Het onaangename gevoel, dat zich van ons meester maakt, wanneer wij tot het besef komen, verkeerd gehandeld te hebben.
Spijt drukt dit het zwakst uit; het geldt dan ook hoofdzakelijk van minder belangrijke daden. Ik heb er spijt van, dat ik dit boek gekocht heb.
Leedwezen is sterker; het onderstelt een daad, waardoor wij ons zelven of anderen verdriet of nadeel berokkend hebben. Hij gaf mij zijn leedwezen er over te kennen, dat hij mij had moeten teleurstellen.
Berouw is weer sterker dan leedwezen; het duidt aan, dat wij een misslag of misdaad begaan hebben, waarover wij een aanhoudend leedwezen gevoelen. Bovendien drukt het uit, dat wij dien misslag of die misdaad gaarne ongedaan zouden maken, en laat meestal doorstralen, dat wij een mogelijke herhaling wenschen te voorkomen. Over de grievende beleediging, die hij zijn besten vriend had aangedaan, voelde hij diep berouw.
Wroeging is de hoogste trap van berouw over een gepleegd kwaad. Het is de foltering, die de misdadiger voelt, doordat zijn geweten hem niet met rust laat. Uit wroeging over zijn misdaad verviel hij tot wanhoop.
Nu het vandaag zulk prachtig weer is geworden, heb ik er — van, dat ik van morgen niet op reis ben gegaan.
Tichelaar werd op zijn ouden dag overal vervolgd door de — van zijn knagend geweten.
Ik heb er nog steeds — over, dat ik in mijn jeugd niet beter geleerd heb.
Tot zijn — bemerkte hij, dat hij zijn bediende onschuldig had aangeklaagd.
Uit — over zijn misdaad stierf hij reeds na korten tijd.
De moordenaar toonde niet het minste — over zijn afschuwelijke daad.
Tot mijn — moet ik u berichten, dat ik aan uw verzoek niet kan voldoen.
Niet geneigd naar anderen te luisteren.
Stijfhoofdig is hij, die zijn eigen hoofd wil volgen, zelfs al moet hij erkennen, dat anderen het beter weten. Hoofdig en koppig drukken hetzelfde iets minder sterk uit; koppig wordt ook van dieren gezegd en heeft bovendien het nevenbegrip van onhandelbaar. De jongen is stijfhoofdig genoeg, om toch de aangegeven fouten niet te willen verbeteren. Wat ben je van daag weer hoofdig. Een koppige ezel.
Eigenzinnig komt ook wel met stijfhoofdig overeen, maar drukt nog het bijdenkbeeld uit, dat men uit gehechtheid aan het oude of aan eigen inzicht voor geen reden vatbaar is: men doet zijn eigen zin. Hoewel iedereen hem aanraadde, zijn melk aan de boterfabriek te leveren, was de boer eigenzinnig genoeg, zelf te blijven karnen.
Halsstarrig (d. i. een stijven hals hebbende) en hardnekkig (d. i. een harden, stijven nek hebbende) gebruikt men om aan te duiden, dat iemand een onbuigzamen wil heeft en zich daarom blijft verzetten. Hardnekkig kan ook in goeden zin voorkomen, wat bij halsstarrig nimmer het geval is. Na een hardnekkigen tegenstand moesten de Boeren zich eindelijk onderwerpen. Hij weigert halsstarrig zich met zijn buurman te verzoenen.
Bokken zijn meestal — dieren.
Die jongen is vreeselijk —; hij weet, dat hij nablijven moet, als hij zijn werk niet netter maakt en toch zit hij weer te knoeien.
De Atjehers boden een — tegenstand, zoodat de onzen een moeilijke taak hadden.
Kent gij het gedicht „De — boer” van Staring?
Hij houdt maar — vol, dat hij niet gestolen heeft, en toch is de schijn sterk tegen hem.
Sommige landbouwers zijn zoo —, dat zij met de nieuwste uitkomsten der landbouwkunde blijven spotten.
Hoewel ik hem meermalen mijn hulp heb aangeboden, blijft hij die — weigeren.
Na een — gevecht moest de vijand eindelijk het veld ruimen.
Niettegenstaande ik hem meermalen heb aangetoond, dat hij de studie op een andere wijze moet aanvatten, is hij toch — genoeg om op den ouden weg voort te gaan.
De bewustgeworden voorstelling van hetgeen vroeger geweest is.
Herinnering wijst het vermogen aan, om zich het verledene weer voor den geest terug te roepen, of wel het is de werking zelf. Slechts in dit laatste geval is het synoniem met andere woorden en duidt dan alleen het bloote bewustworden aan. In dagen van verdriet valt de herinnering aan gelukkiger tijden ons dubbel zwaar.
Gedachtenis wijst aan, dat iemand of iets in onze gedachten blijft en dus niet vergeten wordt. Het ziet dus op een voortduren. Houdt dat in uw gedachtenis.
Nagedachtenis heeft alleen betrekking op overleden personen, zelfs van een ver voorgeslacht (dus niet op gebeurtenissen) en duidt het voortleven in onze gedachten aan. Tot zijn nagedachtenis werd voor hem een gedenkteeken onthuld.
Aandenken drukt uit, dat aan het vroegere (personen of zaken) vaak gedacht wordt, bijv. hoe de persoon leefde, zoodat hij in levendige herinnering blijft. Hij zal in gezegend aandenken blijven voortleven.
Opmerking verdient, dat herinnering, aandenken en gedachtenis ook een voorwerp kunnen aanduiden, waardoor de herinnering, het aandenken of de gedachtenis wordt levendig gehouden. Mag ik u dit geschenk tot een aandenken aan dezen feestdag aanbieden? (Zoek ook een voorbeeld van herinnering en van gedachtenis.)
Wij zullen van ons verblijf in Zuid-Limburg een aangename — meenemen.
De overledene bleef wegens zijn weldadigheid in gezegend — voortleven.
Ter — aan de troonsbestijging der Koningin heeft men op verschillende plaatsen een linde geplant.
Deze dichter heeft aan de — van den zeeheld een schoon gedicht gewijd.
Ontvang dit als een — aan uw eerste bezoek.
Zijn verblijf aldaar liet zoo weinig — bij de bewoners achter, dat het weldra uit hun — verdween.
Dit horloge is nog een — van mijn overleden oom.
De — van dezen weldoener der menschheid wordt nog steeds geëerd.
De vereischten bezittende, om iets naar behooren te verrichten.
Kundig onderstelt veel theoretische kennis door ijverige studie van een zeker vak opgedaan. Hij is een kundig rechtsgeleerde.
Bekwaam wijst aan, dat men aan kennis ook practische ervaring paart, zoodat men degelijk werk kan leveren of voor een of andere betrekking als aangewezen is. Hij is een bekwaam timmerman; een bekwaam onderwijzer.
Geschikt wil zeggen, dat men wegens het bezit van de vereischte vaardigheden voor een of andere handeling of betrekking bijzonder bruikbaar is. Ik weet een geschikte dienstbode voor u.
Knap duidt aan, dat iemand veel geleerd heeft, hetzij in 't algemeen of in een bepaald vak: Hij is een knap man.—Mijn broer is zeer knap in de geschiedenis. Een onderwijzer kan knap en toch niet bekwaam voor zijn betrekking zijn. In den regel is knap tot de spreektaal beperkt en behoort kundig meer tot de schrijftaal.
Een — werkman vindt overal werk.
In uw geval zou ik een — advocaat raadplegen.
Wij hebben een — kindermeisje gevonden.
Wie is de — van deze jongens?
Johan de Witt was een — rechtsgeleerde en een — staatsman, die zeer — was om de buitenlandsche zaken te leiden.
Die man ziet er wel onnoozel uit, maar voor schaapherder is hij nog wel —.
Hij is een — godgeleerde, maar wegens zijn schorre stem is hij voor predikant niet —.
Ik geloof niet, dat deze schoenmaker erg — in zijn vak is, maar voor verstelwerk is hij wel —.
Deze hoogleeraar is een — oriëntalist.
Om dit oude gebouw naar behooren in den ouden stijl te herstellen moet gij een — architect zoeken.
Een beweging maken, die van de rechte lijn afwijkt.
Bij een cirkelvormige beweging—om een vast punt dus—spreekt men van draaien: het wiel draait.
Om aan te duiden, dat het voorwerp door de beweging een tegengestelden stand krijgt, gebruikt men keeren: het schip keert (waar dus de voorsteven was, komt nu het roer).
Is de verandering van stand niet zoo groot, dan spreekt men van wenden (oorspronkelijk: zijwaarts doen gaan; vergelijk wand = zijde): het schip wendt het roer.
Een herhaald wenden wordt letterlijk door wentelen aangeduid (frequentief); het komt dus veel met draaien overeen, maar heeft de bijgedachte, dat het voorwerp niet alleen voortdurend van stand maar ook van plaats verandert. Het zwijn wentelt zich in het slijk (d.i. letterlijk: wendt zich voortdurend in het slijk en komt tevens op een andere plaats). De aarde draait om haar as en wentelt om de zon. (Waarom niet wentelt om haar as, of draait om de zon?)
Pas op, de straat is hier te nauw om er met je fiets te —.
De wielen met gummi-banden — bijna onhoorbaar over den weg.
Je kunt je overjas nog best laten —. (Hoe verklaart gij, dat de Duitscher hier wenden gebruikt?)
Als gij olie in de as gedruppeld hebt, moet gij het wiel een paar minuten snel laten —.
Toen hij zijn vijand op straat tegenkwam, — hij het hoofd naar rechts.
Hij — maar in een cirkeltje rond, je wordt er niets wijzer door.
Wij zullen het eens over een anderen boeg —.
Gij moet dit vat olie voorzichtig naar de schuur —.
De wandelaar stond even stil en — toen op zijn schreden terug.
De orgelman — de voorzijde van het orgel naar ons huis en begon er toen lustig op los te —.
De vrouwen zagen den steen van Jezus' graf —.
Zonder fatsoen.
Onbeleefd wijst aan, dat men de regels der wellevendheid uit het oog verliest. Het is onbeleefd een dame naar haar leeftijd te vragen.
Ongemanierd zegt, dat men onbeleefd in zijn manieren, in zijn handelwijs is, zoodat men in den regel ergernis verwekt. Het is hoogst ongemanierd aan tafel het zout met zijn vingers aan te vatten.
Lomp wil zeggen, dat men de regels der wellevendheid niet kent en er dus vaak lijnrecht mee in strijd handelt. De lompe boer sprak den Burgemeester met jij aan.
Onbeschoft wijst aan, dat men wel de regels der wellevendheid kent, maar ze opzettelijk overtreedt, met het doel iemand daardoor te beleedigen. Door zulk een onbeschoft antwoord van den boer werd de Burgemeester woedend.
Zooveel beleefdheid had ik van dien — boer niet verwacht.
Foei jongen, wat zit je bij het eten van je boterham — te smakken.
De landlooper werd ten laatste zoo —, dat hij mij allerlei vuile scheldwoorden naar het hoofd wierp.
Zorg er voor, Frits, dat je dadelijk voor de dames een voetenbankje haalt, anders zou je — zijn; misschien zouden ze je wel voor een — jongmensch houden.
De — boer hield zijn pet in de kamer op; hij werd zelfs zoo —, dat hij tot den advocaat zeide: „Je kinderen lieken krek apen.”
Het begin van den dag.
Dageraad en krieken wijzen op het begin van het licht, ochtend op het begin van den tijd of den dag. Zoo zegt men: men staat op met het krieken van den dag of met den dageraad, d. w. z. bij het licht worden.—„Sta gauw op, het is al ochtend” (d. w. z. de dag is al begonnen, de nacht is voorbij).
Morgen ziet meer op de eerste uren, het eerste gedeelte van den dag: Dezen morgen heb ik in den tuin gespit. Soms gebruikt men ook ochtend, waar morgen bedoeld is: Gisterenochtend deed ik een frissche wandeling.—Daar ochtend slechts een oogenblik is, wenscht men elkander geen goeden ochtend, maar een goeden morgen ('t eerste gedeelte van den dag). Zoo zegt men wel: ochtendstond en morgenstond, maar niet: de ochtendstond heeft goud in den mond, men bedoelt immers: de morgentijd.
Ik wensch u goeden —.
Reeds bij — stond er iemand voor onze deur.
Morgen — moet gij niet te lang slapen.
Het —rood voorspelt mooi weer.
Nauwelijks begon de — te lichten, of wij verlieten ons huis.
Ik laat mij elken — om vijf uur wekken en werk dan den geheelen — tot acht uur door.
Een beweging naar beneden.
Dalen wijst op een langzame beweging naar beneden toe, in tegenstelling met rijzen, terwijl vallen aanduidt, dat die beweging sneller gaat tengevolge van de aantrekkingskracht der aarde (het voorwerp heeft dus geen ondersteuning meer). Men liet gas uit de ballon ontsnappen om op de heide neer te dalen.—Een der mannen boog zich te ver over het schuitje en viel naar beneden. Geschiedt dit vallen van een aanzienlijke hoogte of onverwacht, dan spreekt men van storten. De Alpenjager verloor het evenwicht en stortte in een afgrond.
Zakken en zinken duiden aan, dat de stof, waarop iets moet rusten (water, modder, sneeuw, enz.), niet voldoende ondersteuning biedt. Verdwijnt het voorwerp geheel in die stof, zoodat het niet meer zichtbaar is, dan spreekt men van zinken. Wij zakten tot de enkels in de modder.—Het schip kreeg een lek en zonk in de diepte. (Waarom kan men niet zeggen: de jager zakte of zonk in den afgrond?) Soms ook duidt zakken alleen aan, dat het voorwerp een lageren stand dan te voren inneemt: de ballon zakte. Van het water kan men zeggen, dat het daalt, valt en zakt. Dalen duidt eenvoudig aan, dat de waterspiegel lager wordt, vooral in tegenstelling van rijzen: Vroeger schijnt de zee meermalen gerezen en weer gedaald te zijn. Vallen zegt, dat de lager geworden waterstand met een bepaald peil wordt vergeleken: de rivier is van nacht 2 cM. gevallen.—Zakken zegt eenvoudig, dat het peil in betrekking tot een vroeger merk lager is geworden: Het water is vannacht gezakt. (Waarom kan men hier niet spreken van zinken?)
Bij eb — het water, bij vloed rijst het.
Wij — tot de knieën in de sneeuw.
De arme man sloeg over boord en — in de diepte.
De bloesems — als een zachte regen neder.
Groote hagelsteenen — uit de lucht.
De moed is hem in de schoenen —.
De sterke drank doet menigeen in het ongeluk —.
Wacht een poosje, tot zijn drift wat — is.
Hij is in ongenade —.
Een huis, dat —, moet nieuwe fundamenten hebben; een huis, dat —, verdwijnt weldra geheel in den lossen grond.
Hij was niet standvastig genoeg en — voor de verleiding.
„'k Zie de starren — aan den stillen trans.”
In groote mate met een gevoel van eigenwaarde bedeeld.
Hoogmoedig zegt, dat men in het besef zijner meerderheid met verachting op anderen neerziet. Sedert hij burgemeester van dat dorp geworden is, is hij zeer hoogmoedig geworden.
Hoovaardig is sterker, het drukt uit, dat men zich nog grooter (rijker, enz.) wil voordoen, dan men is: ik begrijp niet dat hij nu zoo hoovaardig is geworden, vroeger was hij zoo nederig.
Grootsch, van zaken gebruikt, geeft het denkbeeld van grootte, ruimte, eerbiedwaardigheid, voortreffelijkheid: een grootsch gebouw, een grootsche gedachte;—van personen gezegd is het ongunstig van beteekenis: het wijst dan aan, dat men met ingebeelde grootheid of voortreffelijkheid is bezield en in uiterlijken pronk behagen schept. Zie dat meisje eens grootsch zijn op haar mooie kleeren.
Trotsch, in goeden zin, is: vol van grootmoedig zelfvertrouwen of een gepast gevoel van eigenwaarde. Uw trotsch geslacht verwacht rechtschapen loten uit zijn stam (Vondel); ook mag iemand, waar het een gepast gevoel van eigenwaarde geldt, gerust zeggen: „Ik ben er trotsch op zóó gehandeld te hebben.” Meestal evenwel ontstaat trotschheid uit verkeerde zelfverheffing en daarmee gepaard gaande verachting van anderen; de trotsche vermijdt dan ook angstvallig alles, wat hem quasi zou vernederen en neemt een houding aan, die stuitend, zelfs beleedigend voor anderen is. Sedert hij burgemeester is geworden, is hij te trotsch om met ons om te gaan. Van zaken gebezigd, komt trotsch eenigszins met grootsch overeen, en wordt dan gebruikt, niet zoozeer om de grootte, als wel om de hoogte uit te drukken: Trotsche bergen (geen „grootsche” bergen).
Prat is hetzelfde als trotsch, maar er wordt steeds de reden bijgevoegd: Prat op zijn afkomst. Het woord is echter tot de schrijftaal beperkt.
Fier (van Franschen oorsprong) drukt altijd een gepast gevoel van eigenwaarde uit. Met fieren blik trad hij voor zijn laaghartige beschuldigers.
IJdel duidt aan, dat men zich gaarne bewonderd en gevleid ziet. Hij was ijdel genoeg, om de vleierij van zijn vrienden voor goede munt aan te nemen. (IJdel kan ook beteekenen: 1º. zonder grond: ijdele hoop; 2º. van geen langen duur: ons ijdel leven; 3º. aardschgezind: ijdele lieden denken niet aan het leven hiernamaals; 4º. nutteloos: al zijn pogingen waren ijdel.)
De — raaf liet zich geducht door den vos beetnemen.
Met — opgeheven hoofd trad de mishandelde zijn beulen onder de oogen.
Zijn — hart heeft alle gevoel van vriendschap gebluscht.
De — schouwburg heft zijn kap en gaat tot aan de sterren pralen. (Vondel.)
Elkeen bewonderde hem over de uitvoering van dit — denkbeeld.
Van oudsher was de Nederlander — op zijn voorrechten.
Wij mogen er — op zijn, dat hier reeds eeuwen vrijheid van geweten bestaat.
God wederstaat den —, maar den nederige schenkt Hij genade.
Niemand kan dezen parvenu uitstaan, daar hij in 't oogloopend — op zijn rijkdom is.
Hoe — draaft het paard daarheen, als het zijn meester draagt.
Toen de — veldheer zich door zoo velen gevleid zag, werd hij —.
Hij behoeft waarlijk niet zoo — te zijn op zijn afkomst; zijn ouders zijn maar eenvoudige lieden.
Dat schijnt me een — nufje toe.
De pauw is een — dier.
Vroeger was hij vreeselijk —, maar het lot heeft hem nederig gemaakt.
Ons loflied prijst den Schepper van het — heelal.
De — eik werd door den bliksem getroffen.
Hij was te —, om gebedeld brood te eten, zoolang hij nog werken kon.
Deze schrijver is zoo —, dat hij niet de minste aanmerking op zijn werk kan verdragen.
Paul Kruger blijft een — verschijning in de geschiedenis van Zuid-Afrika.
Toen de leeuw zich zag ingesloten, richtte hij zich — op, alsof hij den dood verachtte.
De prachtige St.-Janskerk in Den Bosch is een — gebouw.
Iets met aandrang vragen.
Eischen drukt uit, dat men de gedachte aan een weigering uitsluit, daar men van zijn recht overtuigd is of dat een plicht of een gelofte tot gehoorzamen bindt. Ik eisch het geld terug, dat gij van mij geleend hebt. De wet eischt gehoorzaamheid aan haar bepalingen.
Vorderen onderstelt wel, dat weigeren mogelijk is, maar toch niet verwacht wordt, hetzij omdat degene, van wien men iets vordert, door innerlijken drang weerhouden wordt te weigeren, hetzij hij bevreesd is door dwangmiddelen tot het voldoen van het gevorderde gebracht te worden. Men vordert van een welopgevoed man, dat men hem op zijn woord mag gelooven.—Ik vorder van hem schadevergoeding (d.w.z. weigert hij soms, dan stel ik bij rechterlijk vonnis een eisch tot schadevergoeding in).
Verlangen duidt aan, dat men iets met zeer sterken aandrang vraagt, maar dat men niet zeker is, of het verlangde zal worden toegestaan: het laat in het midden, of men al dan niet recht op het gevraagde heeft. De minderjarige jongeling verlangde zijn vaderlijk erfdeel om de wereld in te trekken. (Ware hij meerderjarig geweest, dan had hij het kunnen eischen of vorderen.)—Wij verlangden van onzen vriend nadere opheldering van zijn gedrag. (Een onderwijzer eischt opheldering van zijn leerling.)
Vergen (metathesis van vragen) duidt aan, dat men te veel verlangt. Hij vergt van mij, dat ik dat alles voor niets zal doen.
De onderwijzer —, dat zijn leerlingen stipt op tijd komen; hij —, dat zij jegens iedereen beleefd zullen zijn; hij mag niet —, dat er onder schooltijd voortdurend een doodsche stilte heerscht.
Ik — oogenblikkelijk binnengelaten te worden. (Meer woorden?)
Deze arbeid — veel tijd. (Figuurlijk.)
Hij had reeds te veel van mijn geduld —.
De regeering — onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de wet.
Ik mag van u niet —, dat gij mij voor niemendal zult helpen.
Hij — van mij, dat ik mijn verontschuldiging zal aanbieden, maar hij vergeet, dat ik de beleedigde ben.
Welken prijs — gij voor deze boeken?
De ouders — van hun kinderen, dat zij zich behoorlijk in huis zullen gedragen.
Indien het niet te veel van uw goedheid — is, zou ik u dit gaarne verzoeken.
Geen vast besluit kunnen nemen.
Aarzelen duidt oorspronkelijk een achterwaartsche beweging aan, het wil dus zeggen: voor het besluit of de handeling terugdeinzen, doordat men zich te zwak gevoelt. Als men mij die betrekking aanbood, zou ik aarzelen ze aan te nemen.
Schromen duidt aan, dat schroom (zie No. 166) de oorzaak is, waardoor men niet tot een besluit kan komen. Ik was hem al zoo dikwijls lastig gevallen, dat ik schroomde alweder zijn hulp in te roepen.
Weifelen duidt aan, dat men niet tot een besluit kan komen, doordat men geen wilskracht, geen doortastendheid bezit. Door zijn weifelen in het beslissende oogenblik is de onderneming mislukt.
In twijfel staan beteekent: tusschen twee zaken niet kunnen kiezen, daar het vóór en tegen vrijwel tegen elkander opwegen. Ik stond langen tijd in twijfel, of ik zou schrijven dan wel zelf zou gaan. (Twij = twee.)
Zich bedenken gebruikt men, als men zijn te nemen besluit vooraf nog eens in ernstige overweging wenscht te nemen. Ik kan mijn toestemming nu nog niet geven, ik moet mij eerst nog eens terdege bedenken. Soms beteekent het ook: op zijn reeds genomen besluit door nadenken terugkomen. In mijn eerste opwelling van woede besloot ik hem een beleedigenden brief te schrijven, maar bij nader inzicht bedacht ik mij gelukkig nog.
Wie buiten zijn toedoen in armoede vervalt, behoeft niet te — om ondersteuning te vragen.
De bevelhebber — tot den aanval over te gaan, daar hij een heftigen tegenstand vermoedde.
Langen tijd heb ik —, of ik voor arts dan wel voor notaris zou studeeren.
Ik hoor, dat hij plan heeft zijn geld in die gewaagde onderneming te steken; voor hem hoop ik, dat hij — zal.
Hoewel gij er soms iemand onaangenaam door moet zijn, moogt gij niet —, naar plicht en geweten te handelen.
De koning had met een weinig toegeven den opstand nog kunnen voorkomen, maar daar hij in het beslissende oogenblik — tot zulk een verzoenende daad over te gaan, verloor hij zijn laatste vrienden.
Gij weet, op welke wijze gij zijn vriendschap behouden kunt; waarom — gij dan nog daartoe over te gaan?
Gerust moogt gij —, vóór gij hem uw vriendschap opzegt, maar is uw besluit genomen, — dan ook niet het ten uitvoer te brengen.
Door de — houding, die ons land bij de voorgestelde alliantie aannam, liet het de gelegenheid, om bondgenooten te winnen, voorbij gaan.
Aangename aandoening van ons gemoed.
Blijdschap ziet meer op een enkel geval en wordt door geringere oorzaken teweeggebracht dan vreugde, die dieper en langduriger aandoet. Bovendien verschillen beide woorden ook hierin, dat blijdschap zich op 't gelaat afspiegelt, terwijl vreugde zich niet noodzakelijk behoeft te uiten. Het goed gedrag van den zoon geeft den vader vreugde; zijn thuiskomst na een korte afwezigheid veroorzaakt blijdschap. (De vreugde duurt langer en uit zich wellicht niet; de blijdschap was van voorbijgaanden aard en straalde misschien van 't gelaat van den vader.) Geeft de blijdschap zich lucht ook door woorden, lachen of gebaren, dan spreekt men van vroolijkheid. Zijn vreugde kan men verbergen, zijn vroolijkheid niet; blijdschap kan stil zijn (stille blijdschap), vroolijkheid niet, bijv.: zij waren uitgelaten van vroolijkheid.
Genoegen is minder sterk dan blijdschap; het is eigenlijk de toestand van voldaanheid met hetgeen men wenscht of bezit. Hij smaakte het genoegen, de acte te behalen. Het doet mij genoegen, dat gij komt. (In beide gevallen wijst het dus aan, dat de wensch vervuld werd.) Tegenwoordig komt het soms ook overeen met vermaak: Ik wensch u veel genoegen op uw reis (wat eigenlijk beteekent: ik hoop, dat gij al uw wenschen bevredigd zult zien, n.l. uw wenschen naar genot en vermaak op uw reis). Hij schept veel genoegen of vermaak in het lezen van romans. Met genoegen neem ik uw uitnoodiging aan (het zal mij een vermaak zijn, bij u te komen). Genoegen kan ook nog beteekenen: de oorzaak of het middel, dat ons vermaak verschaft: ook de winter heeft zijn genoegens. Verder moet er nog op gewezen worden, dat genoegen en vermaak in de gewone spreektaal dikwijls vervangen worden door het Fransche woord „pleizier”.
De hoogste trap van vreugde of blijdschap is verrukking: de aangename toestand, waarin alle andere gevoel in dat der vreugde opgaat.
De geboorte van den prins werd met groote — begroet.
Op de zilveren bruiloft heerschte er in dit huisgezin groote —.
Het is mij altijd een — door de geurende bosschen te dwalen.
Die jongen heeft er altijd — in, kleine kinderen te plagen.
Met — beschouwde de daglooner den grooten schat, dien hij had gevonden.
De zieke had het —, nog voor zijn dood al zijn kinderen om zich te zien.
Het verdere van den feestavond werd in uitgelaten — doorgebracht.
Wie al te veel allerlei — najaagt, verzuimt dikwijls zijn eerste plichten.
Het is mij een — u te kunnen helpen.
De — der ouders, toen zij hun verloren gewaand kind terugvonden, is niet te beschrijven.
Tot algemeene — begon onder de deftige toespraak van den voorzitter plotseling een ezel te balken.
Moge uw huwelijk u een bron zijn van ongestoorde —.
Het bestuur dezer badplaats zorgt in den zomer voor allerlei —.
Toen hij het langgewenschte portret zijner moeder vond, geraakte hij in —.
Met — vernam men, dat de Koningin een bezoek aan de stad zou brengen.
„Wat heilig vuur, doortintelt al mijn ad'ren! — sleept mij onweerstaanbaar mee!”
De gemoedstoestand, waarin men alle kalmte verliest.
Boosheid duidt aan, dat men misnoegen gevoelt, maar niet in zulke sterke mate, als bij toorn het geval is. Verliest de toornige zijn heerschappij over het verstand, dan spreekt men van woede. Gaat deze woede met groot getier of heftige bewegingen gepaard, dan gebruikt men razernij.—Drift is een snel opkomende opwelling van toorn, die evenwel spoedig weer voorbij gaat.
In zijn — had hij bijna zijn besten vriend vermoord.
Hij wilde uit — niet met ons meespelen.
In zijn — wierp hij mij een beleediging naar het hoofd, maar hij had er spoedig groot berouw over.
Hij ging in zijn — zoo geweldig te keer, dat de menschen op straat bleven staan luisteren.
Spreek uw nieuwen patroon nooit tegen en doe stipt, wat hij zegt; want, als gij zijn — opwekt, jaagt hij u misschien wel de deur uit.
Bij die grievende beleediging, zijn vader aangedaan, ontstak de zoon in zulk een —, dat hij bijna een ongeluk had begaan.
Zeg maar niets tegen hem; zijn — zal wel spoedig gezakt zijn.
Met verbeten — stond de koopman het aan te zien, hoe zijn concurrent al de klanten wist te lokken.
Het tegengestelde van beknopt.
Omslachtig duidt aan, dat men veel omslag maakt, d.i. een grooten omhaal van woorden bezigt; men geeft dus veel meer in zijn verhaal, dan noodig is.
Omstandig heet het verhaal, waarin alle voorname bijzonderheden vermeld worden, alsof een omstander het feit vertelde.
Uitvoerig ziet op de redeneering of het verhaal, waarin niets gemist wordt, wat voor het onderling verband noodig is.
Wil men in een verslag de omstandigheden niet enkel noemen, maar ook nader ontvouwen, om voor hem, die niet geheel op de hoogte is, des te duidelijker te zijn, dan spreekt men van breedvoerig. In een breedvoerig betoog worden dus de verschillende onderdeelen van het onderwerp nader uiteengezet en verklaard. Wie hierbij echter onnoodig zaken aanroert en behandelt, en dus zijn redeneering of bewijsvoering noodeloos rekt, wordt wijdloopig.
Omstandig en uitvoerig zijn dus goede hoedanigheden van een spreker of schrijver, soms moet hij ook breedvoerig zijn; maar omslachtigheid en wijdloopigheid zijn steeds af te keuren.
De rechter verlangt van de getuigen wel een —, maar geen — verhaal.
Deze — uiteenzetting van het onderwerp was noodig, omdat anders het publiek den spreker moeilijk had kunnen volgen.
Van den toestand onzer koloniën komt in dit blad een — verslag voor, dat een helder licht op vele zaken werpt.
In zijn ijver, om de onschuld van den beklaagde te doen uitkomen, hield de advocaat zulk een — betoog, dat het geduld van zijn toehoorders op een te zware proef werd gesteld.
De tijd ontbreekt mij om u een — verslag van die vergadering te geven.
Iemand op grievende wijze behandelen.
Beleedigen zegt dit in het algemeen, zonder dus nader aan te duiden, waarin de beleediging bestaat. De gezant werd op straat beleedigd.
Bespotten wijst aan, dat de beleediging met spottende woorden of gebaren geschiedt; men bespot dus iemand (of iets) door hem belachelijk te maken. Gij moogt nooit de godsdienstige gebruiken van andersdenkenden bespotten.
Bij hoonen wordt de beleediging door vernedering en schande aangedaan. Met hoonend gelach werd de spreker, die in zijn rede bleef steken, begroet.
Bij smaden denkt men meer aan verachting. Uit de smadelijke uitroepen van het volk kon de minister duidelijk merken, dat hij zijn aanzien verloren had.
Verguizen is de hoogste trap van smaden of hoonen. Geen rechtgeaard vaderlander laat zijn geboortegrond verguizen.
Krenken duidt aan, dat men iemand grieft, door hem in zijn eer of rechten aan te tasten, terwijl kwetsen meer ziet op het beleedigen van het gevoel. Dat hij achteruitgezet werd, krenkte hem zóó, dat hij ontslag aanvroeg. Deze plaat kwetst den goeden smaak.
Smalen beteekent: zich minachtend en geringschattend over iemand (of iets) uitlaten, door diens verdiensten of deugden met opzet te verkleinen; soms heeft het de bijgedachte, dat de werking uit nijd of afgunst geschiedt. Hoezeer sommigen ook smaalden op het langzame voortrukken van ons leger, de uitkomst bewees, dat de aanvoerder daarmee goed had gedaan.
De gemalin van prins Willem V achtte zich zwaar —, toen zij op haar reis naar Den Haag werd tegengehouden; zij achtte zich in haar eer — en liet haar broeder voldoening eischen.
Het geeft altijd een bewijs van slechte opvoeding, als men iemand om zijn lichaamsgebreken —.
Hij liet zich — over het schilderij uit, omdat hij blijkbaar zijn mededinger het behaalde succes niet gunde.
Men moet nimmer een ander in zijn godsdienstige overtuiging —.
Toen de arme stierenvechter het ongeluk had mis te stooten, werd hij door het publiek met een — geroep begroet.
Liever dan de vaderlandsche vlag te laten —, vloog Van Speyk de lucht in.
Door zulk een miskenning van zijn verdiensten ten zeerste —, verliet hij 's lands dienst.
De Fransche koning achtte zich door het slaan van den gedenkpenning op den vrede zwaar — en eischte voldoening.
Het is wel gemakkelijk op den afloop te —, maar de beste stuurlui staan altijd aan wal.
Ten diepste — over de geleden nederlaag verviel Karel de Stoute in een toestand van zinsverbijstering.
Eindelijk brak het uur aan, dat den zoo lang — man de waardeering te beurt viel, waarop hij recht had.
Dit boek, dat de goede zeden —, is op last der regeering verboden.
„Triumf! de Nederlandsche Taal Is van het Fransche juk ontheven, En zal, hoezeer de nijd ook —, Haar ouden luister doen herleven!”