C. Caesar, † 4 na C., gehuwd met Drusus’ dochter Livilla. L. Caesar, † 2 na C. Agrippa Postumus, 14 na C., na Augustus’ dood door Tiberius uit den weg geruimd. Iulia, om haar zedeloos gedrag in 9 na C. verbannen, † 28 na C. Agrippīna, gehuwd met Germanicus.

De verbanning der beide Iulia’s (de dochter naar het eiland Trimerus (Trimetus) was eene deportatio.

b) Livia en Tib. Claudius Nero.

Tiberius (keizer), geh. met Vipsania Agrippina, van wie hij tegen zijn zin moest scheiden, daar Augustus hem Iulia opdrong. Drusus (zie Claudii, no. 26) geh. met Antonia minor, dochter v. den drieman M. Antonius (Antonii no. 11).

c. Tiberius en Vipsania Agrippina.

Drusus Caesar, gehuwd met Drusus’ dochter Livilla, weduwe van C. Caesar. In overeenstemming met haar minnaar Seianus, praefectus praetorio onder Tiberius, ruimde zij haren echtgenoot uit den weg (23 n. C.). Zij werd met Seianus ter dood gebracht (31).

Germanicus, gest. 4 jaar oud. Tiberius, door keizer Caligula omgebracht. Iulia, geh. met Nero, den zoon v. Germanicus, later met C. Rubellius Blandus (Rubellii no. 1), Op aanstoken v. Messalīna werd zij omgebracht.

d) Drusus en Antonia minor.

Germanicus (z. a.), geh. met Agrippina dochter van Iulia (zie boven). Claudius (keizer), (zie onder). Livilla, geh. 1) met C. Caesar,—2) met Drusus Caesar, (zie boven).

e) Germanicus en Agrippina

verloren van hunne 9 kinderen drie door den dood en lieten 6 kinderen na, n.l.: 3 dochters, Agrippina, Drusilla en Livilla, 3 zoons, Nero, Drusus en C. Caesar.

Van de zoons werden Nero en Drusus op last van Tiberius ter dood gebracht; C. Caesar is de latere keizer Caligula. Nero was gehuwd met Iulia, de kleindochter van Tiberius (zie boven). Agrippina (z. a.) is de moeder van keizer Nero geweest. Drusilla, eigenlijk Iulia Drusilla, werd de bijzit van haren broeder Caligula (zie Drusilla no. 2). De jongste zuster, Iulia Livilla, werd onder Claudius op aansporing van Messalina omgebracht.

f) Kinderen van keizer Claudius.

1) Uit zijn huwelijk met Plautia Urgulanilla werd een zoon Drusus geboren, die als knaap stikte doordat eene peer hem in de keel schoot. Eene dochter Claudia, na de echtscheiding geboren, erkende hij niet als de zijne.—2) Uit het huwelijk met Aelia Petīna had hij eene dochter Antonia, die tweemaal gehuwd is.—3) Bij Valeria Messalīna had hij eene dochter Octavia, gehuwd met keizer Nero, en een zoon, eerst Germanicus, doch vervolgens Britannicus geheeten, die door Nero vergiftigd is (55).—4) Van zijne vierde vrouw, Agrippīna, de dochter van Germanicus, kreeg hijzelf geene kinderen. Haar zoon uit een vroeger huwelijk, de latere keizer Nero, werd echter door Claudius als zoon aangenomen.

N.B. De afstammelingen van Tiberius en Drusus, de aangenomen zonen van Augustus, voerden, voor zoover zij van het mannelijk geslacht waren, allen den familienaam Caesar. De vrouwelijke leden moeten allen ook Iulia geheeten hebben, zooals van sommige vermeld wordt.

Iulius Tutor, aanvoerder van de Galliërs in den bataafschen opstand, zie Civilis.

Iuliobona, zie Caletes.

Iulis, Ἰουλίς, hoofdstad op het eiland Ceos.

Iulus, Ἴουλος = Ascanius, zoon van Aenēas. Hij had twee zoons, waarvan de oudste ook Iulus, de jongste Silvius heette.

Iunia (lex), de peregrinis van den volkstribuun M. Iunius Pennus, 126. Door deze wet werd aan de peregrini het verblijf te Rome ontzegd. Eene wet van gelijke strekking was de lex Papia, in 65. Beide wetten worden door Cicero sterk veroordeeld.

Iunia Licinia (lex) van de consuls D. Iunius Silānus en L. Licinius Murēna, 62. Zij verbood, wetten heimelijk in het aerarium te brengen, hetgeen vermoedelijk beteekent, dat de nieuwe wetten voortaan onder getuigen in het archief moesten worden gedeponeerd.

Iunia Norbāna (lex), onder keizer Tiberius, 19 na C. Deze wet bepaalde, dat slaven, die modis minus iustis waren vrijgelaten (dus niet per vindictam, per censum of per testamentum), niet het burgerrecht zouden erlangen, maar een rechtstoestand zouden hebben in den trant der vroegere latijnsche koloniën. Zulke vrijgelatenen worden Latini Iuniani geheeten. Zie ius Latii.

Iunii, een oud patricisch geslacht, dat, evenals de Iulii, van trojaanschen bloede heette te zijn. Het eerst wordt genoemd—1) M. Iunius, gehuwd met Tarquinia, eene zuster van Tarquinius Superbus. Hij werd met zijn oudsten zoon door den koning omgebracht.—2) L. Iunius Brutus (= de stompzinnige), zoon van no. 1. Hij ontsnapte den dood door zich als half onwijs voor te doen. Hij begeleidde de zonen van Tarquinius op een reis naar Delphi, en was de éénige, die de orakelspreuk begreep, die de god hun op hun vraag meegegeven had: wie het eerst te Rome zijn moeder kuste, zou te Rome regeeren; hij nu kuste den grond, en werd zóó doende later de eerste consul van Rome. Toen de verbittering des volks tegen Tarquinius Superbus en diens zonen door de onteering van Lucretia tot eene uitbarsting was gekomen, bewoog Brutus het leger tot den afval en werd een van de eerste consuls. Hem trof het harde lot, dat hij zijne beide zoons ter dood moest veroordeelen wegens samenzwering ten gunste van den verdreven koning. In hetzelfde jaar (509) sneuvelde hij, daar hij en ’s konings zoon Aruns in den slag elkander gelijktijdig doorstaken. Er werd een standbeeld voor hem opgericht. Deze Iunii behooren tot het gebied der legende.

Iunii, een plebejisch geslacht, waarvan geene verwantschap met het vorige te ontdekken is. 1) L. Iunius Brutus, een der voorvechters der eerste secessio plebis en in 493 een der eerste volkstribunen. Zie echter tribuni plebis en secessio.—2) Dec. Iunius Brutus Scaeva, consul in 325, streed voorspoedig tegen de Vestīni in Samnium. De berichten omtrent dezen veldtocht zijn niet geheel betrouwbaar.—3) C. Iunius Bubulcus Brutus, consul in 317, 313 en 311, in 312 magister equitum van den dictator C. Sulpicius Longus, en in 309 van L. Papirius Cursor, in 302 zelf dictator, streed roemrijk tegen Samnieten en Aequers, wijdde in 302 (v.a. 304) den tempel van Salus (z. Fabii no. 24).—4) D. Iunius Brutus, bijgenaamd Callaïcus, consul 138, overwon de Callaeci (Galliciërs) in Hispania en de Lusitaniërs (in Portugal) (138–137). Hij heeft Olysipo (Lissabon) aan den mond van de Taag versterkt, en Valentia no. 1 gesticht. Hij wordt een vrij goed redenaar genoemd, en was een man van fijne beschaving.—5) D. Iunius Brutus, consul in 77, gehuwd met Catilīna’s vriendin Sempronia.—6) D. Iunius Brutus, zoon van no. 5, diende onder Caesar in Gallia, waar hij de Veneti versloeg (56) en tegen Vercingetorix streed. In den burgeroorlog was hij admiraal van Caesar en werd door hem tot stadhouder van Gallia Cisalpīna benoemd. Toch sloot hij zich bij de samenzweerders aan, vermoedelijk uit oprechte overtuiging. Na Caesars dood had hij met Antonius, die hem zijne provincie betwistte, een oorlog te voeren (bellum Mutinense, zie Antonii no. 4). Toen Octaviānus ook de moordenaars van Caesar begon te vervolgen, en het meerendeel van Brutus’ troepen afvallig werd, vluchtte hij naar M. Brutus, doch werd onderweg door een vriend, een gallisch opperhoofd, Camillus, gevangen genomen en op last van Antonius omgebracht.—7) M. Iunius Brutus, rechtsgeleerde (± 136), schrijver van een werk de iure civili.—8) M. Iunius Brutus, ook een groot rechtsgeleerde en geleerd man, stelde als volkstribuun in 83 voor, eene sterke rom. kolonie naar Capua te zenden, wat door Cicero zeer wordt afgekeurd. In den burgeroorlog was hij bij de mariaansche partij. Hij verdedigde Mutina tegen Pompeius. Na Sulla’s dood sloot hij zich bij den oproerigen consul M. Aemilius Lepidus aan, doch werd op last van Pompeius vermoord, 77.—9) M. Iunius Brutus, ook wel eens Q. Caepio Brutus geheeten, daar hij door Q. Servilius Caepio (Servilii no. 18 z. a.) geadopteerd was, zoon van no. 8 en van Servilia, de beroemde stiefzuster van Cato van Utica (Servilii no. 19), ontving onder de leiding van zijne moeder en van zijn oom eene zorgvuldige opvoeding. Bij het uitbarsten van den burgeroorlog volgde hij eerst de vanen van Pompeius, na den slag bij Pharsālus evenwel werd hij de gunsteling van Caesar, die om der moeder wille den zoon van Servilia genegen was en spoedig Brutus zelven lief kreeg om zijne voortreffelijke eigenschappen. In 45 gaf Caesar hem het stadhouderschap over Gallia Cisalpīna, waarvan Brutus zich met onbaatzuchtigheid kweet. Ook Cicero achtte hem hoog, droeg hem zijne geschriften Orator, de finibus bonorum et malorum en de Tusculanae disputationes op en liet hem de hoofdrol vervullen in het werk de claris oratoribus. In 44 droeg Caesar aan Brutus de praetura urbana op, waardoor hij C. Cassius teleurstelde en hevig verbitterde. Door dezen liet Brutus zich medesleepen in de samenzwering tegen zijn weldoener, niet uit persoonlijke eerzucht, maar in den waan dat Caesars dood de wedergeboorte der republiek zou zijn. Na den moord begaf Brutus zich niet terstond naar zijne provincie Macedonia, maar toefde nog in Italia, in de hoop, dat de openbare meening te Rome zich tegen M. Antonius en Octaviānus zou keeren. Eerst in Sept. ging Brutus naar Macedonia, dat onderwijl door den senaat aan M. Antonius was toegewezen, die deze provincie weer voor Gallia Cisalpina verruilde (zie Antoniae leges no. 8, en Antonii no. 4 en 5), en aan zijn broeder C. afstond. Ook later verloren Brutus en Cassius een kostbaren tijd met niets doen, en lieten den driemannen den tijd zich te versterken. Bij Philippi in Macedonia had de beslissende slag plaats (herfst van 42). Brutus en Cassius hadden omstreeks 90000 man. In den eersten slag zegevierde Brutus op Octavianus, doch Antonius op Cassius, die zich in wanhoop liet dooden. In den tweeden slag werd ook Brutus verslagen, waarop hij zich zelf in zijn zwaard stortte. Zie ook Cassii no. 8. Zijne echtgenoote Porcia, Cato’s dochter, liet zich op het bericht van zijn dood door kolendamp verstikken. De grootste fout van Brutus was zwakheid van karakter. Hij heeft boeken over wijsbegeerte en redekunst geschreven.—10) M. Iunius Gracchānus, vriend van C. Gracchus, aan welke vriendschap hij zijn bijnaam te danken had, schrijver van een boek de potestatibus.—11) M. Iunius Pennus, volkstribuun in 126, de auctor der lex Iunia de peregrinis, tegenstander der Gracchen.—12) L. Iunius Pullus, consul 249, verloor zijn geheele vloot door schipbreuk bij Phintias aan de Zuidkust van Sicilia.—13) M. Iunius Brutus Pera, dictator in 216 na den slag bij Cannae.—14) M. Iunius Silānus ging in 211 met Scipio (later Africānus maior) naar Hispania en behaalde als onderbevelhebber overwinningen op Mago en Hanno. Zijn zoon sneuvelde in 196 in den oorlog tegen de Bojers.—15) D. Iunius Silanus Manlianus, een geboren Manlius Torquātus, had zich als propraetor van Macedonia aan afpersingen schuldig gemaakt. Toen er nu klachten bij den senaat inkwamen, verzocht de vader T. Manlius Torquatus (Manlii no. 12) dat hem het onderzoek zou worden opgedragen. Hij bevond den zoon schuldig en verbande hem uit zijne oogen, waarop Silanus zich ophing (141).—16) M. Junius Silanus, werd als consul in 109 door de Cimbren in Gallia geheel verslagen.—17) D. Iunius Silanus, stiefvader van no. 9, consul in 62, stemde in 63 als consul designatus het eerst voor veroordeeling der 4 Catilinarii. Hij was een goed redenaar. Zie Iunia Licinia (lex).—18) M. Iunius Silanus koos na Caesars dood de partij van Antonius en werd in 25 met Octavianus consul. Hij was een zwager van Lepidus. Hij moet niet verward worden met zijn naamgenoot, die legaat was van Caesar in Gallia.—19) M. Iunius Silanus, onder Caligula stadhouder van Africa en een van ’s keizers slachtoffers.—20) L. Iunius Silanus, een man van zeer braaf karakter, werd als afstammeling van Augustus het slachtoffer van Nero’s achterdocht (65).—21) Iunius Blaesus, vader en zoon. De eerste was onder Augustus en Tiberius bevelhebber in Pannonia. Tiberius gaf hem den titel van imperator, welk eerbewijs na hem aan geen onderdaan meer ten deel viel. Hij was een oom van Seiānus en verloor na diens val zijn invloed. De zoon, die onder zijn vader gediend had, maakte zich in 36 van kant, omdat hij bij Tiberius in ongenade gevallen was. Een kleinzoon, die zich in 69 bij Vitellius had aangesloten, werd door dezen uit wantrouwen uit den weg geruimd.—22) L. Iunius Arulēnus Rusticus werd door Domitiānus ter dood veroordeeld, omdat hij in geschrifte den lof had verkondigd van Paetus Thrasea en Helvidius Priscus.—23) C. Iunius (familie-naam onbekend), tijdgenoot van Cicero, werd veroordeeld omdat hij als iudex quaestionis zich had laten omkoopen (74).—24) L. Iunius Brutus Damasippus, gewoonlijk verkeerdelijk L. Licinius Damasippus genoemd, z. Licinii no. 19.—25) Q. Iunius Rusticus, z. Rusticus no. 2.

Iuno, koningin van den hemel en de goden (Regīna), later zuster en gemalin van Jupiter, als beschermster van den romeinschen staat (Quirītis) met Jupiter en Minerva op het Capitolium vereerd (Capitolīna). Bovenal is zij de godin der vrouwen, wien zij in alle levensomstandigheden, in ongehuwden en gehuwden staat, bij het huwelijk zelf en alle daarmede verbonden plechtigheden, bij het baren van kinderen, enz., helpend ter zijde staat; vandaar hare talrijke bijnamen, als: Virginālis, Matronālis, Iugālis, Pronuba, Lucīna e. a. Zelfs heeft iedere vrouw hare Juno, evenals ieder man zijn Genius. Hare voornaamste feesten waren de Matronalia op 1 Maart (Calendae feminarum) en de Nonae Caprotinae op 7 Juli (z. Caprotina); de geheele maand Juni was haar gewijd en verder alle Kalendae. Als Juno Moneta had zij een tempel op de arx, waar de munt geslagen werd, die daarnaar benoemd is. Men offerde haar lammeren, witte koeien, enz., de gans werd als een haar geheiligd dier beschouwd. Als koningin des hemels wordt zij vereenzelvigd met de grieksche Hera en dochter van Saturnus en Ops genoemd, ofschoon zij meer macht en een meer uitgebreiden eigen werkkring heeft dan deze.

Iunonis promunturium, τὸ τῆς Ἥρας ἀκρωτήριον, naam van twee kapen, de eene aan de Zuidpunt van Hispania, thans kaap Trafalgar, de andere aan de westkant der corinthische landengte, ook Heraeum prom. genaamd.

Iupiter, de god van den hemel, de hoogste god der Romeinen, de goede en machtige god (Optimus Maximus), die in den hemel beschikt over licht en duisternis, storm, onweder, regen, enz. (Diespiter, Serēnus, Fulgur, later Fulminātor, Tonitruālis, Pluvius), en op aarde het lot van individuen en staten beheerscht, in hunne wederzijdsche betrekkingen wetten, recht en goede trouw beschermt, en zijn wil door wonderteekenen (Prodigiālis) en orakels openbaart. Voornamelijk is hij de beschermgod van den romeinschen staat (Conservātor, Custos), dien hij voor de wereldheerschappij bestemd heeft, en welks legers hij tegenover de vijanden van de vlucht terughoudt (Stator) en tot de overwinning leidt (Victor). Als zoodanig heeft hij met Juno en Minerva zijn tempel op het Capitolium (Capitolīnus), waar hij door overheden en particulieren in alle gewichtige omstandigheden aangebeden wordt, waar de consul hem offers bracht als hij ten strijde trok en de uit den oorlog teruggekeerde overwinnaar hem zijn fasces en lauwerkrans aanbood (Triumphalis) of hem de behaalde spolia opīma wijdde (Feretrius). Evenzoo was hij in ouden tijd de god van het latijnsch verbond geweest (Latiāris), en werd hij later in het bijzonder de god der romeinsche keizers. Bij het huwelijk per confarreationem (z. a.) werd hij aangeroepen als Jupiter farreus. Ter eere van J. Capitolinus vierde men de Ludi Romani, Capitolini, Magni en Plebēi, ter eere van J. Latiaris de Feriae Latinae. Ook de Vinalia (z. a.) worden hem ter eere gevierd. De Idus van elke maand zijn hem gewijd. Ook wordt hij geëerd door twee epulae Iovis op de 1sten van September en November. Zijn bode en zinnebeeld is de arend.—Als hoogste god werd hij vereenzelvigd met Zeus en de zoon van Saturnus en Ops genoemd, en toen Sulla zijn tempel op het Capitolium na den brand liet herbouwen, werd zijn beeld geheel eene navolging van dat van Zeus te Olympia.

Iura (mons), Ἰόρας, Ἰουρασσός, Ἰουρασιός, thans Jura, tusschen de Sequani en de Helvetii.

Iurisconsulti, ook iure consulti, iurisprudentes genoemd, waren, zooals de naam aanwijst, rom. rechtskundigen. In den oudsten tijd der republiek was het ius civile nauw verwant met het ius sacrum. Alles hing aaneen met vaste vormen en formulieren, die nauwkeurig moesten worden in acht genomen, wilde men zijn proces niet verliezen. Deze vormen waren te vinden in de libri pontificum. en werden voor de plebs zooveel mogelijk geheim gehouden. De iurisconsulti nu gaven inlichtingen aan hunne vrienden en cliënten omtrent de rechtsdagen en hetgeen men had in acht te nemen. Het ius Flavianum (z. a.) maakte aan deze geheimzinnigheid een einde en het geven van adviezen hield op het werk van priesters en enkele bevoorrechten te zijn, terwijl bovendien de invoering der formulae door de lex Aebutia de rechtspraak los maakte van den vroegeren omhaal. De iurisconsulti waren nu aanzienlijke mannen, die wetten en rechtsgeleerde boeken hadden bestudeerd en, hetzij te huis, hetzij op het forum, op bepaalde uren te spreken waren om adviezen te geven (respondere), als men hen kwam raadplegen (consulere), en die ook allerlei documenten opstelden, als testamenten, borgstellingen, contracten, aanklachten, enz. Ook gaven zij uitlegging van wetten. Jongelingen, die als rechtsgeleerden of pleiters wilden opgeleid worden, gingen bij zulke iurisconsulti in de leer en woonden hunne adviezen bij. Pleiten deden deze rechtskundigen niet. Het kon niet anders, of langzamerhand ontstond op deze wijze eene rechtswetenschap en de studie van het recht nam in omvang en diepte toe, naarmate de aequitas meer veld won op het strenge ius (zie ius honorarium). Die aequitas noopte de juristen, meer stelselmatige eenheid in het recht te brengen. Augustus kende aan de responsa prudentium kracht van wet toe bij rechtsvragen, die betwistbaar schenen. Er verrezen nu ook rechtsgeleerde scholen met bepaalde leeraars (professores iuris) en studenten (studiosi), die een leergeld of honorarium betaalden, wat bij de oude iurisconsulti niet het geval was.

Iüs, zie Ios.

Ius. Over de tegenstelling van in iure en in iudicio zie men iudicio (in).

Ius Aeliānum, een werk van S. Aelius Paetus, bijgenaamd Catus (± 200), over de wetten der XII tafelen, met eene verklaring van duistere en verouderde woorden en eene bijvoeging der vormen, waaraan men zich te houden had. Z. Aelii no. 1.

Ius civīle is het positieve recht, dat de rechtsbetrekkingen tusschen burgers onderling regelt. De volledige uitdrukking was ius civile Romanorum, te onderscheiden van ius Quiritium. Dit laatste sluit het rom. burgerrecht in, terwijl het eerste het specifiek rom. burgerlijk recht omvat.

Ius Flaviānum, de door Cn. Flavius in 304 openbaar gemaakte verzameling van formulieren en bijzonderheden, waarvan de stipte inachtneming in rechten gevorderd werd. Zie Flavii no. 2.

Ius gentilicium of gentilitatis, het recht om als lid eener gens erfrechten en voogdijrechten te doen gelden, wanneer een overledene geene heredes sui en geene agnaten had.

Ius gentium, in theorie het bij alle volken geldende internationale recht, ius commune omnium hominum, ius quod apud omnes populos peraeque custoditur, quod apud omnes gentes sanctum est. In de praktijk evenwel is het ius gentium het recht, dat de Rom. in toepassing brachten in het verkeer met vreemde volken, een peregrinenrecht. Het onderscheidde zich van het ius civile vooral in twee opzichten, dat het minder gebonden was aan de wettelijk voorgeschreven vormen, en ook niet aan het gebruik der latijnsche taal. Over de wijzigingen, die hieruit voor het ius civile voortvloeiden, zie men het artikel ius honorarium. Wat wij onder volkenrecht verstaan, wordt in het Latijn beter uitgedrukt door ius belli et pacis.

Ius honorum, verkiesbaarheid tot de onbezoldigde rom. staats- en priesterambten, die als eerbewijzen en geschenken van de zijde des volks werden beschouwd. Gewoonlijk verstaat men onder honores meer uitsluitend de hooge ambten, te beginnen met de quaestuur.

Ius honorarium of praetorium, het praetorenrecht, ontstaan uit de edicta praetorum. Wij zullen hier met een paar voorbeelden ter opheldering volstaan. Volgens de wetten der XII tafelen werd de fur manifestus als slaaf het eigendom van den bestolene, tenzij hij zich vrijkocht. De afkoopsom was echter aan willekeur overgelaten, totdat een praetorisch edict ze op het vierdubbel van het gestolene stelde. Of wel, het ius civile schreef nauwkeurig voor, op welke wijzen de eigendom van verschillende zaken moest overgaan. Voor res mancipi b.v. was eene formeele overdracht, eene mancipatio per aes et libram, voorgeschreven, ten overstaan van libripens en getuigen. Het ius gentium, het rom. peregrinenrecht, was echter niet zoo streng aan vormen gebonden. Wanneer nu een rom. burger door onwetendheid eene res mancipi had gekocht of verkregen, b.v. een paard of een ezel, doch niet onder den wettigen vorm, maar door eenvoudige traditio, dan kon hij strikt genomen hieraan geen recht ontleenen en stond dus achter bij een peregrinus. Om deze onbillijkheid weg te nemen, erkende het praetorische recht op grond der aequitas in sommige gevallen ook onvolledige vormen als geldig. Ook onder het artikel hereditas is een voorbeeld opgenoemd. Zóó werd het strenge ius civile met het mildere ius gentium in overeenstemming gebracht. Het aldus verkregen goed kon dan wel niet als dominium gerekend worden, maar het edict stond toe, het in bonis te hebben, het feitelijk te bezitten, terwijl het dan door verjaring (usus, usucapio) mettertijd eigendom ex iure Quiritium kon worden.

Ius imaginum. Van hen, die een curulisch ambt bekleed hadden, mochten hunne gezinnen en nakomelingen wassen borstbeelden of, beter gezegd, maskers (cerae) laten vervaardigen, die imagines genoemd werden en in het atrium in kasten werden bewaard, terwijl naam en rang onder elke beeltenis op een ivoren of metalen plaatje (titulus) vermeld waren. Op huiselijke feestdagen werden deze imagines te voorschijn gehaald en bekranst. Bij lijkstaatsies werden zij door huurlingen voor het gelaat gedragen, alsof de voorvaderen mede ter begrafenis gingen.

Ius italicum. De italische bodem was vrij van grondlasten en kon in quiritischen eigendom worden bezeten. Onder de keizers werd meermalen aan steden in de provinciën dit recht toegekend, d. w. z. de bodem werd gelijkgesteld met italischen grond, alsof hij in Italia gelegen ware. Natuurlijk moesten de inwoners rom. burgers zijn, daar zij anders bij gebreke van commercium toch niets aan het ius italicum zouden gehad hebben. De stelling mag echter niet omgekeerd worden: als eene provinciestad de civitas heeft, dan volgt hieruit nog niet het ius italicum. Tevens vloeit uit dit recht voort, dat de stad, daar zij niet langer als provinciestad beschouwd wordt, aan het rechtstreeksch bestuur van den stadhouder onttrokken wordt, en de vrijheid eener italische stad verkrijgt. Dit recht werd alleen aan koloniën geschonken; vandaar dat somtijds provinciesteden om het ius coloniae verzochten, in de hoop, later het ius italicum te verwerven.

Ius Latii. De coloniae latinae populi Romani werden als socii Latini beschouwd. Zij hadden met Rome conubium en commercium, en hare inwoners konden onder zekere omstandigheden het rom. burgerrecht erlangen. Ten opzichte van dit laatste onderscheidde men een Latium maius en minus. In de steden, welke het L. minus hadden, werd het rom. burgerrecht verkregen door het bekleeden van een overheidsambt, in die met het L. maius reeds door het lidmaatschap van den stedelijken senaat, den ordo decurionum. Toen in 90 en 89 geheel Italia door de lex Iulia en de lex Plautia Papiria het burgerrecht verkreeg, en in 89 Gallia Cispadāna door de lex Pompeia, en Transpadāna in 49 door eene andere lex Iulia, verdween het ius Latii in Italië, doch werd vervolgens aan een aantal provinciesteden toegekend als een tusschentoestand tusschen den staat van peregrinus en dien van civis. Zie ook lex Iunia Norbana.

Ius liberorum. De lex Iulia et Papia Poppaea (z.a.), in het jaar 8 na C., schonk, tot aanmoediging van het huwelijk, voorrechten aan ouders van drie of meer wettige kinderen. O.a. ontsloeg zij vrijgeboren vrouwen na den dood harer echtgenooten van voogdij, indien zij vier kinderen hadden. Aan mannen schonk het ius liberorum een voorrang bij het dingen naar een ambt, een zekeren vrijdom van lasten, enz. Meermalen echter komt het voor, dat de keizers het ius liberorum uit gunst verleenen, zelfs aan personen zonder kinderen.

Ius naturae, bij de Rom. synoniem met ius gentium.

Ius Papisianum (Papirianum), eene verzameling wetten, zoogenaamd uit den koningstijd (leges regiae), voornamelijk op den eeredienst betrekking hebbende. Zij draagt haar naam naar zekeren Sextus v. a. Gaius Papisius (Papirius), omtrent wien overigens niets bekend is. Een uittreksel hiervan maakte Granius Flaccus, z. Granii no. 1.

Ius pontificium of sacrum, het sacrale recht, in zaken, die den godsdienst raakten, zooals het was opgeteekend in de libri pontificum. Zie ook iurisconsulti in het begin.

Ius postliminii. Volgens dit recht trad de rom. burger, die door krijgsgevangenschap tijdelijk zijn burgerrecht had verloren, bij zijn terugkeer op rom. bodem onmiddellijk weder in het bezit zijner vroegere rechten.

Ius praetorium = ius honorarium.

Ius Quiritium of Quiritarium. Terwijl het ius civitatis de staatsburgerlijke rechten van den rom. burger omvatte, heeft ius Quiritium meer eene privaatrechtelijke beteekenis, ofschoon men dit niet hebben kan zonder civis te zijn. Onder de keizers, toen door de alleenheerschappij de staatsburgerlijke rechten vrij wel gelijk nul waren geworden, krijgt civitas de beteekenis van burgerrecht als ondeelbaar geheel, en zegt men dus van een peregrinus, die rom. burger wordt, dat hij het ius civitatis krijgt, terwijl dan een Latinus (zie ius Latii), die reeds een deel van het burgerrecht, conubium en commercium, heeft en dus slechts eene aanvulling krijgt, gezegd wordt het ius Quiritium te erlangen.

Ius sacrum, zie ius pontificium.

Iustīna, de schoone en verstandige gemalin van keizer Valentiniānus I (364–375 na C.). Na zijn dood nam zij als regentes voor hun vierjarig zoontje Valentinianus II, die samen met zijn halfbroeder Gratiānus tot Augustus was uitgeroepen, de regeering waar.

Iustīnus, 1) de schrijver der Historiae Philippicae (waarschijnlijk uit de derde eeuw n. C.), die behalve een algemeen historisch overzicht, meer in het bijzonder de geschiedenis van Macedonia bevatten. Het werk is een uittreksel van een veel grooter werk onder denzelfden titel geschreven door Trogus Pompeius, ten tijde van Augustus.—2) Justinus Martyr uit Flavia Neapolis in Palaestina, was eerst heiden, maar ging later tot het Christendom over, en onderging den martelaarsdood in 165 n. C. Hij is de schrijver van een apologie in twee deelen en andere werken. Vele werken die hem vroeger toegeschreven werden, zijn niet van hem.

Iustitium, stilstand van rechtszaken en tevens van alle openbare aangelegenheden. In tijden van nood en gevaar en algemeene verslagenheid werd somtijds bij senaatsbesluit zulk een algemeene stilstand van zaken afgekondigd. Onder de keizers komt zulk een iustitium (van ius en sistere) alleen voor bij gewichtige sterfgevallen in de keizerlijke familie.

Iuthungi, een germaansche stam, tot de Sueven behoorend, en verwant met de Alemannen, waarin ze later opgaan. Ze komen voor het eerst in de 3de eeuw n. C. voor; ze woonden ten N. van Vindelicia en Raetia.

Iuturna, oudtijds ook Diuturna geheeten, nimf van eene bron in Latium bij de rivier de Numīcus, waarvan het water genezende kracht had en te Rome bij vele offers gebruikt werd. Jupiter beminde haar en schonk haar tot loon voor hare wederliefde de onsterfelijkheid. Bij Janus werd zij moeder van Fontus. Zij was de zuster van Turnus, dien zij in den strijd tegen Aenēas bijstond, totdat Jupiter haar door de Dirae liet verjagen. Te Rome had zij een tempel, en vierde men te harer eer den 11den Januari een feest, de Iuturnalia; bovendien werd zij in tijden van droogte aangeroepen. De aan haar gewijde lacus Iuturnae bij den tempel van Castor en Pollux aan den voet van den Palatinus is bij de opgravingen van 1900–1902 weer te voorschijn gekomen.

Iuvāvum, thans Salzburg, aan den Iuvavus (Salzach), eene belangrijke stad in Noricum.

Iuvenālis (D. Iunius), geboren te Aquīnum in Latium, genoot eene rhetorische opleiding, doch is vooral bekend als hekeldichter onder de regeering van Traiānus. In zijne 16 satiren geeselt hij met bitteren spot en verontwaardiging het zedenbederf van zijn tijd, doch niet zonder zich aan rhetorische overdrijving schuldig te maken. Volgens een verhaal, dat door sommigen betwijfeld wordt, zou hij onder Traianus in Aegypte, waar hij een militaire betrekking bekleedde, op hoogen leeftijd gestorven zijn.

Iuvencus (C. Vettius Aquilius), een Spaansch presbyter, gaf in 329 of 330 n. Chr. in epische versmaat in den trant van Vergilius in 4 boeken een bewerking der Evangeliën uit, waarbij hij vooral Matthaeus volgt.

Iuventii, een geslacht, uit Tusculum afkomstig. 1) M. Iuventius Thalna, in 170 volkstribuun, de eerste uit dit geslacht die het consulaat bekleedde (163), onderwierp Corsica en bleef plotseling dood, op het oogenblik dat hij de dankbetuiging van den senaat ontving.—2) P. Juventius, werd als praetor door Andriscus in Macedonia verslagen, en sneuvelde (149).—3) M. Iuventius Laterensis leed bij zijne candidatuur voor de aediliteit in 55 eene nederlaag, en klaagde hierop zijn gelukkiger mededinger Cn. Plancius aan van het oprichten van onwettige kiesvereenigingen (sodalitia) tot het omkoopen van stemmen. Cicero, schoon met Juventius bevriend, verdedigde Plancius, aan wien hij verplichting had. Na Caesars dood werd Juventius legaat van Lepidus, doch zag zijne troepen tot M. Antonius overloopen, en bracht toen zichzelf om het leven.—4) schrijver van fabulae palliatae (2de eeuw).—5) P. Iuventius Celsus, twee beroemde rechtsgeleerden, vader en zoon, de eerste ten tijde van Vespasiānus, de tweede onder Domitiānus, Nerva, Traiānus en Hadriānus.

Iuvernia, Ivernia = Hibernia (Ierland).

Ixīon, Ἰξίων, zoon van Ares of Phlegyas, koning der Lapithen. Hij was gehuwd met de dochter van Deïoneus, en toen deze de gewone bruidsgeschenken van hem vorderde, noodigde Ix. hem bij zich en stortte hij hem in een vuurpoel. Niemand wilde hem van die schuld reinigen, maar Zeus, die hem genegen was, deed het en liet hem tot de tafel der goden toe. Zelfs toen hij Hera met zijne liefde vervolgde, vergaf Zeus hem, en om hem tevreden te stellen, schiep hij een wolk (Nephele) in de gedaante van Hera, die bij Ix. moeder werd van de Centauren. Toen hij zich echter op de gunst van Hera begon te beroemen, wierp Zeus hem in den Tartarus, waar hij aan een vurig rad gebonden werd, dat altijd ronddraait.

Ixionides, Ἰξιονίδης, Pirithoüs en de Centauren, zonen van Ixīon.

Iynx, Ἴυγξ, dochter van Peitho of Echo, die door toovermiddelen Zeus had doen ontbranden in liefde voor Io. Daarom veranderde Hera haar in een vogel, die als toovermiddel gebruikt wordt om liefde op te wekken. Men bond hem daartoe op een rad met vier spaken, dat men onder het uitspreken van tooverwoorden ronddraaide. Iāson zou dit middel van Aphrodīte geleerd en daarmede het hart van Medēa gewonnen hebben.