Title: Keur van Nederlandsche Synoniemen
Author: Teunis Pluim
Release date: December 29, 2010 [eBook #34784]
Language: Dutch
Credits: E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team
(http://www.pgdp.net)
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
dunne rode stippellijn,
waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
Variaties in spelling zijn behouden.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.
TEN GEBRUIKE BIJ DE STUDIE VOOR DE HULP-
EN HOOFDACTE EN OP INRICHTINGEN VOOR M.O.
DOOR
T. PLUIM,
Hoofd eener School te Baarn.
VIERDE, HERZIENE DRUK.
J. Muusses.—Purmerend.—1912.
BIJ DEN EERSTEN DRUK.
Er is geen betere „stijloefening” dan het bestudeeren van synoniemen; hierdoor toch raakt men intiemer bekend met den rijkdom van vormen, waarover onze taal beschikt, om allerlei schakeeringen van eenzelfde hoofdbegrip uit te drukken. Het is dus wel te verklaren, dat het behandelen van zinverwante woorden een veel voorkomende en hoogst practische examen-opgave vormt. Toch mag het zeker verwondering baren, dat het Nederlandsch slechts weinig werken over dit belangrijk onderdeel der levende taal bezit. Na het thans verouderde „Woordenboek” van Weiland en Landré (1821, 3 dln.) is slechts één werk verschenen, aan de studie der synoniemen gewijd. Dit gunstig bekende „Handboek van Ned. Synoniemen”, door J. V. Hendriks (D. Mijs, ƒ 2.50), dat verre boven onzen lof verheven is, kan echter als eerste studieboek bezwaarlijk gebruikt worden: het geeft uit den aard der zaak te veel stof bij te weinig oefeningen. Het kwam mij daarom niet ondienstig voor, uit den rijken voorraad onzer synoniemen een keuze te doen, om zoo noodig een grondiger en uitvoeriger behandeling van dit onderwerp voor te bereiden.
Ik heb bij het schrijven van dit werkje een geleidelijke opklimming in het oog gehouden en zeer veel plaats aan oefeningen ter toepassing ingeruimd. Hierdoor vlei ik mij, dat dit boekje gebruikt kan worden op onze Normaal- en Hoogere Burgerscholen, op onze Gymnasia en misschien ook bij de studie voor de hoofdacte.
Welwillende opmerkingen, die de bruikbaarheid kunnen verhoogen, zullen mij steeds welkom zijn.
1904.
BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
De tweede druk is zoo goed als ongewijzigd gebleven.
Van geachte zijde werd mij er op gewezen, dat ik van Hendriks een wel wat al te ruim gebruik zou gemaakt hebben. Waar deze schrijver niet schroomde dikwijls Landré en Weiland woordelijk te volgen, meende ook ik daartoe het recht te mogen hebben. Bovendien heb ik, evenals hij, van het Woordenboek der Ned. Taal een ijverig gebruik gemaakt, terwijl ik verder nog raadpleegde: Kuypers Woordenboek, dr. Nassau's Geschriften en een paar Duitsche werken. Ik heb dus, als zoo menig compilator, toegepast: „Je prends mon bien où je le trouve”, daarbij steeds voor oogen houdende, dat mijn werkje vóór alles practisch moest zijn. Uit de gunstige recensies en uit het vrij spoedig verschijnen van den 2en druk, meen ik te mogen besluiten, dat het bruikbaar bevonden wordt voor het doel, dat ik beoogde.
1907.
BIJ DEN DERDEN DRUK.
De derde druk is vermeerderd met een „Aanhangsel”, waarin nog een groot aantal (± 50 reeksen) der voornaamste synoniemen op meer beknopte wijze zijn behandeld. Aan den gebruiker is het—bij wijze van oefening—overgelaten zelf de voorbeelden ter toepassing te zoeken. Ik mag mij vleien, dat daardoor de bruikbaarheid van het werkje nog is toegenomen. (De prijs is niet verhoogd.)
1909.
BIJ DEN VIERDEN DRUK.
Van de welwillende opmerkingen in „De School met den Bijbel” is een dankbaar gebruik gemaakt. Ook heb ik op enkele andere plaatsen kleine verbeteringen aangebracht. Het toenemend gebruik van dit werkje is mij zeer aangenaam.
Wat gedragen kan worden.
Draagbaar zegt dit in letterlijken zin; het wijst dus aan, dat iets niet zoo zwaar is, of het kan gedragen worden: Een last van 75 K.G. is voor velen niet meer draagbaar. Soms beteekent het: verplaatsbaar, niet-vastgemaakt (portatief): een draagbare gaskachel.
Draaglijk duidt meer in figuurlijken zin aan, dat iets te dragen valt, d.w.z. te verduren, te dulden: Een ondragelijke hitte.
De zieke leed on— pijn.
Voor zoo'n reus als hij is, is zoo'n zak meel wel —.
Je hebt daar eindelijk eens een — opstel geschreven.
Men heeft tegenwoordig ook — electrische lampen.
Wat veel kost en dus hooge waarde heeft.
Kostbaar wordt in letterlijke beteekenis gebruikt. De drooglegging der Zuiderzee is een kostbare onderneming.
Kostelijk komt slechts figuurlijk voor; het wijst alleen op de hooge waarde, de voortreffelijkheid, die iets bezit. Bij hevigen dorst is water geen kostbare, maar wel een kostelijke drank (d. i. een drank, die uitmunt door zijn voortreffelijkheid om den dorst te lesschen).
De koningin droeg een — snoer van diamanten.
Het is zonde, zulk — eten te laten bederven.
De — hofhouding van Lodewijk XIV verslond schatten.
Het was werkelijk een — ingeving, zich zoo te kunnen redden.
Deze woorden zijn geen synoniemen en hebben dus geen gemeenschappelijke beteekenis. Men treft ze evenwel vaak als examenopgave aan. (Men noemt dergelijke woorden, die hetzelfde grondwoord hebben, paroniemen = stamverwante woorden.)
Geestelijk is de tegenstelling van wereldlijk of lichamelijk: De geestelijke stand; de geestelijke ontwikkeling.
Geestig is synoniem met aardig, grappig, humoristisch: Een geestig gezegde. Een geestige voordracht.
Geestrijk wil zeggen: rijk aan geest (van alcohol): geestrijke dranken.
Deze kinderen staan — verre bij uw leerlingen ten achter.
Ik heb hem een — spotprent op zijn redevoering laten zien.
Pater van Meurs, de bekende —, is vaak in zijn kleine gedichten zeer —.
zeide een dichter; maar, hij had er bij kunnen voegen, is vaak ook oorzaak, dat men — achteruit gaat.
Geen zorg hebbende.
Onbezorgd is hij, die niet bezorgd of bang voor gebrek of dreigende gevaren behoeft te zijn. Het woord heeft dus een gunstige beteekenis. Hij heeft zooveel gespaard, dat hij een onbezorgden ouden dag kan hebben.
Zorgeloos wijst aan, dat iemand de zaken, die aan zijn zorg zijn toevertrouwd, verwaarloost, of dat hij lichtzinnig voortleeft, zonder de noodige zorg voor zijn toekomst te hebben. Het woord heeft dus altijd een ongunstige bijgedachte. Ofschoon hij meermalen met ontslag bedreigd is, blijft hij nog altijd even zorgeloos.
Gij kunt — zijn: geen kwaad zal u deren.
Zou zij mij alleen getrouwd hebben, om een vroolijk en — leven te leiden? (Van Lennep.)
Het ergert mij altijd, dat hij zoo — en lichtzinnig voortleeft.
Hij deed alle moeite om een opgeruimd en — gelaat te vertoonen. (Van Lennep.)
Als gij zoo — met uw geldzaken omgaat, zult gij spoedig arm zijn.
Zonden, ofschoon gepleegd in — vroolijkheid, waarbij men zich zelve vergeet, ontgaan echter het oog van God niet. (Van der Palm.)
Neiging tot iets hebbende.
Geneigd geeft te kennen, òf dat de neiging iemand van nature eigen is, dus tot zijn aard en karakter behoort, òf wel dat zij het gevolg is van redeneering, inzicht of oordeel, die iemand tot iets doen overhellen. (Neigen = overhellen.) De mensch is geneigd tot zonde: zijn aard brengt dat mede. Ik ben geneigd dit toe te stemmen: ik hel er toe over (daar ik er over nagedacht heb).
Genegen ziet meer op de neigingen, die uit lust of begeerte ontstaan: Men vraagt een keukenmeid, een burgerpot kunnende koken en tevens genegen eenig huiswerk te verrichten: die daar lust in heeft, er niet afkeerig van is. Bovendien kan genegen beteekenen: goedgunstig gezind, liefhebbend: De directeur is mij zeer genegen.
Mijn vriend is vroolijk van aard en altijd — tot schertsen.
Denkt gij, dat hij — is, mij te woord te staan?
Ik ben altijd —, het goede van iemand te denken.
Ik zou bijna — zijn, bij deze aanmerking nog een tweede te voegen. (Inzicht, oordeel.)
Niemand der aanwezigen scheen —, in het tekort der kas te willen bijdragen.
Het geluk is mij in deze onderneming niet —.
Indien hij niet zoo tot vadzigheid en luiheid — was, zou hij zeker de betrekking gekregen hebben.
Zoudt gij — zijn, het voorzitterschap onzer vereeniging te willen aanvaarden?
Niemand is dezen onvriendelijken postdirecteur —.
Wat een kind eigen is.
Kinderachtig heeft een ongunstige beteekenis; het duidt aan, dat volwassen menschen zich gedragen, alsof zij nog even weinig verstand als een kind hadden. Hoe kinderachtig van haar zoo bang voor spinnen te zijn!
Kinderlijk is alles, wat met den aard van het kind overeenkomt, en wel in gunstigen zin genomen. Kinderlijke spelen.
Kindsch geeft te kennen, dat van oude menschen de geestvermogens zóó zijn verzwakt, dat zij als 't ware weer kinderen zijn geworden. Deze oude vrouw is sedert een paar jaren geheel kindsch.—Een enkele maal heeft kindsch nog de letterlijke beteekenis: Uit mijn kindsche jaren herinner ik mij nog, dat wij vaak paaschvuren stookten.
(Men lette er op, dat kindschheid de fig., en kindsheid de letterlijke beteekenis heeft.)
Foei, wat doet die groote jongen nog —.
Met — liefde hing de knaap zijn ouders aan.
Gij moet niet te veel waarde aan de verhalen van dezen grijsaard hechten: hij begint reeds — te worden.
Zijn — vertrouwen op God werd niet beschaamd.
Sedert mijn — dagen ben ik daar niet meer geweest.
In zijn — eenvoud gaf de boer den vorst de hand en vraagde, hoe hij het maakte.
Wat gebogen kan worden.
Buigbaar duidt aan, dat een lichaam meer toevallig gebogen kan worden, terwijl buigzaam te kennen geeft, dat het voorwerp krachtens zijn innerlijke samenstelling gemakkelijk te buigen is. Een eikenhouten stok is buigbaar, een glazen staaf niet; een stuk gummi is buigzaam.
Ook onbuigbaar en onbuigzaam hebben dit verschil. In figuurlijke beteekenis is het eerste dan ook sterker dan het tweede; bijv.: Hij heeft een onbuigzaam karakter, dat wil zeggen: hij toont in zijnen geheelen aanleg duidelijk, dat hij zich niet licht door een ander laat buigen of leiden in betrekking tot zijn meening of wil. Het is dus niet noodig aan een ongunstige beteekenis te denken.—Door zijn onbuigbaren trots berokkende hij zich vele vijanden, d.w.z. zijn trots was zóó sterk, dat hij zich door niets liet buigen. Gewoonlijk heeft onbuigbaar een eenigszins afkeurende beteekenis.
Zijn — koppigheid ben ik eindelijk moede.
Een dichter noemde onze taal: krachtig, rein, smeltend, — en rijk.
Als men een glazen buis verwarmt, is zij —.
Zet u niet in het hoofd, dat gij hem tot andere gedachten zoudt kunnen brengen: hij heeft een — wil.
Het karakter van den nieuwen consul was hun voorgesteld als welwillend: zij hoopten, dat het — zou wezen. (Beets.)
Niet op verzet bedacht.
Lijdzaam beteekent geduldig, gelaten in het leed berustend, of kalm en bedaard volhardend bij het volbrengen van een moeilijke taak. Met groote lijdzaamheid verdroeg hij de pijnen.
Lijdelijk wil zeggen, dat men geen tegenstand biedt, of bij zekere gebeurtenis werkeloos blijft. Hoe hij die beleediging zoo lijdelijk kon aanhooren, begrijp ik niet. Hij bleef bij dat afschuwelijk tooneel een lijdelijk toeschouwer.
Het was de politie onmogelijk, zulk een opruiende taal — aan te hooren.
De patiënt verdroeg — de hevige pijnen van zijn wonden.
Zoudt gij het — kunnen aanzien, dat men uw goeden naam belasterde?
De vrome pelgrim trekt vol ijver, maar toch —, langs het onverkwikkend pad naar Jeruzalem. (Zie Da Costa's Hagar.)
Voor of in het algemeen.
Openbaar is datgene, wat voor ieder open is, waarvan niemand is uitgesloten. Een openbare vergadering; een openbare wandeling. Verder duidt het woord aan, dat iets vanwege de regeering is opgericht of daartoe behoort: een openbare school, een openbare betrekking.
Openlijk wijst aan, dat iets niet in 't geheim geschiedt, dat het dus voor niemand behoeft verborgen te worden. Als gij niet betaalt, zet ik uw naam openlijk in de courant.
Het tegengestelde van openbaar is: particulier, besloten; van openlijk: in 't geheim, bedektelijk.
Ik zei hem — de waarheid.
Wanneer men in een — vergadering iemand iets in het oor fluistert, zegt men dat niet —. En wanneer men in een gesloten bijeenkomst iets — mededeelt, wil men dat nog niet altijd in het — herhalen.
De zaak zal in een — vergadering behandeld worden.
Ik zal u — zeggen, hoe ik er over denk.
De uitslag der vredesonderhandelingen werd door de Regeering — gemaakt.
Van alle — gebouwen waaide de driekleur.
Van der Duyn van Maasdam, Hogendorp en Van Limburg Styrum, in stilte werkzaam voor de bevrijding, hielden zich gereed om ook — op te treden, zoo ras het gunstig tijdstip zou komen.
Wat verstaat men onder het — Ministerie?
Zonder trouw.
Trouweloos handelt iemand, die van een vrijwillig aangegane verbintenis met voorbedachten rade afwijkt, om zich zelf te bevoordeelen en een ander nadeel te berokkenen; hij ontziet zich daartoe niet, valsch en laag te handelen. Trouweloos te zijn is dus min of meer een karaktertrek, d.w.z. de trouweloosheid blijft in den regel niet tot één geval beperkt. Op het gegeven woord van den trouwelooze, hoe plechtig bezworen, is geen staat te maken; hij is zelfs in staat zijn vriend te verraden of van diens geheimen misbruik te maken, als hij er voordeel in ziet. Hoewel hij mij plechtig beloofd had mijn plannen strikt geheim te houden, heeft hij ze toch aan mijn mededinger verraden; ik wist niet, dat hij zóó trouweloos was.
Ontrouw ziet meer op een bepaald geval. Het wijst óók wel aan, dat iemand een aangegane verbintenis niet nakomt, doch niet zoozeer, omdat dit in zijn karakter ligt, als wel tengevolge van veranderde inzichten; van eigenbelang behoeft niet eens sprake te zijn. Is de trouwelooze geheel en steeds zonder goede trouw, de ontrouwe is zulks slechts voor een bepaald geval. Hij is mij ontrouw geworden wil zeggen: hij heeft mijn partij verlaten—hoewel hij mij trouw beloofd had—maar hij kan daarom toch zijn nieuwe partij met de grootste trouw weer aanhangen.
Karel de Stoute werd door zijn gunsteling Campo Basso in den slag bij Nancy — verraden. Deze Italiaansche veldheer werd n.l. zijn vorst — en liep in 't beslissend oogenblik tot den vijand over.
De — dienstknecht leverde enkele brieven van zijn meester aan diens vijanden over.
Hij werd het oude geloof zijner vaderen —.
Zou hij zoo — zijn, dat hij zijn eigen broeder zou verraden?
Wat zich van binnen bevindt.
Inwendig is alles, wat zich in de binnenruimte van een lichaam bevindt; het is dus een tegenstelling met uitwendig, d.w.z. wat tot de buitenzijde of de oppervlakte behoort: De inwendige deelen van ons lichaam.
Innerlijk ziet meer op den aard en het wezen van de deelen, waaruit een voorwerp bestaat, in tegenstelling van uiterlijk, dat meer let op den vorm, dien de deelen te zamen hebben en waardoor die deelen min of meer verborgen worden. De innerlijke waarde van een stalen horlogeketting is niet groot (d.w.z. de waarde der bestanddeelen), al moge hij door zijn kunstig bewerkten vorm (de uiterlijke waarde) ook kostbaar zijn. Het wordt vooral figuurlijk gebruikt in betrekking tot 's menschen karakter of tot wat er in zijn gemoed omgaat, in tegenstelling met den lichamelijken vorm. Uiterlijk is hij voorkomend en vriendelijk, maar innerlijk is hij valsch en vol bedrog.—Hij werd innerlijk bewogen (d.i. in zijn gemoed, zonder dat het uiterlijk te zien was).
Innig geeft aan, dat iets uit het diepst van ons binnenste voortvloeit, waarvan onze ziel geheel doordrongen is: een innige liefde.
In het — van dit reusachtige standbeeld heeft men een trap gemaakt.
Hoewel hij — spijt had, liet hij het aan niets merken.
Hij stortte zijn hart uit in een — gebed.
De appel was — verrot, hoe mooi hij er uitzag.
Zijn — kracht hield hem staande in dezen zwaren geloofsstrijd.
De — samenstelling van dit werktuig is zeer vernuftig bedacht.
De Ruyter kenmerkte zich door zijn nederigheid en zijn — godsvrucht.
Volgens de wet.
Wettig duidt aan, dat iets geheel overeenkomstig de bepalingen der wet is, bijv. een wettig huwelijk: bij het huwelijk is aan al de bepalingen der wet voldaan. De wettige erfgenamen zijn die erfgenamen, die volgens of krachtens de bepalingen der wet aanspraak op de nalatenschap hebben.
Wettelijk is datgene, wat bij de wet voorgeschreven is en dus een uitvloeisel daarvan is. Volgens wettelijk voorschrift moet bij besmettelijke ziekten een briefje op de deur geplakt worden.
Wettisch heet iemand, die zich streng aan de wet houdt en haar in volle kracht (volgens de letter) wil toepassen.
Doordat ons Koninklijk Huis in de laatste regeeringsjaren van Willem III zooveel leden verloor, werd het noodig de — bepalingen omtrent de — erfgenamen in de grondwet nader te omschrijven.
Deze notaris is een — man; hij staat er op, alle — formules nauwkeurig te gebruiken, opdat het testament — zij.
Wij zullen langs — weg verbetering van dien toestand trachten te bewerken.
Gij hebt den — termijn van cassatie laten verloopen, gij moet dus in het vonnis berusten.
Het salaris bedraagt 50 gld. boven het — minimum.
Wel zijn deze woorden van dag afgeleid, maar eigenlijke synoniemen zijn het niet; toch worden ze vaak ter vergelijking opgegeven. (Zie ook no. 3.)
Dagelijksch is alles, wat elken dag geregeld terugkeert. De dagelijksche beweging der aarde om haar as duurt 24 uur. Hij verdient ruim zijn dagelijksch brood.
Alledaagsch beteekent, wat men alle dagen ziet, dus iets wat zeer gewoon is; het heeft min of meer een geringschattende beteekenis. Ik dacht, dat hij zeer veel talent bezat, maar hij blijkt slechts een alledaagsch mensch te zijn.
Daagsch wordt gebruikt in tegenstelling van zondagsch: dit is mijn daagsche hoed (d.i. de hoed, dien ik op gewone werkdagen draag).
Opmerking. Daags is een bijwoord en beteekent: over dag: De zon schijnt daags maar 6 uur meer.—Ook dagelijks is een bijwoord en beteekent: elken dag: Hij doet dagelijks een wandeling. (Hij doet daags een wandeling, wil zeggen: over dag, dus niet in den nacht.) 's Daags beteekent per dag (in een tijdruimte van een dag): hij verdient 2 gld. 's daags.
In het — leven wordt deze uitdrukking vaak gehoord.
Mijn — jas zit mij gemakkelijker dan mijn zondagsche.
Gij behoeft daarvan niet zooveel ophef te maken: ik vind het een — geval.
Op onze voetreis legden wij — 8 uur af.
Ik zou niet graag mijn — wandeling willen missen.
's Nachts loopen er vijf treinen en — twaalf.
Openhartig.
Ridderlijk doet denken aan de edelmoedigheid, welke den ridder eigen was en die zijn eer het hoogste stelde. Zoodra hij bemerkte, dat hij zijn vriend ten onrechte beschuldigd had, heeft hij ridderlijk zijn beschuldiging teruggenomen.
Ruiterlijk heeft meer de bijbeteekenis van ruw, maar oprecht, zooals de oude ruiters waren, die meer den onverschrokken moed hoog hielden dan de fijne ridderlijke beleefdheidsvormen. De oude tuinman kwam er bij den graaf ruiterlijk voor uit, hoe hij over hem dacht. (Het was den graaf misschien minder aangenaam zulk een openhartig oordeel over zijn eigen karakter te hooren, maar dat oordeel was toch oprecht gemeend en bevatte niets dan waarheid.)
Het is — van hem, dat hij na de grievende bejegening, die hij van zijn besten vriend ondervond, hem toch weer in den nood bijstaat. (Het strekt hem tot eer!)
Het deed mij goed, dat hij zoo — voor de waarheid durfde uitkomen. (Het getuigt van moed!)
De tocht naar Chattam was een — bestraffing voor een schandelijke daad der Engelschen. (Het eervolle op den voorgrond stellen!)
De tocht naar Chattam was een — bestraffing voor den laaghartigen aanval der Engelschen op weerlooze visschersplaatsjes. (Het moedige op den voorgrond stellen!)
Wat niet oud is.
Jong zegt dit in letterlijken zin. Een jong kind; een jonge vereeniging.
Jeugdig stelt meer het niet-afgeleefd zijn op den voorgrond, dus het vroolijke, het levenslustige, het sterke. De grijsaard wijdde zich nog met jeugdigen ijver aan de zaak, die hij voorstond. Verkeerd is het dus, van een jeugdige vereeniging te spreken in den zin van een jonge, pas opgerichte vereeniging.
In zijn — jaren was hij een liefhebber van visschen.
In — overmoed klom de reiziger onversaagd den steilen berg op.
Hij is nog betrekkelijk —, al ziet hij er oud uit.
Al is hij ook oud geworden, zijn hart blijft nog —.
Niet verkwistend.
Zuinig duidt aan, dat men zorg draagt, niet te veel uit te geven; men wil voorkomen, dat hetgeen men bezit, te vroeg opraakt, daar men anders te kort zou komen. Wie zes gulden per week verdient, moet zuinig huishouden.
Spaarzaam is nog sterker; het onderstelt, dat men nog wil sparen of overhouden. Een spaarzame hand koopt anderlui's land. Een spaarzaam mensch geeft dus betrekkelijk zeer weinig uit; vandaar dat spaarzaam in figuurlijken zin beteekent: niet overvloedig, beperkt; bijv.: Het vertrek was slechts spaarzaam verlicht.
Het nieuwe bestuur dezer vereeniging is — met de gelden omgegaan; er is dan ook dit jaar voor het eerst geen tekort.
Doordat hij — is, heeft hij reeds een aardig sommetje bijeen.
Over de oudste plaatsen in ons land vindt men in de oorkonden slechts — berichten.
Hij is van avond zeer — met zijn woorden.
Met eenige kracht de deelen van elkander scheiden.
Klooven duidt aan, dat na de werking de scheiding blijft bestaan, terwijl klieven onderstelt, dat de vaneengescheiden deelen zich spoedig weer vereenigen; klooven geschiedt daarom alleen met vaste, klieven met vloeibare of luchtvormige stoffen. Klooven ziet meer op het voorwerp, dat de werking ondergaat en duidt dus een doel aan, terwijl klieven meer let op het voorwerp, dat de werking verricht. Men zegt dus: de arbeider klooft het hout; 1º. is de verbreking der deelen blijvend; 2º. hout is een vast lichaam en 3º. het doel der werking is het hout klein te maken. Daarentegen zegt men: het schip klieft de baren, immers 1º. is de verbreking der deelen van voorbijgaanden aard; 2º. water is een vloeistof en 3º. het doel is niet het water te scheiden, maar men wil den nadruk leggen op het schip zelf, door aan te duiden, dat het snel vooruitkomt.
Ruwe diamanten moeten meestal — worden.
De blanke duiven door— de stille avondlucht.
De ridder reed op zijn vijand toe en — hem met één slag van zijn zwaard den kop.
De wind is gunstig, en vroolijk — het ranke schip de baren.
Wat niet scherp is.
Stomp zegt men meer van een punt, bot van de snede: Een stompe naald; een bot mes. In figuurlijken zin beteekent bot: niet scherp van verstand, niet snedig, dus dom. Hij is een bot mensch, een botterik. Stomp beteekent in overdrachtelijken zin: traag van begrip of van oordeel, suf. Door het lange peinzen was hij geheel verstompt.
Dit potlood heeft een — punt.
Een — hoek is grooter dan een rechte.
Ik heb mij daarop — gedacht.
„Hij zwaait het vreeslijk treffend zwaard, door duizend slagen —geschaard.”
De jenever had hem geheel —.
Zich op de een of andere wijze tegenover een ander gedragen.
Bejegenen onderstelt een ontmoeting (in het Duitsch beteekent het dan ook ontmoeten); het geeft de houding te kennen, die men bij zulk een ontmoeting tegenover anderen aanneemt. Het woord heeft dus alleen betrekking op personen. Hij heeft mij op straat onheusch bejegend.
Behandelen geeft het handelen aan met betrekking tot menschen, dieren of voorwerpen, zonder aan een ontmoeting te denken. In den regel wordt er het bijdenkbeeld aan verbonden van een voortdurende herhaling der werking. Zulk een behandeling laat ik mij niet wel gevallen. (Zulk een bejegening, zou slechts op één geval zien.) Men moet de dieren goed behandelen. (De werking wordt voortdurend herhaald.)
Hij trad het huis binnen en werd vriendelijk —.
Als gij deze plant niet goed —, zal zij spoedig sterven.
Ik had nooit gedacht, dat hij mij zoo minachtend durfde te —.
Deze patroon — zijn bedienden goed; de sollicitanten — hij steeds voorkomend.
Laten zien.
Toonen drukt dit begrip zonder meer uit, terwijl wijzen de bijgedachte heeft, dat men iemand wil helpen of onderrichten. Toon mij den brief en ik zal u wijzen, hoe gij dien verbeteren moet. Wijs hem den weg eens.
Wijzen kan ook gebruikt worden zonder lijdend voorwerp en onderstelt dan, dat men iemand op iets opmerkzaam wil maken: hij wees met den vinger naar ons; zij wees op haar stoel.
Toonen komt soms ook voor in de beteekenis van: laten blijken, zonder dat dit steeds opzettelijk behoeft te geschieden. Zij toont weinig verstand van de zaak te hebben.
Ik zal u even —, hoe de weg loopt.
Om hem te —, dat ik het goed met hem meende, heb ik hem de gevraagde hulp verleend.
Wanneer gij hem uw overmacht —, zal hij zich wel laten gezeggen.
Hij — zich met het geschenk niet tevreden.
Ik zal u mijn opstel —, maar dan moet gij mij —, hoe ik de fouten moet verbeteren.
De zieke zeide niets, maar — voortdurend op zijn voorhoofd.
Nederwaarts in een vloeistof drukken.
Dompelen duidt aan, dat het voorwerp geheel in de vloeistof wordt gedrukt, doopen dat dit slechts gedeeltelijk geschiedt. Een lichaam, dat men in het water dompelt, wordt lichter. Men doopt zijn vingers in het water om er iets mee te besprenkelen. (Vandaar de tegenwoordige beteekenis van doopen in kerkelijken zin; vroeger was het werkelijk een in- of onderdompelen.)
Waarom zegt men wel: in rouw dompelen, en niet: in rouw doopen?
Voor gij gaat zwemmen, moet gij u eerst geheel in het water —.
Deze beschuit is voor het kind te hard, — ze daarom in de melk.
Alle gevoel van eigenwaarde afleggen.
Vernederen zegt dit in gunstigen of ongunstigen zin. Hij vernederde zich voor God. (In deze beteekenis kan men ook zich verootmoedigen gebruiken.) Het kostte den trotschen ridder van voorheen groote moeite zich te vernederen tot het verrichten van veldarbeid.
Verlagen heeft altijd een ongunstige beteekenis en is veel sterker dan vernederen; het duidt aan, dat iemand alle gevoel van menschelijkheid of zedelijkheid op zij zet. Hoe hij zich heeft kunnen verlagen voor een handvol goud zijn besten vriend te verraden, kan ik mij niet begrijpen.
Wie zich zelven verhoogt, zal — worden.
De echtgenoote van Oldenbarnevelt wilde zich niet — om genade voor haar man te vragen.
De dronkenschap kan niet anders dan den mensch —.
Gij moet u niet zoo — om met zulk slecht gezelschap om te gaan.
Door louter hebzucht gedreven, — hij zich zijn vaderland te verraden.
Iemand of iets als de oorzaak van een of ander beschouwen.
Danken heeft betrekking op iets goeds of aangenaams, wijten daarentegen heeft een ongunstige beteekenis. Ik heb u mijn bevordering te danken. Zijn armoede heeft hij zich zelf te wijten.
(Opmerkelijk is het, dat men dikwijls beide woorden verkeerd gebruikt ziet; men spreekt dan bijv. van iemands vijandschap aan laster te danken hebben, of wel van: zijn beschermer veel goeds te wijten hebben. Mogelijk geeft de uitdrukking: iemand iets dank weten, aanleiding tot deze vergissing.)
Vele huisgezinnen hebben hun ondergang aan den drank te —.
Uw slechte cijfers op het examen hebt gij aan uw ongeregelde studie te —.
Zijn schitterend examen heeft hij grootendeels aan zijn ijver te —.
De nederlaag onzer troepen was aan de weifeling van den bevelhebber te —.
De overwinningen van Maurits waren grootendeels te — aan zijn uitnemende veldheerstalenten.
Wat aan iets eigen is of het kenmerkt.
Is het kenmerkende meer toevallig aan de zelfstandigheid eigen, dan spreekt men van hoedanigheid; is dat kenmerkende aan het bestaan der zelfstandigheid noodwendig verbonden, dus van blijvenden aard, dan gebruikt men eigenschap. Als een blad papier dik of dun, goed beschrijfbaar, geel of wit is, zijn dat hoedanigheden; men kan immers deze hoedanigheden anders maken, zonder dat de stof ophoudt papier te zijn. Postpapier is beschrijfbaar, dit is een eigenschap er van, immers zonder die „hoedanigheid” zou het postpapier niet kunnen dienen.
Steenkolen hebben de —, dat zij brandbaar zijn. Geven zij bij de verbranding weinig roet, dan is dat een goede —.
Een bol heeft de —, dat hij rond is.
In zijn — als voogd, heeft hij uitstekend voor zijn neef gezorgd.
Deelbaarheid is een algemeene — der lichamen.
Deze dienstbode bezit vele goede —, en daarom kan ik haar wel aanbevelen.
Zich binnen een bepaalde ruimte bevindende.
Aanwezig zegt dit zonder eenig bijbegrip; tegenwoordig onderstelt, dat men invloed op de plaatshebbende handeling kan uitoefenen. Hoewel ik in de zaal aanwezig was, zat ik zoo in gedachten verzonken, dat ik van het gesprokene niets kan na vertellen. Bij de behandeling van een wetsvoorstel is de daarbij betrokken minister tegenwoordig.
Bij den hevigen brand was ik wel in de stad —, maar ik ben bij het onheil niet — geweest.
Hoeveel leerlingen zijn er in uw klas —?
Bij de proefles, die de sollicitanten gaven, waren ook de Raadsleden —.
Toen de Tweede Kamer deze gewichtige voorstellen behandelde, waren bijna alle leden —; ook was er veel publiek op de tribune —.
Gij moest ook op ons feestje — zijn, wij zouden het zeer op prijs stellen.
Er is nog een groote voorraad van dit papier —.
Verplicht zijn de gevolgen van een daad op zich te nemen.
Men is verantwoordelijk wegens bestuur, men is aansprakelijk wegens bezit. Het doel der verantwoordelijkheid is rechtvaardiging, aansprakelijkheid verplicht tot schadevergoeding.
Je mag mijn fiets wel gebruiken, maar je bent er voor —.
De ministers zijn — voor hun besluiten.
Als de kooper zijn verplichtingen niet kan nakomen, zijn de borgen —.
Gij zijt nu oud en wijs genoeg, om — voor uw daden te zijn.
De notaris is — voor de beleende gelden; hij is — voor de fout in deze koopacte.
De voorzitter dezer vergadering is — voor de goede orde; de penningmeester is — voor de gelden.
Zijn gedachten of zijn meening over iets te kennen geven.
Aanmerken veronderstelt een afkeurend oordeel. Ik heb zooveel op den inhoud van dit boek aan te merken, dat ik het werk niemand kan aanbevelen.
Opmerken heeft een meer gunstige beteekenis; het onderstelt, dat men op iets opmerkzaam maakt, hetgeen een ander over 't hoofd ziet en toch van min of meer belang is. Mag ik even opmerken, dat men op dien datum het schoolfeest niet kan houden, daar die dag een R.-K. feestdag is.
Opmerken veronderstelt meestal scherpzinnigheid, aanmerken een gezond oordeel en grondige kennis.
Men had zooveel op zijn plan —, dat hij het opgaf.
Wie een schrijver van een aardrijkskundig werk er op attent maakt, dat hij een voornaam dorp heeft vergeten, heeft iets —; wie een groote onjuistheid kan aanwijzen, heeft iets —.
Op het karakter van dit jongmensch valt zooveel —, dat ik hem u niet kan aanbevelen.
Omtrent het karakter van dit jongmensch moet ik u —, dat hij zich spoedig door anderen laat verleiden.
Men spreekt van een gegronde — en een snuggere —.
Wat buiten het gewone verkeer is.
Afgelegen duidt aan, dat een of andere plaats moeilijk te bereiken is, doordat zij ver van alle verkeerswegen ligt. Hij woont in een afgelegen hoekje van Drente.
Eenzaam wil zeggen: zonder gezelschap of bezoek. Op een afgelegen plaats is ook weinig verkeer en is het er dus tevens eenzaam, daar men er afgezonderd moet leven. Toch behoeft eenzaam niet altijd met het begrip van afgelegen verbonden te zijn; iemand kan te midden van een drukke stad toch een eenzaam leven leiden.
Hij werd tot straf naar een — eiland verbannen.
Ik vind den weg naar dit dorpje zeer —.
Ik mag gaarne over de — heide dwalen.
Hoe meer buurtsporen worden aangelegd, hoe meer de — streken van voorheen bezocht worden.
Hoewel hij een — leven leidde, gevoelde hij zich toch niet alleen, daar hij in zijn boeken zijn beste vrienden vond.
„De leeuwerik zingt op de — heide.”
De omstandigheid, die een werking ten gevolge heeft.
Oorzaak zegt, dat de werking van 's menschen wil onafhankelijk is; zij kan dus in de natuur gevonden worden, bijv.: de oorzaak der aardbevingen is nog niet voldoende opgehelderd, of in omstandigheden, waarop wij geen invloed hebben: de oorzaak van den brand is onbekend.
Ook wordt oorzaak gebruikt ten opzichte van onze handelingen, waarbij onze wil niet opzettelijk in aanmerking komt: zijn verkwistende levenswijze is oorzaak, dat hij arm is geworden (hij was n.l. niet opzettelijk verkwistend om arm te worden).
De reden is ten nauwste verbonden aan iemands uitdrukkelijken wil en beweegt hem tot een daad. Wat is de reden, dat gij boos op hem zijt? (Die reden beweegt u boos te zijn.)
Opmerking. Waardoor? vraagt naar een oorzaak; waarom? naar een reden. Waardoor stijgt een luchtballon omhoog? Waarom hebt gij uw woord gebroken?
De — van dit ongeluk is aan zijn eigen onvoorzichtigheid te wijten.
Kent gij de —, waar— hij als lid der vereeniging bedankt heeft?
Kent gij de —, waar— hij zoo ongelukkig is geworden?
Wat is de —, dat men dit eiland niet bedijkt heeft?
De hooge vloed is —, dat dit eiland voor bedijking rijp is.
In de nabijheid komen.
Naderen wil zeggen, dat de afstand minder wordt; het bewegende voorwerp komt dus dichterbij. De trein nadert.—Het schip nadert de reede.
Genaken is zóó kort bij iets of iemand komen, als maar eenigszins mogelijk is: men wil het (of hem) bereiken. Door de hitte van het brandende huis kon men de deur niet meer genaken.
Door de vele klippen is het gevaarlijk deze kust te —. (De klippen liggen nog vóór de kust.)
Door de hevige branding kon het schip de kust niet —. (Het schip wilde op de kust landen).
Als er gevaar —, moet gij dubbel op uw hoede zijn.
Deze man is zoo trotsch, dat hij bijna niet te — is.
De cholera — al meer en meer ons land; men dient dus reeds voorbehoedmiddelen te nemen.
God geve, dat u geen leed zal —.
Geen rust hebbende.
Rusteloos duidt aan, dat de werking zonder rust, zonder ophouden voortduurt. Rusteloos arbeidde hij aan zijn grootsche taak voort.
Onrustig wijst aan, dat er geen rust, d.i. geen kalmte of bedaardheid aanwezig is: Een onrustige slaap. Met onrustige blikken zag de schuldige om zich, als vreesde hij elk oogenblik gegrepen te worden. Het woord komt dus vrijwel overeen met gejaagd.
Ongerust wijst aan, dat de rust (het kalme gevoel van veiligheid of zekerheid) afwezig is; het beteekent dus: bang, angstig, bezorgd. Ik maak mij over zijn lang uitblijven zeer ongerust.
Zijn — geweten joeg den moordenaar — voort van de eene plaats naar de andere.
De — ademhaling van het zieke kind maakt de moeder zeer —.
Hoewel de vluchteling wist, dat hij zijn vervolgers ver achter zich had gelaten, keek hij toch nog langen tijd — om zich heen.
Onvermoeide vlijt en een — arbeid komen vele hinderpalen te boven.
Daar wij in geen weken iets van onzen broeder hadden gehoord, werden wij zeer —.
Langzamerhand van een gewoonte afstand doen.
Afwennen en ontwennen, beide overgankelijk en wederkeerend gebruikt en dus met hebben vervoegd, verschillen hierin, dat afwennen aanwijst, dat men opzettelijk zijn gewoonte of hebbelijkheid tracht af te leggen, terwijl ontwennen dit als meer toevallig, onwillekeurig voorstelt, als gevolg van veranderde omstandigheden. Op raad van den dokter heb ik mij het rooken afgewend. De reizigers in een vreemd werelddeel hebben zich al spoedig het rooken ontwend.—Van slechte gewoonten zegt men uitsluitend afwennen: Jongen, je moet dat stotteren afwennen (niet: ontwennen; de werking geschiedt opzettelijk!).
Worden ontwennen en afwennen intrans. gebruikt (dus met zijn vervoegd), dan is er niet zooveel verschil, daar afwennen in dit geval niet opzettelijk geschiedt; alleen is afwennen dan sterker, doordat het aanduidt, dat de vroegere geschiktheid geheel verloren is gegaan, wat bij ontwennen niet het geval is. Hij is het schaatsenrijden geheel afgewend, als hij het n.l. niet meer kan en dus weer moet aanleeren; hij is het schaatsenrijden ontwend, wanneer hij het in langen tijd niet gedaan heeft en het hem eerst dus wel weer vreemd zal vallen.
Gij moet u —, van iedereen kwaad te willen spreken.
Hij is het Duitsch spreken wel wat —, hoor maar, hoe moeilijk het hem valt.
Ik ben het kortschrift geheel —, het zal mij heel wat moeite kosten het opnieuw aan te leeren.
Het verblijf in Java's binnenlanden heeft hem spoedig de geriefelijkheden der beschaafde maatschappij —.
Het kind is zóó langen tijd in huis gebleven, dat het de buitenlucht geheel — is.
Door liefde of genegenheid aan een ander verbonden.
Gehecht heeft de meest algemeene beteekenis en drukt het gevoel van genegenheid niet zoo sterk als de beide andere woorden uit; het zegt alleen, dat men niet gaarne gescheiden zou worden van den persoon of de zaak, waaraan men gehecht is, daar die scheiding een smartelijk gevoel zou doen ontstaan. Deze jongen is zeer aan zijn onderwijzer gehecht; de hond is aan zijn meester gehecht, en omgekeerd: de meester is aan zijn hond gehecht.
Verkleefd wijst aan, dat er een engere band bestaat, voornamelijk van onwankelbare trouw, waarmede men zijn meerdere aanhangt. Het volk gevoelde zich verkleefd aan den vorst.
Verknocht drukt hetzelfde begrip als verkleefd uit, maar met de bijgedachte, dat de band van trouw of genegenheid nog inniger is, zoodat hij niet kan verbroken worden. Het Nederlandsche volk gevoelt zich aan het Huis van Oranje verknocht.
Hij is zoo aan zijn geboorteplaats —, dat hij nergens anders wil wonen.
De oude dienstbode was zeer aan haar meesteres —.
Door de teederste banden aan hun vorstin —, grepen de Hongaren naar de wapenen en stonden Maria Theresia getrouw ter zijde.
De Nederlandsche bevolking was van oudsher aan haar voorrechten —.
Gelderland voelde zich bij 't begin van den 80-jarigen oorlog meer aan Gulik en Kleef dan aan Holland en Zeeland —.
Staande houden, dat iets niet zoo is.
Ontkennen drukt dit zonder meer uit. Deze schrijver ontkent, dat Jan van Schaffelaar van den toren is gesprongen.—De beschuldigde ontkent, dat hij gestolen heeft.
Loochenen heeft de bijgedachte, dat men tegen beter weten in iets ontkent, dus dat men met opzet liegt. Hij loochent wel dit stuk geschreven te hebben, maar zijn schrift verraadt hem.
Hoewel hij uitdrukkelijk —, dat hij de schrijver van dit artikel is, wordt hij er toch algemeen voor gehouden.
De dief — eerst wel de waarheid van de verklaring der getuigen, maar men bracht hem spoedig door overtuigende bewijzen tot bekentenis.
Hardnekkig — hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis zou moeten deelen, maar het onderzoek bewees, dat hij wel beter wist.
Ten stelligste — hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis zou moeten deelen; het onderzoek bewees, dat hij werkelijk gelijk had.
Niet voor de eene of andere partij vooringenomen zijn.
Onzijdig zegt, dat men in het geheel geen partij kiest (althans niet openlijk); de onzijdige laat dus uit niets blijken, 't zij door woorden of daden, welke partij zijn sympathie heeft. In den strijd tusschen de Remonstranten en Contra-Remonstranten hield prins Maurits zich eerst onzijdig.
De onpartijdige kiest wel partij, d.w.z. geeft wel aan de eene of andere partij zijn voorkeur, maar hij doet dit uit volle overtuiging, zonder zich door vrees, omkooperij, winstbejag of andere onedele drijfveeren te laten leiden; het is hem alleen om de waarheid te doen; daarbij wil hij ook gaarne het goede in zijn tegenpartij erkennen. Deze geschiedschrijver staat bekend als een onpartijdig man.
Waarom kan men wel van een onpartijdige uitspraak (vonnis), maar niet van een onzijdige uitspraak spreken?
In den Fransch-Duitschen oorlog hield ons land zich —.
Ik heb hem als een — beoordeelaar leeren kennen en waardeeren.
Bij een twist tusschen man en vrouw blijve men liefst —.
Deze courant geeft een — voorstelling, van hetgeen in die vergadering gebeurd is.
Men heeft wel eens de — van Oldenbarnevelts rechters in twijfel getrokken; maar de geschiedenis van zijn rechtspleging weerlegt die beschuldiging ten volle.
Traagheid betoonen.
Dralen doet hij, die door zijn weifeling of vrees tot geen besluit komt en dus met het werk niet begint.—Talmen doet hij, die wel met het werk begonnen is, maar er geen voortgang mee maakt, doordat hij òf te traag van aard is, òf zich te zwak voor de opgenomen taak gevoelt.
Je moet niet zoolang —, begin maar terstond.
Hij — zoo vreeselijk met zijn werk, dat er van opschieten geen sprake is.
De veldheer — tot den slag over te gaan, daar hij met de stellingen van den vijand niet goed bekend was.
De vijand — met het beleg der stad zoo zeer, dat deze zich nog voldoende kon voorbereiden.
Door het lange — met de toezending der vereischte sollicitatiestukken heeft hij den vastgestelden termijn laten verstrijken.
Komt mannen, niet —! vol moed den vijand aangevallen.
Van een onbekende zaak kennis krijgen.
Men ontdekt, wat reeds bestond, maar nog niet bekend was: Columbus ontdekte Amerika (letterlijk: het dek der onbekendheid, dat het land voor Europa verborg, wegnemen).
Uitvinden heeft betrekking op nieuwigheden, die aan het menschelijk vernuft te danken zijn en die te voren nog niet bekend waren. De uitvinding van de boekdrukkunst schijnt men thans weer met meer recht dan vroeger aan Laurens Janszoon Coster te mogen toeschrijven.
(De uitdrukking: „Ik zal den dader wel uitvinden”, die men tegenwoordig in navolging van vreemde talen wel hoort, is dus beslist af te keuren; vooreerst bestaat de dader reeds, en 2º. wordt de dader niet door een gelukkige combinatie van het menschelijk vernuft te voorschijn gebracht, zooals uitvinden onderstelt.)
Tot zijn schrik — de bankier, dat de boekhouder hem bedrogen had.
Door de — van het microscoop heeft men vele wonderen in de natuur —.
Het geheim wist ik spoedig te —.
Weet gij, wie de draadlooze telegrafie heeft —?
Men heeft eindelijk het spoor van den misdadiger —.
Door de — van het rijwiel is het verkeer zeer vergemakkelijkt.
Wie heeft de slingerwetten —?
Iemand verdriet of onaangenaamheden veroorzaken.
Plagen onderstelt, dat het verdriet niet bijzonder groot is, terwijl kwellen aanwijst, dat men iemand werkelijk leed (pijn, enz.) aandoet. Je mag den hond niet zoo plagen, maar nog minder mag je hem kwellen.—Plagen wordt ook gebruikt in verbinding met hongersnood, pest, duurte en andere onheilen, die al of niet als een straffe Gods worden aangemerkt. Het land werd met hongersnood geplaagd. (Denk ook aan de plagen van Egypte!)
De reiziger werd door een hevigen dorst —.
Gij moet de meid niet zoo —, door haar telkens om een wissewasje binnen te laten komen.
Wie de dieren —, heeft ook voor de menschen geen goed hart.
Gij moet dat kleine kind niet zoo —.
Karel V werd vaak door jicht —.
Mijn broer — mijn zuster altijd met haar dwazen hoed.
Zijn knagend geweten — hem dag en nacht.