„Daar is al weer wat gebeurd, sinds we u voor 't laatst zagen, mijnheer,” zegt dominé Veldhuis, dien we gerust een wandelenden kalender zouden kunnen noemen, zoo houdt hij zich steeds op de hoogte van zijn tijd. „Daar hebt ge vooreerst de scherpschutterijen.”
„Maar dominé!” roep ik uit. „De scherpschutterijen. Dat is soldaatjespelen.”
„Zoo beschouwt Zijne Majesteit de koning het toch niet,” antwoordt Veldhuis ernstig. „Ge vergeet, waaraan die scherpschutterijen hun oorsprong te danken hebben.”
„Aan den lust om soldaatje te spelen, dominé. Als 't land eens in gevaar kwam, dan zullen die dappere scherpschutters wel naar hun schoenen moeten zoeken.”
„Zeg dat niet, mijnheer,” herneemt de dominé. „Toen in 't jaar 1870, tijdens den Fransch-Pruisischen oorlog, ons land een gewapende neutraliteit aannam; toen de vrees voor Pruisens annexatiegeest ook hier vele gemoederen vervulde, toen greep de bloem onzer natie, de jongelingschap die niet tot den dienst verplicht was, naar 't geweer, en vormde vrijkorpsen, wier leus Oranje en Nederland was. Dat was een goed, 't was een manhaftig besluit. Zoo ontstond er, nevens ons leger, een aanzienlijke krijgsmacht, die 't geweer kon behandelen, en in tijd van nood, haardstede en altaren verdedigen. En onze goede koning Willem de derde begreep, welk een edele krachtsontwikkeling dit was, en door hun concoursen bij te wonen, door prijzen uit te loven, door hen te erkennen als gevestigde genootschappen, heeft hij 't vaderland een dienst bewezen.”
„Ge hebt gelijk, dominé. Ik vind echter de oprichting en de werkzaamheden van 't Roode kruis vrij wat meer onzen eerbied waard.”
„Alles op zijn tijd, mijnheer. Terwijl 't Roode kruis naar de elkander vijandelijke volken toeging en daar de wonden heelde, welke de oorlog geslagen had, vormden zich hier de scherpschutterijen. Ook 't Roode kruis roem ik als een van de gewichtige gebeurtenissen, onder koning Willems regeering voorgevallen, en we weten genoeg, hoezeer Zijne Majesteit daarmede is ingenomen en hoe hij 't ondersteund heeft. Maar de bescherming, welke hij aan de scherpschuttersvereenigingen verleent, is evenzeer tot eer en roem zijner regeering. Doch laat ons van dit punt afstappen, en zeg mij, wat ge denkt van de afschaffing der doodstraf?”
„Een teeken, dat Nederland den geest van Christus heeft begrepen, die niet wil dat iemand verloren ga, zoolang er nog redding voor hem mogelijk is. Na 't afschaffen van geeseling, brandmerk en tepronkstelling moest ook die van de doodstraf natuurlijk volgen.”
„Toch heeft dat nog jaren geduurd; zij is echter een nieuwe parel aan de kroon van Willem den derden, daar hij 't besluit heeft mogen onderteekenen, waarbij wordt afgeschaft, dat de eene mensch (al is het dan ook rechterlijk) in koelen bloede zijn evenmensch het leven ontneemt. Alsof een mensch, al is hij ook een koning, recht heeft op iets, wat alleen God heeft geschonken en Hij alleen kan ontnemen!”
„Ik ben 't volkomen met u eens, dominé. En ik zegen het, dat onze natie dat besluit genomen heeft, toen er elders duizenden in koelen bloede op 't slagveld vermoord werden. Maar, waardoor ook 't jaar 1870 voor mij merkwaardig is geworden, is niet alleen door de oprichting van scherpschutterijen, niet alleen door den arbeid van 't Roode kruis en de afschaffing van de doodstraf; maar nog door iets anders, waarvan we schier dagelijks de weldadige gevolgen ondervinden.”
„En dat is, als ik u vragen mag?” zegt dominé Veldhuis.
„Aha! daar heb ik nu onzen knappen dominé Veldhuis eens gevangen. De man, die altijd zoo goed op de hoogte is, weet niet wat er nog meer in 1870 gebeurd is. Kom, beste dominé, roep uw geheugen eens te hulp!”
„Ik weet waarlijk niet, wat ge meent, mijnheer. Help mij uit den droom.”
„Wel, de wet op de posterijen,” antwoord ik.
„En hecht gij daaraan zulk een groote waarde?” vraagt de dominé.
„De grootste waarde, dominé. Wat is toch belangrijker, dan een gemakkelijke correspondentie?”
„Nu ja, die had men vroeger ook,” antwoordt de dominé. „Reeds in 1850 werd het port verminderd van 30 op 15 cents en vijf jaren later op 10 cents. Acht gij nu de vermindering op 5 cents van zulk een groot belang?”
„Van hoog belang, dominé,” antwoord ik. „En wel, omdat nu alle ingezetenen van 't Rijk dezelfde rechten hebben verkregen. Een voorbeeld: vóor 1870 zondt ge een brief naar Den Briel, en men betaalde er 5 cents voor, omdat de stad in uw postcirkel lag; maar was het adres naar Amsterdam, dan moest men er 10 cents voor betalen. Was dat nu rechtvaardig van een rijksinstelling? Even goed als een telegram door 't gansche rijk met 30 cents betaald wordt, moet ook het briefport voor allen gelijk staan. 't Land is uw brievenbode, maar mag geen afstand berekenen.”
„Ge hebt gelijk, mijnheer. En wat de gedwongen frankeering aangaat, daar heb ik volkomen vrede mee. Ik ontvang nu geen onbelangrijke brieven meer, waarvoor ik een dubbeltje moet betalen; en niemand zal meer klagen over de missives, welke ik hem schrijf; want ze kosten hem geen duit.”
Onder dergelijke aangename gesprekken reden we Den Briel binnen; want ik heb u vergeten te zeggen, dat dominé reeds dagen te voren voor een fermen janplezier had gezorgd, waarin we met ons twaalven ruim konden zitten.
We rijden dan Den Briel binnen, en stallen ons rijtuig en onze paarden. Eerst gaan we eens rondwandelen. Wat ziet er hier alles feestelijk uit! Nooit is Brielle zoo schoon geweest. En we schijnen het nog te treffen met het weer! 't Lijkt wel, dat de plasregens van de vorige dagen hebben opgehouden, zoo vriendelijk schijnt de zon. Frits Veldhuis, de buitenman, zegt wel, dat hij het weer niet veel vertrouwt; maar dat heeft hij van morgen toen we uitreden ook al gezegd, en die buitenlui zijn toch ook maar profeten, die brood eten.—Daar in Den Briel zijn ze ook al vroeg opgeweest evenals wij; de kastelein ten minste vertelt ons, dat reeds om 7 uur de donder van 't geschut en 't gelui der klokken den aanvang van 't feest verkondigd heeft.
„Wat mij aangaat,” voegt hij er bij. „'t Was mij niet te vroeg; want we zijn den geheelen nacht niet naar bed geweest. Ons heele huis is vol logé's en we zullen vandaag geen handen genoeg hebben, om al de gasten te bedienen!”
Of die olijke kastelein ook mazematten zal maken! Nu, hij is de eenige niet, dien 't feest van Brielle geld als water doet verdienen!
„Dan ben jelui vroeg genoeg begonnen,” zegt dominé Veldhuis.
„Dat moest ook wel,” antwoordt de kastelein. „Want tot eer van Den Briel moet ik het zeggen: de dag is aangevangen met een werk van liefdadigheid. Op een dag als heden moet er geen enkele Briellenaar zijn, die niet mee feest kan vieren. Van morgen om halfacht zijn al de armen op de daartoe bestemde plaats van een goed maal voorzien.”
„Dat is nobel, en recht in den geest der Nederlanders,” zegt dominé Veldhuis. „Dan kunnen ze eens van goeder harte feestvieren; want met een leege maag gaat dat niet bijzonder.”
De godsdienstoefening in alle kerken is bepaald van negen tot halfelf. Druk worden ze ditmaal niet bezocht, ofschoon de herinnering aan vóor 300 jaren de gewone Paaschpreek vervangt. Maar er is ook zooveel te zien! Immers geheel Brielle is met groen, oranje en vlaggen versierd. En om negen uur worden de eerste booten verwacht. Toch stappen we even de Roomsche kerk binnen, en zien tot ons genoegen, dat de kaarsen op het altaar met oranje en groen versierd zijn, en een paar schilden ons aan de jaartallen 1572 en 1872 herinneren. Dat doet ons plezier: want bij een feest als de herinnering aan de vestiging onzer onafhankelijkheid, komt immers geen verschil van geloofsbelijdenis te pas. Daar bulderden de saluutschoten en alles stroomt naar de haven; ook wij laten ons derwaarts voeren. O, jammer! Daar begint het te regenen, en met een zegevierend gelaat roept Frits Veldhuis uit:
„Nu, heb ik niet goed voorspeld? Een geluk, dat je mijn raad gevolgd en parapluies meegenomen hebt.”
En waarlijk een geluk was het, dat we naar den raad van den ongeluksprofeet geluisterd hebben; want het is een plasregen. 't Is alsof 't water met bakken van den hemel valt.
„Goed om 't groen frisch te houden,” zegt dominé Veldhuis. „Dat hebben we nu voor onze pekelzonde, omdat we niet naar de kerk zijn gegaan. Daar hadden we ten minste droog gezeten.”
„Als 't er niet lekt,” meent Florence ondeugend. „Maar wie had ook zoo'n bui verwacht?”
„Ik,” zegt Frits Veldhuis, die de eenige van ons is, wien de regen genoegen schijnt te doen; alleen omdat zijn profetie is uitgekomen.
„In alle gevallen zijn we er met onze parapluies toch beter aan toe, dan de arme feestgangers, die geen weerprofeet bij zich gehad en te veel op 't Aprilzonnetje vertrouwd hebben,” zegt Florence. „Wat worden die arme menschen nat! En met dat natte pak mogen ze den ganschen dag loopen! Inderdaad geen buitenkansje!”
„Toch eer een buiten- dan een binnenkansje,” merkt dominé Veldhuis aan. „Ik vrees echter, dat er van 't laatste ook genoeg gevaar is, en vandaag menigeen van binnen niet minder nat zal zijn dan van buiten.”
„En dan die metalen kruisridders, die daar uit de Rotterdamsche boot ontscheept worden. Eer ze aan 't feestlokaal komen, zijn ze even druipnat als de huzaren, die ze hebben afgewacht om hen derwaarts te vergezellen,” zegt Florence.
„Nu, ik ga naar 't logement terug,” zegt Margot. „'t Is me hier al te lekker, en ik zou kans hebben, dat al dat regenwater mijn geestdrift voor den heelen dag verkoelde.”
„En ik ga met u mee,” voegt Florence er bij. „'t Is inderdaad voor ons, vrouwen, geen weer om hier te blijven staan.”
En zoo keeren we voorloopig naar 't logement terug, om na kerktijd bij een der dominé's te gaan, die zijn collega met diens gezelschap had uitgenoodigd; maar bij wien we toch onder kerktijd slecht konden komen. We verlaten nu onze goede vrienden voor eenigen tijd en laten hen in 't logement, terwijl wij ons met een der leden van de hoofdcommissie, een goeden kennis van ons, naar 't kleine feestlokaal begeven. Dat feestlokaal ('t is de openbare school op de Lijnbaan) is met groen en vlaggen versierd. Hier worden de Utrechtsche commissie voor 't Asyl nu de sub-commissiën ontvangen.
Daar neemt de secretaris der hoofdcommissie, de heer Jager, het woord. „Welkom! Welkom! gij allen,” zegt hij, „op den klassieken bodem, waarop wij thans staan, een bodem, die ons de tirannie der Spaansche beulen herinnert, ons gezonden als antwoord op de smeekbeden der landzaten, om verlichting van den druk.” Daarop roept de spreker ook de „Vlaamsche” broeders, die in grooten getale zijn opgekomen, een hartelijk welkom toe, en brengt in herinnering, hoe in den geuzenstrijd ook veel Vlaamsch bloed was gestort. Daverende toejuichingen klinken door de feestzaal. En nu de heer Jager zijn toespraak sluit met de woorden: „Heil zij het vrije Nederland onder het geliefde Huis van Oranje!” schijnt er aan 't uitbundig gejuich geen einde te komen.
Daar opent de heer de Geijter uit Antwerpen den mond. Warm en bezield is zijn taal. Hij erkent het, welke groote verplichtingen ook de Zuid-Nederlanders hebben aan den heldenmoed van 't voorgeslacht, en verzekert, dat ook in België's groote steden, vooral in Antwerpen, de eerste April wordt gevierd, in zijn stad misschien niet minder dan in sommige Noord-Nederlandsche steden.
Dat is een goed, een hartelijk woord geweest van dien Antwerpschen broeder. 't Is of men den regen vergeet, die kletterend tegen de glazen van 't lokaal aanslaat. Met geestdrift wordt de eerewijn aangenomen, met geestdrift een luide dronk aan koning Willem den derden gewijd.
We hebben, door tegenwoordig te zijn in dat feestlokaal, verzuimd om ons naar het terrein te begeven, waar de volksvermakelijkheden plaats hebben, en de acrobaat Hart, ondanks den neerplassenden regen, zijn toeren aan een deel van 't volk ten beste geeft. Het spijt ons niet; we hebben ons hier niet alleen droog bevonden, maar tevens een vaderlandsch genot gesmaakt.
't Is intusschen elf uur geworden, de regen heeft opgehouden, en 't is als wil de zon doorbreken. Nu zouden we wel weer naar 't logement willen terugkeeren; maar daar zullen we onze vrienden niet vinden: dewijl die zeker reeds bij den collega van dominé Veldhuis zijn, en misschien zich al op marsch naar of op de tribune bevinden; want als we goed verstaan hebben, dan zal deze hen op het feestterrein brengen. We sluiten ons dus bij den trein aan, die juist om elf uur, met de muziek van 't korps veldartillerie voorop, derwaarts marcheert. Reeds om halfelf is dat feestterrein, hetwelk zich op het Maarlandsplein bevindt, voor hen die van toegangsbewijzen voorzien zijn, geopend.
Ziezoo, daar zijn we er. Gelukkig was 't van boven droog. Maar van onderen? Menigeen zal van daag last hebben van koude voeten. In vredesnaam! Als 't hart maar warm blijft. En daar zal wel voor gezorgd worden. 't Ziet er goed uit, dat feestterrein, niet waar? Kijkt nu eens, die toren aan onze linkerhand is die van de groote hervormde kerk. Van dezen toren nu heschen de Watergeuzen van daag vóor drie honderd jaren het eerst de prinsenvlag. Hoe vroolijk wappert ze daar nog na drie eeuwen. Toen waren de Briellenaars in angst en vrees, toen waren ze (en niet ten onrechte) bang voor die woeste zeeschuimers,—en, waren er onder hen niet zooveel edele en rechtschapene mannen geweest, hun vrees zou bewaarheid zijn geworden—thans juicht al wat Briellenaar is en verheft de namen van diezelfde piraten, die den eersten straal der vrijheid uit den donkeren nacht deden te voorschijn komen.
Doch laat ons nu het terrein eens bekijken. Naar de zijde der Voorstraat ziet gij de koninklijke tribune, prachtig met rood fluweel, de kleur van 't Brielsche wapen gedrapeerd. Ge ziet dat wapen, een roode verticale balk op een wit veld, boven op de tribune aangebracht. Ter wederzijde, aan elken kant vier tribunes, voor de genoodigden, elke met het rijkswapen en een tropee van vlaggen versierd. 't Geheel is omgeven door de wapens der Nederlandsche provinciën. Op een dertigtal schreden afstands staat, midden vóór de koninklijke tribune, het spreekgestoelte van den redenaar, den Leidschen hoogleeraar M. de Vries, gedekt door een driekleurig afdakje, en links van daar de plaats, waar de eerste steen voor 't monument zal worden gelegd.
„Hé, mijnheer! U ook al op het terrein!” roept een stem uit de algemeene tribune. 't Is die van Margot. „Kom bij ons,” vervolgt ze, „of ge moet een beter plaatsje kunnen krijgen.”
„Waar kan men beter zijn dan bij zijn beste vrienden!” roep ik, verlaat mijn vriend van de Hoofd-commissie, die het veel te druk heeft om op mij te letten, en zit weldra heel plezierig te midden van onze oude vrienden.
„'t Is veel beter, dat u maar hier gekomen is, mijnheer,” zegt Florence. „Want kijk eens, u steekt met uw winterjas zoo af bij al die heeren met hun zwarte rokken.”
„En wij niet minder bij al die dames in haar feesttoilet,” voegt Margot er bij. „Daarom hebben we ook maar op de achterste bank van de tribune plaats genomen. We zouden er anders zoo mal bijzitten.”
„Hoe laat komt de koning?” vraagt Ernst van den dominé.
„Volgens 't programma om halftwaalf,” antwoordt zijn vader. „'t Kan echter wel iets later worden.”
„Wat zijn dat voor kleine hokjes, papa, daar aan weerszijden van de tribune?” vraagt Henri de Winter. „De heeren die daarin zitten, hebben lessenaars voor zich en schijnen wat te moeten schrijven.”
„Dat zijn de tribunetjes voor de verslaggevers der dagbladen, Henri,” antwoordt Gustaaf. „Er zijn ook correspondenten van buitenlandsche bladen onder.”
„En wat moeten die dan schrijven?” herneemt de knaap.
„Wel, alles wat hier voorvalt; ook wat er gesproken wordt.”
„Maar papa! Zoo gauw kunnen die menschen dat toch niet doen.”
„Dat zou u meevallen, Henri. 't Zijn stenografen of snelschrijvers. Ze schrijven niet met letters zoo als wij, maar met teekens. Later vereenigen zij zich en vergelijken hun opteekeningen met elkander. Zoo gaat het bij ons in den gemeenteraad, in de kamers der Staten-Generaal, kortom, overal waarin 't publiek gesproken wordt en de dagbladen verslag van 't gesprokene willen geven.”
Daar klinken weer kanonschoten. 't Is het sein, dat het koninklijk jacht de haven nadert. Op 't feestterrein is nu alles voltallig, behalve de commissie, die naar 't havenhoofd is gegaan om Z. M. te ontvangen.
„Zou 't nog lang duren, oom, eer de koning hier is?” vraagt Marie de Winter aan oom Veldhuis.
„O, neen! Brielle is geen Amsterdam, waar de einden zoo vreeselijk groot zijn. We zullen niet lang behoeven te wachten; daar kunt ge zeker van zijn.”
En dominé Veldhuis heeft gelijk. Kort nadat het geschut zich heeft doen hooren, kondigt een daverende fanfare van 't orkest der veldartillerie de komst des konings aan. Z. M. is gekleed in generaalsuniform en vergezeld van zijn jongsten zoon, prins Alexander der Nederlanden, die de uniform van zeeofficier draagt. Hij wordt door de geheele commissie ontvangen en naar de tribune geleid, waar ook de heer Fock, commissaris des konings van Zuid-Holland, en de generaal-majoor Schönstedt plaats nemen. Nauwelijks is Z. M. gezeten, of daar heft Brielles mannekoor met begeleiding van 't orkest het Wilhelmuslied aan, op dezelfde wijs als 't hier vóor drie honderd jaren door de trompetters der geuzen werd geblazen, en nu beklimt professor de Vries het spreekgestoelte en houdt een keurige, opgewekte redevoering, aan 't slot waarvan hij Z. M. uitnoodigt om, volgens belofte, den eersten steen te leggen voor de beide gedenkteekenen; het monument en het asyl.
Hierop zingt het mannenkoor de daartoe vervaardigde feestcantate, getiteld: „Hollands glorie”, en volbrengt Z. M. de plechtigheid op dezelfde wijs als bij de brug te Zutfen en in 't Willemspark te 's-Gravenhage. Doch luistert. De koning spreekt tot de commissiën voor 't op te richten standbeeld en zeemanshuis:
„Wanneer mijne woorden gering zullen zijn, gij zult het mij gewis vergeven; want in het oogenblik dat de nazaten van den grooten Zwijger, de nakomelingen van het geuzenvolk zich op deze heilige plek vereenigen, mijne heeren, zijn mijne woorden weinig in getal. Gij moogt het verschoonen; want het is de taal van het hart, dat moeilijk kan uitdrukken de fierheid die het doet kloppen. Ik ben er grootsch, zeer grootsch op, Nederlander te zijn en ik dank u voor de groote eer en het groote voorrecht, welke gij mij wel hebt willen schenken, om den eersten steen te leggen van deze beide heerlijke plannen, welke op deze plek in de toekomst zullen worden verwezenlijkt.
„Leve het Vaderland!”
Welk een oorverdoovend gejuich volgt op deze woorden des konings! Men hoort het schieten van 't kanon niet. Daar heffen de orkesten 't Volkslied aan. Intusschen hebben allen hun plaatsen weer ingenomen, en houdt professor de Vries het slot zijner feestrede, die eindigt met de tegenstelling van de Nederlanders in de 16e en 19e eeuw. Toen: haat en opstand tegen hun vorst—thans: innige gehechtheid en trouw aan hun koning. Een derde feestcantate vervangt deze keurige redevoering.
En nu, nadat Z. M. den feestredenaar bedankt heeft, verlaat hij de tribune en gaat naar 't groote feestlokaal, hetwelk zich daar vlak achter bevindt, en waar 't concert en operettengezelschap van den heer Pfläging van Rotterdam een matinée muzicale geeft. Hier blijft de koning niet lang, hij begeeft zich naar het keurig versierde huis van den burgemeester, G. F. Lette, tevens voorzitter van de commissie, waar een receptie plaats heeft en uit welks vensters Z. M. den optocht zal zien passeeren. In ons tenue mogen wij ons achterafhouden en blijven dus maar bij de familie. We zullen dus ook straks niet met het vijftigtal hooge gasten aan het déjeuner dinatoire aanzitten en weten niet, welke toosten daar worden geslagen. Dat déjeuner dinatoire duurt tot 6 ure, en om halfzeven verlaat de koning de stad Brielle.
Intusschen gaan we naar 't groote feestlokaal, om den troep van Pfläging te hooren en wat te gebruiken. 't Is hier wel wat donker; misschien komt het door de decoratiën, die inderdaad sierlijk zijn. Ziezoo, nu gaan we den optocht zien, die hier langs komt. Ha! daar is hij. We zullen onze attentie slechts op enkele nummers daarvan vestigen. Ziet, die banier van Brielle is door eenige Brielsche dames vervaardigd en aan de hoofdcommissie ten geschenke gegeven ten gebruike bij de feestviering. Die zegewagen, door vier zwarte paarden getrokken, stelt Nederland voor. De vrouw, in wit neteldoek gekleed en den helm op het hoofd, leunende op de grondwet van 1848 en de zijden teugels der door pages geleide paarden in de linkerhand houdende, terwijl ze in haar rechter- den koninklijken schepter torscht, stelt de Nederlandsche maagd voor. Op den wagen zien we de borstbeelden van koning Willem den derden, en zijn doorluchtige gemalin, gekroond wordende door de geniën van den vrede. De wagen ziet er goed uit; ook die tweede, voorstellende de zeevaart en getrokken door vier witte paarden. Het is de reddingsboot Rotterdamsch welvaren No. 1, bemand, als moest ze de équipage van 't een of andere gestrande schip redden. En niet minder is die derde zegewagen, voorstellende de bronnen van Neerlands welvaart: koophandel, nijverheid, landbouw, kunsten en wetenschappen, getrokken door vier bruine paarden, en waarop zich Ceres, Flora en Pomona, met de geniën van kunsten en wetenschappen, koophandel en nijverheid bevinden.
„Maar ik zie er geen enkelen watergeus bij!” roept Henri uit.
„Ik ook niet,” antwoordt Ernst van den dominé. „Een Brielsche optocht zonder watergeuzen!”
„De schrik van 't jaar 1572 zal nog in de Briellenaars zitten!” zegt Frédérique spottend.
„Nu, bij ons in Amsterdam zijn ze dan niet zoo bang voor de watergeuzen,” zegt Marie de Winter. „Ik heb 't programma gelezen, en daar zijn wel degelijk watergeuzen bij.”
„Degelijke watergeuzen?” vraagt Ernst Veldhuis uit Brakel, die 't zeker verkeerd verstaan heeft.
„Och, jongen, ben je mal?” vraagt Marie. „Denk je dan, dat ze die, drie honderd jaren geleden, op sterk water gezet hebben, om ze nu weer te vertoonen?”
„Maar je hebt het toch gezegd, Marie,” herneemt Ernst.
„Ik heb gezegd, dat er wel degelijk van die mannen bij zijn, welke zich als watergeuzen verkleed hebben,” antwoordt Marie. „Maar lieve hemel! Wat wordt de lucht weer donker! Daar straks scheen de zon nog zoo helder.”
„En haalde ze water,” hernam Ernst. „We krijgen weer een buitje.”
„Dan maar naar huis,” zegt de Brielsche predikant. „Zoo zien we meteen den trein nog eens.”
En we zien den trein. Maar hoe? Och! lieve hemel! Nauwelijks zijn we bij den dominé geborgen, of daar slaat het drie uur, en 't is of die klokslag 't sein geeft tot een slagregen. Een letterlijke stortvloed. Die arme maagd heeft nu veel van een kat, die te water is geweest; de sierlijke plooien van haar neteldoeksche japon zijn weggeregend; alles hangt haar druipend langs 't lijf. En nu wij droog daar binnen zitten, is het een koddig gezicht, die druipnatte menschen hier en ginds te zien stuiven.
Vele feestgenooten zoeken plassend en bibberend een schuilplaats op de booten. De tocht is verstoord—de kleuren der vlaggen loopen in elkander—de illumineerglazen staan vol met water—'t vuurwerk zal wel bedorven zijn. En die menschen daar ginds, waar de volksspelen gehouden worden. Wat zullen die mastklimmers, boegsprietloopers, schijfspuiters, zakkeloopers, pap-eters, renners, wat zal die arme Hart nat zijn! Nu, dat is toch jammer!
Gelukkig dat het tegen zes uur weer wat opgehelderd is, en tal van Briellenaars zich naar de haven kunnen begeven, om Zijne Majesteit het vaarwel toe te roepen. En dat geeft hoop op het doorgaan van de illuminatie en (als ze het ten minste nog niet hadden aangeslagen) het vuurwerk.
Wij blijven. Om halfacht wordt de illuminatie opgestoken. Gelukkig is het droog.
„Daar hebben we toch een watergeus,” roept Henri eensklaps uit, toen we voor 't huis staan, aangekocht voor 't Geuzengesticht (het asyl voor verminkte zeelieden.)
„Een leelijke kerel!” zegt Frédérique. „Als ze er zoo hebben uitgezien, behoeft men niet bang te zijn, dat men er verliefd op zal worden.”
„Nu, mooi zijn de meesten wel niet geweest,” hervat Henri. „Denk maar eens aan dien kapitein zonder neus en ooren.”
Inderdaad zien we de afbeeldingen van een dier zonen der zee, door een krans van licht omgeven. Doch we kunnen den geheelen avond niet langs de straten dwalen, en gaan ter afwisseling eens naar de kleine feestzaal, waar evenals in de groote een soireé musicale wordt gegeven, en waar we tegen entrée binnenkomen. Tegen tien ure gaan we naar de plaats, waar 't vuurwerk zal worden afgestoken. En inderdaad, men heeft de voorzorg genomen, om het droog te houden. 't Is een prachtig vuurwerk, bestaande uit dertien nummers. 't Mooist is het tweede, zijnde het Brielsche wapen met de zinspreuk: „Libertatis Primitiae” (de eersteling der vrijheid) door bengaalsch vuur verlicht en omgeven door fonteinen en luchtbolspelen in de vaderlandsche kleuren. Maar 't allermooist is het laatste nummer, de slotdecoratie. 't Bestaat uit zes kolommen, wier basementen met het opschrift Oranje versierd zijn. Door gekleurde vuurlansen worden de jaartallen 1572 en 1872, benevens 1 April voortgebracht. En wat tal van zonnen, wat een menigte vazen, waaruit nationale bouquetten opstijgen. En welk een geweld aan 't slot, dat bouquet van 1200 luchtzwermers en die honderd vuurpijlen! We zijn doof van 't leven. Gelukkig, dat het uitbundig gejuich op die vreeselijke kanonnade volgt; een doodsche stilte zou een te groote afwisseling zijn, en ons angstig doen rondkijken, of hier ook een tweede slag van Sédan geleverd was en 't slagveld vol dooden en gekwetsten lag.
En wij, we nemen afscheid van onze vrienden, die zich naar 't logement spoeden, waar ze hun rijtuig zullen inspannen, om naar huis te rijden. Wij nemen plaats op een der volgepropte stoombooten, om dien nacht in Rotterdam te logeeren.
En terwijl we naar de Rottestad stoomen, herhalen we in ons zelf nog eens het eerste en tweede gedeelte der tweede feestcantate, die we op het feestterrein hoorden zingen:
't Feest van 1 April, door 't geheele land gevierd, had er wederom niet weinig toe bijgebracht, om den band tusschen Koning en Volk te versterken.
Koning Willem de derde, de beschermer der kunst.
We treden, op den 19en Februari van 't jaar 1874, de woning van Gustaaf de Winter binnen. 't Is daar feest. Nu ja, zegt ge, geen wonder: want onze koning is op dien dag jarig, en dan is het feest in elk huisgezin, waar men met koning en vaderland hoog loopt. De 19de Februari en de 17de Juni zijn altijd feesten in Nederland; dan steken de burgers de vlaggen uit; want naast den koning heeft de natie hare edele koningin lief, en, al hebben we weinig van haar in dit boekje gesproken, 't is niet, omdat wij de vorstin, die zoo altijd toont, al wat goed en edel is te beschermen, vergeten hebben; maar omdat dit werkje, blijkens den titel, aan 's konings zilveren feest is gewijd, en dat we dus Zijner Majesteits regeering en wat hij gedaan heeft op den voorgrond moesten stellen. Onze lezeressen en lezers zullen dat wel begrepen hebben, en we kunnen hun daarbij de verzekering geven, dat er, zoowel in de familie de Bosson, als in die van de Winter en die van Veldhuis, warme liefde voor Hare Majesteit woonde. Doch thans ter zake.
We voerden onze lezeressen en lezers op den avond van den 19de Februari 1874 de woning van den heer Gustaaf de Winter binnen, en wanneer we hen naar de zaal geleiden, waar behalve de gaskroon ook de lusters aan den schoorsteen ontstoken zijn, dan hebben we ten minste licht genoeg, om te zien, dat hier een feest wordt gevierd, en wel een feest van jongelieden: want we zien een aardig groepje bij elkander. En daar de beleefdheid eischt, dat we elk der aanwezigen aan een nieuw inkomenden gast voorstellen, zoo willen we dit nu ook doen, met dien verstande, dat we u wat meer van den een en den ander zullen mededeelen, dan zulks wel de gewoonte is, dus ons niet met een bloote opnoeming der namen zullen vergenoegen.
We beginnen met de heldin van het feest, de lieve Marie de Winter, die van daag haar dertienden verjaardag viert. Van de cadeaux welke ze gekregen heeft, zullen we maar zwijgen, hoe gaarne mijn eenigszins nieuwsgierige lezeressen dat ook zouden vernemen; ik kan haar die toch niet laten zien, en ze zouden mij op den koop toe nog maar uitlachen, als ik eens een fout in de beschrijving van al die meisjesartikelen maakte. Liever wil ik u meedeelen, dat Marie een allerliefste meid is en sprekend op haar mama lijkt, die we, nu zoo wat vijfentwintig jaren geleden, op schier denzelfden leeftijd voor 't eerst ontmoetten. Ze kan even ondeugend (altoos in den goeden zin) en even schalksch zijn als haar mama toen was.
Haar broer Henri is nu twaalf jaren, en nog altijd de geprononceerde lieveling van grootpapa de Bosson. In 't leeren aardt hij weinig naar zijn oom Bernard; niet dat hij juist dom is, maar uitsteken doet hij niet in al wat de school betreft—vrij wat meer in een ander vak, en dat heeft hij dan ook gekozen—in het handteekenen. Sedert October jongstleden heeft zijn papa hem op de teekenacademie gedaan en daar vordert hij, volgens 't getuigenis zijner leermeesters, met reuzenschreden. We zullen straks wel hooren, welke plannen papa de Winter met hem heeft. Op 't punt van leeren is zijn tienjarige broeder Leonard hem ver de baas. Oom Bernard zei nog onlangs, toen hij voor een dag of wat over was en den knaap examineerde, dat Leonard, als hij zoo voortging, niet in 't vak van zijn papa moest komen, maar voor de studie moest worden opgeleid. En als dat gebeurt, zal 't me niet verwonderen, of, als we tijd van leven hebben, lezen we nog eens in de courant: „Door Z. M. den koning is benoemd als professor aan de Hooge school te ..., de heer Leonard de Winter.” Nu, dat heeft in alle gevallen nog tijd.
En daar we nu toch aan de huisgenooten zijn, vergeten we de dertienjarige Frédérique Veldhuis, Marie's tweede ik en de lieveling van de familie niet. Frédérique heeft een bijzonderen aanleg voor de muziek en wordt daarin opgeleid. Ook van de plannen, welke er met haar zijn, hopen we straks iets te vernemen. Dat ze een dochter van onze oude vriendin Margot de Winter is, kunnen we dadelijk aan haar zien, wij, die Margot op dien leeftijd gekend hebben. Om zich geheel aan de muziek te kunnen wijden, heeft ze reeds verleden jaar Juli de school verlaten; wel een droefheid voor Marie, die zoo ongaarne haar kameraadje miste en nu den weg naar en van de school alleen moet afleggen, wanneer niet toevallig de uren der muziekles er gelijk mee komen.
We vinden echter nog drie huisgenooten van de familie de Winter in de zaal, al zijn 't dan ook maar huisgenooten voor eenige dagen, namelijk logés. Twee daarvan herkent ge terstond. 't Zijn kinderen van dominé Veldhuis, overgekomen om Marie's verjaardag te vieren: Ernst, die nu reeds den leeftijd van veertien jaren bereikt heeft en op het gymnasium te Brielle de taal der oude Latijnen en Grieken leert, en de twaalfjarige Marie Veldhuis, die ook wat grooter geworden is, sedert we haar, nu bijna twee jaren geleden, voor 't laatst zagen. De derde logé is ook een Ernst Veldhuis; hij is de zoon van den landbouwer uit den Bommelerwaard en door zijn vader bij een heereboer te Apeldoorn besteed, om daar eens wat andere denkbeelden van den landbouw op te doen. Hij is er, sedert hij onder een vreemde leiding is, veel op verbeterd, en niet meer die stijve houten klaas, als toen we hem in Den Briel ontmoetten. In 't gesprek zullen we, om hem te onderscheiden, hem Ernst den boer, en zijn jongeren neef, Ernst van den dominé noemen; 't is maar, omdat onze lezeressen en lezers anders in de war zouden raken. We vinden er nog een Frédérique, en wel Frédérique de Winter, de dochter van oom Emile. Ze is wel pas acht jaren; maar Marie stond er op, dat ze ook zou komen. Leonard en Karel waren nog te jong, die zijn dus thuisgebleven.
Hoewel nu 't liedje zegt:
wil men er bij zulk een gelegenheid ook wel eens een paar vreemden bij hebben. Vreemd zijn ze nu wel niet, ten minste niet in de familie de Winter (ons wel); want het zijn twee vriendinnetjes van Marie: Lucie Brouwer en Angelique Sander; benevens twee vrienden van Henri: Jan van Dalen en Hendrik Korteweg. Daar we geen bijzondere belangstelling voor hen koesteren, bepalen wij ons bij het noemen hunner namen, en hebben hen dus fatsoenlijk aan u voorgesteld. En zoo vinden we dus juist een dozijntje bij elkaar aan de theetafel zitten.
Marie de Winter neemt de honneurs waar; zij schenkt thee.
„Hé, Ernst,” zegt Jan van Dalen op eens tot den Apeldoornschen logé. „Je komt zoo regelrecht uit Apeldoorn. Ik heb wel eens gehoord, dat onze koning daar een school heeft, welke hij geheel en al bekostigt. Is dat waar?”
„Voorzeker,” antwoordt de aangesprokene, „en ik kan u daarvan, als ge 't wilt, wel wat vertellen; daar ik de avondcursus bezoek.”
„O, doe dat, Ernst,” zegt Jan. „Ik heb al zoo lang verlangd, daarvan iets naders te hooren.”
„Het oorspronkelijke doel der school,” hervat Ernst, „die niet te Apeldoorn, maar op 't Loo ligt....”
„Op de buitenplaats van den koning?” vraagt Henri.
„Neen, op het dorp het Loo,” herneemt Ernst, „en wel aan de linkerzijde van de prachtige Loolaan, waarmede men van Apeldoorn naar 't schoone landgoed van Zijne Majesteit wandelt. De school dan is oorspronkelijk een lagere opvoedingsschool, den 3den Mei 1852 geopend ter verspreiding van meerdere kennis onder ambachtslieden en den landbouwenden stand.”
„Bestaat die school al zoo lang!” roept Frédérique Veldhuis uit. „Dat is al twee en twintig jaren!”
„'t Is toch zoo,” hervat Ernst. „En 't aantal leerlingen bedraagt honderd en twintig. Ze is in de eerste plaats bestemd voor de zonen en beambten in dienst van 't koninklijk domein, of als zoodanig gepensioneerd door de twee laatste koningen, en verder voor die van minvermogenden, welke niet te ver af wonen, om hun kinderen, in elk jaargetijde, de school te doen bezoeken. Ze wordt geheel en al op kosten van Z. M. onderhouden. Sedert 1854 is er een teekencursus bijgevoegd en twee jaren later de avondcursus, welke ik bezoek, die van 1 November tot ultimo Maart duurt, en waarop reken-, meet- en scheikunde, benevens bouwkundig teekenen worden onderwezen.”
„En is dat ook geheel op kosten van den koning?” vroeg Henri.
„Alles,” antwoordde Ernst. „Alle drie de verschillende afdeelingen zijn geheel gratis voor de bezoekers. Alleen voor den teekencursus moeten ze voor een portefeuille en voor de dagelijksche teekenbehoeften zorgen.”
„Nu,” zeide Hendrik. „Dat is voor Apeldoorn. Maar voor 't geheele land toont Z. M. een beschermer van de kunst te zijn. Aan jonge schilders, die eenigen aanleg hebben, schenkt hij jaarlijks een subsidie, en jeugdige kunstenaars en kunstenaressen in de muziek worden op zijn kosten buiten'slands gezonden, om aan een der conservatoires, 't zij te Brussel, te Parijs of te Berlijn, voor de muziek te worden opgeleid.”
„Waardoor we hoop hebben, dat ons land in schilderkunst en muziek niet bij andere volken zal achterblijven!” zegt Ernst van den dominé.
Gaarne zou ik met u nog langer bij onze jongelieden vertoeven; we willen echter liever eens zien, hoe ze 's konings zilveren feest vierden. Doch dit in een volgend hoofdstuk.
Het zilveren feest.
„Kom, Marie, word wakker!” zeide Frédérique op den morgen van Maandag den 11den Mei tegen haar nichtje, dat met haar op dezelfde kamer sliep. „'t Is allerprachtigst weer en de zon schijnt al zoo vriendelijk, alsof ze alle langeslaapsters als u ten bedde wil uithalen.”
„Ik was net zoo prettig aan het droomen,” antwoordde Marie, terwijl zij zich uitrekte. „Gij buitenmenschen spookt ook altijd zoo vroeg. Dat kun je maar niet afleeren.”
„Vroeg?” hernam Frédérique. „De Westerklok is daar zoo even zeven uur geslagen. Kom, sta nu maar gauw op. 't Is heden de dag, waarop Hunne Majesteiten in de hoofdstad komen.”
„Nu, als ik daarvoor om zeven uur moet opstaan, dan mag ik 't morgen wel om vier uur doen. Maar, in vredesnaam! Ik ben nu toch wakker, en dus zal ik u uw zin maar geven.”
Allerprachtigst weer! Ja, dat was het in den vroegen morgen van den 11den Mei. En er was dan ook vrij wat volk op de been, om de schoon versierde stad te zien. En wat een tal van vreemdelingen! In de logementen was geen plaats meer te krijgen; ja, vele particulieren hadden tegen groote sommen gelds hun kamers voor drie of vier dagen verhuurd. 't Bracht veel geld in de hoofdstad; maar er is in die dagen ook vrij wat geld besteed. Want Amsterdam was met recht in feestgewaad getooid en de burgerij heeft geen kosten ontzien, om alles mooi te maken. We willen in gezelschap van Frédérique, Marie, Henri en Leonard eens een kleine wandeling door de stad doen.
Eerst gaan we met hen naar de Willemstraat, die er keurig netjes uitziet, met haar slingers van groen en haar drie eerepoorten; dan door een dwarsweg naar de Westerstraat, waar we een door de feestcommissie opgerichte obelisk en een door de bewoners daargeplaatst fraai borstbeeld van koning Willem III zien, gekroond door de Nederlandsche Maagd.
„Die kroon zal van avond met gas geïllumineerd worden,” zegt Henri.
„Nu, dat zal een goed effect maken,” oordeelt Marie. „Doch we kunnen hier niet lang staan kijken; anders komen we niet op onzen tijd aan 't station.”
„Waar zullen we nu heengaan?” vraagt Frédérique.
„Wel naar den prachtigen bloementempel op 't Koningsplein,” antwoordt Henri. „Dan bekijken we meteen de schoone decoratie bij den burgemeester.”
Zoo gezegd zoo gedaan. We wandelen langs 't Singel naar 't Koningsplein; waar we een prachtigen bloementempel zien staan, versierd met de schoonste kinderen van Flora. Daarna gaan we even de Heeregracht op, waar we, onder verschillende prachtige decoratiën, die van den burgemeester van Amsterdam bewonderen, vooral om zijn rijkdom.
„En nu naar de Botermarkt,” zegt Henri.
„Wat is daar te zien?” vraagt Leonard.
„Wel een groote eerepoort met het ruiterstandbeeld van Willem den Zwijger er op,” antwoordt Henri.
Van de Botermarkt gaan we met onze jongelieden naar het Jozua-Daniël-Meyersplein, waar we een oud kasteel vinden opgericht, zoo natuurlijk, alsof het er wezenlijk stond.
„O, dat is prachtig!” roept Marie uit. „'t Doet me denken aan den Dillenburg, 't stamslot der Nassau's.”
„Als ik 't niet beter wist, zou ik denken, dat er zoo straks een stoet van edelen uit de burchtpoort zou te voorschijn komen,” zegt Frédérique; „zoo natuurlijk is 't geschilderd.”
„Maar we moeten voort,” zegt Henri, terwijl hij op zijn horloge kijkt. „Indien we ten minste nog koffie willen drinken, vóor we naar 't station gaan.”
„Mij goed,” antwoordt Marie. „Dan gaan we den Dam over, en zien daar meteen 't versierde monument en de eerepoort.”
„'t Weer schijnt te betrekken,” merkt Frédérique aan, terwijl zij naar de lucht kijkt. „'t Zou me niet verwonderen, of we krijgen regen.”
„O, ongeluksprofetes!” roept Henri uit. „Doch ik vrees, dat je gelijk hebt. 't Zou vreeselijk jammer zijn.”
„Als de koning 't maar droog treft,” wenscht Leonard.
„We willen 't hopen,” antwoordt Frédérique, met de zekerheid van iemand, die lang buiten heeft gewoond. „Ik zou er echter aan twijfelen.”
„Welnu, dan nemen we onze parapluie's mee!” troost Marie. „Als het niet anders is, in vredesnaam.”
We gaan met ons viertal den Dam over; drinken koffie, en wandelen met hen, met parapluie's gewapend, naar 't station.
't Is bij halftwee. Een kanonschot verkondigt ons, dat de trein met H. H. M. M. gearriveerd is. Vergezeld van den prins van Oranje, prins Alexander en Frederik, alsook van den hertog van Saksen-Weimar en diens gemalin, 's konings eenige zuster, komen ze 't station binnen. Amsterdams burgemeester houdt een toespraak, en zijn dochtertje, in 't wit gekleed en met de Amsterdamsche kleuren op ceintuur en strikken, biedt der koningin een prachtigen bouquet aan. 't Zelfde doet de jonge juffrouw Westervoudt, na een aanspraak van den president der feestcommissie.
„Mijnheer de burgemeester,” zegt de koning, terwijl hij dezen hartelijk de hand schudt. „Het doet mij onuitsprekelijk veel genoegen, het vijfentwintigjarig feest mijner regeering in de hoofdstad te zullen vieren.”
En nu spoeden we ons met de jongelui naar 't huis van mijnheer de Winter, om den stoet te zien passeeren. Jammer, dat het regent—wel niet hard; maar toch, er valt vocht. Wat den stoet aangaat, die is uiterst eenvoudig. Na een escadron huzaren en de helft der eerewacht, komt Z. M., omstuwd door zijn adjudanten en gevolgd door de prinsen met de hunne, allen te paard gezeten, aan. Daarachter H. M. de koningin in een open rijtuig met de groothertogin van Saksen-Weimar en prins Frederik, en eindelijk de andere helft der eerewacht.
„Ziezoo! Nu gaan we naar den Dam,” zegt Henri. „We hebben echter tijd in overvloed; want behalve dat de stoet een heelen weg te maken heeft, moet die aan 't Burger-weeshuis nog tweemalen wachten, daar de weezen voor koning en koningin elk een couplet zullen zingen.”
En zoo vergezellen we hen naar den Dam, waar 't geducht vol is, en moeten nog een heelen tijd wachten, eer de stoet de Kalverstraat uit is. Doch daar komt hij onder 't uitbundig gejuich der menigte aan. Jammer, dat het zulk ongunstig weer is; wel zien we H. H. M. M. op 't balkon verschijnen; maar dat duurt slechts kort: de regen jaagt hen spoedig in huis. Dien avond om 9 ure gaan we nog eenmaal naar den Dam, om er door Amstels mannenkoor den „Jubeltoon” van Hofdijk en een paar andere stukken van Hol en Verhulst te hooren zingen. Gelukkig is 't weer goed, en, ofschoon we er niet veel van kunnen verstaan, door 't leven hetwelk de bijeengestroomde menigte maakt, is het toch een aardig gezicht, de zangers met hun verlichting à la giorno te zien aftrekken.
't Is Dinsdagmorgen, en, daar we kaarten voor de kerk hebben gekregen en we er al om acht uur moeten zijn, kunnen we de bidstond in de Westerkerk niet bijwonen. In 't naar de kerk gaan vangen wij nog eenige tonen op, welke de militaire muziek op den Dam doet hooren, in 't programma voor de feestviering „reveille” genoemd.
We treden de kerk binnen, waar we, vijfentwintig jaren geleden, met de ouders onzer jongelieden de inhuldiging bijwoonden. We zullen er nu den koning door de natie hooren gelukwenschen. Een koor van niet minder dan vijfhonderd zangers en zangeressen, begeleid door twee orkesten, zal de feestcantate zingen, door J. J. L. ten Kate vervaardigd en op muziek gezet door Joh. J. H. Verhulst, onder wiens directie de cantate zal worden uitgevoerd. Daar laat zich een fanfare hooren; de vorstelijke familie treedt de kerk binnen en neemt plaats op den troon. In 't midden de koning, naast hem de koningin, aan wier linkerhand de groothertog van Saksen-Weimar en diens gemalin prinses Sophia zich bevinden; aan 's konings rechterhand zitten de prinsen van Oranje, Alexander en Frederik. De stoel van prins Hendrik is ledig, daar deze keizer Alexander II van Rusland tegemoet is gereisd.
Daar doet het orkest het eerste gedeelte van de schoone feestcantate hooren, en plechtig klinken die heerlijke tonen door 't ruime kerkgebouw. Juffrouw Gips van Dordrecht zingt de solo's. Hierop naderen achtervolgens de leden van de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal, die bij monde van hun voorzitters den koning uit naam van het Nederlandsche volk geluk wenschen, waarop de koning antwoordt:
„Mijne heeren! Leden van de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal! Diep geroerd ben ik door de woorden, die het Nederlandsche volk door uw mond tot mij heeft gesproken. Aan de liefde en trouw, Mij en Mijn huis zoo ondubbelzinnig gebleken, wensch Ik te beantwoorden door een ernstig streven om den bloei en den voorspoed van ons aller dierbaar Vaderland te bevorderen. De Almachtige God geve mij daartoe Zijn onmisbare hulp en schenke aan Nederland Zijn besten zegen.”
Daarop nadert de burgemeester van Amsterdam, met de Wethouders en de leden van den gemeenteraad; toen de Commissarissen des konings met deputatiën uit de Provinciale Staten; eindelijk een aantal burgemeesters uit alle oorden des lands, om Z. M. het geschenk van de natie aan te bieden, bedragende een som van ƒ 193.000, waaraan de koning beloofd heeft, een bestemming te zullen geven. En die bestemming is de ondersteuning van de invaliden der land- en zeemacht, zoo in Nederland als in Indië. Met donderend gejuich wordt dat woord des konings begroet. Nu wordt de tweede helft der feestcantate gezongen, waarin de heer W. Deckers Jr. van 's-Hertogenbosch de solopartijen zingt: na 't eindigen daarvan is de plechtigheid afgeloopen.
O, wat een weer, nu we uit de kerk komen! 't Is geen Meiregen—'t lijkt wel November, zoo koud en guur is 't er bij. In vredesnaam; we gaan maar even mee naar 't huis van mijnheer de Winter, waar we de koffie gebruiken, doen onze winterjassen aan en spoeden ons, met een parapluie gewapend, naar 't station van den Rijnspoorweg, om—den Czaar van Rusland te zien aankomen. Dat station is keurig met bloemen getooid. Onze koning komt er met de prinsen, en begroet daar zijn Russischen neef met hartelijkheid. In gestrekten draf gaat het naar 't paleis, van welks balkon de keizer aller Russen een gedeelte van den optocht ziet.
En die optocht! Prachtig en indrukwekkend, wat het historische gedeelte aangaat, en waar we onze zeven stadhouders met hun voornaamste tijdgenooten, allen in het kostuum van hun tijd zien voorgesteld. Jammer maar, dat het zoo regent en de prachtige fluweelen en zijden kleedingstukken pletten of bederven. Onder de nummers van den allegorischen optocht treft ons vooral de vereeniging der goudsmeden met hun prachtige banier, voorafgegaan door hun schutspatroon, den bisschop St.-Eligius, in plechtgewaad en op een wit paard gezeten.
Indien we nu tot de genoodigden behoorden, konden we dien namiddag, lang na 't vertrek van den Czaar, naar 't Paleis voor Volksvlijt gaan, waar van wege 't gemeentebestuur den koning een galadiner wordt aangeboden. Daar onze vrienden er echter niet genoodigd zijn, moeten we ons maar vergenoegen met de vermelding, dat het prachtig is geweest, en de koning er een hartelijken toost op Amsterdam gedronken heeft.
Lang uitblijven bevalt ons ook al niet; wel is de illuminatie hier en daar opgestoken—meestal is zij uitgeregend of uitgewaaid, en waar zij aangebleven is, speelt de wind zoo onbarmhartig met de gasvlammetjes, dat alle effect verloren gaat.
Woensdagmorgen gaan we onder een stortbui naar den Dam, om er vierhonderd weeskinderen te hooren zingen. Wat worden ze tot op hun hemd toe nat, die arme schapen! Beter zijn er die dertien jongens en dertien meisjes aan toe, die om ruim tien ure, uit naam van 400,000 kinderen uit Nederland en Suriname, bij monde van den jongenheer Felix Westerwoudt, Z. M. het voor de door hen bijeengebrachte penningen vervaardigde feestgeschenk aanbieden, hetwelk de koning erkent een der aangenaamste te zijn van al welke hij tot nog toe ontvangen heeft. Niet minder aangenaam is hem dat van de maatschappij „Arti et Amicitiae,” bestaande uit ongeveer honderd prachtige miniatuurschilderijtjes, door verschillende Nederlandsche kunstenaars vervaardigd en, met de gravures en medailjes, in acht keurige lijsten gevat.
Daarna zouden we naar de volksspelen op 't Amstelveld of buiten de Willemspoort kunnen gaan, (want het is gelukkig nu goed weer geworden en 't Meizonnetje schijnt wat lief); we vergezellen onze jongelui liever naar de Plantage, waar we de harddraverij zien, en 's avonds gaan we naar den schouwburg, waar een gala-voorstelling plaats heeft, en „Uitgaan” van Glanor, en „het Meifeest” van Binger worden opgevoerd.
Wanneer we ons nu Donderdag naar de Westerkerk begeven, kunnen we H.H. M.M. in de bank zien zitten, of we gaan naar Artis Natura Magistra, waaraan de vorstelijke familie haar gewone bezoek brengt. Liever echter reizen we met Henri en Marie dien namiddag per spoor naar 's-Gravenhage om daar bij oom August te logeeren en er de feesten bij te wonen.
Wat een regen en wind op Vrijdag den 15en Mei, den dag dat Z. M. binnen de residentie zou worden ingehaald!
„Nu, die heeren van de eerewacht en die schutters zullen maar niet nat worden,” zegt Marie.
„Alsof papa droog zal blijven, die ook met zijn grenadiers gecommandeerd is,” zucht Frédérique de Winter.
„Gelukkig, dat de duizend kinderen van de gemeentescholen, die van morgen al in hun lokalen bijeenwaren, om naar 't Willemspark te trekken en om 't monument te zingen, naar huis gezonden zijn,” zegt mevrouw de Winter.
„En hoe hebben die van Scheveningen het dan gemaakt, mama?” vraagt Frédérique, „hebben die in dat weer heel naar hun dorp moeten terugwandelen?”
„Die zijn in vier wagens van de tramway gepakt, en zoo franco naar huis gezonden,” antwoordt mevrouw de Winter.
Gelukkig wordt het weer wat beter, en begeven we ons naar 't station. We merken, dat de gesloten rijtuigen, die op 't plein stonden, door opene vervangen worden, en treden het stationsgebouw binnen, waar de gewone uitgang prachtig gedecoreerd is tot ontvangst van HH. MM. Daar komt de trein aan. In 't wit gekleede meisjes met kransen in 't haar, bestrooien het pad, hetwelk de vorstelijke personen gaan, met frissche bloemen, of bieden HH. MM. ruikers aan. Na een korte toespraak van 's-Gravenhages burgemeester, zingt de liedertafel Caecilia hun een Welkomslied toe, waarvan de woorden zijn vervaardigd door Jan J. F. Wap, de muziek door Richard Hol.
Nadat de koning aan den directeur van 't mannenkoor zijn compliment gemaakt heeft, betuigt hij aan de ministers, de leden van den Raad, enz. zijn dank voor hun tegenwoordigheid te dezer plaatse, en stapt men in de open rijtuigen.
Daarop rijdt de stoet door de prachtige eerepoort aan de Wagenbrug, door de Wagenstraten, Veenestraat en Hoogstraat, naar 't Noordeinde en zoo naar 't Paleis, waar voor 't met vlaggen versierde ruiterstandbeeld een prachtige eereboog van groen is opgericht, en op het plein voor 't paleis 's middags om halfdrie de zangers van Caecilia, gesecondeerd door een koor van jongens en meisjes en andere Haagsche zangvereenigingen, het Volkslied en daarna een plechtig Te Deum aanheffen.
„Jammer, dat de optocht der jongelui van de Hoogere Burgerschool en 't Gymnasium is afgezegd,” zegt mevrouw de Winter tegen haar man, toen hij thuiskomt.
„Jammer?” vraagt deze. „Ik ben blij voor de jongens. Een nat pak te halen is niet alles. Dat heb ik van morgen ondervonden.”
„En de heeren van den optocht in Amsterdam niet minder, oom,” zegt Marie. „Die dropen, alsof ze in 't water gelegen hadden. De Haagsche regeering heeft dus zeer verstandig gehandeld.”
„Ook de illuminatie zal van avond niet doorgaan,” verzekert mijnheer de Winter. „En dat is ook goed; anders wordt het, evenals in Amsterdam, broddelwerk.”
„'t Is te hopen, dat we morgen mooi weer hebben!” wenscht Henri. „Voor heden zullen we ons dus maar vergenoegen met de volksvermakelijkheden op het Oranjeplein!”
Vergenoegen?—Nu, of we daar pret hebben! Ziet daar eens die kunstenmakers, met hun gymnastische toeren op het slappe en stijve koord, of die, als ware herculessen, zware gewichten tillen. Ginds staan Tobias Bamberg en andere goochelaars hun kunsten te vertoonen aan een verbaasd publiek. Maar 't meeste amuseeren we ons bij die kolossale poppenkast, voor welke groote en kleine kinderen een dolle pret hebben. Gelukkig, dat Henri ons hierheen heeft gebracht; we zouden anders vrij wat gemist hebben.
't Verdere van den Vrijdag brengen we door met het bekijken der prachtige versieringen. Naar den schouwburg gaan we maar niet; ofschoon daar een aardig gelegenheidsstukje van Bigot wordt gegeven, een jubelzang door de liedertafel „Kunstoefening” wordt uitgevoerd, en alles eindigt met een allegorische voorstelling met kooren, door Wijnstok.
Zaterdag is 't mooi weer. En de ingezetenen zijn wat blij, toen hun wordt aangezegd, dat optocht en illuminatie dezen dag zullen doorgaan.
Nu, die optocht van de jongens is alleraardigst. Keurig zijn ze gekleed, en wat gaat alles ordelijk en netjes! 't Is geheel en al een historische optocht, waarbij we prins Willem I en drie zijner broeders te paard zien. En wat is 't prettig, dat ze zulk goed weer treffen! We zien den optocht driemaal; maar zouden hem met plezier nog eenmaal voorbij laten defileeren. Waarlijk, zulk een troep ferme jongens strekt der residentie tot eer!
's Avonds naar de illuminatie. Nu, die is schitterend! Vooral de paleizen en 't Voorhout. 't Is letterlijk, alsof we in een zee van licht loopen. En alles blijft zoo goed aan. Doch uit den weg, en de hoeden af! Daar komen de koning en de koningin aan, die door de stad toeren, om alles eens te bezien. Wat een gejuich! Geen gebrek aan „Oranje boven!”
Als we nu lang genoeg in Den Haag bleven en een uitnoodigingskaart hadden ontvangen, dan zouden we met HH. MM. en de vorstelijke familie naar Scheveningen zijn gegaan, om in de prachtig gedecoreerde zaal van 't Stedelijk Badhuis het diner bij te wonen, hetwelk de gemeenteraad der residentie den koning heeft aangeboden. Dan hadden we ook de verschillende toosten kunnen hooren, o. a. die, welke Z. M. op zijn zuster en haar gemaal dronk. Daar we echter geen toegang hebben, verlaten we met dankzegging voor 't gesmaakte genot onze vrienden, en stoomen liever naar Rotterdam, waar we dominé Veldhuis met zijn beide kinderen, Ernst en Marie aantreffen, overgekomen om daar het kroningsfeest bij te wonen.
't Is de 21e Mei. Rotterdam is prachtig versierd; vooral de Delftsche poort, door welke Z. M. de stad moet binnenkomen, is allerkeurigst gedecoreerd, even als het station, het groote uit papiermaché vervaardigde standbeeld van Z. M. op de Erasmusmarkt, dat, omgeven door een verrukkelijk bloembed, een goed effect maakt, en het feestterrein op 't Westerplein, waar zich de vorstelijk gedecoreerde koningstribune bevindt, en welk plein bezet is met vijftig hooge standaards, tusschen welke guirlandes van groen, die van avond à giorno zullen worden verlicht.
Voorloopig echter blijven we met onze drie oude vrienden aan 't station, waar de koning en koningin door den burgemeester van Rotterdam worden toegesproken. De trein gaat over de Erasmusmarkt naar de koninklijke Yachtclub, waar een zeil- en roeiwedstrijd gehouden wordt en waar we door een toegangskaart binnenkomen. Wat is 't gebouw der Yachtclub keurig versierd: vooral de zaal, waarin de vorstelijke familie het haar door de club aangeboden déjeûné gebruikt. Na afloop daarvan begeven de vorstelijke personen zich op het balkon, en zien den wedstrijd eenigen tijd aan; daarna stappen ze in hun rijtuigen en rijden naar het feestterrein, waar ze den gekostumeerden optocht zien voorbijtrekken.
Nu! dat is een optocht, waarvan 't historische gedeelte onze geheele geschiedenis, met de Batavieren beginnende, voorstelt.
Wat zijn die twee vierwielige wagens met hun voorspan van ossen aardig; niet minder die druïde en die Bataafsche vrouwen en kinderen, welke er opzitten. 't Is een optocht van belang! We kijken dan ook, zooals men 't noemt, onze oogen uit.
Nadat de optocht voorbij is, volgen we de vorstelijke personen naar de Boompjes, waar een stoomboot gereed ligt, om haar door de Noorderhaven, die voortaan „Koningshaven” zal heeten, naar de plaats te brengen, waar Z. M. den eersten steen zal leggen aan de Maasbrug. Zoo iets hebben we al meer gezien, niet waar? Ik zal er u dan ook maar geen beschrijving van geven; ofschoon Ernst en Marie wat blij zijn, dat ze nu ook eens zulk een steenlegging zien, waarvan ze papa zoo dikwijls hebben hooren praten, die zoo iets te Zutfen aan de eerste spoorbrug gezien had. Voor ons echter levert de Maas met zijn tallooze versierde vaartuigen van allerlei vorm en grootte, alle vol menschen, een allerintéressantst gezicht op.
Nadat de koning weder naar de Yachtclub gereden is, waar hij de prijzen uitdeelt, keert hij nogmaals naar 't feestterrein terug, waar we andermaal den optocht zien. Daarna vertrekken H. M. met de groothertogin en prins Frederik naar 's-Gravenhage, en begeeft zich Z. M. met den prins van Oranje en prins Hendrik naar den Doelen, waar hem een diner wacht, hem door den gemeenteraad van Rotterdam aangeboden. Daar wij er niet bij kunnen zijn, wandelen we de stad eens door, om de keurige versieringen te zien, die overal aangebracht zijn, en zorgen, dat we ons bij tijds weer op het feestterrein bevinden, dat nu geïllumineerd is, en waar Z. M. ten derden male verschijnt, doch nu in zijn rijtuig blijft, om naar 't zingen van Rotte's mannenkoor te luisteren. Toen deze muziekvereeniging op verzoek van den koning het eerste couplet van 't „Wien Neerlands bloed” aanheft, ontbloot Z. M. het hoofd, hetwelk door alle aanwezigen met luid gejuich gevolgd wordt.
Eindelijk toert de vorst van halfelf tot middernacht door de rijkverlichte straten, en houdt stil op de plaats, waar een schitterend vuurwerk wordt afgestoken. Eerst om 1 uur verlaat Z. M. met prins Hendrik de stad, om zich naar Vlissingen te begeven, waar zij den Czaar bij diens terugkomst uit Engeland zullen verwelkomen; terwijl de prins van Oranje met den groothertog van Saksen Weimar naar 's-Gravenhage vertrekt.
En nu, lieve lezeressen en lezers, hebben we de drie koningsfeesten bijgewoond, waarbij Z. M. in persoon tegenwoordig was. Den 25sten Mei vertrok de koning naar 't Loo, en, als ik u den brief van Ernst Veldhuis voorlas, dan zoudt gij daaruit zien, hoe Z. M. te Apeldoorn werd ingehaald. Maar hierover zwijgen wij, evenals over al de andere gemeenten in ons land, in welke de Meifeesten herdacht zijn. Nooit is er door 't geheele land zoo eenstemmig en met zooveel geestdrift feest gevierd. Wat mij aangaat, ik leg hier de pen neer en ben er ten volle verzekerd van, dat gij dit laatste hoofdstuk een waardig besluit zult vinden voor een werkje, waarin we gelezen hebben wat er gebeurd is gedurende
HET TIJDPERK VAN VIJFENTWINTIGJARIGEN VREDE.