Bijna geheel aan elkander gelijk zijn.
Overeenkomen drukt dit zonder nadere aanduiding uit. De bouw van deze beide kerken komt met elkander overeen. Overeenstemmen ziet uitsluitend op meeningen, gevoelens of gedachten. (De letterlijke beteekenis duidt aan: dezelfde stem of toon hebben.) Wij stemmen in onze politieke gevoelens volkomen met elkander overeen. Men kan dus niet zeggen: de bouw van deze kerken stemt overeen.
De Veluwe — in vele opzichten met Drente overeen.
De getuigen — niet met elkander overeen.
De beide steden — in handelsbeweging vrij wel overeen.
Bij de keuze van een nieuwen president kon men niet gemakkelijk tot — geraken.
De berichten over sommige feiten uit onze geschiedenis — niet altijd overeen.
Weinig voorkomende.
Zeldzaam duidt aan, dat iets slechts bij uitzondering gezien wordt, doordat er zeer weinig van die voorwerpen bestaan. Voor dezen zeldzamen postzegel heb ik drie gulden betaald.
Schaarsch wil zeggen, dat van iets op een gegeven tijdstip minder voorraad is, dan men verwacht had, zoodat er een tijdelijke behoefte aan bestaat. Daar de aardappelen dit jaar schaarsch zijn, besteedt men hooge prijzen.
Zeldzaam en schaarsch zijn bijvoeglijke naamwoorden, zelden is een bijwoord van tijd en beteekent bijna nooit. Hoe komt het toch, dat wij je tegenwoordig zoo zelden bij ons zien?
Dat is een — exemplaar van Vondels werken.
Door de invoering der muntgasmeters zijn in sommige steden de 2½-centstukken — geworden.
Rijkdom en geluk vindt men — vereenigd.
De berichten van het oorlogsveld zijn zeer —.
Bij Baarn groeit aan de Eembrug een — plant; men ziet die plant maar — in de tuinen.
Nu de aardappelen zoo — zijn, eten wij maar veel meelspijzen.
Haastige spoed is — goed.
De gastvrijheid onzer voorvaderen is — geworden.
Het is een — genot dezen vioolspeler te hooren.
Een vooroverwaartsche beweging maken.
Nijgen is: slechts even buigen, liefst met een bevallige beweging, zoodat het vooral van vrouwen gebruikt wordt.
Buigen onderstelt, dat de beweging sterker is; als teeken van nederigheid of onderdanigheid is het dus van meer kracht dan nijgen. Zij neeg het hoofd tot een beleefden groet. Hij boog het hoofd in het bewustzijn van zijn schuld.
De vorstin werd luide toegejuicht; vriendelijk — nam zij die hulde in ontvangst.
De deputatie — zeer diep voor den koning.
Met een bevallige — nam de zangeres de bloemen aan.
Na den stormachtigen bijval — de acteur naar alle zijden.
Hij moest voor de overmacht —.
Iets grooter voorstellen dan het is.
Overdrijven geschiedt meer uit hartstochtelijkheid, uit zucht om iets van grooter gewicht te doen schijnen, dan het in werkelijkheid is; het geschiedt dus niet uit boos opzet. Dat er bij dit ongeval verscheidene menschen verongelukt zijn, laat zich denken; doch dit getal op 200 te stellen is zeker overdreven.
Vergrooten daarentegen onderstelt een bepaald opzet; men wil n.l. door dat vergrooten een of ander doel des te gemakkelijker bereiken. Om hun zoon van zijn vertrek naar Indië terug te houden, hebben zijn ouders hem de bezwaren van het Indische leven zeer vergroot voorgesteld.
Kinderen zijn geneigd, hetgeen hun wedervaren is, te —.
De vijand heeft de verliezen aan onze zijde zeer — opgegeven, om zich zelf des te meer roem toe te kennen.
Het is begrijpelijk, dat een moeder de deugden van haar kind vaak —.
Sommige couranten, die belang hadden bij den val van het ministerie, hebben de beteekenis van deze gebeurtenis zeer —.
„Ook 't goede kan men —, zoodat het ophoudt goed te zijn.”
Om hem van de sollicitatie terug te houden, heeft men de eentonigheid van deze standplaats zeer —.
Dat zij van opschik houdt, is waar, maar dat zij daardoor haar man arm zou gemaakt hebben, is —.
Het trekken van de eene plaats naar de andere.
Tocht onderstelt, dat er moeilijkheden te overwinnen zijn, terwijl reis meer op den verren afstand ziet. Zoo spreekt men bij het leger van veldtochten, niet van veldreizen. Waarom is het beter te zeggen een plezierreisje dan een pleiziertochtje?
Op hun huwelijks— naar Zwitserland hebben zij prachtig weer gehad.
De kruis— hadden ten doel het Heilige Land te veroveren.
Op onze — door Duitschland hebben wij den Harz bezocht.
Napoleons — naar Rusland was het begin van het einde.
De — van den koning naar St.-Petersburg zal een week worden uitgesteld.
Maurits' — naar Duinkerken is niet geslaagd.
„Als iemand verre — doet, dan kan hij wat verhalen.”
Niet in staat te spreken.
Sprakeloos wijst op een tijdelijk onvermogen, hetzij door ziekte, hetzij door hevige gemoedsaandoening. Hij stond sprakeloos van schrik.
Stom wijst op een aangeboren gebrek: een stom kind; of wel op het natuurlijk onvermogen om te spreken: het stomme vee.
Soms staat stom gelijk met zwijgend: een stomme rol, of wordt ook wel gebruikt bij de hevigste ontroering en is dan sterker dan sprakeloos: Hij was stom van ontzetting.
Het geld, dat — is, maakt recht, wat krom is.
Door den hevigen schrik was zij langen tijd —.
Toen hij deze verpletterende tijding hoorde, was hij — van ontzetting.
Het front van dit orgel bevat verscheidene — pijpen.
Die man is wel ongelukkig: hij is — en blind.
Door een verlamming van de tong is zij — geworden (was zij eenige dagen —).
De noodige eigenschappen voor iets bezittende.
Vatbaar zegt, dat iemand in staat is tot het vatten of ontvangen van invloeden buiten hem. Hij is erg vatbaar voor allerlei ziekten.
Geschikt duidt aan, dat iemand door zijn bekwaamheid of aanleg in staat is, om iets te doen. Hij is om zijn welsprekendheid zeer geschikt voor president dezer vereeniging.
Die jongen is niet — voor goede indrukken.
Zulk een bedaard mensch is niet — om als matroos te varen.
Deze tuinman is ook — voor koetsier.
Ik geloof niet, dat deze booswicht voor verbetering — is.
Van Wassenaar-Obdam was niet — voor vlootvoogd.
Michiel de Ruyter was volstrekt niet — voor vleierij.
De commissaris van politie is zeer — om het onderzoek te leiden.
Iets anders maken.
Wijzigen heeft betrekking op kleine veranderingen, die aan de hoofdzaak weinig afdoen; veranderen onderstelt, dat iets, wat vorm of strekking betreft, geheel anders wordt, en is dus veel sterker dan wijzigen. Ik zal den titel van dit boek: „Verhalen voor Jong-Holland” wijzigen in: „Verhalen voor de Jeugd”.—Ik zal den titel van dit boek: „Verhalen voor Jong-Holland” veranderen in: „Vertelselboek voor 't Jonge Volkje”. Evenzoo beteekent: de wet wijzigen, daarin slechts kleine veranderingen aanbrengen, terwijl de wet veranderen beteekent: er een geheel andere strekking aan geven, 't zij door nieuwe toevoegsels, 't zij de bestaande artikels door geheel andere te vervangen.
Gij moet dezen zin in uw brief eenigszins —, want zoo is hij niet al te duidelijk.
Deze zin in uw brief bevat eigenlijk een beleediging; gij moet hem dus noodzakelijk —.
Hij — zijn kleeding om zich onkenbaar te maken.
De Minister heeft met de wenschen der Kamer rekening gehouden en een — wetsontwerp ingediend.
Deze bewering in uw opstel is geheel onjuist; gij moet dus dit gedeelte —.
De keizer heeft het doodvonnis van den moordenaar — in levenslange opsluiting.
De richting van de spoorlijn is met een kleine — door de Kamer goedgekeurd.
Zijn frischheid verliezen.
Verdorren wil zeggen: alle levenssappen verliezen, zoodat het sterven noodzakelijk moet volgen. Deze boom is bijna verdord.
Verwelken ziet meer op het verliezen van frischheid, kleur of geur. Een verwelkte bloem. De bladen verwelken bij droog weder, en, als zij niet begoten worden, verdorren zij ten laatste.
Deze plant staat te —; zij moet noodzakelijk water hebben.
Door den invloed van de nabijgelegen gasleiding schijnt deze beuk te —.
De koolplanten staan reeds te —; als het niet spoedig regent, zullen zij moeten —.
Deze zangeres is een — schoonheid.
Bijeenbrengen.
Vergaderen duidt op het bijeenbrengen of bijeenkomen van gelijksoortige zaken of personen, die bij elkander behooren, terwijl verzamelen gezegd wordt van ongelijksoortige dingen, die men bijeenbrengt. De gemeenteraad zal morgen vergaderen (de leden behooren bij elkander, om een eenheid te vormen).—Op de markt hadden zich vele menschen verzameld, om Uilenspiegel te zien vliegen. (Deze menschen behoorden niet bij elkander: er was oud en jong, rijk en arm, aanzienlijk en gering bijeen.)—Eindelijk ziet verzamelen soms vooral op hetgeen verstrooid was en weer bijeengebracht wordt: De veldheer wist zijn gevluchte manschappen weer tot een nieuwen aanval te verzamelen. Vergelijk nu: verzameling en vergadering.
Dit museum bevat een — van incunabelen of wiegedrukken (boeken, vóór 1500 in ons land gedrukt).
De bijen — ijverig honig en was. (De honing is her en der verspreid.)
In de zaal werd een — van schilders gehouden.
Wie den armen geeft, — zich een schat in den hemel.
Hij — zijn krachten tot een laatst verweer.
Mijn vriend doet veel aan het — van prentbriefkaarten.
Deze vereeniging — elken laatsten Vrijdagavond der maand.
Hij — al zijn moed om tot dien stap over te gaan.
Niet hard.
Week duidt aan, dat iets gevoelig is voor indrukken: de weeke klei; een week gemoed.
Zacht stelt meer het aangename gevoel, dat de aanraking geeft, op den voorgrond: het zachte fluweel, een zacht gemoed (d.i. aangenaam in den omgang).
Een — windje lispelde door de bladeren.
Ik wist niet, dat hij zoo — van hart was, zoodat hij geen lijden kan zien.
„En Neerlands — grond hijgde onder 't wicht van wee.”
Wij hebben dit jaar een — winter gehad.
De boter is door de warmte erg — geworden.
Een dokter moet niet —, wel — van gemoed zijn.
Het tegengestelde van bekrompen.
Ruim wil zeggen, dat men zich naar alle zijden gemakkelijk kan bewegen, terwijl breed dit alleen van één afmeting zegt. Een breede gang, een ruime kamer.
Wijd geeft hetzelfde als breed aan, maar heeft de bijbeteekenis, dat er veel of zelfs te veel plaats is voor een of ander voorwerp: een wijde mouw, den havenmond verwijden.
Men heeft op dezen berg een — vergezicht.
Hij vat zijn taak — op.
Die jas is u wel wat —.
Hij heeft een — inzicht in die zaak.
Iets in den — uitmeten.
Een oneerlijk mensch heeft een — geweten: „men kan er met paard en wagen in omdraaien.”
Vele bewandelen den — weg der zonde.
„Het — hemelrond Vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid.”
Van zulk een inkomen kan men — leven.
Hij verliet met zijn vaderlijk erfdeel het ouderlijk huis en trok de — wereld in.
Zich in woorden uiten.
Spreken duidt in het algemeen het vermogen daartoe aan, zonder op de beteekenis of den inhoud der woorden te letten. De mensch kan spreken.
Zeggen heeft de bijgedachte, dat men iets wenscht mede te deelen door middel van de spraak; het let dus vooral op den inhoud. Hij zeide, dat hij spoedig terug kwam. Vandaar komt zeggen altijd overgankelijk voor, terwijl spreken ook onovergankelijk gebruikt wordt, bijv.: Hij sprak zeer lang in die vergadering (d.w.z. hij voerde lang het woord). Men kan veel spreken en toch weinig zeggen.
Ik zal je later wel eens —, waarom ik niet meega.
De redenaar — zeer mooi.
Ik heb hem over die zaak —.
Ik heb hem het mijne van de zaak —.
Bij het — moet gij niet te veel uw keel gebruiken.
Dat is een — voorbeeld (d.w.z. het zwijgt niet, maar het spreekt).
Hij — met luider stemme: „Blijf, waar gij zijt!”
Toen ik hem naar de reden vroeg, — hij geen woord.
Toen ik met hem in den trein zat, — hij geen woord.
(Welk verschil is er tusschen: Hij sprak geen woord, en Hij zeide geen woord?)
Hevige ontroering bij het aanschouwen van iets beangstigends.
Schrik geeft meer de werking zelf aan, waarbij men bij 't zien of hooren als 't ware opspringt (schrikken = springen; vgl. schrikkeljaar, 't jaar waarin de datums één dag meer verspringen). Men kan zich spoedig herstellen en zijn kalmte terugkrijgen.
Is de ontroering heviger, zoodat zij ons gemoed geheel vervult, dan spreekt men van ontzetting. (Zie No. 44.)
(Verandert door schrik of ontzetting ons gelaat, dan spreekt men van ontstellen.)
Van — stond hij aan den grond vastgenageld.
Van — rezen hem de haren te berge.
Met — bemerkte hij, dat hij zijn geld verloren had.
Met — bemerkte de kapitein, dat het schip verloren was.
Met — zag de moeder het aan, hoe de vijand haar kinderen vermoordde.
Toen de patroon den bediende op de vervalsching wees, — deze.
Van — kon hij geen woord uitbrengen.
Ieder vernam met —, welke gruwelen door de Turken gepleegd werden.
Iemand iets geven voor hetgeen hij gedaan heeft.
Beloonen (soms loonen) geschiedt als een bewijs van goedkeuring (door een meerdere) of om voor een bewezen dienst iets stoffelijks (meest geld) te geven. De vader beloont zijn kind. De eerlijke vinder zal goed beloond worden.
Vergelden onderstelt meer het geven van iets onstoffelijks voor bewezen diensten en kan ook van een mindere jegens zijn meerdere gezegd worden. Het kind vergold door een voorbeeldig gedrag de zorgen zijner ouders.
Bovendien ziet beloonen op den persoon (het kind werd beloond), en vergelden op de zaak (de zorgen, niet de ouders werden vergolden). Men houde in het oog, dat beide woorden in figuurlijken zin soms in ongunstige beteekenis voorkomen: Het kwaad loont zijn meester. (Waarom niet vergeldt?)—Kwaad met kwaad vergelden. (Waarom niet beloonen?)
Moge God u voor al uw zorgen —. Moge God u al uw zorgen —.
De onderwijzer — den leerling voor zijn goed gedrag.
De tijd, dien ik aan deze studie wijdde, is ruim — geworden.
Het kwaad — steeds zich zelf.
Jammer, dat hem die weldaad met zulk een ondank werd —.
Jammer, dat hij voor die weldaad zoo met ondank werd —.
Het laatste gedeelte van een zaak of handeling.
Einde zegt dit in het algemeen, slot onderstelt het einde van een geordend en afgewerkt geheel. Een laan heeft wel een einde, maar geen slot; daarentegen heeft een brief wel een slot, doordat de brief een geordend en afgewerkt geheel is. Zoo zegt men: het einde van de bladzijde, niet het slot. Van een boek kunnen beide woorden gebruikt worden; het einde vindt men na den laatsten regel, het slot ziet op de laatste zinnen: Dat boek bevat een pakkend slot. Ik las dit boek van het begin tot het einde, maar vond niet het bewuste woord.
(Waarom zegt men wel slot-zin en niet einde-zin?)
Aan het — van dezen zandweg woont een jager.
Het — van dit gedicht munt uit door groote zeggingskracht.
Aan het — der volgende week hoop ik u te bezoeken.
Tot — gaf de spreker nog een gedichtje ten beste.
De vergadering werd aan het — rumoerig.
Het — zijner redevoering heb ik niet duidelijk verstaan.
Aan het — zijner redevoering verhief zich een daverend applaus.
Vergeet niet het — van uw brief in den behoorlijken vorm te schrijven.
De brief was zoo lang, dat er geen — aan scheen te komen.
Door het gehoor iets waarnemen.
Hooren drukt uit, dat dit onwillekeurig, soms zelfs tegen onzen zin kan geschieden: Wij hooren altijd het geloop op de verdieping boven ons.
Luisteren drukt uit, dat men scherp en met aandacht naar iets of iemand hoort en is dus veel sterker. De keukenmeid luisterde aan de deur, wat er binnen gesproken werd.
Wat — ik, ga je vertrekken?
— eens, wat die man te vertellen heeft.
De reiziger — een vreemd geluid in het bosch; hij stond daarom stil en —, wat het zijn mocht.
De wind is zeker zuid, daar men den trein zoo goed kan —.
In die vergadering — men soms rare dingen.
De geheele vergadering — met gespannen aandacht naar den spreker.
Ik heb wel —, dat hij iets zeide; maar ik heb er niet voldoende naar — om het u over te vertellen.
Nog onbedorven, niet oud.
Versch duidt aan, dat iets nog alle eigenschappen bezit, die het gevolg zijn van zijn nog kort bestaan. Dit vleesch is nog versch (het is nog niet bedorven of oud; het bestaat n.l. nog pas, d.w.z. de koe is pas geslacht); een versch ei.
Frisch duidt aan, dat iets er jong of jeugdig uitziet, zonder het daardoor nog te zijn; het nadert zoodoende de beteekenis van: sterk, vol leven, gezond. Na een rustigen slaap gevoelt men zich weer frisch.—Een frissche kleur; frissche rozen.—Soms ook is het synoniem met verkoelend: een frissche wind.
Een glas — melk is een gezonde drank. Een glas — water is in den zomer aangenaam.
De veldheer liet — troepen aanrukken.
Die man ziet er nog — uit, al is hij reeds op jaren.
Hier heb ik een bouquet — bloemen.
Dit vleesch schijnt mij niet — meer.
Al is in den winter — lucht soms ook wat —, zij is daarom toch onmisbaar.
Op den wand zag men een — gemetselde plek, waarachter de huisheer zijn geld verstopt had.
Er woei een — koelte.
Een glas citroen is 's zomers een — drank.
Nalaten, wat men behoorde te doen.
Verwaarloozen beteekent: niet meer voor iets zorgen, zoodat het bederft of onbruikbaar wordt. Hij heeft zijn tuin zoo laten verwaarloozen, dat er haast niets meer dan onkruid in groeit.
Verzuimen ziet op het nalaten van een of andere plicht. Gij hebt zeker weer verzuimd den brief te frankeeren.
De regenten lieten de vestingen zoo —, dat de grachten dichtgroeiden en de kanonnen op de wallen verroestten.
Ik heb schandelijk —, u van mijn vertrek in kennis te stellen.
Wat ziet dat kind er — uit.
Men beschuldigde de Gouvernante, dat zij opzettelijk de vloot liet —, om ons land des te gemakkelijker aan Engeland te kunnen overleveren. Deze valsche beschuldiging, dat zij haar plicht —, griefde haar diep.
Gij hebt heel wat —, door de uitvoering niet bij te wonen. (Het was dus uw plicht geweest te komen.)
De snelheid, waarmee men een handeling volbrengt.
Haast doet denken aan de snelle beweging, die men maakt om voort te komen of om den arbeid af te krijgen. Als gevolg hiervan ontbreekt meestal overleg en nadenken. Gij behoeft met dit werk geen haast te maken; ik heb er den tijd nog mee en zie liever, dat gij het kalm en bedaard afmaakt.—In grooten haast heb ik dit geschreven: verontschuldig dus mijn onduidelijk schrift.
Spoed duidt aan, dat het werk geregeld en snel voortgaat, zonder door tusschenpoozen van rust te worden onderbroken. Dank zij den spoed, waarmee gewerkt kon worden, was het gebouw op den gewenschten tijd klaar. Spoed sluit dus evenals haast een snellen voortgang der handeling in, maar heeft niet de bijgedachte, dat het werk met weinig overleg tot stand komt. Wie met haast handelt, ontmoet soms een of anderen tegenspoed en komt dus niet vooruit. In zijn haast, om nog op tijd aan den trein te zijn, trok hij twee knoopen van zijn jas, die eerst weer aangenaaid moesten worden. Door dit oponthoud kwam hij te laat.
IJl heeft veel overeenkomst met haast, maar duidt meer aan, dat men den noodigen tijd voor 't werk mist en men zich derhalve reppen moet, om dien tijd uit te winnen. Men spreekt dan ook van een ijlbode, daar er geen tijd te verliezen is, integendeel er moet tijd uitgewonnen worden. Ik liet hem dit in allerijl weten.
Hoe meerder —, hoe minder —.
Ik hoop uw opdracht met bekwamen — te volbrengen.
Als gij zoo'n — maakt, zal er van dat werk niet veel terecht komen.
Ik zal zijn koffer als —goed laten bestellen.
Gebruik nu in zinnen: haastig, spoedig, ijlings.
Zich van iets ontdoen, om er iets anders voor in de plaats te nemen.
Verruilen wil zeggen, dat de handeling opzettelijk en met eens anders toestemming geschiedt, terwijl het verruilde voorwerp een anderen eigenaar krijgt. Ik heb mijn kleurdoos tegen zijn passerdoos verruild.
Verwisselen duidt aan, dat daarbij niet de toestemming van een ander wordt vereischt, terwijl de handeling ook zonder opzet kan geschieden. Bovendien kan men slechts gelijksoortige zaken verwisselen. Bij vergissing had ik mijn hoed tegen den zijnen verwisseld. (De handeling is toevallig.)—Kinderen, verwisselt de leien! (De handeling is wel opzettelijk, maar elkanders toestemming is niet vereischt; ook veranderen de leien niet van eigenaars.) Wat beteekent: De kinderen verruilen de leien?
Zij — spoedig haar balcostuum tegen een huisjapon.
De beide ontvangers hebben van standplaats —.
In vroeger tijd dreef men uitsluitend —handel.
De kinderen spelen vaak „boompje —”.
Ik zou met al zijn geld toch niet graag met hem —.
De Zuidelijke Nederlanden zijn nog al eens vaak van naam —.
Engeland heeft Helgoland tegen een deel van Afrika —.
De beide vrouwen, die voor Salomo's vierschaar verschenen, hadden elkanders kinderen —.
Begeerig om iets te weten.
Weetgierig is hij, die het wetenswaardige verlangt te kennen; het heeft dus een gunstige beteekenis. Deze knaap toont zich zeer weetgierig, zoodat hij vol ijver studeert.
Nieuwsgierig is hij, die allerlei nieuwtjes wenscht te weten, zaken, waarmee hij soms niets te maken heeft. In den regel heeft het dan ook een meer ongunstige beteekenis. Deze vrouw is zeer nieuwsgierig: onophoudelijk begluurt en beluistert zij haar buren.
Benieuwd ziet op de begeerte, om den afloop van iets, waarvan wij nog in het onzekere zijn, te kennen: dit feit kan nog gebeuren moeten, en in dit geval is de afloop natuurlijk nog niet bekend, of wel, het feit is al gebeurd, maar de afloop is ons nog niet bekend. Ik ben benieuwd, of hij zal slagen (of hij geslaagd is).
Toen men in 1903 den Amersfoortschen keisteen zou opgraven, was iedereen —, of hij nog te vinden zou zijn. Zoodra hij eindelijk gevonden was, waren velen — genoeg, om den historisch geworden steen eens te gaan zien. Enkelen waren zelfs — genoeg om zijn geschiedenis uit de oude geschriften op te diepen.
Deze dienstbode is uiterst —, voortdurend staat zij aan de deur te luisteren.
Een — jongen kan soms moeilijke vragen doen.
Een — jongen staat met zijn neus overal vooraan.
Wij zijn —, of hij benoemd zal worden.
Gij moet uw brieven beter voor de — blikken van anderen verbergen.
Overblijven door het weggaan van anderen.
Nalaten onderstelt altijd een overlijden en vestigt de aandacht op de personen, die blijven leven, of op de goederen, die de overledene bezat. Hij liet slechts één zoon na. Hij heeft een groot vermogen nagelaten.
Achterlaten onderstelt, dat iemand bij zijn vertrek de genoemde personen of zaken niet meeneemt. Hij liet bij zijn ontvluchting naar Amerika zijn huisgezin achter.
Moet bij dit woord niet aan een vertrek, maar óók aan overlijden gedacht worden (evenals bij nalaten), dan duidt het vooral den toestand aan, waarin de betrekkingen na den dood van hun bloedverwant verkeeren: Hij liet een diepbedroefde weduwe onverzorgd achter.
Overlaten duidt aan, dat iemand bij zijn heengaan afstand doet van het achtergelatene ten behoeve van een ander. De vluchteling ontdeed zich snel van zijn bovenkleeren, sprong te water en liet zijn kleeding aan zijn vervolgers over. Wordt overlaten gebruikt bij een sterfgeval, dan wijst het woord vooral aan, dat de overledene voor de nagelaten betrekkingen niet heeft kunnen of willen zorgen. Bij zijn dood heeft de verkwister zijn gezin aan de grootste ellende ten prooi overgelaten.
De overleden schrijver heeft nog een bijna voltooiden roman —.
Door zijn overhaaste vlucht moest hij een deel van zijn papieren —.
Bij zijn vlucht moest hij het grootste deel zijner papieren aan zijn vervolgers —.
De gierigaard heeft een groot kapitaal —.
Bij zijn dood liet hij zijn beide kinderen onverzorgd —.
Zijn daden zullen hier een aangename herinnering —.
Door zijn wanbeheer liet hij bij zijn dood zijn gezin aan de grootste ellende —.
Bij zijn vertrek liet hij groote schulden —.
Bij zijn dood heeft hij groote schulden —.
Hij liet mij aan mijn eigen lot —.
Bij vergissing heb ik bij mijn vertrek uit de stad in mijn hotel een handkoffertje —.
De Kelten hebben hier vele sporen van hun verblijf —.
Iemand tot andere gedachten brengen.
Overreden wil zeggen: iemand door redeneering zoover brengen, dat hij het een of ander doet of toestaat, waarvan hij te voren niet wilde weten. Het kostte ons veel moeite hem te overreden, de benoeming van voorzitter aan te nemen.
Overhalen is niet zoo sterk als overreden; het onderstelt minder klemmende redeneering en duidt meer op goed gekozen woorden of verleidelijke voorstellen. Het wordt dus meer van alledaagsche zaken gebezigd en kan ook een ongunstige beteekenis hebben. Ik heb hem overgehaald nog een week zijn reis uit te stellen. Hij liet zich door de dieven spoedig overhalen het gestolene in zijn woning te verbergen.
Overtuigen ziet niet zoozeer op de daden van iemand, als wel op zijn meening, zijn inzicht. Het wil zeggen: iemand door grondige bewijzen brengen tot de erkenning, dat hetgeen wij zeggen, volkomen waar is. Het onderstelt meestal, dat wij zijn bedenkingen eerst moeten weerleggen, alvorens hij de waarheid onzer woorden wil aannemen. Ik heb hem eindelijk overtuigd, dat zijn levenswijze zijn gezondheid moet ondermijnen in plaats van die te bevorderen.
De verleider wist hem spoedig —, mee te doen.
Men heeft hem reeds lang te vergeefs willen — geheelonthouder te worden; eerst toen men hem eindelijk — had, dat de alcohol vooral voor zijn gestel zeer schadelijk is, heeft hij zich als lid laten inschrijven.
Hoewel hij geheelonthouder is, heeft hij zich in een zwak oogenblik laten —, een glas wijn te drinken.
Men kon hem niet —, de candidatuur voor den gemeenteraad te aanvaarden. Wij trachtten hem wel te —, dat een man van zijn kennis en ervaring in den Raad onmisbaar was, maar hij bleef bij zijn voornemen.
De gevangene wist den cipier —, hem bij de ontvluchting behulpzaam te zijn.
't Gevoel, dat iemands voortreffelijkheid of meerderheid ons inboezemt.
Achting draagt men iemand toe, als men zijn voortreffelijke hoedanigheden erkent en hem daarom eert. Door deze edelmoedige zelfopoffering verwierf de held zich de achting van alle medeburgers, ja zelfs van zijn vijanden.
Eerbied onderstelt, dat men iemands meerderheid levendig gevoelt en hem dit door betooning van hulde en eer op eenigszins onderdanige wijze duidelijk bewijst. Een request aan regeeringspersonen begint meestal: Geeft met verschuldigden eerbied te kennen, enz.
Ontzag is de eerbied, dien men voor zijn meerderen gevoelt; het gaat min of meer gepaard met een gevoel van vrees, daar zij ons voor onze tekortkomingen en overtredingen kunnen straffen. Geloofd zij God met diepst ontzag! (Waarom diepst, en niet hoogst?)
Gij moet den ouderdom met — bejegenen.
Door zijn strenge straffen wilde Alva — inboezemen.
De burgemeester verwierf zich door zijn uitstekend bestuur spoedig de — aller ingezetenen.
Met diepen — naderde de afgezant den koning.
Onder de zwakke opvolgers van Karel den Grooten ging spoedig het — voor den vorst verloren.
Toen het bekend werd, dat Leicester met den vijand in het geheim onderhandelde, verloor hij weldra ieders —.
Zoodra de koning de vergaderzaal binnentrad, verhieven zich alle leden ten teeken van — van hun zetel.
Deze leerlingen schijnen weinig — voor hun onderwijzer te hebben; zij zouden anders ten minste met meer — over hem spreken.
Zijn gevoelen doen blijken.
Betuigen geschiedt door verzekeringen, door verklaringen, dus door woorden. Hij betuigde mij in hartelijke bewoordingen zijn vriendschap.
Betoonen is sterker: het onderstelt, dat men door zichtbare teekenen, bijv. door daden, van zijn gevoelen blijk geeft. Hij betoonde mij zijn vriendschap, door mij in mijn ziekte vaak te bezoeken.
Bewijzen komt vrijwel met betoonen overeen; alleen is het iets sterker, doordat het doet denken aan overtuigende bewijzen. Hij bewees mij zijn vriendschap, door mij in den nood getrouw bij te staan.
Hij — wel zijn onschuld, maar hij kon ze niet —.
De misdadiger was zeer bedroefd en — daardoor berouw te hebben over het gebeurde.
Hij — mij in een langen brief zijn leedwezen over de beleediging, die hij mij aangedaan had.
Jan van Schaffelaar — zijn waren heldenmoed, door zich onverschrokken van den toren te werpen.
De Tweede Kamer — haar deelneming in het overlijden van haar medelid in een brief van rouwbeklag aan de weduwe. Zij — haar deelneming, door de zitting als teeken van rouw op te heffen.
De regeering —, dat zij de verdiensten van den gesneuvelden held hoog waardeerde, door op zijn graf een prachtig gedenkteeken op te richten.
Iemand met kracht tot een handeling bewegen.
Dwingen zegt, dat zulks door dwang, door geweld van anderen geschiedt; de gedwongene moet tegen zijn zin doen, wat van hem geëischt wordt. De vijand wilde den schildwacht dwingen de wapens af te geven, maar de brave soldaat liet zich liever doodschieten dan zijn post ontrouw te worden.
Noodzaken onderstelt, dat iemand niet door geweld, maar door den nood der omstandigheden tot het uitvoeren der daad gebracht wordt; hem blijft dus niets anders over dan zich te onderwerpen. Dwingen geschiedt door machthebbende personen, terwijl noodzaken meer op de macht der omstandigheden ziet. Doordat de proviand begon op te raken, waren de schipbreukelingen genoodzaakt, zich op rantsoen te stellen.
Dringen komt veel met dwingen overeen, maar is niet zoo sterk. Het onderstelt, dat de betrokken persoon nog altijd eenige vrijheid van beweging houdt (denk aan het opdringen te midden van een dichte menigte); bij dwingen daarentegen heeft de bedoelde persoon niet de minste vrijheid meer. De uitvoerigheid der stof drong mij mijn onderwerp slechts in hoofdzaken te behandelen.
De Spanjaarden wilden Leiden door hongersnood — zich over te geven.
Doordat de weg zoo modderig was, waren wij — van de fiets te stappen.
Ik gevoel mij —, U mijn hartelijken dank te brengen voor Uw medewerking.
Eerst toen de Mogendheden Lodewijk XIV wilden — zijn eigen kleinzoon te bevechten, greep hij weer vol moed naar de wapenen.
Heemskerck en Barents waren — den kouden winter op Nova-Zembla door te brengen.
Door ware vriendschap jegens u —, moet ik u ernstig tegen dezen man waarschuwen.
Door het ongunstige weer waren wij —, van de reis af te zien.
Niet hakend naar meer.
Tevreden is hij, die geen onbevredigde verlangens koestert en dus voldaan is, met hetgeen hij heeft.
Vergenoegd zegt eveneens, dat men genoeg heeft, dus alles wat men verlangt, maar drukt tevens uit, dat die tevredenheid met zichtbare vreugde of blijdschap gepaard gaat.
Hij is — met zijn lot en heeft daarom een gelukkig leven.
Hij ziet er vandaag — uit.
Ik ben zeer — over uw examen.
Deze eenvoudige en — menschen leven — en blij.
Een ander niet in 't genot of het bezit van iets kunnen zien.
Misgunnen duidt aan, dat men over dat bezit van een ander ontevreden is. Men kan zelf wel iets dergelijks bezitten, maar toch kan men uit vijandschap niet zien, dat een ander het ook heeft. Misgunnen stelt dus vooral den persoon, niet zoozeer het voorwerp (of genot) op den voorgrond. Hij misgunt mij dit genoegen, wil dus zeggen: hij draagt mij een kwaad hart toe en daarom kan hij niet zien, dat ik een genoegen smaak.
Benijden onderstelt, dat men het bezit (of genot) voor zichzelf verlangt, doordat men het zelf niet heeft. Men kan dus een ons geheel onbekend persoon benijden om zijn fiets; men behoeft hem dat rijwiel volstrekt nog niet te misgunnen.—Soms heeft benijden de ongunstige beteekenis verloren, bijv. ik benijd u waarlijk uw mooien tuin; men wil door deze uitdrukking den tuin des te sterker prijzen, zoodat deze zegswijze meer als vleierij moet opgevat worden.
De arme man stond getroffen door den rijkdom van zijn buurman; duidelijk was het te zien, dat hij hem dien overvloed —.
Ik — je, dat je geslaagd bent, maar ik — het je niet.
Deze man heeft een onaangenaam karakter: hij — ieder een vroolijken dag.
Er waren vele vrienden, die hem zijn succes —, maar nog meer vijanden, die het hem —.
Deze woorden geven te kennen, dat men het bepaalde voornemen heeft iets te doen.
Voorbedachtelijk (of gewoonlijk: met voorbedachten rade) onderstelt meestal een slechte daad, opzettelijk daarentegen in den regel niet.
Opzettelijk is het tegengestelde van toevallig; men wil dus laten blijken, dat men iets niet toevallig doet. Ik heb hem opzettelijk opgezocht, om hem te overtuigen, dat ik niet meer boos was. Voorbedachtelijk onderstelt, dat men vooraf middelen bedacht heeft ter bereiking van zijn doel; dit doel is bij voorbedachtelijk altijd misdadig, hetgeen bij opzettelijk niet het geval behoeft te zijn. De edelen wekten Floris V met voorbedachten rade reeds spoedig uit zijn middagslaap, om hem zoodoende zonder gevolg naar de valkenjacht te laten trekken.
Ik heb hem — voor dien jongen gewaarschuwd.
De dief heeft blijkbaar bij zijn inbraak — eerst de weduwe vermoord.
In dit park heeft men — nestkastjes geplaatst, om meer zangvogels te krijgen.
Men heeft den reiziger — van den weg gelokt, om hem des te gemakkelijker te kunnen berooven.
Daar de rijkskanselier Bismarck gaarne den oorlog met Frankrijk wilde, beschuldigt men hem, dat hij — het telegram van Ems zou hebben verminkt.
Ik heb u — laten roepen, om u dit zelf te zeggen.
Het voorste deel van het hoofd.
Aangezicht is de algemeene en gewone benaming, terwijl gelaat edeler is als uitdrukking van het karakter. Men heeft bijv. pijn in het aangezicht en niet in het gelaat. Men leest ontroering zoowel op iemands aangezicht, als op zijn gelaat, hoewel dit laatste eigenaardiger en gepaster is, als uitdrukking der gemoedsbeweging.
Gezicht is hetzelfde als aangezicht, maar behoort meer tot de alledaagsche taal: Ik zag hem vlak in het gezicht. Het kan ook van dieren gebruikt worden: een apengezicht, en is daarom ook platter dan aangezicht: iemand een slag in het gezicht geven.
Wie zijn neus schendt, schendt zijn —.
Het — is de spiegel der ziel.
Hij viel op zijn — en bad God om vergeving.
Het kind viel op zijn — en liep een schram op.
Er lag een glans van voldoening op zijn —.
Wacht u voor iemand met twee —.
Ik ken hem alleen bij naam, niet van —.
Wat heb je toch een rood — gekregen!
Met ontsteld — kwam hij binnenstormen.
Je hebt je — niet goed gewasschen.
Wat nog onzeker was, nauwkeurig aangeven.
Vaststellen doet men letterlijk iets, dat los of wankel staat, wat, bij uitbreiding van beteekenis, onzeker is of nog aanleiding geeft tot twijfel. De prijs werd door alle bakkers op 10 cent per K.G. vastgesteld (de prijs was iets wankelends en daarom wilde men dien nader en vaster aangeven).
Bepalen is door palen een onbegrensde ruimte afperken, men weet dan voortaan de juiste ligging; het woord wijst er dus vooral op, dat het onbekende (niet het twijfelachtige) nauwkeurig wordt aangegeven. Het uur der vergadering werd eindelijk op 6 uur bepaald. (Het was eerst nog onbekend!)
Vaststellen heeft dus ten doel den bestaanden twijfel of onzekerheid weg te nemen, terwijl bepalen meer ziet op het nader aanduiden van het onbekende.
Geen mensch kan den loop der sterren —, wel kunnen de astronomen dien nauwkeurig —.
Mijn vertrek is eindelijk op half Maart —.
Het is eindelijk de politie gelukt de identiteit van den dief —.
Het feest is op 31 Augustus —, maar het programma moet nog nader — worden.
De erflater had —, dat een vierde van zijn nalatenschap aan het weeshuis zou komen.
Hebt gij de kenmerken van deze plant al —? (Zij waren onbekend!)
De gemeenteraad heeft het percentage van de plaatselijke directe belasting op 1.5 —. (Het was nog onzeker!)
De Regeering heeft —, dat de aangeslibde gronden aan het Rijk behooren.
Beide woorden drukken een hoogen graad van zedelijke grootheid aan.
De edelmoedige heeft een edel gemoed, een edele ziel, en is dus geneigd tot edele daden. Hij zal bijv. bij vijandschap de eerste zijn, die de verzoenende hand aanbiedt en door geen wraak bezield wordt; hij zal eigen genoegen opofferen om anderen daardoor van dienst te kunnen zijn.
Grootmoedig drukt een nog hoogeren graad van zielegrootheid uit; de grootmoedige is tot nog veel grooter opofferingen in staat dan de edelmoedige: hij kan zelfs tegenover zijn vijanden edelmoedig zijn. De edelmoedige verdient lof en toejuiching; de grootmoedige dwingt bewondering af.
Wie met eigen levensgevaar iemand uit een brandend huis redt, handelt —; is de geredde zijn vijand, dan was de redder —.
De zendeling was — genoeg, al zijn have en goed voor de heidenen op te offeren. Toen zij hem later vermoordden, was hij nog zoo —, dat hij voor zijn moordenaars bad.
De liefdezuster leidde een leven van — zelfopoffering.
De zelfopoffering van Jan van Schaffelaar was een — daad.
Welke gebreken de Boeren te veld ook hadden, men kan niets anders zeggen, dan dat zij hun krijgsgevangenen — behandelden.
Ofschoon de wisselwachter jaren lang door zijn buurman op allerlei wijzen beleedigd was, toonde hij zich zoo —, dat hij in de ure des gevaars het eenigst kind van zijn buurman met eigen levensgevaar van een wissen dood redde.
Ofschoon de landheer recht had op de volle pacht, was hij na de noodlottige overstrooming — genoeg zijn pachters kwijtschelding van de huur te verleenen.
Zwaren arbeid verrichten.
Zwoegen ziet op een meer kortstondige, maar zeer sterke krachtsinspanning, zoodat men er van hijgt. Hoezeer Eliza zwoegde onder haar dierbaren last (haar kind), toch ijlde zij voort om haar zoontje te redden.
Slaven doet denken aan een slaaf, die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat zwaar werken moet, zonder zelf de vruchten van zijn arbeid te plukken; het woord legt vooral den nadruk op het langdurig werken, terwijl sloven inzonderheid ziet op het vermoeiende en afmattende van den langen en zwaren arbeid. Menig daglooner moet heel wat sloven voor zijn stukje brood. Tot 's avonds toe laat hij niet af van slaven. (Psalm 104.)
De man — onder een zwaren last.
Deze daglooner moet voor zijn dagelijksch brood hard —.
Deze arbeider — van vroeg tot laat en kan nog ternauwernood in zijn onderhoud voorzien.
Wat — ge, o mensch naar goud of eer? (Waarom dit woord, en niet de twee andere?)
Moege— en moegezongen slaap ik op den harden grond. (Waarom niet de beide andere woorden?)
Hij stierf nog jong, maar af— vóór zijn jaren.
Een deel der ruimte.
Oord heeft de meest algemeene beteekenis; het doet denken aan een eenigszins uitgestrekte ruimte, waarvan men de grenzen niet nauwkeurig opgeeft. De trekvogels zoeken in het najaar een warmer oord op.
Plaats ziet meer op een begrensd deel der ruimte, soms ook op een nederzetting van menschen (dorp, stad, buurt, enz.), terwijl plek bovendien aanduidt, dat die ruimte betrekkelijk klein is. Ieder lichaam neemt plaats in (d.w.z. een begrensd deel der ruimte; oord of plek kan dus niet dienen). In zijn plaats zou ik anders handelen. (Hier is plaats figuurlijk gebruikt naar aanleiding van de letterlijke beteekenis, dat iemand plaats inneemt.) Op de Veluwe vindt men niet vele groote plaatsen. Dit plekje in het bosch is ons dierbaar (een kleine plaats).
De —, waar het geld verborgen ligt, kan niemand terugvinden.
In Amerika vindt men vele onherbergzame —.
In ons land wordt nog op vele — die gewoonte gevolgd.
O dierbaar — grond, waar eens mijn wieg op stond.
Vele Boeren verlieten hun land om een rustiger — op te zoeken.
Hij is hier de rechte man op de rechte —.
Op deze — moet eens een kapel gestaan hebben.
In zulk een afgelegen — zou ik niet kunnen wonen.
Op de —, waar thans de Dollart golft, vond men vroeger welvarende dorpen. (Waarom is plek hier niet juist?)
Deze woorden geven te kennen, dat het uiterlijk of de handelingen in overeenstemming zijn met den ernst der omstandigheden.
Deftig wijst aan, dat vooral achtbaarheid, waardigheid of voornaamheid op den voorgrond treedt; het wordt zoowel van personen als van zaken gezegd. Hij kleedt zich altijd even deftig. Een deftig publiek. Een deftig huis. Een deftige begrafenis.
Statig noemt men handelingen, die van uiterlijke praal (statie) vergezeld gaan en vooral berekend zijn om indruk, ontzag, eerbied te wekken: een statige tred. Ook gebruikt men dit woord om te kennen te geven, dat het uiterlijk van een persoon of een ding door waardigheid of ouderdom ontzag inboezemt: Een statige gestalte. Een statige eik.
Plechtig is afgeleid van plicht, dat oudtijds ambt of bediening beteekende. Het heeft dan ook vooral betrekking op deftige ceremoniën, die aan zeker ambt of waardigheid verbonden zijn. Een plechtige audiëntie. Bij uitbreiding van beteekenis wijst het ook handelingen aan, die aan de deftigheid tevens grooten ernst paren, of indrukwekkend zijn; bijv. een plechtige gelofte; hoe is Natuur zoo stil, zoo plechtig.
Toen de koning binnentrad, heerschte er een — stilte. Met — tred begaf hij zich naar den troon en legde op — toon den eed op de grondwet af.
Wie woont er in dat — huis?
Jaarlijks op St.-Jan wordt in Laren (N.-H.) een — processie gehouden.
De — Koningslaan tegenover Soestdijk is een der schoonste van ons land.
Bij die gelegenheid had hij zich — gekleed.
Hoe — rijst de dagvorstin omhoog in het — morgenuur.
De — Dom van Keulen is een der schoonste gebouwen van Duitschland.
Op de Keizersgracht te Amsterdam vindt men vele — huizen.
Ik verzeker u —, die woorden nooit gesproken te hebben.
Gebruik nu in zinnen: deftigheid, statigheid, plechtigheid.
Iets voor waarschijnlijk houden, hoewel men geen volkomen zekerheid heeft.
Neemt men iets als zeker aan, dat nog niet bewezen is, dan spreekt men van veronderstellen, meestal om er gevolgtrekkingen uit te maken. Daar ik veronderstel, dat hij eerlijk is, durf ik hem wel in mijn dienst nemen. Men veronderstelt, dat het licht een trilling van den aether is.
Heeft men eenige zekerheid omtrent de waarheid, van wat men veronderstelt, dan spreekt men van vermoeden. De geleerden vermoeden, dat in den loop der tijden de bodem van ons land gedaald is; men heeft ten minste in Holland op vrij groote diepte boomen gevonden, die alleen in drogen grond konden groeien.
Gissen drukt uit, dat men uit de vele veronderstellingen de waarschijnlijkste kiest. Het bevreemdt mij wel, dat hij niet gekomen is; ik gis echter, dat hij plotseling ongesteld is geworden (d.i. ik heb er wel geen enkel bewijs voor, maar daar hij anders nooit wegblijft, zou ik die veronderstelling voor de waarschijnlijkste houden).
Ik —, dat hij wel voor zijn examen zal slagen; hij heeft althans steeds met ijver gestudeerd.
Ik —, dat hij voor het examen van onderwijzer wel zal slagen, en zal daarom reeds naar een betrekking voor hem uitzien.
Ik —, dat hij uit boosheid niet gekomen is; hij kan zich ten minste zeer driftig maken.
De aanwezigheid van de groote planeet Neptunus werd reeds lang vóór de ontdekking door een paar sterrekundigen —.
Ik — bij mijn lezers voldoende kennis der Fransche taal om de aanhalingen onvertaald te laten.
Over het doel van de ontmoeting der beide keizers werden door de dagbladen wel allerlei — gedaan, maar geen enkele bevredigde het publiek.
Bij een slinger moet gij —, dat hij geen gewicht heeft.
Kunt gij ook niet eenigszins —, waarom hij kwaad op mij is?
„Wie ooit de toekomst — moog', Wat wezen zal, is voor ons oog In duistren nacht verborgen.”