„De Heer heeft groote dingen8)
Aan Nederland gedaan,
Dies zijn we blijde en zingen!
't Is feest! Hef hymnen aan!
O volk, hersteld in eere!
Wie wendde uw treurig lot?
't Is God!—Der vaadren God!
Almachtige! U zij de eere!”

Prachtig waren niet alleen de koren, maar ook de solo's, door de dames van Heun, Borst-Hoppenbrouwers en van Deventer, de heeren Nievelt en Deckers. Dit eerste gedeelte eindigde met een koraal, waarvan het laatste couplet dus luidde:

„Neerlands bloeien doet herdenken,
Hoe de dag des heils verscheen,
En hun blijvende eere schenken,
Die het volk zijn voorgeschreên.
Maar de mannen die wij eeren,
Waren tot niets groots bekwaam,
Buiten U!—o Heer der Heeren!
Alles in ons looft Uw naam!”

Nu trad professor J. J. van Oosterzee op het voor hem bestemde gestoelte. We zullen u uit die redevoering niets mededeelen. De keus is te moeilijk; we zouden het stuk genoegzaam geheel moeten overschrijven. Alleen het einde van het eerste gedeelte:

„In tallooze harten, o, Vorst,” zei de redenaar, „rees in stilte een monument voor U op: wie verdient meer dan gij de hand te slaan ook aan dit zichtbaar gedenkteeken? De natie alleen wil het bouwen, de rijke heeft van zijn schat, de weduwe haar penningske ten offer gebracht, maar de eerste steen mag door geen andere dan door Oranjes handen worden gelegd!”

Een donderend hoezee! toonde, hoezeer 't volk met den redenaar instemde, dat geen ander dan een Oranje den eersten steen voor 't monument van Neerlands onafhankelijkheid mocht leggen. 't Was of er geen eind aan 't juichen zou komen. Doch daar hief Lubeck zijn dirigeerstok weer op, en klonk de solo schoon:

„Een drietal eedle mannen9) zat,
Voor 's aadlaars10) blik verborgen,
In Hollands oude Gravenstad11)
Te wachten naar den morgen;
Daar groette, als op een tooverslag,
Een nieuwe Staat den nieuwen dag.”

Hierop viel het koor in, en werd het tweede gedeelte der feestcantate gezongen. Intusschen had prins Frederik zich met de hoofdcommissie naar de koninklijke tribune begeven, bij welken stoet zich de ministers en de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal hadden aangesloten. Zoodra nu 't slotkoor was geëindigd, noodigde de prins zijn koninklijken neef uit, om ingevolge Z. M. belofte, den eersten steen te leggen tot het Nationaal gedenkteeken. Nu stond de koning op en begaf zich, gevolgd door zijn zonen en zijn broeder, alsmede prinses Marie, naar de plaats, waar de keurig versierde fondamenten van 't op te richten monument zich bevonden. Daar we reeds een dergelijke plechtigheid hebben hooren beschrijven, zal ik u alleen zeggen, dat het hier prinses Marie was, die haar koninklijken neef den troffel aanbood. Nauwelijks was ook hier de hamerslag gevallen, of 't geschutgebulder kondigde den volke aan, dat de eerste steen gelegd was van een gedenkstuk, hetwelk, zoo wij hopen, nog aan het verre nageslacht zal verkondigen, dat er in 1863 een volk leefde, krachtig genoeg door eendracht, om gelden bijeen te brengen tot een gedenkzuil voor zijn verlossing uit vreemde overheersching, en een koning, die nationaliteit genoeg bezat, om den eersten steen voor dat gedenkteeken te leggen. Want er was inderdaad in die dagen wel energie noodig, om hier te lande feest te vieren van de verlossing der Fransche dwingelandij; terwijl daar in Frankrijk een Napoleon III op den troon zat, die toen nog Europa's vorsten deed sidderen voor zijn toorn12).

Nauwelijks was het eerste schot gehoord, of daar hieven de leerlingen der nationale zangschool het geliefde volkslied aan, en.... alsof een electrieke vonk door die duizenden gevaren was, allen stemden mee „het God gevallig feestlied in voor Vaderland en Vorst.” Plechtig klonk dat daar in de opene lucht, uit den mond van een geheel volk; want uit alle oorden des lands waren er saamgekomen, om de plechtigheid bij te wonen van de stichting eener gedenkzuil, waartoe allen van 't hunne hadden bijgedragen. En dat gezang, 't overstemde de tonen van 't geschut, en een vriendelijke Novemberzon scheen op dat in geestdrift ontstoken volk, en vermeerderde, kon 't zijn, die geestdrift nog. O, 't was een plechtig oogenblik, lieve lezeressen en lezers! Ook de koning gevoelde dat, toen hij zijn vorstelijken oom om den hals viel, als wilde hij hem danken voor het schoone oogenblik, hem door den president der commissie bereid; dat gevoelde ook de grijze prins, toen hij, op de tribune teruggekomen, zijn vorstelijke gemalin, die hem, tot schreiens toe bewogen, de hand drukte, aan zijn borst klemde.

De laatste tonen van 't lied waren nauwelijks weggestorven op de vleugelen van den wind, toen zich weer de welbespraakte mond van den Utrechtschen hoogleeraar deed hooren. En nadat daarop het slot der feestcantate was gezongen, hief andermaal al 't verzamelde volk aan:

„Wilhelmus van Nassauwen
Stichtte ons Gemeenebest,
Wilhelmus van Nassauwen
Heeft Neerlands troon gevest,
Wilhelmus van Nassauwen
Regeert ons, hoog geloofd:
Wilhelmus van Nassauwen
Zij eeuwig Neerlands hoofd!”

Nu werden door prins Frederik de feestredenaar, de dichter en de componist aan Z. M. en de geheele koninklijke familie voorgesteld. „Die compositie was u uit het hart gekomen, mijnheer Lubeck,” zeide de koning en dat was inderdaad een hooge lof uit den mond van hem, die zelf zulk een gelukkig beoefenaar der muziek is.

Thans defileerden vóór de koninklijke tribune, van de zijde der Willemskerk komende, de kinderen der weeshuizen. Op hen volgde de feesttrein der werklieden, en hield de heer van Coeverden, medechef van de firma de Wed. A. Sterkman en Zoon, een aanspraak tot den koning, waarin hij deed uitkomen, dat ook de werklieden, ofschoon nederige burgers, zich met hen, die in hoog aanzien zijn geplaatst, volkomen gelijk stellen wanneer het de liefde geldt voor Vaderland en Koning. Nu zongen de werklieden uit de fabriek van de heeren van Kempen en Zoon, te Voorschoten, Psalm 134, vers 3:

„Dat 's Heeren zegen op u daal!
Zijn gunst uit Sion u bestraal!
Hij schiep 't heelal Zijn naam ter eer,
Looft, looft nu aller Heeren Heer!”

Intusschen drukte de lithograaf van den heer Lankhout, op zijn met groen en oranje versierden wagen, 't portret van den koning op oranjepapier, en verspreidde die platen onder 't volk. Toen deze wagen vóór de koninklijke tribune stilhield, verlangden ook H. M. de koningin en prins Alexander daarvan een afdruk. Nu defileerden voorbij de koninklijke tribune: de Haagsche schutterij, de grenadiers en jagers en de dragonders, en was de plechtigheid afgeloopen, een plechtigheid zoo indrukwekkend, dat onze vrienden uit Amsterdam onuitwischbaar in 't geheugen bleef.

„Hoe komen we nog door die menigte heen!” zeide de oude Veldhuis.

„O, daar weten wij Amsterdammers niet van, oom,” zeide Gustaaf. „We zijn niet bang voor een beetje gedrang.”

't Was dan ook werkelijk een gedrang. De paarden der vorstelijke rijtuigen moesten stapvoets rijden, en nog konden ze zich ter nauwernood een weg banen door de steeds juichende menigte, die 't niet moe scheen te worden „Oranje boven! leve de koning!” te roepen. Nog vóór echter de koning in zijn rijtuig was gestegen, had hij tot prins Frederik en al het volk met zijn krachtige stem voor de vuist de volgende woorden gesproken:

„Mijn hart gevoelt de diepste erkentelijkheid. Ik ben ten diepste getroffen over hetgeen ik gezien en gehoord heb. Wanneer Ik dàt zeg, dan geloof ik de tolk te zijn van de gevoelens van al de prinsen en de prinsessen uit het Huis van Oranje.

„Het is heden de schoonste dag van Mijn leven, die dag van heden, waarop het Nederlandsche volk op nieuw op de ondubbelzinnigste wijze heeft doen blijken van zijne gehechtheid en trouw, die het steeds en onder alle omstandigheden, welke het der Voorzienigheid heeft behaagd in ons Vaderland te doen plaats hebben, aan den dag heeft gelegd.

„Ik stel die gevoelens op hoogen prijs, en wanneer het eenigzins vermetel van Mij is, op dit oogenblik het woord te nemen, uit het oogpunt der welsprekendheid, dan toch is het voor Mijn hart een behoefte tot u een echt Nederlandsch woord te richten, een woord gesproken uit het hart van een koning uit het Huis van Oranje. Dat woord kan niet anders zijn, mag niet anders wezen dan aan allen, hier tegenwoordig, de plechtige verzekering te geven, op den dag van heden, waarop de eerste steen is gelegd voor het Nationaal gedenkteeken, waarop de liefde en de trouw van het Nederlandsche volk bij die onvergetelijke plechtigheid zoozeer zijn gebleken, op dezen dag van groote Nationale herinneringen, voor Mij niet alleen, maar voor alle leden van het Huis van Oranje;—dat het heden gebeurde een nieuwe prikkel voor Uw Vorstenhuis zal wezen, om nog meer dan vroeger voor het welzijn en den bloei van het volk van Nederland werkzaam te zijn, zooals in vroegere dagen, zooals het altijd zal blijven. Want wij allen uit het Huis van Oranje, wij kunnen nooit, ja NOOIT genoeg doen voor ons Nederland.”


„Nu nog even naar de Maliebaan!” zeide de oude Veldhuis. „Daar hebben immers de volksvermakelijkheden plaats!”

„Ik vrees, dat we te laat zullen komen, en 't grootste deel afgeloopen is,” zeide Gustaaf, terwijl hij op zijn horloge keek. „We moesten liever de stad een weinig rondwandelen, en al 't schoons en sierlijks bekijken, dat er te zien is.”

„En eerst eens beproeven, of we wat te eten kunnen krijgen,” zeide Bernard. „Want ik rammel van den honger. Na zooveel geestelijke spijs herneemt de maag toch ook haar rechten.”

„Hadden we mama maar bij ons gehad,” zeide Margot, „dan zou ze ons ieder wel een paar krentebroodjes in den zak gestopt hebben, net als voor veertien jaren, toen we de inhuldiging bijwoonden.”

„En die ons toen zoo heerlijk smaakten!” voegde Florence er bij. „'k Wou, dat ik ze op 't oogenblik had!”

„Ik niet,” zei Bernard. „Ze zouden in dien tijd tamelijk droog en oudbakken geworden zijn.”

„Nu ja, allebedil,” hernam Florence. „Ik meen zulke soort van krentebroodjes.”

„Dan hadt ge u wat duidelijker moeten uitdrukken,” antwoordde Bernard glimlachend. „Doch ik ben hier zoo onbekend als een pelgrim, die pas in 't Heilige Land komt. Gelukkig, dat we zulk een goeden gids bij ons hebben als oom Henri. Die zal ons ook wel in de een of ander caravansera brengen, waar we onze hongerende en dorstende lichamen kunnen restaureeren.”

„Ja, oom Henri zal u even naar huis brengen, jonge lui,” antwoordde de kapitein. „Want in koffiehuizen of restauraties zal wel niets te krijgen zijn.”

En hij had gelijk. Een twee- of drietal, welke men binnenstapte, waren zoo volgepropt met hongerige en dorstige menschen, dat men daar onmogelijk iets voor zijn geld kon krijgen. Men besloot dus maar, naar August's kamer te gaan, waar de hospita wel zou opdisschen.

„O, kijk eens! Wat komt daar aan?” riep Florence eensklaps uit. „Neerlands kleuren te paard!”

„En oranje als aanvoerder!” voegde Margot er bij. „Dat is alleraardigst!”

Inderdaad—het waren vier heeren Leidsche studenten, keurig net gekleed. Een hunner reed vooruit, van top tot teen in 't oranje gekleed; de drie volgden hem: de een geheel in 't rood, de andere in 't wit en de derde in 't blauw. 't Gaf nieuwe stof tot vroolijkheid. Nauwelijks waren die voorbij, of daar kwam een rijtuig aan met boeren en boerinnen, kwistig met oranje versierd. 't Rijtuig zelf was met de namen van de mannen van 1813 beschilderd en de twee melkwitte paarden met groote strikken en rozetten van oranje en de Nederlandsche kleuren getooid. Honden en paarden waren, evenals in Amsterdam, goed Oranjegezind; als men ten minste rekende naar de oranjestrikken die ze om den hals of aan den staart droegen. Tal van kleine optochten kwamen hen tegen, wier leden wel niet altijd even keurig waren uitgedost, maar die toch door hun potsierlijke tooisels, waarin 't oranje den boventoon had, er veel toe bijbrachten, om afwisseling en levendigheid in de reeds zoo drukke stad aan te brengen. De oude wapenbroeders van 't jaar 1813 begaven zich onder 't geleide van de commissie van orde der feestviering naar het societeitsgebouw „de Vereeniging,” waar ze onthaald werden en o. a. prins Frederik hun de lieve attentie had betoond, om twee kistjes fijne oranjesigaren te zenden, elke sigaar met een oranje étiquette en 't jaartal 1813 versierd. Jammer, dat de prins tot zijn innig leedwezen door ongesteldheid verhinderd was, zelf daar te komen. Immers nog den vorigen dag had de toestand van den edelen grijsaard zich zeer dreigend doen aanzien, en was het te vreezen geweest, dat hij de steenlegging niet zou bijwonen. Gelukkig was die vrees niet uitgekomen; maar nu was Zijne Hoogheid zóó vermoeid, dat het hem niet geraden was, meer van zijn krachten te vergen.

Toen onze zes vrienden op de kamers van August kwamen, vonden ze diens hospita terstond bereid, om hun 't noodige te verschaffen. Emile en Emma waren nog niet terug. Het duurde echter niet lang, of ook dezen kwamen, doodvermoeid van 't staan in 't veld bij de Maliebaan, 't gezelschap vergrooten en spoedig daarna maakte August het voltallig.

Wat de bezoekers van 't Willemspark te verhalen hadden, kunnen we gerust overslaan—we hebben 't immers bijgewoond. We laten dus Emile en Emma spreken.

„Nu,” zeide Emile. „Zeker hebben we niet zoo veel gezien, wat ons nationaal gevoel opwekte, als gij; dat is waar. Maar we hebben vrij wat meer pret gehad, niet waar, Emma?”

„Nu, dat zou ik zeggen, Emile, zeide Emma.

„Een oogenblikje, jongelui,” zei de kapitein vroolijk. „Wat beteekent het, dat jelui elkaar zoo plat Emile en Emma noemt? Heb je ook soms in de Maliebaan wat verloren? Uw hart, bijvoorbeeld?”

„Papa,” antwoordde Emile. „We hebben in die Maliebaan integendeel wat gevonden!”

„O, daarom heb je zoo veel pret gehad!” riep de kapitein uit. „En 't is zeker wat moois, komt, laat het ons eerst eens zien. Misschien wel een paar oranjestrikken of oranjekokardes!”

„Neen, papa,” antwoordde Emile, op koddig ernstigen toon: „Ik heb in Emma Kellner een toekomstige gezellin gevonden op 't pad mijns levens. Met andere woorden, we hebben ons, met uw permissie, geëngageerd.”

„Wel, drommels!” riep de kapitein uit. „Dat zal de zeventiende November 1863 tot een gedenkdag maken in de familie de Bosson. Nu, wat mij aangaat, ik verheug mij er hartelijk in: want je verlost me zoodoende door den tijd van een geduchte huisplaag. Maar van jou spijt het me, jongen; want die Emma is zoo scherp als een els. Doch”—en de kapitein zette een vreeselijk bedenkelijk gezicht—„of mama de Winter er genoegen mee zal nemen, is een andere vraag. Dat goede mensch zal haar Emmaatje, dat bedorven schepsel, niet willen missen!”

„Dan schaak ik haar,” zeide Emile. „Zeg dat maar gerust aan tante, en dan kan Mr. J. van Lennep een schaking van de negentiende eeuw beschrijven. Ik zal er hem de bouwstoffen wel toe leveren.”

„O, ridderlijke zoon!” riep de kapitein uit. „Waarom ben je niet evenals August militair geworden! Dan zou zoo'n schaking veel interessanter zijn.”

„Nu, ik feliciteer u, Emile, met uw engagement,” zeide Margot, „en ben heel blij, dat ik zoo'n lief schoonzusje krijg als Emma.”

„Ja,” zeide de kapitein, daar kun jij heel gemakkelijk over heenstappen, die 't aanstaande schoonzusje maar een paar malen in 't jaar zult zien. Maar mijn arme Florence, die...”

„Die haar lieve Emma eens hartelijk kussen zal,” zeide Florence, „en hoopt, spoedig op haar bruiloft te dansen!”

„'t Is mooi, dat mijn eigen vleeschelijke schoondochter mij zoo afvalt,” zeide de kapitein. „Gelukkig, dat ik Gustaaf en Bernard nog op mijn hand heb. Maar dat ook kan wel mis zijn: Gustaaf zal blij zijn, als hij zijn lastigen commensaal kwijt is, en Bernard verlangt al naar 't oogenblik, dat hij als predikant het huwelijk kan inzegenen. Doch, gelukkig, daar komt August. Zoo jongen! je komt juist van pas om mij te helpen.”

„Ik, papa?” vroeg August, die de kamer binnentrad.

„Ja, August,” hernam de kapitein. „Begrijp eens, dat uw broer Emile van zins is, om binnen kort in 't huwelijk te treden met dat aardige kind, dat daar naast hem zit.”

„Wel, papa! Emile is oud en wijs genoeg, om te weten of hij onder de infanterie of de cavalerie dienst wil nemen,” antwoordde August. „En als hij in 't huwelijk wil treden, dan wensch ik hem de medaille van vijf en twintigjarigen dienst toe!”

„Ook alweer geen troost!” zuchtte de kapitein. „Nu dan, tot straf zullen Emile en Emma ons mededeelen, wat ze in de Maliebaan gezien hebben. Ofschoon ik vrees, dat dat niet veel zal zijn.”

„Dat zou u meevallen, papa,” hernam Emile. „'t Was er alleraardigst, niet waar, Emma.”

„Nu, dat zou ik zeggen,” zeide Emma.

„Ja, maar zoo komen we niet verder,” hernam de kapitein. „Van aardigheid gesproken. We hebben om hier te komen, een omweg gemaakt, en op de Langegracht, waar ook in den mast geklommen werd, ons halfziek gelachen om de jongens, die aan 't stroophappen waren13).”

„Stroophappen hebben we niet gezien,” zeide Emile, „maar wel mastklimmen en andere volksspelen. 't Aardigst echter van allen was de opgeslagen tent, waar comedie gespeeld werd, nu niet juist om dat comediespel, maar om 't uitbundig gelach der toeschouwers. Men gaf twee vaudevilles: „Het dubbel huishouden,” in twee bedrijven en „De grillen van een jeugdig echtpaar,” in één bedrijf. Dat duurde van halftwaalf tot eenen. Van twee tot vier ure vertoonden ze weer twee vaudevilles: „De metselaar en de waterdrager,” en, wat vooral de meeste sympathie verwekte: „De verpande krijgslieden,” beiden in een bedrijf.”

„De krijgslieden in één bedrijf?” vroeg Bernard.

„Nu, dan de vaudevilles,” hernam Emile. „Ik weet niet, dat ik ooit zulk een hartelijk lachen heb gehoord, als van dat onbedorven en uitgelaten vroolijke volk!”

„En donderende applaudissementen,” voegde Emma er bij. „Natuurlijk stonden wij ver genoeg af, om niets te verstaan. Doch wij amuseerden ons maar met die vergenoegde gezichten en die onbetoomde uitingen van dolle vroolijkheid.”

„En dan de wedloop van die dertig jongens!” zeide Emile. „Die was onbetaalbaar om aan te zien! Doch daar was wat aan te doen, eer ze goed op dreef waren. Telkens gingen ze vóór hun beurt af.”

„Och! en dan dat boegsprietloopen!” riep Emma uit. „Honderde malen rolden de loopers er af, nu eens aan de linker- en dan aan de rechterzijde.”

„En konden ze zich dan niet bezeeren?” vroeg Florence.

„Wel neen, er waren aan weerskanten stevige linnen zeilen gespannen, waarin ze vielen,” hernam Emma. „Maar 't kluchtigst van alles was, dat in 't zeil aan de rechterzijde meel en in dat aan de linkerzijde roet of zwartsel was. Viel er nu een aan den eersten kant in 't meel, dan kwam hij er zoo wit als een pierrot uit—aan de andere zijde, dan zag hij er uit als een schoorsteenveger. Dat gaf voortdurend pret.”

„En vielen ze er dikwijls af?” vroeg Margot.

„Honderde malen; want de schuin oploopende liggende mast was met zeep besmeerd,” antwoordde Emma. „Eenige oogenblikken zag men er een dapper loopen, dan begon hij te wankelen, 't geen reeds gejuich gaf, eindelijk, plomp! daar rolde hij en kwam onder een uitbundig gejubel zwart of wit weer te voorschijn!”

„Mijnheer! De tafel is gereed,” brak de hospita 't vroolijke gesprek af—af.... neen, dat niet. Eerst aan tafel werd het recht vroolijk, en de gastheer had voor een goed glas wijn gezorgd, zoodat er vrij wat toosten op koning, vaderland, prinsen en prinsessen, ook op 't engagement van Emile en Emma gedronken werden.

Evenmin als onze vrienden gaan we naar de galavoorstelling in den schouwburg, daar we anders niet met den retourtrein naar Amsterdam zouden kunnen terugkomen.—Neen, we vergezellen hen liever naar de prachtige illuminatie. Doch zal ik u, na al 't geen ik reeds medegedeeld heb, nog een beschrijving van de illuminatie geven?—ik zou te uitgebreid worden. Alleen dit: al de koninklijke paleizen waren van boven tot beneden geïllumineerd en 't schoonst van alles was het Breede Voorhout, waar men onder een dak van lampions wandelde, aan een lichtzee gelijk. Na afloop van de galavoorstelling in den schouwburg toerden de koning en de koningin, de prins van Oranje en de prinsessen Frederik en Maria in open rijtuigen door de geheele stad. Dat toeren had veel van een onophoudelijken zegetocht. Ook de koningin-moeder toerde in een open calèche. En hiermede stappen we van 't Oranjefeest af, dat onvergetelijk zal blijven voor de bewoners der hoofdstad en die der residentie. We konden u natuurlijk in de andere steden van ons land moeilijk binnenleiden—anders zouden we gezien hebben, dat het overal met geestdrift gevierd werd. We gaan dus met de familie in den laatsten spoortrein, komen gezond en wel met hen in de hoofdstad des Rijks terug, en sluiten dit hoofdstuk met de woorden van een chassinet, hetwelk op den Zuid-Oost-Buitensingel was te lezen en meer kijkers waard was, dan 't nu op die min of meer gelegene plek had.

Dit chassinet luidde aldus:

„Omstrengeld door éen liefdeband
Blijft Vorst en Volk van Nederland,
Zoowel in voor- als tegenheen,
Oranje en Nederland, steeds een.”

8) Woorden van C. G. Withuijs, muziek van J. H. Lubeck.
9) Hogendorp, van der Duijn van Maasdam en van Limburg Stirum.
10) der Franschen.
11) 's-Gravenhage.
12) Ofschoon er geen bepaalde demonstratiën tegen Frankrijk zijn voorgevallen, hoorde men 's avonds bij de illuminatie in Amsterdam 't volk, behalve Vaderlandsche liederen, zingen: „Weg met Napoleon, leve Willem drie!”
13) Dat is happen naar een waterbroodje vol stroop. Als de gelukkige onder 't voorbijgaan in het broodje hapt, druipt hem, tot groot vermaak der toeschouwers, al de stroop langs den baard.

ZEVENDE HOOFDSTUK.


's Konings rouw.

„Vrijheid en onafhankelijkheid!” dat was de nagalm van 't Oranjefeest. En velen juichten het toe, dat de Nederlandsche natie het gevoelde, dat zij het palladium der vrijheid, haar door de vaderen nagelaten en voor een halve eeuw herwonnen, op prijs wist te stellen; allen waren 't er over eens, dat Nederland, onder zijn constitutioneelen regeeringsvorm en met een Oranje aan 't hoofd, het meest vrije en gezegende land van Europa was. Waar toch vond men zulk een vrijheid van godsdienst als hier, alwaar geen uitsluiting eener enkele godsdienstige gezindheid bestond en ieder, tot welk kerkgenootschap hij ook behoorde, tot de hoogste staatsambten kon geroepen worden. Daarbij vrijheid van drukpers—inderdaad een der grootste voorrechten eener vrije natie. En toch waren er tal van menschen, die oordeelden, dat het tegen ons vrijheidsgevoel indruischte, wanneer daar in onze West-Indische kolonieën, ondanks de humaniteit waarmede men altijd te koop liep, nog een aantal menschen waren, schepselen als wij, onderdanen van denzelfden koning, die geen eigen vrijen wil hadden, genoodzaakt waren al hun krachten te besteden voor een meester, die hen voor geld gekocht had, en kon verkoopen aan wien hij wilde; kortom, dat er in Suriname en elders nog slaven waren. 't Was aan de gezegende regeering van Willem den derden voorbehouden, die vlek van onze natie af te wisschen. In 't zelfde jaar toch, dat Nederland zijn feest ter herdenking van zijn eigen vrijheid vierde, had het de vrijheid hergeven aan zijn ongelukkige medebroeders, die 't juk der slavernij droegen, en eerlang zou er, zoover Willem III zijn schepter zwaaide, geen slaaf of slavin meer zijn. Maar ook voor eigen vooruitgang en ontwikkeling had men gezorgd. Een nieuwe tak van onderwijs werd er in 't leven geroepen: het middelbaar onderwijs. En spoedig na de uitvaardiging dier wet verrezen er alom hoogere burgerscholen met vijf- en driejarigen cursus.

Ook waren de stoffelijke belangen der natie niet vergeten. Rotterdam zou weldra een verbeterden waterweg krijgen, Amsterdam een kanaal naar de Noordzee, door Holland op zijn smalst. Beide besluiten moesten den bloei des handels verhoogen; de laatste zou daarenboven duizende bunders goed en bebouwbaar land droogmaken en zoo medewerken tot de welvaart van akkerbouw en veeteelt.

Geen wonder, dat de natie, onder zulk een wijs en vaderlijk bestuur, verlangend uitzag naar den 18en Juni 1865, als wanneer zij den dag zou vieren, waarop, vijftig jaren geleden, de verkregene onafhankelijkheid van ons land in den slag bij Waterloo was behouden gebleven. Ook dien dag zou men algemeen herdenken, en—kon men den held van Quatrebras en Waterloo niet meer blijken geven van de sympathie, welke het dankbare vaderland voor hem gevoelde—koningin Anna Paulowna leefde nog, en wat men den Vorst niet meer kon toebrengen, zou men haar wijden. Doch de feestviering van den Waterloodag zou op treurige wijs verstoord worden; ze zou den gloed missen, dien ze zoo noodig had; het koninklijke huis zou niet mede feestvieren.

Wanneer ge langs de Zeestraat te 's-Gravenhage, den ouden, schoonen straatweg naar Scheveningen opgaat, dan ziet ge aan uw linkerhand een eenvoudig doch statig gebouw, met een ruime voorplaats, door een hekwerk van den grooten weg afgesloten. Dat gebouw met de daarbij behoorende tuinen en nevengebouwen heet Buitenrust. Aan die tuinen is ook het oude bekende Zorgvliet getrokken, waar vader Cats zijn leven sleet, en vele zijner verzen maakte. Die buitenplaats, in de duinen aangelegd, en waar men nog het oude huis van den Raadpensionaris-dichter aantreft, levert uitgebreide wandelingen op; want zij beslaat eene aanmerkelijke ruimte aan den linkerkant van den Scheveningschen weg. Dat Buitenrust nu, met Zorgvliet en de vroegere woning van den graaf Rheede van Ghinkel van Athlone, had de koningin-weduwe aangekocht en met vrij wat nieuwe aanplantingen vergroot; hier sleet zij haar aan weldadigheid gewijd leven in kalmte en vrede.

Ge zoudt het niet denken, als ge 't huis van buiten ziet, dat het een geschikt verblijf is voor de dochter der Russische Czaren. Een vorstelijk paleis is het zeker niet te noemen. En toch zou u 't smaakvolle en keurige ameublement treffen, rijk en kostbaar, en tegelijkertijd zoo beminlijk eenvoudig; meer aantrekkelijk door zijn aanzienlijke kunstschatten, dan door zijn prachtige meubels. Ge zoudt zeker lang stilstaan bij die reusachtige geschilderde porseleinen vazen, die u de Russische kunstvaardigheid zouden doen bewonderen, en u niet kunnen verwijderen van die juweelen der Nederlandsche schilderschool—ge zoudt.... doch ditmaal willen we niet ronddwalen in die vertrekken; daarenboven—ze hebben iets sombers door 't sluiten der jaloezieën, die het uitzicht op den tuin belemmeren. Misschien zoudt ge gaarne eens naar boven gaan, om in de keurige bibliotheek te snuffelen, waar u misschien die oude teekeningen en beschrijvingen met platen van 't vroegere Zorgvliet zouden aantrekken—of, al is 't ook Maart, eens ronddwalen door de plaats van vader Cats, waar we nog een steenen tafel zouden vinden en.... we treden de groote zaal uit, en gaan aan onze linkerhand een zijvertrek binnen, het boudoir der koningin-weduwe. Ook hier vertoeven we evenmin; maar treden in 't nevenvertrek, de slaapkamer van Anna Paulowna; thans haar sterfkamer.

Zeker zou 't oneerbiedig kunnen heeten, wanneer we zoo onaangediend binnentraden, waar zooveel vorsten en vorstinnen verzameld zijn om 't sterfbed eener koningin, en er zou dan ook wel niemand geweest zijn, die 't gewaagd zou hebben, ons aan te dienen; wij echter hebben 't groote voorrecht, er in den geest te vertoeven, en geen macht ter aarde kan den geest verhinderen, zich een weg te banen. Die toch gaat door gesloten en gegrendelde deuren, treedt in de paleizen der vorsten en aanschouwt daar, wat voor geen ander te aanschouwen wordt gegeven. En zoo treden we op Woensdag den eersten Maart 1865 des namiddags ruim vier uren de kamer van Anna Paulowna binnen, en willen zien, wat daar plaats heeft.

Het eerst valt ons oog op die alkoof, waar de stervende vorstin nederligt. Aan 't hoofdeneind van het veldbed, waarop ze rust, staat haar kamenier, die haar jaren lang trouw gediend heeft, en meer haar vriendin dan haar ondergeschikte is. Ze houdt het hoofd der stervende in haar armen, om het te ondersteunen. Aan 't voeteneinde staan de HH. doctoren Van der Grijp en Vinkhuyzen, die H. M. gedurende haar laatste ziekte behandeld hebben. 't Is een aandoenlijke groep, waarvan de koningin het middelpunt uitmaakt. Vermagerd en bleek is ze, bleek, wanneer de vreeselijke benauwdheden haar 't bloed niet naar de wangen drijven. Reeds sedert eenige dagen hebben de uitgegeven bulletins de natie in spanning gehouden ten aanzien van den afloop der ziekte, die in een hevige borstaandoening bestaat, gekenmerkt door benauwdheden, welke in de beide laatste etmalen zoo zeer waren toegenomen, dat haar krachten waren uitgeput en men 't ergste vreesde.

Grootvorstin Anna Paulowna, de dochter van keizer Paul I van Rusland en keizerin Maria Federowna (Dorothea Augusta Sophia van Wurtemberg), is den 19en Januari 1795 geboren, dus op denzelfden dag, toen haar aanstaande gemaal, als kind uit zijn land verdreven, nog als balling op de Noordzee zwalkte en men voor 't eerst de Engelsche kust in 't oog kreeg. Toen keizer Napoleon zijn eerste gemalin, Josephine de Beauharnais, verstiet, liet hij, eer hij aanzoek deed om aartshertogin Maria Louise, door Canlaincourt de hand der Russische vorstin vragen. En voorzeker zou de vorstelijke Anna Paulowna, edel van gestalte als van gemoed, een keizerstroon als die van het toen zoo machtige Frankrijk tot sieraad gestrekt hebben—haar broeder, keizer Alexander, bedankte echter voor die eer. Veel liever schonk hij de hand zijner zuster aan een vrij wat geringer vorst, maar die van edeler bloed en hooger afkomst was: aan zijn vriend, den ridderlijken Oranje, toen nog slechts kroonprins van het koninkrijk der Nederlanden. Den 21en Februari 1816 werd het hooge huwelijk te St.-Petersburg voltrokken.

En Anna Paulowna had de liefde der natie weten te verwerven. Niet alleen maakte zij zich op voortreffelijke wijze onze taal eigen, maar ze drong ook door in de meesterwerken onzer letterkunde. En bovenal werd de vorstin geliefd om haar minzaamheid en weldadigheid. Vergeten we niet, hoe ze, in 't klein, haar naaischool te Scheveningen had, in 't groot, in 1830 en 31 haar naam in gezegend aandenken bracht door het stichten op eigen kosten van een hospitaal voor gekwetste militairen. Groot was de sympathie, welke zij bij 't bestijgen van den troon in 1840 mocht ondervinden. Als koningin was ze niet minder geliefd dan als kroonprinses. En toen ze den 17den Maart 1849 te Tilburg bij 't lijk van haar zoo beminden gemaal nederknielde en uitriep: „O, wat ben ik ongelukkig!” toen een andere koningin haar plaats op den troon innam, bleef ze nog steeds de geëerde en hooggeschatte, de beminde Vorstin. Dat getuigde steeds de eerbiedige groet, haar, waar zij zich in 't openbaar vertoonde, door de menigte toegebracht; dat had men in 't jaar 1858 gezien, toen ze, bij gelegenheid van 't feest der meerderjarigheid van haar kleinzoon, den kroonprins der Nederlanden, voor de laatste maal in Amsterdam vertoefde, en de luide toejuiching van de bevolking der hoofdstad haar te gemoet klonk bij haar verschijning op het balkon vóor 't paleis op den Dam; dat had ze ook nog op den avond van dien 17en November 1863 kunnen bespeuren, toen ze door de hel verlichte straten der residentie toerde, en haar overal de kreten, „Leve de koningin!” in de ooren klonken.

Geen wonder dus, dat de natie met belangstelling de bulletins had ontvangen en gelezen; dat ook de natie volgens de laatst uitgegevene vreesde, dat de lamp haar levens spoedig zou worden uitgebluscht. Ook de vorstin zag het gevaarlijke van haar toestand in, ja, ze was de eerste, die van sterven gewaagde. Maar krachtig van ziel als ze was, verschrikte haar de aanblik van den dood niet: kalm en onderworpen verbeidde zij haar laatste uur, even kalm en onderworpen nam ze een aandoenlijk afscheid van haar kinderen; daarna van haar trouwe bedienden, welke ze dankte voor de gehechtheid, haar gedurende een reeks van jaren bewezen. Toen had ze verlangd, dat haar de bulletins omtrent haar toestand zouden worden voorgelezen: daarna vroeg zij om haar priester, die haar de laatste troostmiddelen der Grieksche kerk, tot welke zij behoorde, toediende. En zoo wacht zij daar kalm en gelaten het oogenblik af, waarop God haar van deze aarde zal oproepen.

Om haar bed bevinden zich al de vorsten en vorstinnen van 't koninklijk huis: Z. M. koning Willem de derde en zijn koninklijke gemalin; hun beide zonen, de kroonprins en prins Alexander; prins Hendrik en zijn gemalin, Amelia Maria da Gloria Augusta, dochter van hertog Bernhard van Saksen Weimar Eisenach, met wien hij sedert 19 Mei 1853 gehuwd is; ook prinses Sophie, de eenige dochter der stervende, gehuwd met den groothertog van Saxen Weimar Eisenach; prins Frederik met zijn gemalin en dochter Marie. Op een wenk van een der doctoren, dat het laatste oogenblik nadert, zijn ze allen neergeknield; een doodelijke stilte, alleen door zacht, bedwongen snikken afgebroken, heerscht in de sterfkamer en breidt zich van daar in al de vertrekken van 't vorstelijk paleis uit—nog eer de wijzer der pendule, die zich in de kamer bevindt, op half vijf staat, heeft Anna Paulowna haar laatsten strijd voleindigd—is de koningin-moeder der Nederlanden gestorven.

We schuiven een gordijn voor de smart en den rouw, die thans het sterfvertrek vervulden—evenmin zullen we de aandoeningen schetsen, waarmede die tijding in de Hofstad, ja, in 't gansche land vernomen werd, en die vergezeld ging van de nieuwsgierige vraag: waar 't lijk der overledene vorstin ter aarde zou worden besteld? Wel wist men, dat, op het door haar uitdrukkelijk te kennen gegeven verlangen, haar lijk niet zou worden gebalsemd—de plaats der begraving bleef voor alsnog een geheim. Sommigen herinnerden zich, dat Anna Paulowna, bij gelegenheid toen zij een bezoek aan 't familiegraf te Delft had gebracht, den wensch zou hebben geuit, om eenmaal te rusten tusschen haar koninklijken gemaal en haar zoon, prins Alexander—men vreesde echter, dat daartegen van wege de Grieksche kerk onoverkomelijke zwarigheden zouden bestaan. Geruchten noemden de Grieksche kapel te Amsterdam als de plaats, waar de begrafenis zou plaats vinden, wanneer die bezwaren niet waren op te heffen.

Reeds Donderdag om acht ure verkondigde het doffe klokgebrom, dat Neerlands koningin-moeder gestorven was, en dat had driemaal daags, telkens een uur lang, plaats. Tevens waren de woningen van vele aanzienlijke particulieren gesloten, ten teeken van deelneming in 's vorsten rouw. Schouwburgen en openbare vermakelijkheden mochten geen voorstellingen geven. Alles moest er toe dienen, om den rouw over den dood der vorstin te verkondigen. Dat hield tot Donderdag, den 18den Maart aan, om nogmaals twee dagen vóór en op den dag der begrafenis herhaald te worden.

En die begrafenis—ze had den 17den Maart, op den sterfdag van koning Willem den tweeden, te Delft plaats. De moeielijkheden waren uit den weg geruimd, en Anna Paulowna zou, volgens haar wensch, tusschen haar gemaal en haar zoon rusten. 't Was een heele stoet, die daar op Vrijdag den 17den Maart 1865 zich door de straten van 't vorstelijk 's-Gravenhage bewoog. Ik zal u dien niet beschrijven; daar geen onzer vrienden hem bijwoonden. Alleen vestig ik uw oog voor een enkel oogenblik op de prachtige rouwkoets voorafgegaan door den heraut van wapenen (Rusland) te paard met zijn wapendrager, en bespannen met acht rouwpaarden. Op de kist de koninklijke kroon, benevens het ordeteeken van St.-Catharina, gehecht op een rood fluweelen kussen, de slippen van 't lijkkleed gedragen door de barons van Tuyl van Serooskerken en Taets van Amerongen en twee groot-officieren van 's konings huis. Naast den rouwwagen de vierentwintig kamerheeren—dragers van het lijk. En daarachter Z. M. de koning der Nederlanden, de groot-hertog van Saxen Weimar, de kroonprins en prins Hendrik der Nederlanden in een koets met zes paarden bespannen, gevolgd door een met even veel paarden bespannen koets, waarin prins Frederik en prins Herman van Saxen Weimar.

En was 't een heele stoet; 't was ook een heele tocht van Buitenrust naar de Nieuwe kerk te Delft. Gedurende al dien tijd hielden de klokken van 's-Gravenhage en Delft niet met luiden op, en werd er elke minuut een kanonschot gelost. En toen 't vorstelijke lijk in den grafkelder was neergezet en Zijne Majesteit met de prinsen de kerk verlaten had, verzegelde de minister van justitie in 't bijzijn van den grootmeester, den opperkamerheer en den opperceremoniemeester, de kist met 's rijks grootzegel en riep de heraut van Nederland met luider stem uit:

„De plechtige teraardebestelling van het stoffelijk overblijfsel van Hare Majesteit Anna Paulowna, koningin-weduwe der Nederlanden, geboren grootvorstin van Rusland, is volbracht.”

En zoo was de koningin der Nederlanden gestorven en begraven in 't zelfde jaar, waarin men gedacht had het feest van de herdenking van den slag bij Waterloo te vieren. Doch waarom is er bij die plechtige begrafenis geen enkele der familie de Bosson of de Winter tegenwoordig geweest?” vraagt ge. Een der Bossons wel, en dat was de luitenant der grenadiers, August; die was zelfs met het bataljon, waarbij hij stond, in den trein mede naar Delft gemarcheerd, maar juist daarom had hij genoegzaam niets van den optocht zelf gezien. Geen der andere leden had zich noch te Delft, noch te 's-Gravenhage bevonden. Indien ge de reden daarvan wilt weten, volgt mij dan slechts op dienzelfden Vrijdag den 17den Maart en wel na afloop der begrafenis, naar 't ons bekende huis op de Heeregracht.

Ook in dat huis heerscht een doodelijke stilte en treurigheid. Laat ons slechts binnentreden. We gaan niet in de huiskamer, die is op 't oogenblik ledig en verlaten. Maar we gaan den trap op naar boven, waar de slaapkamer van mevrouw de Winter is. En daar vinden we onze goede, lieve mevrouw de Winter stervende. Ze had in 't vorige najaar een zware rheumatische aandoening op de borst gekregen, en wat de dokter ook deed, hij kon die niet overwinnen. 't Had den geheelen winter sukkelen gegeven en reeds meer dan twee maanden lang was de goede vrouw bedlegerig; d. i. werd ze van het bed naar de canapé en van de canapé naar 't bed gebracht. Die voortdurende zwakte en de uitputting harer krachten, welke volgens den dokter wel met den dood zouden eindigen, waren dan ook de oorzaak geweest, dat het huwelijk van Emile en Emma, dat in 't vorige najaar zou plaats hebben, was uitgesteld. Want Emma, de trouwe, zorgvuldige Emma, wilde haar vriendin in die omstandigheden niet verlaten. Ze had haar opgepast, zonder haar eigene gezondheid te ontzien. En wanneer kapitein de Bosson of Florence haar vermaanden, toch aan zich zelf te denken dan antwoordde ze: „ik ben jong en sterk; daarenboven is 't mij een genoegen, en wat men gaarne doet, valt licht.” Vooral in den laatsten tijd had ze een goeden steun gehad aan den kapitein, die zijn zuster zoo ferm kon tillen en dragen. Ook werd zij trouw afgewisseld door Florence, als die haar huisgezin kon verlaten; en nu sedert zes weken door Margot, die voor eenige dagen was overgekomen, maar de zaken zóó bevonden had, dat ze niet meer wegdurfde.

Ze gevoelde het wel, de brave vrouw, dat haar levenslampje spoedig zou worden uitgebluscht; ze had er reeds herhaalde malen met haar broeder en haar kinderen over gesproken. Vooral met Emma sprak zij er gedurig over.

„Lieve,” had ze onder anderen op zekeren dag tegen haar trouwe verzorgster gezegd. „Wanneer ik niet meer ben, zal Henri zich zoo eenzaam en verlaten gevoelen. Wil je me iets beloven. Zoodra ik niet meer zijn zal, moet uw huwelijk met Emile plaats vinden, en dan kom je met uw man hier in huis wonen. Dan blijft mijn broeder bij u, en voelt hij zijn verlies minder.”

En Emma had het haar beloofd, ook Emile, dien ze daarover had gesproken en wien ze die belofte had afgevergd. En evenals deze zaak, had ze ook met de grootst mogelijke kalmte al haar aardsche beschikkingen afgedaan, en rustig en gelaten verbeidde zij het oogenblik, dat het God zou behagen, haar uit de wereld weg te nemen. Van haar kinderen had ze een teeder en aandoenlijk afscheid genomen, ook van haar broeder; terwijl ze in de laatste dagen zoozeer verlangd had, haar zuster Marie nog eens te zien, dat ook deze uit Brakel was overgekomen. En zoo stonden ze nu daar allen om het sterfbed van de geliefde vrouw. Spreken kon deze niet meer, en haar gebroken oogen konden zelfs de dierbaren, die om haar sterfbed geschaard waren, niet zien. Doch een tevredene, zalige glimlach lag op haar bleek, vermagerd gelaat verspreid, van hetwelk Margot, die aan 't hoofdeneinde van 't ledikant zat, van tijd tot tijd het doodzweet afwischte. Eensklaps hield de adem op, een kleine beweging van den mond, en—mevrouw de Winter was niet meer. Ze was zoo zacht en kalm gestorven, als ware ze in slaap gevallen.

Vier dagen later had de begrafenis plaats; waarbij ook de oude Veldhuis en Bernard tegenwoordig waren; en de korte doch roerende toespraak, welke de laatste aan den geopenden grafkuil hield, was treffend en gaf in weinige woorden te kennen, hoe de vrouw, die daar in den schoot der aarde nederzonk, geleefd had en gestorven was. Juffrouw Veldhuis wist haar broeder over te halen, om met haar naar Brakel te gaan en daar een paar weken te logeeren. En toen de kapitein in Amsterdam teruggekeerd was, had het huwelijk van Emile en Emma in alle stilte plaats, en werd het kerkelijk door dominé Veldhuis ingezegend.

Wel werd het feest van Waterloo den 18en Juni in Amsterdam gevierd; doch het was er echter verre van daan, dat deze viering ook in de verte op die van 't Oranjefeest zou geleken hebben. We gaan het daarom in stilte voorbij, en willen u slechts mededeelen, dat Z. M. den koning aan allen, die tijdens den slag bij Waterloo in dienst waren geweest en 't vijftigjarig feest beleefden, een zilveren kruis schonk, om dit aan een oranjelint op de borst te dragen. En thans willen we aanstippen wat er in 't zelfde jaar 1865 nog heeft plaats gehad.

En dan noemen wij een zaak, belangrijk voor den handel: de afschaffing van den accijns op 't gemaal, d. i. de belasting op het koren. En niet alleen was die afschaffing een zegen voor den handel in 't algemeen en den graanhandel in 't bijzonder—ze heeft ook in de uitkomst ten zegen gestrekt voor de mindere klasse. De broodprijzen toch, die vroeger tot zulk een hoogte konden stijgen, zijn sedert dien tijd zeer gematigd geworden en gebleven, en dat is gelukkig. Immers, het brood is een der eerste levensbehoeften voor den minderen man, en, bij 't gebrek aan vleesch, zoo noodig tot de bewaring zijner gezondheid. Toch had die afschaffing ook wel haar keerzijde: want nu moesten ook de steden langzamerhand haar accijns op 't gemaal afschaffen. Om in 't gemis daarvan te gemoet te komen, hieven ze nu van de rijken en de burgers een plaatselijke belasting. En natuurlijk drukt die meer dan de accijns op 't gemaal. Want, terwijl het betalen van dien accijns ongevoelig gaat, daar men het brood slechts wat duurder betaalt, werden door die afschaffing de kleine burgerij en de werkman van de betaling ontheven, ook de vreemdeling, die in de stad vertoefde en er mede toe bijdroeg. En dat alles moet nu door een gedeelte der burgerij betaald worden.

Een andere bijzonderheid van 't jaar 1865 is, dat de eerste spade in den grond werd gestoken tot het graven van 't kanaal van Amsterdam naar de Noordzee, een kanaal hetwelk nog niet geheel voltooid is, maar reeds tal van bunders land heeft aangewonnen, waarover vroeger 't water plaste en dat nu voor landbouw en veeteelt een aanzienlijke aanwinst is.

Toch nog iets, eer we dit hoofdstuk sluiten, en hetwelk ons een blik zal doen slaan op de zegeningen, welke een vreedzame regeering als die van Willem den derden voor een volk oplevert. Ondanks de groote uitgaven voor de spoorwegen, die in 1868 alleen tien millioenen gulden beliepen, en de schadeloosstelling aan de West-Indische slavenhouders, ten bedrage van meer dan 10 millioen, benevens bijna 3 millioenen voor de onteigening van vee ten gevolge der veepest, werd er sedert 1850 voor ongeveer tweehonderd drieenzeventig en een half millioen aan schuldbrieven afgelost, waardoor de jaarlijks op te brengen rente met omtrent acht en een half millioen 's jaars verminderd werd.

Ik sprak daar van de veepest. Die veepest, welke onzen veestapel zoozeer verminderde, was een volksramp, evengoed als de aardappelziekte en de cholera. Om die veepest te doen ophouden, werden strenge maatregelen genomen. Waar in een stal de ziekte uitbrak, werden al de koeien, ziek of gezond, welke in dien stal stonden, terstond onteigend en afgemaakt. Natuurlijk kreeg de eigenaar daarvoor een behoorlijke vergoeding. Toch had hij altijd groot nadeel door 't verlies zijner beesten, van wie hij nu geen melk kon trekken. 't Gaf dus vrij wat aanleiding tot ontevredenheid, en kostte aan 't land ongeveer drie millioenen. Doch de veepest, die zeker nog vrij wat meer millioenen aan de veehouders zou gekost hebben, werd er gelukkig door gestuit. En daar we nu toch zoo ongemerkt wat verder gekomen zijn, maak ik hier tevens melding van een paar feiten, die nog al opmerkelijk zijn. Vooreerst: de invoering eener verbeterde en naar de behoefte van den tijd gewijzigde spelling door te Winkel en de Vries, vervolgens afschaffing van 't zegel van dagbladen en andere gedrukte stukken, waarop reeds sedert lang was aangedrongen; eindelijk de opening van den eersten spoorweglijn op Java, een begin van 't spoorwegnet, hetwelk ook onze Oost-Indische koloniën door den tijd in den zegen van 't Moederland zal doen deelen. Over 't geheel zijn onder koning Willems regeering 't cultuurstelsel in Indiën en de toestand van den Javaan reeds veel verbeterd. Dat alles daar nog niet is zooals 't behoort, is daaraan toe te schrijven, dat er in onze Oost veel, zeer veel bestond hetwelk verkeerd was, en men verbeteringen langs den langen weg en niet met schokken moet verkrijgen. Ook onder koning Willems bestuur heeft zich ons gouvernement op Bali krachtig doen gelden en de opstandelingen aldaar overwonnen. Zij, die aan de expeditie hebben deelgenomen, hebben daarvoor een zilveren gedenkteeken ontvangen, hetwelk ze aan een groen- en oranjelint op de borst dragen.


ACHTSTE HOOFDSTUK.


Het feest van Neerlands onafhankelijkheid.

„Alweer een feest?” hoor ik u uitroepen. En ik antwoord: ja, alweer een feest en wel weer een nationaal feest. Tot het eigenaardige van koning Willems regeering mag dan ook wel het vieren van feesten genoemd worden. Vooral sedert het jaar 1863 is de Nederlandsche natie verzot op feesten geworden. Kan het anders? Behalve dat de nationale gedenkjaren van 1863, 65, 72 en 73 daarin vielen, zijn er tal van zaken, die hier en daar de aanleiding hebben gegeven tot feestelijkheden. Landbouw- en andere tentoonstellingen, congressen, opening van groote werken, 't oprichten van standbeelden voor groote mannen, ze hebben allen aanleiding gegeven tot feesten. En is 't niet veel beter, dat een volk om zulke vreedzame gebeurtenissen feestviert, dan dat het zulks doet om een overwinning, die duizende ouders kinderloos gemaakt, duizenden in de kracht van hun leven verminkt heeft! Is 't niet beter het buskruit te besteden aan prachtige vuurwerken, dan om het te gebruiken tot slachting van zijn medemenschen? Is de gloed der lampions bij een illuminatie niet veel schooner dan die van een Straatsburg, door 't Pruisisch kanon in brand geschoten? Gelukkig dus 't volk van Nederland, dat zijn geld besteedt aan feestvieren!

Van standbeelden gesproken; daar we toch aan 't praten zijn over de regeering van koning Willem den derden, wil ik u eens opnoemen, welke er alzoo onder zijn regeering zijn opgericht. Een voor den grooten historieschilder Rembrand van Rijn, te Amsterdam ('54), voor den volksdichter Tollens, te Rotterdam ('59), voor den schilder Ary Scheffer, te Dordt ('62), voor Joost van den Vondel, te Amsterdam ('67), voor Hogendorp, te Rotterdam ('68), en voor Boerhave te Leiden ('71). Behalve deze standbeelden nog 't monument van den volksgeest in 1830 en 31, op den Dam te Amsterdam ('56), dat ter herinnering aan 1813, in 't Willemspark te 's-Gravenhage ('63), en dat tot aandenken aan de inneming van Den Briel in 1572 ('72). Doch zoo pratende, zou ik mijn verhaal vooruitloopen.

We verbeelden ons dan in 't laatst van de maand Maart van 't jaar 1872 in een welvarend dorp te zijn, niet ver van Den Briel. We treden het dorp binnen en begeven ons naar de herberg. Terwijl we 't noodige bestellen, en de dochter van den kastelein ons helpt, maken we een praatje met haar vader.

„Een mooi dorp, kastelein,” beginnen we. „En 't ziet er welvarend uit ook.”

„Nu, dat zou ik denken,” antwoordt hij. „Je hebt hier boeren, die voor geen ton of wat opstaan. Daar wordt hier vandaan ook wat naar Engeland gezonden.”

„En daarvoor moeten wij alles duur betalen.”

„Ja, meneer! Wat zal ik u zeggen? 't Is in de laatste jaren al wat duurder geworden. En voor groote huishoudens is 't zeker een toer om rond te komen. Daar hadt je nog gisteren de dominé....”

„De dominé. Hé, kastelein, wie staat hier als dominé?”

„Dominé Veldhuis, een knap en geleerd man, al is hij een beetje verdraaid van figuur.”

„Dominé Veldhuis? Weet je ook soms of hij B. Veldhuis heet?”

„Jawel, mijnheer; B. Veldhuis. Hij is verleden jaar in 't voorjaar hier gekomen en bevalt uitstekend.”

„Wel man, het doet me pleizier, dat ik het hoor. Die dominé Veldhuis is een oude kennis van mij. Hoe maken 't zijn vrouw en zijn drie kindertjes?”

„Zijn drie kindertjes! Nu kan ik wel merken, dat mijnheer de kennis niet met hem heeft aangehouden. Hij heeft er al zes.”

„Kom, dat doet me pleizier, kastelein. Ik heb dien dominé Veldhuis reeds als een jongen van veertien, vijftien jaren gekend. Toen was 't al een vlugge knaap, dat verzeker ik u.”

„Dan heeft mijnheer hem al een heelen tijd gekend. Hij zal nu zoo wat naar de veertig loopen. En kent mijnheer zijn vrouw ook?”

„Welzeker, dat is een Amsterdamsche. Och, man! Die heele familie ken ik van haver tot gort. Sedert het jaar '65, toen de mama van mevrouw Veldhuis stierf, heb ik echter niets van hen gehoord. Maar het doet me plezier, dat de dominé hier staat. Ik ga hem straks eens opzoeken.”

„Dan zal mijnheer er het huis vol volk vinden. Een broer van den dominé uit Brakel logeert er met vrouw en twee kinderen, en mevrouws broer uit Amsterdam met vrouw en drie kinderen.”

„Wel, wel! dan is het een huishouden van zeventien personen! Die broer en die zwager van den dominé zijn ook oude kennissen van mij. Als ik dat van nacht had kunnen droomen, dan zou ik een voorspellende geest gehad hebben! Kijk; ik ben recht blij, dat ik hier gekomen ben. Want ik stel machtig veel belang in die menschen.”

„Geen wonder, als men iemand zoolang gekend heeft!” herneemt de kastelein, terwijl zijn dochter het gevraagde brengt, en we 't nu te druk hebben met eten en drinken, om 't gesprek verder voort te zetten.

En thans, na ons behoorlijk gerestaureerd te hebben, stappen we naar de pastorie van dominé Veldhuis. We schellen aan. Een knaap van twaalf jaren doet ons open.

„Is dominé Veldhuis te spreken?” vragen we den blonden krullebol, die ons met zijn helderblauwe oogen zoo schalksch aankijkt.

„Wel zeker, mijnheer,” antwoordt de knaap. „Wil u maar in de zijkamer gaan. Papa zal wel dadelijk bij u komen.”

„Papa? Ben jij dan Ernst, de oudste zoon van den dominé?”

„Om u te dienen, mijnheer,” antwoordt de knaap. „Maar hoe kent u me? Ik weet niet, dat ik u ooit gezien heb.”

„Ik jou wel. Maar dat is nu ruim acht jaren geleden. Toen was je nog een klein kereltje van een jaar of drie. 't Was bij gelegenheid van de Oranjefeesten, toen je bij grootmama de Winter logeerdet.”

„Ja, mijnheer, daar weet ik niets meer van. Dat begrijpt u wel.”

„Dat laat zich hooren. En hoe maakt het uw zusje Frédérique? Dat zal ook al een heele meid zijn.”

„Die is al elf jaar, mijnheer, maar ze is niet groot voor haar jaren, zegt papa.”

„Nu, jij bent des te beter uit de kluiten gewassen, Ernst.”

„Wat is er toch, Ernst?” roept een vrouwenstem uit de geopende deur der tuinkamer. „Is 't weer zoo'n venter? Zeg hem toch, dat wij niets noodig hebben. Al wat we gebruiken, nemen we hier op het dorp, of laten we uit Den Briel komen.”

„Neen, mama! 't Is een heer, om papa te spreken.”

„Laat mijnheer dan in de zijkamer, en roep papa. Hij is in zijn studeervertrek.”

„En ik zal maar in de huiskamer komen, Margot,” roep ik uit, en op 't zelfde oogenblik komt onze goede Margot, die ge niet zoudt herkennen, zoo gezet is ze geworden, maar die altijd nog hetzelfde vriendelijke gezicht en haar lieve stem heeft, naar mij toe.

„Zijt gij 't, mijnheer! Wel, eer had ik verwacht, koning Willem den derden in eigen persoon voor mij te zien, dan u.”

„Ja Margot. Evenzeer had ik eerder gedacht, Zijne Majesteit hier te vinden dan u en uw man. Ik hoorde het toevallig in 't logement, en kon niet nalaten, u eens een visite te maken.”

„Daar doet ge goed aan, mijnheer,” antwoordt Margot. „Maar sta, als 't u belieft, nu niet langer op de vloermat, en kom in onze huiskamer. 't Is hier wel de doove of 't huis vol volk, maar hoe meer zieltjes, hoe meer vreugd.”

„Dat zeg ik ook, Margot. En daarom zal ik mij ook maar terstond in de pret begeven.”

Wat we nu al zoo verder babbelen, laat ik rusten. We zullen dus maar eens doen, alsof we een generaal waren, die zijn troepen de revue laat passeeren.

Eerst de kinderen van dominé Veldhuis.

Ernst hebben we reeds ontmoet. Ik moet u evenwel nog iets van hem zeggen. Hij is een ferme jongen, die aanstaanden September naar de Latijnsche school in Den Briel zal gaan, en stellig in de tweede klasse zal komen; want papa heeft hem al vrij wat van 't Latijn geleerd. De elfjarige Frédérique is een allerliefst meisje. Ze zal met oom en tante de Winter mee naar Amsterdam trekken, om daar een jonge juffrouwenschool te bezoeken; want mama vindt het minder geschikt, haar naar Den Briel te sturen: daar ze dan door alle wind en weer heen zou moeten. De tienjarige Marie is bijna zoo groot als Frédérique; ze is echter minder vlug, ook heeft ze nog een jaar den tijd, om gelijk te zijn met haar zuster. De drie andere kinderen zijn de achtjarige Sophie, die evenals Marie en haar zesjarig broertje Willem op de dorpschool gaat; 't jongste kind van dominé Veldhuis, Anna, is nog bij mama thuis.

Marie de Winter is net een goed vriendinnetje voor haar oudste nichtje Frédérique. Ze is dan ook wat blij, dat dit naar Amsterdam zal meegaan; want aan haar ondeugenden broer Henri en aan den kleinen achtjarigen Leonard heeft ze niets. „Die Henri,” zegt ze tegen Frédérique, „is grootpapa's lieveling en dien heeft hij braaf bedorven. Die grootpapa heeft zijn naamgenoot allerlei ondeugende streken geleerd.” Zoo erg als Marie 't nu maakt, is het wel niet; maar zeker is het, dat de kleine Henri bij grootpapa een potje breken kan, en dat deze meer van hem houdt dan van al zijn kleinkinderen; zelfs van de drie van Emile en Emma, die toch bij hem in huis wonen. Onze goede oude kapitein de Bosson is nu drie-en-zestig jaar; maar hij lijdt het grootste deel van 't jaar aan rheumatiek, hetwelk hem wel eens heel lastig van humeur maakt. Gelukkig, dat hij in Emma een schoondochter heeft, die veel van hem kan velen, en hem meestal weet op te beuren en op te vroolijken. Hij houdt dan ook zielsveel van haar, er zou maar eens iemand moeten komen, die een kwaad woord van haar zeide—de oude rheumatieke kapitein zou in staat zijn, hem op de punt van zijn degen te dagen. Florence zegt wel eens spottend, dat zij nu geheel bij papa achterligt; maar dat meent ze niet, en ze is wat gelukkig, dat haar goede papa zulk een lieve schoondochter heeft. Die Florence is nog altijd even vroolijk en opgeruimd, als toen we haar voor 't eerst ontmoetten; en ofschoon ze haar zesendertigste jaar reeds achter den rug heeft, lijkt ze veeleer op vierentwintig. Gustaaf en Bernard zijn ouder geworden, dat kan men hen duidelijk aanzien, ook Frits Veldhuis en zijn vrouw, wier beide oudste kinderen, Ernst en Marie, mede bij oom den dominé te logeeren zijn. Die Ernst zou u echter niet bevallen. 't Is een goede lobbes van dertien jaren, maar een broer in optima forma. Dat scheelt wat bij oom Bernard, toen we hem op dien leeftijd in Amsterdam ontmoetten. Den dag bij den nacht! En Marietje is wel wat onplezierig van humeur: ze schijnt niet erg tevreden te zijn; ook kan ze niet best met de anderen overweg. Ernst van den dominé noemt haar „een kribbebijter,” en Frédérique zegt, dat ze „zoo zuur kijkt, alsof er een paar flesschen azijn vóor haar staan.”

En zoo zijn we, nu ongeveer drie en twintig jaren nadat we aan 't station aan den Hollandschen spoorweg voor 't eerst kennis maakten met onze vrienden, in een geheel nieuw geslacht gekomen, en vinden we de kinderen van hen, die toen kinderen waren, als nieuwe kennissen terug. Dat is wel aardig, vooral als we daarbij eens berekenen, dat wij in dien tijd niet zooveel ouder zijn geworden. Want zoolang toch is 't nog niet geleden, sedert we daar voor 't eerst Gustaaf en Margot hun neef en nicht Bernard en Florence zagen begroeten. Zie, dat is 't voordeel, wanneer we in den geest iets bijwonen.

Doch waartoe zijn we nu in het dorp bij Den Briel en waarom zijn zooveel logé's bij dominé Veldhuis? Ik zal 't u zeggen.

Nu ruim driehonderd jaren geleden lag ons lieve Nederland in ijzeren boeien. Toen was er een man, een Willem van Oranje-Nassau, die de groote ideé opvatte, om een door de onderdrukking vernederd volk op te heffen. Die Willem van Oranje-Nassau was een voorzaat van onzen Willem den derden. De zaak stond hopeloos: 't was ook een strijd tusschen een kleinen prins en den machtigen reus, die over Spanje en Amerika gebood. En ziet, overmorgen zal het driehonderd jaren geleden zijn, dat een hoop zeeschuimers, waaronder de edelsten van ons volk, den eersten steen legden tot de onafhankelijkheid van onze natie, dat de eerste lichtstraal in dien stikdonkeren nacht doorbrak: op den eersten April zal het driehonderd jaren geleden zijn, dat Brielle door de Watergeuzen werd ingenomen! Geheel Nederland zal dien eersten April met opgewondenheid vieren; overal zal het feest zijn, een nationaal feest, niet minder dan dat van 1863. Maar wij willen ons naar de kern van dat feest begeven, naar Den Briel. En evenals het Paaschfeest het feest is van de opstanding van onzen Heer, en daardoor de verrijzenis van de menschheid uit den stikdonkeren nacht waarin zij verzonken lag; zoo zal de tweede Paaschdag voor Nederland het feest zijn van zijn verrijzenis uit de boeien van schande en smaad, waarin het onder de Spaansche dwingelandij geketend lag.

We zouden dat feest overal kunnen medevieren. Maar daar we ons hebben voorgesteld, voor u een gedenkboek van de vijfentwintigjarige regeering van koning Willem den derden te schrijven, moeten we ons naar Den Briel begeven, waar het Hoofd van onzen Staat, even als voor negen jaren, zal toonen, dat Hij en zijn Huis zoo nauw met ons volk en ons volksbestaan zijn verbonden, dat, als Nederland feestviert, ook Oranje daar deel in neemt. We laten dus den eersten Paaschdag stil voorbijgaan, begeven ons naar de kerk, waar dominé Veldhuis, dien we als een wakkeren vaderlander kennen, een warm woord tot zijn gemeente spreekt, en gaan met de geheele familie, behalve den achtjarigen Leonard de Winter en de drie jongste kinderen van den dominé, op den vroegen morgen van den eersten April naar Den Briel. We hebben dus gezelschap genoeg.