Monoeci portus, zie Herculis mon. p.
Monoecus, Μόνοικος, bijnaam van Heracles op de kust van Ligurië, in het tegenwoordige Monaco.
Monopterus, μονόπτερος, tempeltje in den vorm van een open koepel, dus zonder cella.
Mons Sacer = Sacer Mons.
Monstrum, zie Auguria.
Mopsium, Μόψιον, heuvel en stad in Thessalia tusschen Tempe en Larissa.
Mopsopia, Μοψοπία, oude naam voor Attica naar een overouden koning Mopsopus of Mopsops. Bij dichters mopsopius = atheensch, attisch.
Mopsucrēne, Μόψου κρήνη, stad in Cilicia, ten N. van Tarsus.
Mopsuestia, Μόψου ἑστία, stad in Cilicia aan den Pyramus, in de aleïsche vlakte, ἀλήιον πέδιον.
Mopsus, Μόψος, 1) zoon van Ampyx of Apollo en Chlōris, Lapithe, nam deel aan de calydonische jacht en vergezelde de Argonauten als waarzegger; op dezen tocht stierf hij in Lybië aan een slangebeet. Hij werd als heros vereerd.—2) zoon van Rhacius of Apollo en Manto, beroemd waarzegger (z. Calchas en Amphilochus). Hij had te Colophon en te Mallus tempels, waar orakels gegeven werden.
Μόρα, bij de Spartanen sedert den derden messenischen oorlog eene afdeeling zware infanterie, waarschijnlijk in den regel 600 man tellend, doch niet altijd van dezelfde getalsterkte. Zes μόραι vormden het hoplietenleger.
Morbus comitiālis, vallende ziekte, aldus genoemd, omdat, wanneer iemand staande de comitiën een toeval kreeg, deze gestaakt moesten worden.
Morgantium, Morgantia, Μοργάντιον of -τίνη, oude stad in het binnenland van Sicilia, ten Z. W. van Centuripae, gesticht door een uit Italia verdreven stam der Morgetes, Μόργητες.
Morgētes, Μόργητες, een afdeeling der Oenotri in Zuid-Italia. Zie Morgantium.
Morīni, Μορινοί, volk in Belgica, aan het tegenw. nauw van Calais. Uit hunne haven Itius portus was de overvaart naar Britannia het kortst.
Moriones, misvormde dwergen, dikwijls kunstmatig mismaakt en verwrongen en verstompt, halve idioten, die bij aanzienlijke Rom. als narren werden gehouden.
Mormo, Μορμώ, Μορμολύκη, spook in vrouwengestalte, waarmede men kinderen bang maakte.
Morpheus, Μορφεύς, zoon en dienaar van Hypnus, die den menschen in den droom verschijnt en daarbij altijd eene menschelijke gedaante aanneemt. Hij wordt voorgesteld als een bejaard, ernstig man met vleugels aan het hoofd. Zijne broeders Icelus en Phobētor verschijnen in den droom als dieren, Phantasus als een levenloos voorwerp.
Morsimus, Μόρσιμος, Athener, zoon van Philocles, arts en treurspeldichter, als zedeloos mensch en slecht dichter door Aristophanes gehekeld.
Morychus, Μόρυχος, atheensch treurspeldichter, wegens zijne middelmatige poëzie en zijn weelderig leven door Aristophanes scherp gehekeld.
Mosa, rivier in Belgica, thans de Maas. Een arm van deze rivier vereenigde zich met een Rijnarm, de Waal; deze vereeniging, confluens Mosae et Rheni, had echter niet plaats bij het tegenw. Woudrichem, want deze laatste verbinding is in de middeleeuwen gegraven, maar tusschen Dreumel en Rossum. Een andere Maasarm liep zelfstandig naar zee, en vormde het Helium ostium.
Moschi, Μόσχοι, volk in Colchis, waarnaar een Z.W. tak van den Caucasus den naam draagt van Moschicus mons.
Moschion, Μοσχίων, 1) atheensch treurspeldichter, jonger tijdgenoot van Euripides, dien hij in zijne werken schijnt nagevolgd te hebben. Wegens zijn zedeloos leven wordt hij door de blijspeldichters bespot.—2) geneesheer, dikwijls door Galēnus aangehaald.—3) atheensch beeldhouwer in het midden der 2de eeuw.
Moschus, Μόσχος, van Syracuse, bucolisch dichter, jonger tijdgenoot van Theocritus, van wien nog eenige werken overgebleven zijn.
Mosella (= Maasje), rivier in Belgica, thans de Moezel, door Ausonius bezongen.
Mosynoeci, Μοσύνοικοι ( = torenbewoners), volksstam op de kust van Pontus, die in suikerbroodvormige huizen woonde. De grieksche schrijvers vertellen allerlei merkwaardigs van hunne ruwe zeden. Hun hoogste genot was lekker eten en drinken. Wanneer hun koning zijn waardigheid niet naar behooren bekleedde, lieten zij hem van honger sterven.
Μόθακες, Μόδωνες, kinderen van spartaansche burgers en vrouwen uit den Helotenstand; zij waren vrij en hadden dikwijls het burgerrecht, ook werden zij met de jonge Spartanen opgevoed. Somtijds kregen zij het burgerrecht en sommige μόθακες, bijv. Lysander en Callicratidas, bekleedden hooge waardigheden.
Mothōne = Methōne.
Mutūca, stad in het Zuiden van Sicilia.
Motye, Μοτύη, oude stad op de N.W. kust van Sicilia, op een eilandje, dat met een brug aan het groote eiland verbonden was. De stad was afwisselend phoenicisch, carthaagsch, syracusaansch en wederom carthaagsch, tot Hamilcar de inwoners in 396 naar Lilybaeum overbracht.
Moxoēne, landschap van Armenia, ten Z. van het meer Thospītes.
Mucia (lex) van den volkstribuun P. Mucius Scaevola in 142, tot gerechtelijke vervolging van den praetor L. Hostius Tubulus, die zich had laten omkoopen.
Mucii, oud plebejisch geslacht. 1) C. Mucius Cordus had in 508 een aanslag gewaagd op koning Porsēna, die Rome belegerde, doch in plaats van den koning had hij diens schrijver doorstoken. Om te doen zien, hoe weinig hij den folterdood vreesde, stak hij de rechterhand in de vlam van een offervuur en verhaalde den koning, dat hij door het lot als de eerste was aangewezen van 300 jongelingen, die gezworen hadden, P. naar het leven te staan, zoo hij niet aftrok. Aldus het verhaal. Mucius verkreeg van de zijnen den naam Scaevola (= linksch), benevens een stuk land, de Mucia prata.—2) P. Mucius Scaevola was in 175 de eerste consul uit deze gens, en hield een zegetocht over de Liguriërs. Zijn broeder Q. was consul in 174.—3) P. Mucius Scaevola, zoon van den vorigen P. (no. 2), consul in 133, pontifex maximus sedert 131 of 130, eerst verdacht de plannen van Tib. Gracchus te begunstigen, was later een voorstander der optimatenpartij. Hij muntte uit door redenaarstalent en groote rechtskennis. Hij heeft waarschijnlijk de annales maximi uitgegeven, z. annales.—4) P. Licinius Crassus Muciānus, broeder van no. 3. Zie onder de Licinii no. 11.—5) Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 3, volkstribuun in 106, consul in 95 en pontifex maximus, bekleedde zijne meeste ambten tegelijk met den redenaar Crassus; hij was een streng eerlijk en rechtvaardig man, en bestuurde in 95 en 94 de provincie Asia zóó, dat de inwoners te zijner eer een jaarlijksch feest, Mucia, instelden. De tolpachters, aan wier woeker hij paal en perk stelde, durfden hem niet aan te tasten, maar veroordeelden zijn vriend, den legaat P. Rutilius Rufus. In 82 werd hij op last van den jongen Marius vermoord. Hij was een uitstekend rechtsgeleerde en groot redenaar.—6) Q. Mucius Scaevola, bijgenaamd de augur, consul in 117, zoon van den in no. 2 vermelden Q., was een man van gematigde beginselen, een verklaard vijand van geweld, o. a. tegen Gracchus; ook verzette hij zich tegen Sulla’s verlangen om de beide Mariussen, vader en zoon, met nog 10 anderen tot vijanden van den staat te verklaren (88). Hij was altijd bereid, met raad en daad hen bij te staan, die zijne hulp behoefden. Zijne uitnemende rechtskennis was eene reden, dat aanzienlijke jongelieden, o. a. Cicero en Atticus, er eene eer in stelden, zijne leerlingen te mogen zijn. Cicero voert hem in meer dan één geschrift als spreker in.—7) Q. Mucius Scaevola, zoon van no. 6, ook augur, was een groot vriend van Cicero en vergezelde diens broeder Quintus in 59 naar Asia.—8) Mucia Tertia, dochter van Q. Mucius Scaevola no. 5, halve zuster van Q. Metellus Celer en Q. Metellus Nepos, was de derde vrouw van Cn. Pompeius Magnus, doch werd wegens echtbreuk met Caesar door hem verstooten. Later huwde zij met M. Aemilius Scaurus. Zij trachtte in den burgeroorlog Octaviānus met haren zoon S. Pompeius te verzoenen.—9) Muciae, twee dochters van no. 6, beroemd om hare sierlijke taal.
Mugillānus, familienaam in de gens Papiria (Papirii no. 10).
Mulciber, die week en smeedbaar maakt, bijnaam van Vulcānus.
Mulsum, een drank, bereid uit most of wijn en honig.
Mulucha, Μολοχάθ, grensrivier tusschen Mauretania, het rijk van Bocchus, ten W. en Numidia, het rijk van Jugurtha, ten O.; in den keizertijd grens tusschen Mauretania Tingitāna ten W. en M. Caesariensis ten O.
Mulvius pons = Milvius pons.
Mulus Mariānus, een door Marius uitgevonden draagtoestel voor de bagage der soldaten. Hij bestond uit een staak, die waarschijnlijk met riemen op den rug werd vastgemaakt en waaraan van boven een plank bevestigd was om er den last op vast te binden.
Mummii, plebejisch geslacht, waarvan 1) in 187 twee volkstribunen, Q. en L., voorkomen, tegenstanders van M. Porcius Cato, toen deze de Scipiones (Cornelii no. 13 en 14) aanviel.—2) L. Mummius, een goedhartig en eerlijk, maar ruw en onbeschaafd man, die als consul in 146 naar Achaia werd gezonden en na de Achaeërs bij Leucopetra op den Isthmus verslagen te hebben, Corinthus veroverde, dat trouwens reeds door het grootste gedeelte der inwoners verlaten was. Van de achtergeblevenen werden velen vermoord, anderen als slaven verkocht, de stad werd geplunderd en aan de verwoesting prijs gegeven. Bij zijne terugkomst kreeg Mummius een zegetocht en den bijnaam Achaicus. In 142 was hij censor met Scipio Africānus minor; hij geraakte echter met hem in twist.—3) Sp. Mummius, broeder en legaat van no. 2, was meer beschaafd, hij had eenigen naam als redenaar en was de stoicijnsche wijsbegeerte toegedaan. Hij is de eerste Romein, die brieven in dichtmaat schreef, waarin hij op grappige wijze zijn wedervaren te Corinthe verhaalde.
Munatii, plebejisch geslacht, dat eerst tegen het einde der rom. republiek naam maakte. 1) L. Munatius Plancus, vriend en legaat van Caesar in Gallia, een man, schijnbaar van verzoenende gezindheid, die na Caesars dood zich bij Antonius en Lepidus aansloot, doch voor de moordenaars amnestie bepleitte. Toch was het de zucht om uit eigenbelang alle partijen te vriend te hebben, die hem dreef, en de vrees zichzelf te benadeelen maakte hem veeltijds besluiteloos. In 44 en 43 bestuurde hij Gallia comata en stichtte toen Rauraca, later Augusta Rauracorum geheeten, en Lugdunum (no. 1). In 42 was hij consul, in 40 voor Antonius landvoogd van Syria, waar hij afpersingen pleegde; vervolgens liep hij tot Octaviānus over, voor wien hij later den titel Augustus bedacht. Zijn bijzonder leven was ver van smetteloos. Horatius wijdde hem een ode.—2) Cn. Munatius Plancus, broeder van no. 1, diende eerst onder Caesar en later onder zijn broeder, doch moest wegens ziekte naar huis terugkeeren.—3) T. Munatius Plancus Bursa, broeder van no. 1 en 2, volkstribuun in 52, ijverde voor Clodius en tegen Milo. Daarom trad Cicero als aanklager tegen hem op en hij werd veroordeeld. Later werd hij door Caesar teruggeroepen. In den Mutinensischen oorlog diende hij onder Antonius.—4) L. Plautius Plancus, door een Plautius geadopteerd, broeder der drie vorigen, kwam om bij de vogelvrijverklaringen onder het tweede driemanschap.
Munda, 1) stad in Baetica, ergens in den omtrek van Corduba (Cordova), bekend door de overwinning van Scipio op de Carthagers (214) en van Caesar op de zonen van Pompeius (45).—2) stad der Celtibēri in Tarraconensis.—3) rivier in Lusitania, thans Mondego.
Mundobrīga = Medobrīga.
Mundus is een kuil (fossa), waarvan men vooronderstelt, dat hij met de onderwereld in verbinding staat. Gewoonlijk is deze kuil gesloten; slechts op 24 Augustus, 5 October en 8 November wordt hij geopend; men spreekt dan van mundus patet; de schimmen der afgestorvenen hebben dan gelegenheid de aarde weder te bezoeken. Vooral wordt de naam mundus gebruikt voor een kuil, die bij de stichting van Roma quadrata in het midden van de stad werd aangelegd, en waarin men de eerstelingen van allerlei veldvruchten wierp; de plaats lag vóór den lateren Apollotempel op den Palatīnus, en het altaar er bij heette ook Roma quadrata. Een andere mundus vond men op het forum, n. m. de lacus Curtius, zie Curtii no. 2. Hierin werden jaarlijks geldstukjes geofferd.
Municipium, stad, die bij Rome is ingelijfd, waarvan dus de burgers het rom. burgerrecht hebben, doch die tevens haar zelfstandig gemeentebestuur heeft behouden (zie daartegenover praefectura). De inwoners deelden in alle lasten der Romeinen, vooral dienstplicht en belasting, en hadden het commercium en conubium of één van beide, maar misten het ius suffragii et honorum. Ze hadden dus de civitas sine suffragio, en heetten municipes, d. w. z. qui munia capiunt, die de lasten op zich nemen (zonder de lusten). Tot deze steden behoorden o. a. Tusculum, Cumae, Fundi en Formiae. Langzamerhand kregen ze alle het volledig burgerrecht, zie Valeria (lex) van den volkstribuun Valerius Tappo (188). Na den oorlog met Pyrrhus hebben de Romeinen de civitas sine suffragio niet meer verleend, maar de verovering van Italia voltooid door het stichten van kolonies. Toen echter door de lex Iulia (90) en de lex Plautia Papiria (89) geheel Italia het burgerrecht verkreeg, werden alle zelfstandige steden van Italia municipia. Sedert dien tijd, vooral onder de keizers, werden verschillende steden in de provinciën tot municipia verheven. In den regel stonden aan het hoofd twee jaarlijksche overheden, duumviri iuri dicundo, eene enkele maal vindt men ook aedilen of een dictator. In den keizertijd bestond het stedelijk bestuur uit vier ambtenaren, n. m. II viri iuri dicundo en II viri aediles, die somtijds één college vormden. Verder had men een gemeenteraad, senatus, ordo decurionum of curia genoemd, die in den regel uit 100 leden bestond; aan het hoofd hiervan stonden de decemprimi. De senaat werd om de vijf jaar aangevuld bij den census door de II viri of III viri censoria potestate, gewoonlijk quinquennales genoemd. De burgerij (populus) was ingedeeld in tribus of in curiae, en kwam tributim of curiatim samen voor wetgeving, magistraats- en priesterkeuzen, evenals te Rome in de comitia. In bijna alle municipia vindt men pontifices en augures, door de comitia voor hun leven gekozen, verder flamines, die voor den tijd van één jaar door den gemeenteraad werden benoemd, en den eeredienst der geconsacreerde keizers, of van den nog regeerenden keizer verrichtten, flamines Augusti of Augustales geheeten. Hiervan onderscheiden waren de sexviri of seviri Augustales, die de spelen en offers, die ze gaven, zelf bekostigden. In den regel waren het libertini, en daar ze na afloop van het jaar hun eererechten behielden, vormden ze een bevoorrechten stand, ordo seviralium of ordo Augustalium geheeten. Met het priestercollege der sodales Augustales te Rome (zie sodales) hadden de Augustales in de municipia niets gemeen dan den naam.
Munimentum Corbulōnis, versterking in het land der Friezen, door Corbulo aangelegd.
Munus (gladiatorium), z. Ludi aan het slot, en Gladiatores.
Munychia, Μουνυχία, de oostelijkste en kleinste der drie oorlogshavens van Athene. De haven lag aan den voet van den heuvel Munychia, die een sterke vesting vormde. Dichterlijk munychius = atheensch.
Munychia, Μουνύχια, feest ter eere van Artemis Munychia, te Athene den 16den Munychion gevierd; men offerde haar koeken, die met lichtjes bezet waren en de volle maan voorstelden. De slag bij Salamis werd tegelijk hiermede herdacht.
Munychion, Μουνυχιών, 10de maand van het Attische jaar (April–Mei), z. Annus.
Munychus, Μούνυχος, 1) aanvoerder der Minyers, die, door de Thraciërs uit Orchomenus verdreven, zich in Attica vestigden.—2) = Munitus, z. Laodice no. 2.
Murcia, een godin, die een sacellum had in den Circus Flaminius te Rome, maar wier beteekenis reeds vroeg vergeten was; men noemde haar nu Myrtea, myrtengodin, en identificeerde haar met Venus.
Murēna, familienaam in de gens Licinia (Licinii no. 27–32).
Murgantia, 1) stad in Samnium.—2) = Morgantium.
Murrha of murra, eene stof, waaromtrent reeds bij de ouden verschil van gevoelen bestond. Men had er allerlei vaatwerk van, murrhina vasa, als: bekers, vazen, schepnappen, enz., waarvoor fabelachtige sommen werden betaald. Zij waren licht en broos. V. s. heeft men hier te doen met chineesch porselein, uit het verre Oosten aangevoerd. Anderen denken aan vloeispaath.
Mursa, Μοῦρσα, stad in Pannonia Inferior, aan den Dravus, dicht bij de monding in den Donau. Tgw. Essek.
Mus, familienaam in de gens Decia.
Musa, beroemd arts. Zie Antonii no. 14.
Musae, Μοῦσαι, godinnen van het gezang, later ook van poëzie, kunst en wetenschap. In de oudste tijden sprak men van slechts ééne Muze, later worden er drie genoemd, Melete, Mneme en Aoede, wier dienst door de Aloaden aan den Helicon zou ingevoerd zijn; gewoonlijk neemt men echter negen Muzen aan, terwijl aan iedere een bepaalde werkkring wordt aangewezen. Hare namen zijn: Clio, Euterpe, Thalīa, Melpomene, Terpsichore, Erato, Poly(hy)mnia, Urania en Calliope; zij zijn dochters van Zeus en Mnemosyne, v. a. van Uranus en Gaea en zijn geboren in Pieria (Πιερίδες, Πιμπληίδες). Inderdaad is de dienst der Muzen van dit land naar Boeotië aan den Helicon overgebracht, waar haar geliefkoosde plaats bleef (Ἑλικωνιάδες) en waar zij meer dan elders vereerd werden; hier hadden zij beelden en tempels, hier waren de haar gewijde bronnen Aganippe en Hippocrēne en werd door de Thespiërs te harer eere het groote feest Μουσεῖα gevierd. Niettemin verbreidde zich haar eeredienst over geheel Griekenland, vooral naar plaatsen, die rijk aan bronnen waren, en naar deze verschillende plaatsen hebben zij een groot aantal bijnamen.—Als godinnen van het gezang staan zij in betrekking tot Apollo, als godinnen der dramatische poëzie tot Dionȳsus, te Rome hadden zij een tempel gemeenschappelijk met Hercules. Over hare attributen zie de namen der verschillende Muzen.
Musaeus, Μουσαῖος, 1) mythisch zanger, priester en waarzegger in Attica, dikwijls zoon of leerling van Orpheus genoemd. Zijne voorspellingen werden ten tijde der Pisistratiden door Onomacritus verzameld en vervalscht.—2) van Ephesus, dichter van een episch gedicht Persēis e. a.; hij leefde aan het hof te Pergamum.—3) dichter van een bevallig epos over Hero en Leander; hij leefde laat in den romeinschen keizerstijd, misschien eerst in het begin der 6de eeuw.
Musagetes, Μουσαγέτης, bijnaam van Apollo als aanvoerder der Muzen.
Musculus, belegeringswerktuig, een schutdak, van voren schuin naar den grond afloopende, tot beschutting der soldaten, die eene mijn moesten graven.
Musēum, Μουσεῖον, tempel der Muzen of aan haar gewijd gebouw; bijzonder een gebouw te Alexandrië, waar de geleerden, die aan de bibliotheek werkzaam waren, woning en onderhoud vonden, het middelpunt der alexandrijnsche studiën. Bij de burgertwisten onder Aureliānus werd het verwoest.
Musicānus, Μουσικανός, indisch vorst, die zich aan Alexander d. G. onderwierp, en door hem in het bezit van zijn rijk bevestigd werd. Toen hij later afviel, werd hij gevangen genomen en ter dood gebracht.
Musonius Rufus (C.), stoicijnsch wijsgeer uit den rom. ridderstand, geboortig uit Volsinii, van een zóó edel karakter, dat Vespasiānus, toen hij de wijsgeeren uit Rome verbande (71 n. C.), hem uitzonderde en in hooge achting hield. Hij was door Nero als verdacht aan de samenzwering van Piso in 65 naar het eiland Gyarus verbannen, maar na diens dood teruggekeerd. Hij was de leermeester van Epictētus. Hij schreef in het Grieksch. Enkele fragmenten zijn er nog over.
Mustius (C.), rom. ridder, een van Cicero’s vrienden.
Musulāni, dappere volksstam in Numidia.
Muta, z. Larunda.
Muthul, rivier in Numidia, zijrivier van den Bagradas, bij de verdeeling als grens aangenomen tusschen Jugurtha’s gebied en dat van Adherbal. In het dal van deze rivier, versloeg Metellus Numidicus (Caecilii no. 13) Jugurtha in 108.
Mutina, Μουτίνη, thans Modena, fraaie, welvarende stad in Gallia Cisalpīna, aan de via Aemilia, sedert 183 rom. kol. Bellum Mutinense wordt de oorlog genoemd van 44–43, toen na Caesars dood M. Antonius D. Brutus uit zijn stadhouderschap van Gallia Cisalpina wilde ontzetten. Zie Antonii no. 4 en Iunii no. 6.
Mu(t)tines of Myttones, een Libyphoenix, valt van de Carthagers af en speelt Acragas den Romeinen in handen (210), waardoor Sicilië voor de Carthagers verloren gaat. Later wordt hij Romeinsch burger, en heet nu M. Valerius Mutines.
Mutīnus, -tūnus Tutūnus, god der vruchtbaarheid, geïdentificeerd met Priāpus.
Mutusca, Mutuesca, zie Trebula no. 2.
Mycale, Μυκάλη, voorgebergte op de aziatische kust tegenover het eiland Samus, bekend door de overwinning, die de Grieken in 479 onder Leotychides en Xanthippus te land en ter zee op de Perzen behaalden.
Mycalessus, Μυκαλησσός, oude boeotische stad, tot het gebied van Tanagra behoorende. Op deze plek zou de koe het eerst geloeid hebben (μυκᾶσθαι), welker spoor Cadmus volgen moest. In 413 werd de stad verwoest door thracische huurbenden in atheenschen dienst.
Myceensch tijdperk noemt men het tijdperk, dat op het aegaeische (z. a.) volgt en duurt tot de vestiging der Doriërs in de Peloponnēsus. De bloeitijd van deze cultuur is vóór-grieksch, en wordt ook wel cretensisch genoemd (2500–1500); hierop volgt dan 1500–1000 de eigenlijk myceensche of achaeische cultuur. Hoewel uit dit tijdperk geen geschreven geschiedenis over is, stellen overblijfselen, in groote hoeveelheid gevonden te Mycēnae, Tiryns, in Argolis, op de Cycladen en Creta, ons in staat ons den toen heerschenden beschavingstoestand voor te stellen. Groote gebouwen, paleizen en koningsgraven, en tal van kunstvoorwerpen in brons, goud en zilver, wijzen, bij het vorige tijdperk vergeleken, op aanmerkelijken vooruitgang in kunst en nijverheid.
Mycēnae, Μυκῆναι, stad in Argolis, de rijkszetel van Agamemnon en destijds de voornaamste stad van Griekenland. Toen echter de Doriërs in de Peloponnēsus vielen en Argolis grootendeels vermeesterden, taande de luister van Mycenae, hoewel het nog een afzonderlijk staatje bleef. Toen Mycenae zich bij Sparta had aangesloten, werd het in 468 door de bewoners van Argos aangevallen en verwoest, daar de bevolking door den honger de plaats ontruimen moest. Mycenae had cyclopische muren; eene der poorten, waarvan nog overblijfsels bestaan, wordt de leeuwenpoort genoemd. Bij dichters is Mycenaeus dux = Agamemnon, Mycēnis = Iphigenīa.
Mycēne, Μυκήνη, dochter van Inachus.
Mycerīnus, Μυκερῖνος, koning van Aegypte omstreeks de 30ste eeuw, bouwde een pyramide, kleiner maar schooner dan die van zijne voorgangers Cheops en Chephren.
Myci, Μύκοι, volk in het perzische landschap Gedrosia.
Myconus, Μύκονος, ook Mycone, eil. van de Cycladengroep, ten N.O. van Delus. Spreekwoordelijk μία Μύκονος = allemaal één pot nat, hetzij omdat de inwoners den naam hadden, allen kaalhoofdig te zijn, of wegens hun hebzucht en inhaligheid. Ook staan ze spreekwoordelijk bekend als klaploopers.
Mygdon, Μύγδων, 1) koning der Bebryciërs, door Heracles op zijne reis naar de Amazonen gedood.—2) zoon van Acmon, vader van Coroebus, koning der Phrygiërs, streed met Otreus en Priamus tegen de Amazonen. Naar hem Mygdones = Phrygiërs, Mygdonius = phrygisch.
Mygdonia, Μυγδονία, 1) landschap in Macedonia ten O. van den Axius (Vardar) en ten N. van Chalcidice.—2) streek ten Z. der Propontis in Phrygia en Bithynia, bevolkt door Mygdoniërs uit Thracia, zie Mygdon no. 2.—3) streek in het N.O. van Mesopotamia, Anthemusia, Ἀνθεμουσία, bloemengaard, genoemd.
Mygdonius, rivier in N.O. Mesopotamia, stroomt langs Nisibis en valt in den Chabōras (z.a.).
Myia, Μυῖα, 1) dochter van Pythagoras en Theāno, gehuwd met den worstelaar Milo.—2) dichteres van Thespiae, v. s. dezelfde als Corinna.—3) spartaansche dichteres, van wie lofzangen op Apollo en Artemis vermeld worden.
Mylae, Μύλαι, kolonie van Zancle, gesticht ± 715, vesting en havenstad op de N.kust van Sicilia. In de nabijheid behaalde Duillius in 260 de overwinning ter zee op de Carthagers en Agrippa in 36 op S. Pompeius.
Myla(s)sa, τὰ Μύλασσα, welvarende stad in het binnenland van Caria, oude koningsresidentie.
Mylitta, Μύλιττα, babylonische godin van bevruchting en voortplanting, moeder van het heelal, door de Grieken voor dezelfde gehouden als Aphrodīte Urania.
Myndus, Μύνδος, dorische kolonie in Caria nabij Halicarnassus. De stad was klein en had groote poorten. Toen Diogenes ze bezocht, gaf hij den raad, de poorten toch gesloten te houden, opdat de stad er niet uit zou loopen.
Myon, Myonia, Μύων, Μυωνία, stad der ozolische Locriërs, ten N. van Amphissa, hoog gelegen aan een gevaarlijke bergpas, die naar Aetolia voerde.
Myonnēsus, Μυόννησος (= mosseleiland), kaap en stad in Ionia aan de golf van Ephesus. Hier werd in 190 de vloot van Antiochus III van Syria door L. Aemilius Regillus vernietigd.
Myoparo, μυοπάρων, een licht, zeer snel loopend kaperschip.
Myos Hormus, μυὸς ὅρμος (= mosselhaven), belangrijke koopstad in Aegypte aan de Arabische golf, ongeveer tegenover de Zuidspits van Petraea.
Myra, τὰ Μύρα, aanzienlijke stad van Lycia, in den keizertijd hoofdstad van de provincie Lycia et Pamphylia, met de havenstad Andriace.
Myrcīnus, Μύρκινος of Μυρκῖνος, versterkte stad in Thracië, in het land der Edoniërs, ten N. van Amphipolis. De stad was gesticht door Histiaeus van Milētus, doch werd spoedig door de Edoniërs veroverd. Aristagoras sneuvelde hier, toen hij trachtte de plaats te herwinnen, in 497.
Myriandus, Myriandrus, Μυρίανδος, Μυρίανδρος, phoenicische volkplanting in Syria, aan de golf van Issus, een belangrijke handelsplaats.
Myrīna, Μυρίνα, 1) eene der steden van den aeolischen bond op de kust van Mysia, nabij Cyme.—2) stad op Lemnus.
Myrlēa, Μύρλεια, stad aan de Propontis in Bithynia, aan den Cianus sinus, door de Colophoniërs gekoloniseerd, door koning Prusias I (± 200) vergroot en naar zijne gemalin Apama in Apamēa verdoopt.
Myrmecides, Μυρμηκίδης, van Milētus, leefde ten tijde van Pericles te Athene als vervaardiger van fijne kunstwerken in ivoor en metaal.
Myrmidones, Μυρμιδόνες, het volk van Achilles. Volgens de sage was het eiland Aegīna door de pest ontvolkt en veranderde Zeus op de bede van Aeacus de mieren (μύρμηκες) in menschen. Onder Aeacus’ zoon Peleus zouden zij naar Thessalia getogen zijn, naar het landschap Phthiōtis.
Myro, Μυρώ = Moero.
Myron, Μύρων, 1) tyran van Sicyon, grootvader van Clisthenes no. 1.—2) van Eleutherae, beroemd beeldhouwer te Athene uit de eerste helft der 5de eeuw, leerling van Agelādas. Hij werkte bij voorkeur in metaal, zijne beelden van menschen en dieren muntten uit door natuurlijkheid. Vooral beroemd was zijne Koe en de Marsyasgroep; zijn Discobolus is op blz. 238 afgebeeld.—3) van Priēne, beschreef de geschiedenis van den eersten messenischen oorlog. Hij leefde in de 2de eeuw.
Myronides, Μυρωνίδης, zoon van Callias, een van de veldheeren der Atheners bij Plataeae, overwon de Corinthiërs bij Megara (457) en de Boeotiërs bij Oenophyta (456), waarna hij in bijna geheel Boeotië de democratie weder invoerde; van een krijgstocht naar Thessalië moest hij echter onverrichter zake terugkeeren. Als gematigd democraat streefde hij meer naar de ontwikkeling van Athene als landmacht dan als zeemacht.
Myrrha, Μύρρα, dochter van Cinyras en bij hem moeder van Adōnis.
Myrrhina, Μυρρίνη, ook Βυρσίνη geheeten, dochter van Callias, gemalin van Hippias no. 1.
Myrsilus, Myrtilus, Μυρσίλος, Μυρτίλος, 1) zoon van Hermes, wagenmenner van Oenomaüs (z. a.), dien hij aan Pelops verried. Pelops had hem tot loon voor zijn verraad de helft van het rijk van Oenomaüs beloofd, maar om zich van deze belofte te ontslaan, wierp hij M. in zee. Door Hermes werd deze als voerman onder de sterren geplaatst.—2) = Candaules.—3) tyran van Mytilēne, tijdgenoot van Alcaeus, die hem in zijne gedichten aanvalt.—4) van Methymna, geschiedschrijver in het begin der 3de eeuw.
Myrsinus, Μύρσινος, stad der Epeërs bij de N.W. kust van Elis, later Myrtuntium geheeten.
Myrtea, z. Murcia.
Myrtis, Μύρτις, van Anthēdon, lyrische dichteres, leermeesteres van Corinna en Pindarus genoemd.
Myrtōum (mare), Μυρτῷον πέλαγος, dat gedeelte der Aegaeïsche zee, dat tusschen de buitenrij der Cycladen en Griekenland ligt. De naam schijnt ontleend aan het eilandje Myrtus, Μύρτος of Myrto ten Z. van Euboea, dicht bij Geraestus.
Myrtuntium, Μυρτόντιον = Myrsinus.
Myrtus, Μύρτος, of Myrto, eiland, zie Myrtōum mare.
Mys, Μῦς, bekwaam graveur, τορευτής, te Athene ten tijde van Pericles; hij maakte o. a. het schild bij de Athēna Promachus van Phidias.
Myscellus, Μύσκελλος, van Argos, zoude volgens een orakel eerst kinderen krijgen, wanneer hij een stad gebouwd had op een plaats, waar hij het bij helderen hemel zou zien regenen. In Italië gekomen, begon zijne vrouw, wanhopende aan de mogelijkheid hiervan, bitter te weenen, en M., hierin de vervulling van het orakel ziende, stichtte de stad Croton. Later keerde hij naar Argos terug, waar hij aangeklaagd werd omdat hij tegen de wet zijn vaderland verlaten had, maar Heracles veranderde de zwarte boonen, waarmede de rechters hem ter dood veroordeeld hadden, voor de opening van de stembus in witte, zoodat hij vrijgesproken werd.
Myscon, Μύσκων, aanvoerder der Syracusanen in den oorlog tegen Athene.
Mysia, Μυσία, landstreek in het N.W. van Asia minor, bevolkt door den thracischen stam der Mysi, Μυσοί. Mysia heeft nooit een afzonderlijken staat, noch eene perzische satrapie uitgemaakt; vandaar dat de grenzen niet te bepalen zijn. Het noordelijke gedeelte langs de Propontis (zee van Marmara) is Mysia minor, ἡ μικρά, ook Phrygia ad Hellespontum geheeten, omdat het onder den satraap van Phrygia stond. Het binnenland ten Z. hiervan was Mysia maior, ἡ μεγάλη. Het oude trojaansche gebied werd Troas, Τρῳάς, genoemd. Langs de W.-kust strekte zich Aeolis uit. In het Z.W. had men de landstreek Teuthrania, Τευθρανία, de bakermat van het latere rijk van Pergamus. Mysius dux = Telephus.
Myson, Μύσων, door sommigen in plaats van Periander onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend.
Mistagōgus, μυσταγωγός, z. Eleusinia; alg. een gids, die vreemdelingen rondleidt, om hun de merkwaardigheden van een plaats te toonen.
Mysteria, μυστήρια, godsdienstplechtigheden, die alleen voor ingewijden toegankelijk zijn en waarvan de bizonderheden en de beteekenis voor niet-ingewijden streng geheim gehouden moeten worden. Zij bevatten niet alleen de gewone godsdienstige handelingen, offers, gebeden, enz., maar kenmerken zich door mimische en dramatische voorstellingen van de geschiedenis of van eene gebeurtenis uit de geschiedenis van den god, te wiens eere zij gevierd werden. Deze voorstellingen, gepaard met het vertoonen van bepaalde voorwerpen, die als het ware den god vertegenwoordigden (symbolen), waren er op ingericht om bij de geloovigen eene enthusiastische gemoedsbeweging te veroorzaken, waarin zij zich werkelijk in tegenwoordigheid van den god waanden en waardoor zij zich buitengemeen gelouterd en gesticht gevoelden. Dat de mysteriën dienstbaar gemaakt werden aan het verbreiden van een of ander dogma, dat buiten het volksgeloof stond, is niet waarschijnlijk; wel schijnen zij ten doel gehad te hebben het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel te bevestigen en het vertrouwen op te wekken, dat de ingewijden hiernamaals boven anderen bevoorrecht zouden zijn. De beroemdste mysteriën waren die van Demēter te Eleusis (z. Eleusinia), als bizonder heilig golden ook de samothracische mysteriën der Cabīri, ook Dionȳsus, Sabazius, Aphrodīte, Cybele, Isis, Osiris, Mithras e. a. werden op deze wijze vereerd.—De mysteriën zijn zeer oud en worden beschouwd als overblijfsels van pelasgischen eeredienst; een tijd lang door de helleensche godsvereering op den achtergrond gedrongen, herleefden zij vooral door den invloed der Orphici omstreeks het einde der 7de eeuw. Later, bij het verval van het oude geloof, gelukte het ook eene dergelijke vereering van vreemde godheden ingang te doen vinden, die soms, in weerwil van de tegenwerking van den staat, groote populariteit verwierven.
Mystes, μύστης, ingewijde van den laagsten graad bij de mysteriën, z. Eleusinia.
Mystrūm, μύστρον, grieksche maat voor natte waren, het 4de gedeelte van een cyathus.
Mytilēne, Μυτιλήνη, machtige en bloeiende hoofdstad van het eiland Lesbus, aan de O.-zijde gelegen, de geboorteplaats van Pittacus, Sappho, Alcaeus, Hellanīcus, thans Metelin. De stad kreeg een gevoeligen knak in 427, toen zij voor haren afval van het atheensche zeeverbond getuchtigd werd (zie Cleon). In den oorlog van Alexander den Gr. werd M. door de Perzen ingenomen, doch door Alex. heroverd. In 80 werd ze na een langdurig beleg door M. Minucius Thermus (Minucii no. 7) ingenomen, en streng gestraft voor haar afval en heulen met Mithradātes. De stad had twee havens.
Myūs, gen. -untis, Μυοῦς, stad in Caria aan de monding van den Maeander, de kleinste stad van het ionisch verbond, eene der drie steden, waarvan de inkomsten door Artaxerxes I aan Themistocles werden toegewezen. Door de sterke aanslibbing geraakte Myus meer en meer van de zee verwijderd en werd ten slotte verlaten, daar de inwoners naar Milētus verhuisden.