet (Uria hringvia), die, evenals de volgende vorm, soms als een verscheidenheid van de vorige soort wordt beschouwd, heeft in haar bruiloftskleed een witten ring om het oog, die in een witte, tot aan den achterkop reikende streep uitloopt. Overigens stemt zij nagenoeg geheel met de Gewone Zeekoet overeen.

De Groote Zeekoet (Uria Brünnichii) onderscheidt zich van de Gewone door den korteren, dikkeren snavel en de geelachtig witte streep langs de bovenrand van de mondspleet, van den mondhoek tot aan het neusgat; ook is zij ongeveer 3 cM. langer.

Al deze soorten bewonen de noordelijke zeeën van beide werelden; enkele exemplaren broeden echter in den gematigden gordel. Gedurende den winter begeven zij zich geregeld naar zuidelijker zeeën en komen dan ook in de nabijheid van onze kust; het meest vindt men hier de eerstgenoemde soort (enkele exemplaren zelfs in den zomer), het zeldzaamst de laatstgenoemde, hoewel deze op de Deensche kust ’s winters talrijk is. Het grootste deel van hun leven brengen zij in de open zee door; de meeste blijven voortdurend in dezelfde streek; slechts gedurende den voortplantingstijd komen zij aan land. Zij zwemmen uitmuntend, waarbij de romp nagenoeg tot aan de grens tusschen het witte en het zwarte deel van het vederenkleed ingedompeld is; zij zijn meesters in het duiken, roeien zich onder water met de vleugels en de pooten zeer snel en behendig voort en kunnen verscheidene minuten achtereen onder water blijven. Zij vliegen snel, met gonzende vleugelslagen, hoewel niet gaarne ver in één tocht, op aanzienlijke hoogte alleen dan, wanneer zij zich naar haar nest begeven, anders meestal dicht bij ’t water langs. Van verre gezien gelijken zij wegens de snelle beweging der vleugels op groote Insecten; in den broedtijd komt men er onwillekeurig toe den vogelberg, vooral wanneer deze kegelvormig is, met een door Bijen omzwermden korf te vergelijken. Alleen wanneer zij zich van hunne broedplaatsen op den vogelberg in het water storten, glijden zij nagenoeg zonder vleugelslagen lijnrecht naar beneden. Daar de op- en neervliegende Vogels dezelfde richting volgen, schijnt de berg door een dak omgeven te zijn. Buiten den broedtijd ziet men ze nooit op deze wijze vliegen; zij bepalen zich dan tot zwemmen en duiken, of verheffen zich hoogstens voor een korte poos in de lucht, om spoedig naar ’t water terug te keeren. Gewoonlijk hebben zij een glijdenden gang, plomp schuifelen zij met de geheele zool over den grond; soms echter loopen zij, als ’t ware dansend, op de teenen, maar moeten dan van de vleugels gebruik maken om het evenwicht te bewaren, zoodat deze wijze van beweging eerder gebrekkig vliegen dan loopen kan heeten. Hun stem bestaat uit een langgerekt gesnater of geratel, dat echter zeer verschillend geïntoneerd kan zijn en daarom soms als “örr”, soms als “err” schijnt te klinken; ook hoort men van hen wel eens een huilenden of mauwenden toon. De jongen fluiten.

Niemand zal na een bezoek aan een met Zeekoeten bedekten vogelberg zich er over verwonderen, dat deze Vogels dom worden genoemd. Werkelijk toonen zij zich buitengewoon onergdenkend en vol goed vertrouwen, vooral wanneer zij zich te land bevinden: in ’t water laten zij een boot dikwijls dicht bij hen komen; hunne broedplaatsen kan men, zonder hun argwaan te wekken, tot op een afstand van 6 à 4 schreden naderen en hier gaan zitten kijken of zich met teekenen of schrijven bezig houden, zonder dat zij wegvliegen.

Bastaard-zeekoet (Uria hringvia). 1/4 v. d. ware grootte.

Bastaard-zeekoet (Uria hringvia). 1/4 v. d. ware grootte.

Wie hen wil leeren liefhebben, moet hen op hunne broedplaatsen bezoeken. Hiertoe kiezen zij steil uit zee oprijzende klippen of bepaalde rotswanden uit, welker voet door het water bespoeld wordt, die rijk zijn aan terrassen, uitsteeksels en spleten en in welker nabijheid zij met het best mogelijke gevolg kunnen visschen. Tegen het einde van Maart of het begin van April verschijnen zij in meer of minder groote zwermen op de vogelbergen. Dan worden deze weldra het tooneel van een eigenaardig leven en gewemel. De vogelberg is voortdurend door een wolk van Vogels omgeven; duizenden en honderdduizenden zitten schijnbaar op rijen geplaatst met de witte borst naar de zee gekeerd op alle uitsteeksels, hoekpunten, spitsen, terrassen, kortom overal waar gelegenheid is om te zitten; honderdduizenden vliegen intusschen van boven naar beneden of van beneden naar boven, terwijl een niet minder groot aantal zich in de zee aan den voet van den berg met visschen en duiken bezig houdt. Zelfs de grootste berg, de meest uitgestrekte rotswand wordt overstelpt met bewoners, die echter ieder met een kleine ruimte tevreden zijn, zoodat men nooit strijd ziet ontstaan over de standplaatsen der nesten. Het mannetje en het wijfje zijn innig aan elkander gehecht; zij zitten, als de eieren nog niet gelegd zijn, voortdurend naast elkander, vliegen gelijktijdig naar zee, visschen gemeenschappelijk en keeren te zamen naar het nest terug, waar zij later de zorg voor het broeden deelen.

Het wijfje legt slechts één zeer groot, tolvormig ei; het heeft een dikke, grofkorrelige, op lichten grond met donkerder vlekken geteekende schaal; de teekening biedt echter zooveel afwisseling aan, dat men onder de 100 eieren er moeielijk twee volkomen gelijke zal kunnen vinden. Van een eigenlijk nest is geen sprake; het wijfje legt hare eieren op het naakte gesteente, zonder dit ergens mede te bedekken, zelfs zonder er van te voren de grove kiezelsteenen af te krabben. Zoodra het ei gelegd is, neemt het broeden een aanvang; bij deze werkzaamheid lossen de beide echtgenooten elkander af; zelfs treft men op alle vogelbergen goedhartige, ongepaarde Vogels aan, die zich met ware vreugde neervleien op ieder ei, dat zij onbezet zien, om het spoedig een weinig te bebroeden. Na een broedtijd van 30 à 35 dagen komt uit den dop het jong te voorschijn; dit gelijkt meer op een grauwzwarte prop wol, dan op een Vogel; het groeit schielijk, legt het donskleed spoedig af en heeft dit reeds door een vederenkleed vervangen, voordat het één maand oud is. Nu verlaten de jongen hun zitplaats op de rots om zich naar de zee te begeven, “welke verhuizing,” zegt Naumann, “niet geheel vrij is van gevaar, zooals duidelijk blijkt uit het in ’t oogvallend, angstig heen en weer trippelen en het geschreeuw van het gezin bij het naderen van deze gebeurtenis. Gevolgd door de ouders, werpt het jong zich met één sprong van den kant van de rots in zee; voor de eerste maal met het water in aanraking komend, duikt het, wederom gevolgd door de ouden, dadelijk in de diepte; als allen weer boven gekomen zijn, dringt het jong zich onder luid gefluit angstig tegen de ouders aan, als ’t ware om bij hen bescherming te zoeken en op hun rug te klimmen; het moet zich echter een nadere kennismaking met het natte élement getroosten, waarmede het door herhaaldelijk met de ouden onder te duiken weldra meer vertrouwd wordt. Al dadelijk is het dus in de gelegenheid om zelf zijn voedsel te zoeken; het wordt gedrongen zich met ijver hierop toe te leggen, daar zijne ouders zich niet meer met zijn voedering bemoeien; deze blijven echter bij hun kind om het tegen gevaar te beschermen en begeleiden het naar de opene zee; hier ziet men gewoonlijk tal van gezinnen bijeen, die met voor ’t meerendeel slechts halfvolwassen jongen weer en wind trotseeren. Menige jonge Zeekoet verongelukt, terwijl hij zich van de rotsen naar de zee begeeft en valt zich op de steenen te pletter.”

De vogelbergen worden door de menschen geregeld afgezocht en leveren, al naar hun uitgestrektheid en het aantal Vogels, dat er broedt een meer of minder rijken oogst van eieren en jongen. De eerstgenoemde worden in het noorden tamelijk ver verzonden, de jongen gezouten en voor den winter bewaard. Op de Fär-öer vormen de vogelvangers een afzonderlijke kaste; van deze menschen, die geen gevaar schuwen en den dood in allerlei gedaanten moedig onder de oogen zien, sterft er ternauwernood één in zijn bed. Zij beklimmen de rotsen van onderen af, of laten zich aan lange touwen naar beneden zakken, om vervolgens, hieraan slingerend, een met broedende Vogels bedekte rotspunt te bereiken, van welke zij soms wel 15 M. ver verwijderd zijn: zij zetten den voet op terrassen, waar nauwelijks plaats genoeg is voor een Vogel, kortom, verrichten werkzaamheden, die ongelooflijk schijnen. In Groenland schiet men ’s winters duizenden Zeekoeten met het geweer; ook krijgt men ze op de volgende zeer eigenaardige wijze in handen: De Vogels zoeken hunne broedplaatsen op, voordat het kustijs losgeraakt is en brengen hier den korten nacht slapend door. In dezen nacht begeven de Groenlanders zich zoo stil mogelijk naar de vogelbergen, om, zoodra zij hier gekomen zijn, de Vogels schrik aan te jagen door plotseling te schreeuwen en te schieten. De arme Zeekoeten denken er niet om, dat de zee aan den voet van de rots nog met ijs bedekt is storten zich hals over kop naar beneden en vallen zich te pletter op het ijs. Behalve door den mensch worden zij onophoudelijk vervolgd door Roofvogels, Raven en Jagers; onder water loopen zij gevaar door roofvisschen verslonden te worden. Ondanks deze vervolgingen neemt hun aantal niet af.

De Zeekoeten op Helgoland mogen niet lastig gevallen worden voor den 24en Juli; op dezen dag wordt de jacht op genoemde Vogels geopend, in ’t eerst alleen voor de badgasten, later ook voor de bewoners van het eiland.

*

De onderzoekers, die de levenswijze van de kleinste van alle Zeekoeten, van de Kleine Alk (Mergulus alle), den eenigen vertegenwoordiger van het geslacht der Krabbenduikers, hebben nagegaan, noemen haar eenstemmig een van de bevalligste kinderen der zee. Door den korten en dikken, van boven gewelfden snavel, die bij oude Vogels vóór de eironde neusgaten nog flauwe groeven vertoont, houdt zij in zekeren zin het midden tusschen de Alken en de Zeekoeten. Het vederenkleed is op de bovendeelen donkerzwart, op den onderhals dofzwart, op de overige onderdeelen wit; de handpennen en stuurpennen zijn zwart; de armpennen hebben aan de spits een breeden, witten zoom. Het oog is donkerbruin, de snavel dofzwart, de voet blauwachtig zwart. In het winterkleed is ook de keel witachtig en de hals donkergrijs. Totale lengte 25, staartlengte 3 cM.

De Groenlandvaarders noemen de Kleine Alk “IJsvogel”, omdat men gewoonlijk rekenen kan op de nabijheid van groote ijsmassa’s, wanneer zij zich in grooten getale vertoont. Van alle Alkvogels is zij de bewegelijkste, wakkerste en behendigste. Betrekkelijk snel en vlug gaat zij met kleine trippelpasjes op de teenen, sluipt behendig tusschen de steenen rond, of kruipt als een Muis in rotsspleten. Haar bekwaamheid in ’t zwemmen en duiken is zelfs voor een lid van haar familie buitengewoon; zij blijft 2 minuten of langer onder den waterspiegel en kan gedurende geruimen tijd zeer slecht weer verdragen. In de zee gevoelt zij zich steeds volkomen thuis; slapend, met onder de schouderveeren verborgen snavel, zoowel als wakend drijft of zwemt zij welgemoed op de golven, hetzij deze hoog gaan, of zich slechts weinig verheffen. Van ’t water, evenals van ’t land, vliegt zij vlug en zonder merkbare inspanning op. Meer nog dan hare verwanten herinnert zij dan aan een vliegend Insect, daar zij hare kleine vleugels zeer snel moet bewegen. Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk te bestaan uit kleine, dicht bij den zeespiegel levende Schaaldieren; slechts zelden vindt men overblijfselen van Visschen in haar maag.

De eilanden van het hooge noorden herbergen gedurende den broedtijd ontelbare zwermen van deze vogeltjes. Op de kusten van Spitsbergen hoort men, volgens Mallingren, nog op een halve mijl afstands van de kust onophoudelijk, over dag zoowel als ’s nachts, van de berghellingen, die zij tot woonplaats hebben uitgekozen, hun als “trr, trr, tet, tet, tet” of als “gief” klinkend geschreeuw. Volgens Faber broeden zij op IJsland slechts op één plaats, n.l. op de noordelijkste spits van het eilandje Grimsö. Ieder paartje zoekt diep onder de neergestorte steenklompen een geschikte plaats om te nestelen; men vindt in dit hol één wit, blauwachtig getint, zelden zwak roodachtig gevlekt ei van 50 mM. lengte en 35 mM. dikte. Zoodra de jongen zelfstandig geworden zijn, vereenigen de Kleine Alken van verschillende broedplaatsen zich tot de ontzaglijke scharen, die de zeevaarders in het noorden tot op de hoogste breedten waargenomen hebben. In den winter, vooral bij storm en ijsgang, komen zij ook aan de kusten van de Oost- en Noordzee voor; aan onze kust ontmoet men ze dan dikwijls in menigte, enkele exemplaren soms reeds in het einde van Augustus. Bij ijsgang in zee treft men ze niet zelden binnenslands in slooten en vaarten aan. De van roof levende Vogels en Visschen richten misschien onder de Kleine Alken geen grooter slachting aan dan de mensch. Naast het vleesch van het Rendier is dat van deze zeevogels een van de grootste lekkernijen van het hooge noorden. Bij duizenden worden zij gedood, soms meer dan 30 in één schot.


De groote, drijvende bladen van verschillende waterplanten, vooral van plompen, die de oppervlakte van stilstaande of langzaam stroomende wateren bedekken, dienen in warme landen tot jachtgebied aan eenige hoogst sierlijk gebouwde Vogels, die Parra’s heeten en een afzonderlijke groep uitmaken (Parrae), die slechts één familie bevat (Parridae). Men ontmoet ze in de keerkringslanden van de Oude zoowel als van de Nieuwe Wereld. Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten, die evenwel alle in levenswijze overeenkomen. Slechts bij uitzondering, vooral in den broedtijd, verlaten zij hunne drijvende eilanden.

In tegenstelling met andere moerasvogels, zijn zij jegens den mensch volstrekt niet schuw, maar vertoonen zich integendeel steeds ongedekt, laten toe, dat een boot dicht bij hen langs vaart, vliegen eerst op ’t laatste oogenblik weg, fladderen even over het water heen en strijken spoedig weer neer. Het zijn zeer bevallige, argelooze Vogels, die nevens de waterleliën en andere fraaie waterplanten zulk een bekoorlijken indruk maken, dat zij iedereen voor zich innemen, hoewel hun aard niet in alle opzichten beantwoordt aan de gunstige meening, die hun aanblik wekt. Door het loopen op bladen, die geen anderen Vogel van deze grootte kunnen dragen, bekoren zij den reiziger; dit feit heeft aanleiding gegeven tot de bijgeloovige verhalen, waarin zij een rol spelen. Overal elders dan op hunne bladen toonen zij zich onbeholpen. Wel zijn zij ook geschikt om over weeke modder te loopen, zonder er in te verzinken; ternauwernood echter kunnen zij zich door het hooge gras bewegen; evenmin zijn zij ervaren in het zwemmen of in het vliegen. Eenige soorten heeft men nog nooit zien zwemmen, van andere is het bekend, dat zij goed kunnen duiken. Zij hebben een vreemdsoortige stem, die bij sommige als lachen klinkt. Zij is niet slechts voor hunne soortgenooten maar ook voor andere Vogels een waarschuwing tegen gevaar.

Zij voeden zich gedurende een deel van ’t jaar bijna uitsluitend met de zaden van de planten, waarop zij zich ophouden, maar bovendien ook met allerlei kleine dieren.

Zij hebben een slanke gedaante, een dunnen, langwerpigen snavel en hooge pooten met buitengewoon lange en dunne teenen, welker lengte door die der slanke, rechte nagels soms verdubbeld wordt. Daar de gezamenlijke teenen, wanneer zij uitgespreid zijn, een groot vlak beslaan en de romp zeer licht is, vindt de Vogel op een groot, drijvend blad een voldoenden steun. De vleugels zijn tamelijk lang, smal en spits; de staart is kort en uit smalle pennen samengesteld; bij één soort echter (bij Parra sinensis, die ook op de Soenda-eilanden gevonden wordt) zijn de middelste stuurpennen draadvormig verlengd. Het vederenkleed is eenigszins schraal voorzien, maar stijf en in den regel fraai van kleur. De naakte voorhoofdsplaat, die bij de meeste soorten voorkomt, is bij sommige—o. a. bij de Haantjesparra (Parra cristata), die op Celebes en Noord-Australië thuis behoort—verlengd tot een huidlel. Opmerkelijk is de stevige, meestal spitse, soms stompe “doorn”, waarmede het handgewricht gewapend is.

*

Jassana (Parra jaçana). 1/2 v. d. ware grootte.

Jassana (Parra jaçana). 1/2 v. d. ware grootte.

Een van de algemeenste moerasvogels van Zuid-Amerika is die, welke in Brazilië Jassana, in Cayenne Chirurgien, in Suriname Kemphaan wordt genoemd (Parra jaçana). Bij den volwassen Vogel zijn de kop, de borst en de buik zwart, de rug, de vleugels en de flanken roodbruin, de slagpennen geelachtig groen, aan de spits echter zwart, de stuurpennen donker roodachtig bruin. Het oog is lichtgeel, de snavel rood, aan de spits geelachtig, de naakte voorhoofdsplaat, zoowel als de lel aan den mondhoek, bloedrood, het naakte deel van den poot loodkleurig grijs, de doorn geel. Totale lengte 55 cM.; de middelste teen is (met zijn 24 mM. langen nagel) 55 mM. lang en even lang als de loop; de achterteen is 64 mM. lang, waarvan 40 mM. op den nagel komen.

Van Guyana tot Paraguay ontbreekt de Jassana in geen enkel stilstaand water, wanneer dit voor een deel met groote, drijvende bladen bedekt is. Wegens hare fraaie kleuren ziet men haar gaarne en laat haar rustig begaan; zij vestigt zich daarom in de onmiddellijke nabijheid van woningen, vooral in de afwateringskanalen van plantages; houdt zich bovendien op in alle moerassige streken, op natte, moerassige weiden, in de nabijheid van de kust, zoowel als in ’t binnenland of te midden van de oerwouden. Een prachtig schouwspel levert zij op te midden van de prachtige waterleliën, welker kleuren door de hare in de schaduw worden gesteld, pijlsnel loopend over de dicht dooreengegroeide, groote, groene bladen, voortdurend bezig met het zoeken van haar voedsel, dat vooral uit waterinsecten en hunne larven, doch ook uit zaden bestaat.

Het wijfje legt hare 4 à 6 eieren aan den waterkant op bladen van waterplanten, doch ook wel op den naakten grond. De jongen volgen hun moeder schielijk na.


De Trappen en Grielen vereenigt Fürbringer in één groep, die der Trapvogels (Otides).

De Trappen (Otididae) zijn groote of middelmatig groote, zwaarlijvige Vogels met een middelmatig langen, dikken hals, een tamelijk grooten kop, een dikken, aan den wortel van boven naar beneden samengedrukten, overigens kegelvormigen, vóór de spits van de bovenkaak een weinig gewelfden snavel, die ongeveer zoolang is als de kop. De middelmatig lange, zeer dikke loop draagt drie teenen; van de stevige, breede slagpennen der groote, goed ontwikkelde, aan de onderzijde zacht uitgeholde vleugels is de derde de langste; de korte staart bestaat uit 20 breede pennen; het glad aanliggend vederenkleed is aan den kop en den hals dikwijls verlengd (“baard”) en steeds met levendige kleuren versierd. Het mannetje is altijd grooter dan het wijfje en gewoonlijk ook fraaier gekleurd.

Met uitzondering van Amerika bewonen de Trappen alle werelddeelen, vooral echter Afrika en Azië. Haar levenswijze herinnert in vele opzichten aan die van de Hoendervogels, maar evenzeer aan die van de Pluvieren en hare verwanten. Als zij niet gestoord worden, blijven zij den geheelen dag op den bodem; in de middaguren zoeken zij hun voedsel, schreeuwen of vechten met elkander; des middags “gullen” zij (baden zich, op hun gemak uitgestrekt, in het zand), tegen den avond zoeken zij op nieuw voedsel en kiezen ten slotte de meest veilige plaats uit, om er ’s nachts te rusten. Zij eten even graag zaden als bladen, knoppen en knollen, plukken echter bij voorkeur de bladen zelf, laten b.v. gesneden kool onaangeroerd, terwijl zij een geheele kool met smaak verorberen. Aan brood kunnen zij gemakkelijk gewend worden; later beschouwen zij het als een lekkernij.

Hun voortplantingsperiode valt samen met het laatste gedeelte van de lente in hun vaderland. Volgens de meeste onderzoekers leven zij in monogamie. In een korenveld of tusschen het hooge steppengras krabt de hen een ondiep kuiltje, bekleedt het op gebrekkige wijze, en legt er een gering aantal eieren in; zonder hulp van haar gemaal bebroedt zij ze en hoedt de met een sierlijk donskleed bedekte, maar eenigszins plompe jongen; later komt het mannetje bij zijn gezin terug om voor de veiligheid van vrouw en kinderen te zorgen.

De Trappen worden in alle landen met hartstochtelijken ijver gejaagd, omdat haar groote voorzichtigheid den jager prikkelt tot het toonen van zijn meerderheid.

*

De Groote Trap of Trapgans, in Noord-brabant en Zeeland Wilde Kalkoen genaamd (Otis tarda), is de grootste Europeesche landvogel. Haar lengte bedraagt 1 M. of meer (staartlengte 28 cM.), haar gewicht kan tot 14 à 16 KG. toenemen. De kop, de bovenborst en een deel van den bovenvleugel zijn licht aschgrauw; de rug is op roestgelen grond met zwarte dwarsbanden geteekend, de nek roestkleurig, de onderzijde vuilwit of geelachtig wit; de slagpennen zijn donker grijsbruin, aan de smalle buitenvlag en aan de spits zwartbruin, hare schaften geelachtig wit, de laatste bijna zuiver wit, de stuurpennen fraai roestrood, vóór de witte spits met een zwarten band versierd, de buitenste bijna geheel wit. De “baard” bestaat uit ongeveer 30 lange, teere, smalle, losbaardige, grijsachtig witte veeren. Het oog is donkerbruin, de snavel zwartachtig, de voet grijsachtig.

Van Zuid-Zweden en Middel-Rusland af vindt men de Trap in geheel Europa en Middel-Azië; in Noordwest-Afrika komt zij slechts enkel en uitsluitend gedurende den winter voor. In Groot-Britannië is zij reeds uitgeroeid, in Frankrijk zeer zeldzaam, in Spanje slechts in eenige gewesten te vinden; in Hongarije, Moldavië en Wallachije, in Roemelië en Thessalië, in de Zuid-Russische steppe en in geheel Middel-Azië daarentegen treft men haar buitengewoon veelvuldig aan. Gedurende hare zwerftochten (men kan bij haar eerder van zwerven dan van trekken spreken) bezoekt zij niet slechts de zuidelijke, maar ook de meer westwaarts gelegen landen, b.v. Nederland en Zwitserland. In vroegere eeuwen geschiedde dit op grooter schaal dan thans en verschenen deze Vogels bij ons jaarlijks in den herfst in zoo groote menigte, dat (gelijk Merula in zijn “Vlugchtbedrijf” bericht) geheele velden er mede bedekt waren. Ook thans echter strekken enkele exemplaren hun tocht naar ’t westen zoo ver en zelfs tot in Groot-Britannië uit. Hun aantal is evenwel alleen dan van eenige beteekenis, wanneer in Oost- en Middel-Europa een strenge koude heerscht en veel sneeuw valt, gelijk het geval was in December 1890 en Januari 1891. In de meeste provinciën van Nederland zijn in genoemden winter Trappen waargenomen, soms vluchten van 18 stuks; 10 exemplaren werden geschoten. In Groot-Britannië heeft men er in denzelfden tijd 7 bemachtigd. Veel grooter slachting werd destijds in Roemenië onder de Trappen aangericht; op den met ijs bedekten bodem geen voedsel vindend, kwamen deze Vogels, die in den regel op 250 à 400 passen met de buks moeten worden geschoten, in de nabijheid van boerenwoningen en werden in grooten getale gedood. Het aantal Trappen, dat destijds te Boekarest op de markt werd gebracht, schat men op niet minder dan 800 stuks (Albarda).

In de Noordduitsche vlakte en in de uitgestrekte, niet met wouden bedekte velden van Middel- en Zuid-Duitschland bewoont de Groote Trap ook thans nog alle voor haar geschikte plaatsen. Zij is hier standvogel; het gebied, waarin zij zich beweegt, is zeer uitgestrekt; zij verlaat het slechts in zeer strenge winters. In Rusland en Middel-Azië echter verschijnt zij in de lente, blijft tot Augustus in het oord, waar zij zich voortplant en begeeft zich dan naar andere gewesten. Zij zwerft dus op geregelde tijden, of trekt, zij het dan ook in beperkte mate.

Groote Trap (Otis tarda). 1/10 v. d. ware grootte.

Groote Trap (Otis tarda). 1/10 v. d. ware grootte.

De Groote Trap vermijdt steeds boschrijke gewesten, omdat zij in iederen struik een hinderlaag ducht. Evenmin nadert zij in Duitschland bewoonde gebouwen. In den winter houdt zij zich bij voorkeur op in velden, die haar voedsel kunnen verschaffen, het meest dus in akkers met koolzaad of winterkoren. Gedurende dit jaargetijde is zij, zoo mogelijk, nog voorzichtiger dan in den zomer, die haar in het hoog opgeschoten graan een goede schuilplaats verschaft. Des nachts rust zij steeds op de meest afgelegen velden, meestal braakliggend of stoppelland, die zij eerst in de schemering opzoekt en waar, naar het schijnt, wachten uitgezet worden, die voor de veiligheid van het geheele gezelschap moeten waken.

De Groote Trap gaat met langzame en afgemeten passen, hetgeen aan haar voorkomen een zekere waardigheid verschaft; als het noodig is, kan zij echter zoo schielijk rennen, dat een Hond haar slechts met moeite kan inhalen. Om op te vliegen, doet zij een korten, uit 2 of 3 sprongen bestaanden aanloop en verheft zich daarna, wel niet bijzonder snel, maar toch zonder buitengewone inspanning met langzame vleugelslagen in de lucht; als zij eerst een zekere hoogte bereikt heeft, rept zij zich zoo schielijk voort, dat de jager om haar met de buks te treffen een geoefend oog en een vaste hand moet hebben.

Het gewone geluid van de Groote Trap is een vreemdsoortig, zacht gesnater, dat men alleen in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel duidelijk kan waarnemen.

De ervaring leert, dat het oog het meest ontwikkelde zintuig is van de Groote Trap. Niet licht ontgaat iets aan haar scherpen blik. De reuk schijnt zeer zwak te zijn; zeker is het evenwel, dat de Trappen scherp hooren.

De Groote Trap voedt zich in volwassen toestand bij voorkeur met groene plantendeelen, graanvruchten en zaden, in haar prille jeugd bijna uitsluitend met Insecten. Al onze landbouwplanten zijn van haar gading, aardappels laat zij echter gewoonlijk liggen; het liefst eet zij naar ’t schijnt, jonge erwtenplanten en verschillende soorten van kool; zij gebruikt echter ook krodde- en mosterdplanten en graast in geval van nood de topspruitjes van het gewone gras af. In den winter voedt zij zich hoofdzakelijk met koolzaad- en graanplantjes; in den zomer gebruikt zij, behalve plantaardig voedsel, ook altijd eenige Insecten, zonder eigenlijk jacht op hen te maken; ook vervolgt zij ijverig Veldmuizen. Geregeld slikt zij ook kleine kwartskorrels door, tot bevordering van de spijsvertering. Haar dorst stilt zij met de dauwdroppels, die ’s morgens aan het gras hangen.

Als de paartijd nadert, toonen de hanen een groote opgewondenheid; zij stappen met waaiervormig uitgespreiden, een weinig opgeheven staart, fier als Kalkoenen rond; intusschen is vooral een vliezige zak aan de keel zoo sterk opgeblazen, dat de hals meer dan eens zoo dik schijnt dan gewoonlijk. Er hebben dan hevige gevechten plaats, tot de zwakste hanen het veld ruimen. Alle bekende feiten pleiten voor de meening, dat de Trappen in monogamie leven.

Bij ’t kiezen van de broedplaats geven zij steeds blijken van groote voorzichtigheid; door oude paren geschiedt dit echter zorgvuldiger dan door jonge. Als het koren reeds zoo hoog is opgeschoten, dat het broedende wijfje zich er in verbergen kan, krabt zij een ondiep kuiltje in den bodem, bekleedt dit soms met eenige droge stoppels, stengels en halmen en legt hierin twee, bij uitzondering ook wel drie, niet bijzonder groote, kort eivormige eieren; deze hebben een dikke, grofkorrelige glanslooze schaal, die op licht olijfkleurig groenen of dof grijsgroenen grond, donkerder gevlekt en gesprenkeld is. Zij nadert het nest steeds uiterst behoedzaam, sluipt er letterlijk heen, laat zich zoo weinig mogelijk zien en legt, zoodra zij iemand bespeurt, den hals, dien zij gedurende het broeden rechtop houdt, plat op den bodem. Als een vijand nadert, sluipt zij, zonder gezien te worden, door het koren weg; als een gevaar haar plotseling overvalt, vliegt zij omhoog, maar strijkt spoedig weer in ’t koren neder en loopt dan verder. Na een bebroeding van 28 à 30 dagen komen de wollige, bruinachtige, zwart gevlekte jongen uit, die zoodra zij droog zijn met de moeder meegaan. Deze is zeer gehecht aan haar kroost; wanneer het gevaar loopt, fladdert zij angstig dichtbij den rustverstoorder langs en neemt allerlei listen te baat om hem van ’t spoor te brengen; wanneer haar dit gelukt is, keert zij naar hare kinderen terug, die zich op een doelmatig gekozen plaats op den grond hebben gedrukt en in de overeenkomst van de kleur van hun kleed met die van den bodem een voortreffelijk middel tot beschutting hebben gevonden. Kleine Kevers, Sprinkhanen, larven van Insecten, die voor een deel door de moeder uit den grond gekrabd of gevangen en voor de kuikentjes neergelegd worden, maken hun eerste voedsel uit. In den beginne zijn zij zeer onbeholpen; hun gang is gebrekkig en waggelend; zij leeren eerst laat zelf hun voedsel op te pikken, maar beginnen dan spoedig groen voer te eten.

Om Trappen te temmen, moet men ze jong gevangen hebben, daar volwassene het verlies van haar vrijheid moeielijk te boven komen. Zeer ervaren vogelfokkers koopen ook wel eieren op, die door herders gevonden zijn en laten deze door Hoenderen of Kalkoenen uitbroeden. De Trappen zijn niet bestand tegen het leven in een stal, maar moeten ’s zomers en ’s winters in de vrije natuur gelaten worden.

De Trap wordt tot de “groote” jacht gerekend en overal ijverig vervolgd. In vroegere tijden gebruikte men voor de trappenjacht de zoogenaamde “karbuks”, een echte helsche machine, die uit vele onderling vereenigde geweerloopen bestond, maar wegens haar zwaarte niet anders dan van een kar gehanteerd kon worden. Ervaren jagers besluipen in den baldertijd de fier rondstappende hanen en dooden hen met den kogel; dikwijls verkleeden zij zich vooraf als een boerenarbeider en nemen een draagkorf op den rug, of duwen een kruiwagen voort, of hebben een ploegpaard bij zich, dat zij berijden, of waarachter zij zich gedurende het besluipen van het wild verbergen. In de Russische steppen worden de Trappen niet zelden met Windhonden “gehitst”, in Azië “beit” men ze met Edelvalken of getemde Steenarenden. Ook wacht men in de steppen soms nevelachtig, vriezend weer af en jaagt dan op flinke Paarden gezeten de Trappen achterna; in dit weder zijn n.l. de vleugels van het wild met een ijskorst bedekt en hierdoor minder geschikt voor het gebruik. De vallen en strikken, die soms aanbevolen worden, leiden zelden tot de gewenschte uitkomst.

In ’t zuiden van Europa vindt men, nevens de zooeven genoemde soort, de Kleine Trap (Otis tetrax). Haar geringere grootte en afwijkende kleur onderscheidden haar van de Groote Trap; bovendien zijn de veeren van bovenhals en achterkop naar de zijden eenigszins verlengd. Bij het mannetje is de zwarte hals geteekend met een van de ooren naar den gorgel afdalenden, witten ringband en heeft de krop een breeden, witten dwarsband; het aangezicht is donkergrijs, de bovenkop licht geelachtig met bruine vlekken, de mantel op licht roodachtigen grond in dwarse richting zwart gevlekt en gegolfd; de vleugelrand, de boven- en onderdekveeren van den staart en de veeren van de onderzijde zijn wit, de handpennen aan den wortel wit, aan de spits donkerbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren wit, dichtbij de spits met twee banden versierd. Het oog is licht- of bruingeel, de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet stroogeel. Totale lengte 50, staartlengte 13 cM.

Ook de Kleine Trap is een steppenvogel; haar eigenlijk gebied begint, waar de steppe of een hiermede overeenkomend terrein haar geschikte verblijfplaatsen verschaft, n.l. in Zuid-Hongarije en Zuid-Frankrijk; van hier strekt het zich aan de eene zijde uit over Turkije en Griekenland, Zuid-Rusland, geheel Middel- en West-Azië (vooral Toerkestan, Indië, Perzië, Klein-Azië en Syrië), naar de andere zijde over Italië, Spanje en Noordwest-Afrika. De Russische en Siberische steppen moet men als het brandpunt van haar verbreidingsgebied beschouwen. Ook op Sardinië schijnt zij zeer veelvuldig te zijn, terwijl zij in Spanje wel is waar niet in grooten getale voorkomt, maar toch nergens ontbreekt. Na den broedtijd zwerft zij rond en trekt vervolgens uit sommige landen naar zuidelijker streken. Gedurende hare zwerftochten verdwaalt zij ook naar koudere gedeelten van Europa, o. a. naar Nederland; herhaaldelijk zijn hier (van September tot Januari) enkele exemplaren van deze vogelsoort geschoten. Vóór 1870 verscheen zij op deze wijze ook in Duitschland, zoowel in de lente als in den herfst, bleef er altijd echter slechts korten tijd om zich vervolgens hetzij naar het zuidwesten of naar het oosten van Europa te begeven. Sedert het genoemde jaar heeft zij zich in het kale, heuvelachtige, maar vruchtbare gewest van Thuringen, dat tusschen de steden Weissense, Kölleda, Erfurt, Langensalza en Greuszen gelegen is, en later ook in Silezië als broedvogel gevestigd. Toch behoort de Kleine Trap in Duitschland, gelijk bij ons, nog altijd tot de groote zeldzaamheden.

In tegenstelling met haar grootere verwant voedt de Kleine Trap, zelfs als zij volwassen is, zich grootendeels met Insecten, vooral met Sprinkhanen, Kevers en verschillende larven, zonder echter het plantaardige voedsel geheel te versmaden. Niet slechts om deze reden, maar ook omdat zij een uitstekend wildbraad oplevert, moet men haar als een nuttige Vogel beschouwen. In Spanje wordt dit wild onder den naam “Fazant” opgedischt.

De Aziatische Kraagtrap [Otis (Houbara) Macqueenii], die door haar grootte het midden houdt tusschen de beide reeds genoemde soorten, is in ons land geen volslagen vreemdeling, daar zij éénmaal bij Zeist geschoten werd. Ook in Duitschland, België, Frankrijk zijn afgedwaalde exemplaren waargenomen. De Kraagtrap is gemakkelijk kenbaar aan haar kuif, die uit smalle, gekromde, zwarte en witte veeren bestaat, aan den zeer langen en grooten, deels zwarten, deels witten vederkraag aan weerszijden van den hals en aan de zeer fijne, golvende dwarslijnen op de bleek grijsachtig rosbruine bovendeelen en vleugels.

De Hoebara [Otis (Houbara) undulata], die vaak met de Kraagtrap verward werd en veel op haar gelijkt, is iets grooter en heeft zuiver witte kuifveeren, terwijl de veeren van den rug en van de vleugels donkerder, meer bruinachtig zijn.

De Kraagtrap bewoont de vlakten van Pandsjab en de daaraan grenzende gedeelten van Sindh, dwaalt echter ook wel naar andere gewesten van Indië af, wordt veelvuldig aangetroffen in de droge steenachtige vlakten van Afghanistan en komt bovendien voor in andere Aziatische landen, vooral in Toerkestan, Zuidwest-Siberië, Perzië en Mesopotamië.

De Hoebara vervangt haar in de landen ten zuiden van de Middellandsche Zee, van de Kanarische eilanden tot Arabië, is niet zeldzaam in Marokko, Algerië, Tunis en Tripolis, aan de Libysche kust zelfs veelvuldig, maar vertoont zich slechts bij uitzondering in het Nijlgebied.

Beide geven de voorkeur aan heete, dorre, zandige en steenachtige, schaars met struiken begroeide vlakten en bewonen dus het liefst de echte woestijn. De Arabieren en Indiërs zijn hartstochtelijke liefhebbers van de Trappenjacht, die een voortreffelijk wildbraad oplevert; zij maken hierbij hoofdzakelijk gebruik van gedresseerde Valken.


Op een der eerste avonden, die ik in een min of meer bouwvallige woning in een der voorsteden van Kaïro doorbracht, zag ik tot mijn niet geringe verrassing van de platte daken der huizen groote Vogels naar beneden vliegen, die zich naar het struikgewas in den tuin begaven en hier verdwenen. Ik dacht eerst aan Uilen, hoewel hun vlucht niet strookte met deze onderstelling, die ik geheel verwierp na het hooren van het luide geschreeuw van een der Vogels. Deze zag ik bij het licht der volle maan hoe langer hoe drukker zich bewegen in den tuin, naarmate het later werd. Als spookgestalten glipten zij uit de oranjeboomboschjes en verdwenen even plotseling, als zij gekomen waren. Een goed gemikt schot verschafte mij de gewenschte inlichting. Ik repte mij naar buiten en bemerkte, dat ik een landgenoot had geschoten, een Vogel, die ik dikwijls opgezet had gezien, een Griel, den middelvorm tusschen de Trap en de Pluvier, de Nachttrap, gelijk men hem zou kunnen noemen. Later had ik gelegenheid genoeg om den vreemdsoortigen klant na te gaan, want ik ontmoette hem of een zijner verwanten, die geheel dezelfde levenswijze hebben, in alle landen van Zuid-Europa en van Noordoost-Afrika, die ik bezocht.

De kenmerken van de Grielvogels (Oedicnemidae) zijn: een betrekkelijk aanzienlijke grootte, een middelmatig lange, dunne hals, een dikke kop met groote oogen, een rechte, vóór het voorhoofd verhoogde, aan de spits kolfvormige, aan den wortel zachte, aan de spits harde snavel, hooge, aan het spronggewricht verdikte pooten, drieteenige voeten, middelmatig lange vleugels, waarin de tweede slagpen de langste is, een middelmatig lange, bijna wigvormige, uit 12 à 14 stuurpennen samengestelde staart en een tamelijk dicht vederenkleed, welks kleuren aan die van den Leeuwerik herinneren en bij ouden en jongen, bij mannetjes en wijfjes, in den zomer en in den winter nagenoeg gelijk zijn. De 9 soorten van deze familie behooren uitsluitend tot het oostelijk halfrond.

*

Onze Griel, Doornsluiper, Scharluip of Scharlupen (Oedicnemus crepitans), het kleinste lid en de eenige Europeesche vertegenwoordiger van zijn familie, is ongeveer 45 cM. lang (staart 13 cM.); hij evenaart dus in grootte een Woudduif. De geheele bovenzijde is als die van een Leeuwerik gekleurd; de veeren zijn roestkleurig grijs en in het midden zwartbruin gestreept; het voorhoofd, een plek vóór het oog, benevens een streep er boven en een er onder zijn wit, zoo ook een streep op den bovenvleugel; de veeren van de onderzijde zijn geelachtig wit, de slagpennen zwart, de stuurpennen zwart, zijdelings en aan de spits wit. Het oog is goudgeel, de snavel geel, aan de spits zwart, de voet stroogeel.

Als het eigenlijke vaderland van den Griel moet men beschouwen de landen van Zuid-Europa, Noord-Afrika en Middel-Azië, waarin echte woestenijen of althans steppe-achtige gewesten voorkomen. In alle landen om de Middellandsche Zee, in Syrië, Perzië, Arabië, Indië enz. komt hij in grooten getale voor. In Hongarije, Oostenrijk en Duitschland ontbreekt hij evenmin, bovendien ontmoet men hem in Nederland, Groot-Britannië, Denemarken en het zuiden van Zweden. Bij ons komt hij van Mei tot October tamelijk zelden voor; hij werd broedend gevonden in de duinen van Noord- en Zuid-Holland en op de duinachtige heidevelden bij Oirschot in Noordbrabant; ook op de eilanden werd hij waargenomen. Op den trek bezoekt hij gaarne heidegronden. In Zuid-Europa vindt hij bijna overal woonplaatsen.

De Griel houdt van de eenzaamheid, bekommert zich nagenoeg niet om zijne soortgenooten en geeft zich nog minder met andere wezens af. Over dag merkt men hem slechts zelden op, meestal niet anders dan toevallig, want hij heeft den mensch, die zijn standplaats nadert, veel eerder gezien dan deze hem. Als hij zich op een uitgestrekte effene vlakte zonder beschuttend struikgewas bevindt, drukt hij zich plat op den bodem neer en maakt zich daardoor, dank zij zijn aardkleurig vederenkleed, bijna onzichtbaar. Als de nacht aanbreekt, wordt hij roerig, rent en vliegt onrustig heen en weer, laat zijn sterk fluitende, op grooten afstand hoorbare stem weerklinken, verheft zich spelenderwijs zonder inspanning tot op een betrekkelijk aanzienlijke hoogte en vertoont sterke toeren op het gebied der vliegkunst, die men van hem niet verwacht zou hebben.

Wormen, Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken en andere Weekdieren, Kikvorschen, Hagedissen en Muizen zijn het wild, waarop de Griel jacht maakt; eieren en jonge vogeltjes, die het nest nog niet kunnen verlaten, worden waarschijnlijk eveneens door hem begeerd. De Veldmuizen, die hij als een Kat beloert, weet hij loopend zeer geschikt te vangen; na den buit door een krachtigen snavelhouw buiten gevecht gesteld te hebben, grijpt hij hem met den snavel aan, stoot hem herhaaldelijk tegen den grond, waardoor alle beenderen breken en verzwelgt vervolgens het letterlijk verpletterde slachtoffer. Ook de Insecten worden vóór het doorslikken gedood. Tot bevordering van de spijsvertering dienen de tevens ingeslikte, grove zandkorrels.

In het einde van April vindt men in een kuiltje in ’t zand, 3 of 4 eieren; deze zijn ongeveer zoo groot als hoendereieren en op bruin groenachtig-gelen grond met grijze stippen en olijfbruine vlekjes en schrapjes geteekend. Het wijfje broedt, het mannetje houdt bij het nest de wacht. Na ongeveer 16 dagen komen de jongen uit; reeds den volgenden dag verlaten zij het nest en gaan onder toezicht van hun moeder voedsel zoeken.