Eenige weinige woorden zullen voldoende zijn om den toestand van Indië te doen kennen ten tijde van de voorvallen, die in dit verhaal voorkomen en meer bijzonder van het geduchte oproer der Sipayers, waarvan we hier de voornaamste feiten in het geheugen willen terugbrengen.
Het was in 1600, onder de regeering van Elisabeth, op den gewijden grond van Aryavarta, te midden eener bevolking van twee honderd millioen bewoners, waarvan honderd twaalf millioen den Hindoeschen godsdienst beleden, dat de zeer achtbare Oost-Indische Compagnie gesticht werd, bekend onder den echt Engelschen bijnaam van »Old John Company.”
Het was in het begin een eenvoudige »vereeniging van kooplieden, die handel op Oost-Indië dreven” en aan welker hoofd de hertog van Cumberland geplaatst werd.
Omstreeks dezen tijd was de Portugeesche macht, die groot in Indië geweest was, reeds aan het afnemen. Ook namen de Engelschen, van dezen toestand gebruik makende, een eerste proef van politiek en militair bestuur in het presidentschap van Bengalen, waarvan de hoofdstad, Calcutta, weldra het middelpunt der nieuwe regeering zou worden. Al dadelijk kwam het 39e regiment der koninklijke armée, uit Engeland afgezonden, de provincie bezetten. Van daar de zinspreuk, die het nog altijd in zijn vaandel draagt: Primus in Indiïs.
Intusschen had zich ongeveer terzelfder tijd, onder bescherming van Colbert een Fransche Compagnie gevestigd. Zij had hetzelfde doel als de Compagnie van de Londensche kooplieden. Wat wonder dat uit die mededinging een strijd van belangen geboren werd. Er volgde een langdurige met afwisselend geluk gevoerde worsteling uit, die de namen van Dupleix, Labourdonnais en Lally-Tollendal beroemd maakte.
Eindelijk moesten de Franschen voor de overmacht bukken en Carnatië, dat gedeelte van het schiereiland, dat een gedeelte van zijn oostelijke grens bevat, verlaten.
Lord Clive, zonder concurrenten voortaan, niets meer van Portugal noch van Frankrijk te vreezen hebbende, ondernam toen de verovering van Bengalen, waarvan lord Hastings tot Gouverneur-generaal benoemd werd. Door een bekwaam en volhardend bestuur kwamen heilzame hervormingen tot stand. Maar van dien tijd af aan werd de Oost-Indische Compagnie, eens zoo machtig, rechtstreeks in hare dierbaarste belangen getroffen. Eenige jaren later, in 1784, bracht Pitt nogmaals wijzigingen in de oorspronkelijke oorkonde. Haar schepter moest overgaan in de handen van de raadslieden der Kroon. Het gevolg van dezen stand van zaken was, dat in 1813 de Compagnie het monopolie van den Indischen handel en in 1833 het monopolie van den handel met China ging verliezen.
Al had nu evenwel Engeland niet meer te strijden tegen de vreemde maatschappijen op het schiereiland, moest het toch moeielijke oorlogen voeren, hetzij tegen de oude bezitters van den grond, hetzij tegen de laatste Aziatische veroveraars van dit rijke grondgebied.
Onder lord Cornwallis, in 1784, was het de strijd met Tippo Sahib, gedood den 4n Mei 1799, bij de laatste bestorming van Seringapatam door generaal Harris. Het was de oorlog met de Mahratten, dat volk van voornaam ras, zeer machtig in de XVIIIe eeuw, en de oorlog met de Pindaris, die zich zoo moedig verdedigden. Het was nog de oorlog met de Gourgkhas van Népaul, de stoutmoedige bergbewoners, die in de gevaarlijke beproeving van 1857 de getrouwe bondgenooten der Engelschen zouden blijven. Eindelijk was het de oorlog tegen de Birmanen, van 1823 tot 1824.
In 1828 waren de Engelschen meester, direct of indirect, van een groot gedeelte van het grondgebied. Met lord William Bentinck begon een nieuw tijdperk van bestuur.
Sedert de regeling der militaire macht in Indië, had het leger altijd twee zeer onderscheiden contingenten geteld, het Europeesche en het inlandsche contingent. Het eerste vormde het koninklijke leger, samengesteld uit regimenten cavalerie, bataillons infanterie en bataillons Europeesche infanterie in dienst van de Oost-Indische Compagnie; het tweede vormde het inlandsche leger, bevattende bataillons infanterie en bataillons geregelde, maar inlandsche cavalerie, gekommandeerd door Engelsche officieren. Daarbij kwam een artillerie, waarvan het personeel, tot de Compagnie behoorende, met uitzondering van eenige batterijen, uit Europeanen bestond.
Welk was het effectief dezer regimenten of bataillons, die onverschillig op deze wijze in het koninklijk leger genoemd worden? Wat de infanterie aangaat, elfhonderd man per bataillon in het leger van Bengalen en acht à negen honderd in de legers van Bombay en Madras; wat de cavalerie betreft, zeshonderd paarden in ieder regiment der twee legers.
In het geheel kon men in 1837, zooals het door de Valbezen in zijne Nieuwe studieën over de Engelschen en Indië, een zeer merkwaardig werk, met groote nauwkeurigheid wordt vastgesteld, de gansche macht der drie presidentschappen, schatten op twee honderd duizend inlandsche troepen en op vijf en veertig duizend Europeesche.
Nu maakten de Sipayers wel is waar een geregeld corps uit, door Engelsche officieren gekommandeerd, maar zij koesterden toch altijd een stille neiging om het harde juk der Europeesche discipline, hun door de veroveraars opgelegd, af te schudden. Reeds had in 1806, misschien zelfs op aanstoken van den zoon van Tippo Sahib, het garnizoen van het inlandsche leger van Madras, gekantonneerd te Vellore, de hoofdwacht van het 69e regiment der koninklijke armee vermoord, de kazernen in brand gestoken, de officieren en hunne families omgebracht en de zieke soldaten tot in het hospitaal doodgeschoten. Wat was de oorzaak van dezen opstand geweest,—de schijnbare oorzaak, althans? Een voorgewende quaestie van knevels, van kapsel en oorringen, maar eigenlijk was het de haat der veroverden tegen de veroveraars.
Deze eerste opstand werd spoedig in de geboorte gestikt door de koninklijke troepen, die te Ascot gekantonneerd waren.
Een dergelijke reden,—ook een voorwendsel,—was evenzeer de aanleiding tot de eerste oproerige beweging van 1857,—een nog veel geduchter opstand, die voor altijd de Engelsche macht in Indië zou vernietigd hebben, indien de inlandsche troepen van de presidentschappen van Madras en Bombay er aan deel hadden genomen.
Alvorens evenwel verder te gaan, moet vermeld worden, dat deze opstand niet nationaal was. De Hindoes van het land en der steden, dat is zeker, stelden er niet het minste belang in. Bovendien bepaalde hij zich tot de half onafhankelijke Staten van Centraal-Indië, tot de provincies van het noordwesten en het koninkrijk Oude. Pendjab bleef den Engelschen getrouw met zijn regiment van drie escadrons uit den Indischen Caucasus. Ook de Sikhs, deze werklieden van lagere kaste, die zich inzonderheid bij het beleg van Delhi onderscheidden; getrouw ook de Gourgkhas, ten getale van twaalfduizend naar het beleg van Lucknow gevoerd door den rajah van Nepaul, getrouw eindelijk de Maharajahs van Gwalior en van Pattyalah, de rajah van Rampore, de Rani van Bhopal, getrouw aan de wetten van de militaire eer en om de gewone uitdrukking, in zwang onder de inboorlingen van Indië, te gebruiken »getrouw aan het zout.”
»’t Is niet noodig me vast te binden.” Blz 33.
Bij den aanvang van den opstand, bevond lord Canning zich aan het hoofd van het bestuur in hoedanigheid van gouverneur-generaal. Misschien had die staatsman zich verkeerde voorstellingen gevormd aangaande de strekking der beweging. Reeds sedert eenige jaren was de ster van het Vereenigde Koninkrijk zichtbaar verbleekt aan den Hindoeschen hemel. In 1842 had de terugtocht van Kaboel het prestige der Europeesche veroveraars doen afnemen. De houding van het Engelsche leger gedurende den Krimoorlog was in sommige opzichten beneden de militaire faam gebleven. Ook was er een oogenblik dat de Sipayers, die zeer op de hoogte waren van hetgeen er voorviel op de oevers van de Zwarte zee, dachten dat een opstand der inlandsche troepen misschien zou gelukken. Er was trouwens slechts een vonk noodig om de behoorlijk voorbereide gemoederen, die de barden, de Brahmanen, de »moulvis” door hunne redevoeringen en gezangen aanvuurden, in lichtelaaie vlam te brengen.
Deze gelegenheid bood zich aan in het jaar 1857, toen, tengevolge van buitenlandsche aangelegenheden, het contingent van het koninklijk leger noodzakelijk had moeten verminderd worden.
In het begin van dit jaar had Nana Sahib, anders genoemd de nabob Dandou-Pant, die bij Cawnpore zijn verblijf hield, zich naar Delhi en daarna naar Lucknow begeven, met het doel ongetwijfeld de sedert lang voorbereide omwenteling te bevorderen.
En werkelijk barstte korten tijd na het vertrek van den Nana de oproerige beweging los.
Het Engelsche gouvernement had voor korten tijd in het inlandsche leger de Enfield-karabijn ingevoerd, die het gebruik noodzakelijk maakt van met vet bestreken patronen. Zekeren dag verspreidde zich het gerucht, dat dit vet of rundervet of varkensvet was, al naardat de patronen bestemd waren voor de Hindoesche of Mohamedaansche soldaten van het inlandsche leger.
In een land nu waar zelfs het volk weigert zeep te gebruiken, omdat zij kan vervaardigd zijn van het vet van een heilig of onrein dier, moest het gebruik van patronen met deze stof besmeerd,—patronen die met de tanden moeten afgebeten worden en met de lippen in aanraking komen,—de algemeene ontevredenheid opwekken. Het gouvernement gaf gedeeltelijk toe aan de bezwaren, die hiertegen gemaakt werden, maar het mocht de behandeling der karabijn al wijzigen, verzekeren dat het vet in quaestie niet diende tot de vervaardiging der patronen, toch bevredigde en overtuigde het niemand in het leger der Sipayers.
Den 24n Februari, te Berampore, weigert het 34e regiment de patronen. In het midden van Maart wordt een adjudant vermoord en zal weldra het afgedankte regiment, na de straf der moordenaars, in de naburige provincies nog vruchtbaarder zaden van muiterij verspreiden.
Den 10n Mei komen te Mirat, iets ten noorden van Delhi, het 3e, 11e en 20e regiment in opstand, dooden hunne kolonels en verscheidene officieren van den grooten staf, geven de stad aan plundering over en trekken naar Delhi terug. Daar voegt de rajah, een afstammeling van Timour, zich bij hen. Het arsenaal valt in hunne handen, en de officieren van het 54e regiment worden omgebracht.
Den 11n Mei, te Delhi, worden majoor Fraser en zijne officieren meedoogenloos vermoord door de opstandelingen van Mirat tot in het paleis van den Europeeschen kommandant en den 16n Mei vallen negen-en-veertig gevangenen, mannen, vrouwen en kinderen onder de bijl der moordenaars.
Den 20n Mei doodt het 26e regiment, bij Lahore gekantonneerd, den havenkommandant en den Europeeschen sergeant-majoor.
De eerste stoot was nu eenmaal tot die afschuwelijke slachterijen gegeven.
Den 28n Mei, te Nourabad, nieuwe slachtoffers onder de Engelsch-Indische officieren.
Den 30n Mei, in de kantonnementen van Lucknow, moord van den brigadier-kommandant, van zijn adjudant en van verscheidene andere officieren.
Den 31n Mei, te Barreilli in Rohilkhande, moord van eenige officieren, die overvallen werden en zich zelfs niet kunnen verdedigen.
Op denzelfden datum, te Schajahanpore, moord van den ontvanger en van een zeker aantal officieren door de Sipayers van het 38e regiment, en den volgenden dag, aan de andere zijde van Barwar, dood van de officieren, vrouwen en kinderen, die op weg waren gegaan om het station van Sivapore, op een mijl van Anrungabad te bereiken.
In de eerste dagen van Juni, te Bhopal, moord van een gedeelte van de Europeesche bevolking en te Jansi, op aanstoken van de vreeselijke, afgezette Rani, een bloedbad, met verfijnde wreedheid aangericht, onder de op het fort gevluchte vrouwen en kinderen.
Den 6n Juni, vallen te Allahabad acht jonge vaandrigs onder het lood der Sipayers.
Den 14n Juni, te Gwalior, muiterij van twee inlandsche regimenten en moord der officieren.
Den 27n Juni, te Cawnpore, eerste hecatombe van slachtoffers van iederen leeftijd en sekse, doodgeschoten of verdronken,—voorspel van het afschuwelijk treurspel, dat eenige weken later zou plaats hebben.
Te Holkar, den 1n Juli, moord van vier-en-dertig Europeanen, officieren, vrouwen en kinderen, plundering, brandstichting, en te Ugow, denzelfden dag, moord van den kolonel en den adjudant van het 23e regiment der koninklijke armée.
Den 15n Juli, tweede moord te Cawnpore. Dien dag, worden vele honderden kinderen en vrouwen,—en onder deze lady Munro,—met ongehoorde wreedheid op bevel van den Nana zelven omgebracht, die de muzelmansche slachters der openbare slachtplaatsen te hulp riep. Verschrikkelijke slachting, na welke de lijken in een put geworpen werden, die voor altijd berucht gebleven is.
Den 26n September, worden op een plein van Lucknow, tegenwoordig »square der draagbaren” genoemd, talrijke gewonden neergesabeld en nog levend in de vlammen geworpen.
En eindelijk nog zooveel andere afzonderlijke moorden in de steden en op het land, die aan dezen opstand een karakter van gruwzame wreedheid verleenden.
De Engelsche generaals beantwoordden trouwens deze moorden dadelijk met weerwraak, die wel is waar noodzakelijk, omdat zij een heilzame vrees onder de opstandelingen verspreidde, maar die niettemin verschrikkelijk was.
In het begin van den opstand hadden de opperrechter Montgomery en de brigade-generaal Corbett, te Lahore, zonder bloed te vergieten, voor den mond van twaalf stukken geschut, met brandende lont, het 8e, 16e, 26e en 49e regiment van het inlandsche leger kunnen ontwapenen. Te Moulton hadden het 62e en 29e inlandsche regiment ook de wapenen moeten nederleggen, zonder ernstigen tegenstand te kunnen bieden. Evenzeer werden te Peschawar het 24e, 27e en 51e regiment ontwapend door den brigade-generaal S. Colton en den kolonel Nicholson op het oogenblik dat het oproer zou uitbarsten. Maar toen eenige officieren van het 51e regiment in de bergen gevlucht waren, werd een som op hun hoofd gezet en werden weldra allen door de bergbewoners teruggebracht.
Dit was het begin der wederwraak.
Nu werd een legerafdeeling, onder kolonel Nicholson, tegen een inlandsch regiment aangevoerd, dat naar Delhi marcheerde. De opstandelingen werden weldra bereikt, geslagen, verspreid en honderd twintig man gevangen genomen en te Peschawar binnengebracht. Allen werden ter dood veroordeeld, maar een op de drie man zou werkelijk ter dood gebracht worden. Tien kanonnen werden op het exercitieveld in slagorde gesteld, een gevangene voor elk hunner monden gebonden en vijfmaal gaven de tien kanonnen vuur, het plein met vormlooze overblijfselen bedekkende, te midden van een ondraaglijke lucht van verbrand vleesch.
Deze slachtoffers stierven, volgens de Valbezen, bijna allen met de heldhaftige onverschilligheid, die de Indianen met den dood voor oogen, zoo goed weten te bewaren. »Mijnheer de kapitein,” sprak tot een der officieren, die de terechtstelling kommandeerden, een schoone Sipayer van twintig jaar, in een bevallige houding tegen het moordtuig aangeleund, »mijnheer de kapitein, ’t is niet noodig me vast te binden, ’k ben niet van plan te vluchten.”
Hodson liet de kar stilhouden. Blz. 34.
Dit was de eerste van een talrijke reeks van vreeselijke terechtstellingen.
Ziehier overigens de dagorder, die op dienzelfden datum te Lahore de brigade-generaal Chamberlain, na de terechtstelling van twee Sipayers van het 55e regiment, ter kennisse bracht van de inlandsche troepen.
»Gij hebt twee uwer kameraden levend voor den mond der kanonnen zien vastbinden en in stukken schieten; deze kastijding zal het lot zijn van alle verraders. Uw geweten zal u zeggen welke straffen zij in de andere wereld zullen ondergaan. De twee soldaten zijn door het kanon en niet aan de galg ter dood gebracht, omdat ik hun de bezoedeling van de aanraking des beuls heb willen besparen en daardoor heb willen bewijzen dat het gouvernement, in deze dagen van spanning, niets wil doen om hen in hun godsdienst of kaste te krenken.”
Den 30n Juli vielen twaalfhonderd zeven en dertig gevangenen achtereenvolgens voor het peleton, dat met de terechtstelling belast was en vijfhonderd anderen ontsnapten slechts aan de uitvoering van het doodvonnis om van honger en gebrek aan lucht te sterven in de gevangenis waar men hen had opgesloten.
Den 28n Augustus werden van de achthonderd zeventig Sipayers, die Lahore ontvluchtten, zeshonderd negen en vijftig meedoogenloos door de soldaten van het koninklijk leger vermoord.
Den 23n September, na de inneming van Delhi, gaven zich drie prinsen van de familie des konings, de vermoedelijke erfprins en zijne twee neven, onvoorwaardelijk aan generaal Hodson over, die hen medevoerde met een geleide van slechts vijf man te midden van een dreigenden hoop van vijfduizend Hindoes,—een tegen duizend. En evenwel liet Hodson halfweg de kar met de gevangenen stilhouden, klom bij hen, beval hun zich de borst te ontblooten en doodde hen alle drie met revolverschoten. »Deze bloedige terechtstelling, door de hand van een Engelsch officier,” zei de Valbezen, »moest in Pendjab de grootste bewondering wekken.”
Na de inneming van Delhi, kwamen drieduizend gevangenen door het kanon of de galg om, waaronder negenentwintig leden van de koninklijke familie. Het beleg van Delhi, wel is waar, had den belegeraars tweeduizend eenenvijftig Europeanen en zestienhonderd zesentachtig inboorlingen gekost.
Te Allahabad hadden vreeselijke menschenslachtingen plaats, niet alleen onder de Sipayers, maar in de rangen van de lagere volksklasse, die door de dweepers bijna onwetend tot plundering waren medegesleept.
Te Lucknow bedekten twee duizend gedoode Sipayers met hunne lijken een oppervlakte van honderdtwintig vierkante meters.
Te Cawnpore verplichtte kolonel Neil de veroordeelden, alvorens hen aan de galg over te leveren, naar gelang van hun kasterang, met de tong alle bloedvlekken af te likken en schoon te maken, die in het huis waar men de slachtoffers had omgebracht, waren overgebleven. Dit was voor deze Hindoes den dood door de schande doen voorafgaan.
Gedurende den tocht door Centraal-Indië, hielden de terechtstellingen der gevangenen aanhoudend aan, en werden »muren van menschenvleesch door geweervuur omvergeworpen!”
Den 9n Maart 1858, bij den aanval van het Gele Huis, ten tijde van het tweede beleg van Lucknow, na een vreeselijke slachting onder de Sipayers, schijnt het boven allen twijfel verheven, dat een dezer ongelukkigen, onder de oogen der Engelsche officieren zèlven, levend door de Sikhs gebraden werd.
Den 11n vulden vijftig lijken van Sipayers de grachten om het paleis der Begoem te Lucknow, zonder dat een enkele gewonde was gespaard geworden door soldaten, die geen meester van zich zelven meer waren.
Eindelijk stierven in twaalf dagen van strijd, drie duizend inboorlingen door het koord of door den kogel en onder hen, drie honderd tachtig vluchtelingen, opgehoopt op het eiland Hydaspes, die zich tot in Kasjmir gered hadden.
Om kort te gaan, zonder het aantal Sipayers mede te rekenen, die gedurende deze meedoogenlooze fnuiking van den opstand,—eene fnuiking, die geen gevangenen duldde omkwamen, telt men alleen in den veldtocht van Pendjab, niet minder dan zes honderd acht en twintig op bevel der militaire autoriteit doodgeschoten of voor den mond der kanonnen vastgebonden inboorlingen, dertien honderd zeventig op bevel van de burgerlijke autoriteit, drie honderd zes en tachtig gehangen op bevel der beide autoriteiten.
In het geheel dus schatte men in het begin van het jaar 1859 op meer dan honderd twintig duizend het aantal officieren en inlandsche soldaten die omkwamen, en op meer dan twee honderd duizend dat der burgerlijke inboorlingen, die met hun leven hunne dikwijls twijfelachtige deelneming aan dezen opstand boetten. Verschrikkelijke weerwraak, waartegen Gladstone, misschien niet zonder reden in het Engelsche parlement, met kracht opkwam.
Het was voor het verhaal dat volgt, van belang van weerszijden de balans van dit doodregister vast te stellen. Dit moest, om den lezer te doen begrijpen, welk een onvoldane haat, zoowel in het hart der naar wraak dorstende overwonnelingen, als in dat der overwinnaars, die tien jaar later rouwden over de slachtoffers van Cawnpore en Lucknow, moest zijn overgebleven.
Wat de zuiver militaire feiten van den geheelen veldtocht tegen de oproerlingen betreft, zij bestaan uit de volgende expedities, die hier kortelijk vermeld zullen worden.
Het is vooreerst de eerste veldtocht van Pendjab, die aan sir John Laurence het leven kostte.
Daarna volgt het beleg van Delhi, de hoofdstad van den opstand, versterkt door duizenden vluchtelingen en gedurende welk Mohammed Schah Bahadour tot keizer van Hindostan werd uitgeroepen. »Maak het uit met Delhi!” had de gouverneur-generaal in een laatste dépêche aan den opperbevelhebber verordend en het beleg, in den nacht van 13 Juni begonnen, eindigde den 19n September, na het leven gekost te hebben aan de generaals sir Harry Barnard en John Nicholson.
Ter zelfder tijd, nadat Nana Sahib zich tot Peïschwah had laten benoemen en in het versterkte kasteel Bilhour had laten kronen, marcheerde generaal Havelock naar Cawnpore. Hij kwam er den 17n Juli binnen, maar te laat om den laatsten moord te beletten en zich van den Nana meester te maken, die met vijf duizend man en veertig stukken geschut kon ontvluchten.
Daarna ondernam Havelock een eersten veldtocht in het koninkrijk Oude, en trok den 28n den Ganges over met slechts zeventien honderd man en tien kanonnen, zich naar Lucknow richtende.
Nu verschenen sir Colin Campbell en de generaal-majoor sir James Outram op het tooneel. Het beleg van Lucknow zou zeven en tachtig dagen duren en het leven kosten aan sir Henri Lawrence en generaal Havelock. Vervolgens maakte Colin Campbell de toebereidselen voor een tweeden veldtocht, na gedwongen te zijn zich op Cawnpore terug te trekken, waarvan hij zich eindelijk meester maakte.
Gedurende dien tijd ontzetten andere troepen Mohir, een stad van Centraal-Indië en maakten een expeditie door Malwa, waardoor het Engelsche gezag in dit koninkrijk hersteld werd.
In het begin van het jaar 1858, ondernamen Campbell en Outram een tweeden veldtocht in Oude, met vier divisies infanterie, aangevoerd door de generaals sir James Outram, sir Edward Lugar en de brigade-generaals Walpole en Franks. De kavalerie stond onder de bevelen van sir Hope Grant, de andere wapens onder Wilson en Robert Napier,—uitmakende ongeveer vijf en twintig duizend strijders, die de maharajah van Nepaul met twaalf duizend Gourgkhas ging versterken. Doch het oproerige leger van de Begoem telde niet minder dan honderd twintig duizend man, en de stad Lucknow zeven- à acht honderd duizend inwoners. De eerste aanval had plaats den 6n Maart. Den 16n Maart, na een reeks van gevechten, waarin de kapitein ter zee sir William Peel en majoor Hodson sneuvelden, kwamen de Engelschen in bezit van het aan de Goumti gelegen gedeelte der stad. Niettegenstaande deze voordeelen, boden de Begoem en haar zoon nog wederstand in het paleis van Mousa Bagh, aan het noord-westelijk uiteinde van Lucknow en de Moulvi, een muzelmansch opperhoofd van den opstand, die in het midden der stad zelve de wijk genomen had, weigerde zich over te geven. Den 19n verzekerde een aanval van Outram en den 21n, een gelukkig gevecht, den Engelschen eindelijk het volle bezit van dit geduchte bolwerk van den opstand der Sipayers.
De generaal maakte zich met geweld van den pas meester. Blz. 38.
Met de maand April trad de opstand in zijn laatste tijdperk. Er werd een veldtocht beraamd en uitgevoerd in Rohilkhande, waarheen voortvluchtige opstandelingen zich in grooten getale begeven hadden. Bareilli, de hoofdstad van het koninkrijk, was het punt waarheen de opperhoofden der Engelsche armee zich het eerst richtten. Het begin was niet gelukkig. De Engelschen leden een soort van nederlaag te Judgespore. De brigade-generaal Adrien Hope werd gedood. Doch, tegen het einde van de maand snelde Campbell te hulp, hernam Schah-Jahanpore, schoot, den 5n Mei Bareilli aanvallende, de stad in brand en nam haar in, zonder te kunnen beletten, dat de opstandelingen haar eerst ontruimden.
Gedurende dien tijd werd in Centraal-Indië de veldtocht van sir Hugh Rose geopend. Deze generaal marcheerde in de eerste dagen van Januari 1858 op Saungor, door het koninkrijk Bhopal, ontzette er het garnizoen den 3n Februari, nam tien dagen later het fort Gurakota, maakte zich met geweld meester van den Mandapore-pas van de keten der Vindhyas, stak de Betwa over, verscheen voor Jansi, verdedigd door elf duizend opstandelingen, onder bevel der woeste Rani, sloot de stad den 22n Maart onder een verzengende hitte in, detacheerde twee duizend man van zijn leger om twintig duizend man van het contingent van Gwalior af te snijden, aangevoerd door den befaamden Tantia-Topi, wierp dit oproerige opperhoofd overhoop, bestormde de stad den 2n April, overweldigde den muur, nam de citadel, waaruit het de Rani gelukte te ontsnappen, hernam de operaties tegen het fort Calpi, waar de Rani en Tantia-Topi besloten hadden te sterven, bemachtigde het den 22n Mei, na een heldhaftige bestorming, zette den veldtocht voort met de vervolging van de Rani en haren metgezel, die zich in Gwalior geworpen hadden, vereenigde er den 16n Juni zijne beide brigades, versterkt door een macht onder den brigade-generaal Napier, verpletterde de opstandelingen te Morar, veroverde de plaats den 18n en kwam na een zegevierenden veldtocht te Bombay terug.
Het was in een voorposten-gevecht, voor Gwalior, dat de Rani sneuvelde. Deze geduchte koningin, met hart en ziel gehecht aan den nabob, wiens getrouwe gezellin zij gedurende den opstand geweest was, werd gedood door de eigen hand van sir Edward Munro. Nana Sahib over het lijk van lady Munro te Cawnpore, de kolonel over het lijk van de Rani te Gwalior, waren twee mannen die den opstand en zijne onderdrukking vertegenwoordigden, wier bittere haat jegens elkander vreeselijke gevolgen zoude hebben, indien zij elkander ooit van aangezicht tot aangezicht weder mochten ontmoeten!
Op dit oogenblik kon men den opstand als bedwongen beschouwen, uitgenomen misschien in eenige gedeelten van het koninkrijk Oude. Campbell opent dus den 2n November een nieuwen veldtocht, maakt zich van de laatste stellingen der opstandelingen meester en verplicht eenige voorname opperhoofden zich te onderwerpen. Evenwel is er een van hen, Beni Madho, die nog altijd niet gevat is. Men verneemt in December, dat hij in een aangrenzend distrikt van Nepaul de wijk genomen heeft. Men verzekert dat Nana Sahib, Balao Rao, zijn broeder, en de Begoem van Oude met hem zijn. Later, gedurende de laatste dagen van het jaar, loopt er een gerucht, dat zij een schuilplaats gezocht hebben aan de grens der koninkrijken Nepaul en Oude. Campbell zit hen dicht op de hielen, maar zij gaan over de grens. Het was eerst in de eerste dagen van Februari 1859, dat een Engelsche brigade, waarvan een der regimenten onder bevel stond van den kolonel Munro, hen tot in Népaul kon vervolgen. Beni Madho wordt gedood, de Begoem van Oude en haar zoon worden gevangen genomen en verkrijgen vergunning in de hoofdstad van Nepaul te wonen. Wat Nana Sahib en Balao Rao betreft, geruimen tijd meende men dat zij dood waren en toch was dit niet het geval.
Hoe het zij, de geduchte opstand was gefnuikt. Tantia-Topi, overgeleverd door zijn luitenant Man-Singh en ter dood veroordeeld, stond den 15n April te Sipri te recht. Deze oproerling, »deze inderdaad merkwaardige figuur uit het groote treurspel van den Indischen opstand,” zegt de Valbezen, »en die bewijzen gaf van een staatkundig genie vol berekening en overleg,” stierf moedig op het schavot.
Toch moest het einde van dezen opstand der Sipayers, die den Engelschen misschien Indië zou gekost hebben, indien hij zich over het geheele schiereiland had uitgestrekt, en vooral indien de beweging nationaal geweest was, den val van de achtbare Indische Compagnie na zich sleepen.
Inderdaad werd met het einde van het jaar 1857 het Hof der Direkteurs door lord Palmerston met ondergang bedreigd.
Den 1n November 1858, verkondigde een proclamatie, in twintig talen uitgevaardigd, dat Haar Majesteit Victoria Beatrix, koningin van Engeland, den schepter van Indië in handen nam, waarvan zij eenige jaren later tot keizerin zou gekroond worden.
Dit was het werk van lord Stanley. De titel van gouverneur, vervangen door dien van onderkoning, een secretaris van Staat en vijftien leden, de centrale regeering uitmakende, de leden van den raad van Indië buiten den Indischen dienst benoemd, de gouverneurs der presidentschappen van Madras en Bombay, door de koningin gekozen, de leden van den Indischen dienst en de hoofdkommandanten gekozen door den secretaris van Staat, zoodanig waren de voornaamste beschikkingen van het nieuwe gouvernement.
Wat de militaire macht betreft, het koninklijk leger telt tegenwoordig zeventien duizend man meer dan voor den opstand der Sipayers, namelijk twee en vijftig regimenten infanterie, negen regimenten fuziliers en een aanzienlijke artillerie, met vijf honderd man per kavallerie-regiment en zeven honderd man per infanterie-regiment.
Het inlandsche leger bestaat uit honderd zeven en dertig regimenten infanterie en veertig regimenten kavalerie; maar de artillerie is Europeesch, bijna zonder uitzondering.
Zoodanig is tegenwoordig de toestand van het schiereiland uit een administratief en militair oogpunt, zoodanig is het effectief der gewapende macht, die een grondgebied moet beschermen van vier honderd duizend vierkante mijlen.
»De Engelschen,” zegt terecht Grandidier, »zijn gelukkig geweest in dit groote en prachtige land een zacht, schrander, beschaafd volk aan te treffen, dat van ouds geleerd heeft zich te onderwerpen. Doch, zij mogen op hun hoede zijn, de zachtheid heeft hare grenzen en moge het juk niet te zwaar zijn, of eenmaal richten de hoofden zich op en verbreken het.”
Het was maar al te waar. De mahratten-prins Dandou-Pant, de aangenomen zoon van Baji-Rao, Peïschwah van Pounah, in een woord Nana-Sahib,—op dit oogenblik misschien de eenige overlevende van de hoofden der omwenteling der Sipayers,—had zijne ongenaakbare schuilhoeken in Nepaul kunnen verlaten. Dapper, stoutmoedig, gewoon allerlei gevaren te trotseeren, bekwaam in de kunst zijn vervolgers het spoor bijster te doen worden, buitengewoon listig, had hij zich tot in de provincie van Dekan gewaagd, onder de nooit sluimerende inblazingen van een haat, dien de vreeselijke weerwraak van den opstand van 1857 slechts vertienvoudigd had.
Ja! het was een doodelijke haat, dien de Nana den bezitters van Indië gezworen had. Hij was de erfgenaam van Baji-Rao en, toen de Peïschwah in 1851 stierf, weigerde de Compagnie hem voortaan het pensioen van acht lakhs ropyen (een millioen gulden) uit te keeren, waarop hij recht had. Dit was een der oorzaken van dien haat, die tot de grootste buitensporigheden zou leiden.
»Geen licht,” zei de Nana. Blz. 44.
Maar wat hoopte Nana Sahib dan? Sedert acht jaren was de opstand der Sipayers volkomen gedempt. Het Engelsche gouvernement was allengs in de plaats getreden van de achtbare Indische Compagnie en hield het gansche schiereiland onder vrij wat strenger bestuur dan dat van de vereeniging der kooplieden. Er was geen spoor van den opstand meer overgebleven, zelfs niet in de rangen van het inlandsche leger, dat ook geheel gereorganiseerd was. Had de Nana dan kans van slagen in zijne pogingen om onder de lagere klassen van Hindostan een nieuwe beweging aan te stoken? Zijne plannen zullen weldra bekend zijn. Eene zaak wist hij, dat namelijk zijne tegenwoordigheid in de provincie Aurungabad gesignaleerd was geworden, dat de gouverneur-generaal er de onderkoning te Calcutta van verwittigd had en dat er een prijs op zijn hoofd gesteld was. Zeker was het dat hij overijld op de vlucht had moeten gaan en zich op nieuw in zulk een goed verborgen schuilplaats had moeten verbergen, dat hij aan de nasporingen van de agenten der Engelsch-Indische politie kon ontsnappen.
De Nana verloor in den nacht van den 6n op den 7n Maart geen uur. Hij kende het land volkomen en besloot Ellora te bereiken, gelegen op vijf en twintig mijlen van Aurungabad, om zich daar bij een zijner medeplichtigen te voegen.
De nacht was donker. De gewaande fakir richtte zich, na zich overtuigd te hebben dat hij niet vervolgd werd, naar het praalgraf, op eenigen afstand van de stad opgericht ter eere van den mohamedaan Sha-Soufi, een heilige wiens reliquiën den naam hebben genezingen te volbrengen. Maar alles sliep toen in het praalgraf, priesters en bedevaartgangers, en de Nana kon zich bewegen zonder door lastige vragen verontrust te worden.
Evenwel was het niet zoo duister, dat dit granietblok, het onneembare fort van Daoulutabad dragende en zich midden in eene vlakte tot eene hoogte van twee honderd veertig voet verheffende, zijn ontzaglijk schaduwbeeld aan de blikken kon onttrekken. Toen de nabob het zag, herinnerde hij zich dat een der keizers van Dekan, een zijner voorouders, zijn hoofdstad had willen maken van de uitgestrekte stad, die vroeger aan den voet van het fort gebouwd was. En werkelijk zou het een onverwinlijke positie geweest zijn, zeer geschikt om in dit gedeelte van Indië het middelpunt eener oproerige beweging te worden. Doch Nana Sahib wendde het hoofd om en had slechts een blik vol haat over voor die sterkte, nu in de handen zijner vijanden.
Op deze vlakte volgde een meer afwisselend terrein. Het waren de eerste oneffenheden van den bodem, die weldra bergachtig zou worden. De Nana, nog in de volle kracht des levens, vertraagde zijne schreden niet, toen hij reeds vrij steile hellingen moest beklimmen. Hij wilde dien nacht vijf en twintig mijlen maken, dat is den afstand afleggen, die Ellora van Aurungabad scheidt. Eenmaal daar, hoopte hij in veiligheid te kunnen uitrusten. Ook hield hij zich niet op, noch in een karavansera, voor iedereen open, die men op weg ontmoette, noch in een half vervallen bungalow, waar hij in een afgezonderd gedeelte van den berg een paar uur had kunnen slapen.
Bij het opgaan der zon ging de vluchteling om het dorp Ranzah heen, dat het zeer eenvoudige graf bezit van den grootsten Mongoolschen keizer, Aureng-Zeb. Eindelijk had hij de beroemde groep holen bereikt, die hun naam ontleend hebben aan het kleine dorp bij Ellora.
De heuvel, waarin die holen ten getale van een dertigtal gegraven zijn, heeft de gedaante van een halve maan. Vier tempels, vier en twintig bouddhisten-kloosters, eenige minder belangrijke grotten, zijn de monumenten van de groep. De basaltgroeve is rijkelijk door menschenhanden geëxploiteerd. Maar niet om de kunststukken, hier en daar over de onmetelijke oppervlakte van het schiereiland verspreid, hebben de hindostansche bouwkundigen in de eerste eeuwen der christelijke jaartelling er de steenen uitgegraven. Neen! die steenen zijn alleen daarom weggenomen om ledige ruimten in de hoofdmassa te maken en het zijn deze ruimten, die, al naar hunne bestemming, »chaityas” of »viharas” geworden zijn.
De zonderlingste dezer tempels is voorzeker die der Kaïlas. Men stelle zich een blok voor van honderd twintig voet hoog, bij een omtrek van zes honderd voet. Dit blok heeft men stoutweg in den berg zelven uitgesneden en te midden van een plein van drie honderd zestig voet lang en honderd zes en tachtig breed afgezonderd,—een plein, verkregen ten koste van de basaltmassa. Toen nu eenmaal dit blok op deze wijze was vrijgemaakt, hebben de architecten het uitgehouwen, evenals een beeldhouwer een stuk ivoor. Uitwendig hebben zij kolommen uitgesneden, kleine pyramiden gebeeldhouwd, koepels vervaardigd, zooveel van de rots gespaard als noodig was om de bas-reliefs goed te doen uitkomen, meer dan levensgroote olifanten voorstellende, die het geheele gebouw schijnen te dragen; inwendig hebben zij een groote zaal uitgehouwen, omgeven met kapellen en waarvan het gewelf op kolommen rust, die van de geheele massa zijn afgezonderd. Eindelijk hebben zij van dit uit één steen gemaakte kunstwerk een tempel vervaardigd, die in de eigenlijke beteekenis van het woord niet »gebouwd” is geworden, maar een tempel eenig op de wereld en die waardig is mede te dingen met de bewonderenswaardigste gebouwen van Indië en zeer goed de vergelijking kan doorstaan met de onderaardsche begraafplaatsen van het oude Egypte.
Deze tempel, nu bijna verlaten, is als alle aardsche dingen, niet door den tijd gespaard. In sommige gedeelten begint hij reeds te vervallen. Zijne bas-reliefs slijten af als de wanden van de steenen massa, waaruit men ze vervaardigd heeft en toch bestaat dit kunstgewrocht nog slechts duizend jaren. Maar wat in de werken der natuur nog nieuw is, is dikwijls reeds oud en vervallen in den arbeid der menschen. In den zijdelingschen grondmuur links waren eenige diepe scheuren gekomen, en het is door een dezer openingen, die half door het kruis van een der torschende olifanten verborgen waren, dat Nana Sahib weg sloop, zonder dat iemand zijn komst te Ellora had kunnen vermoeden.
De scheur kwam uit in een donkeren gang, die door den grondmuur liep en zich in de diepte tot onder den bodem des tempels uitstrekte. Daar had men een soort van onderaardsche kapel of put, nu droog, uitgegraven, die tot vergaarbak van het regenwater diende.
Zoodra de Nana in den gang was gekomen, deed hij een zeker gefluit hooren, dat door een gelijk gefluit beantwoord werd. Het was geen echo. Weldra werd de duisternis verlicht door een Hindoe, die een kleinen lantaren in de hand droeg.
»Geen licht!” zei de Nana.
»Ben jij het, Dandou-Pant?” antwoordde de Hindoe, die dadelijk zijn lantaren uitdoofde.
»Ik, broeder!”
»Is.....?”
»Eerst iets te eten,” antwoordde de Nana, »dan zullen we praten. Maar noch om te praten, noch om te eten heb ik licht noodig. Neem mijn hand en geleid me.”
De Hindoe greep de hand van den Nana, nam hem mede naar de enge kapel en liet hem zich uitstrekken op een hoop drooge kruiden, dien hij zooeven verlaten had. Het fluiten van den fakir had hem uit zijn laatsten slaap gewekt.
Deze man, gewoon zich in deze donkere schuilplaats te bewegen, had spoedig eenig voedsel gevonden, brood, een soort van pastei, bereid van kippenvleesch, dat veel in Indië gegeten wordt, en een kalbasflesch met een halve pint met die sterke likeur, bekend onder den naam van »arak,” verkregen door de distillatie van het sap van den kokosnoot.
De Nana at en dronk zonder een woord te spreken. Hij bezweek bijna van honger en vermoeienis. Zijn geheele leven concentreerde zich toen in zijne oogen, die in de duisternis vuur schoten als de oogen eens tijgers.
De Hindoe wachtte zonder zich te bewegen totdat de nabob goedvond om te spreken.
Die man was Balao Rao, de eigen broeder van Nana Sahib.
Balao Rao, oudere broeder van Dandou-Pant, doch nauwlijks een jaar, geleek hem lichamelijk sprekend, maar ook geestelijk was het Nana Sahib volkomen. Dezelfde haat jegens de Engelschen, dezelfde sluwheid in zijne plannen, dezelfde wreedheid in de uitvoering, dezelfde ziel in twee lichamen. Gedurende den geheelen opstand hadden de twee broeders elkander niet verlaten. Na de nederlaag had hetzelfde kampement aan de grenzen van Nepaul hun een schuilplaats verleend. En nu, door een zelfde gedachte bezield de worsteling op nieuw te beginnen, waren zij beiden gereed te handelen.
Hij keek rechts en links. Blz. 48.
Toen de Nana, door den haastig verslonden maaltijd verkwikt, zijne krachten had terug erlangd, bleef hij eenigen tijd met het hoofd in de handen geleund zitten. Balao Rao, meenende dat hij zich door eenige uren slaap wilde versterken, bewaarde altijd het stilzwijgen.
Doch Dandou-Pant, het hoofd oprichtende, vatte de hand van zijn broeder en zeide met doffe stem:
»’k Ben gesignaleerd in het presidentschap van Bombay! De gouverneur van het presidentschap heeft een prijs op mijn hoofd gesteld! Hij heeft duizend gulden uitgeloofd aan hen, die hem Nana Sahib zal overleveren!”
»Dandou-Pant!” riep Balao Rao uit, »je hoofd is meer waard! Dat zou nauwlijks de prijs van het mijne zijn en na drie maanden zouden ze maar al te gelukkig zijn ze beiden voor tien duizend gulden te hebben!”
»Ja,” antwoordde de Nana, »over drie maanden, den 23n Juni, is het de verjaardag van den veldslag van Plassey waarvan de honderdste verjaardag, in 1857, het eind van de Engelsche heerschappij en de vrijmaking van het zonneras moest zien! Onze profeten hadden het voorzegd! Onze barden hadden het bezongen! Binnen drie maanden, broeder, zullen honderd negen jaren verloopen zijn en nog altijd is de vreemdeling heer en meester over Indië!”
»Dandou-Pant,” antwoordde Balao Rao, »wat in 1857 niet gelukt is, kan en moet tien jaren later gelukken. In 1827, in 1737, in 1847 hebben er oproeren in Indië plaats gehad! Om de tien jaar worden de Hindoes door de omwentelingskoorts aangetast! welnu, dit jaar zullen ze zich genezen door zich in golven Europeesch bloed te baden!”
»Dat Brahma ons geleide,” zeide Nana zacht, »en dan oog om oog, tand om tand! Wee den aanvoerders van het koninklijke leger, die onder de slagen onzer Sipayers niet gevallen zijn! Laurence is dood, Barnard is dood, Hope is dood, Napier is dood, Hodson is dood, Havelock is dood! Maar eenigen hebben het overleefd! Campbell, Rose leven nog, en onder hen hij, dien ik het meest van allen haat, die kolonel Munro, die afstammeling van den beul, hij, die met eigen hand mijn gezellin, de Rani van Jansi gedood heeft! Als hij in mijn handen valt, zal hij zien of ik de gruwelen van den kolonel Neil, de moorden van Sekander Bagh, de slachtingen van het paleis der Begoem, van Bareilli, van Jansi en van Morar, van het eiland Hydaspes en van Delhi vergeet! Hij zal zien of ik vergeten heb, dat wij elkander’s dood gezworen hebben!”
»Heeft hij zijn ontslag niet uit den dienst genomen?” vroeg Balao Rao.
»O! wat dat aangaat!” antwoordde Nana Sahib, »bij de eerste beweging treedt hij weder in dienst! Maar wordt ook deze opstand onderdrukt, dan zal ik hem opsporen tot in zijn bungalow van Calcutta en hem daar dooden!”
»Goed, maar nu?....”
»Nu, het eenmaal begonnen werk moet voortgezet worden. De beweging zal dezen keer nationaal zijn. Als in de steden en buiten op het land de Hindoes opstaan, zullen de Sipayers spoedig gemeene zaak met hen maken. Ik heb het midden en noorden van Dekan doorgetrokken en overal heb ik de gemoederen geneigd tot den opstand gevonden. Er zijn geen steden, noch gehuchten, waar we geen aanvoerders hebben, gereed om dadelijk te handelen. De Brahmanen zullen het volk opwinden. De godsdienst zal ditmaal de volgelingen van Çiva en van Vishnoe medesleepen. Op het vooraf beraamde tijdstip, zullen bij het overeengekomen signaal, millioenen Hindoes opstaan, en de koninklijke armee zal vernietigd worden!”
»En Dandou-Pant?....” vroeg Balao Rao, de hand van zijn broeder grijpende.
»Dandou-Pant,” antwoordde de Nana, »zal niet slechts zijn de op het sterke kasteel Bilhour bekroonde Peïschwah! Hij zal dan zijn de souverein van het heilige land der Indiën!”
Na deze woorden gesproken te hebben, bleef Nana Sahib, de armen gekruist, met den droomenden blik van hen, die niet het verledene of het tegenwoordige, maar de toekomst gadeslaan, in stilte verzonken.
Balao Rao wachtte zich wel hem te storen. Liever liet hij deze ongetemde ziel zich door haar eigen vuur ontvlammen en des noods was hij immers daar om het vuur dat in hem smeulde, aan te blazen. Nana Sahib kon geen medeplichtige hebben, inniger aan zijn persoon verbonden, geen vuriger raadsman om hem zijn doel te doen bereiken. Het is reeds gezegd, het was zijn ander ik.
Na eenige minuten van stilte, richtte de Nana het hoofd op en kwam tot den tegenwoordigen toestand terug.
»Waar zijn onze metgezellen?” vroeg hij.
»In de grotten van Adjuntah, waar ze ons volgens afspraak zouden wachten,” antwoordde Balao Rao.
»En onze paarden?”
»’k Heb ze een eind van hier op den weg van Ellora naar Boregami in bewaring gegeven.”
»Bij Kâlagani immers?”
»Juist, broeder. Ze worden daar goed verzorgd en staan gereed om te vertrekken.”
»Laten we dan vertrekken,” antwoordde de Nana. »We moeten voor het aanbreken van den dag te Adjuntah zijn.”
»En waarheen dan verder?” vroeg Balao Rao. »Heeft deze overhaaste vlucht je plannen niet tegengewerkt?”
»Neen,” antwoordde Nana Sahib. »We zullen de Sautpourrabergen bereiken, waarvan ik al de passen ken en waar ik de nasporingen van de Engelsche politie kan trotseeren. Daar ook zullen we op het grondgebied zijn der Bhîls en der Gounds, die onze zaak getrouw zijn gebleven. Daar zal ik dan het gunstige oogenblik kunnen afwachten, te midden van de bergachtige streek der Vindhyas, waar de gemoederen altijd in gisting verkeeren!
»Op marsch!” antwoordde Balao Rao. »Welnu, ze hebben duizend gulden uitgeloofd aan hem, die je vangt. Maar, ’t is niet voldoende om een prijs op je hoofd te stellen, ’t moet genomen worden ook!”
»Ze krijgen ’t niet,” antwoordde Nana Sahib. »Kom, zonder een oogenblik te verliezen, broeder, kom!”
Balao Rao liep met zekeren tred door den nauwen gang, die naar deze donkere schuilplaats, onder den vloer van den tempel gegraven, geleidde. Aan de opening gekomen, door het kruis van den steenen olifant verborgen, stak hij voorzichtig het hoofd naar buiten, keek rechts en links, verzekerde zich dat de toegangen vrij waren en waagde zich buiten. Uit overmaat van voorzorg, liep hij een twintig schreden ver in de laan, die de richting volgde van de as des tempels, doch niets verdachts opmerkende, liet hij een gefluit hooren, om Nana te waarschuwen dat de weg vrij was.
Eenige oogenblikken later, verlieten de beide broeders de een halve mijl lange, kunstmatige vallei, waarin een menigte galerijen, gewelven, uitdiepingen, op zekere plaatsen tot een groote hoogte trapsgewijze boven elkander zijn uitgehouwen. Zij vermeden het mohamedaansche praalgraf, dat tot bungalow dient voor de bedevaartsgangers of de nieuwsgierigen van allerlei landaard, aangetrokken door de wonderen van Ellora; eindelijk, na het dorp Ranzah te zijn omgegaan, bevonden zij zich op den weg, die Adjuntah met Boregami verbindt.
De afstand van Ellora naar Adjuntah bedroeg vijftig mijlen (80 kilometers ongeveer); doch de Nana was nu niet meer de vluchteling, die te voet en zonder middel van vervoer uit Aurungabad ontsnapte. Zooals Balao Rao gezegd had, wachtten hun drie paarden op den weg op, onder de hoede van den Hindoe Kâlagani, een getrouwen dienaar van Dandou-Pant. Deze paarden waren verborgen geweest in een dicht bosch, een mijl van het dorp af. Het eene was bestemd voor den Nana, het andere voor Balao Rao, het derde voor Kâlagani en even daarna galoppeerden alle drie in de richting van Adjuntah. Niemand trouwens zou er zich over verwonderd hebben een fakir te paard te zien, want inderdaad vragen deze brutale bedelaars dikwijls te paard zittende een aalmoes.
De vallei van Adjuntah. Blz. 50.
Daarenboven was de weg in dezen voor de bedevaarten minder gunstigen tijd van het jaar, niet druk bezocht. De Nana en zijne beide metgezellen reden dus snel, zonder vrees dat iets hen kon hinderen of ophouden. Zij namen er den tijd van af om hunne dieren te laten uitblazen, en op deze korte halten, putten zij uit den voorraad, dien Kâlagani aan den zadelknop had opgehangen. Zij vermeden zoodoende de meer bezochte gedeelten der provincie, de bungalows en de dorpen, onder anderen het gehucht Roja, een ellendige hoop zwarte huizen, zooals de door den rook zwart geworden sombere woningen van Cornonailles en Pulmary, een klein, verlaten gehucht in een woeste landstreek.
De bodem was gelijk en vlak. In alle richtingen strekten zich heidevelden uit, overal met dichte jungles bezet. Doch in de nabijheid van Adjuntah werd de landstreek meer oneffen.
De prachtige grotten van dien naam, mededingsters der wondervolle grotten van Ellora, en in hun geheel misschien schooner, nemen het lagere gedeelte eener kleine vallei in, een halve mijl ongeveer van de stad af.
Nana Sahib behoefde dus niet door Adjuntah te gaan, waar de afkondiging van den gouverneur reeds aangeplakt moest zijn. Bijgevolg bestond er voor hem geen vrees herkend te worden.
Vijftien uren dus na Ellora verlaten te hebben, drong hij met zijne metgezellen door een nauwen bergpas, die naar de beroemde vallei geleidde, waarvan de zeven en twintig tempels, in de rotsachtige massa zelve uitgehouwen, over duizelingwekkende afgronden hangen.
Het was een prachtige nacht, met een schitterenden sterrenhemel, doch zonder maan. Hooge vijgeboomen en eenige »bars,” die onder de reuzen der Indische flora geteld worden, teekenden zich zwart tegen den met sterren bezaaiden hemel af. Geen windje verstoorde de kalmte van den dampkring, geen blaadje bewoog zich, niet het minste geluid deed zich hooren, of het moest het zacht geruisch zijn van een bergstroom, die eenige honderden schreden verder in een diepe kloof vloeide. Doch dit geruisch nam toe en werd een waar geloei, toen de paarden den waterval van den Satkhound bereikt hadden, die van een hoogte van vijftig vademen valt, gebroken en verscheurd door de scherpe rotsen van kwarts en basalt. Vloeibaar stof dwarrelde in den bergpas rond en zou, zoo de maan in dien schoonen lentenacht den horizont verlicht had, het prachtige schouwspel hebben opgeleverd van de zeven kleuren van den regenboog.
De Nana, Balao Rao en Kâlagani vertoonden zich nu in den bergpas, die op deze plaats een scherpe kromming maakt en een prachtig uitzicht geeft op de vallei, verrijkt door de meesterstukken der boeddhistische bouwkunst. Daar, op de muren dier tempels, rijkelijk met zuilen, rozetten, arabesken, veranda’s versierd, bevolkt met kolossale figuren van fantastisch gevormde dieren, voorzien van in de rotsmassa uitgeholde sombere cellen, eertijds door priesters, de bewaarders dezer heilige verblijfplaatsen bewoond, kan de kunstenaar ook nog eenige fresco’s bewonderen, die eerst gisteren geschilderd schijnen te zijn en die koninklijke plechtigheden, godsdienstige processies, veldslagen voorstellen waarin al de wapenen van dien tijd voorkomen, zooals ze in de eerste tijden van de christelijke jaartelling in het prachtige land van Indië in zwang waren.
Nana Sahib kende al de geheimen dezer onderaardsche verblijven. Meer dan eens hadden zijne metgezellen en hij, door de koninklijke troepen in ’t nauw gebracht, er in de kwade dagen van den opstand een schuilplaats gevonden. De onderaardsche galerijen, die ze met elkander verbonden, de nauwste tunnels in de kwartsachtige rotsmassa uitgegraven, de bochtige gangen, die elkaar in alle richtingen kruisten, de duizend vertakkingen van dien doolhof, die den geduldigste wanhopend zouden gemaakt hebben, alles was hem gemeenzaam. Hij kon er niet verdwalen, zelfs al verlichtte geen fakkel hunne donkerste hoeken.
De Nana ging als iemand, volkomen zeker van zich zelven, recht naar een van de minst belangrijke holen der groep. De opening was verborgen door dicht struikgewas en een hoop groote steenen, afkomstig van een oude instorting, tusschen de struiken van den bodem en de planten, die tusschen de spleten van de rots groeiden.
Een licht tikje op den wand was den nabob voldoende om zijne tegenwoordigheid aan de opening van het hol te kennen te geven.
Dadelijk kwamen twee of drie hoofden van Hindoes tusschen de takken te voorschijn, daarna tien, twintig en weldra vormden die hoofden, door lichamen gevolgd, als slangen tusschen de steenen doorkruipende, een groep van een veertigtal goed gewapende mannen.
»Op marsch!” zeide Nana Sahib.
En zonder eenige verklaring te vragen, zonder te weten waarheen hij hen leidde, volgden hem de getrouwe metgezellen van den nabob, gereed zich op een teeken van hem te laten dooden. Zij waren te voet, maar hunne beenen konden in snelheid wedijveren met die van een paard.
De kleine troep drong door den bergpas, die langs den rand van den afgrond in de richting van het noorden liep en ging om den top van den berg heen. Een uur later had hij den weg van den Kandeisch bereikt, die zich verliest in de bergpassen der Sautpourrabergen.
Met het aanbreken van den dag passeerden zij den tak op Nagpore van den spoorweg van Bombay op Allahabad en even later den weg zelven, die naar het noordoosten loopt.
Op dit oogenblik bruiste de sneltrein van Calcutta voorbij, en liet zijn witten rook in de toppen der trotsche vijgeboomen langs den weg hangen, terwijl de roofdieren der jungles verschrikt op de vlucht joegen.
De nabob hield zijn paard in en riep met luide stem, de hand naar den voortsnellenden trein uitgestrekt:
»Ga en zeg den onderkoning van Indië, dat Nana Sahib nog altijd in leven is en dat hij dezen spoorweg, dat vervloekte gewrocht hunner handen, in het bloed der veroveraars zal verdrinken!”