Gedurende een geheele maand, van den 12n Maart tot den 12n April, bleef Nana Sahib in den pâl verborgen. Hij wilde het Engelsche bewind den tijd geven, hetzij de opsporingen op te geven, hetzij het op een valsch spoor te brengen.
Mochten al de twee broeders overdag niet uitgaan, hunne vrienden daarentegen doorliepen de vallei, bezochten de dorpen en de gehuchten, kondigden in bedekte termen de op handen zijnde verschijning aan van een »geduchten moulti,” half god, half mensch, en zij bereidden de gemoederen voor op een nationale omwenteling.
Zoodra de nacht was aangebroken, waagden Nana Sahib en Balao Rao het hunne schuilplaats te verlaten. Zij begaven zich dan naar de oevers der Nerbudda en gingen van dorp tot dorp, van pâl tot pâl, het oogenblik verbeidende waarop zij met eenige zekerheid het domein konden bezoeken der aan de Engelschen schatplichtige rajahs. Nana Sahib wist trouwens, dat vele halfonafhankelijken, ongeduldig om het vreemde juk af te werpen, zich op zijne stem zouden vereenigen. Doch, op dit oogenblik gold het slechts de woeste bevolking van Goudwana.
Die onbeschaafde Bhîls, die zwervende Kounds, die Gounds, wild en woest als de inboorlingen van de eilanden van den stillen Oceaan, vond de Nana gereed, om hem te volgen. Indien hij zich uit onvoorzichtigheid slechts aan twee of drie machtige stamhoofden bekend maakte, was dat voldoende om hem te bewijzen, dat zijn naam alleen verscheidene millioenen Hindoes zou medesleepen, die over de centrale bergvlakten van Hindostan verspreid zijn.
Toen de beide broeders in den pâl van Tandît waren teruggekeerd, deelden zij elkander mede wat zij gehoord, gezien en gedaan hadden. Hunne metgezellen voegden zich toen bij hen, van alle kanten de tijding medebrengende, dat de geest van oproer als een stormwind in de vallei der Nerbudda was losgebroken. De Gounds wilden niet anders dan den »kisri” doen weergalmen, den oorlogskreet der bergbewoners, en de militaire kantonnementen van het presidentschap te overrompelen.
Het oogenblik was nog niet gekomen.
Het was namelijk niet voldoende, dat de geheele landstreek tusschen de Sautpourrabergen en de Vindhyas in vuur en vlam gezet werd, de brand moest al verder en verder om zich heen grijpen. Het was dus noodig de brandstoffen in de nabij de Nerbudda gelegen provinciën op te hoopen, die meer rechtstreeks onder Engelsche heerschappij verkeerden. Van al de steden en gehuchten van Bhopal, Malwa, Bundelkund en van het geheele uitgestrekte koninkrijk van Scindia moest een onmetelijke brandstapel gebouwd worden, gereed om ontstoken te worden. Doch Nana Sahib wilde met recht aan niemand anders dan aan zich zelven de zorg toevertrouwen de oude deelnemers aan den opstand van 1857 te bezoeken; al die landgenooten, die zijn zaak getrouw gebleven waren en nooit aan zijn dood geloofd hadden, verwachtten hem elken dag weder te zien verschijnen.
Een maand na zijn aankomst in den pâl van Tandît meende Nana Sahib veilig te kunnen handelen, daar toch het feit zijner wederverschijning in de provincie als valsch was erkend geworden. Partijgangers hielden hem op de hoogte van alles wat de gouverneur van het presidentschap van Bombay gedaan had om hem te vangen. Hij wist dat de overheid in de eerste dagen een nauwkeurig onderzoek had ingesteld, maar zonder gevolg. De visscher van Aurungabad, de oude gevangene van den Nana, was door een dolksteek omgebracht en niemand had kunnen vermoeden, dat de ontvluchte fakir de nabob Dandou-Pant was, op wiens hoofd een prijs gesteld was. Een week later, waren de geruchten tot zwijgen gekomen, de mededingers naar de premie van duizend gulden hadden alle hoop verloren en de naam van Nana Sahib kwam weder in vergetelheid.
De nabob kon dus in eigen persoon handelen en zonder vrees van erkend te worden, zijne omwentelingsplannen verwezenlijken. Nu eens in het kostuum van een parsi, dan weder in dat van een eenvoudigen raïot, vandaag alleen, morgen van zijn broeder vergezeld, begon hij zich van den pâl van Tandît te verwijderen, aan den anderen oever der Nerbudda naar het noorden en zelfs naar de andere zijde van de noordelijke helling der Vindhyas te reizen.
Een spion, die hem in al zijne gangen had willen bespieden, zou hem den 12n April te Indore hebben aangetroffen.
Daar, in die hoofdstad van het koninkrijk Holcar stelde Nana Sahib, een streng incognito bewarende, zich in gemeenschap met de talrijke landelijke bevolking, die zich met den bouw der slaapbollenvelden bezig hield. Het waren Rihillas, Mekranis, Valayalis, vurige, moedige, dweepzuchtige lieden, waarvan de meesten gedeserteerde Sipayers der inlandsche armée waren, die zich in de kleeding van den Hindoeschen boer verborgen hielden.
Daarna stak Nana Sahib de Betwa, een tak van de Jumna over, die naar het noorden aan de westelijke grens van Bundelkund loopt en kwam den 19n April, door een prachtige vallei met een overvloed van dadel- en mangoboomen, te Souari aan.
Eensklaps barstte een geweerschot los. Blz. 198.
Daar bevinden zich zonderlinge bouwgewrochten van zeer hooge oudheid. Het zijn »tôpes,” een soort van tumuli, bedekt met halfbolvormige koepeldaken, die ten noorden der vallei de voornaamste groep van Saldhara vormen. Uit die praalgraven, uit die woningen der dooden, waarvan de altaren, aan den Boeddhistischen eeredienst gewijd, beschut zijn onder steenen zonneschermen, uit die sedert zoovele eeuwen ledige graven kwamen, op de stem van Nana Sahib honderden vluchtelingen te voorschijn. Verscholen in de bouwvallen, om de vreeselijke weerwraak der Engelschen te ontgaan, was een woord voldoende hun te doen begrijpen wat de nabob van hunne medewerking verwachtte; een wenk zou op het bepaalde uur voldoende zijn om hen in massa op de veroveraars te werpen.
Den 24n April was Nana Sahib te Bhilsa, de hoofdplaats van een belangrijk distrikt van Malwa en daar, te midden van de bouwvallen der oude stad, verzamelde hij bouwstoffen voor den opstand, die de nieuwe hem niet zou verschaft hebben.
Den 27n April bereikte Nana Sahib Raygurh, op de grenzen van het koninkrijk Pannah en den 30n de overblijfselen van de oude stad Sangar, niet ver van de plek waar de generaal sir Hugh Rose den opstandelingen een bloedigen veldslag leverde, die hem met den Maudanporepas den sleutel gaf van de bergengten der Vindhyas.
Daar voegde zijn broeder, door Kâlagani vergezeld, zich bij den nabob en beiden maakten zich bekend aan de hoofden der voornaamste stammen, waarvan zij volkomen zeker waren. In deze geheime vergaderingen, werden de voorloopige handelingen van een algemeenen opstand besproken en vastgesteld. Terwijl Nana Sahib en Balao Rao dan in het zuiden zouden werken, moesten hunne bondgenooten aan de noordelijke hellingen der Vindhyas hunne maatregelen nemen.
Alvorens naar de vallei der Nerbudda terug te gaan, wilden de twee broeders het koninkrijk Pannah nog bezoeken. Zij waagden zich langs de Keyne, onder bedekking van reusachtige teks, van kolossale bamboes en onder de beschutting van die ontelbare Indische vijgeboomen, welke bestemd schijnen gansch Indië in te nemen. Daar werden talrijke en woeste aanhangers geworven onder het ellendige personeel, dat voor rekening van den rajah, de rijke diamantmijnen exploiteert. »Deze rajah,” zegt Rousselot, »de positie begrijpende, die de Engelsche overheersching den vorsten van Bundelkund bereidt, heeft de rol van een rijken grondeigenaar verkozen boven die van een weinig beteekenend vorstje.” Een rijke grondbezitter is hij inderdaad! De diamanten bevattende streek, in zijn bezit, strekt zich uit over een lengte van dertig kilometers ten noorden van Pannah en de exploitatie zijner diamantmijnen, waarvan de producten op de markten van Bénares en Allahabad het meest geacht zijn, houdt een groot aantal Hindoes bezig. Maar onder de ongelukkigen, gewoon aan den zwaarsten arbeid, die de rajah doet onthoofden, zoodra de opbrengst van de mijn aan het dalen is, moest Nana Sahib duizenden aanhangers vinden, die gereed waren zich voor de onafhankelijkheid van hun land te laten dooden, en hij vond ze.
Van dit punt af, keerden de beide broeders naar de Nerbudda terug, teneinde de pâl van Tandît wederom te bereiken. Evenwel wilden zij, alvorens den opstand van het zuiden voor te bereiden, die tegelijk met dien van het noorden moest losbreken, zich te Bhopal ophouden. Dit is een belangrijke muzelmansche stad, die het middelpunt van het Islamisme in Indië gebleven is en waarvan de bégoem gedurende het gansche tijdperk van den opstand den Engelschen getrouw is gebleven.
Nana Sahib en Balao Rao, vergezeld van een dozijn Gounds, kwamen den 24n Mei, den laatsten dag van de feesten van Moharum, ingesteld ter viering van de hernieuwing van het Muzelmansche leger, te Bhopal aan. Beiden waren gekleed als »joguis,” sombere godsdienstige bedelaars, met lange dolken gewapend waarmede zij zich uit dweepzucht treffen, doch zonder zich gevaarlijke wonden toe te brengen.
De twee broeders, die in deze vermomming onherkenbaar waren, hadden de processie in de straten der stad gevolgd, te midden der talrijke olifanten, die »tadzias,” een soort van kleine tempels van twintig voet hoog op den rug droegen; zij hadden zich kunnen mengen onder de rijk met goud gestikte onderrokken gekleede en met moesselinen mutsen gedekte muzelmannen en zich kunnen wegschuilen in de rangen der muzikanten, der soldaten, der bajaderen, der als vrouwen vermomde jongelingen,—een vreemde opeenhooping van menschen, die aan deze plechtigheid het voorkomen gaf van een vastenavondsvertooning. Met deze Hindoes van allerlei kasten, waaronder zij talrijke aanhangers telden, hadden zij een soort van maçonniek teeken kunnen wisselen, dat bij de oude opstandelingen van 1857 in zwang was.
Met het vallen van den avond hadden al die menschen zich naar het meer begeven, dat de oostelijke voorstad bespoelde.
Daar wierpen onder een oorverdoovend geschreeuw, het ontbranden van vuurwapenen, het geknetter van voetzoekers en ander klein vuurwerk, bij het licht van duizenden toortsen, al deze geestdrijvers de tadzias in het meer. De feesten van Moharum waren hiermede geëindigd.
Op dit oogenblik voelde Nana Sahib een hand op zijn schouder. Hij keerde zich om. Een Bengali stond voor hem.
Nana Sahib herkende in dezen Hindoe een zijner oude krijgskameraden van Lucknow. Hij ondervroeg hem met de oogen.
De Bengali bepaalde zich tot het fluisteren van de volgende woorden, die Nana Sahib hoorde zonder dat een enkel gebaar zijn ontroering verraden had.
»Kolonel Munro heeft Calcutta verlaten.”
»Waar is hij?”
»Hij was gisteren te Bénares.”
»Naar de grenzen van Népaul.”
»Met welk doel?”
»Om er eenige maanden te verblijven.”
»En dan?”
»Naar Bombay terug te keeren.”
Eensklaps deed zich een scherp geluid hooren. Een Hindoe sloop door de verzamelde menigte en was weldra Nana Sahib genaderd.
Het was Kâlagani.
»Vertrek dadelijk,” zei de nabob. »Zoek Munro op, die zich op ’t oogenblik naar het noorden begeeft. Dring je aan hem op, maak je noodzakelijk door hem den een of anderen dienst te bewijzen en waag je leven, als ’t moet. Verlaat hem niet voordat hij aan gene zijde der Vindhyas weder naar de vallei der Nerbudda is teruggekeerd en kom dan, maar alleen dan mij zijn tegenwoordigheid melden.”
Kâlagani vergenoegde zich met een bevestigend teeken te geven en was weldra onder de menigte verdwenen. Een gebaar van den nabob was voor hem een order. Tien minuten later, had hij Bhopal achter den rug.
Op dit oogenblik naderde Balao Rao zijn broeder.
»Het is tijd om te vertrekken,” zeide hij tot hem.
»Ja,” antwoordde Nana Sahib, »en vóór den morgen moeten we den pâl van Tandît bereikt hebben.”
»Op marsch dan.”
Beiden, door hunne Gounds gevolgd, begaven zich langs den noordelijken oever van het meer naar een afgezonderde landhoeve. Daar werden zij opgewacht door paarden voor hen en hun geleide. Het waren van die snelloopende paarden, die met een zeer gekruid voedsel gevoerd worden, en die vijftig mijlen in een enkelen nacht kunnen afleggen. Ten acht ure galoppeerden zij op den weg van Bhopal naar de Vindhyas.
Dat de nabob vóór den dageraad in den pâl van Tandît terug wilde zijn, was slechts een maatregel van voorzichtigheid. Natuurlijk was het beter, dat zijn terugkeer in de vallei onopgemerkt voorbijging.
De kleine troep ging dus zoo snel als de paarden slechts loopen konden, vooruit.
Nana Sahib en Balao Rao, hoewel dicht bij elkander, reden stilzwijgend voort, maar dezelfde gedachte hield hen bezig. Van dien tocht aan gene zijde der Vindhyas, brachten zij niet alleen de hoop, maar ook de zekerheid mede, dat ontelbare aanhangers hunne zaak omhelsden. De centrale hoogvlakte van Indië was geheel in hunne handen. De militaire kantonnementen, over dit uitgestrekte grondgebied verdeeld, konden aan de eerste aanvallen der opstandelingen geen weerstand bieden. Hunne vernietiging zou de omwenteling vrij spel geven en weldra zou van het eene strand naar het andere een gansche muur dweepzieke Hindoes in opstand komen, waartegen de koninklijke armée zich te bersten zou stooten.
De krankzinnige knielde bij het lijk neder. Blz. 200.
Doch terzelfder tijd was Nana Sahib met de gedachte vervuld aan het gelukkige toeval, dat hem Munro in handen zou leveren. De kolonel had eindelijk Calcutta verlaten, alwaar het moeielijk was hem te bereiken. Voortaan zou geen enkele zijner bewegingen den nabob ontgaan. Geheel onbewust, zou de hand van Kâlagani hem naar de woeste streek der Vindhyas geleiden en eenmaal daar, zou niemand hem aan het vonnis kunnen onttrekken, dat de haat van Nana Sahib hem bereid had.
Balao Rao wist nog niets van hetgeen tusschen den Bengali en zijn broeder gesproken was. Eerst bij de nadering van den pâl van Tandît, terwijl de paarden een oogenblik uitbliezen, vergenoegde Nana Sahib zich het hem in deze termen te zeggen:
»Munro heeft Calcutta verlaten en richt zich naar Bombay.”
»De weg van Bombay,” riep Balao Rao uit, »loopt naar het strand van de Indische Zee!”
»De weg van Bombay, ditmaal,” antwoordde Nana Sahib, »zal ophouden bij de Vindhyas!”
In dit antwoord lag alles opgesloten.
De paarden werden op nieuw in galop gebracht en sloegen den weg in door het bosch, dat zich aan den zoom van de vallei der Nerbudda verhief.
Het was toen vijf uur ’s morgens. De dag was pas aangebroken. Nana Sahib, Balao Rao en hunne metgezellen waren aan den woest stroomenden Nazzur aangekomen, die naar den pâl liep.
De paarden werden hier achtergelaten en aan de hoede toevertrouwd van twee Gounds, belast ze naar het dichtstbijzijnde dorp te geleiden.
De anderen volgden de beide broeders, die de door het water van den bergstroom schuddende treden bestegen.
Alles was stil en de eerste geluiden van den dag hadden de plechtige stilte van den nacht nog niet afgebroken.
Eensklaps barstte een geweerschot los, dat door vele andere gevolgd werd. Terzelfder tijd deden zich deze kreten hooren:
»Hoera! hoera! voorwaarts!”
Een officier, aan het hoofd van een vijftig soldaten van het koninklijk leger, verscheen op den rug van den pâl.
»Vuur! Dat niemand ontsnappe!” riep hij opnieuw.
Nieuwe losbranding, van zeer nabij gericht op de groep Gounds, die Nana Sahib en zijn broeder omringde.
Vijf of zes Hindoes vielen. De anderen wierpen zich terug in de bedding van den Nazzur en verdwenen onder de eerste boomen van het woud.
»Nana Sahib! Nana Sahib!” schreeuwden de Engelschen, de nauwe bergkloof betredende.
Toen richtte een van hen, doodelijk getroffen, zich op met de hand naar hen uitgestrekt.
»Dood aan de veroveraars!” schreeuwde hij met een nog vreeselijke stem en viel toen onbeweeglijk neder.
De officier naderde nu het lijk.
»Is dit werkelijk Nana Sahib?” vroeg hij.
»Hij is het,” antwoordden twee soldaten van het détachement, die te Cawnpore in garnizoen geweest zijnde, den nabob van nabij kenden.
»En de anderen!” riep de officier.
En het geheele détachement ijlde het bosch in ter vervolging der Gounds.
Nauwlijks was het verdwenen, of een schaduw gleed over de steilte waarboven de pâl zich verhief.
Het was de Dwalende Vlam, in een lang bruin kleed gewikkeld, dat met een gordel om haar middel bevestigd was.
Den vorigen avond was deze krankzinnige de onbewuste gids geweest van den Engelschen officier en zijne manschappen. Sedert den vorigen dag in de vallei teruggekomen, was zij werktuiglijk naar den pâl van Tandît gegaan, waarheen een soort van instinct haar terugvoerde. Doch dezen keer liet het zonderlinge schepsel, dat men stom waande, aan hare lippen een naam ontsnappen, slechts een enkelen, dien van den moordenaar van Cawnpore!
»Nana Sahib! Nana Sahib!” herhaalde zij, alsof het beeld van den nabob, door eenig onverklaarbaar voorgevoel, in hare herinnering was opgekomen.
Deze naam deed den officier ontroeren. Hij volgde de schreden der krankzinnige. Zij scheen hem niet te zien, noch de soldaten die haar naar den pâl volgden. Was het daar dus, dat de nabob, op wiens hoofd een prijs gesteld was, de wijk genomen had? De officier nam de noodige maatregelen en liet de bedding van den Nazzur bezetten totdat de dag aanbrak. Toen nu Nana Sahib en zijne Gounds er zich in hadden begeven, ontving hij ze met een losbranding, die er verscheidenen neervelde en onder hen, het hoofd van den opstand der Sipayers.
Dit was de ontmoeting, die de telegraaf denzelfden dag den gouverneur van het presidentschap van Bombay berichtte. Deze telegram verspreidde zich over het geheele schiereiland, de dagbladen namen hem onmiddellijk over en zoo kwam het, dat kolonel Munro er den 26n Mei in het dagblad van Allahabad kennis van kon nemen.
Het was dus ditmaal niet te betwijfelen of Nana Sahib was wel degelijk dood. Zijn identiteit was nu werkelijk vastgesteld en het dagblad kon met volle recht zeggen: »Het koninkrijk Indië heeft voortaan niets meer te vreezen van den wreeden rajah, die het zooveel bloed gekost heeft!”
Intusschen daalde de krankzinnige, na den pâl verlaten te hebben, langs de bedding van den Nazzur naar beneden. In hare oogen blonk de glans van een inwendig vuur, dat plotseling in haar scheen ontbrand te zijn, terwijl zij werktuiglijk in zich zelve den naam van den nabob herhaalde.
Zoo kwam zij op de plaats waar de lijken lagen en hield stil bij dat wat door de soldaten van Lucknow was herkend geworden. Het vertrokken gelaat van den doode scheen nog te dreigen. Het was alsof, na slechts voor de wraak geleefd te hebben, de haat in hem overleefde.
De krankzinnige knielde, betastte met beide handen het met kogels doorboorde lijk, waarvan het bloed de plooien van haar kleed bevlekte. Zij beschouwde het langen tijd, richtte zich daarna op en het hoofd schuddende, daalde zij langzaam langs de bedding van den Nazzur naar beneden.
Maar toen was de Dwalende Vlam weder in hare gewone onverschilligheid vervallen en herhaalde haar mond niet meer den vervloekten naam van Nana Sahib.
Zou de grootsche uitdrukking, »de onmeetbaren in de schepping,” waarvan de mineraloog Haüy zich bediend heeft om de Amerikaansche Andes aan te duiden, niet met meer recht van toepassing zijn op de ontzagverwekkende Himalayaketen, die de mensch nog niet bij machte is met mathematische juistheid te bepalen?
Een dergelijk gevoel bezielt mij op het gezicht van die onvergelijkelijke streek, alwaar kolonel Munro, kapitein Hod, Banks en ik eenige weken zouden doorbrengen.
»Niet alleen,” deelt de ingenieur ons mede, »zijn deze bergen onmeetbaar, maar hunne toppen moeten als ontoegankelijk beschouwd worden, omdat het menschelijk lichaam op zulke hoogten, waar de lucht niet dicht genoeg meer is om aan de behoeften der ademhaling te voldoen, de gewone functies niet meer kan volbrengen!”
De eerste trappen zijn met dichte bosschen bezet. Blz. 202.
Een bolwerk van primitieve rotsen, van graniet, gneis, micaschilfer, tweeduizend vijfhonderd kilometers lang, dat zich van den twee en zeventigsten tot den vijf en negentigsten meridiaan uitstrekt over twee presidentschappen, Agra en Calcutta en over twee koninkrijken, Bouthan en Népaul;—een keten, waarvan de gemiddelde hoogte, een derde hooger dan de top van den Mont-Blanc, in drie onderscheiden luchtstreken kan afgedeeld worden, de eerste, vijfduizend voeten hoog, meer gematigd dan de lager gelegen vlakte, des winters een korenoogst gevende, des zomers een rijstoogst; de tweede van vijf tot negen duizend voet, waar de sneeuw bij den terugkeer der lente smelt; de derde, van negen duizend tot vijf en twintig duizend voet, met dikke ijsmassa’s bezet, die zelfs in het heete seizoen de zonnestralen trotseeren,—dwars door die grootsche verhevenheid, de hoogste der aarde, verleenen elf bergpassen, waarvan eenige den berg op een hoogte van twintig duizend voet doorboren, den toegang van Indië naar Thibet, doch niet dan ten koste van buitengewone moeielijkheden, want die bergpassen worden onophoudelijk bedreigd door sneeuwvallen, door bergstroomen vernield en uitgehold, overweldigd door het ijs;—boven die kruin, nu eens in groote koepels afgerond, dan weder vlak als de Tafelberg van de Kaap de Goede Hoop, zeven à acht spitse bergtoppen, waarvan eenige vulkanisch, de bronnen van de Cogra, de Djoemna en den Ganges beheerschende, de Doukia en de Kinchinjunga, zich tot een hoogte van meer dan zeven duizend meters, de Dhiodounga tot acht duizend, de Dawaghaliri tot acht duizend vijf honderd, de Tchamoulari tot acht duizend zeven honderd, de berg Everest, zich tot negen duizend meters verheffende en van welks top de blik een omtrek zou omvatten gelijk aan dien van geheel Frankrijk;—een opeenhooping van bergen eindelijk, die door de Alpen op de Alpen, de Pyreneeën op de Andes op de schaal van de hoogten der aarde niet zou overtroffen worden; zoodanig is die kolossale verhevenheid, waarvan de voet der stoutmoedigste bergbeklimmers misschien nooit de hoogste toppen zal betreden en die bekend is onder den naam van het Himalayagebergte!
De eerste trappen naar die reusachtige zuilengangen zijn met dichte en uitgestrekte bosschen bedekt. Men vindt er nog verschillende vertegenwoordigers van de rijke familie der palmboomen, die in een hoogere luchtstreek plaats maken voor uitgestrekte wouden van eikenboomen, cipressen en pijnboomen, voor weelderige bosschen van bamboes en grasachtige planten.
Banks, die ons deze bijzonderheden mededeelt, vertelt ons ook, dat, terwijl de onderste sneeuwlijn langs de Hindoesche helling der bergketen tot vier duizend meters daalt, zij zich aan de Thibetsche helling tot zes duizend meters verheft. De reden hiervan is, dat de dampen, door de zuidenwinden aangevoerd, door den énormen slagboom worden opgehouden. Daardoor hebben zich dan ook aan de andere zijde dorpen kunnen vestigen tot een hoogte van vijftien duizend voet, te midden van gerstevelden en prachtige weilanden. Volgens het getuigenis der bergbewoners zouden in één nacht die weilanden met een grastapijt bedekt zijn.
In de middelste, de gematigde luchtstreek wordt het rijk der vogelen vertegenwoordigd door pauwen, patrijzen, fazanten, trapganzen en kwartels. Het wemelt er van geiten en schapen. In de hoogste luchtstreek ontmoet men slechts het wilde zwijn, de gems, de wilde kat, terwijl de arend alleen boven de zeldzame gewassen zweeft, die slechts tot de nederige planten der Noordpoolflora behooren.
Doch dat was het niet wat kapitein Hod aanlokte. Waarom zou die Nimrod in de streken der Himalaya gekomen zijn, als hij niets anders te doen had gehad dan wild voor de keuken te schieten? Zeer gelukkig voor hem was er ook geen gebrek aan groote roofdieren, waardig door zijn Enfield-buks en zijne ontplofbare kogels geveld te worden.
Inderdaad strekt zich aan den voet van de eerste helling der keten een onderste streek uit, die de Hindoes den gordel van Tarryani noemen. Het is een uitgestrekte, afhellende vlakte, zeven à acht kilometers groot, vochtig, warm, met een somberen plantengroei, bedekt met dichte bosschen, waarin de wilde dieren gaarne een schuilplaats zoeken. Dit Eden van den jager, die de sterke gemoedsbewegingen van den kampstrijd lief heeft, was slechts vijftien honderd meters onder ons kamp gelegen. Het was dus gemakkelijk naar dit afgesloten terrein af te dalen, dat zich zelf bewaarde.
Het was dus waarschijnlijk, dat kapitein Hod de onderste hellingen der Himalaya liever zou bezoeken dan de bovenste streken. Daar toch zijn zelfs na den humoristischen reiziger Victor Jacquemont, nog vele belangrijke geografische ontdekkingen te maken.
»Die énorme bergketen is dus nog maar zeer onvolkomen bekend?” vroeg ik aan Banks.
»Zeer onvolkomen,” antwoordde de ingenieur. »Het Himalaya-gebergte is als een soort van kleine planeet, die zich aan onzen aardbol heeft vastgehecht en die hare geheimen bewaart.”
»Maar men heeft het toch doorkruist,” antwoordde ik, »men heeft het toch zooveel mogelijk doorzocht!”
»O! voorzeker heeft het niet aan reizigers in de Himalaya ontbroken!” antwoordde Banks. »De gebroeders Gérard de Webb, de officieren Kirpatrick en Fraser, Hogdson, Herbert, Lloyd, Hooker, Cuningham, Strabing, Skinner, Johnson, Moorcroft, Thomson, Griffith, Vigne, Hügel, de zendelingen Huk en Gabet, en later de gebroeders Schlagintweit, de kolonel Wangh, de luitenant Reuillier en Montgomery, hebben na een belangrijken arbeid op groote schaal de orografische gesteldheid der bergketen doen kennen. Toch, mijne vrienden, blijft er veel over, dat nog nader moet uitgemaakt worden. De juiste hoogte der voornaamste toppen heeft aanleiding gegeven tot ontelbare verbeteringen. Zoo was vroeger de Dwalaghiri de koning der geheele keten, daarna heeft deze, na nieuwe metingen, plaats moeten maken voor den Kintchindjïnga, die op zijn beurt nu onttroond is door den berg Everest. Tot nog toe wint deze laatste het van al zijne mededingers. Evenwel zou volgens het zeggen der Chineezen, de Kouin-Lun,—op welken, weliswaar, de juiste methode der Europeesche meetkundigen nog niet zijn toegepast,—den berg Everest iets overtreffen en zou het dus niet in de Himalaya zijn, dat men het hoogste punt van onzen aardbol zou moeten zoeken. Doch werkelijk kunnen deze metingen niet eerder als mathematisch beschouwd worden dan wanneer men ze ook barometrisch en met al de voorzorgen zal verkregen hebben, die deze rechtstreeksche bepaling medebrengt. En hoe ze te verkrijgen, zonder een barometer te brengen naar het hoogste punt dezer bijna ontoegankelijke bergtoppen? En, tot nog toe is dit niet kunnen verricht worden.”
»Dat zal geschieden,” antwoordde kapitein Hod, »zooals eenmaal de reizen naar de zuid- en de noordpool zullen gedaan worden!”
»Waarschijnlijk!”
»De reis naar de grootste diepten van den Oceaan!”
»Ongetwijfeld!”
»De reis naar het middelpunt der aarde!”
»Bravo, Hod!”
»Zooals alles eenmaal geschieden zal!” voegde ik er bij.
»Zelfs een reis op de planeten van het zonnestelsel!” antwoordde kapitein Hod, die nergens meer voor stond.
»Neen, kapitein,” antwoordde ik. »De mensch, als eenvoudige aardbewoner, zal er de grenzen nooit van kunnen overschrijden! Doch, gebonden aan haar korst, kan hij er al de geheimen van doorgronden!”
»Hij kan en moet zulks!” hernam Banks. »Alles wat binnen de grens der mogelijkheid ligt, moet en zal volbracht worden. Dan, als er niets meer voor den mensch overblijft te weten van den bol, dien hij bewoont.....”
»Zal hij verdwijnen met dien bol, die geene geheimen meer voor hem heeft,” antwoordde kapitein Hod.
»Volstrekt niet!” hernam Banks. »Als meester zal hij er dan genot van hebben en er nog beter partij van trekken. Maar, vriend Hod, daar we ons in de streek der Himalaya bevinden, zal ik je in de gelegenheid stellen onder anderen een zonderlinge ontdekking te doen, waarin je voorzeker belang zult stellen.”
»Wat meen je, Banks?”
»De zendeling Huc spreekt in het verhaal zijner reizen van een wonderlijken boom, dien men in Thibet »den boom met de tienduizend spreuken” noemt. Volgens de Hindoesche legende, zou Tong Kabac, de hervormer van den Boeddhistischen godsdienst, een duizend jaren nadat hetzelfde avontuur aan Philemon, Baucis, Daphné, die vreemde plantenwezens in de mythologische flora, overkomen was, in een boom veranderd zijn. Het haar van Tong Kabac zou het gebladerte van dien heiligen boom geworden zijn en op die bladeren verzekert de zendeling met eigen oogen Thibétaansche letters, duidelijk door hunne ribben gevormd, gezien te hebben.”
De plek is met zorg gekozen. Blz. 207.
»Een boom met bedrukte bladeren!” riep ik uit.
»En waarop men spreuken van de reinste zedekunde leest,” antwoordde de ingenieur.
»Dat is de moeite waard om te onderzoek,” zei ik lachende.
»Onderzoek het dan, mijne vrienden,” antwoordde Banks. »Als er van die boomen in het zuidelijke gedeelte van Thibet bestaan, moeten er ook in de noordelijke streken, aan de zuidelijke helling der Himalaya gevonden worden. Zoek dus, op uw tochten, zoek dien..... hoe zal ik zeggen?.... dien spreukenschrijver....”
»Waarachtig niet!” antwoordde kapitein Hod. »’k Ben hier gekomen om te jagen en niet om bergen te beklimmen!”
»Wel, vriend Hod!” hernam Banks. »Zoo’n stoutmoedige bergbeklimmer als gij, zal toch hier of daar wel eens een opstijging wagen?”
»Nooit,” riep de kapitein uit.
»En waarom niet?”
»’k Heb het beklimmen van bergen opgegeven!”
»En sedert wanneer?.....”
»Sedert den dag toen het mij, na twintigmaal het leven er bij gewaagd te hebben,” antwoordde kapitein Hod, »eindelijk mocht gelukken den top van den Vrigel, in het koninkrijk Bouthan te bereiken. Men had me verzekerd, dat de top van dezen berg nooit door den voet van eenig menschelijk wezen was betreden geworden! Mijn eigenliefde kwam er dus bij in het spel! Nu, eindelijk, na duizend gevaren bereik ik den top en wat zie ik? deze woorden in een rots gegrift: »Durand, tandmeester, 14, straat Caumartin te Parijs!” Sedert dien tijd bestijg ik geen bergen meer!”
Die goede kapitein! We mogen niet onvermeld laten, dat, toen hij ons deze treurige omstandigheid vermeldde, hij zulk een dwaas gezicht trok, dat het onmogelijk was niet hartelijk te lachen!
Meermalen heb ik van de »sanitariums” van het schiereiland gesproken. Deze stations in de bergen worden in den zomer druk bezocht door de renteniers, de ambtenaren en de kooplieden van Indië, die de brandende hitte der vlakte ontvlieden.
Bovenaan staat Simla, gelegen op den een en dertigsten breedtegraad en ten westen van den vijf en zeventigsten meridiaan. Het is een klein hoekje van Zwitserland met zijn bergstroomen, zijn beken, zijn châlets, bekoorlijk gelegen in de schaduw van ceders en pijnboomen, op twee duizend meters boven het vlak der zee.
Na Simla komt Dorjiling met zijn witte huizen, aan den voet van den Kinchinjinga, twee duizend drie honderd meters hoog, op vijf honderd kilometers ten noorden van Calcutta, op den zes en tachtigsten lengtegraad en den zeven en twintigsten breedtegraad,—een verrukkelijke plek in het schoonste land der wereld.
Op verschillende punten van de Himalayaketen bevinden zich nog andere sanitariums.
En nu bij die frissche en gezonde stations, die het brandende klimaat van Indië onmisbaar maakt, moet ons Stoomhuis gevoegd worden. Maar dit hoort ons toe. Het biedt al de geriefelijkheid aan der weelderigste woningen van het schiereiland. Er wacht ons in een gelukkige luchtstreek, met al het genot van het moderne leven, een kalmte, die men te vergeefs te Simla of te Dorjiling zou zoeken, waar de Anglo-Indiërs in menigte voorkomen.
De plek is met zorg gekozen. De weg, die langs het onderste gedeelte van den berg loopt, verdeelt zich op deze hoogte in tweeën ter verbinding met eenige in het oosten en westen verspreide gehuchten. Het dichtstbij gelegen dezer dorpen bevindt zich op vijf mijlen van het Stoomhuis. Het wordt bewoond door een gastvrij ras van bergbewoners, fokkers van geiten en schapen, bebouwers van rijke velden koren en gerst.
Dank zij de medewerking van ons personeel onder de leiding van Banks, heeft het slechts eenige uren gekost om een kamp in orde te brengen, waarin we gedurende zes of zeven weken moeten verblijven.
Het bergvlak, waarop ons kamp gevestigd is, is zacht golvend en heeft een lengte van ongeveer een mijl en een breedte van een halve mijl. Het groene tapijt, dat het bedekt, bestaat uit een kort, dicht, plucheachtig gras, hier en daar met viooltjes bestrooid. Dichte boschjes van boomvormige rhododendrons, zoo groot als kleine eikenboomen, natuurlijke korfjes met camelias, vormen er een honderdtal bekoorlijke boeketten. De natuur heeft geen werklieden van Ispahan of Smyrna noodig gehad om dit prachtig plantaardig tapijt samen te stellen. Eenige duizenden zaadkorreltjes, op dien vruchtbaren bodem door den zuidenwind medegevoerd, een weinig water, een weinig zon, zijn voldoende geweest om dit zachte en onverslijtbaar weefsel te fabriceeren.
Verder prijkt het plateau met een dozijn prachtige boomgroepen. Het is alsof zij zich losgemaakt hebben van het onmetelijke bosch, dat de berghelling bedekt en tot een hoogte van zes honderd meters tegen de naburige bergen opklimt. Ceders, eikenboomen, pendanus met lange bladeren, beuken, ahornboomen vermengen zich met pisangboomen, bamboes, magnolias, St. Jan’s broodboomen en Japansche vijgeboomen. Sommigen dezer reuzen spreiden hunne hoogste takken tot meer dan honderd voet boven den grond uit. Zij schijnen op deze plek gebracht te zijn met het doel een boschwoning te overschaduwen. Het Stoomhuis, op het juiste tijdstip gekomen, heeft het landschap voltooid. De koepelsgewijze daken zijner twee pagoden paren zich gelukkig met al dat verschillende loof, met al die stijve of buigzame takken, die nu eens kleine en teere bladeren als vlindervleugels, dan weder breede en lange als Australische pagaaien dragen. De rijtuigentrein schuilt weg onder een dicht bosch van groen en bloemen. Niets verraadt het beweegbare huis en men zou zeggen, dat het een vaste woning was, volkomen ingericht om niet van haar plaats te gaan.
Achter, rechts van de schilderij, loopt een bergstroom, welks zilveren band men tot een hoogte van verscheidene duizenden voeten langs de helling van de bergsteilte kan volgen en die zich in een natuurlijk bekken stort, dat door een groep heerlijke boomen overschaduwd wordt.
Uit dit bekken vloeit het water als een beek weg, loopt door het grasveld en eindigt in een ruischenden waterval, die in een afgrond valt, welks diepte niet met den blik kan gepeild worden.
Met ziet dat het Stoomhuis, wat de ligging betreft, het nuttige met het aangename vereenigde.
Begeeft men zich naar den voorsten rand der bergvlakte, dan ziet men, dat zij zich boven een aantal minder belangrijke bergruggen uitstrekt, die in reusachtige trappen naar de vlakte afdalen. De helling is zoo zacht, dat men haar in haar geheel met den blik kan omvatten.
Rechts is het eerste huis van het Stoomhuis schuins geplaatst, zoodanig dat het gezicht van den zuidelijken horizont gespaard is, zoowel voor het balkon der veranda als voor de zijramen van het salon, de eetzaal en de kleine vertrekken links. Groote cederboomen breiden hunne takken er boven uit en teekenen zich in zwarte lijnen scherp af tegen den verren achtergrond der groote keten, die door de eeuwige sneeuw bekleed wordt.
Links is het tweede huis aangeleund tegen de zijde van een énorme rots van graniet, door de stralen der zon verguld. Deze rots herinnert zoowel door haar zonderlingen vorm als door haar warme kleur aan de reusachtige »plumpudding” van steen, die Russell-Killough in zijn reis door Zuid-Indië vermeldt. Van die woning, toegewezen aan den sergeant Mac Neil en zijne metgezellen van het personeel, ziet men slechts de zijde. Zij bevindt zich twintig passen van het voornaamste huis af, als een aanhangsel eener belangrijker pagode. Aan het uiteinde van een der daken, die haar bedekken, ziet men een klein blauwachtig rookkolommetje uit het keuken-laboratorium van »monsieur” Parazard ten hemel stijgen. Meer links bevindt zich een groep boomen op de westelijke borstwering, als een voorpost van het bosch, en vormt deze het zijplan van het landschap.
»Fox, geen vergissingen, dezen keer!” Blz. 212.
Op den achtergrond, tusschen de twee woningen, vertoont zich een reusachtige mastodont. Het is onze IJzeren Reus, die onder een prieel van groote pendanus als in een koetshuis geborgen is. Met zijn opgerichte tromp, zou men zeggen, dat hij er de bovenste takken van af eet. Maar hij blijft stationnair en rust uit, ofschoon hij volstrekt geen behoefte aan rast heeft. Thans de onwankelbare bewaker van het Stoomhuis, verdedigt hij als een énorm autediluviaansch dier er den toegang van. In tegenwoordigheid van de reusachtige bergketen, die zich tot een hoogte van zes duizend meters boven het bergvlak verheft, schijnt onze kunstmatige reus, waarmede de hand van Banks de Hindoesche fauna verrijkt heeft, niets buitengewoons meer te hebben, hoe kolossaal onze olifant ook zij, met andere woorden, hij past volkomen in de schilderij van het landschap.
Ja zelfs had kapitein Hod recht, toen hij niet zonder eenigen spijt de aanmerking maakte: »Een vlieg op den gevel van een hoofdkerk!”
En hij heeft volkomen gelijk. Achter ons toch bevindt zich een blok van graniet, waarin men gemakkelijk duizend olifanten, zoo groot als de onze, zou kunnen uithouwen en dit blok is slechts een van de honderd treden van den trap, die naar den top van de bergketen leidt en waarboven de Dwalaghiri zich met zijn scherpe spits verheft.
Somwijlen daalt de hemel van dit tooneel voor het oog van den waarnemer. Niet alleen verdwijnen de hooge toppen, maar ook de lager gelegen bergrug van de keten verdwijnt een oogenblik onder de dikke dampen, die zich van de middelste streek der Himalaya verheffen en het geheele bovenste gedeelte in nevelen hullen. Het landschap verkleint zich en dan is het alsof door een lichteffect de woningen, de boomen, de naburige bergruggen en de IJzeren Reus zelf hunne werkelijke grootte hernemen.
Ook gebeurt het dat de nog lager hangende wolken door zekere vochtige winden voortgedreven, zich onder het bergvlak ontrollen. Het oog ziet dan slechts een golvende zee van wolken aan welker oppervlakte de zon verwonderlijke lichtspelingen toovert. Dan is, zoowel in de hoogte als in de laagte, de horizont verdwenen en schijnt het alsof wij naar de een of andere streek van het luchtruim zijn overgebracht, buiten de grenzen der aarde.
Doch de wind loopt naar het noorden en, zich met geweld een weg tusschen de openingen der keten banende, jaagt hij al die nevelen uiteen, de zee van dampen verdicht zich bijna oogenblikkelijk, de vlakte komt aan den zuidelijken horizont weder te voorschijn, de grootsche gevaarten van het Himalayagebergte teekenen zich opnieuw scherp af tegen den thans helderen hemel, de schilderij doet zich wederom in al haar oorspronkelijke grootschheid voor en de blik, die nu door niets meer beperkt wordt, kan langs een horizont van zestig mijlen al de bijzonderheden onderscheiden van een onvergelijkelijk schoon panorama.
Den volgenden dag, den 26n Juni, werd ik bij het aanbreken van den dageraad door het geluid van bekende stemmen gewekt. Ik stond dadelijk op. Kapitein Hod en zijn oppasser Fox hadden een druk gesprek in de eetzaal van het Stoomhuis. Ik voegde mij dadelijk bij hen.
Op hetzelfde oogenblik verliet Banks zijn kamer en werd dadelijk door den kapitein met zijn luidklinkende stem toegesproken:
»Wel, vriend Banks,” zeide hij tot hem, »eindelijk zijn we dan toch in een goede haven aangekomen! Ditmaal is het voor goed. ’t Is nu geen halt meer van eenige uren, maar een verblijf van eenige maanden.”
»Ja, waarde Hod,” antwoordde de ingenieur, »en nu kunt ge uw jachten op uw gemak organiseeren. De fluit van den IJzeren Reus zal u niet meer in het kamp terugroepen.”
»Hoor je, Fox?”
»Ja, kapitein,” antwoordde de oppasser.
»De hemel sta me bij!” riep Hod uit, »maar ’k verzeker je, dat ik ons sanitarium niet verlaat voordat ik mijn vijftigsten geschoten heb! Mijn vijftigsten, Fox! ’k Heb zoo’n idée, dat die al bijzonder moeilijk te snappen zal zijn!”
»Toch zal men hem snappen,” antwoordde Fox.
»Hoe kom je aan dat idée, kapitein Hod?” vroeg ik.
»Wat zal ’k je zeggen, Maucler, ’t is een voorgevoel, niets anders!”
»Dus,” zei Banks, »ga je vandaag den veldtocht al openen?”
»Vandaag al,” antwoordde kapitein Hod. »We zullen beginnen met het terrein te verkennen, en de onderste streek gaan doorzoeken tot de bosschen van Tarryani. Als de tijgers die streek maar niet verlaten hebben!”
»Waarom zou je dat denken?...”
»En, mijn slechte veine?”
»Slechte veine!... in de Himalaya!...” antwoordde de ingenieur. »Is dat mogelijk!”
»Nu, we zullen zien!—Je gaat toch mede, Maucler?” vroeg kapitein Hod, zich tot mij wendende.
»Ja zeker.”
»En gij, Banks?”
»Ik ook,” antwoordde de ingenieur, »en ’k denk dat Munro zich bij u zal voegen, zooals ik het doen zal... als liefhebber!”
»Nu, mij wel!” antwoordde kapitein Hod, »als liefhebbers, maar dan toch als goed gewapende liefhebbers! Men kan daar moeilijk gaan wandelen met een rotting in de hand! Dat zou vernederend zijn voor de wilde dieren van Tarryani!”
»Dat is dus afgesproken!” antwoordde de ingenieur.
»En nu, Fox,” hernam de kapitein, zich tot zijn oppasser richtende, »geen vergissingen, dezen keer! We zijn in het land der tijgers! Vier Enfield-karabijnen voor den kolonel, Banks, Maucler en mij, twee geweren met ontplofbare kogels voor jou en Goûmi.”
»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Fox. »’t Wild zal zich niet te beklagen hebben!”
Deze dag zou dus gewijd zijn aan de verkenning van het bosch van Tarryani, dat het onderste gedeelte van de Himalayaketen onder ons sanitarium, bedekt. Tegen elf uren dus, na het ontbijt, daalden we, Sir Edward Munro, Banks, Hod, Fox, Goûmi en ik, allen goed gewapend, den weg af, die schuins naar de vlakte loopt, na gezorgd te hebben de twee honden in het kamp achter te laten, die we op dezen tocht niet noodig hadden.
Sergeant Mac Neil was met Storr, Kâlouth en den kok in het Stoomhuis gebleven om de laatste hand aan onze installatie te leggen. Na een reis van twee maanden, was het noodig dat de IJzeren Reus in- en uitwendig onderzocht, schoon gemaakt en opgeknapt werd. Dat was een lange, nauwkeurige, moeielijke arbeid, die zijn gewonen cornacs, den stoker en den machinist niet veel rust zou geven.
Ten elf ure hadden wij het sanitarium verlaten en eenige minuten daarna, bij de eerste kromming van den weg, hadden we het Stoomhuis achter het dichte geboomte uit het oog verloren.
Het regende niet meer. Een frissche wind uit het noordoosten joeg het zwerk in de hooge streken van den dampkring met drift voort. De hemel was grijs,—de temperatuur zeer geschikt voor voetgangers; maar nu ook miste men de schilderachtige afwisseling van licht en schaduw, die zulk een eigenaardige bekoorlijkheid aan de groote bosschen verleent.
Een recht eind wegs van twee duizend meters af te dalen, zou het werk van vijf en twintig à dertig minuten geweest zijn, maar nu die weg zich verlengde door al de bochten, waardoor de steile hellingen vermeden werden, was er meer tijd toe noodig. We hadden niet minder dan anderhalf uur noodig om den bovensten zoom van de bosschen van Tarryani op vijf of zes honderd voet boven de vlakte te bereiken. Natuurlijk werd de weg in vroolijke stemming afgelegd.
»Opgepast!” zei kapitein Hod. »We komen nu op het domein der tijgers, leeuwen, panters, luipaarden en andere lieve diertjes van de streek der Himalaya-bergen. ’t Is goed om de wilde dieren te dooden, maar ’t is beter niet door hen gedood te worden! Laten we ons dus niet van elkander verwijderen en voorzichtig zijn!”
Niets vertoonde zich nog. Blz. 218.
Zulk een aanbeveling in den mond van den koenen jager was geld waard. Ook stelden we haar allen op prijs. De karabijnen en de geweren waren geladen, de hanen gespannen. Wij bereidden ons op alles voor.
Doch het waren niet alleen de verscheurende dieren, waartegen wij op onze hoede moesten zijn, maar ook de slangen, waarvan de gevaarlijkste in de wouden van Indië worden aangetroffen. De »belongas,” de groene slangen, de zweepslangen en nog zooveel andere soorten zijn zeer vergiftig. Het aantal slachtoffers, die jaarlijks ten gevolge van de beten dezer kruipende dieren omkomen, is vijf- of zesmaal grooter dan dat der huisdieren of der menschen, die ten prooi der wilde beesten bezwijken.
Het is dan ook in deze streken meer dan ooit zaak op alles te letten, goed toe te zien waar men den voet zet, waar men de hand steunt, het oor te leenen aan de minste geruchten, die uit het gras of van tusschen de struiken voortkomen.
Het was half een uur toen wij onder de groote boomen aan den zoom van het bosch aankwamen. Hunne hooge takken breidden zich boven eenige breede lanen uit, waardoor de IJzeren Reus, gevolgd door den trein, dien hij zooals gewoonlijk voorttrok, gemakkelijk had kunnen passeeren. Werkelijk was dan ook dit gedeelte van den weg sedert lang in gebruik voor het vervoer van het door de bergbewoners in den handel gebrachte hout, hetgeen te zien was aan de versche sporen in de weeke klei. Deze groote lanen liepen in de richting der keten en, in de lengte loopende van het Tarryani-woud, verbonden zij de door den bijl van den houthakker hier en daar opengehouden plekken; maar aan elke zijde namen zij smalle voetpaden op, die zich onder ondoordringbaar kreupelhout verloren.
Wij volgden dus deze lanen, meer als landmeters dan als jagers, teneinde hare algemeene richting te verkennen. Geen gehuil verstoorde de stilte in het diepst van het woud. Groote, versche in den bodem achtergelaten indrukselen evenwel, waren het bewijs dat de roofdieren het woud van Tarryani niet verlaten hadden.
Eensklaps, op het oogenblik dat wij een van de bochten der laan doorliepen, die op deze plaats door den voet van een berg van de rechte lijn was afgeweken, deed een uitroep van kapitein Hod, die vooruitliep, ons stilstaan.
Op twintig schreden van ons af, aan den hoek van een open plek in het bosch, omzoomd door groote pendanus, verhief zich een gebouwtje van vrij zonderlingen vorm. Het was geen huis, want het had noch schoorsteen, noch vensters. Het was ook geen jagershut, want het had noch schietgaten, noch openingen voor deuren en vensters. Men zou het eerder voor een Hindoesche grafplaats hebben kunnen houden, verloren in het diepst van dit woud.
Men stelle zich namelijk een soort van lang vierkant voor, samengesteld uit boomstammen, vertikaal tegen elkander geplaatst, die stevig in den grond geheid en aan hun bovenste gedeelte door een dikken band van takken verbonden waren. Als dak andere dwarsstammen, stevig aan de opgaande stammen bevestigd.
Blijkbaar had de bouwer zijn best gedaan het gebouwtje tegen alle uitwendige invloeden bestand te maken. Het was ongeveer zes voet hoog, twaalf lang en vijf breed, Het had schijnbaar geen opening, behalve aan den voorgevel, alwaar zij door een zwaren balk, waarvan het afgeronde hoofd iets boven het dak uitstak, verborgen was.
Boven het dak uit waren lange, buigzame staken opgericht, op een zonderlinge wijze met elkander verbonden. Aan het uiteinde van een horizontale spaak, die deze stelling torschte, hing een lus, of liever een ring, gevormd door een dikke vlecht lianen.
»Wat is dat?” riep ik uit.
»Dat is eenvoudig,” antwoordde Banks, na alles goed opgenomen te hebben, »een muizenval, maar ’k geef je te raden, mijne vrienden, welke muizen zij bestemd is te vangen!”
»Een tijgerval?” riep kapitein Hod uit.
»Ja,” antwoordde Banks, »een tijgerval, waarvan de deur, gesloten door den balk, die door dezen strik van lianen gedragen werd is nedergevallen, omdat de wipplank van binnen door een dier is aangeraakt.”
»Voor het eerst,” antwoordde Hod, »zie ik in een bosch van Indië een val van deze soort. Een muizenval, je hebt gelijk! Maar dat is een jager onwaardig!”
»Een tijger ook,” voegde Fox er bij.
»Zeer zeker,” antwoordde Banks, »maar zoo het er op aankomt deze woeste dieren te vernietigen en niet ze voor pleizier te jagen, dan is de beste val die, welke de meeste vangt. Nu komt deze mij werkelijk schrander gesteld voor om wilde beesten te lokken en gevangen te houden, hoe wantrouwig en sterk ze ook zijn!”
»En daar,” zei toen kolonel Munro, »het evenwicht der wipplank, die de deur van den val ophield, verbroken is, is het waarschijnlijk dat werkelijk een dier zich heeft laten vangen.”
»We zullen het gauw weten!” riep kapitein Hod uit, »en als de muis niet dood is!...”
Dit zeggende gaf de kapitein het voorbeeld en hield zich gereed zijn karabijn aan te leggen, hetgeen door allen gevolgd werd.
Natuurlijk twijfelden wij geen oogenblik of dit gebouwtje was werkelijk een val van die soort, welke dikwijls in de bosschen van Java wordt aangetroffen. Doch, al was het niet het werk van een Hindoe, dan beantwoordde het toch ten volle aan al de voorwaarden die deze vernielingswerktuigen zoo praktisch maken, buitengewone gevoeligheid, gepaard aan beproefde stevigheid.
Nadat onze beschikkingen genomen waren, naderden kapitein Hod, Fox en Goûmi den val, dien zij eerst van alle kanten wilden opnemen. Ongelukkig was er geen opening tusschen de vertikale stammen, die hun veroorloofde een blik in het inwendige te slaan.
Zij luisterden met de grootste aandacht. Geen enkel geluid verried de tegenwoordigheid van een levend wezen binnen het houten vierkant, zoo stom als het graf.
Kapitein Hod en zijne metgezellen kwamen aan de voorzijde terug. Zij overtuigden zich, dat de beweegbare balk in twee groote vertikaal gestelde groeven gegleden was. Men behoefde hem dus slechts op te lichten om tot het inwendige van den val door te dringen.
»Niet het minste geluid!” zei kapitein Hod, die zijn oor tegen de deur had aangelegd, »geen zuchtje zelfs! De muizenval is ledig!”
»Het doet er niet toe, weest voorzichtig!” antwoordde kolonel Munro.
En hij zette zich op een boomstam, links van de open plek. Ik plaatste mij naast hem.
»Kom Goûmi!” zei kapitein Hod.
Goûmi, vlug, hoewel klein van persoon, toch slank, snel in zijn bewegingen als een aap, lenig als een luipaard, een echte Hindoesche clown, begreep wat de kapitein wilde. Door al deze hoedanigheden was hij de aangewezen persoon voor den dienst, welken men van hem verwachtte. Met één sprong was hij op het dak van den val en in een oogenblik had hij een der staken bereikt die de bovenste stelling vormden. Daarna liet hij zich langs de spaak, die tot hefboom diende, tot den ring van lianen afglijden en door zijn gewicht boog hij haar tot het boveneinde van den balk, die de opening sloot.
Deze ring werd vervolgens in een keep boven aan den balk geschoven en nu had men niets anders te doen dan even te wippen, door het andere uiteinde van de spaak of hefboom naar beneden te drukken.
Maar toen moesten al de vereenigde krachten van onzen kleinen troep te hulp geroepen worden. Kolonel Munro, Banks, Fox en ik, we begaven ons dus achter den val om deze beweging voort te brengen.
Goûmi was in de stelling gebleven, om den hefboom los te maken, ingeval hij door eenigen hinderpaal belet werd vrij te werken.
»Mijne vrienden,” riep kapitein Hod ons toe, »als het noodig is dat ik me bij je voeg, kom ik, maar als je ’t zonder me kunt doen, blijf ik liever bij de opening staan. Als er dan althans een tijger uit tevoorschijn komt, begroet ik hem in het voorbijgaan met een kogel!”
»En telt die dan voor den twee en veertigsten?” vroeg ik den kapitein.
»Waarom niet?” antwoordde Hod. »Als hij onder mijn schot valt, zal hij altijd in volle vrijheid gevallen zijn!”
»Laten we het vel van den beer niet verkoopen.....” hernam de ingenieur, »voordat hij geschoten is!”
»Tot den natuurkundige Matthias van Guitt.” Blz. 219.
»Vooral als die beer wel eens een tijger kon zijn!.....” voegde kolonel Munro er bij.
»Tegelijk, mijne vrienden,” riep Banks, »tegelijk!”
De balk was zwaar en gleed slecht in zijn sponningen. Toch gelukte het ons hem in beweging te brengen, hij schommelde een oogenblik en bleef een voet van den grond af hangen.
Kapitein Hod trachtte in half gebogen houding, met aangelegde karabijn, te zien of er geen énorme poot of open muil in de opening van den val te voorschijn kwam, doch niets vertoonde zich nog.
»Nog één poging, mijne vrienden!” riep Banks.
En dank zij Goûmi, die het achtereinde van den hefboom eenige schokken kwam geven, werd de balk langzamerhand in de hoogte geheschen. Weldra was de opening wijd genoeg om zelfs een groot dier door te laten.
Doch er vertoonde zich geen dier, welk ook.
Evenwel was het mogelijk, dat, tengevolge van al het leven in den omtrek van den val, de gevangene in het achterste gedeelte van zijn gevangenis de wijk had gekomen. Misschien zelfs wachtte hij slechts op het geschikte oogenblik om zijn sprong te nemen, iedereen omver te werpen, die zich tegen zijn vlucht zou verzetten en in het dichtst van het woud te verdwijnen.
Het was waarlijk een kritiek oogenblik.
Kapitein Hod deed nu eenige schreden voorwaarts met den vinger aan den trekker van zijn karabijn en spande zich in om met den blik tot in het achterste gedeelte van den val door te dringen.
Eindelijk was de balk geheel opgelicht en stroomde het licht door de opening naar binnen.
Op dit oogenblik meende men door de wanden van den val heen een lichte beweging te vernemen, daarna een dof geronk of liever een geducht gegeeuw, dat ik zeer verdacht vond.
Hoogst waarschijnlijk was daar een dier, dat sliep en dat we plotseling hadden wakker gemaakt.
Kapitein Hod kwam nog wat naderbij en richtte zijn karabijn op iets, dat hij in de halve duisternis zag bewegen.
Eensklaps bewoog zich iets van binnen en weerklonk een kreet van schrik, die dadelijk gevolgd werd door deze woorden, in goed Engelsch uitgesproken:
»Schiet niet, in God’s naam! Schiet niet!”
Daar sprong een man buiten den val.
We waren zoo verbaasd, dat wij den balk loslieten en hij met een dof geluid voor de opening neerviel, die hij wederom sloot.
Intusschen liep deze zoo geheel onverwachte persoon op kapitein Hod toe, wiens karabijn hem steeds bleef bedreigen, en zeide op een vrij verwaanden toon, gepaard met een sprekend gebaar:
»Wees zoo goed, mijnheer, en wend uw wapen af. Ge hebt met geen tijger van Tarryani te doen!”
Kapitein Hod bracht na eenige aarzeling zijn karabijn in een minder gevaarlijke positie.
»Tot wien hebben we de eer te spreken?” vroeg Banks.
»Tot den natuurkundige Matthias van Guitt, gewoon leverancier van dikhuidige dieren, luiaards, zoolgangers, snuitdragers, verscheurende en andere zoogdieren voor het huis Charles Rice van Londen en het huis Hagenbeck van Hamburg!”
Vervolgens een zwierig gebaar in de rondte makende:
»En de heeren?....”
»Kolonel Munro en zijne reisgenooten,” antwoordde Banks, ons met de hand aanduidende.
»Op een wandeling in de wouden van het Himalayagebergte!” hernam de leverancier. »Werkelijk een bekoorlijk tochtje! Uw onderdanige dienaar, mijne heeren, uw onderdanige dienaar!”
Wie was de origineel met wien we te doen hadden? Zijne hersenen waren toch niet gekrenkt tengevolge zijner gevangenschap in den tijgerval? Was hij krankzinnig of bij zijn verstand? Tot welke categorie van tweehandige schepselen behoorde toch dat wezen?
We zouden het spoedig weten en in het vervolg leerden wij dat zonderlinge personage, dat zich natuurkundige noemde en het inderdaad geweest was, beter kennen.
De heer Matthias van Guitt, leverancier van menagerieën, droeg een bril en was vijftig jaar oud. Zijn glad gelaat, zijn knippende oogen, zijn neus in den wind, de aanhoudende beweeglijkheid van zijn geheelen persoon, zijn levendige gebaren bij elken volzin, die aan zijn wijden mond ontrolde, dat alles deed hem kennen als het overbekende type van den reizenden komediant. Wie heeft niet hier of daar een van die acteurs ontmoet, wier geheele leven verloopt tusschen het voetlicht en den achtergrond van een tooneel? Als onvermoeide praters, vervelende gebarenmakers, bluffers met zich zelve ingenomen, dragen ze het hoofd hoog, dat te ledig is in den ouderdom om op jeugdigen leeftijd ooit goed gevuld geweest te zijn. Werkelijk had Matthias van Guitt veel van den ouden komediespeler.
Misschien heeft men de aardige anecdote wel eens hooren vertellen, betreffende dien armen drommel van een zanger, die elk woord van zijn rol door een bijzonder gebaar meende te moeten doen vergezeld gaan.
Hief hij bijvoorbeeld in de opera Masaniello uit volle borst aan:
Als van een Napelschen visscher....
dan zwaaide hij zijn rechter arm, naar de zaal uitgestrekt, koortsachtig alsof hij een snoek aan zijn hengel had, die den haak had ingeslikt. Daarna voortgaande:
De hemel een monarch wilde maken,
terwijl hij een zijner handen naar boven uitstak om den hemel aan te wijzen, vertoonde de andere, een kring om zijn fier opgericht hoofd beschrijvende, een koningskroon.
Zich verzettende tegen de beslissing van het noodlot,
zijn geheele lichaam bood hevig weerstand tegen een kracht, die poogde hem achterover te doen vallen.
Zou hij, zijn bootje besturende, zeggen....
en nu bewogen zich zijn beide armen snel van links naar rechts en van rechts naar links, alsof hij den wrikriem behandelde en toonde hij daarmede zijne handigheid in het besturen van een bootje.
Welnu, dergelijke gebaren, die vermelden zanger tot een tweede natuur geworden waren, waren nagenoeg die van den leverancier Matthias van Guitt. Hij maakte in zijn spreken slechts van uitgezochte termen gebruik en moest voor hem, die met hem sprak en zich niet buiten het bereik zijner gebaren kon stellen, al zeer hinderlijk zijn.
Zooals wij later van hem zelven vernamen was Matthias van Guitt oud-hoogleeraar in de natuurkunde, die evenwel niet veel succes van zijn professoraat gehad had. Het is zeker, dat de waardige man veel stof tot lachen moest geven en dat, zoo hij al veel toehoorders kreeg, dit meer was om zich te vermaken, dan om te leeren. Het kwam eindelijk zoo ver, dat het hem begon te vervelen zonder succes de theoretische zoölogie te onderwijzen en hij liever naar de Indiën ging om de practische zoölogie te bestudeeren. Deze soort van handel beviel hem beter en hij werd aangesteld als leverancier der belangrijke huizen van Hamburg en Londen, die meerendeels de publieke en bijzondere diergaarden der twee werelden voorzien.
En de reden waarom Matthias van Guitt zich thans in Tarryani ophield, was dat een belangrijke bestelling van wilde dieren voor Europa hem daar gebracht had. Inderdaad was zijn kamp niet meer dan twee mijlen van den val verwijderd, waaruit wij hem pas verlost hadden.
Maar hoe kwam toch de leverancier in den val? Dit was de eerste vraag, die Banks hem deed en ziehier wat hij antwoordde in een taal door een menigte gebaren opgeluisterd:
»Het was gisteren. De zon had reeds de helft van haar dagelijkschen weg afgelegd, toen de gedachte bij mij opkwam een der tijgervallen te gaan bezoeken, door mijne handen gesteld. Ik verliet dus mijn kraal, dien ge wel met een bezoek zult willen vereeren, mijne heeren, en ik kwam op deze open plek in het bosch. ’k Was alleen, mijn personeel hield zich met allernoodzakelijkste bezigheden onledig en ik had er hen niet in willen stooren. Dat was onvoorzichtig. Toen ik mij voor den val bevond, zag ik dadelijk dat de schuifdeur, door den beweeglijken balk gevormd, was opgehaald, waaruit ik niet zonder een logische opeenvolging van feiten besloot, dat zich tot nog toe geen wild dier in den val had laten vangen. Evenwel wilde ik mij overtuigen of het lokaas nog altijd aanwezig was en de wipplank goed werkte. Met een handige kruipende beweging, sloop ik dus door de nauwe opening.”
En met een sierlijk gebaar bootste Matthias van Guitt de beweging na van een slang, die door het hooge gras kruipt.
»Achter in den val gekomen,” hernam de leverancier, »verzekerde ik mij dat het stuk geitenvleesch, waarvan de reuk de gasten van dit gedeelte van het bosch moest aantrekken, onaangeroerd was. Toen ik wilde heengaan, stootte ik onwillekeurig met mijn arm tegen de wipplank, de stelling boven ontspande zich, de schuifdeur viel neder en ’k was in mijn eigen val gevangen, zonder eenig middel er uit te komen.”
Hier hield Matthias van Guitt even op om al het ernstige van zijn toestand te doen begrijpen.
»Evenwel, mijne heeren,” hernam hij, »wil ik u niet verzwijgen, dat ik de zaak eerst geheel van haar komieke zijde beschouwde. ’k Was gevangen, goed! Geen cipier om de deur mijner gevangenis te openen, volkomen waar! Maar ik verkeerde in het gelukkige denkbeeld, dat mijne onderhoorigen, zoodra ze mij niet zagen terugkeeren, zich over mijn langdurige afwezigheid ongerust zouden maken en nasporingen zouden gaan doen, die vroeger of later met een goeden uitslag zouden bekroond worden. ’t Was slechts een quaestie van tijd. ’k Gaf mij dus, om den tijd door te brengen, aan mijne overpeinzingen over en uren verliepen, zonder dat iets verandering in mijn toestand kwam brengen. Toen de avond gevallen was, begon de honger zich te doen gevoelen en ’t beste wat ik meende te kunnen doen, was in den slaap verlichting van mijn leed te zoeken. ’k Nam dus vrij philosophisch mijn partij en ’k viel in een diepen slaap. De nacht was kalm te midden van de diepe stilte des wouds. Niets verstoorde mijn slaap en misschien zou ik op dit oogenblik nog slapen, zoo een vreemd geluid me niet gewekt had. De schuifdeur van den val werd opgehaald, het licht drong in stroomen mijn duister verblijf binnen en ’k had niet anders te doen dan naar buiten te snellen!..... Wat was ik verschrikt toen ik het doodelijk werktuig op mijn borst gericht zag! Een oogenblik en ’k was getroffen! Het uur van mijn verlossing zou het laatste mijns levens geweest zijn!..... Maar mijnheer de kapitein wilde wel een schepsel van zijn soort in mij zien..... en er blijft mij nog slechts over u te danken, mijne heeren, mij de vrijheid te hebben weergegeven.”
Dit was het verhaal van den leverancier. Ik moet bekennen, dat we niet zonder moeite een glimlach konden weerhouden, dien zijn toon en zijn gebaren ons ontlokten.
»Dus, mijnheer,” vroeg Banks hem, »is uw kamp in dit gedeelte van Tarryani gevestigd?”
»Ja, mijnheer,” antwoordde Matthias van Guitt. »Zooals ik het genoegen had u medetedeelen, is mijn kraal niet meer dan twee mijlen van hier verwijderd, en mocht u hem met uwe tegenwoordigheid willen vereeren, zal ik zeer gelukkig zijn er u te ontvangen.”
»Ongetwijfeld, mijnheer van Guitt,” antwoordde kolonel Munro, »zullen we u een bezoek komen brengen!”
»We zijn jagers,” voegde kapitein Hod er bij, »en de inrichting van een kraal boezemt ons veel belang in.”
»Jagers!” riep Matthias van Guitt uit, »jagers!”
En er kwam een uitdrukking op zijn gelaat, waaruit te lezen was, dat hij de zonen van Nimrod nu juist niet veel telde.
»U jaagt op wilde dieren.... om ze te dooden zeker?” hernam hij, zich tot den kapitein wendende.
»Alleen om ze te dooden,” antwoordde Hod.
»En ik, alleen om ze te vangen!” zei de leverancier, met een zeker gevoel van fierheid.
»Welnu, mijnheer van Guitt, we zullen, hoop ik, geen concurrenten zijn!” antwoordde kapitein Hod.
De leverancier schudde het hoofd. Intusschen belette onze hoedanigheid van jager niet zijne uitnoodiging aan te nemen.
»U hebt me slechts te volgen, mijne heeren!” zeide hij bevallig buigende.
Doch op dit oogenblik deden zich verscheidene stemmen in het bosch hooren en verscheen een half dozijn Hindoes om den hoek der groote laan, die aan geene zijde der open plek begon.
»O! daar zijn mijn onderhoorigen,” zei Matthias van Guitt.
Daarna kwam hij naar ons toe met den vinger op den mond en zeide, de lippen een weinig vooruitstekende:
»Geen woord over ons avontuur! Het personeel van den kraal moet niet weten, dat ik me als een gewoon dier in mijn eigen val heb laten vangen! Dat zou het gevoel van onderdanigheid, dat ze jegens mij koesteren kunnen verzwakken!”
Een teeken van instemming onzerzijds stelde den leverancier gerust.
»Meester,” zei toen een der Hindoes, wiens strak maar schrander gelaat mijn aandacht trok, »meester, we zoeken u sedert langer dan een uur zonder u......”
»’k Heb kennis gemaakt met deze heeren, die me wel tot onzen kraal willen vergezellen,” antwoordde van Guitt. »Maar voordat we op weg gaan, dient deze val in orde gebracht te worden.”
Op bevel van den leverancier, gingen de Hindoes over tot het op nieuw stellen van den val.
Het vergiftige dier wierp zich op den kolonel. Blz. 224.
Inmiddels noodigde Matthias van Guitt ons uit het inwendige van den val te onderzoeken. Kapitein Hod sloop er na hem in en ik volgde hem.
De plaats was wel wat bekrompen voor de gebaren van onzen gastheer, die zich weerde alsof hij in een salon geweest was.
»’k Maak u mijn kompliment,” zei kapitein Hod, na den toestel bekeken te hebben. »’t Is waarlijk vernuftig bedacht.”
»’k Kan u verzekeren, mijnheer de kapitein,” antwoordde Matthias van Guitt, »dat deze soort van vallen verre de voorkeur verdient boven de oude kuilen, voorzien van palen van gehard hout en de buigzame als bogen gespannen boomen, van een strik voorzien. In het eerste geval wordt de buik opengereten, in het tweede wordt het dier geworgd. Nu komt er dat weinig op aan als het alleen te doen is om de wilde dieren te dooden! Maar ik moet ze levend, volkomen gaaf, zonder gebreken hebben!”
»’t Is duidelijk,” antwoordde kapitein Hod, »dat we niet op dezelfde wijze te werk gaan.”
»De mijne is zeker wel de beste!” hernam de leverancier. »Als men de wilde dieren raadpleegde.....”
»Maar ik raadpleeg ze niet!” antwoordde de kapitein.
Het bleek, dat kapitein Hod en Matthias van Guitt wel eenige moeite zouden hebben elkander te verstaan.
»Maar,” vroeg ik den leverancier, »hoe doet u om deze dieren uit den val te halen?”
»Er wordt een kooi op rollen voor de opening geplaatst, antwoordde Matthias van Guitt, »de gevangenen gaan er uit zich zelve in over en ’k heb niets anders te doen dan ze naar den kraal over te brengen, met den bedaarden en langzamen stap van mijn tamme buffels.”
Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of er deed zich buiten een geschreeuw hooren.
Onze eerste beweging, van kapitein Hod en mij, was ons buiten den val te storten.
Wat was er gebeurd?
Een zweepslang van de boosaardigste soort was door een stokje dat een Hindoe in de hand hield, door midden geslagen en wel op hetzelfde oogenblik dat het vergiftige dier zich op den kolonel wierp.
Het was dezelfde Hindoe, dien ik reeds had opgemerkt. Zijn snelle tusschenkomst had ongetwijfeld Sir Edward Munro van een onmiddellijken dood gered, waarvan we ons allen konden overtuigen.
Werkelijk kwam het geschreeuw, dat we gehoord hadden, van een der bedienden van den kraal, die zich in de laatste stuiptrekkingen van den doodstrijd op den grond lag te wringen.
Een betreurenswaardig noodlot wilde, dat de kop der slang, glad afgesneden, op zijn borst was terecht gekomen, alwaar hij zich met de tanden had vastgehecht, zoodat de ongelukkige, doordrongen van het scherpe vergif, in minder dan een minuut den laatsten adem uitblies, zonder dat het mogelijk was hem hulp te verleenen.
In het eerste oogenblik, ontzet door dit vreeselijk tooneel, snelden we op den kolonel toe.
»Ben je niet gebeten?” vroeg Banks, die hem haastig bij de hand vatte.
»Neen, Banks, stel je gerust,” antwoordde Sir Edward Munro.
Vervolgens, zich oprichtende en op den Hindoe toetredende, wien hij het leven verschuldigd was, zeide hij tot hem:
»Dank, mijn vriend.”
De Hindoe gaf hem met een gebaar te kennen, dat hem daarvoor volstrekt geen dank verschuldigd was.
»Hoe is je naam?” vroeg kolonel Munro hem.
»Kâlagani,” antwoordde de Hindoe.