Cleōnae, Κλεωναί, stad in Argolis; ten W. lag Nemea; vandaar Cleonaeus leo dichterlijk = nemeïsche leeuw. Ook eene stad aan den berg Athos op Chalcidice, met een gemengde bevolking.
Cleonymus, Κλεώνυμος, 1) Athener, die om zijne lafheid dikwijls door Aristophanes bespot wordt.—2) zoon van Cleomenes II, werd bij den dood van zijn vader (310) wegens zijne vijandschap met den anderen koning Areus van de regeering uitgesloten en aan het hoofd van een troep huurlingen naar Italië gezonden, om de Tarentijnen tegen de Lucaniërs bij te staan. Hij voerde den oorlog over het geheel met geluk, maar toen de Tarentijnen vrede sloten, nam hij Corcȳra en viel hij Thurii en andere steden in Beneden-Italië aan, totdat hij door de Romeinen verdreven werd. Bij zijne avontuurlijke tochten naar de kusten der Adriatische zee verloor hij leger en vloot. In 293 streed hij ongelukkig tegen Demetrius Poliorcētes en in 272 trachtte hij met Pyrrhus van Epīrus zich te vergeefs van Sparta meester te maken.
Cleopatra, Κλεοπάτρα, 1) dochter van Boreas en Orithyia, z. Calaïs.—2) dochter van Idas en Marpessa, gehuwd met Meleager, na wiens dood zij zich van verdriet ophing.—3) tweede vrouw van Philippus van Macedonië, na wiens dood Olympias haar met hare kinderen liet vermoorden.—4) dochter van Philippus en Olympias, gehuwd met Alexander van Epīrus, na diens dood met Perdiccas. Toen ook deze gestorven was, koos zij onder de macedonische veldheeren, die haar ten huwelijk vroegen, Ptolemaeus tot echtgenoot, maar Antigonus hield haar gevangen en liet haar waarschijnlijk vermoorden (308).—5) dochter van Antiochus III, z. Ptolemaeus no. 9 en 10.—6) dochter van Ptolemaeus V, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus VI, later met haar anderen broeder Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 10 en 11.—7) dochter van Ptolemaeus VI Philomētor, gehuwd met Alexander Balas, daarna, toen deze van den troon gestooten was, met Demetrius Nicātor, en nadat deze door de Parthen gevangen genomen was, met Antiochus Sidētes. Toen Demetrius terugkwam, liet zij hem en hun zoon Seleucus vermoorden, maar niet lang daarna werd zij door haar anderen zoon gedwongen den gifbeker te drinken.—8) jongere dochter van Ptolemaeus VI en Cleopatra no. 6, gemalin van Ptolemaeus VII, z. Ptolemaeus no. 11, 12 en 13.—9) dochter van Ptolemaeus VII, gehuwd met Antiochus IX.—10) dochter van Ptolemaeus Aulētes, geb. 69, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus XII. Spoedig werd zij door de voogden van Ptolemaeus, Achillas en Pothīnus, wegens hare eerzuchtige plannen verdreven en reeds trachtte zij zich met geweld recht te verschaffen, toen Caesar te Alexandrië kwam en besliste, dat de beide echtgenooten gezamenlijk zouden regeeren. Wel veroorzaakte deze beslissing groote ontevredenheid en kwam Caesar zelfs in vrij groot gevaar, daar Ptolemaeus echter in een gevecht sneuvelde, bereikte Cl. haar doel. Op bevel van Caesar, die door hare buitengewone schoonheid geheel betooverd was, huwde zij met haar jongsten broeder Ptolemaeus XIII, ook kwam zij naar Rome, waar Caesar’s liefde voor haar zoo groote ontevredenheid verwekte, dat zij na zijn dood moest vluchten. Na den slag bij Philippi ontmoette zij Antonius te Tarsus, en nam hem door hare bekoorlijkheden zoo voor zich in, dat hij haar naar Alexandrië volgde, haar op zijne tochten door Azië medenam en toeliet dat zij, na het vermoorden van haar broeder en zuster, alleen over Aegypte heerschte. Zoo groot was haar invloed op hem dat, toen zij in den slag bij Actium in het heetste van het gevecht de vlucht nam, Antonius haar volgde en daardoor de oorzaak was van de nederlaag der zijnen. Toen hij zich daarna gedood had en Cl. zag, dat Octaviānus ongevoelig was voor hare schoonheid, en vreesde, dat hij haar in triumf naar Rome wilde voeren, doodde zij zich, naar men beweerde door den beet eener vergiftige slang (30).—11) bijgenaamd Selēne, dochter van Antonius en Cleopatra, door haar vader met Cyrenaica begiftigd en door Octaviānus aan Juba uitgehuwd.—12) dochter van Mithradātes, gehuwd met Tigrānes van Armenië.
Cleophantus, Κλεόφαντος, een van de oudste grieksche schilders, de eerste die verf op zijne teekeningen aanbracht.
Cleophon, Κλεοφῶν, 1) invloedrijk volksleider te Athene in de laatste jaren van den peloponnesischen oorlog, verzette zich hardnekkig tegen den vrede en werd daarom door de oligarchische partij van het een of ander aangeklaagd en door een onder hun invloed staande rechtbank ter dood veroordeeld (404).—2) atheensch treurspeldichter, v. s. dezelfde als de vorige.
Clepsydra, κλεψύδρα, 1) een wateruurwerk, in inrichting gelijk aan onze zandloopers, doch met water gevuld. Oorspronkelijk dienden zij om den tijd te meten, gedurende welken een redenaar voor het gerecht mocht spreken, men had echter ook grootere (horologia), die natuurlijk langer liepen en door eene indeeling of schaal den verloopen tijd aanwezen.—2) bron op de acropolis te Athene.—3) bron op den berg Ithōme.
Cleruchia, κληρουχία, eigenlijk een land, waar volgens het oorlogsrecht veroveraars de oorspronkelijke bevolking onderworpen en het grondbezit onder elkander verdeeld hadden; in het bizonder atheensche volkplantingen, waarvan de grondeigenaars atheensche burgers bleven, desverkiezende te Athene konden blijven wonen en hunne burgerrechten uitoefenen, maar ook tot den krijgsdienst en andere lasten verplicht waren en geen eigen rechtspraak hadden. Terwijl volkplantingen anders nieuwe staten vormen, blijven de cleruchiën, waarvan sedert 506 vele gesticht werden, deelen van den atheenschen staat. Ook in het rijk der Ptolemaeën vindt men κληροῦχοι; dit zijn actief dienende soldaten, die een stuk staatsland in bezit hebben, welk bezit dikwijls in eigendom overgaat. Deze worden ook κάτοικοι genoemd.
Clēta, Κλήτα, bij de Spartanen eene van de Chariten.
Clidēmus, Clitodēmus, Κλείδημος, (Κλειτόδημος), schreef in de 4e eeuw eene attische geschiedenis (Ἀτθίς) e. a. geschiedkundige werken.
Clientes. Vóór het ontstaan der plebs vond men te Rome een stand van hoorigen of halfvrijen, die, naar het schijnt, volgens oud-italisch gebruik, onder de bescherming of het patronaat der burgers stonden en daarentegen ook zekere bepaalde verplichtingen tegenover hunne patrōni hadden. Over de wederzijdsche verhouding dezer beide standen zie men het artikel patronus. Ook vreemden, die zich te Rome wilden vestigen, moesten in den oudsten tijd, daar zij geene rechtspersoonlijkheid bezaten, zich onder de rechtspersoonlijkheid van een burger stellen (applicatio), en derhalve zich in clientēla begeven, indien zij de bescherming der wetten wilden genieten. In verloop van tijd loste het cliëntschap zich op in de plebs. Men neemt gewoonlijk aan, dat de cliënten van het platteland in 457, toen het aantal volkstribunen van 4 op 10 gebracht werd (zie tribuni plebis), vrij verklaard zijn. Anderen dateeren die vrijwording reeds van koning Servius Tullius. De cliënten moeten scherp onderscheiden worden zoowel van slaven als van plebejers.—In lateren tijd komt de naam cliënten terug voor de bezoldigde visitemakers bij de rom. grooten, bij wie zij ook wel als anteambulones dienst deden. Zij werden voor hunne bezoeken en diensten beloond, hetzij met een mandje eetwaren (sportula), hetzij met geld. De aanzienlijke Romein, wiens receptiën zij dus hielpen opluisteren, wordt dan tegenover hen rex geheeten.
Climax, Κλίμαξ, “trap”, een berg in het O. van Lycia, het begin van den Taurus. Hij komt ook onder den semietischen naam Solyma voor (ook = trap). In de Ilias komen de Solymers als vijanden der Lyciërs voor. De naam van den berg komt van een trap, die in den bergpas is uitgehouwen. Ook een gebergte in Coelesyria heette Climax.
Climberris = Elimberris.
Clinias, Κλεινίας, 1) vader van Alcibiades, een zeer rijk man, sneuvelde bij Coronēa (447); ook een jongere broeder en een neef van Alcibiades droegen dien naam.—2) pythagoreïsch wijsgeer, tijdgenoot van Plato.—3) verdienstelijk staatsman te Sicyon, omstreeks 264 vermoord. Hij was de vader van Arātus no. 1.
Clio, Κλειώ, de Muze der geschiedenis, wordt afgebeeld met een rol papier in de hand.
Clipeus, ἀσπίς, rond, dekselvormig schild, in den regel van op elkander gelegde lagen leder gemaakt en niet metaal bekleed, of wel uit teenen gevlochten en dan met leder en metaal bedekt.—Ook noemt men in de badhuizen aldus het deksel van den oven, waaruit de heete lucht uit de stookplaats in de heete badkamer stroomde.
Clisthenes, Κλεισθένης, 1) tyran van Sicyon (596–565), uit het huis der Orthagoriden, trachtte den oud-ionischen stam, waartoe hij zelf behoorde, boven de Doriërs, die Sicyon vroeger van Argos uit veroverd hadden, te verheffen en over het geheel alle banden los te maken, die Sicyon met Argos verbonden. Daartoe trachtte hij in de eerste plaats den eeredienst van den argivischen heros Adrastus door dien van Dionȳsus te verdringen, hij verbood de voordrachten der rhapsoden, omdat zij Argos en argivische sagen bezongen en veranderde ook de namen der dorische stammen, die hij Hyaten, Oneaten en Choereaten noemde (met toespeling op ὗς, ὄνος, χοῖρος), terwijl zijn eigen stam den naam Archelāi kreeg. Hij stond aan het hoofd van het leger der Amphictyonen, toen de inwoners van Crissa wegens hun heiligschennis gestraft werden. Zijn rijkdom toonde hij door de schitterende wijze, waarop hij allen, die zijne dochter Agariste tot vrouw begeerden, een jaar lang onthaalde.—2) Athener, kleinzoon van den vorigen, zoon van den Alcmaeonide Megacles en Agariste, stelde zich na den val der Pisistratiden aan het hoofd der volkspartij en hervormde de staatsregeling van Solon in democratischen geest. Wel gelukte het zijn aristocratischen tegenstander Isagoras door de hulp van Cleomenes I hem voor korten tijd te verdrijven, maar de gewelddadige handelingen van Cleomenes verwekten zoo groote verbittering, dat Cl. spoedig terugkeeren kon. Over zijne hervormingen z. Βουλή, Δῆμοι, Ostracismus, Φυλή. Later zoude hij, misschien met het oog op de vijandige houding van Sparta, getracht hebben met den perzischen satraap van Sardes betrekkingen aan te knoopen, en zou het volk hem daarom uit wantrouwen verjaagd hebben (505).
Clitarchus, Κλείταρχος, 1) zoon van Dinon, beschreef de geschiedenis van Alexander d. G. in gezwollen stijl en met allerlei fabelachtige berichten doormengd; toch werd hij door latere schrijvers als Diodōrus, Curtius e. a. veel gebruikt, daar men, waarschijnlijk ten onrechte, meende dat hij Alexander op zijn tochten vergezeld had.—2) tyran van Eretria onder bescherming van Philippus van Macedonië, werd door de Atheners onder Phocion verdreven.
Clitodēmus = Clidēmus.
Clitomachus, Κλειτόμαχος, 1) beroemd om zijne vele overwinningen in de isthmische en pythische spelen, behaalde eens drie prijzen op één dag.—2) Carthager, eigenlijk Hasdrubal genaamd, leerling van Carneades, na wiens dood (129) hij ongeveer twintig jaar hoofd der academie was; zijne talrijke geschriften, v. s. 400, zijn verloren; Cicero heeft ze echter gebruikt o. a. in zijn werk: de divinatione.
Clitor, Κλείτωρ, sterke stad en riviertje in het N. van Arcadia.
Clitumnus, riviertje in Umbria, met een tempel van den god Clitumnus.
Clitus, Κλεῖτος, 1) zoon van Mantius, werd door Eos geschaakt.—2) bijgenaamd de Zwarte, veldheer van Alexander d. G., redde hem het leven in den slag bij den Granīcus en was sedert een van zijne gunstelingen; hij werd bevelhebber van de lijfwacht en satraap van Bactrië. Alex. doodde hem in dronkenschap bij een drinkgelag, toen Cl. hem ergerde door zijne al te vrijmoedige taal.—3) bijgenaamd de Witte, voerde na Alex.’s dood de veteranen terug, overwon in den lamischen oorlog de Atheners ter zee, werd landvoogd van Lydië, van waar Antigonus hem na twee jaar verdreef, overwon, als admiraal van Polyperchon, Antigonus en Cassander bij Byzantium ter zee, maar sneuvelde den dag daarna (318).
Clivus Capitolīnus, de weg, die van het Forum te Rome naar boven leidde naar den Mons Capitolinus.
Cloāca Maxima, het groote afvoerkanaal in Rome, dat oorspronkelijk diende om de lage gronden in den omtrek van het latere Forum droog te leggen, en later uitgebreid en overdekt, tevens het huiswater van een gedeelte van de stad naar den Tiber afvoerde. Het oudste gedeelte dateert nog uit den koningstijd. Het werk bestaat nog, en is weer in gebruik genomen. Het begint bij de laagte tusschen Oppius en Cispius, loopt dan onder het Argilētum door naar het Forum, en vervolgens door het Velabrum en het Forum Boarium, tot het tusschen den Pons Aemilius en den kleinen rondtempel in den Tiber mondt. Het woord is afgeleid van cloare = reinigen.
Cloacīna, volgens de gewone opvatting een bijnaam van Venus, zij had een heiligdom bij het Comitium te Rome, dat naar men meende, reeds bestond sedert de vereeniging van Rom. en Sabijnen. In werkelijkheid is het de godin der Cloāca Maxima (z. a.) en heeft zij met Venus niets te maken.
Clodia (via). Deze weg liep van Rome door Etruria ten W. van den Lacus Sabatīnus over Saturnia en Rusellae en sloot zich vervolgens aan de via Aurelia aan. V. a. vereenigt hij zich voorbij Blesa wederom met de via Cassia (z. a.) en loopt dan van Florentia naar Luca en Forum Clodii.
Clodiae (leges) van den volkstribuun P. Clodius Pulcher, in 58. 1) lex frumentaria, dat de korenuitdeelingen om niet zouden plaats hebben.—2) lex de auspiciis, dat op de dagen, waarop wetgevende comitia gehouden werden, geene andere auspicia mochten genomen worden en dus geene obnuntiatio zou kunnen plaats grijpen. Bovendien werden de leges Aelia et Fufia opgeheven, zie servare de caelo.—3) lex de collegiis, tot herstel der in 64 bij senaatsbesluit opgeheven gilden en demagogische genootschappen, collegia compitalicia.—4) lex de censoria notione, dat de censoren niemand mochten bestraffen, die niet formeel bij hen was aangeklaagd en door beiden schuldig was bevonden.—5) lex de capite civis Romani, dat wie een rom. burger zonder rechterlijk vonnis had ter dood gebracht (gelijk Cicero met Catilina’s eedgenooten had gedaan), zou verbannen worden. Deze wet werd nader uitgewerkt door een tweede, waarbij aan Cicero, nu met name genoemd, het verblijf binnen 400 mijlen van Rome werd ontzegd (aqua et igni interdictio).—6) lex de provinciis consularibus, waarbij aan den consul L. Calpurnius Piso Caesonīnus Macedonia en Achaia, aan den consul A. Gabinius Syria werd opgedragen. Het doel was, hen gunstig te stemmen, opdat zij zich niet tegen Cicero’s verbanning zouden verzetten.—7) lex de rege Ptolemaeo, dat koning Ptolemaeus van Cyprus zou onttroond worden en zijn land en bezittingen tot eigendom van het rom. volk zouden worden verklaard, en dat M. Porcius Cato (minor) deze wet zou ten uitvoer leggen. Het doel der wet was eigenlijk, Cato op eene fatsoenlijke manier uit Rome te verwijderen.—8) lex de suffragiis libertinorum, dat de vrijgelatenen ook in de tribus rusticae zouden kunnen stemmen. Deze wet kwam echter niet tot stand.
Clodii = Claudii. Eenige leden der gens Claudia schreven hun naam met o in plaats van au, zie Claudii no. 17–19.
Clodius Albīnus. Zie Albinus.
Clodius Macer (L.), generaal van Nero in Africa, had zich bij den opstand van Vindex en Galba tegen Nero (voorjaar van 68) half onafhankelijk gemaakt, maar werd na Nero’s dood wegens zijne roofzucht door Galba gevonnisd.
Cloelii of Cluilii, patricische gens, afkomstig uit Alba Longa. 1) C. Cloelius, volgens de overlevering koning van Alba Longa, voerde oorlog tegen Rome tijdens Tullus Hostilius en stierf gedurende den veldtocht, waarop Mettius Fuffetius dictator van Alba werd.—2) Cloelia, rom. maagd, die, onder de gijzelaars aan Porsēna uitgeleverd, ontsnapte en over den Tiber naar Rome terugzwom. De senaat zond haar naar Porsēna terug, doch deze stelde haar in vrijheid en schonk haar een fraai opgetuigd paard, terwijl hij ook nog een aantal andere gijzelaars te harer keuze losliet. De Rom. richtten voor haar een standbeeld te paard op.—3) Q. Cloelius Siculus, consul in 498, benoemde zijn ambtgenoot T. Larcius Flavus tot eersten dictator.
Clotae aestuarium, golf op de Westkust van Caledonia (Schotland), thans Firth of Clyde.
Clotho, Κλωθώ, de spinster, eene van de Moerae, wordt voorgesteld met een haspel, waarmede zij ’s menschen levensdraad spint.
Cluentii. 1) L. (v. a.) A. Cluentius, italiaansch generaal in den marsischen oorlog, bij Nola gesneuveld, in 89.—2) A. Cluentius Habitus, vader en zoon, bekend door de schitterende oratio pro Cluentio van Cicero in 66.
Cluilii = Cloelii.
Clupea, rom. naam voor de stad Aspis in Africa, z. a.
Clusium, Κλούσιον, vroeger Camers geheeten, de voornaamste der 12 etrurische hoofdsteden, residentie van Porsēna, wiens praalgraf in de nabijheid was. De stad was zeer sterk. De belegering van Clusium door de Galliërs gaf aanleiding tot hun tocht naar Rome in 390. Het speltmeel van Clusium (far Clusinum) was om zijne fijnheid zeer gezocht.
Clusius, bijnaam van Janus (z. a.).
Cluvii, een campaansch geslacht, dat zich te Rome vestigde.—1) Pacula Cluvia voorzag de Romeinen, die te Capua door Hannibal werden gevangen gehouden, van levensmiddelen.—2) M. Cluvius bestuurde Cicero’s geldzaken.—3) Cluvius Rufus, geschiedschrijver, bekleedde onder Claudius en Galba verschillende ambten. In zijne geschiedenis beschreef hij den tijd van Caligula tot Vitellius. Tacitus heeft hem als bron gebruikt.
Clymene, Κλυμένη, 1) Oceanide, gehuwd met Iapetus, moeder van Atlas, Menoetius, Promētheus, Epimētheus.—2) bij Promētheus moeder van Deucalion.—3) bij Helius moeder van Phaëthon, later gehuwd met den aethiopischen koning Merops.—4) dochter van Minyas, bij den arcadischen koning Iasius moeder van Atalante.—5) dochter van Catreus, werd op bevel van een orakel door haar vader verstooten en aan een zeeman Nauplius (no. 3) gegeven om haar te verwijderen, bij wien zij moeder werd van Palamēdes en Oeax.—6) v. s. een bloedverwante van Menelāus, dienares van Helena, met wie zij naar Troje ging; na de inneming der stad werd zij aan Acamas gegeven.—7) bijnaam van Persephone.
Clymenus, Κλύμενος, 1) zoon van Cardys, stelde vijftig jaar na den zondvloed van Deucalion de olympische spelen weder in.—2) zoon van Presbon, koning van Orchomenus in Boeotië, schoonvader van Nestor, stierf aan eene wonde, die hem bij een wedren door een thebaanschen wagenmenner werd toegebracht.—3) bijnaam van Hades.
Clypea = Clupea.
Clypeus = clipeus.
Clysonymus, Κλυσώνυμος, zoon van Amphidamas, speelmakker van Patroclus, die eens bij het dobbelspel twist met hem kreeg en hem doodsloeg.
Clytaemnestra, Κλυταιμνήστρα, (waarschijnlijk beter Clytaemestra, Κλυταιμήστρα, dochter van Tyndareos en Leda, gemalin van Agamemnon (z. a.). Zij regeerde na diens dood met Aegisthus over Mycēnae en Argos totdat Orestes, volwassen geworden, zijn vader wreekte en beiden doodde.
Clytia, Κλυτία, Oceanide, door Apollo bemind. Toen de god ook voor Leucothoë liefde had opgevat, verried Cl. dit uit jaloerschheid, waarop Leucothoë door haar vader levend begraven werd. Daarom kreeg Apollo een afkeer van haar, en uit verdriet onthield zij zich van spijs en drank en verkwijnde zij, totdat zij in een zonnebloem veranderd werd.
Clytius, Κλυτίος, 1) een van de Giganten.—2) zoon van Alcmaeon en de dochter van Phegeus, die na den dood van zijn vader naar Elis vluchtte; hij was de vader van Piraeus en de stamvader der Clytiaden, een beroemd waarzeggersgeslacht in Elis.—3) naam van eenige Trojanen.
Cnemīdes, Κνημῖδες, versterkte stad aan den Cnemis in het gebied der Locriërs.
Cnemis, Κνημίς, berg op de Zuidgrens der Epicnemidische Locriërs.
Cnidia, Κνιδία, bijnaam van Aphrodīte naar de stad Cnidus, waar een beeld van die godin stond, dat door Praxiteles gemaakt was en voor een van de belangrijkste kunstwerken der oudheid gold.
Cnidus, Κνίδος, dorische stad tot de Hexapolis Dorica behoorende, op de uiterste punt van de Chersonēsus Cnidia; de stad lag tusschen twee havens, die door een kanaal verbonden waren. Op de uiterste punt, het voorgebergte Triopium, lag de tempel van Apollo, waar de bondsvergaderingen der aziatische Doriërs plaats vonden, en hun gemeenschappelijke feesten gevierd werden. Cnidus zelf is in de heele oudheid beroemd om den tempel van Ἀφροδίτη Εὐπλοία, met het door Praxiteles vervaardigde beeld der godin.
Cnosus, later Cnossus, ook met Gn. geschreven, Κνωσός, stad op de Noordkust van Creta, in voorhistorische tijden (2400–1200) de koningszetel van een machtig volk met een zeer interessante, hoog ontwikkelde beschaving; wie de dragers waren dezer beschaving, weten we nog niet; we kunnen echter twee tijdperken onderscheiden, die van de vóór-grieksche, en die van de achaeische heerschappij. Omstreeks 1000 vervalt deze cretensisch-myceensche beschaving, en in den historischen tijd is de stad dorisch, met de havensteden Amnīsus en Heraclēum. Een herinnering aan den vroegeren glans en de vroegere heerlijkheid is bij het grieksche volk levendig gebleven door de sagen van Minos, den Minotaurus en het Labyrinth, van Daedalus en Icarus en van Ariadne. Cnosia tellus = Creta, Cnosia, Cnosis, Cnosias = Ariadne, Cnosia stella = het sterrenbeeld de kroon van Ariadne. De opgravingen der laatste jaren hebben het oude paleis der vorsten van Cnosus blootgelegd.
Coactōres. Coactores agminis, soldaten van de achterhoede, die tegen desertie uit de gelederen moesten waken,—Coactores exactionum, of coactores argentarii, personen, wier werk het was, verschuldigde gelden te innen. De vader van Horatius was coactor.
Cocalus, Κώκαλος, koning op Sicilië, die Daedalus gastvrij opnam toen hij van Creta vluchtte, en Minos doodde toen hij hem kwam opeischen. Uit dankbaarheid versierde Daedalus zijn rijk met vele kunstwerken. V. a. had hij Daedalus willen uitleveren, waarop deze ’s konings badkamer zoo overmatig liet verwarmen, dat deze stikte.
Cocceii, aanzienlijk geslacht, waarschijnlijk uit Umbria. 1) L. Cocceius Nerva, vriend van Octaviānus, voerde de onderhandelingen tusschen dezen en Antonius. Later stelde hij met Maecēnas en Asinius Pollio te Brundisium de voorwaarden op van de overeenkomst tusschen Antonius en Octavianus (herfst 40). In 37 werd hij wederom naar Brundisium gezonden met Maecenas en Fonteius Capito; Horatius en Vergilius maakten de reis mede. Tengevolge daarvan kwam het verdrag van Tarente tot stand.—2) M. Cocceius Nerva, bekwaam jurist, was een der weinigen, die het vertrouwen van Tiberius bezaten. Uit verdriet over diens handelingen liet hij zich doodhongeren (33).—3) M. Cocceius Nerva, rom. keizer, een kleinzoon van no. 2. Zie Nerva.
Coche, Κωχή, stad aan den Tigris nabij Ctesiphon.
Cocles, zie Horatii.
Cocosātes, volksstam in Aquitania, aan den Aturus (Adour).
Cochlear, een soort eierlepel, waarvan de steel spits uitliep, om b. v. schelpdieren en slakken te eten. Een groot soort lepel heet ligula (z. a.).
Cocylium, Κοκύλιον, aeolische stad in Mysia.
Cocȳtus, Κωκυτός, rivier in Epīrus, tak van den Acheron. In de voorstellingen één van de rivieren in de onderwereld, evenals de Acheron, de Pyriphlegethon en de Styx. In de onderwereld is de Cocȳtus een arm van de Styx.
Codānus Sinus, het Kattegat. Soms ook wordt de geheele Oostzee zoo genoemd.
Codex, een blok hout, een strafblok aan het been. Ook eene verzameling wastafeltjes om op te schrijven, van achteren aaneengehecht, evenals onze leitjes. Vervolgens ook een boek van papier of perkament, ingenaaid. Ten slotte ook een wetboek, b.v. codex Iustinianēus. Codex accepti et expensi = kasboek.
Codicilli (zie codex), kleine wastafeltjes tot een notitieboekje vereenigd, om aanteekeningen te maken, ook om als brief verzonden te worden, toevoegsels tot een testament te maken, en dgl. Zie Cera.
Codrus, Κόδρος, zoon van Melanthus, laatste koning van Attica. Bij een inval van de Doriërs had een orakel den Atheners de overwinning voorspeld als hun koning sneuvelde, waarop C. zich verkleed in het kamp van de vijanden begaf, twist zocht en gedood werd. De Doriërs trokken toen ontmoedigd af, en de eupatriden schaften het koningschap af, onder voorwendsel dat niemand na C. de regeering waardig was.
Coela (plur.), τὰ Κοῖλα τῇς Εὐβοίας, het vlakke gedeelte van Euboea langs de Oostkust tusschen de kapen Caphareus en Chersonēsus.
Coele, ἡ Κοίλη, zuidwestelijke voorstad van Athene, tusschen de lange muren.
Coelesyria, ἡ κοίλη Συρία, sedert de macedonische verovering de dalstreek tusschen den Libanon en den Antilibanon, met de bronnen van den Orontes en de stad Heliopolis (Baälbek). In het rom. tijdperk breidde de naam Coelesyria zich uit over het land ten O. van den Antilibanon, waar Damascus lag, zelfs tot Palmȳra.
Coelii = Caelii no. 1–3.
Coelius mons = Caelius mons.
Coelossa, Κοίλωσσα, berg in Sicyonia.
Coëmptio, eene der vormen, waaronder een rom. huwelijk kon worden gesloten. Zij berustte op het recht van den pater familias, om zijne kinderen te verkoopen. Ten overstaan van vijf getuigen en een libripens, die de weegschaal hield, stond de vader zijne dochter aan den bruidegom af. Deze laatste tikte daarbij met een geldstuk tegen de schaal, eene zinnebeeldige voorstelling van het betalen van den koopprijs. Door zulk een huwelijk kwam de vrouw in de manus van haar echtgenoot (zie manus). Vóór de eigenlijke handeling der coemptio plaats had, gaf de bruid op de vraag van haar aanstaanden echtgenoot haar toestemming tot het huwelijk, zoodat zij door den verkoop geen slavin werd, maar naast haar man eene vrije positie innam. Over de coëmptio cum extraneo fiduciae causa zie men het artikel tutela.
Coena, de hoofdmaaltijd der Rom., die gehouden werd na afloop der hoofdbezigheden van den dag, tusschen 2 en 4 uur volgens onze wijze van tijdverdeeling. In den oudsten tijd was de coena echter om 12 uur; het avondeten heette toen vesperna. Men gebruikte den maaltijd in den ouden tijd in het atrium, daarop een tijd lang op de bovenverdieping, die cenaculum heet, vervolgens in het triclinium. Oudtijds zat men aan tafel, daarop volgde een tijd, waarin de mannen op grieksche wijze aan tafel lagen, terwijl vrouwen en kinderen zaten. Tegen het eind van de republiek was het aanliggen (accubare), behalve voor de kinderen, algemeen in gebruik. In den ouden tijd bestond de maaltijd uit twee gangen; de tweede (mensae secundae) bestond uit vruchten: una carnis fuerat, altera pomorum; bij den tweeden gang werd gedronken: una epularum, altera poculorum. In den keizertijd bestond de coena van den gegoeden burger uit drie gangen (fercula): 1) een voorgerecht, gutus, gustatio, promulsis, uit eieren, schelpdieren, visch, radijs, olijven, of salade bestaande, alles eenigszins pikant toebereid om den eetlust op te wekken;—2) het caput coenae, gewoonlijk uit twee of drie gangen bestaande;—3) de mensae secundae, nagerecht of dessert, dat uit versche en gedroogde vruchten en gebak bestond. Ook bij den gewonen burgerstand had men drie fercula, maar eenvoudiger; er werd veel kool en varkensvleesch gegeten, ook jonge geiten en verder kippen. Tusschen de verschillende gerechten hield men gewoonlijk een kleine pauze, die besteed werd aan gezellig onderhoud of voorlezen of het uitvoeren van muziek of vertooningen door de slaven. Voor en na den maaltijd en ook tusschen de gangen wiesch men zich de handen, wat des te meer noodig was, omdat men geen vorken kende, en dus met de vingers at. Vóór de mensae secundae bad men tot en offerde men aan de Lares en den Genius van den pater familias, later ook aan den Genius van den keizer. Wat in later tijd de maaltijden der rijken zoo kostbaar maakte, was niet zoozeer de wijze van toebereiding als wel het opdisschen van spijzen, die zeldzaam of moeielijk te verkrijgen waren. Z. δεῖπνον.
Coenus, Κοῖνος, een van de dapperste generaals van Alexander d. G., schoonzoon van Parmenio, stierf op den terugtocht uit Indië (326).
Coërcitio is het recht, dat de ambtenaren behalve de quaestoren hebben, om de burgers tot eerbied en gehoorzaamheid aan hun verordeningen te dwingen. De dwangmiddelen waren: doodstraf, geeseling, boete (multae dictio), hechtenis en pignoris capio; alleen de magistratus cum imperio en de tribuni plebis konden, voor zoover de provocatie-wetten hierop geen inbreuk maakten, al deze straffen aanwenden; de censoren en aedilen hadden alleen de multae dictio en de pignoris capio. De magistratus cum imperio hadden de coërcitio tegen de magistraten, wier imperium geringer was dan het hunne, en tegen de mag. sine imperio. De tribunen hadden dit recht tegen alle magistraten, later zelfs tegen den dictator, terwijl zij aan niemands coërcitio onderworpen waren.
Uit de coërcitio, die ook in den keizertijd blijft bestaan, heeft zich door de provocatiewetten de eigenlijke strafrechtpleging (iudicatio) ontwikkeld, en de strafrechtpleging der stadhouders van de provinciën berust op het ius coërcitionis.
Coës, Κώης, aanvoerder der Mitylenaeërs, die Darīus op zijn tocht tegen de Scythen volgden. Hij was het die aanried de brug over den Donau niet af te breken, waarvoor hij later beloond werd met de tyrannie over Mytilēne. Bij het uitbreken van den opstand der Ioniërs werd hij gedood.
Coetae, Κοῖται, volksstam in oostelijk Pontus, verkeerde lezing voor Τάοχοι.
Coeüs, Κοῖος, een van de Titanen.
Cognatio, natuurlijke bloedverwantschap door gemeenschappelijke afstamming. Zie agnati.
Cognitio, gerechtelijk onderzoek door de overheid in eene rechtszaak, ook wel de beslissing.
Cognitor, 1o identiteitsgetuige, d.i. een Romeinsch burger, die in een vreemd land gerechtelijk van een ander verklaart, dat hij insgelijks een Rom. burger is, en de persoon is, voor wien hij zich uitgeeft.—2o zaakwaarnemer in privaatzaken.—3o in later tijd degene, aan wien de cognitio (z. a.) toekomt, rechter van instructie.
Cognōmen. Zie nomen.
Cohors als krijgsterm beteekent in de eerste plaats eene vereeniging van troepen als afdeeling van een legioen. Twee centuriae van hetzelfde wapen vormden een manipulus. Sedert den tweeden punischen oorlog vereenigde men twee manipels tot eene cohorte. Omtrent de normale sterkte van een legioen z. Centuria. Was het noodig het legioen te versterken, dan werd het getal hastati en principes in elke centurie vermeerderd, niet echter dat der triarii of pilāni. Ten gevolge van verschillende hervormingen deels van Marius afkomstig, deels van Caesar, bestond in Caesars tijd het legioen uit 10 cohorten, en elke cohorte uit 6 centuriën of 3 manipels, zooals de figuur aanwijst. Bij de opgaaf van de getalsterkte der cohorten worden de velites niet medegerekend, en wanneer men b.v. van cohortes quingenariae leest, moet men dit getal aldus verdeelen, dat elke cohorte uit het vaste getal van 60 triarii of pilani en verder uit 220 principes en 220 hastati bestaat. Onder Augustus werd de eerste cohorte van ieder legioen op de dubbele sterkte der overige gebracht: zij telde 1000 soldaten, 100 onderofficieren of decani en 5 centuriones, en werd cohors milliaria genoemd, terwijl de andere cohorten 555 man voetvolk hadden, n.l. 500 soldaten, 50 decani en ook 5 centuriones. Aan de eerste cohorte waren 132, aan elke der andere 66 geharnaste ruiters toegevoegd.—In lateren tijd wordt cohors ook van eene afdeeling ruiterij gebezigd.—Ook van de hulptroepen, door de bondgenooten geleverd, wordt meermalen het woord cohortes gebruikt.
rechtervleugel.
Cohors praetoria, de garde of lijfwacht van den veldheer of stadhouder, ook wel met inbegrip van zijn staf en zijn geheele gevolg van officieren, ambtenaren, vrienden en dienaren. Het eerst heeft Scipio Africānus minor in den numantijnschen oorlog zoo’n lijfwacht opgericht.
Cohortes praetoriae. Augustus richtte een gardecorps op van 9 cohorten, elk 1000 man sterk, waarvan er echter niet meer dan 3 te Rome in garnizoen lagen, die bij de burgers ingekwartierd werden en buiten dienst de toga mochten dragen, weshalve zij ook wel cohortes togatae worden genoemd. Deze garde had hooger soldij en korter diensttijd dan de overige troepen. Hiervan onderscheiden is de bataafsche lijfwacht, de corporis custodes (z. a.). Op aansporing van Seiānus liet keizer Tiberius voor de praetorische cohorten eene vaste legerplaats, castra praetoria, bouwen in den N.O. hoek van Rome. Vitellius ontbond de praetoriaansche garde, omdat zij voor Otho tegen hem had gestreden, en richtte eene nieuwe van 16 cohorten op. In de geschiedenis van Rome speelden de praetorianen eene groote rol: keizers werden door hen op den troon geplaatst en vermoord, éénmaal zelfs, in 193 na C., verkochten zij de keizerlijke waardigheid aan den meestbiedende. Keizer L. Septimius Sevērus ontbond de garde in 194 en verving ze door een andere. Onder Constantijn werd zij afgeschaft en hare legerplaats afgebroken. In het eerst stond de garde onder twee praefecti praetorio, tijdens Tiberius onder één, later weder onder één of twee of drie.
Cohortes urbānae, eene soort van gendarmerie, door Augustus opgericht, om voor de openbare veiligheid te Rome te zorgen. Eerst waren er 3; Vitellius bracht het getal op 4. Zij stonden onder den praefectus urbi. Later smolten zij met de praetorianen samen.
Cohortes vigilum, zeven in getal, voor elk tweetal wijken één, eene soort van brandweer en politie, door Augustus ingesteld. Zij stonden onder een praefectus vigilum.
Colchis, Κολχίς, landschap aan den O.-hoek van den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), ten Z. van den Caucasus, ten N. van Armenia, door den Phasis doorsneden. Het land was moerassig, zoodat de woningen voor een deel op palen moesten gebouwd worden, doch het was zeer vruchtbaar en leverde o.a. timmerhout, hennep, pek, honig, was, vooral vlas en linnen, en ook goud op. Van de boorden van den Phasis zijn de fazanten, aves Phasianae, afkomstig. De bewoners van de vlakte hadden een donkere huidkleur en kroeshaar, en leken op de Aethiopiërs, zoodat Herodotus vermoedt, dat ze uit Aegypte hierheen verplaatst zijn. Aan de kust lagen de milesische koloniën Phasis en Dioscurias. Mithradātes VI maakte het gewest tot eene pontische provincie; daarna werd het aan Rome cijnsbaar. De mythe noemt het Aeaea of Aea en plaatst er de gouden ramsvacht, bekend uit de sagen van den Argonautentocht en van Iāson en Medēa. Bij dichters is Colchis meermalen = de Colchische vrouw, d. i. Medea.
Colias, Κωλιάς, kaap op de Westkust van Attica dicht bij Phalērum, waar fijne porceleinaarde werd gevonden. Er stond een tempel van Aphrodīte.
Collatia, latijnsche stad aan den Anio, door Tarquinius Priscus veroverd, de woonplaats van L. Tarquinius Collatīnus en Lucretia.
Collatinus, zie Tarquinii no. 3.
Collēgae zijn niet slechts ambtgenooten, maar ook overheden, die onder gelijke auspiciën gekozen zijn. Zoo zijn de praetoren collegae minores der consuls, de magister equitum een collega minor van den dictator. Op de par potestas der collegae berust het ius intercessionis, dat ze tegenover elkaar kunnen uitoefenen.
Collegium, 1) collegie van ambtgenooten, b.v. collegium pontificum.—2) corporatie tot eenig bepaald doel, b.v. collegia tenuiorum, begrafenisfondsen.—3) gilden van ambachtslieden, collegia opificum.
Collīna, eene der vier regiones, waarin Servius Tullius de stad Rome verdeelde. Deze regio omvatte den collis Quirinālis en den collis Viminālis.
Collīna (porta), noordoostelijkste poort van Rome in den muur van Servius Tullius.
Collybus, κόλλυβος, agio bij de geldwisselaars.
Collytus, Κολλυτός, demus in Attica tot de phyle Aegēis behoorende.
Colōnae, Κολωναί, naam van twee steden, eene in Troas ten Z.W. van Neandria, en eene in Mysia.
Colonatus. Colonus beteekent oorspronkelijk boer, maar wordt later gewoonlijk in de beteekenis van pachtboer gebruikt. De boerderijtjes zijn klein; de pachttermijn is gewoonlijk 5 jaar, maar wordt dikwijls stilzwijgend vernieuwd; en daar de colonus gewoonlijk geen geld heeft, wordt de pacht in natura betaald. De groote landgoederen, die zich sinds den 2den Punischen oorlog in Italië vormden (z. Latifundia), lieten de eigenaars of bezitters liefst door slaven bewerken (z. Agrariae leges); de wet, die hen dwong een zeker aantal vrije daglooners in dienst te hebben, werd niet uitgevoerd of ontdoken. Toen echter door de slavenopstanden (z. Spartacus) de slaven in aantal ontzettend afnamen of onbetrouwbaar werden, namen de eigenaars weer een tijd lang hun toevlucht tot het pachtsysteem. In den keizertijd nam echter in Italië het gebruik van slaven, de uitbreiding der latifundia en de ontvolking, die daarmede gepaard pleegt te gaan, weer hand over hand toe. In de provinciën, vooral in Africa, waaromtrent wij het best zijn ingelicht, is het grootgrondbezit ook schrikbarend. Op de groote landgoederen (saltus) hetzij van particulieren, hetzij van den keizer, vindt men daar naast het huis en het bedrijf van den landheer uitsluitend kleine pachters, coloni, die tengevolge van de slechte ekonomische toestanden, daar anders het bedrijf niet meer loonend is, langzamerhand gedwongen worden op hun grond te blijven wonen (glaebae adstricti). Deze saltus of praedia worden tot groote distrikten (tractus) bijeengevoegd, en aan het verband met het municipium waartoe ze oorspronkelijk behoorden, onttrokken. Verschillende contracten, waaraan die coloni gebonden waren, zijn in de laatste twintig jaar in Africa teruggevonden. Het oudste contrakt, lex colonis fundi villae Magnae data ad exemplum legis Mancianae dateert van het jaar 116 of 117 n. C. In de 4de eeuw n. C. worden de verplichtingen van hoorigheid ook in de wetgeving opgenomen, en strenge strafbepalingen vastgesteld op het verlaten van de hofstede. Men werd colonus of door geboorte, of door vrijwillig zich aan te melden. Ook zwervers en landloopers werden aan een eigenaar uitgeleverd. Men werd slechts vrij door dienst te nemen, of, later, door priester of monnik te worden. Hun toestand wordt in den loop der eeuwen hoe langer slechter. Omtrent den oorsprong van het kolonaat tast men nog vrijwel in het duister. Sommige geleerden meenen, dat, al zijn de vormen, waaronder deze hoorigheid zich voordoet, ook niet oostersch, toch de oorsprong er van in de hellenistische wereld gezocht moet worden.