„Hoe is natuur zoo stil, zoo plechtig!
Het — windje kwijnt.”

151. Mat—moe—vermoeid—afgemat—loom.

Ongeschikt tot krachtsinspanning.

Mat is men door een oorzaak buiten ons, bijv. mat van de warmte; het komt dus eenigszins met loom overeen, d.w.z. traag van beweging. (Schaakmat is de koning, als hij zich niet meer bewegen kan; mat is dus sterker dan loom.) Van kleuren gezegd beteekent mat zooveel als dof: matblauw.

Moe duidt eenvoudig den toestand aan, waarin men zich na zwaren arbeid bevindt, terwijl vermoeid ook let op de oorzaak der vermoeidheid en tevens grootere moeheid aanwijst: Hij is erg moe en mag wel wat uitrusten. Hij is door het onbesuisde fietsen zeer vermoeid.

Afgemat is nog sterker dan vermoeid; meestal is deze graad van vermoeidheid op het gelaat te zien of aan mindere helderheid van geest te bemerken.

Opmerking. Het woord mat wordt gewoonlijk alleen in de alliteratie: mat en moe gebruikt.


Ik ben wat — van de wandeling en blijf dus liever thuis.

Zij was van de lange reis zoo —, dat zij wel twee dagen te bed moest blijven.

Bij zulk een hooge temperatuur gevoelt zich ieder —.

Wordt gij soms — van dit werk?

Door het lange spreken was hij zoo —, dat hij verder van het woord afzag.

„O van uit die groene zoden, Waar zij rusten — en —, Ruischt er van mijn lieve dooden 't Blijde wederzien mij toe.”

Door de wekenlange inspanning zag hij er zeer — uit.

Een flinke jongen, als jij bent, moet niet zoo gauw — worden.

Er lag een — tint over het landschap.

Naar lichaam en geest — viel zij in een zware ziekte.

Er lag iets drukkends, iets — over de feestelijke stemming. (Verklaar dit fig. gebruik.)

152. Klimmen—klauteren—stijgen—rijzen.

Zich in de hoogte begeven.

Stijgen kan met een enkelen stap geschieden: hij stijgt te paard, terwijl klimmen altoos meer stappen onderstelt en dus ook met meer moeite gepaard gaat: hij klimt den berg op. Heeft men bij het klimmen ook de handen noodig, dan spreekt men van klauteren; dit gaat dus met nog meer moeite gepaard dan klimmen: hij klauterde tegen de rots op. Rijzen sluit alle begrip van inspanning uit: het water rijst, de zon rijst, enz. In figuurlijken zin gebruikt men zonder onderscheid in beteekenis voor rijzen ook wel stijgen of klimmen, maar nooit klauteren, bijv.: „de lofzang klimt uit Sions zalen”.


Laten wij op dezen heuvel —, dan hebben wij een ruim uitzicht.

De prijs van het koren is —.

Bij het — zijner jaren verloor hij zijn levenslust niet. (Hier is klimmen beter, om het trapsgewijze stijgen sterker aan te duiden.)

De barometer is sedert gisteren een weinig —.

De matrozen — als katten in het want.

Uit duizend kelen — een donderend hoera! op.

Het water — aan zijn lippen.

Van uur tot uur — onze ongerustheid. (Denk aan het trapsgewijze rijzen!)

Hij is van een geringe afkomst tot een hoogen staat —.

De dieven — tegen den tuinmuur op en — daarna het achterraam binnen.

153. Aandoen—treffen—roeren—schokken.

Meer of minder sterk op het gemoed werken.

Aandoen wijst op het teweegbrengen van een gevoel van droefheid of van medelijden; soms ook van vreugde. Bij het afscheid was hij zeer aangedaan. Deze hulde deed den jubilaris zoo aan, dat hij niets kon zeggen.

Treffen is sterker, daar het als een schot dieper in ons gemoed doordringt. Het was treffend te zien, hoezeer de gelukkige moeder den redder van haar kind met dankbetuigingen overlaadde.

Roeren is een aandoen, dat in ons binnenste de teederste snaren aanroert; het is dus inniger dan aandoen. De omstanders waren getroffen, toen zij zagen, hoe roerend de moeder den redder van haar kind dankte.

Schokken duidt aan, dat men plotseling als door een schok getroffen of geroerd wordt; het heeft dus altijd eenigszins de bijgedachte van schrik. De plotselinge dood van haar vader heeft haar diep geschokt.


Onder het lezen van dit droevig verhaal werd hij zeer —.

Door zooveel blijken van innige deelneming diep —, had hij moeite zijn dank uit te spreken.

Het onverwachte verlies van zijn vermogen heeft hem zoo —, dat men voor zijn leven vreest.

De diepbedroefde vrouw gaf haar boezem lucht in een — smeekbede om gratie voor haar echtgenoot.

Het „Haantje van den Toren” kan niemand lezen, zonder — te worden; vele passages zijn zoo fijngevoelig geteekend, dat zij ons diep —; het — ons, dat de zieke steeds zoo vol hoop blijft, al staat de dood voor de deur en, het — ons bijna, als wij lezen, dat op haar begrafenis eindelijk de zoo lang verbeide zoele zuidenwind waait.

154. Verwonderen—verbazen—bevreemden—verrassen.

Deze woorden duiden aan, dat iets ons vreemd toeschijnt.

Wat anders uitkomt, dan wij verwacht hadden, of wat nieuw, onbegrijpelijk of onverwacht voor ons is, verwondert ons. Het verwondert mij, dat hij met zulk weer nog gekomen is. (Het is anders, dan wij verwacht hadden.) Het verwondert een kind, dat de magneetnaald altijd naar het noorden wijst. (Een natuurkundige vindt het zeer gewoon, maar een kind begrijpt het niet.) Het verwonderde hem, zijn vriend daar aan te treffen. (Het was voor hem onverwacht.)

Is onze verwondering zeer groot, dan spreekt men van verbazen. Hij had mij stellig beloofd thuis op mij te wachten; het verbaasde mij dan ook niet weinig, dat hij bij mijn komst reeds vertrokken was.

Is er in hetgeen ons verwondert, iets vreemds (onverklaarbaars of raadselachtigs) gelegen, dan gebruikt men bevreemden; het heeft dus in den regel een onaangename bijbeteekenis. Het bevreemdde mij zeer, dat hij zoo teruggehouden tegenover mij was; ik kon ten minste niet vermoeden, dat ik hem iets misdaan had.

Verrassen daarentegen gebruikt men, als het onverwachte ons aangenaam aandoet. De onverwachte bevordering heeft mij zeer verrast. (Men zegt wel: de dieven werden verrast, maar dan heeft verrassen de beteekenis van overvallen, en is dus geen synoniem van de bovenstaande woorden: zie no. 81.)


Het — ons dikwijls, dat ontwikkelde menschen nog zoo vaak bijgeloovig blijken.

Met zulk een practisch geschenk zult gij hem zeker —.

Het — ons, dat in dat dorp alle huizen van hout waren.

Het geheimzinnig gedrag van onzen vriend — ons.

Het bezoek van mijn vader heeft mij niet weinig —.

Heeft het u ook niet —, dat iemand, die zoo lang ons vertrouwen genoot, ons zoo schandelijk heeft bedrogen?

Heeft het u ook niet —, dat hij die betrekking gekregen heeft?

Het — iedereen, dat de vijanden zich eensklaps zoo gewillig onderwierpen; niet ten onrechte vermoedde men, dat er een adder onder het gras school.

Het — mij, dat de hagel niet meer schade heeft aangericht.

155. Beheerschen—betoomen—beteugelen—bedwingen.

Met kracht iemand of iets in zijn vrije beweging tegengaan.

Beheerschen duidt aan, dat men zulks doet door de macht, waarover men beschikt; het wijst er door zijn afleiding op, dat men heer is, dat men doet gehoorzamen niet door leiding of bestuur, maar uitsluitend door zijn gezag, dat men weet uit te oefenen, of door de macht, die men bezit. Deze volksleider bezit zulk een redenaarstalent, dat hij de geheele vergadering weet te beheerschen.

Bedwingen wijst aan, dat men dwang gebruikt en onderstelt dus een tegenstand, waarop het gezag door dwang zegeviert. Door bedwingen wordt dus iets onderdrukt. In korten tijd had de veldheer door krasse maatregelen den opstand bedwongen. Hoe verklaart gij nu de fig. beteekenis van: zijn lachen bedwingen?

Beheerschen en bedwingen kunnen betrekking hebben op een rust; beteugelen en betoomen doen denken aan hollende dieren, wier te snelle loop met kracht wordt tegengehouden en geleid of bestuurd. In letterlijken zin is betoomen sterker dan beteugelen, daar het eerste is afgeleid van toom, het geheele hoofdstel, en teugel alleen de riem of den band aanwijst. Betoomen is dus eigenlijk meer het geheele bestuur onder zijn macht brengen en dus meester van de leiding te worden; terwijl beteugelen meer slaat op de werking van terug houden of stuiten; wat beteugeld wordt, komt dus tot stilstand, wordt geheel en al te keer gegaan. Toch wordt dit verschil niet altijd in acht genomen. Het is goed zijn hartstochten te betoomen, d.w.z. onder zijn bestuur, in zijn macht te krijgen en ze dus in hun snellen loop tegen te gaan. Het is noodzakelijk zijn blinde driften te beteugelen, m.a.w. in te houden, te onderdrukken, zoodat zij niet meer werken.


Hij kon van aandoening zijn tranen niet —.

De dronkaard moet trachten zijn zucht naar sterken drank te —.

Bijna had ik uit verontwaardiging hem een grove beleediging naar het hoofd geslingerd, maar gelukkig wist ik mij zelf nog te —.

Door het aanplanten van jonge denneboomen tracht men de zandverstuivingen te —.

Hij wist door zijn krachtig optreden spoedig de brooddronkenheid der soldaten te —.

Gij moet uw sterke begeerte naar allerlei zinsgenot zooveel mogelijk —.

De marktprijs wordt — door vraag en aanbod.

156. Aanklagen—beschuldigen—betichten—aangeven—aanbrengen.

Kenbaar maken, dat iemand iets onbehoorlijks heeft verricht.

Beschuldigen wijst in het algemeen aan, dat men op iemand de schuld van iets legt, terwijl aanklagen bovendien uitdrukt, dat zulks geschiedt voor een macht, die de bevoegdheid bezit den schuldige te straffen. De aanklager neemt tevens de verplichting op zich, de aanklacht door bewijzen of getuigen te staven. Aanklagen verlangt dus een straf voor de misdaad, wat beschuldigen niet doet. Laat men het onderzoek en de opsporing der bewijzen aan de rechterlijke macht over, dan gebruikt men aangeven of aanbrengen. Aanbrengen onderstelt tevens, dat men uit wraak of uit zucht naar gewin een strafbare daad ter kennisse van de overheid brengt, terwijl aangeven die onedele drijfveer niet aanneemt. Wordt iemand valschelijk en met een boosaardig opzet een zware misdaad ten laste gelegd, dan gebruikt men betichten. Ook lette men er op, dat van beschuldigen, aanklagen en betichten het lijdend voorwerp een persoonsnaam is, terwijl aangeven en aanbrengen de misdaad tot lijdend voorwerp hebben.

Men beschuldigde den knecht algemeen, dat hij het huis in brand had gestoken; d.w.z. men gaf hem de schuld er van.

De boer klaagde den knecht aan, toen deze den brand had gesticht; d.w.z. de boer diende een aanklacht bij den rechter in, en had er bewijzen of getuigen voor.

De moord werd bij de justitie aangegeven; d.w.z. men stelde de justitie er van in kennis en liet aan haar het verdere onderzoek over.

De werkvrouw bracht alles van de dienstboden bij Mevrouw aan; d.w.z. om een plasdankje of wat ook te verdienen, verklapte zij alles. (In de kinderwereld „verklikken”.)

De hovelingen betichtten den schatmeester van diefstal; d.w.z. zij zochten hem uit wraakzucht ten val te brengen en klaagden hem valschelijk aan.


Oudtijds gold de regel, dat de — zijn eedhelpers moest meebrengen.

Tichelaar — Cornelis de Witt, dat deze den Prins naar het leven stond.

De dierenvriendin zag, hoe een koopman zijn hond mishandelde, en draalde niet, dit bij de politie —.

De minderheid in die vergadering — den voorzitter, dat hij opzettelijk van het reglement van orde afweek, ten einde de aanneming van zijn voorstel door te drijven.

De soldaat heeft zijn meerdere van machtsmisbruik —.

Het kan niet anders, of een zijner vijanden moet zijn misslag bij de autoriteiten hebben —.

Welk onderscheid is er tusschen: Zijn geweten beschuldigde hem, en: zijn geweten klaagde hem aan?

157. Gierig—vrekkig—karig—hebzuchtig—schraapzuchtig—inhalig.

Overdreven begeerig, om geld en goed te bezitten.

Hebzuchtig, schraapzuchtig en inhalig duiden aan, dat men zijn bezit wil vermeerderen, een „nemen”; vrekkig, gierig en karig geven te kennen, dat men zijn bezit zooveel mogelijk tracht te behouden, een „niet-missen.”

Hebzuchtig is hij, die alles zelf wil hebben ten koste van anderen, en wien het leed doet, dat hij niet alles heeft; inhalig wijst aan, dat men zooveel mogelijk naar zich toe tracht te halen. Hebzuchtig ziet meer op een eigenschap van het karakter; inhalig doelt meer op een daad, waaruit die hebzucht spreekt. Die daad op zich zelf is wel niet noodzakelijk onrechtvaardig, maar wordt toch zeker niet geprezen. De inhalige zal bijv. op ieder halfcentje zien, waar een ander dat zou schenken; hij laat zich een rekening van bijv. ƒ 15.255 ook met dat halfje betalen. Bij een erfenis zal hij dingen van geen of weinig waarde nog willen verkoopen, om zooveel mogelijk „binnen te halen”.

De schraapzuchtige is ook hebzuchtig; hij wil overal nog iets van afschrapen, wat een ander niet doen zou, doordat het de moeite niet loont. Hij verbiedt bijv. den armen drommel op zijn landgoed een paar takkenbossen te sprokkelen: hij verlangt er geld voor.

Karig, uitleg en vrekkig duiden aan, dat men zoomin mogelijk wil missen van zijn overvloed. Karig drukt dit het minst sterk uit; wie karig is, geeft weinig, en wat hij geeft, geeft hij slechts noode. Gierig en vrekkig zijn veel sterker en duiden bovendien aan, dat men door hebzucht gedreven wordt, wat karig niet onderstelt. Bij een gierigaard klopt een hulpbehoevende te vergeefs aan. Wordt de gierigheid zoover gedreven, dat men hard en onbillijk wordt tegenover anderen, ja—dat men ook zich zelf niet meer het noodige gunt, dan spreekt men van vrekkig.


Wie bij alles toont, zichzelf het eerst en het meest te willen bedenken, is —.

Wie bij een inzameling voor een watersnood van zijn schatten slechts weinig offert, is —; wie niets wil geven, is —; wie daarbij de inzamelaars nog onheusch bejegent en over dat „eeuwig gebedel” lamenteert, is —.

De rijkaard, die te midden zijner schatten vrijwillig half gebrek lijdt, is —.

Wie de appels, die van zijn boom in buurmans tuin vallen, nog laat oprapen, is —.

De boer, die zijn armen daglooner nog een kan karnemelk laat betalen, is —; als hij den knecht wegens ziekte een halven dag loon kort, is hij —.

De natuur heeft dit land — bedeeld. (De natuur wilde zoo min mogelijk van haar overvloed voor dit land missen.)

158. Afkeer—afgrijzen—afschrik—afschuw—walg—tegenzin—weerzin.

De onaangename gewaarwording, teweeggebracht door iets dat ons mishaagt.

Tegenzin gebruiken we, als iets ons niet aanstaat, of wanneer het betrekking heeft op een handeling, die wij tegen onzen zin verrichten. Van personen wordt het woord zelden gebezigd.—Maakt iemand een ongunstigen indruk op ons, al is 't ook zonder dat we daarvoor een bepaalde reden weten op te geven, zoodat we hem liefst vermijden, dan hebben wij een weerzin tegen hem.—Is dat gevoel sterker, zoodat het ons noopt ons van iemand of iets af te keeren en wij er dus niet mee te doen willen hebben, dan spreekt men van afkeer; weerzin en afkeer nopen alleen tot ontwijken en zetten niet aan tot daden. Passen wij beide begrippen toe op spijzen en dranken, dan komt walging met afkeer overeen en duidt het gevoel aan, dat ons onpasselijk zou maken; in figuurlijken zin gebruikt men daarvoor walg.—Wordt de afkeer bij ons opgewekt door een persoon, die een hoogst ongunstig voorkomen heeft,—door een voorwerp, dat ons door zijn leelijke gedaante vrees inboezemt,—of door een handeling, waartegen ons gevoel in opstand komt, dan spreken wij van afschrik.—Het onweerstaanbaar gevoel, dat ons overmant, wanneer wij bij het hooren of zien van iets door angst en huivering worden aangegrepen en waarvan we reeds gruwen, als wij er aan denken, noemen wij afschuw. Is het gevoel van huivering of ontzetting, waarmee de afschuw gepaard gaat, zeer sterk, dan spreekt men van afgrijzen.


Slechts met — heb ik uw opdracht vervuld.

Deze man met zijn vleiende stem wekt altijd mijn — op, zoodat ik liefst niet met hem te doen heb.

Ieder weldenkend mensch heeft een — van den verrader.

Met — vernam men den verschrikkelijken moord in koelen bloede gepleegd.

Ik heb altijd een — van mosselen en paddestoelen gehad.

De meeste vrouwen hebben een — voor spinnen en padden.

Van onzindelijkheid heeft ieder een —.

De landlooper boezemde ons zulk een — in, dat wij terstond op onze schreden terugkeerden.

Heb een — voor het liegen en een — voor de zonde.

Men kon zien, dat hij tegen dien man een — gevoelde, zoodat hij hem met blijkbaren — ontving.

De onmenschelijke wreedheden, door den vijand in dien oorlog gepleegd, las ieder met —, ja met —.

Gebruik nu in zinnen: afkeerig, walgelijk, afschuwelijk, afgrijselijk.

159. Arglistig—listig—bedriegelijk—loos—slim—sluw.

Geneigd of geschikt, om op behendige wijze een ander te misleiden.

Bedriegelijk drukt dit begrip het algemeenst uit; het zegt, dat de persoon of zaak iemand bedriegen wil, maar laat in 't midden, op welke wijze dit geschiedt.—Listig was vroeger schrander en had toen steeds een gunstige beteekenis; ook nu nog kan het een onschuldige, maar schrander bedachte handeling aanduiden; de listige tracht partij te trekken van zijn kennis en ervaring om zijn doel te bereiken, 't zij om zich uit moeilijkheden te redden, 't zij langs slinksche wegen te verkrijgen, wat hij langs den gewonen weg niet zou hebben bereikt. Toch heeft het woord altijd het bijdenkbeeld van onoprecht. Hij redde zich op een listige wijze uit het gevaar.—Is het zijn bedoeling om iemand in het ongeluk te storten en handelt hij dus met een boosaardig doel, dan spreekt men van arglistig (arg = erg, boos).—Loos is hij, die door een zekere behendigheid onder bepaalde omstandigheden iets weet te verkrijgen; die behendigheid is vooral het gevolg van veel ondervinding en niet zoozeer van scherpzinnigheid; de loosheid openbaart zich door het aanwenden van kleine middelen, die een weldenkende meestal beneden zich acht. De vos, die de kaas van de raaf wil hebben en den vogel niet bereiken kan, gaat het dier vleien; zijn ondervinding zegt hem, dat men door vleierij veel kan verkrijgen, maar ...... een weldenkende wil van zulk een middel geen gebruik maken.—De slimme gaat met overleg te werk, daar hij aan loosheid ook scherpzinnigheid paart; hij ontwerpt een weldoordacht plan, waarbij hij maatregelen neemt om allen tegenstand zooveel mogelijk te ontgaan. Bepaald oneerlijke handelingen behoeft hij niet te verrichten, ja men moet hem soms bewonderen om de scherpzinnigheid, die hij aan den dag legt.—Sluw is degene, die zijn bedoelingen en de aangewende middelen behendig weet te verbergen, zoodat de benadeelde volstrekt niet vermoedt, dat hij bedrogen wordt. Aan zijn slimheid paart dus de sluwe nog een meesterschap in het veinzen of in het verbergen van zijn plannen. Sluw is dus nog sterker dan slim, maar heeft een ongunstige bijbeteekenis.


In onderstaande zinnen kan meestal meer dan één woord worden ingevuld. Geef in dat geval telkens de veranderde beteekenis op.

Op een — wijze heeft hij het gezelschap een tijd langer bij zich gehouden, dan het wilde; hij had nl. de klok bijna drie kwartier teruggezet.

Hij wist de stem van mijn buurman — na te bootsen; ieder verkeerde dan ook in den waan, dat buurman ons riep.

De valschaard was — genoeg, om niet te rusten, vóór hij mij in het ongeluk gestort had.

Het was werkelijk een — zet van onzen vriend, dien wij allen moesten bewonderen.

De domme jongen bleek toch nog — genoeg, om van den vreemdeling, wien hij den weg had gewezen, een goede fooi los te krijgen.

Hij wist zich op — wijze het vertrouwen der oude dame te winnen, om haar later des te gemakkelijker te kunnen oplichten.

Aan de — staatsmanskunst van Jan de Witt was het te danken, dat Lodewijk XIV in zijn heerschzuchtige plannen gedwarsboomd werd.

160. Kracht—macht—sterkte—vermogen.

Het bezit van de voorwaarden, om een werking te verrichten.

Vermogen duidt eenvoudig aan, dat men in staat is de werking te verrichten, zonder daarom nog tot de uitvoering over te gaan. De mensch bezit het vermogen om te denken. Soms beteekent het ook invloed: zij heeft veel vermogen op haar man.

Kracht is de oorzaak, die een werking teweeg brengt of wijzigt: de zwaartekracht, de spankracht, de kracht van den storm. Zijn lichaamskracht is verbazend groot.

Sterkte is het vermogen om aan een kracht weerstand te bieden. De sterkte van den dijk heeft de kracht der golven weerstaan. De sterkte van onze landsverdediging (d.i. dus het vermogen om aan de kracht van den vijand weerstand te bieden) ligt grootendeels in onzen weeken bodem in verband met de onderwaterzettingen.—Zijn sterk gestel weerstond den invloed van het ongezonde klimaat. Men wenscht iemand bij een ziekte sterkte toe, om het verloop der ziekte te weerstaan; men hoopt, dat de herstellende weer spoedig zijn krachten zal herwinnen, n.l. om zijn dagelijksch werk te kunnen verrichten.

Macht is het vermogen, om invloed uit te oefenen, vooral—hoewel niet uitsluitend—door zijn maatschappelijke positie. De macht des konings is niet onbeperkt. De macht van het woord is vaak grooter, dan men denkt. Soms beteekent macht (van mogen) lichamelijk vermogen: uit alle macht schreeuwen.

Vergelijk nu: sterk, krachtig en machtig. Wat beteekent vermogend?


Hij was niet — genoeg en bezweek voor de verleiding.

De raadspensionaris Schimmelpenninck bezat een koninklijke —.

Door den schrik verloor hij zijn spraak—.

De — der gewoonte is vaak een tweede natuur geworden.

Zelfs — muren kunnen de — van het geschut niet weerstaan.

Hij liep uit alle —, om zich nog te redden.

Hij bezit het benijdenswaardig —, iedereen voor zich in te nemen.

Deze — spijs zal den zieke goed doen.

Het fort was niet — genoeg, om den vijand af te wachten en werd daarom ontruimd.

De — van ons voorbeeld moet men niet onderschatten.

Het zijn — beenen, die de weelde kunnen dragen.

Ik zal naar mijn beste — aan uw opdracht voldoen.

De benoeming voor deze vacature staat niet aan mij; ik heb het dus niet in mijn — u aan te stellen.

De benoeming is reeds geschied; tot mijn leedwezen staat het dus niet in mijn — u nog aan te stellen.

161. Bekomen—krijgen—ontvangen—behalen—verwerven.

Bezitter van iets worden.

Bekomen, behalen en verwerven wijzen aan, dat men moeite doet, om in het bezit te geraken. Behalen geeft dit in sterker mate aan dan bekomen, terwijl verwerven nog grooter moeite (soms ook grooter eer) onderstelt dan behalen. Waar zijn deze waren te bekomen? Hij heeft daarmee veel roem behaald. Hij heeft eindelijk een voordeelige positie verworven. In de uitdrukking straf bekomen, onderstelt men dus, dat de schuldige alles deed, waardoor hij die straf heeft gekregen, al was natuurlijk die straf niet het doel van zijn handelen.

Krijgen en ontvangen geven te kennen, dat men ook zonder zijn toedoen of inspanning in het bezit van iets komt. De boomen krijgen bladeren; hij ontving een berisping. Ontvangen onderstelt, dat hetgeen men ontvangt, door iemand gegeven is en door ons (actief) wordt aangenomen: Ik heb het geld ontvangen. Bij krijgen daarentegen behoeft men niet altijd aan geven te denken, men kan hierbij ook meer passief zijn. Hij heeft de koorts gekregen.

Uit de vergelijking der vier woorden volgt, dat krijgen het aangeduide begrip (bezitter van iets worden) op de meest algemeene wijze (d.i. zonder eenige nadere bepaling) aanduidt; het komt dan ook het meest in de dagelijksche spreektaal voor.


De knecht heeft zijn loon —.

Frederik Hendrik heeft met de inneming van Den Bosch veel roem —.

Hij mocht de gunst des konings —.

Wat heeft hij voor zijn moeite —?

Uw brief heb ik in goede orde —.

In plaats van een goede belooning heeft hij straf —.

Dit werk is in alle boekwinkels te —.

Door vlijt en inspanning heeft hij zich een aanzienlijk vermogen —.

Wanneer zal ik het boek —, dat je me al zoo lang beloofd hebt?

162. Barmhartig—deelnemend—mededoogend—medelijdend.

Gevoel hebbende voor het leed van anderen.

Barmhartig is het edelst. Het wijst niet alleen aan, dat men met het lijden van anderen begaan is, maar dat men ook bereid is, dat leed te verzachten.

Deelnemend is men, wanneer men deel neemt in het leed van anderen, d. w. z. het leed gedeeltelijk ook tot het onze maakt; wij gevoelen dus hetzelfde verdriet. (Soms beteekent het ook: deelnemen in het geluk van anderen.)

Medelijdend is men, wanneer wij het leed van anderen mede-lijden, meegevoelen, zoodat wij begaan zijn met hun ongelukkig lot en wij hen dus beklagen willen. Dit gevoel behoeft ons evenwel niet te brengen tot het verleenen van hulp, gelijk de barmhartige doet.

Mededoogend is hetzelfde als medelijdend (doogen = lijden), maar wordt alleen in deftigen stijl gebruikt.


Gij kent zeker wel de schoone gelijkenis van den — Samaritaan.

Gij kunt u verzekerd houden, dat ik hartelijk — in het verlies, dat u getroffen heeft.

„Sla, o God vol —! Sla Uw oogen Nu genadig op ons neer.” (Gez. 94.)

Op — toon vraagde hij het arme kind, waarom het schreide; toen hij hoorde, dat de ongelukkige knaap geen vader of moeder meer had, was hij — genoeg, hem tot zich te nemen.

Met — belangstelling vraagde hij, hoe de zieke het maakte.

God is een — Vader.

163. Beven—trillen—sidderen—rillen—bibberen.

In een snel golvende beweging zijn.

Trillen is de zwakste aanwijzing voor dit begrip: de snaar trilt.

Beven is sterker en bij levenlooze voorwerpen zelfs de hoogste graad van golvende beweging. Zijn hand beefde van aandoening.—De aarde beeft.

Sidderen wordt alleen van levende wezens gezegd en is sterker dan beven; het wijst vooral op een hevige innerlijke aandoening. Hij sidderde van angst.

Rillen is een trillen, veroorzaakt door verlaging der lichaams-temperatuur: hij rilde van kou; het wordt dus alleen van levende wezens gezegd, evenals bibberen, dat een aanhoudend rillen aanduidt en daarom sterker is: Hij bibberde van de kou. Het behoort meer tot de gewone spreektaal.

Waarom kan men wel zeggen: zijn stem trilde of beefde, en niet: zijn stem sidderde, rilde of bibberde?


Het riet — in de avondkoelte.

Bij dat gezicht — wij van ontzetting.

De arme bedelaarster — van koude.

Het is in deze kamer kil; ik begin te —.

Zijn hart —, toen hij den dief zag naderen.

Ik — als een blad op den boom.

Door de sterke — der lucht dreunden de ramen.

Hij — van vrees, toen hij den vijand tegemoet moest treden.

Van zulk een verhaal zou men — en —.

164. Zien—kijken—staren—gluren—turen.

Door middel van het gezicht iets waarnemen.

Zien laat in het midden, of dit met opzet of meer toevallig geschiedt. Men ziet daar soms meer, dan ons lief is (toevallig).—Hij ziet verlangend mijn komst tegemoet (met opzet). Het duidt soms ook het bloote vermogen aan, dat men door 't gezichtszintuig iets kan waarnemen: Deze man kan niet meer zien.

Kijken onderstelt meer opzettelijk het oog op iets richten: Kijk eens, of hij er aankomt.—Hij kijkt naar de sterren.

Staren (star = stijf) beteekent met strakke, groote oogen naar iets zien, meestal zonder doel en onwillekeurig, soms ook van verbazing, schrik, enz. Hij staarde mij verwonderd aan.

Turen is met inspanning van 't gezicht naar iets kijken (dus met opzet!), 't zij uit nieuwsgierigheid, 't zij om nauwkeurig waar te nemen. Hij tuurt met zijn kijker naar het stipje in de verte.

Gluren beteekent hetzelfde als turen, maar met de bijgedachte, dat dit in het geheim geschiedt. Hij gluurde door een kiertje van de deur, om te weten, wie er binnen was.


Wat — gij voor bijzonders aan deze schilderij?

Sommigen meenen, dat de mol niet — kan; maar dat is een dwaling.

Waarom — gij mij zoo aanhoudend aan?

De visschersvrouw zat op het duin en — peinzend over de groote watervlakte.

De visschersvrouw klom op het duin en — naar het puntje aan den horizon, of dat soms het schip van haar man was.

De jongen was zóó nieuwsgierig, dat hij door het sleutelgat —.

Mijnheer B. zal toch niet overleden zijn, daar ik hem in langen tijd niet — heb.

Als gij goed uit uw oogen —, zult gij de fout in uw opstel wel —.

Van ontzetting — zij wezenloos voor zich uit.

De matroos zat in het topje van den mast te —, of hij het land al — kon.

Ik — wel, dat gij door uw vingers zit te —.

Als gij lang op hetzelfde punt —, begint het te wemelen.

Gij moet eens in de courant —, of de dichter nog leeft. (Opzettelijk.)

Daar — ik in de courant, dat de dichter gestorven is. (Toevallig.)

165. Aangenaam—liefelijk—behaaglijk—bekoorlijk—bevallig.

Wat ons met zeker welgevallen vervult.

Aangenaam drukt dit zonder meer uit; het kan zoowel van gewaarwordingen als van personen of zaken gezegd worden. Een aangenaam gevoel.—Een aangenaam mensch. Een aangename lectuur.

Liefelijk geeft een edeler, fijner gevoel aan, inzonderheid van het gezicht en gehoor. Een liefelijk geluid.—„Die in een liefelijke streek Bij 't ruischen van een klare beek Zijn landhuis sticht en akkerwoning, Wat is dat een gezegend koning.” (Vondel.)

Behaaglijk ziet alleen op innerlijke aandoening en wordt dus nooit op iets buiten ons toegepast. Een behaaglijk gevoel van zelfvoldoening.

Bekoorlijk stelt vooral op den voorgrond, dat iets onze begeerte opwekt of onze zinnen streelt. Een bekoorlijk landschap.

Bevallig, van personen gezegd, wordt gebruikt, om aan te duiden, dat hun houding of manieren ons gezicht aangenaam aandoen. Een bevallige buiging. Van zaken gezegd (vooral voor wat men in de natuur opmerkt, of van vormen) duidt het aan, dat ons gezicht aangenaam wordt aangedaan, doch niet zoo innig als liefelijk onderstelt. Haarlem's bevallige omstreken. Bevallige lijnen.


Het was mij zeer —, dat gij mij hebt uitgenoodigd.

Gij hebt hier in den tuin een — plekje uitgezocht.

Wat heeft dit — meisje een — stem.

Door haar — manieren weet zij spoedig iedereen voor zich in te nemen.

De nachtegaal is de — van onze zangvogels.

Zij had zich in een — rust op het zachte mos neergevlijd.

Dat is een — man in den omgang.

In een — houding bood het bloemenmeisje de Koningin een bloemtuil aan. H. M. was over deze — verschijning blijkbaar getroffen.

In een — dal stroomde met — gekabbel een helder beekje.

Ik heb u een — tijding mee te deelen.

Met — wendingen zweefde de danseres op de tonen der muziek door de zaal.

De rozen verspreiden een — geur.

In — zwier reed zij over het ijs.

166. Angst—bangheid—vrees—schroom—schrik.

Het onaangename gevoel van beklemdheid, door een naderend gevaar opgewekt.

Schroom is het zwakst; het geeft vooral te kennen, dat men tegen iets opziet: door een moedig besluit is de schroom gemakkelijk te overwinnen. Het woord is meer tot den deftigen stijl beperkt. Met schroom naderde hij den vorst.

Angst duidt vooral het beklemmend gevoel aan, dat ons overmeestert; het kan zoowel door iets buiten ons, als door eigen voorstellingen of gedachten verwekt worden. Plotseling overviel hem midden in het bosch een hevige angst, daar hij den weg niet meer wist. (Oorzaak buiten hem!)—Toen hij aan roovers dacht, overviel hem plotseling een hevige angst. (Oorzaak in hem!)

Bangheid is zwakker dan angst; het heeft soms iets min of meer belachelijks. Toen de vrouw alleen in huis was, sloot zij uit bangheid alle deuren en ramen.

Vrees wordt steeds door iets buiten ons opgewekt en heeft dus altijd op een ander voorwerp of gebeurtenis betrekking, die steeds genoemd worden. Terwijl angst (dat bovendien sterker aandoening dan vrees aanwijst) vooral ziet op den toestand van 't gemoed, wijst vrees meer aan, dat men het naderend gevaar niet durft afwachten of iemands macht niet durft trotseeren, zoodat in den regel de vrees tot een of andere handeling voert. De vrees voor spoken heeft tot menige dwaasheid aanleiding gegeven. De vrees voor het uitbreken der cholera deed menigeen verhuizen. Vrees den Heer (leef dus naar Zijn wetten, om Zijn toorn te ontgaan).

Schrik is de hevige ontroering, die iemand plotseling overvalt bij het onverwacht gewaar worden van iets, dat vrees of angst verwekt. Op het onverwachte gezicht van den leeuw werd hij zóó door schrik bevangen, dat hij zijn tegenwoordigheid van geest verloor. Soms wordt het gebruikt van iemand, die schrik verwekt: Hij is een echte kinderschrik.


In radelooze — liep de achtergelaten schepeling langs den oever heen en weer.

Met — zag hij, dat de bliksem in zijn woning was geslagen.

Hij neemt altijd met eenige — het woord in deze vergadering.

Alva verspreidde door zijn streng optreden alom — in den lande.

Het scheen, of de —, die hem aangreep, zijn krachten verdubbelde.

De — voor straf hield hem van de misdaad terug.

Ik moet altijd lachen over de — van dezen jongen.

Door een hevigen — bevangen, stond hij als aan den grond genageld.

De —, dat men hem zijn geld zou ontstelen, liet den vrek geen oogenblik met rust.

De Ruyter had den bijnaam van „de — van 's vijands vloten”.

Naarmate het kind langer uitbleef, klom de — der ouders.

Door zulk een strafoefening sloeg den opstandelingen de — om het hart.

167. Beducht—bevreesd—bekommerd—bezorgd—beangst.

Door een gevoel van vrees of angst beklemd.

Bevreesd duidt aan, dat iemand vrees koestert. (Zie no. 166.) Hij was bevreesd, zijn geld te verliezen.

Beangst is sterker. (Zie no. 166.) De ouders waren beangst, dat zij kun kind zouden verliezen.

Beducht wijst er op, dat men over den afloop of den uitslag bevreesd is; het behoort hoofdzakelijk tot den deftigen stijl. Gij behoeft voor zijn lot niet beducht te zijn.

Bezorgd is men, als men zorg, onrust over iets heeft. Ik ben bezorgd over het behoud van zijn leven.

Bekommerd is veel sterker; het wijst op groote en drukkende onrust of verdriet. De vader zat bekommerd neer bij het ziekbed van zijn kind.


Als er in de volgende zinnen meer woorden ingevuld kunnen worden, geef dan telkens de schakeering in de beteekenis op.

De moeder was zeer —, dat haar zoon iets zou ontbreken.

Met een — gelaat zag de ongelukkige ons aan.

Hij maakte zich bij het geritsel in de takken zoo —, dat het zweet hem uitbrak.

Niet ten onrechte maakte de vorst zich — over den toenemenden opstand. Hij was —, dat hij dien niet zou kunnen onderdrukken.

De veldheer was slechts een oogenblik — den vijand te ontmoeten; spoedig vermande hij zich en gaf bevel tot den aanval.

Met een — hart wachtten de ouders tevergeefs op de terugkomst van hun zoon.

De dokter is — over de wending, die de ziekte neemt.

Gij behoeft niet — te zijn, dat hij u zal verraden; hij is in alle opzichten te vertrouwen.

Toen de onweersbui boven hem losbrak, werd hij zeer —.

Met een — gemoed was hij gekomen; met een verlicht hart verliet hij ons weer.

168. Bewaren—behoeden—beschermen—beschutten—beveiligen.

Zorgen, dat geen kwaad iemand of iets kan deren.

De beide eerste woorden worden alleen gebruikt, om aan te wijzen, dat er gevaar dreigen kan, de overige drie onderstellen, dat er werkelijk gevaar dreigt.

Bewaren is zorgen, dat iets in ongeschonden staat blijft, dat dus geen schadelijke invloeden op iets kunnen werken, m. a. w. dat het gevaar verre blijft. Bewaar dit boek goed.—Moogt gij voor zulk een ramp bewaard blijven! d. w. z. moge zulk een ramp verre van u blijven.

Behoeden onderstelt ook wel hetzelfde als bewaren, maar voegt er tevens bij, dat men op zijn hoede is, dus dat men voortdurend het ons toevertrouwde in het oog houdt; dientengevolge is het sterker dan bewaren. God behoede u op uw verren tocht!

Beschermen en beschutten duiden beiden aan, dat er een middel gebruikt wordt, nl. een scherm en een schut, om het gevaar te keeren. Een scherm houdt de uitwerking van iets tegen (vuurscherm), een schut moet meer den aanvaller afweren. De Alpen beschutten de Povlakte tegen de noordenwinden.—De duinen beschermen ons land tegen de zee (nl. haar overstrooming). Het gebruik wil echter, dat beschutten meer op schadelijke invloeden en beschermen meer op gevaren ziet: Gij moet u tegen den kouden wind beschutten.—Ik zal u tegen dit gevaar beschermen.

Beveiligen wijst aan, dat iets in veiligheid komt of blijft, terwijl beschermen en beschutten nog altijd eenig gevaar onderstellen. In zijn afzondering was hij volkomen beveiligd tegen zijn vijanden.—Het is dus sterker dan beschermen of beschutten.


Het was de moederliefde, die u in uw jeugd tegen velerlei gevaren heeft —.

Door de goede zorgen van den archivaris werden deze perkamenten oorkonden voor ondergang —.

Op het stadhuis waren eertijds de oorkonden in ijzeren kisten vrij goed —.

De bliksemafleider heeft den toren opnieuw —.

Het is guur weer; gij moogt u wel wat tegen den noordenwind —.

In de haven waren wij eindelijk — tegen de aanvallen der roovers.

Wien God —, is wel —.

Een sterk geleide moest den koenen ontdekkingsreiziger in de binnenlanden tegen de wilde stammen —.

Door de uitvinding van het buskruit waren de ridders niet langer op hun sterke kasteelen tegen de aanvallen der poorters —.

De voortdurende waakzaamheid der poortwachters heeft de stad voor haar ondergang —.

De duinen worden thans met helm beplant, om ze tegen verstuiving te —.

De koning wist het land voor een omwenteling te —.

Onder het dichte loover waren wij tegen de brandende zonnestralen uitstekend —.

169. Beletten—verhinderen—tegenhouden of weerhouden—afhouden—terughouden.

Veroorzaken, dat iemand een of andere handeling niet kan verrichten.

Afhouden zegt, dat men iemand ergens vandaan houdt, zoodat hij niet met zijn daad kan beginnen. Wij hebben hem van dit dwaze plan afgehouden.

Terughouden wijst er op, dat hij wel reeds bijna aan de behandeling begonnen is, maar dat hij door onze tusschenkomst niet verder kan komen. Slechts met groote moeite slaagde ik er in, hem nog ter elfder ure van die dwaze onderneming terug te houden.

Tegenhouden ziet er op, dat men iemand hindernissen in den weg legt (bij afhouden en terughouden gebruikt men meer dwang of overreding), evenals verhinderen (van hinder), zoodat men hem tracht te noodzaken van zijn plan af te zien; tegenhouden wordt van den persoon zelf gezegd, terwijl verhinderen meer slaat op de daad, die men wil voorkomen. Hij liet zich door al de bezwaren, die hem in den weg gelegd werden, niet tegenhouden, zijn plan te volvoeren.—De veldheer wist te verhinderen, dat de vijand hem in den rug aanviel.

Terwijl tegenhouden en verhinderen onderstellen, dat iemand reeds pogingen gedaan heeft om iets te bereiken, maar in de verdere voortzetting wordt gestuit, wijst beletten er op, dat hem zelfs die poging onmogelijk gemaakt is; het woord is dus sterker dan de eerste twee. De veldheer wist te beletten, dat de vijand hem in den rug aanviel.


Na lang praten gelukte het ons, hem van zijn voornemen, om naar Amerika te vertrekken, —.

Ga gerust uw gang, niets — u, die reis naar Indië te doen.

Te Marseille gekomen werd hij —, zijn reis naar Indië voort te zetten.

Doordat de onzen tijdig waren gewaarschuwd, werd de vijand — de stad te verrassen.

Door het dappere gedrag van den Kroonprins bij Quatre-Bras werd het Fransche leger een dag in zijn opmarsch —.

Door hem nog tijdig gevangen te nemen, heeft de politie hem — te ontvluchten.

Door de ingevallen koude werd hij — nog tijdig de vergadering te bereiken.

Zijn verkoudheid — hem niet uit te gaan.

Men moet den dronkaard van den ondergang, dien hij tegemoet gaat, —.

Wij hebben hem gelukkig nog bijtijds —, dat hij er met ons geld van doorging.

De voorzitter wilde het voorstel liever niet in stemming brengen, maar hij was door de oppositie niet in staat de stemming —.

170. Bestendig—duurzaam—onveranderlijk—standvastig—langdurig.

Deze woorden geven te kennen, dat iets blijft bestaan, zooals het is.

Bestendig is alles, wat uit zijn aard niet verandert: bestendig weder (d.w.z. het blijft onafgebroken, zooals het is).

Duurzaam is alles, wat uit zijn aard niet ophoudt: een duurzame vrede. (Bestendig ziet dus op het innerlijk vermogen om niet te veranderen, duurzaam wijst op de innerlijke eigenschap, dat iets niet ophouden, geen einde nemen zal.)

Onveranderlijk drukt uit, dat iets door invloeden van buiten niet veranderd kan worden: Gods besluiten zijn onveranderlijk (d.w.z. geen invloed buiten God kan er verandering in brengen).

Standvastig ziet uitsluitend op personen en duidt aan, dat iemand blijft standhouden niettegenstaande allerlei tegenwerking. Het wordt steeds in gunstigen zin gebruikt in tegenstelling met halsstarrig. Hoewel men den gezant met allerlei schoone beloften zocht tevreden te stellen, ja zelfs met straf dreigde, bleef hij standvastig aandringen op het voldoen aan zijn eisch.

Langdurig wijst aan, dat iets door invloeden van buiten lang duurt (dus meer toevallig) in tegenstelling met duurzaam, dat op een innerlijk vermogen wijst. Een langdurige oorlog. De onderlinge naijver tusschen de beide volken scheen geen duurzamen vrede te voorspellen. Eikenhout is duurzaam.—(Waarom niet: langdurig?)


„Ach, wij vinden, waar wij staren, niet — hier beneên.”

„Gij hebt Uw troon op — recht gebouwd.”

Na een — onderzoek kwam men eindelijk den dader op het spoor.

Hoezeer men hem zocht te verleiden, zijn partij afvallig te worden, was hij toch — genoeg, zijn eenmaal gegeven woord getrouw te blijven.

Wat ook om ons heen moge wankelen, God alleen is —.

Door zijn — verblijf in den vreemde heeft hij veel ervaring opgedaan.

Men heeft den dichter een standbeeld in — brons opgericht.

Hij viel in een — ziekte, die zijn krachten sloopte.

Willem van Oranje's zinspreuk was: „— te midden der woelige golven.” (Is hier het bedoelde woord letterlijk of figuurlijk gebruikt?)

„Niet steeds is de liefde — van duur, hoe snel zij den boezem deed jagen.” (Tollens.)

171. Buit—prijs—prooi—roof—vangst.

Hetgeen men met geweld in zijn bezit brengt.

Is dit geweld onrechtvaardig, dan spreekt men van roof: kerkroof, zeeroof.—Is het geweld door het oorlogsrecht (tusschen twee partijen) gewettigd, dan spreekt men van buit: Met grooten buit beladen keerden de soldaten naar huis.Vangst zegt men van hetgeen de jacht of de visscherij oplevert; daar men het vangen (d.i. grijpen) moet, heeft het woord alleen betrekking op levende wezens. Oudtijds, toen de gevangenen nog als slaven werden verkocht, konden zij onder den buit gerekend worden; thans moet men zeggen: De slavenhalers hebben een goede vangst gehad.

Prooi noemt men de vangst, waarmee de verscheurende dieren zich voeden; in figuurlijke beteekenis kent men een prooi toe aan de hevige hartstochten of aan de geweldige werkingen der natuur, die men met verscheurende dieren gelijkstelt. Het huis is een prooi der vlammen geworden.

Prijs (van 't Fransche prise, d.i. de daad van het nemen) wordt hoofdzakelijk in oorlogstijd gezegd van goederen, die de vijand in zijn bezit krijgt, door ze meer zich toe te eigenen dan te veroveren; bijv. de lading van koopvaardijschepen, die zich niet verdedigen kunnen, wordt door den vijand prijs gemaakt. Men zegt dan meestal: prijs verklaard of voor goede prijs (v.) verklaard, dit laatste om het goed recht als oorlogsbuit des te beter te doen uitkomen. (Het woord verklaard wijst dan aan, dat er geen gevecht behoefde geleverd te worden!)


Oudtijds kregen de soldaten een vast soldij benevens een aandeel in den —.

Daar stond de lichtzinnige jongeling, thans ten — aan hevig zelfverwijt.

De dieven brachten hun — zoo spoedig mogelijk in veiligheid.

Een groot getal koopvaardijschepen werd door den vijand — verklaard.

De koopvaardijvloot werd door eenige oorlogsbodems verdedigd, maar ten laatste grootendeels door den vijand — gemaakt.

De visscher heeft een slechte — gehad.

De politie heeft deze week een goede — gedaan; zij legde de hand op „Rooie Kees”, die wegens — en doodslag terecht moest staan, maar nergens te vinden was. (Verklaar het figuurlijke der beteekenis van 't eerste woord!)

Zes schipbreukelingen werden een — der woedende golven.

172. Bedenkelijk—zorgelijk—hachelijk—gevaarlijk.

Deze woorden geven te kennen, dat een toestand of omstandigheid gevaar oplevert.

Gevaarlijk zegt dit zonder eenige nadere aanwijzing. Hij lijdt aan een gevaarlijke ziekte.

Bedenkelijk drukt alleen uit, dat de toestand ons tot nadenken, tot ongerustheid stemt, hoewel een gunstige afloop nog niet uitgesloten is. De toestand van den zieke is wel bedenkelijk, maar de geneesheer geeft nog alle hoop.

Zorgelijk geeft te kennen, dat het gevaar groot is; het maakt ons bezorgd (bevreesd), dat de afloop ongunstig zal zijn. De zieke heeft reeds verscheidene dagen lang hevige koorts, zoodat zijn toestand zorgelijk is.

Hachelijk zegt, dat de kans op een ongunstigen afloop grooter is dan die op een gunstigen uitslag. (Men zegt ook vaak kritiek.) Toen de Republiek in 1672 door vier mogendheden te gelijk werd aangevallen, was de toestand zeer hachelijk.


In den Franschen tijd was het hoogst —, afkeurend over Napoleon te spreken.

De toestand van den zieke is —: men heeft reeds de bloedverwanten ontboden.

Het is een — verschijnsel, dat de weelde ook in de lagere standen zeer toeneemt.

Toen de onzen reeds voor den vijand begonnen te wijken, verloor de veldheer in dit — oogenblik zijn bezinning niet; kort en krachtig sprak hij zijn manschappen toe en wist ze met nieuwen moed te bezielen. Een schitterende overwinning bekroonde hun moed.

Het kan — zijn, vruchten, die men niet kent, te eten.

Het was een — waagstuk, met een klein bootje het Kanaal over te steken.

Hoewel de man — ziek ligt, geloof ik toch, dat zijn toestand niet zoo — is, als gij meent.

173. Dapper—moedig—stout—onbevreesd—onverschrokken—onversaagd.

Geen gevaar ontziende.

Moedig geeft te kennen, dat men overtuigd is van eigen kracht, om het gevaar te overwinnen. Een moedig gemzenjager klimt langs afgronden, om zijn doel te bereiken.

Dapper is hij, die vooral in den strijd onversaagd is en stand houdt, waar anderen liever wijken. Het kleine, maar dappere leger versloeg den veel sterkeren vijand.

Stout (of stoutmoedig) is hij, die het gevaar minacht, hetzij uit onbekendheid, hetzij om een andere reden: hij onderneemt daden, die ons vaak gewaagd of onuitvoerbaar toeschijnen. Een onervaren soldaat, die overigens misschien minder moedig is dan zijn oudere krijgsmakkers, zal soms lichter dan zij zich tot een stoute onderneming laten verleiden. Het was een stoute daad van Jan Haring op Bossu's schip over te springen en de vlag naar beneden te halen.

Onbevreesd is hij, die geen vrees kent, zoodat hij zich niet laat afschrikken, om zich moedig te gedragen. Onbevreesd wachtte hij den vijand af.

Onverschrokken is hij, die zich door niets laat verschrikken, maar zelfs het gevaarlijkste durft wagen. Kapitein 't Hoen was een onverschrokken vrijbuiter, die meermalen dwars door den vijand heen levensmiddelen binnen Haarlem bracht. (Hij was misschien wel niet altijd onbevreesd, maar hij liet zich door die vrees niet terugschrikken.)

Onversaagd is hij, die niet aarzelt, als het gevaar moet getrotseerd worden, en volhardt, als er tegenspoed komt. Onversaagd viel de onverschrokken held den vijand aan, toen deze een uitval waagde.


Bij die schipbreuk wierp zich de strandvoogd — in de woedende golven en zwom naar het schip. (Dezen zin kan men met vier woorden invullen; doe het en geef telkens de veranderde beteekenis op.)

De vader, wiens kind door den arend was geroofd, klom — den roover na. (Men wil aanduiden, dat de vader niet aarzelde en zich door niets liet tegenhouden, totdat hij het nest bereikt had.)

Bij het gezicht van den vijand zag men den bevelhebber slechts even verbleeken; toen viel hij — het vijandelijke leger aan. (Onbevreesd was hij dus zeker niet.)

Na een — gevecht van een paar uren sloeg men den vijand op de vlucht.

Hoewel hij wist, dat het zijn meerdere onaangenaam zou zijn, heeft hij dezen toch — de waarheid gezegd.

Onze geschiedenis is rijk aan — mannen, die zich in menig gevecht — hebben gedragen; sommige zelfs hebben hun naam door een — daad vereeuwigd.

De jager naderde — het hol van den leeuw. (Welke woorden kunt gij invullen? Geef daarvan rekenschap.)