VII.

De bedevaartgangers van den Phalgou.

Béhar vormde in vroegere eeuwen het rijk van Magadha. Het was een soort van heilig grondgebied ten tijde der Bouddhisten en nog heden is het bedekt met tempels en kloosters. Doch sedert lang hebben de brahmanen de priesters van Bouddha opgevolgd. Zij hebben zich meester gemaakt van de »viharas,” zij exploiteeren ze, zij leven van de opbrengst van den eeredienst; van alle kanten stroomen de geloovigen naar hen toe; zij concurreeren met de heilige wateren van den Ganges, met de pelgrimstochten van Bénares, met de plechtigheden van Jaggernaut, in een woord, men kan gerust zeggen, dat het land hun toebehoort.

Het is een rijk land met zijn onmetelijke smaragd-groene rijstvelden en zijn uitgestrekte vlakten met maankop, met zijn talrijke gehuchten, verloren in het groen, beschaduwd door palmboomen, mangoboomen, dadels, taras, waarover de natuur een niet te ontwarren net van lianen geworpen heeft. De wegen, door het Stoomhuis bereden, vormen zoovele dichte, overdekte lanen, waarvan de vochtige bodem de frischheid onderhoudt. Wij gaan vooruit met de kaart voor ons, zonder ooit te vreezen te verdwalen. Het gebriesch van onzen olifant vermengt zich met de oorverdoovende concerten van het gevogelte en het wanluidende geschreeuw der talrijke apensoorten. Zijn rook verliest zich in het dichte gebladerte dier feniksen der velden, de bananen, waarvan de gouden vruchten nedervallen als sterren te midden van lichte wolkjes. Bij zijn passage vliegen troepen teere rijstvogeltjes op, wier wit gevederte zich vermengt met de witte stoomspiralen. Hier en daar teekenen zich groepen vijgeboomen, boschjes pampelmoezen, bedden met »dalhs,” een soort van boomvormige erwten, gedragen door een steel van een el hoog, scherp tegen den wolkeloozen hemel af en vormen den voorgrond van het onvergelijkelijk schoone landschap.

Maar welk een hitte! Nauwlijks dringt een weinig vochtige lucht door de lichtschermen van rietgras onzer vensters. De heete winden, bezwangerd met de warmtestof der uitgestrekte pleinen van het westen, strijken met hun vurigen adem over de velden. Het is tijd, dat de moesson van Juni den toestand van den dampkring komt veranderen. Niemand zou die gloeiende zonnestralen kunnen verdragen, zonder met een doodelijke stikking bedreigd te worden.

Het landschap is dan ook verlaten. Zelfs de »raïots,” hoe gehard ook tegen deze brandende zon, zouden zich niet met den veldarbeid kunnen bezighouden. Alleen de schaduwrijke weg is begaanbaar en dan nog alleen in onzen rollenden bungalow. De stoker Kâlouth moet wel, ’k zal niet zeggen van platina zijn, want platina zou smelten, maar van zuiver koolstof, om de brandende hitte van het vuur te kunnen weerstaan. Maar de brave Hindoe biedt krachtig weerstand. Hij heeft het zich bij zijn leven op de locomotieven der spoortreinen van Centraal-Indië, tot een tweede natuur gemaakt, zulk een temperatuur te verdragen!

De thermometer, aan den wand der eetzaal, staat den 19n Mei op honderd zes graden Fahrenheit (41,11° C.) Dien avond, hebben we onze hygiénische wandeling om na de verstikkende hitte van een tropischen dag een weinig lauwe en zuivere lucht in te ademen, niet kunnen maken. Dezen keer was de dampkring werkelijk verschroeiend.

»Mijnheer Maucler,” richtte zich de sergeant Mac Neil tot mij, »dat doet me denken aan de laatste dagen van Maart, toen sir Hugh Rose, met een batterij van slechts 2 stukken, bres trachtte te schieten in de omheining van Lucknow. Er waren zestien dagen verloopen, sedert we de Betwa waren overgestoken en sedert zestien dagen waren de paarden geen enkele maal onttoomd geweest. We streden tusschen énorme muren van graniet, dat zooveel beteekende als tusschen de steenen wanden van een hoogoven. »Chitsis” met emmers water, doorliepen onze rangen en terwijl we onze geweren afschoten, goten ze water op onze hoofden, daar we anders neergevallen zouden zijn. ’k Zal ’t nooit vergeten. Ik kon niet meer, mijn hoofd zou bersten en ’k was op het punt neer te slaan.... Kolonel Munro ziet het en den emmer uit de handen van een chitsi rukkende, stort hij hem over mij uit.... ’t was de laatste, dien de dragers zich hadden kunnen verschaffen!.... Ziet u, dat zal ik niet licht vergeten! Neen! een druppel bloed voor een druppel water! Al had ik al het mijne voor mijn kolonel gestort, zou ik nog zijn schuldenaar zijn!”

»Sergeant,” vroeg ik, »vindt ge niet dat de kolonel sedert ons vertrek er bezorgder uitziet dan gewoonlijk? Hij schijnt elken dag....”

»Ja, mijnheer,” antwoordde Mac Neil, die me vrij driftig in de rede viel, »maar dat is zeer natuurlijk! De kolonel komt elken dag dichter bij Lucknow, bij Cawnpore, waar Nana Sahib zijn vrouw.... O! ik kan er niet van spreken of het bloed stijgt me naar ’t hoofd! Misschien zou ’t beter geweest zijn onze reis anders te nemen en de provincies niet door te trekken, die door den opstand verwoest zijn! ’t Is nog te kort geleden, dat die vreeselijke gebeurtenissen plaats hadden en ze zijn nog te versch in ’t geheugen!”

»Waarom zouden we onzen weg dan niet veranderen!” zei ik daarop. »Als ge wilt, Mac Neil, zal ik er met Banks, met kapitein Hod over spreken....”

»’t Is te laat,” antwoordde de sergeant. »’k Heb alle reden, trouwens, om te gelooven, dat de kolonel misschien een laatste maal, het tooneel van dien vreeselijken oorlog wil weerzien, dat hij de plek wil bezoeken waar lady Munro den dood en welken dood, gevonden heeft!”

»Als ge dat denkt, Mac Neil,” antwoordde ik, »is het beter kolonel Munro te laten begaan en niets aan onze plannen te veranderen. ’t Is dikwijls een troost en een verzachting voor onze smart, hen die we liefhebben op hun graf te gaan beweenen....”

»Op het graf, ja!” riep Mac Neil uit. »Maar is dat dan een graf, die put van Cawnpore, waar zoovele slachtoffers op en onder elkander zijn neergesmeten! Is dat een graftombe, die te midden van bloemen, in de schaduw van statig geboomte, met een enkelen naam, den naam van hem, die niet meer is, en dien we zoo innig lief hadden, de herinnering levendig houdt! O mijnheer! ik vrees maar al te zeer, dat de smart van mijn kolonel onherstelbaar is! Maar, nogmaals, het is nu te laat om hem een anderen weg te doen inslaan. Wie weet of hij dan niet weigeren zou ons te volgen! Kom! laten we de zaken haar loop hebben en dat God ons geleide!”

Blijkbaar wist Mac Neil, toen hij zoo sprak, waaraan zich te houden ten opzichte van de plannen van Sir Edward Munro. Doch, zeide hij mij wel alles en was het slechts het plan Cawnpore weder te zien, dat den kolonel had doen besluiten Calcutta te verlaten? Wat er van zij, het was nu alsof een zeilsteen hem naar de plek trok waar de ontknooping van dit noodlottige treurspel had plaats gehad!.... Men moest hem zijn gang laten gaan!

Ik kwam toen op het denkbeeld den sergeant te vragen of hij voor zich alle idée van wraak had opgegeven, in een woord, of hij meende dat Nana Sahib werkelijk dood was.

»Neen,” antwoordde Mac Neil mij onbewimpeld. »Ofschoon ik geen enkel bewijs voor mijne meening heb, geloof ik niet en kan ik niet gelooven, dat Nana Sahib gestorven is zonder gestraft te zijn voor zooveel misdaden! Neen! En toch, ik weet niets en heb ook niets vernomen!... Het is alsof een instinct mij drijft!.... O! mijnheer! zich tot doel een wettige wraak te stellen, zou iets zijn in het leven! Geve de hemel dat mijne voorgevoelens mij niet bedriegen en dat eenmaal....”

De sergeant eindigde niet.... Een gebaar gaf te kennen, wat zijn mond niet had willen zeggen. De dienaar was het eens met den meester!

Zij keken, op een rij geschaard .... Blz. 87.

Zij keken, op een rij geschaard .... Blz. 87.

Toen ik Banks en kapitein Hod den inhoud van dit gesprek mededeelde, waren beiden het er over eens, dat het reisplan niet mocht en kon veranderd worden. Trouwens was er nooit sprake van geweest de reis over Cawnpore te nemen en na eenmaal den Ganges te Bénares overgestoken te zijn, zouden we ons rechtstreeks naar het noorden richten door het oostelijk gedeelte van de koninkrijken Oude en Rohilkhande. Wat ook Mac Neil mocht denken, het was niet zeker dat Sir Edward Munro Lucknow of Cawnpore wilde terug zien, plaatsen, die hem zoovele vreeselijke herinneringen in het geheugen zouden terug roepen; maar, als hij het wilde, zoude men hem op dit punt niet tegenwerken.

Wat Nana Sahib betreft, hij was zoo bekend, dat, indien de afkondiging, die zijne wederverschijning in het presidentschap van Bombay, waarheid sprak, wij er op nieuw iets van hadden moeten vernemen. Maar, bij ons vertrek van Calcutta was er reeds geen sprake meer van den nabob en de onderweg verkregen inlichtingen gaven aanleiding tot het vermoeden, dat de overheid op een dwaalspoor gebracht was.

In alle geval, indien er mogelijk iets van aan ware, indien kolonel Munro een geheim plan had, dan mocht het werkelijk verwonderlijk schijnen dat Banks, zijn intiemste vriend, niet in zijn vertrouwen deelde, eerder dan de sergeant Mac Neil. Doch dit kwam zeker daarvandaan, zooals Banks zeide, dat hij alles gedaan had om den kolonel terug te houden zich in gevaarlijke en nuttelooze nasporingen te begeven, terwijl de sergeant hem er zeker toe aanzette!

Den 19n Mei, tegen twaalf uren hadden wij het gehucht Chittra achter den rug. Het Stoomhuis bevond zich nu honderdvijftig kilometers van zijn punt van uitgang verwijderd.

Den volgenden dag, 20 Mei, kwam de IJzeren Reus, bij het vallen van den nacht, na een buitengewoon heeten dag, in de omstreken van Gaya aan. Aan den oever eener heilige rivier, de Phalgou, zeer bekend bij de bedevaartgangers, werd halt gehouden. De twee huizen hielden stand op een fraaie plek, aan den steilen oever, beschaduwd door schoone boomen, op twee mijlen ongeveer van de stad af.

Ons voornemen was zesendertig uren op deze plaats te vertoeven, namelijk twee nachten en een dag, want de plek bood veel bezienswaardigs aan, zooals ik reeds vroeger gezegd heb.

Den volgenden dag begaven Banks, kapitein Hod en ik te vier uur ’s morgens, teneinde de middaghitte te vermijden, na afscheid van kolonel Munro genomen te hebben, zich naar Gaya.

Men verzekert dat jaarlijks honderdvijftig duizend geloovigen naar dit middelpunt der Brahmaansche vestigingen stroomden. En inderdaad waren bij de toegangen tot de stad de wegen bezaaid met een ontelbaren stoet mannen, vrouwen, grijsaards en kinderen. Al die menschen gingen bij wijze eener processie door het veld, na de duizend vermoeienissen van een langen pelgrimstocht getrotseerd te hebben ter vervulling hunner godsdienstige plichten.

Banks had reeds vroeger dit grondgebied van Béhar bezocht tijdens hij opmetingen deed voor een spoorweg, die nog niet tot uitvoering gekomen was. Hij kende dus het land en we konden geen beteren gids hebben. Hij had overigens kapitein Hod verplicht al zijn jachttuig in het kamp te laten en men had dus niet te vreezen, dat onze Nimrod ons onderweg verlaten zou.

Even voor in de stad aan te komen, waaraan men met recht den naam van heilige stad kan geven, deed Banks ons stil houden voor een heiligen boom, waaromheen pelgrims van allerlei leeftijd en van beide seksen in aanbidding waren neergezonken.

Deze boom was een »pipala,” met een énormen stam; maar, hoewel de meeste takken reeds van ouderdom waren afgevallen, kon hij toch niet meer dan twee of driehonderd jaren levens tellen. Dit zou ook twee jaren later bevestigd worden door Louis Rousselet, op zijn belangwekkende reis door het Indië der Rajahs.

De boom Boddhi, was de godsdienstige naam van dezen laatsten vertegenwoordiger van het geslacht van pipala’s, die gedurende een lange reeks van eeuwen deze plek beschaduwden en waarvan de eerste vijf honderd jaar voor de christelijke jaartelling gepoot werd. Waarschijnlijk was het voor de geknielde dweepers aan zijn voet, de boom zelf, door Bouddha op deze plaats gewijd. Hij verheft zich nu op een bouwvallig terras, zeer nabij een steenen tempel, welks oorsprong blijkbaar zeer oud is.

De tegenwoordigheid van drie Europeanen, te midden dier duizenden Hindoes, werd met geen goede oogen aangezien. Men sprak echter niet tot ons, doch we konden niet bij het terras komen, noch doordringen tot de bouwvallen van den tempel. Overigens werden wij zoo dicht door de bedevaartgangers omringd, dat het moeielijk geweest zou zijn zich een weg tusschen hen door te banen.

»Zoo daar een Brahmaan geweest was,” zei Banks, »zouden we meer pleizier van ons bezoek gehad hebben en het gebouw misschien tot in zijn diepste schuilhoeken hebben kunnen bezoeken.”

»Wat!” antwoordde ik, »zou een priester minder streng geweest zijn dan zijn eigen geloovigen?”

»Mijn waarde Maucler,” antwoordde Banks, »er is geen gestrengheid bestand tegen het aanbod van eenige ropyen en de brahmanen moeten immers toch ook leven!”

»’k Zie er de noodzakelijkheid niet van in,” antwoordde kapitein Hod, die het zwak had voor de Hindoes, hunne zeden, vooroordeelen, gewoonten en de voorwerpen hunner vereering, de verdraagzaamheid te gevoelen, die zijne landgenooten hun met alle recht verleenen.

Voor het oogenblik was Indië voor hem slechts een uitgestrekt jachtgebied en gaf hij onbetwistbaar boven de bevolking van de steden en het land de voorkeur aan de woeste roofdieren der jungles.

Na een behoorlijk poosje aan den voet van den heiligen boom vertoefd te hebben, geleidde Banks ons op den weg in de richting van Gaya. Naargelang wij de heilige stad naderden, nam de toevloed der pelgrims steeds toe. Weldra deed zich door een open plek in het groen Gaya aan ons voor op den top van de rots, die zij met hare schilderachtige bouwwerken bekroont.

Wat vooral de aandacht der toeristen op deze plaats wekt, is de tempel van Vishnoe in eigen persoon achtergelaten, toen hij zich verwaardigde op de aarde neder te dalen om met den demon Maya te worstelen. Nu kon de worsteling tusschen een god en een duivel niet lang twijfelachtig zijn. De duivel delfde het onderspit en een steenen blok, zichtbaar in de omheining zelve van Vishnoe-Pad, getuigt door de diepe indrukselen van de voeten zijns tegenstanders, dat de duivel het hard genoeg te verantwoorden had.

Ik zeg »een blok van steen, dat zichtbaar was,” en ik haast mij er bij te voegen »zichtbaar alleen voor de Hindoes,” want geen Europeaan is het vergund deze goddelijke voetstappen te aanschouwen. Misschien moet men, om ze goed op den wonderdadigen steen te onderscheiden, een sterk geloof hebben, dat men niet meer aantreft bij de geloovigen der westelijke volkeren. Hoe dit zij, Banks bood dezen keer te vergeefs zijne ropijen aan. Geen priester wilde aannemen wat de prijs van een heiligschennis zou geweest zijn. Ik zou niet durven beslissen of de som niet groot genoeg was voor het geweten van een brahmaan. Zeker is het, dat we niet tot in den tempel konden doordringen en ik heb er niet achter kunnen komen, wat er eigenlijk van is, van dat zachte en schoone jonge mensch, hemelsblauw gekleurd, gekleed als een koning uit ver vervlogen tijden, beroemd door zijne tien incarnaties1, die het behoudend beginsel vertegenwoordigt, in tegenoverstelling met Çiva, het woeste zinnebeeld van het vernietigend beginsel en dien de Vaichnavas, de aanbidders van Vishnoe erkennen als den eerste der drie honderd dertig millioenen goden, die hunne bij uitnemendheid polytheïstische mythologie bevolken.

Toch hadden wij geen reden spijt te gevoelen over onzen tocht naar de heilige stad, noch over dien naar Vishnoe-Pad. Het zou onmogelijk zijn den verwarden hoop tempels, de reeks pleinen, de ophooping van viharas, die we moesten omgaan of doorkruisen om tot hem te komen, te beschrijven. Theseus zelf met den draad van Ariadne in de hand, zou verdwaald zijn in dien doolhof! Wij daalden dus van de rots van Gaya weder naar omlaag.

Kapitein Hod was woedend en had den Brahmaan, die ons den toegang tot Vishnoe-Pad weigerde, wel te lijf gewild.

»Ben je niet wijs, Hod?” zei Banks tot hem, hem terughoudende. »Weet je niet dat de Hindoes hunne priesters de brahmanen niet alleen beschouwen als wezens van aanzienlijken bloede, maar ook als wezens van een hoogeren oorsprong?”

Toen wij bij dat gedeelte der Phalgou-rivier aangekomen waren, dat de rots van Gaya bespoelt, breidde zich de verbazende ophooping van bedevaartgangers voor onze blikken uit. Daar verdrongen zich in een verward mengelmoes door elkander, mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen, stad- en landbewoners, rijke Bengaalsche burgers en arme mannen van het volk, van de minste soort, Vaïchyas, kooplieden en boeren, Kchatryas, fiere krijgslieden, Sudras, armzalige handwerkslieden van verschillende secten, parias, die buiten de wet gesteld zijn en wier oogen de voorwerpen bezoedelen, die ze beschouwen,—in een woord alle klassen of alle kasten van Indië, de krachtige Radsjpoet den zwakkelijken Bengali op zijde dringende, de lieden van Pendjab tegenover de mohamedanen van Scinde. Dezen zijn in palankijns gekomen, genen in rijtuigen, getrokken door groote bultossen. Dezen liggen uitgestrekt bij hunne kameelen, genen hebben den weg te voet afgelegd en nog altijd stroomt het toe van alle gedeelten van het schiereiland. Hier en daar worden tenten opgeslagen, hier en daar ziet men uitgespannen karren, hier en daar hutten van takken, die tot voorloopige woning van al die menschen dienen.

»Welk een gedrang!” zei kapitein Hod.

»Het water van den Phalgou zal van avond niet lekker zijn!” deed Banks opmerken.

»En waarom niet?” vroeg ik.

»Omdat dat water heilig is en die heele verdachte troep er zich in gaat baden, zooals de Gangisten in de wateren van den Ganges.”

»Zijn we dan hier benedenwaarts van den stroom?” riep Hod uit, de hand naar ons kamp uitstrekkende.

»Neen, kapitein, wees gerust,” antwoordde de ingenieur, »we zijn stroomopwaarts.”

»Opperbest, Banks, want we moeten onzen IJzeren Reus zijn dorst aan deze onzuivere bron niet laten lesschen!”

Intusschen vervolgden wij onzen weg te midden van die duizenden Hindoes, in een betrekkelijk kleine ruimte opgehoopt.

Het oor werd getroffen door een wanluidenden klank van kettingen en schelletjes. Het waren bedelaars, die de openbare liefdadigheid inriepen.

Het wemelde namelijk van allerlei soorten van dat landloopers gilde, over het geheele Indische schiereiland verspreid. De meesten vertoonden valsche wonden en gebreken, als de Clopin-Trouillefous der middeleeuwen. Doch, mogen de bedelaars van bedrijf meestal voorgewende gebrekkigen zijn, met de dweepers is dit niet het geval. En inderdaad zou het moeielijk geweest zijn voorbeelden te vinden van inniger overtuiging.

Er bevonden zich daar fakirs, goussaïns, bijna naakt, met asch bedekt; hier een met een stijven arm door hem voortdurend uitgestrekt gehouden te hebben, daar een ander de hand doorboord met de nagels zijner eigen vingers.

Anderen hadden zich tot voorwaarde gesteld den geheelen door hen afgelegden weg met hun lichaam te meten. Zich op den grond uitstrekkende, zich weder oprichtende, zich opnieuw uitstrekkende, hadden zij op deze wijze honderden mijlen afgelegd, alsof zij tot meetketting van een landmeter gediend hadden.

Hier waren geloovigen, bedwelmd door het gebruik van »bâng,”—een drank van opium met een infusie van hennip gemengd,—met boomtakken verbonden door in hunne schouders geslagen ijzeren haken. Op deze wijze opgehangen zwaaiden zij zoolang heen en weder, tot eindelijk hun vleesch begon mede te geven en zij in de wateren van den Phalgou vielen.

Daar waren nog anderen, die ter eere van Çiva, de beenen doorboord, met doorstoken tong, en pijlen, die hen eveneens het lichaam doorboorden, het bloed, dat uit hunne wonden vloeide, door slangen lieten oplikken.

Dit geheele schouwspel moest voor een Europeaan iets terugstootends hebben en daarom haastte ik mij ook het te ontvlieden toen Banks mij tegenhield en zeide:

»Het biduur!”

Op dit oogenblik verscheen een Brahmaan te midden der menigte. Hij hield de rechterhand opgeheven en richtte haar naar de zon, die tot nog toe door de rots van Gaya verborgen was gehouden.

De eerste straal der dagvorstin was het teeken. De genoegzaam naakte menigte trad in het heilige water. Vooreerst waren het eenvoudige indompelingen, zooals in de eerste tijden van den doop; doch weldra ging dit over in werkelijke onderdompelingen, waarvan het godsdienstig karakter moeielijk te vatten was. Ik weet niet of de ingewijden, bij het reciteeren der »slocas” of verzen, die de priesters hun tegen een vastgestelden prijs vóórzeiden, er meer aan dachten hun lichaam dan wel hun ziel te wasschen. Zeker is het dat, na water in het holle van de hand geschept te hebben, na er de vier hoofdstreken mede besproeid te hebben, zij er zich eenige druppels van in het gelaat wierpen, evenals baders die zich in de eerste golven van een zeebadstrand verlustigen. Ik moet er overigens nog bijvoegen, dat zij niet vergaten zich althans één haar uit te trekken voor elke zonde, die zij bedreven hadden. Hoevelen waren er onder hen, die verdiend hadden kaal uit de wateren van den Phalgou te treden!

En zulk een beweging maakten die geloovigen, nu eens plotseling onderduikende, dan het water pijlsnel doorklievende, dat de verschrikte krokodillen naar den tegenovergestelden oever vluchtten. Van daar keken zij met hunne groene oogen, op een rij geschaard, naar die luidruchtige menigte, de lucht met het geklapper hunner geduchte kakebeenen doende weergalmen. De pelgrims stoorden er zich trouwens niet meer aan, dan of het onschadelijke hagedissen waren.

Het was tijd deze zonderlinge vromen zich in staat te laten stellen in den Kaïlas te komen, die het paradijs van Brahma is. Wij begaven ons dus langs het strand van den Phalgou naar het kamp terug.

Het ontbijt vereenigde ons allen aan tafel en het overige van dien dag, die buitengewoon warm geweest was, ging zonder bijzondere toevallen voorbij. Kapitein Hod doorkruiste tegen den avond de omringende vlakte en bracht eenig klein wild mede. In dien tijd hernieuwden Storr, Kâlouth en Goûmi den voorraad water en brandstof want het plan bestond om den volgenden morgen met het krieken van den dag te vertrekken.

Ten negen ure ’s avonds hadden wij allen onze kamers bereikt. Een zeer kalme, maar vrij donkere nacht was in aantocht. Dikke wolken hielden de sterren verborgen, en maakten den dampkring zwaar. Het was nog even warm, zelfs met het ondergaan der zon.

De temperatuur was zoo drukkend, dat ik eenige moeite had om in te slapen. Door mijn opengelaten venster drong een heete lucht naar binnen, die mij zeer ongeschikt toescheen voor de geregelde werking der longen.

Het was middernacht en ik had nog geen oogenblik rust genoten; toch had ik het stellige plan gemaakt drie of vier uren voor ons vertrek te slapen, maar ik was ook zoo dwaas den slaap te willen dwingen en juist daarom ontvlood hij mij. De wil kan er niets aan doen, integendeel.

Het zal omstreeks één uur van den morgen geweest zijn, toen ik een dof geruisch meende te hooren, dat zich langs de oevers van den Phalgou verspreidde.

Eerst kwam de gedachte bij mij op dat, onder den invloed van een zeer met electriciteit verzadigden dampkring, een stormwind in het westen begon op te steken. Ook deze wind zou zeker wel brandend zijn, maar hij zou misschien toch de luchtlagen verplaatsen en misschien eenige koelte verspreiden.

Ik bedroog mij. De takken der boomen, die het kamp beschutten, bleven volkomen onbeweeglijk.

Ik stak het hoofd buiten mijn venster en luisterde. Het verre geruisch deed zich opnieuw hooren, maar ik zag niets. Het watervlak van den Phalgou was volkomen duister, zonder een van die trillende lichtpuntjes, die de minste beweging aan de oppervlakte gewoonlijk doet ontstaan. Het geruisch kwam noch van het water noch uit de lucht.

Intusschen merkte ik niets verdachts op. Ik ging dus weder naar bed en door vermoeienis overmand, viel ik in een lichte sluimering. In zekere tusschenpoozen kwamen nog eenige windvlaagjes met dat onverklaarbaar geruisch tot mij, maar eindelijk sliep ik voor goed in.

De dweepers vlogen op. Blz. 92.

De dweepers vlogen op. Blz. 92.

Twee uren later, op het oogenblik dat de eerste lichtflikkering van den aanbrekenden dageraad zich een weg baande door de duisternis, werd ik eensklaps wakker.

Men riep den ingenieur.

»Mijnheer Banks?”

»Wat is er?”

»Kom eens hier.”

Ik had de stem van Banks en die van den machinist herkend, die zooeven den gang was binnengetreden.

Ik stond dadelijk op en ging mijn kamer uit. Banks en Storr waren reeds onder de voorste veranda. Kolonel Munro was er mij voorgegaan en weldra voegde ook kapitein Hod zich bij ons.

»Wat gebeurt er?” vroeg de ingenieur.

»Zie eens, mijnheer,” antwoordde Storr.

Bij het eerste licht van den aanbrekenden dag kon ik de oevers van den Phalgou en een gedeelte van den weg, die zich verscheidene mijlen voor ons uitstrekte, onderscheiden. Hoe groot was onze verbazing, toen wij verscheidene honderden Hindoes bij groepen aan den kant van den weg zagen liggen.

»Dat zijn onze bedevaartgangers van gisteren,” zei kapitein Hod.

»Wat doen ze daar?” vroeg ik.

»Ze wachten zeker tot de zon opkomt,” antwoordde de kapitein, »om zich in de gewijde wateren te storten!”

»Neen,” antwoordde Banks. »Kunnen ze hunne reiniging niet te Gaya zelve volbrengen? De reden waarom ze hier gekomen zijn, is om....”

»Omdat onze IJzeren Reus zijn gewone uitwerking heeft gedaan!” riep kapitein Hod uit. »Ze zullen teweten gekomen zijn, dat een reusachtige olifant, een kolos, zooals zij er nooit een gezien hebben, in de nabuurschap was, en ze komen hem nu bewonderen!”

»Als het maar bij bewonderen blijft!” antwoordde de ingenieur, het hoofd schuddende.

»Wat vrees je dan toch, Banks?” vroeg kolonel Munro.

»Wel, ’k vrees, dat die dweepers ons den weg zullen versperren!”

»Wees in alle geval voorzichtig! Met zulke vromen kan men niet te veel voorzorgen nemen.”

»Inderdaad,” antwoordde Banks.

Daarna riep hij den stoker en vroeg dezen of alles gereed was.

»Ja, mijnheer.”

»Welnu, steek aan.”

»Ja, steek aan, Kâlouth!” riep kapitein Hod. »En stook op, Kâlouth, laat onzen olifant zijn rook en stoom in het gelaat van al die pelgrims spuwen!”

Het was toen drie en een half uur ’s morgens. Hoogstens over een half uur, kon de machine de noodige drukking hebben. De vuren werden dadelijk aangestoken, het hout knapte in den vuurhaard en weldra ontsnapte een zwarte rook uit den reusachtigen snuit van den olifant, waarvan het uiteinde zich in de takken der hooge boomen verloor.

Op dit oogenblik kwamen eenige groepen Hindoes naderbij. Er had een algemeene beweging in de menigte plaats. Men verdrong zich om onzen trein. In de eerste rangen dezer pelgrims, lichtte men de armen in de hoogte, men strekte ze naar den olifant uit, men bukte zich, men knielde neder, men kroop tot in het stof. Het was duidelijk aanbidding tot haar hoogste punt gevoerd.

Wij zagen van onder de veranda dat schouwspel aan, kolonel Munro, kapitein Hod en ik, niet zonder bezorgdheid waarop deze dweeperij zou uitloopen. Mac Neil had zich bij ons vervoegd en zag in stilte toe. Wat Banks aangaat, hij was met Storr in den toren, dien het enorme dier droeg, gaan staan en van waar hij het naar goedvinden kon besturen.

Te vier uur bromde de stoomketel reeds. Dit helderklinkend gesnor moest door de Hindoes gehouden worden voor het vertoornde gebrom van een bovennatuurlijken olifant. Op dit oogenblik wees de manometer een drukking aan van vijf atmosferen, en Storr liet den stoom door de veiligheidskleppen ontsnappen, alsof hij door de huid van het reusachtige dikhuidige dier uitzweette.

»We zijn gereed, Munro!” riep Banks.

»Vooruit, Banks,” antwoordde de kolonel, »maar voorzichtig en laten we niemand verpletteren!”

Het was toen bijna dag. De weg langs den oever van den Phalgou was geheel bedekt met geloovigen, weinig geneigd, naar het scheen, om plaats te maken. In die omstandigheid was het geen gemakkelijke zaak voorwaarts te gaan en niemand te verpletteren.

Banks liet twee- of driemalen fluiten, hetgeen door de bedevaartgangers met een uitzinnig gehuil beantwoord werd.

»Op zij! Op zij!” riep de ingenieur, den machinist bevelende den regulateur een weinig te openen.

Het geloei van den stoom, die zich in de cilinders stortte, deed zich hooren. De machine stelde zich langzaam in beweging. Een machtige kolom van witten rook werd met kracht uit den snuit gestooten.

De menigte was in een oogenblik uiteengeweken. De regulateur werd toen half geopend. Het gebriesch van den IJzeren Reus nam toe en onze trein begon zich tusschen de dichte rangen der Hindoes te bewegen, die geen plaats schenen te willen maken.

»Banks, pas op!” riep ik eensklaps uit.

Toen ik mij voorover buiten de veranda boog, had ik gezien dat er zich een twaalftal van die dweepers op den weg geworpen hadden, met den vasten wil zich onder de raderen van het zware gevaarte te laten verpletteren.

»Geeft acht! geeft acht! Terug,” riep kolonel Munro, die hen beduidde zich op te richten.

»Die onnozelen!” riep op zijn beurt kapitein Hod. »Zij houden ons voertuig voor de kar van Jaggernaut! Zij willen zich onder de pooten van den heiligen olifant laten verpletteren!”

Op een teeken van Banks, sloot de machinist den stoom af. De bedevaartgangers, dwars over den weg uitgestrekt, schenen besloten niet op te staan. Om hen heen gilde de dweepende menigte het uit en moedigde ze met gebaren aan.

De machine stond stil. Banks was ten einde raad en wist wezenlijk niet wat te doen.

Plotseling komt er een idée bij hem op.

»We zullen eens zien!” zeide hij.

Hij opende oogenblikkelijk de stoomkraan en krachtige stoomstralen sisten langs den grond, terwijl de lucht van een scherp gefluit weerklonk.

»Hoera! hoera! hoera!” riep kapitein Hod uit.

»Geesel ze, vriend Banks, geesel ze!”

Dit middel baatte. De dweepers, door de stoomstralen getroffen, vlogen op onder een oorverdoovend geschreeuw. Zij konden zich wel laten verpletteren, maar zich te laten verbranden, dat nooit!

De menigte week terug en de weg was open. Nu werd de regulateur geheel geopend en sloegen de wielen diep in den grond.

»Vooruit! vooruit!” riep kapitein Hod uit, die in de handen klapte en hartelijk lachte.

En nu ijlde de IJzeren Reus, het midden van den weg houdende, snel voort en was weldra uit het oog der verbaasde menigte verdwenen, als een fantastisch dier in een wolk van stoom.


1 De in de Indische godenleer voorkomende tien gedaanten van dieren en menschen, die Vishnoe, naar men beweert, heeft aangenomen.

VIII.

Eenige uren te Bénares.

De groote weg lag nu voor het Stoomhuis open, de weg, die over Sasserâm, naar den rechter oever van den Ganges tegenover Bénares liep.

Een mijl voorbij het kamp, nam de machine een meer gematigden gang aan, zoo omstreeks twee en een halve mijl per uur. Het plan van Banks was, dien zelfden avond op vijf en twintig mijlen van Gaya te kampeeren en den nacht rustig door te brengen in de omstreken van de kleine stad Sasserâm.

Algemeen gezicht van Bénares. Blz. 100.

Algemeen gezicht van Bénares. Blz. 100.

In het algemeen vermijden de Indische wegen zooveel mogelijk de stroomen, die bruggen noodzakelijk maken, daar het leggen van dezen op die alluviale gronden zeer kostbaar is. Ook moeten ze op vele plaatsen, waar het niet mogelijk geweest is een rivier of een stroom te beletten den weg te versperren, nog gelegd worden. Wel is waar is de oude, primitieve pont nog in werking, die evenwel om onzen trein over te brengen zonder twijfel onvoldoende zoude geweest zijn. Zeer gelukkig konden wij er buiten.

Juist moesten wij dien dag een belangrijke rivier oversteken, de Sône. Deze rivier boven Rhotas gevoed door twee andere, den Coput en den Coyle, vloeit in den Ganges, nagenoeg tusschen Arrah en Dinapore.

Niets gemakkelijker dan deze overtocht. De olifant daalde langs een zachte helling den steilen oever af, trad in den stroom, bleef op de oppervlakte en trok, het water met zijn dikke pooten als de schoepen van een drijfrad slaande, den trein zacht voort.

Kapitein Hod gaf luide zijne verrukking te kennen.

»Een rollend huis!” riep hij uit, »een huis dat tegelijk een rijtuig en een stoomboot is. De vleugels ontbreken er nog maar aan om zich in een vliegtoestel te herscheppen en de ruimte te doorklieven!”

»Dat zal den een of anderen dag ook nog wel eens gebeuren, vriend Hod,” antwoordde de ingenieur ernstig.

»Ik weet het, vriend Banks,” antwoordde niet minder ernstig de kapitein. »Alles zal gebeuren! Maar wat toch niet gebeuren zal, is, dat we over twee honderd jaar in leven zijn om die wonderen te zien! Het leven is alle dag wel niet even vroolijk en toch zou ik gaarne tien eeuwen wenschen te leven, enkel uit nieuwsgierigheid!”

Dien avond kampeerden wij, na onder de prachtige brug, die den spoorweg draagt, gegaan te zijn, op tachtig voet boven de bedding van de Sône, op twaalf uren afstand van Gaya, in de omstreken van Sasserâm. We zouden ons hier slechts een nacht ophouden om ons van hout en water te voorzien en met den dageraad weder vertrekken.

Dit programma werd in alle deelen gevolgd en den volgenden morgen 22 Mei, vóór de brandende uren, die de gloeiende middagzon ons bezorgde, waren wij weder op reis.

Het land was overal hetzelfde, namelijk zeer rijk, zeer bebouwd. Zoodanig doet het zich voor bij het naderen van de prachtige vallei van den Ganges. Ik zal hier niet spreken van de talrijke dorpen, die zich verliezen te midden van de onmetelijke rijstvelden, tusschen de groepen van tara-palmboomen met hun dicht gewelfd bladerdak, in de schaduw der mangoboomen en ander weelderig opschietend geboomte. Overigens hielden wij ons niet op en indien somtijds de weg door een wagen, langzaam door zebus voortgetrokken, gestremd werd, deed een twee of driemalig fluiten hem op zijde gaan, waarna dan onze trein tot groote verbazing der raïots doorging.

Op dien dag, had ik het pleizier een groot aantal rozenvelden te zien. En geen wonder, want wij waren niet ver verwijderd van Ghazipore, het groote middelpunt der fabricatie van het water of liever van de olie, uit deze bloemen vervaardigd.

Ik vroeg Banks of hij mij eenige inlichtingen betreffende dit zoo gezochte voortbrengsel kon geven, dat het toppunt schijnt te zijn der kunst op het stuk van parfumerie.

»Hier zijn cijfers, waarde vriend,” gaf Banks mij ten antwoord, »en ze zullen u toonen hoe kostbaar deze bereiding is. Veertig pond rozen worden vooraf aan een soort van langzame distillatie over een zacht vuur onderworpen en geven ongeveer dertig pond rozenwater. Dit water wordt op een nieuw pak bloemen van veertig pond gegoten, waarvan men de distillatie voortzet totdat het mengsel twintig pond bedraagt. Men stelt dit mengsel gedurende twaalf uren bloot aan de frissche nachtlucht en den volgenden dag vindt men de oppervlakte van het mengsel bedekt met hoeveel? een ons welriekende olie. Dus heeft men uit tachtig pond rozen—eene hoeveelheid die niet minder dan twee honderd duizend bloemen telt,—ten slotte slechts een ons vocht getrokken. Het is een wezenlijke moord! Het is dan ook niet te verwonderen, dat zelfs in het land der bewerking, de rozenolie veertig ropijen of honderd franken het ons kost.

»Nu,” antwoordde kapitein Hod, »als men om een ons brandewijn te fabriceeren, tachtig pond druiven noodig had, zouden de grogjes fameus duur worden!”

Op dien dag, moesten we ook de Karamnaca, een der takken van den Ganges nog overtrekken. De Hindoes hebben van die onschuldige rivier een soort van Styx gemaakt, waarop het niet goed is te varen. Hare oevers zijn niet minder vervloekt dan de oevers van den Jordaan of van de Doode Zee. De lijken, die men haar toevertrouwt, brengt zij regelrecht naar de Brahmaansche hel. Ik wil over deze geloofsleer niet redetwisten, doch ik protesteer tegen de algemeen verspreide meening dat het water dezer diabolische rivier onaangenaam smaakt en slecht voor de maag zou zijn. Het is overheerlijk.

Na een weinig heuvelachtig land te zijn doorgetrokken, tusschen de onmetelijke velden met slaapbollen en het uitgestrekte dambord der rijstvelden, kampeerden wij op den rechteroever van den Ganges, tegenover het antieke Jeruzalem der Hindoes, de heilige stad Bénares.

»Vierentwintig uren halt!” zei Banks.

»Hoever zijn we nu nog van Calcutta?” vroeg ik den ingenieur.

»Nog driehonderdvijftig mijlen ongeveer,” antwoordde hij mij, »en ge zult me moeten bekennen, waarde vriend, dat we tot nog toe niet den minsten last gehad hebben noch van den langen weg, noch van de vermoeienissen der reis!”

De Ganges! Is er een stroom waarvan de naam dichterlijker legendes voor onze verbeelding toovert en is het niet alsof gansch Indië in hem opgaat? Bestaat er op de wereld een vallei, te vergelijken met die, welke tot richting van zijn trotschen loop, zich vijfhonderd mijlen ver uitstrekt en niet minder telt dan honderd millioen bewoners? Is er een plek op den aardbol waar sedert de verschijning der Aziatische rassen meer wonderen zijn opgehoopt? Wat zou Victor Hugo, die zoo trotsch den Donau bezongen heeft, wel van den Ganges gezegd hebben! Want even als de zee heeft de Ganges zijn deining, zijne cyclonen, vreeselijker dan de orkanen van den Europeeschen stroom! Als een slang ontrolt hij zich in de meest dichterlijke streken der wereld! Ook hij stroomt van het westen naar het oosten! Doch aan geen onaanzienlijke heuvelreeks ontleent hij zijn oorsprong! Neen, van de hoogste bergketen des aardbols, van de bergen van Thibet stort hij naar beneden en neemt onderweg al de schatplichtige stroomen op. Zijn plaats van oorsprong is het Himalaya gebergte!

Den volgenden dag, 23 Mei, bij het opgaan der zon, lag het zich in hare stralen afspiegelende watervlak voor onze blikken uitgespreid. Op het witte zand schenen eenige troepen krokodillen, groot van stuk, het eerste daglicht met volle teugen in te zwelgen. Zij lagen daar onbeweeglijk, naar de zon gekeerd, alsof zij de getrouwste aanhangers van de leer van Brahma geweest waren. Maar eenige voorbij drijvende lijken ontrukten hen aan hunne aanbidding. Men heeft wel eens beweerd, dat de lijken, door den stroom medegevoerd, op den rug drijven als het mannen zijn en op den buik van vrouwen. Ik kon mij nu verzekeren, dat er niets waar is van deze opmerking. Een oogenblik later wierpen de monsters zich op hun prooi, die hun dagelijks door de rivieren van het schiereiland verschaft wordt en oogenblikkelijk door hen naar de diepte wordt gesleurd.

De spoorweg van Calcutta volgt, alvorens zich te Allahabad te vertakken om naar Delhi ten noordwesten en naar Bombay ten zuidwesten te loopen, voortdurend den rechter oever van den Ganges, waarvan hij door zijn rechtlijnige richting de talrijke bochten bespaart. Aan het station van Mogul-Seraï, waarvan wij slechts eenige mijlen verwijderd waren, scheidt zich een kleine tak af, die over den stroom naar Bénares loopt en door de vallei van de Goûmti een zestig mijlen ver naar Jaunpore gaat.

Bénares is dus aan den linkeroever gelegen. Doch op deze plaats zouden wij den Ganges niet oversteken, dat zou eerst te Allahabad geschieden. De IJzeren Reus bleef dus in het kamp, dat den vorigen avond, 22 Mei gekozen was. Er lagen gondels aan den oever gereed om ons naar de heilige stad over te brengen, die ik met eenige zorg wenschte te bezoeken.

Bénares: Népaulsche pagode. Blz. 100.

Bénares: Népaulsche pagode. Blz. 100.

Wat kolonel Munro betreft, voor hem had het bezoek dezer steden, waar hij zoo vaak geweest was, niets vreemds of verrassends en toch dacht hij er dien dag een oogenblik over ons te vergezellen; doch, na rijpe overweging besloot hij een tocht langs de oevers van den stroom te maken, in gezelschap van sergeant Mac Niel. Werkelijk verlieten beiden het Stoomhuis, zelfs voordat wij nog vertrokken waren. Kapitein Hod, die reeds in garnizoen te Bénares geweest was, had het plan gevormd eenigen zijner kameraden te gaan zien. Banks en ik dus,—de ingenieur had mij tot gids willen verstrekken,—wij waren de eenigen, die uit een gevoel van belangstelling de stad wilden bezoeken.

Als ik zeg, dat kapitein Hod te Bénares in garnizoen geweest was, moet men weten, dat de troepen der koninklijke armée gewoonlijk niet in de Hindoesche steden wonen. Hunne kazernen zijn te midden van »kantonnementen” gelegen, die inderdaad echte Engelsche steden worden. Dit is met Allahabad, met Bénares het geval, evenals op andere punten van het grondgebied, waar niet alleen de soldaten, maar de ambtenaren, de kooplieden, de renteniers zich bij voorkeur groepsgewijze vereenigen. Ieder dezer groote steden is in tweeën verdeeld, het eene gedeelte met al het comfort van het moderne Europa, terwijl het andere de gewoonten van het land en de Hindoesche gebruiken in al hunne oorspronkelijkheid bewaard heeft!

De Engelsche stad, met Bénares vereenigd, is Sécrole waarvan de bungalows, de wandeldreven, de christelijke kerken zeer weinig belangstelling inboezemen. Daar bevonden zich ook de voornaamste hôtels, door toeristen bezocht. Sécrole is een van die steden, gereed om door de toeristen van het Vereenigd Koninkrijk ingepakt en verzonden te worden en die men dadelijk weer kan opslaan. Zij bieden dus niets bijzonders ter bezichtiging aan. Nadat Banks en ik dus in een gondel plaats hadden genomen, staken wij den Ganges schuins over, teneinde eerst het prachtige schouwspel, dat Bénares, amphiteatersgewijze tegen den steilen oever gelegen, aanbiedt, in zijn geheel te overzien.

»Bénares,” zeide mij Banks, »is bij uitnemendheid de heilige stad van Indië. Het is het Hindostansche Mecca en iedereen, die er, al is het slechts vierentwintig uren, gewoond heeft, is verzekerd de eeuwige zaligheid deelachtig te worden. Men begrijpt dus welk een toevloed van bedevaartgangers zulk een geloof kan uitlokken, en welk een aantal inwoners een stad moet tellen waaraan Brahma zulke belangrijke voorrechten verleend heeft.”

Men kent aan Bénares meer dan dertig eeuwen bestaan toe. Zij zou dus gesticht zijn geworden nagenoeg ten tijde van de verwoesting van Troje. Na altijd een grooten, geen staatkundigen, maar geestelijken invloed op Hindostan gehad te hebben, was zij het meest bekende centrum van den bouddhistischen godsdienst tot de negende eeuw. Er had toen een godsdienstige omwenteling plaats. Het Brahmanisme vernietigde den ouden eeredienst. Bénares werd de hoofdstad der brahmanen, het middelpunt van aantrekking voor de geloovigen en men verzekert, dat driehonderdduizend bedevaartgangers haar jaarlijks bezoeken.

De metropolitaansche overheid heeft voor de heilige stad haar rajah weten te bewaren. Deze vorst, die vrij zuinig door Engeland bezoldigd werd, bewoont een prachtige residentie te Ramnagur, aan den Ganges. Hij is een wettige afstammeling van de koningen van Kaci, den ouden naam van Bénares, maar hij heeft niet den minsten invloed meer en zou zich dit laten welgevallen, indien zijn pensioen niet een lakh ropyen—honderdduizend ropyen, of honderd vijfentwintig duizend gulden ongeveer verminderd was, een som, die nauwlijks het zakgeld van een nabob van weleer bedroeg.

Ook Bénares deelde, zooals bijna al de steden van de vallei van den Ganges, een oogenblik in den grooten opstand van 1857. Destijds bestond haar garnizoen uit het 37e regiment inlandsche infanterie, een corps ongeregelde kavallerie en een half regiment sikhs. Van koninklijke troepen bezat zij slechts een halve batterij Europeesche artillerie. Men kon niet verwachten, dat deze handvol mannen de inlandsche soldaten zou ontwapenen. Ook wachtte de overheid, niet zonder ongeduld, de aankomst af van kolonel Neil, die zich met het 10e regiment van de koninklijke armée naar Allahabad op weg had begeven. Kolonel Neil trad Bénares binnen met slechts twee honderd vijftig man en gaf bevel tot het houden eener parade op het exercitieveld.

Toen de Sipayers vereenigd waren, gelastte men hun de wapenen neder te leggen. Zij weigerden en dadelijk begon er een worsteling tusschen hen en de infanterie van kolonel Neil. Bijna onmiddellijk daarop voegden zich de ongeregelde kavallerie en daarna de sikhs, die zich verraden waanden, bij de opstandelingen. Doch toen opende de halve batterij haar vuur, beschoot de opstandelingen met schroot en niettegenstaande hunne dapperheid, niettegenstaande hunne verwoedheid, werden allen op de vlucht gedreven.

Dit gevecht werd buiten de stad geleverd. Binnen had er slechts een eenvoudige poging tot opstand der muzelmannen plaats, die de groene vaan opstaken—eene poging, die dadelijk mislukte. Sedert dien dag werd Bénares, zelfs ten tijde toen de opstand in de provincies van het Westen scheen te zullen zegevieren, niet meer verontrust.

Banks had mij deze bijzonderheden medegedeeld, terwijl onze gondel langzaam over de wateren van den Ganges gleed.

»Mijn waarde vriend,” zei hij, »we gaan Bénares opzoeken, goed! Maar, hoe oud deze hoofdstad ook zij, zult ge er geen enkel monument vinden, dat meer dan drie honderd jaren oud is. Verwonder er u niet over. Dat is het gevolg der godsdienstige worstelingen, waarbij het vuur en het zwaard een maar al te treurige rol hebben gespeeld. Toch is Bénares een merkwaardige stad en ge zult u uw wandeling niet berouwen!”

Weldra hield onze gondel op zekeren afstand stil, teneinde op den achtergrond eener baai, blauw als de golf van Napels, de schilderachtige, amphiteatersgewijze tegen den heuvel oploopende huizen en de opeenstapeling van paleizen te bewonderen, waarvan een groot blok dreigt in te storten ten gevolge van een verzakking van den grond, ondermijnd door het water der rivier. Een nepaulsche pagode, van Chineeschen bouw, gewijd aan Bouddha, een woud van torens, spitsen, minarets, kleine piramiden, die zich van de moskeeën en tempels verheffen, beheerscht door de gouden naald van den lingam van Çiva en de twee magere torenspitsen van de moskee van Aureng-Zeb, bekroont dit bewonderenswaardig panorama.

Inplaats van onmiddellijk aan een der »ghâts” of trappen, die de boorden in gemeenschap stellen met het bovenvlak der steile oevers, af te stappen, liet Banks den gondel bij de kaden aanleggen, waarvan de grondlagen door den stroom bespoeld worden.

Ik vond daar het tooneel van Gaya terug, maar in een ander landschap. In plaats van de groene wouden van den Phalgou, werd nu de achtergrond der schilderij ingenomen door de heilige stad. Wat het onderwerp betreft, het was nagenoeg hetzelfde.

Werkelijk bedekten duizenden bedevaartgangers den steilen oever, de terrassen, de trappen en kwamen zich in drie- of vierdubbele rijen in den stroom dompelen. Men meene daarom niet dat dit bad kosteloos genoten werd. Bewaarders met rooden tulband op het hoofd, de sabel op zijde, namen de onderste treden der ghâts in, vorderden de schatting, in gezelschap van nijvere brahmanen, die rozenkransen, amuletten of andere vroomheidsmiddelen verkochten.

Bovendien waren er niet alleen bedevaartgangers, die voor eigen rekening baadden, maar ook handelaars, die niets anders deden dan het heilige water in flesschen te putten om het tot in de meest verwijderde streken van het schiereiland rond te venten. Als bewijs van echtheid wordt elke flesch met het zegel der brahmanen verzegeld. Men moet evenwel aannemen, dat op uitgebreide schaal bedrog hiermede gepleegd wordt, zoo aanzienlijk is de uitvoer van deze wonderdadige vloeistof geworden.

»Misschien wel,” zei Banks, »zou al het water van den Ganges niet aan de behoeften der geloovigen voldoen!”

Ik vroeg hem toen of die badkuren niet dikwijls ongelukken veroorzaakten, die men volstrekt niet trachtte te voorkomen. Er waren toch geen zwemmeesters tegenwoordig om over de onvoorzichtigen te waken, die zich in den snellen stroom der rivier waagden.

»Ongelukken komen dan ook veel voor,” antwoordde mij Banks, »maar al is het lichaam van den vrome verloren gegaan, zijn ziel is gered. Ook ziet men zoo nauw niet.”

»En de krokodillen?” liet ik er op volgen.

De tempel Mankarnika. Blz. 104.

De tempel Mankarnika. Blz. 104.

»De krokodillen,” antwoordde mij Banks, »houden zich gewoonlijk op een afstand. Al dat geraas verschrikt ze. Deze monsters zijn niet het meest te vreezen, maar meer de boosdoeners, die duiken, onder het water voortsluipen, de vrouwen en kinderen beetpakken, ze medenemen en ze van hunne kostbaarheden berooven. Men vertelt zelfs van een dezer schurken, die door middel van een kunstkop lang de rol van een valschen krokodil speelde en een aardig fortuintje met dit winstgevend en tegelijk gevaarlijk bedrijf gewonnen heeft, want werkelijk is deze gauwdief op zekeren dag door een echten krokodil verslonden geworden en men heeft niets meer van hem gevonden dan zijn lederen kop, die aan de oppervlakte der rivier dreef.”

Dan zijn er eindelijk ook nog van die dolle dweepers, die uit eigen beweging den dood in de golven van den Ganges komen zoeken en dit zelfs met een berekende, verfijnde barbaarschheid doen. Zij binden zich om het lichaam een rozenkrans van ledige urnen met open monden. Langzamerhand dringt het water in die urnen en doet ze allengs onderdompelen onder de uitbundige toejuichingen der geloovige menigte.

Onze gondel had ons weldra voor de Mânmênka Ghât gebracht, alwaar de brandstapels waaraan men de lijken heeft toevertrouwd van al de dooden, die bij hun leven eenige zorg voor een toekomstig leven gehad hebben, amphiteatersgewijze boven elkander gesteld zijn. Gretig wordt de lijkverbranding op deze heilige plaats door de geloovigen gezocht en de brandstapels branden dag en nacht. De rijke baboes laten zich uit verre oorden naar Bénares brengen zoodra ze zich door een ziekte voelen aangedaan, waaraan zij bezwijken zullen. Want Bénares is ontegenzeggelijk het beste uitgangspunt voor »de reis naar de andere wereld.” Indien de overledene slechts lichte zonden op zijn geweten heeft, zal zijn ziel, met den rook der brandstapels medegevoerd, rechtstreeks naar het verblijf der eeuwige gelukzaligheid gaan. Is hij daarentegen een groot zondaar geweest, dan zal zijn ziel integendeel vooraf wedergeboren worden in het lichaam van een brahmaan, die nog geboren moet worden. Het is dus te hopen, dat gedurende deze tweede incarnatie, als zijn leven nu voorbeeldig geweest is, hem geen tweede avatar zal opgelegd worden, alvorens hij ten slotte toegelaten wordt tot de genietingen van den hemel van Brahma.

Wij besteedden het overige van den dag aan het bezoeken der stad, hare voornaamste monumenten, hare bazars, naar Arabische mode, met sombere winkels bezet. Daar worden voornamelijk fijne mousselinen van kostbaar weefsel verkocht, alsmede de »kinkôb”, een soort van zijden stof met goud bewerkt, een van de voornaamste nijverheidsproducten van Bénares. De straten waren zindelijk onderhouden, maar nauw, zooals noodzakelijk is voor de steden, die bijna altijd beschenen worden door de stralen eener tropische zon. Maar zelfs in de schaduw, was de warmte nog om te stikken. Ik beklaagde de dragers van onzen palankijn, die evenwel zich zelve niet zeer schenen te beklagen.

Trouwens, de arme duivels waren in de gelegenheid eenige ropyen te verdienen en dat was genoeg om hun moed en kracht te geven. Doch dat was het geval niet met een zekeren Hindoe, of liever Bengali, met een levendig oog en listige gelaatstrekken, die, zonder juist te trachten het te verbergen, ons gedurende onzen geheelen tocht volgde.

Toen wij op de kaai van de Mânmênka Ghât aan land stapten, had ik, met Banks sprekende, hardop den naam van kolonel Munro genoemd. De Bengali, die onzen gondel had zien aanleggen, ontstelde onwillekeurig. Ik had daar wel niet zoo bijzonder op gelet, maar toch herinnerde ik het mij, toen ik zag, dat die soort van spion zich hardnekkig aan onze schreden vasthechtte. Hij verliet ons slechts om eenige oogenblikken later voor of achter ons op nieuw voor den dag te komen. Was het een vriend of een vijand? Ik wist het niet, maar het was een man wien de naam van kolonel Munro stellig niet onverschillig was.

Onze palankijn hield weldra stil onder aan den grooten trap van honderd treden, die van de kaai naar de moskee van Aureng-Zeb voert.

Voorheen beklommen de vromen slechts geknield deze soort van Santa Scala, in navolging van de geloovigen van Rome. Destijds was het de tempel van Vishnoe, die zich op deze plek verhief en nu vervangen is door de moskee van den veroveraar.

Ik zou gaarne Bénares aanschouwd hebben van den top van een der minarets dezer moskee, welker bouworde voor een meesterstuk van architectuur gehouden werd. Deze minarets zijn honderd twee en dertig voet hoog, zijn nauwlijks zoo dik als een eenvoudige fabrieksschoorsteen en toch bevatten zij inwendig een wenteltrap; maar het is niet meer veroorloofd dezen te beklimmen, hetgeen ook niet geraden zou zijn, daar deze twee minarets aanmerkelijk van de loodlijn afwijken en minder levenskracht schijnen te bezitten dan de toren van Pisa.

Bij het verlaten van de moskee van Aureng-Zeb, vond ik den Bengali terug, die ons aan de poort afwachtte. Ditmaal keek ik hem strak aan en hij sloeg de oogen neder. Alvorens de aandacht van Banks op dit voorval te vestigen, wilde ik zien of het individu in zijne dubbelzinnige houding zou volharden, en zei daarom niets.

Bij honderden worden de pagoden en de moskeeën in de bewonderenswaardige stad van Bénares geteld. Dit is ook het geval met de prachtige paleizen, waarvan het schoonste ontegenzeglijk aan den koning van Nagpore behoort. Weinige rajahs verzuimen inderdaad een te huis in de heilige stad te hebben, en komen er ten tijde der groote godsdienstige feesten van Méla.

Het zou mij moeilijk geweest zijn, in den korten tijd waarover wij te beschikken hadden, al die tempels te bezoeken. Ik bepaalde mij dus tot een bezoek van den tempel van Bichêshwar, alwaar de lingam van Çiva zich verheft. Deze wanstaltige steen, die als een gedeelte van het lichaam van den wreedsten der Goden van de Hindoesche godenleer beschouwd wordt, bedekt een put, welks stilstaand, groenachtig, stinkend water wonderbaarlijke krachten bezit. Ik zag ook de Mankarnika-tempel met de heilige fontein, waarin de geloovigen zich baden ten profijte der Brahmanen, vervolgens den Mân-Mundir, een sterretoren voor twee honderd jaar gebouwd door den keizer Akbar en waarvan al de instrumenten, onbeweeglijk als marmer, slechts in steen zijn voorgesteld.

Ik had ook hooren spreken van een apenpaleis, dat de toeristen niet in gebreke blijven te Bénares te bezoeken. Een Parijzenaar moest natuurlijk gelooven, dat hij zich voor de beroemde kooi van den Plantentuin zou bevinden. Dit was echter geenszins het geval.

Dit paleis is slechts een tempel, de Dourga-Khound, even buiten de voorsteden gelegen. Hij dagteekent van de IXe eeuw, en is een van de oudste monumenten der stad. De apen zijn er niet in een traliehok opgesloten. Zij loopen vrij op de binnenplaats rond, springen van den eenen muur op den anderen, klimmen naar den top van énorme mangoboomen, betwisten elkander de geroosterde graankorrels waarop zij zeer verzot zijn en die de bezoekers hun brengen. Daar, gelijk overal, heffen de brahmanen, de bewaarders van den Dourga-Khound, een kleine vergoeding, die van dit ambt een der meest winstgevende van Indië maakt.

Het spreekt van zelf, dat we tamelijk afgemat waren van de hitte, toen wij tegen den avond er over dachten naar het Stoomhuis terug te keeren. We hadden te Secrole in een der beste hôtels der Engelsche stad ontbeten en gedineerd en toch moet ik zeggen, dat deze keuken ons die van »monsieur Parazard” deed betreuren.

Toen de gondel onder aan de Gâth kwam aanleggen om ons naar den rechteroever van den Ganges terug te brengen, ontmoette ik voor de laatste maal den Bengali, dicht bij het vaartuig. Een boot, door een Hindoe bestuurd, wachtte hem op en stak dadelijk af. Wilde hij ons ook op de rivier volgen, tot het kampement? Dat werd zeer verdacht.

»Banks,” zeide ik toen zacht, hem op den Bengali wijzende, »daar is een spion, die ons geen oogenblik uit het gezicht verloren heeft....”

»’k Heb hem wel gezien,” antwoordde Banks, »en ’k heb opgemerkt, dat de naam van den kolonel, door u uitgesproken, hem opmerkzaam maakte.”

»Zou er geen reden zijn, om....?” zei ik toen.

»Neen! Laat hem begaan,” antwoordde Banks. »Het is beter, dat hij zich niet verdacht weet.... Trouwens, hij is al weg.”

En inderdaad was de boot van den Bengali reeds te midden der talrijke vaartuigen van allerlei vormen, die toen de sombere wateren van den Ganges kliefden, verdwenen.

De citadel van Allahabad. Blz. 111.

De citadel van Allahabad. Blz. 111.

Daarop vroeg Banks, zich tot onzen schipper wendende, op een toon, die onverschilligheid voorgaf:

»Ken je dien man?”

»Neen, ’t is de eerste keer dat ik hem zie,” antwoordde de schipper.

Het was nu avond geworden. Honderden met vlaggen en wimpels versierde vaartuigen, door veelkleurige lantarens verlicht, opgevuld met zangers en muzikanten, kruisten elkander op den feestelijken stroom in alle richtingen. Aan den linkeroever vertoonde zich allerlei soort van vuurwerk, mij herinnerende, dat we ons niet ver van het Hemelsche Rijk bevonden, waar men altijd zooveel met vuurwerk opheeft. Het zou moeielijk zijn een beschrijving van dit schouwspel te geven, dat waarlijk onbeschrijfelijk schoon was. Tot mijn spijt kon ik niet te weten komen welk geïmproviseerd nachtfeest, waaraan Hindoes van allerlei klassen deelnamen, er gevierd werd. Op het oogenblik dat het eindigde, lag de gondel reeds aan den anderen oever aan.

Het was dus als een visioen, en duurde niet langer dan de kortstondige, schitterende meteoren, die slechts een oogenblik het luchtruim in vuur en vlam zetten, om in het volgende oogenblik de nachtelijke duisternis nog dieper te doen schijnen. Doch Indië, ik zeide het reeds, vereert drie honderd millioen goden, mindere goden, heiligen en halve heiligen van allerlei soorten en het jaar telt zelfs niet genoeg uren, minuten en seconden om ieder dezer godheden de noodige eer te bewijzen.

In het kampement teruggekomen, vonden wij er reeds kolonel Munro en Mac Neil. Banks vroeg den sergeant of er gedurende onze afwezigheid niets nieuws gebeurd was.

»Niets,” antwoordde Mac Neil.

»Heb je geen verdacht persoon zien rondwaren?”

»Neen, mijnheer Banks. Hebt u eenige reden te vermoeden...”

»We zijn op onzen tocht naar Bénares gespionneerd, antwoordde de ingenieur, »en ’k heb liever niet dat men ons spionneert!”

»En wie was die spion?”

»Een Bengali, die bij het hooren van den naam van kolonel Munro de ooren spitste.”

»Wat kan die man van ons willen?”

»Dat weet ik niet, Mac Neil. We moeten oppassen!”

»Men zal oppassen,” antwoordde de sergeant.