Overal bekend.
Berucht is: ongunstig bekend staan; beroemd daarentegen heeft altijd een gunstige beteekenis: het beteekent bekend zijn tot zelfs bij het nageslacht door edele daden, door kunst, door wetenschap, enz. Vermaard is: van groote bekendheid zijn wegens een of andere bijzonderheid, dus uitstekende of opvallende onder zijns gelijken. De echo van Muiderberg is vermaard. De bokking van Harderwijk was vroeger vermaard. De vermaardheid behoeft echter niet aan het nageslacht overgeleverd te worden.
Befaamd kan zoowel in goeden als kwaden zin gebruikt worden, maar is minder sterk dan beroemd of berucht. Het onderstelt in den regel een „eigenaardige” bekendheid. Het befaamde Staphorster boertje.
Befaamd komt af van Faam, Fama, de godin, die met een bazuin door de lucht vliegt om de daden der groote mannen bekend te maken; zij woonde in een paleis met 100 openingen en van klinkend metaal gemaakt. (Verklaar het zinnebeeld!)—Berucht komt van rucht, dat weer gevormd is van roepen, evenals kocht van koopen; er gaat dus een roep van iemand uit. Oorspronkelijk kon dit ook een goede roep zijn: „Beruchte Oranjeheld!” maar thans heeft het uitsluitend betrekking op den slechten roep.—Vermaard komt van mare = tijding, bericht.
Friesland is — om zijn heerlijke boter.
Sommige stegen en achterbuurten van Amsterdam zijn — om het gespuis, dat er woont.
Onze schilders Rembrandt, Jan Steen, Potter e.a. zijn —.
De — Amersfoortsche keitrekking had plaats op 28 Mei 1903. (Een „eigenaardige” bekendheid.)
Haarlem is — om zijn bloembollen.
Jack the Ripper was een — vrouwenmoorder.
De Nederlanders zijn als waterbouwkundigen alom —.
Sommige kuststreken van Italië zijn — om hun moeraskoortsen.
De — vaster Succi kon het 40 dagen zonder eten uithouden.
„Ginds prijkt dat grootsch gebouw, als achtste wonderwerk door heel Europa —”. ('t Stadhuis van Amsterdam.)
„Allen zijn er het over eens, dat de jaren tusschen den zevenjarigen oorlog en den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, de — eerste regeeringsjaren van Willem V, voor de Republiek de vette jaren bij uitnemendheid zijn geweest”. (Prof. Brugmans. Die eerste regeeringsjaren van Willem V hebben een „eigenaardige” vermaardheid gekregen!)
Veroorzaken dat het onware voor waar wordt gehouden.
Misleiden zegt letterlijk: op een verkeerden weg brengen en daardoor dwaling veroorzaken; het wordt steeds figuurlijk gebruikt. Door het klatergoud liet de jongen zich misleiden; hij dacht een gouden ring gekregen te hebben en bemerkte later, dat het slechts een koperen was. (Het blinkende klatergoud bracht hem op een dwaalspoor; hij meende met goud te doen te hebben en zag eerst later zijn dwaling in.)
Bedriegen onderstelt schending van vertrouwen met het doel zichzelf te bevoordeelen: De boekhouder bedroog zijn patroon; of wel, het geeft een teleurstelling aan in hetgeen men verwacht had: Hij schreef mij zelf te zullen komen, maar hij bedroog mij.—De Grieksche kunstenaar Zeuxis wist de natuur zoo getrouw na te bootsen, dat de vogels op zijn geschilderde druiven kwamen afvliegen. Hij misleidde de dieren, doordat hij ze op een dwaalspoor bracht (nl. de onechte druiven werden voor echte gehouden) en hij bedroog ze tevens, doordat hij hun verwachting, om er van te kunnen eten, teleurstelde.
Verschalken heeft de bijbeteekenis, dat een list wordt aangewend; het wordt gebruikt, wanneer de eene partij de andere door zulk een list tracht te overwinnen of te verzwakken. De vogelaar verschalkt de kwartels (hij spant een net met lokaas).
Foppen heeft dezelfde grondgedachte als bedriegen, maar wordt alleen van onschuldige handelingen gebezigd; bovendien is het bijna uitsluitend tot de spreektaal beperkt.
Als ik mijn makker een steentje in de hand stop, in plaats van bijv. een appel, dan fop ik hem. Vandaar ook: fopspeen.
Laat u niet door den uiterlijken schijn —.
De schipper Van Bergen wist de bezetting van 't kasteel van Breda te —.
De rentmeester heeft den graaf op een schandelijke wijze —.
Ik dacht hem mooi te zullen —, maar de oolijkerd was mij te slim af.
Men moet dieven met dieven —.
Door schoone beloften heeft hij zich tot dien stap laten —.
Koop dat paard niet van hem, hij wil u blijkbaar —.
De commiezen wisten de smokkelaars op slimme wijze te —.
Weinig beduidende dingen zeggen.
Snappen zegt men van kleine kinderen, die altijd wat te vertellen hebben en dat snel en zonder ophouden doen.
Babbelen wordt van groote menschen en van schoolkinderen gezegd; soms heeft het de onschuldige beteekenis verloren en duidt het meer kwaadspreken aan. Zij is een eerste babbelaarster: vertrouw haar geen geheim toe.
Wil men op afkeurende wijze te kennen geven, dat iemand zich luide doet hooren, bijv. bij een kijfpartij, dan gebruikt men kakelen. Hoor die vrouw daar eens staan te kakelen, mijn ooren tuiten er van.—Praten doet men, als men met iemand een gesprek voert over alledaagsche zaken, meestal uit tijdverdrijf. (Van ernstiger dingen zegt men spreken. Kom eens bij me praten. Is mijnheer te spreken?)—Kouten onderstelt, dat men met elkander schertsend praat en in die scherts genoegen vindt.
Hoor die kleine meid eens —, haar mondje staat geen oogenblik stil.
Niemand mag onder de les —; dat is veel te hinderlijk.
Zij zaten zoo druk over koetjes en kalfjes te —, dat zij aan geen tijd meer dachten.
Ik geloof, dat zij weer leelijk aan het — is geweest.
De gasten in de herberg zaten vroolijk bij 't knappend vuur te —: meermalen steeg er een hartelijk gelach op.
Ophouden te leven.
Sterven drukt dit in 't algemeen uit; het heeft zoowel betrekking op menschen als op dieren en planten. Van menschen wordt het vooral gebruikt, als men de oorzaak van den dood opgeeft. Deze man is van hartzeer gestorven.
Doodgaan wordt uitsluitend van planten en dieren gezegd en alleen in ruwe of platte taal ook van menschen.
Overlijden heeft altijd betrekking op menschen; het woord beteekent n.l. overgaan, d.i. in een ander, naar men hoopt, beter leven. (Lijden van oudtijds gaan; vergelijk verleden of vergangen week.) Het stelt dus het sterven minder hard voor ten opzichte der achterblijvenden.
Ook ontslapen zegt men alleen van menschen; het beteekent kalm en langzaam sterven, alsof men inslaapt; deze uitdrukking verzacht dus eveneens het begrip van sterven.
Na het — van zijn vader rustte op hem de plicht voor zijn jongeren broeder te zorgen.
Het grootste deel van het leger — van honger en gebrek.
Heden is in den ouderdom van 80 jaren mijn grootvader in zijn Heer en Heiland zacht en kalm —.
Die plant zal wel —; je hebt haar niet goed behandeld.
Deze dichter is reeds op 25-jarigen leeftijd —.
Zalig zijn de dooden, die in den Heer —.
Deze woorden duiden aan, dat men zich inspant om een of ander werk tot stand te brengen.
Bij ijverig denkt men aan de opgewektheid en volharding, soms zelfs aan de vurigheid, waarmee men werkt. Een ijverig leerling tracht ook de moeilijkste les te leeren. (Het ligt in zijn aard, steeds zóó te studeeren.)
Vlijtig duidt aan, dat men de taak zoo spoedig mogelijk (dus zonder oponthoud), maar ook zoo goed men kan afmaakt. Hij zit vlijtig te studeeren (d.w.z. hij studeert zonder zich te laten ophouden en spant zich in, om alles zoo goed mogelijk te begrijpen; hij behoeft daarom niet van nature met zooveel liefde voor de studie bezield te zijn, zooals een ijverig student.)
Naarstig komt weinig meer voor; men zegt het vooral nog van kinderen, die niet speelsch zijn, maar hun goeden wil en oplettendheid toonen, om het opgegeven werk naar behooren af te maken. Soms ook duidt het aan, dat men voortdurend bezigheid zoekt, in plaats van ledig te zitten. Zoo traag deze jongen is, zoo naarstig is zijn zuster. Dat meisje is een naarstig kind; zij zit daar al weer te breien.
Nijver wijst aan, dat men aanhoudend en met overleg werkt, om de vruchten van zijn arbeid te kunnen plukken. De nijvere bijen verzamelen reeds in den zomer haar voedsel voor den winter. Soms beteekent het ook: geneigd tot industrie, bijv. het nijvere Twente.
Als gij — doorwerkt, kunt gij van avond wel klaar zijn.
Gij moogt wel wat — (vergr. trap) bij uw werk zijn; ik geloof, dat gij er weinig lust in hebt.
Zij is een — kind, men ziet haar bijna nooit ledig zitten.
De — landman zag zijn moeiten met een rijken oogst beloond.
Van deze zaak is hij een — voorstander.
Een — hand met een sparigen tand koopt anderlui's land.
In die streek woont een — bevolking.
Een aanval tegengaan.
Afweren geschiedt geheel uit zelfverdediging, men houdt daarbij den vijand van zich af en dekt zich tegen zijn aanvallen.
Bij afslaan denkt men meer aan een krachtdadig optreden: men valt den vijand aan en tracht hem op de vlucht te drijven.—Figuurlijk gebruikt komt alleen afweren voor, bijv. het gevaar van iemand afweren; iemands liefkoozingen afweren.
De Spanjaarden liepen storm op Alkmaars muren, maar de aanval werd krachtig —.
Hij heeft den doodelijken slag —, door zich nog tijdig met het schild te dekken.
De vijand deed een onbesuisden aanval op ons leger, zoodat de manschappen ternauwernood tijd hadden dien —.
Men wist op het fort, dat de vijand naderde; zijn aanval werd dan ook niet alleen —, maar zelfs met kracht —.
Slechts aan de staatsmanskunst van den eersten minister was het te danken, dat de oorlog nog — werd.
Op alle plaatsen.
Alom wijst de ruimte in haar geheel aan. De tijding verspreidde zich alom, d.w.z. naar alle zijden over de geheele ruimte.
Overal ziet meer op elke plaats afzonderlijk, die men zich in die ruimte denkt. De tijding drong overal door: d.w.z. op alle plaatsen, geen enkele uitgezonderd, werd de tijding bekend.
Allerwegen wil eigenlijk zeggen: op alle wegen of zijden, en bij uitbreiding op alle plaatsen. Overal kan een werking zóó voorstellen, dat zij achtereenvolgens iedere plaats bereikt, geen enkele uitgezonderd; allerwegen wijst meer aan, dat de werking gelijktijdig op alle plaatsen voorkomt, al is er misschien ook een enkele plaats (niet aan de wegen gelegen) overgeslagen. Allerwegen heerschte er een bedrijvige drukte.—Worden overal en allerwegen voor elkander gebruikt, wat vaak voorkomt, dan is overal sterker, daar het geen uitzondering duidt. Ik heb hem overal gezocht, maar nergens gevonden.—Deze gewoonte vindt gij anders allerwegen.
God is — tegenwoordig. (Waarom is dit woord beter dan overal?)
Op bergen en in dalen, Ja — is God. (Nu denkt men aan alle plaatsen! Waarom gebruikt men niet allerwegen?)
Het feest van 's konings troonsbestijging werd — in den lande met opgewektheid gevierd.
Er heerschte — in de stad een feestelijke stemming.
Deze plant vindt gij — verspreid.
De mare van zijn heldenfeit was spoedig — verspreid.
Hij staat — bekend als een eerste kaatser.
Langs de kaden van Rotterdam heerscht — een ongekende bedrijvigheid.
Hij volgt mij —, waar ik ga.
Iets toekomstigs te kennen geven.
Aankondigen is iets vooruit te kennen geven, dat volgens zeer gewone of natuurlijke oorzaken plaats hebben moet. De plotselinge daling van den barometer kondigt storm aan. Soms is het begrip van tijd zoo goed als geheel weggevallen, zoodat aankondigen dan eenvoudig beteekent: bekend maken met iets, dat terstond zal gebeuren. De heraut kondigde met trompetgeschal de komst des konings aan.
Voorspellen duidt mindere zekerheid aan, daar het voorspelde meer op bloote vermoedens, op volksgeloof, enz. berust. De waarzegger voorspelt de toekomst. Een goed notenjaar voorspelt een strengen winter.
Voorzeggen beteekent: vooruit zeggen, dat iets zeker gebeuren zal, en kan dus alleen door God of door Zijn gezanten gedaan worden. (Het woord kan dus niet toegepast worden op zaken, zooals met aankondigen en voorspellen wel het geval is, bijv. een daling van den barometer kan niet voorzeggen.) De geboorte van Jezus was reeds eeuwenlang voorzegd (nl. door de profeten). Het woord wordt alleen in deftigen stijl gebruikt.
Door de terugkomst der zwaluw wordt de lente —.
Deze geleerde beweert, dat hij het weder een maand vooruit kan —.
Drie harde slagen op de deur —, dat er iets bijzonders gebeurd was.
„O zaalge Kerstnacht, ons zoo lang —!”
Eensklaps ging de wind liggen en dit scheen een orkaan —.
Zijn gefronst gelaat — weinig goeds.
Het kanongebulder — de geboorte van een prins aan.
Een kring om de maan — regen en wind. (Niet zeker!)
Jezus had Zijn dood en verrijzenis aan Zijn discipelen —.
Wat buiten onze grenzen thuis behoort.
Buitenlandsch noemt men zoowel datgene, wat een ander land betreft, als hetgeen er geschiedt of voorkomt en wel in tegenstelling met binnenlandsch; bijv. het buitenlandsch verkeer; de buitenlandsche handel; buitenlandsche berichten; buitenlandsche onlusten.
Uitheemsch is ook buitenlandsch, maar 't voegt er de gedachte bij, dat het uitheemsche niet in ons eigen land voorkomt: uitheemsche gebruiken. („Uitheemsche” handel kan niet, immers in ons land is óók wel handel.)—Daar men licht geneigd is, op hetgeen uitheemsch is, laag neer te zien, heeft het soms een ongunstige beteekenis: Gij moet nooit uitheemsche dingen navolgen.
Vreemd beteekent: wat in ons land of in de naaste omgeving geheel onbekend is en dus van verre streken afkomstig moet zijn. Dit is een vreemde soort aardappel.
Verder kan vreemd nog andere beteekenissen hebben, als: niet van onze familie: mijn zoon bracht een vreemden gast mee; onbekend: zij is mij geheel vreemd; ongewoon: een vreemd geval; zonderling: een vreemde kleeding; enz.
De minister van — zaken heeft zijn ontslag genomen.
Deze — plant schijnt hier goed te tieren.
Dat is een — plant; ik zie ze voor het eerst hier groeien.
Wat heeft die mijnheer — gewoonten.
Wij zullen de volgende week een — reisje maken.
In den Dierentuin vindt men prachtige — gewassen.
In dien — oorlog zijn heel wat menschen omgekomen.
Er heerschen in dat land — zeden.
Als dit voorval maar geen aanleiding geeft tot — verwikkelingen!
Zijn gevoelens of handelingen, die niet bekend waren, mededeelen.
Bekennen duidt aan, dat men de bekentenis liever had verborgen gehouden, maar door aandrang van buiten tot het mededeelen genoodzaakt wordt. De moordenaar moest tegenover zooveel deugdelijke bewijzen zijn misdaad wel bekennen.
Belijden ziet meer op den innerlijken aandrang en gaat vooral met een gevoel van berouw gepaard; het heeft dus een edeler beteekenis: Ootmoedig beleed hij zijn schuld. Het wordt ook ten opzichte van godsdienstige gevoelens gebruikt: Zijn zonden belijden.
Hij wil zijn ongelijk nog niet —, maar wij zullen er hem wel toe brengen.
Met een verslagen hart — hij voor God zijn schuld.
Ik moet eerlijk —, dat ik hierin misgetast heb.
Door de wroeging van zijn geweten aangegrepen, — hij zijn schuld.
Gebruik ook in zinnen: Bekentenis en belijdenis.
Zich in nood of gevaar tot iemand wenden, ten einde diens hulp of bijstand te verkrijgen of de vervulling zijner wenschen te erlangen.
Aanroepen gebruikt men hoofdzakelijk, als men den Almachtige luide en eenigszins gejaagd om hulp vraagt en zich daarbij geheel op Zijn voorzienigheid verlaat. Roep Hem aan in den dag der benauwdheid en Hij zal u ruste geven.
Bidden onderstelt, dat men kalmer aan God (of iemand, die ons kan helpen) om hulp vraagt, terwijl smeeken een vuriger en dringender bede te kennen geeft. De voorganger bad God om een voorspoedigen oogst.—Hij smeekte Hem, het leven der kranke vorstin te sparen.
De blinde — om een aalmoes.
De ter dood veroordeelde — om genade.
De schipbreukelingen hoorde men in hun doodsangst God —.
Ik — u met een berouwvol hart om vergiffenis.
In alle kerken werd voor het behoud van den vrede —.
De radelooze moeder wierp zich op de knieën voor den wreeden soldaat en — hem haar kind niet te dooden.
Vóór Hugo de Groot zich in de boekenkist verborg, — hij God om een voorspoedige reis.
De ruimte tusschen twee voorwerpen.
Verwijdering drukt uit, dat die tusschenruimte vroeger niet bestond. Hoe meer men bijv. de stad achter zich laat, hoe grooter dus eigenlijk de verwijdering wordt. Het gebruik wil echter, dat dit woord thans alleen figuurlijk voorkomt. Sedert er tusschen deze twee vrienden verwijdering is ontstaan, gaat ieder zijns weegs.
Afstand duidt eenvoudig aan, dat er tusschen twee voorwerpen een zekere ruimte bestaat als gevolg van den stand, dien zij ten opzichte van elkander innemen. De afstand tusschen Amsterdam en Baarn bedraagt 36 K.M. (Waarom is hier verwijdering niet gebruikelijk?)
Verte wijst alleen het tegengestelde van nabijheid aan en duidt dus altijd op een eenigszins grooteren afstand. Men kan dan ook niet zeggen in een verte, maar wel in de verte, terwijl afstand wel degelijk het lidwoord van onbepaaldheid kan hebben.
Wanneer men een plaats al wandelend verlaat, neemt bij iedere schrede de — (het oorspronkelijke woord!) toe, d.w.z. men bevindt zich bij iederen stap op grooteren — van de stad, totdat men haar ten laatste nog slechts in de — kan zien.
Hij bleef steeds op een eerbiedigen —. (Waarom niet verte?)
Na den slag bij Nieuwpoort ontstond tusschen Maurits en Oldenbarnevelt de eerste —.
De visschersvrouw staarde in de —, of zij het schip van haar man kon ontdekken.
De — tusschen vrijen en onvrijen werd vroeger streng bewaard.
De verschillende belangen, die deze twee vrienden hebben, deden langzamerhand een — ontstaan. Zij behandelen elkander nu altijd op eenigen —.
Wat geen einde heeft.
Eeuwig drukt oorspronkelijk uit, dat aan geen einde, maar ook aan geen begin kan gedacht worden. In dezen zin kan men alleen zeggen: God is eeuwig.—Verder duidt het woord aan, dat er wel een begin is geweest, maar dat er aan een einde onmogelijk kan gedacht worden: het eeuwige leven. Om dit denkbeeld van: onmogelijk te kunnen eindigen, aan te duiden, gebruikt men eeuwig ook figuurlijk van zaken, waaraan feitelijk wel een einde kan zijn, al wordt de mogelijkheid daarvan uitgesloten: het Eeuwig Edict. (Het duurde toch maar 5 jaren!)
Eindeloos wil zeggen, dat iets geen einde heeft, ofschoon zulk een einde niet onmogelijk ware geweest. Terwijl eeuwig meer op den tijd ziet, vestigt eindeloos meestal de aandacht op de ruimte. Een eindelooze vlakte lag vóór mij. (Voor mijn blik had die vlakte geen einde; misschien was er wel een eind aan!)
Men spreekt van Gods eeuwige liefde, omdat deze ten allen tijde zal voortduren; ook spreekt men van Gods eindelooze liefde tot de zondaren, om aan te duiden, dat het einde van die liefde wel mogelijk ware geweest, maar dat God te goedertierend is, om die liefde een einde te doen nemen. (Welk der beide woorden is dus sterker?)
Oneindig duidt aan, dat er werkelijk aan de ruimte (of tijd) geen einde is, bijv. de rij der getallen is oneindig. Hieruit ontwikkelde zich het begrip: onbegrensd, bijzonder groot, zóó groot zelfs, dat alle afmetingen of grenzen wegvallen. Het wordt daarom gebruikt als bijw. van graad: Een oneindig groot verschil. Een oneindig klein getal. Wat beteekent nu: Gods oneindige liefde?
Waarom kan men niet spreken van een oneindige vlakte? Waarom niet van een eeuwige vlakte? (Eeuwig is een tijdsbegrip, oneindig een ruimtebegrip!) Waarom mag men God niet den Eindelooze heeten?
Een eindeloos krakeel schijnt geen einde te hebben; maar toch is dit einde mogelijk, als de twist wordt bijgelegd. Een eeuwig krakeel ziet er op, dat er ten allen tijde getwist wordt, dus wijst meer een tijdsbegrip aan.
Onze blikken zwierven door de — ruimte (d.w.z. langs den sterrenhemel).
Wij lieten onze blikken over de — heide dwalen.
Ik zal u — beminnen.
In de wereld van het — kleine treft men ook wonderen aan.
De zon is op een — afstand van ons verwijderd.
De gewesten der Unie besloten ten — dage verbonden te blijven.
Ik ben dat — gebedel moede, en zal er dus voor goed een eind aan maken.
Er bestaat een — groot verschil tusschen deze beide karakters.
Hij bleef maar tot in het — doorredeneeren.
Hij zwierf reeds jaren op de — baren.
Duidelijke kennis van iets hebben.
Verstaan drukt alleen uit, dat de aangeboden kennis (het gehoorde, gelezene enz.) ons geestelijk eigendom wordt, maar geeft niet aan, of dit met of zonder moeite onzerzijds, geschiedt. Druk je wat duidelijker uit, ik versta je niet. (Letterlijk zegt verstaan: bij iets blijven staan, om het goed op te nemen; vandaar ook de beteekenis van goed hooren: Nog op grooten afstand kon men den spreker verstaan.)
Bevatten en begrijpen hebben het bijdenkbeeld, dat men zich moeite geeft om van iets kennis te krijgen, terwijl zij verder onderstellen, dat men voor het verwerven van die kennis eenige scherpzinnigheid moet bezitten. Bevatten duidt aan, dat de zaak voor ons verstand niet te groot is, dat men ze kan omvatten, terwijl begrijpen er op wijst, dat de zaak zoo nabij ons ligt, dat wij ze kunnen grijpen, m.a.w. dat zij voor ons verstand niet te hoog gaat. Ik begrijp maar niet, dat hij zich tot dien stap heeft laten overhalen (dat gaat boven mijn begrip). Niemand kan de wijsheid des Scheppers bevatten (in al haar omvang doorgronden, daarvoor is ons verstand te klein). Bevatten is dus sterker dan begrijpen.
Beseffen wil zeggen, dat wij met ons bewustzijn (besef) van iets kennis krijgen, zoodat wij ons die kennis goed bewust zijn. Hij besefte, welk een verplichting hij op zich genomen had, d.i. hij is er zich ten volle bewust van; hij is er van doordrongen en overtuigd.
Hij houdt zich, alsof hij mijn bedoeling niet —.
Hij — zeer goed de kunst, om zich bij iemand ongemerkt in te dringen.
Al — wij volkomen, dat wij met die verklaring ons vele vijanden zullen berokkenen, willen wij ons er toch niet door laten terughouden.
Ons verstand is te klein om al de wonderen der schepping te —.
Ik — zeer goed, dat de dichter in dit stuk op Oldenbarnevelt zinspeelt, al kan ik van alle bijzonderheden de eigenlijke bedoeling niet —.
Hij — maar niet, dat hij op die wijze zijn ondergang te gemoet gaat.
Dit hoofdartikel is zoo geleerd geschreven, dat ik er niets van kan —.
Spoedig zijn kalmte verliezend.
Driftig duidt aan, dat men licht in drift geraakt (zie Drift); de gemoedsbeweging is echter van geen langen duur.
Opvliegend en oploopend wijzen er op, dat men van nature geneigd is, spoedig in groote drift (d.i. toorn) te ontsteken; het is dus meer een karaktertrek. Hierbij heeft opvliegend meer kracht dan oploopend; vliegen is immers sterker dan loopen. Wie dus dikwijls en om geringe oorzaken driftig wordt, is oploopend of opvliegend.
Waarom kan men wel zeggen: hij wordt driftig, maar niet hij wordt oploopend of opvliegend?
Bij het hooren van die tijding, maakte hij zich vreeselijk —.
Mijn neef heeft een — karakter: bij de minste oorzaak stuift hij geweldig op.
Ik ga niet graag met zulk een — mensch om.
Hoewel hij kalm van aard is, wordt hij toch ook wel eens —.
Een onderwijzer, die — van natuur is, is weinig geschikt voor zijn betrekking.
Het tegengestelde van blijde, opgewekt.
Bedroefd wijst aan, dat de oorzaak der droefheid buiten ons ligt. Hij is zeer bedroefd over het verlies van zijn vader.
Droevig en treurig laten in het midden, of de gemoedstoestand door oorzaken van buiten teweeg gebracht wordt, dan wel een gevolg is van innerlijke gesteldheid. Den bedroefde kan men van zijn smart bevrijden door hem het verlorene terug te geven, of wel die smart kan door troostwoorden eenigszins gelenigd worden; de droevige of treurige is eigenlijk niet voor troost vatbaar (men weet immers de oorzaak niet!), hij kan alleen opgevroolijkt worden.—Droevig verschilt hierin van treurig, dat het een kortstondiger toestand dan treurig aanwijst; treurig is dus sterker. Hij is reeds lang treurig gestemd; het wordt tijd, hem op te vroolijken.—Haar droevige stemming van gisteren is weer geheel geweken.
Droevig en treurig worden ook van zaken gebezigd, om aan te duiden, dat zij door een droevige of treurige stemming gekenmerkt zijn, of zulk een stemming veroorzaken. Het waren treurige dagen, toen de oorlog het land verwoestte en den grond met bloed drenkte.—Het was een droevig oogenblik, toen hij bij zijn vertrek naar de Oost van zijn oude moeder afscheid moest nemen.—Onlangs is hier een droevig ongeluk gebeurd. (Een treurig is sterker!)
Bedrukt wijst aan, dat iemand door zijn droefheid wordt terneergedrukt en dit niet verbergt, zoodat zijn droefheid uit zijn houding blijkt, of op zijn gelaat staat te lezen. Toen ik hem ontmoette, zag hij zeer bedrukt, zoodat ik aanstonds een onheil vermoedde.
Het was voor ons een — tijd, toen onze vader van oneerlijkheid verdacht werd.
Hij was zoo — over den dood zijner vrouw, dat men voor verstandsverbijstering vreesde.
Het is een — gezicht, als men op een blindenschool het jonge volkje ziet zitten.
Het is —, dat Christenen elkander nog den oorlog aandoen.
Aan zijn — gelaat zag ik reeds, dat hij niet geslaagd was.
Hij was zoo — te moede, dat hij in niets belang stelde.
In Friesland heerschen nog — toestanden. (Waarom niet droevig?)
Hij was zoo — over het slechte gedrag van zijn zoon, dat hij oud werd voor zijn tijd.
Zulke — verhalen passen niet voor de dartele jeugd.
Huibert kwam, — van zinnen, Moeder Duifkes woning binnen.
In het bezit van iets komen.
Aannemen en ontvangen onderstellen, dat de zaak ons door een ander wordt overgedragen; aannemen drukt evenwel uit, dat men vrijwillig van het voorwerp bezit neemt (actief), terwijl ontvangen meer een lijdelijk in bezit komen onderstelt. Men ontvangt een wonde, maar men neemt ze niet aan. Men ontvangt onderwijs (lijdelijk), maar men neemt iemands leerstellingen aan (actief). Tegenover ontvangen staat dus geven, tegenover aannemen kan men aanbieden, overdragen stellen.
Aanvaarden geeft evenals aannemen ook wel een vrijwillig inbezitnemen te kennen, maar wijst er tevens op, dat die aanvaarding zekere plichten van ons eischt, bijv. de regeering aanvaarden. Zoodra men dus de verantwoording voor die plichten op zich neemt, zoodra men derhalve de betrekking of waardigheid begint uit te oefenen, aanvaardt men haar. Hij heeft zijn benoeming tot voorzitter wel aangenomen, maar de functie nog niet aanvaard. Daar dit aanvaarden gewoonlijk met eenige officiëele plechtigheid gepaard gaat (inhuldiging der Koningin, installatie van een burgemeester), gebruikt men aanvaarden ook wel in de beteekenis van aannemen, doch met het bijdenkbeeld van eenigszins op plechtige wijze; wat aanvaard wordt, moet dus een zaak van belang zijn, zoodat het in dit geval sterker of beleefder is dan aannemen. Aanvaard dit geschenk mijner hoogachting. Ik aanvaard uw erkenning van schuld.—Een geheel andere beteekenis heeft het woord in zinnen als: een reis aanvaarden, d.w.z. beginnen te ondernemen.
Op zich nemen duidt aan, dat men zich verbindt iets te doen en de verantwoordelijkheid daarvan voor zijn rekening neemt; het bepaalt zich meestal tot het volbrengen van een enkele daad, terwijl aanvaarden een voortdurende verantwoordelijke werkzaamheid onderstelt. Hij nam op zich, de verzoening tusschen de beide partijen tot stand te brengen. (Na de verzoening was zijn taak afgeloopen.)
Hebt gij mijn rekening wel —?
Hebt gij den brief, met strafporto belast, —?
Zou hij het beschermheerschap onzer vereeniging willen —?
De nieuw gekozen voorzitter — de benoeming aan en — terstond zijn functie; ook heeft hij —, eenige nieuwe leden aan te werven.
Ik verzoek u wel dit klein bewijs mijner erkentelijkheid te willen —.
Bij dien volksoploop — menigeen een sabelhouw.
Ik —, u in zes maanden voor dat examen klaar te maken.
Het was van hem een edele daad, geheel alleen de verantwoordelijkheid voor het tekort —.
Wanneer zullen wij den tocht —?
Hij heeft een opdracht van de regeering —, om een onderzoek naar den oorsprong dezer ziekte in te stellen, maar men gelooft, dat hij die opdracht niet zal —.
De secretaris —, den president bij de — van diens waardigheid te complimenteeren.
Heen en weer gaan of trekken.
Dwalen duidt aan, dat men den rechten weg, die naar het doel voert, verlaten heeft, hetzij uit onkunde, hetzij uit achteloosheid (vergissing); in den regel zal men dan trachten het juiste pad terug te vinden. Toen ik in het bosch van u afscheid genomen had, was ik den weg vergeten en heb langen tijd gedwaald.
Dolen wijst aan, dat men geheel zonder doel rondtrekt, zooals bijv. de dolende ridders van voorheen, òf dat men zóózeer is verdwaald, dat de goede weg onmogelijk weer te vinden is. Het is dus sterker dan dwalen. Wacht u voor een dolenden gids.
Zwerven wijst een heen en weer trekken aan, waarbij men niet lang op dezelfde plaats blijft, gewoonlijk als gevolg van de omstandigheid, dat men geen vaste woonstede heeft. Een zwervende volksstam. Door de bosschen te zwerven is een genot. (In dezen zin gebruikt men ook wel dwalen, maar dit is minder juist; immers bij dwalen denkt men aan den juisten weg, dien men kwijt is, welke bijgedachte in zwerven niet ligt opgesloten.) Verklaar nu:
Als de herder —, — de schapen.
Een marskramer leidt een — leven.
Don Quichot wilde evenals de — ridder op avonturen uitgaan.
Ik geloof, dat gij op den — weg zijt vervallen.
In vroegeren tijd hield men veel van een ingewikkelden —hof.
De Israëlieten moesten langen tijd tot straf door de woestijn —.
De afdeeling soldaten, die Amsterdam in 1650 moest verrassen, raakte op de Gooische heide aan het —, zoodat de aanslag mislukte.
Ik geloof, dat gij hierin —; een ander heeft, naar ik meen, het weefgetouw uitgevonden.
Wat ons fijn gevoel onaangenaam aandoet of kwetst.
Gemeen is oorspronkelijk: wat aan allen eigen is, dus iets zeer gewoons of alledaagsch (een gemeen soldaat); langzamerhand heeft het echter het bijdenkbeeld gekregen van wat de onbeschaafde menigte eigen is, zoodat het thans een zeer ongunstige beteekenis bezit, n.l. schurkachtig, eerloos, liederlijk. Een gemeene kerel is tot allerlei schandelijke daden in staat.
Laag is het tegengestelde van hoog, verheven, edel, en komt vrijwel met gemeen overeen; het drukt vooral uit, dat iets met onze begrippen van eer in strijd is. Een lage daad is het bijv. een vriend een geheim te ontlokken, om er zelf voordeel mee te doen.
Plat wijst aan, dat er geen verheffing is en ziet hoofdzakelijk op den onkieschen vorm, waarin men zijn gedachten uitdrukt. Het is tegenwoordig bij vele schrijvers gewoonte om allerlei platte uitdrukkingen uit den volksmond letterlijk weer te geven. (Die uitdrukkingen zijn op zich zelf niet kwaad bedoeld, maar zij doen ons fijn gevoel toch onaangenaam aan.) Een gemeene uitdrukking daarentegen is niet alleen plat, maar ook hoogst onzedelijk: zij kwetst ons gevoel.
Ruw gebruikt men, wanneer onder het platte, onbeschaafde uiterlijk toch een goede of edele kern verscholen ligt, evenals een ruwe diamant een groote innerlijke waarde verbergt. Bijv. een matroos kan ruw zijn en toch een edel hart bezitten. Wij herinneren aan het bekende gedicht van Asschenberg. Een blinde man zit aan den weg te bedelen; een rijk, deftig heer geeft den stumper een .... oortje (¼ stuiver); maar een matroos, die juist zijn gage heeft ontvangen, werpt hem een handvol zesthalven toe met den uitroep: „Daar, blinde bl....! dat is beter dan een oortje!” De uitdrukking was in dit geval wel eenigszins plat, maar niet laag of gemeen: zij was alleen ruw. Gemeen of laag zouden die woorden geweest zijn, als de rijke ze gebezigd had; zij hadden dàn den ongelukkige immers als een bespotting in de ooren geklonken en hem pijnlijk moeten aandoen.
Wie zijn besten vriend verraadt, handelt —.
Menig dronkaard slaat niet zelden — taal uit.
Al zijn sommige uitdrukkingen uit de achterbuurten ook —, zij geven niet zelden blijk van echten volkshumor.
Justus van Maurik teekende meermalen een — zeebonk, die toch ons hart weet te stelen.
Doodgaan van een mensch gezegd is —.
Een — Griek wees den vijand een korteren weg door het gebergte aan.
Een schuinen stand hebben.
Hellen wijst eenvoudig aan, dat er een afwijking van den loodrechten stand bestaat. Deze muur helt naar links.
Overhellen drukt het begrip iets sterker uit. De toren begint bedenkelijk over te hellen.
Overhangen is nog sterker; het wijst er op, dat het voorwerp reeds bijna een horizontalen stand heeft gekregen en zoodoende zich boven een andere plaats bevindt. De overhangende takken zullen wij laten kappen.
Alleen overhellen wordt figuurlijk gebruikt. In den slag bij Nieuwpoort bleef de strijd lang onbeslist, totdat eindelijk de overwinning naar Maurits' zijde begon over te hellen. (Men denkt hierbij onwillekeurig aan de balans, waarvan de tong overhelt. Werk het beeld verder uit!)
Neigen beteekent: in schuine richting nader bij den grond brengen of buigen, en komt vooral overgankelijk voor. De bloemen neigden haar hoofd. „Neig, o God, Uw gunstige ooren!” (De Hoogere buigt zich tot den lagere.)
Toen hij in het water viel, greep hij zich nog bijtijds aan een — tak vast.
De meening der vergadering was aanvankelijk verdeeld; ten slotte echter begon de meerderheid naar verwerping van het voorstel —.
De berg — zoo steil naar het dal, dat hij slechts met moeite te beklimmen is.
De dag — ten einde.
Vroeger — ook ik tot die meening over, thans ben ik tot andere gedachten gekomen.
In enkele straten — de huizen zoover over, dat zij op u dreigen neer te vallen.
Reeds vroeg — zijn hart zich tot het kwade.
Kent gij de wetten van het — vlak?
Zijn heerschappij — ten ondergang.
Den moed hebben om iets, dat gevaarlijk of moeilijk is, te ondernemen.
Wagen onderstelt, dat er aan de onderneming gevaar verbonden is en dat de uitslag niet zeker is, daar er zich verschillende zwarigheden kunnen opdoen, die men vooraf niet had kunnen voorzien. De vluchteling stond eensklaps voor een breeden afgrond; toch waagde hij den sprong om zijn vervolgers te ontkomen.
Durven wijst aan, dat men den moed bezit, om het gevaar kalm te trotseeren of de mogelijke nadeelige gevolgen van zijn daad op zich te willen nemen. Niettegenstaande het „verboden toegang” durfde hij toch in het bosch te wandelen. Niemand durfde zich in het brandende huis te wagen. (Verklaar beide woorden: durven en wagen!)
Zich verstouten wijst aan, dat men meer bij oogenblikkelijke opwelling de vreesachtigheid overwint en dan moed voelt ontwaken. Eerst durfde ik niet over de zaak te spreken, maar later verstoutte ik mij en zeide hem de waarheid vlak in zijn gezicht.
Gaat het zich verstouten gepaard met overschatting van zijn kracht, zoodat de onderneming groot gevaar loopt te mislukken, dan spreekt men van zich vermeten; het heeft dus altijd een min of meer ongunstige bijbeteekenis. Een vorst, die zich vermeet, de rechten des volks met voeten te treden, ondermijnt zelf zijn troon.
Wie niet —, die niet wint.
Ik — het u bijna niet te vertellen, wat hij van u gezegd heeft.
Een oogenblik weifelde hij; toen echter — hij zich eensklaps en — den gevaarlijken sprong.
Hoe hij zich heeft — —, zijn meerderen openlijk aan te vallen, kon niemand zich begrijpen.
Gij kunt op mijn medewerking niet rekenen; aan zulk een onderneming — ik niet mee te doen.
Ik — het, uw hulp in te roepen.
Langen tijd verdroeg hij lijdelijk de spotternij zijner medeleden, tot hij zich eensklaps — hen een gevoelige afstraffing toe te dienen.
Wie zou zich —, Gods wegen te willen doorgronden?
„Goed zoo, ge—! om een buil niet geven, — maar het harte, dan volgt ook de voet!” (De Schaatsenrijder.)
Wat bijna zonder uitzondering gebeurt.
Doorgaans zegt, dat iets in de meeste gevallen plaats heeft, dus zonder veel uitzonderingen. Wij logeeren doorgaans iederen zomer in Baarn.
Gewoonlijk is sterker; het wijst op een gewoonte, een regelmaat, waarop zoo goed als geen uitzonderingen bestaan. Gewoonlijk ben ik 's avonds tusschen 7 en 8 het best te spreken.
Meestal is het zwakst; het onderstelt wel een regel, maar voegt de gedachte er bij, dat er nog wel eens uitzonderingen voorkomen. Hij komt meestal te laat op school. (Gewoonlijk is sterker!)
Beproef, of in onderstaande zinnen meer dan één woord kan worden ingevuld en geef in zulke gevallen telkens de gewijzigde beteekenis op.
De menschen stellen — hun eigen belang boven dat van anderen.
De vreemdelingen bezoeken — de prachtige ruïne op den berg.
In de zomervacantie hebben wij — elken dag regen gehad.
Na een vermoeiende reis heeft mijn zuster — hoofdpijn.
Op een natten zomer volgt — een mooi najaar.
Men vindt — bij de hoogste standen het minste levensgeluk.
Bij een westenwind komt er — regen.
Deze polders werden in den winter — overstroomd.
De wereld wil — bedrogen zijn.
„De ouderdom komt met gebreken, En wie zeven kruisjes telt, Weet er — van te spreken.”
Waaraan niets ontbreekt.
Volledig wijst aan, dat alle leden (of deelen), waaruit iets bestaat, aanwezig zijn. Een volledige jaargang van „Eigen Haard”. Niets is dus weg of achtergehouden.
Volkomen beteekent, dat alle vereischte eigenschappen behoorlijk en wel aanwezig zijn. Een volkomen vierkant.
Volmaakt is in den volstrekten zin: vrij van eenig gebrek. God alleen is volmaakt. Daar echter alle menschelijk werk gebreken aankleven, zou er niets volmaakts op de wereld zijn; het woord wordt dan ook meer figuurlijk gebezigd in den zin van uitstekend, zóó, dat iets het volmaakte zeer nabij komt. Een volmaakte gezondheid. Hieruit is het te verklaren, dat volkomen en volmaakt dikwijls voor elkander gebruikt worden: Een volkomen gezondheid.
Dit verhaal schijnt mij niet — toe.
Dit verhaal verdient geen — geloof.
Hij was de — ridder, dien men kende.
Ik heb een — verzameling van onze postzegels.
Gij kunt — op hem vertrouwen.
Op de volksschool behandel ik de spraakkunst niet meer —.
In deze klasse heerscht een — orde.
Hij lijkt — op zijn vader.
Ik ben het — met u eens.
De dief legde een — bekentenis af.
Beweging van niet-vaste stoffen.
Vloeien duidt een zachte, kalme beweging van vloeistoffen aan: Het water vloeit over den grond.—De tranen vloeiden uit zijn oogen.
Vlieten wijst een meer voortdurende, kalme beweging in dezelfde richting aan, en wordt eveneens alleen van vloeistoffen gebruikt. Het is iets sterker dan vloeien en behoort bovendien meer tot de schrijftaal. De tranen vloten hem over de wangen.
Stroomen duidt een sterker beweging dan vlieten aan en wordt ook van gassen gebezigd. De tranen stroomden hem over de wangen. De rivier stroomt; het beekje vliet. De lucht stroomt van alle kanten toe.
Verklaar nu de figuurlijke beteekenis van: Uit deze stelling vloeit voort, dat de buitenhoeken van een driehoek samen 10 rechte hoeken vormen.—Het volk stroomde van alle zijden toe.
Deze bron van inkomsten houdt weldra op te —.
Ik hoor duidelijk het gas uit de kraan —.
Zijn leven — zacht en kalm daarheen. (Verklaar de teekenachtige uitdrukking!)
De golven — in wilde vaart over den dijk.
Een stille traan — uit zijn oog.
Hieruit — nog niet voort, dat ik u zal aanbevelen.
Kabbelend — het beekje tusschen groene weilanden voort.
Een dichte menigte — naar het feestterrein.
Het lichaamsdeel om te vliegen.
Vleugel zegt dit in het algemeen: zoowel vogels als insecten hebben vleugels. Verder gebruikt men vleugel in figuurlijken zin om een vlugge beweging aan te duiden. De schrik hecht vleugelen aan zijn voet.—Op vleugelen der liefde kom ik tot u.
Vlerk beteekent gewoonlijk een gevederde vleugel en kan dus letterlijk alleen van vogels gebezigd worden.
Wiek is hoofdzakelijk beperkt tot de deftige figuurlijke taal en komt dan met vleugel overeen: het middel om zich snel te verplaatsen: Op de wieken der verbeelding. (Alleen in enkele spreekwijzen van het dagelijksch leven komt wiek voor: bijv. kortwieken, klapwieken, op eigen wieken drijven.)
De struisvogels hebben wel — maar zij kunnen er niet mee vliegen.
Op de — des winds naderde ons het heerlijke gezang.
„Bontge— vlinders zweven in den nooitvolprezen Mei.”
Dedalus wilde op wassen — naar de zon vliegen.
Wat een paar prachtige — bezit deze vogel.
Hij verhief zich op de — der verbeelding in hooger sfeer.
De linker — van dezen papegaai is verlamd.
De vrees hecht — aan haar voeten.
Hij is niet in zijn — geschoten.
Beschermend breidde hij de — zijner liefde over mij uit.
De linker— van het gebouw is verwoest.
Een einde aan 't bestaan van iets maken.
Verwoesten zegt letterlijk: wat te voren een regelmatigen aanleg had woest (tot een woestijn) maken; bij uitbreiding van beteekenis duidt het ook aan: iets in een puinhoop doen verkeeren. Het geheele land werd te vuur en te zwaard verwoest.—Bij het bombardement werd de schoone hoofdkerk geheel verwoest.
Vernielen heeft alleen betrekking op voorwerpen; het duidt aan, dat de deelen van elkander gescheiden worden, zoodat het voorwerp geheel verminkt en onbruikbaar gemaakt wordt. Dat meisje heeft al weer haar pop vernield. (Waarom niet verwoest? Waarom kan men niet zeggen: De stad werd vernield?)
Vernietigen wil letterlijk zeggen: tot niet maken, dus zóó te werk gaan, dat er niets overblijft. (Vernielen en verwoesten laten altijd nog iets achter.) Daar in de natuur geen volstrekte vernietiging denkbaar is, gebruikt men het woord bij voorkeur in figuurlijken zin, om het te niet doen van menschelijke instellingen of handelingen aan te wijzen. Het verdrag is weer vernietigd. In letterlijken zin komt het bijv. voor in: Ik heb uw brief vernietigd (bijv. door verbranding); de brief als zoodanig heeft daardoor geheel opgehouden te bestaan. Vandaar dat het ook soms verdelgen beteekent: De spreeuwen vernietigen veel schadelijke insecten.
De hagel heeft de boekweit —.
De hagel heeft de hoop op een goeden oogst —.
De Noormannen hebben vele steden in ons land —.
De nieuwe graaf — vele voorrechten, door zijn voorgangers geschonken.
Foei, wat heb je dat boek verschrikkelijk —.
De sijsjes — veel kleine insecten.
Bij den Beeldenstorm zijn vele kunstwerken —.
Men heeft langs scheikundigen weg een groot deel der archiefstukken —.
De uitbarsting van den Vesuvius heeft vier steden —.
De storm — een groot deel der visschersschepen.
Napoleons krijgsmacht werd in de sneeuwvelden van Rusland grootendeels —.
De jenever heeft zijn gezondheid totaal —.
Het aangaan van wederzijdsche verplichtingen.
Overeenkomst duidt aan, dat de belanghebbende partijen over de voorwaarden tot overeenstemming zijn gekomen en zich verplichten, die te zullen nakomen. De schrijver heeft met den uitgever een overeenkomst aangegaan omtrent het copierecht van dit werk.
Wordt zulk een overeenkomst tusschen twee min of meer vijandige partijen (ook staten) gesloten, ten einde hun geschillen of belangen bij te leggen of te regelen, dan spreekt men van verdrag. Na het verdrag van Delft verloor Jacoba van Beieren allen invloed.
Wanneer personen of staten zich vereenigen om een bepaald doel te bereiken met in achtneming van zekere voorwaarden, dan spreekt men van een verbond. Het Drievoudig Verbond redde ons land tijdelijk van een oorlog met Frankrijk. (Men zou Frankrijk, desnoodig, gezamenlijk beoorlogen.)
Opmerking. Overeenkomst heet in betrekking tot personen ook wel contract en in betrekking tot staten of vorsten conventie; verdrag noemt men ook wel tractaat, en verbond heet soms alliantie, unie of compromis.
Deze makelaars hebben een — getroffen, om een gelijk procent provisie te rekenen.
Door het — der Edelen werd de partij van den opstand eensklaps zeer sterk.
Wij hebben met Frankrijk een nieuw handels— gesloten.
De stedelijke regenten tijdens de Republiek hadden geheime — aangegaan om elkanders bloedverwanten te bevoordeelen.
Na het — van Rastadt werden de vijandelijkheden gestaakt.
Men zegt, dat deze twee staten een — hebben gesloten om den invloed van Engeland tegen te gaan. (Doel!)
Naar men zegt, was er tusschen Engeland en Duitschland een geheime — aangegaan, om elkanders vijanden in geenen deele te steunen.
Iets nieuws bedenken.
Uitdenken wijst aan, dat men het gevondene uit verschillende reeds aanwezige gegevens opzettelijk bedacht heeft en er zich op heeft toegelegd een afgewerkt geheel te verkrijgen. Het heeft dus veel overeenkomst met uitvinden, maar dit laatste onderstelt, dat ook het bloote toeval den uitvinder kan helpen. De beweegkracht voor die machine is vernuftig uitgedacht (d.w.z., uit de voorhanden gegevens, n.l. de wetten van beweging, is deze nieuwe beweegkracht door het denken gevonden).
Verzinnen onderstelt ook wel een inspannen van onze gedachten, maar het wijst er vooral op, dat de fantasie de hoofdrol vervult. Het kost mij veel moeite, allerlei voorbeelden te verzinnen. Soms duidt verzinnen aan, dat een of andere bewering, die men voor waarheid uitgeeft, geheel onwaar is. Dit bericht is van het begin tot het einde geheel verzonnen.
Verdichten wijst er met nadruk op, dat het verzonnene als louter vrucht der verbeelding geen geloof verdient; men wil dus het verdichte niet als waarheid uitgeven, zooals bij verzinnen het geval is. De hoofdpersoon in dezen historischen roman is geheel verdicht.
Een zeker Duitsch officier Drais moet de fiets hebben —.
De spreuk boven de deur is heel aardig —.
Sommigen beweren wel eens, dat de koene daad van Jan van Schaffelaar geheel — is.
Wat — hij al niet, om mij zoo te belasteren!
Hij heeft een nieuw middel —, om een trein in volle vaart in een oogenblik te doen stilstaan.
In de oudste geschiedenis van Rome is zeer veel —.
Ik moet iets —, om mijn wegblijven te verontschuldigen.