Tropaeum.

Tropaeum, τρόπαιον, een zegeteeken, door een leger op het slagveld opgericht, wanneer het de vijanden op de vlucht geslagen had. Door na den slag de oprichting van een tropaeum toe te laten en verlof te vragen om de gesneuvelden van het slagveld te halen en te begraven, erkende men als het ware de nederlaag geleden te hebben. Het tropaeum bestond uit een hoop buitgemaakte wapenen soms aan een boomstam opgehangen, waaraan men vooraf min of meer een menschelijke gedaante gegeven had. In latere tijden waren tropaea in het algemeen gedenkteekenen, ter eere eener overwinning of van een overwinnaar opgericht.

Trophonius, Τροφώνιος, broeder van Agamēdes (z. a.). Oorspronkelijk is hij geen heros, maar een orakelgod (v. d. ook Ζεὺς Τροφώνιος geheeten), die evenals Amphiaraus (z. a.) in een onderaardsch hol huist. Hij had een orakel in een hol nabij Lebadēa, dat vooral in latere tijden in hoog aanzien stond. Na verscheiden dagen van vasten, reinigingen, enz., werd men des nachts met een honigkoek in de handen in dit hol nedergelaten, en kreeg men daar in den slaap de gevraagde openbaringen.

Tros, Τρώς, 1) zoon van Erichthonius no. 2 en Astyoche, naar wien de stad Troje genoemd is. Hij was de vader van Ilus, Assaracus en Ganymēdes.—2) Trojaan, door Achilles gedood.

Trosmis, Τροσμίς, = Troesmis.

Trossuli, v. s. een woord van etruscischen oorsprong = equites. Het verdrong voor de ridders in actieven dienst het woord celeres en was ten tijde der Gracchen nog in gebruik. In later tijd beteekent trossulus een fat, een pronker.—Een plaatsje Trossulum komt in Etruria voor, ten Z. van Volsinii.

Trotilum, Τρώτιλον, stadje op Sicilia, ten N. van Syracuse, aan de kust.

Truentum, stad in Picēnum aan den mond van den Truentus, de rivier die langs Asculum stroomt. De stad heet ook castrum of castellum Truentīnum.

Trutulensis portus, haven op de kust van Britannia, van waar Agricola uitvoer om het eiland rond te varen, ten N. van de Firth of Forth.

Tryphon, Τρύφων, 1) veldheer van Alex. Balas, verdedigde de aanspraken op de regeering van diens zoon Antiochus VI tegen Demetrius Nicātor. Later liet hij Antiochus vermoorden en besteeg hij zelf den troon (142), wat de Rom., door zijne schitterende geschenken bewogen, oogluikend toelieten. Toen echter Antiochus Sidētes door de Rom. begunstigd werd, moest Tr. vluchten, hij ging naar Armenië, waar hij weldra den dood vond (137). Zijn eigenlijke naam was Diodotus, Tr. werd hij genoemd om zijn weelderig leven.—2) bijnaam van Ptolemaeus IV.—3) aanvoerder in den slavenopstand op Sicilia van 104; zijn eigenlijke naam was Salvius. Na zijn dood werd zijn onderaanvoerder Athenio (z. a.) zijn opvolger.—4) grammaticus in Alexandria, ten tijde van Augustus, schrijver van verscheiden werken over grieksche dialecten.—5) uitgever van de gedichten van Martiālis.

Trysa, Τρύσα, stad in het Z. van Lycië, in het binnenland, in de nabijheid van Myra, met het uit de 4de eeuw stammende Heroon, Ἡρῷον, van Gjölbaschi, waarvan het beeldhouwwerk naar Weenen is overgebracht.

Tuba, een metalen blaasinstrument, recht van vorm op de wijze eener bazuin of lange spreektrompet. Zij gaf een dieperen klank dan de gebogen hoorn.

Tubantes, een germaansch volk, bevriend met de Cheruscers, dat zijn naam heeft nagelaten in Twente (= Tubantia) in Overijsel. Ten tijde van Germanicus waren zij naar de streek tusschen Lippe en Ruhr verhuisd en trokken nog verder Z.O.waarts. Zij losten zich op in den bond der Franken.

Tubero, familienaam in de gens Aelia.

Tubertus, familienaam in de gens Postumia.

Tubilustrium, de vijfde of laatste dag der Quinquātrus (z. a.), waarop de tubae der tubicines sacrorum gewijd werden, omdat de tuba aan Minerva geheiligd was. Een ander tubilustrium wordt op 23 Mei vermeld.

Tucca, familienaam in de gens Plotia.

Tuder, oude stad in Umbria, rom. kolonie op een heuvel aan den Tiber.

Tuditānus, familienaam in de gens Sempronia (Sempronii no. 18–21).

Tuisco, god en stamvader der Germanen, uit de aarde geboren.

Tulingi, volksstam in Gallia, naburen der Helvetii.

Tullia, de gemalin van Tarquinius Superbus, de ontaarde dochter van Servius Tullius, die over haars vaders lijk zou gereden zijn. Zie over andere van dezen naam het art. Tullii.

Tulliae (leges) van M. Tullius Cicero, consul in 63. 1) de ambitu, tot verscherping der bestaande strafbepalingen. O. a. verbood deze wet, binnen den termijn van twee jaar voor het dingen naar eenig ambt zwaardvechtersspelen aan het volk te geven, tenzij om aan testamentaire bepalingen te voldoen. De straf na veroordeeling was tienjarige ballingschap.—2) de liberis legationibus, waarbij de duur er van tot een jaar werd beperkt, zie legatio libera.

Tulliānum, ondergrondsch kerkergewelf, dat slechts licht en toegang had door eene opening in de zoldering. Zie carcer.

Tullii, een oud geslacht, althans 1) M. Tullius werd onder Tarquinius Superbus met verdrinking gestraft wegens het mededeelen van geheimen.—2) M’. Tullius Longus, consul in 500.—3) M. Tullius Cicero, die dezen bijnaam kreeg wegens het verbouwen en verkoopen van erwten, een man van strenge, ouderwetsche zeden, was de grootvader van den redenaar. Hij stierf in 106, kort na diens geboorte.—4) M. Tullius Cicero, zoon van no. 3, woonde deels te Rome, deels te Arpinum. Hij was een wetenschappelijk man, die zich aan de opvoeding zijner zoons veel liet gelegen liggen.—5) M. Tullius Cicero, zoon van no. 4, werd den 3den Jan. 106 op een landgoedje bij Arpīnum geboren. Hij genoot van den dichter Archias (zie Licinii no. 37) onderwijs in de letteren, en later van den rechtsgeleerde Q. Mucius Scaevola (zie Mucii no. 6) in de studie van het recht. Ook de redenaar L. Licinius Crassus (zie Licinii no. 12) had nog een aandeel in de vorming van den jongeling en hield een oog op diens opvoeding, doch overleed, toen Cicero eerst 15 jaar was. In de philosophie volgde Cicero de lessen van den epicurist Phaedrus, vervolgens van den academischen wijsgeer Philo van Larīsa, die in 88 naar Rome was gekomen, en van den stoicijn Diodotus, in de welsprekendheid die van den griekschen rhetor Molo (zie Apollonius no. 3). Na ernstige, onverpoosde oefening trad hij in 81 in een civiel proces voor P. Quinctius op en in 80 in eene causa publica voor Sex. Roscius van Ameria (zie Roscii) tegen Sulla’s vrijgelatene en gunsteling Chrysogonus. Wegens redenen van gezondheid ondernam hij nu eene reis naar Griekenland, en vertoefde een paar jaren (79–77) te Athene, in Klein-Azië en op Rhodus, en hoorde de lessen van den academicus Antiochus van Ascalon (zie Antiochus no. 21), den epicurist Zeno (z. Zeno no. 5), den rhetor Demetrius Syrus (zie Demetrius no. 10), den stoicijn Posidonius (z. a.) en zijn vroegeren leermeester Molo. Geoefend en hersteld kwam hij te Rome terug en werd in 75 quaestor te Lilybaeum op Sicilia, in welke betrekking hij het bewijs gaf van onkreukbare eerlijkheid en zich ook jegens Rome verdienstelijk maakte door bij de heerschende schaarschte voor ruimen toevoer van koren uit Sicilia te zorgen. In 70 nam hij het proces op zich tegen C. Verres (z. a.), ofschoon deze den steun genoot der machtige Metelli (zie Caecilii no. 19, 20 en 21) en verdedigd werd door den beroemden pleiter en consul designatus Q. Hortensius Hortalus (zie Hortensii no. 3). In 69 was Cicero curulisch aediel, in 66 praetor (repetundarum), in 63 consul. In dien tusschentijd hield hij zijne studiën bij en trad hij bij herhaling als redenaar en pleiter op. Als praetor hield hij de oratio de imperio Cn. Pompēi (pro lege Manilia). Als consul gelukte het hem, de samenzwering van Catilīna (z. Sergii) te onderdrukken, wiens medeplichtigen hij, als op heeterdaad betrapt (zie o. a. Cornelii no. 48), zonder vorm van proces ter dood liet brengen. De senaat kende hem den eerenaam pater patriae toe, doch in 58 werd hij door den woelzieken volkstribuun P. Clodius Pulcher (zie Claudii no. 17) met eene uitsluitend tegen hem gerichte wet getroffen (zie Clodiae leges no. 5) en moest hij in ballingschap gaan, terwijl zijn huis door het volk werd omvergehaald. De lex Cornelia van den consul P. Corn. Lentulus Spinther riep hem in 57 terug; zijn huis werd op kosten van den staat herbouwd. Vooreerst trok Cicero zich nu van de staatszaken terug; in 52 verdedigde hij T. Annius Milo, beschuldigd wegens den moord van Clodius, doch zonder gunstig gevolg; in 51 werd hij zeer tegen zijn zin als proconsul naar Cilicia gezonden. Bij zijne terugkomst brak juist de strijd uit tusschen Caesar en Pompeius; na lange aarzeling koos Cicero de partij van den laatste. Na den slag bij Pharsālus en Pompeius’ dood ontving hij zijdelings van Caesar eene uitnoodiging om terug te keeren en werd met welwillendheid en voorkomendheid ontvangen. Huiselijk leed en droefheid over den ondergang der republiek bogen Cicero ter neder en hij trok zich op zijne landgoederen terug, waar hij in de studie der wijsbegeerte troost zocht. Na Caesars dood evenwel (44) meende hij, dat er een nieuwe dag van vrijheid zou aanbreken en kantte hij zich met hevigheid (in zijne zoogenaamde orationes Philippicae) tegen de willekeurige handelingen van Antonius (no. 4). Toen nu, wat Cicero niet schijnt verwacht te hebben, Octaviānus en Antonius de handen ineensloegen en zich met Lepidus tot IIIviri rei publicae constituendae lieten benoemen (43), was ook Cicero’s lot beslist, hij werd vogelvrij verklaard; dit bericht ontving hij op zijn landgoed bij Tusculum, hij maakte zich wel op tot de vlucht, doch werd onderweg nabij zijn Formiānum door ruiters onder den krijgstribuun Popilius Laenas, dien Cicero vroeger in een proces met goed succes verdedigd had, achterhaald en, toen hij zijn hoofd buiten den draagstoel stak, door den centurio Herennius doorstoken (Dec. 43). Hoofd en hand werden hem afgehouwen en op last van Antonius aan de rostra te Rome genageld. Cicero is tweemaal gehuwd geweest, doch van beide vrouwen gescheiden, van Terentia (zie Terentii no. 8) om geldelijke redenen, van Publilia (zie Publilii no. 4) wegens verschil van leeftijd en aard. Uit zijn eerste huwelijk had hij een zoon en eene dochter, die vóór hem stierf en wier dood hij zich sterk aantrok. Cicero is voorzeker de grootste redenaar der Rom. geweest, als staatsman was hij niet zelfstandig genoeg; in voorspoed kinderachtig ijdel, was hij in tegenspoed zwak en terneergeslagen. Hij was de eerste zijner familie, die een curulisch ambt bekleedde, een homo novus. Ofschoon uit eene ridderlijke familie, was hij bij zijn optreden niet rijk, hij verwierf zich echter (steeds door eerlijke middelen) een groot vermogen, zoodat hij niet slechts een prachtig huis te Rome bezat, maar ook verschillende landgoederen, waarvan zijn Tusculānum het meest bekende is. Zijne werken zijn van verschillenden aard: a) redekundige werken: Brutus de claris oratoribus (in 46 uitgegeven), Orator, een beeld van den idealen redenaar (46), de Oratore (55), en een paar kleinere werkjes. Van zijne redevoeringen, omstreeks 120 in getal, is de grootste helft geheel of grootendeels bewaard. b) staatkundige werken zijn de Republica (54), en de Legibus (51). c) zedekundige werken: de Officiis (44), Cato maior de senectute (44), Laelius de amicilia (44). d) wijsgeerige geschriften: Academica, de Fato, de Finibus bonorum et malorum (45), Tusculanae disputationes of quaestiones (44). e) den eeredienst betreffende: de Natura deorum en de Divinatione (44). f) Zijne uitgebreide correspondentie is na zijn dood door zijn vrijgelatene Tiro (z. a.) uitgegeven en vormt de volgende bundels: Epistulae ad diversos of ad familiares (16 b.), ad Atticum, met wien hij tijdens zijn verblijf te Athene eene innige, levenslange vriendschap had gesloten (16 b.), ad Q. fratrem (3 b.), ad M. Brutum (2 b.) en één brief ad Octavium. Veel van hem, ook gedichten en grieksche geschriften, is verloren gegaan.—6) Tullia, de innig geliefde dochter van no. 5, geb. in 76, eerst verloofd met Piso Frugi (zie Calpurnii no. 11), later (50) gehuwd met den lichtmis Dolabella (zie Cornelii no. 38), welk huwelijk in 46 ontbonden werd; ze stierf in 45. Haar vader noemt haar effigies oris, sermonis, animi mei, ook deliciae nostrae. Na den dood van Piso (57) is Tullia ook een tijd lang verloofd geweest met Furius Crassipes.—7) M. Tullius Cicero, zoon van no. 5, veroorzaakte door zijne lichtzinnige leefwijze zijn vader veel zorg en kommer. Aan zijne opvoeding werd de meeste zorg besteed; hij hoorde de beroemdste wijsgeeren en rhetoren. Na den slag bij Philippi (42), waarin hij onder Brutus diende, sloot hij zich bij Sex. Pompeius aan, doch hij verzoende zich later met Octaviānus en werd in 30 consul.—8) L. Tullius Cicero, broeder van no. 4 en dus een oom van den redenaar, en zijn zoon, ook L., wijdden zich ook aan de studie van welsprekendheid en wetenschappen.—9) Q. Tullius Cicero, jongere broeder van no. 5, aediel in 65, praetor in 62 en daarna (61–58) propraetor in Asia, diende 54–52 onder Caesar in Gallia als legaat en in 51 in Cilicia onder zijn broeder. In 48 streed hij bij Pharsālus aan de zijde van Pompeius. In 43 vielen hij en zijn zoon als slachtoffers der driemannen. Q. hield zich, evenals zijn beroemde broeder, met litterarische studiën bezig; hij schreef annales en tragoediae. Nog over is een verhandeling de petitione consulatus. De zoon, ook Q., was meer op de hand van Caesar geweest. Op zijn gedrag was veel aan te merken en zijne wispelturigheid was oorzaak, dat hij, zoodra hij zich teleurgesteld zag, van de eene partij naar de andere overliep.—10) Er komen nog verschillende Tullii voor, M. Tullius Decula, consul in 81, L. Tullius, een van Cicero’s legaten in Cilicia en een vriend van Atticus, e. a. Over Cicero’s vrijgelatene M. Tullius Tiro, zie Tiro.

Tullius (v. a. Iulius) Valentīnus, aanvoerder der Treviri in den opstand tegen Domitiānus, door de Rom. gevangen genomen en ter dood gebracht.

Tullum, hoofdstad der Leuci, tgw. Toul.

Tullus, familienaam in de gens Volcatia.

Tullus Hostilius, derde koning der Rom. (679–640), breidde door gestadige oorlogen zijn gebied uit (o. a. onderwerping van Alba Longa, na den strijd der Curiatii, later verwoesting der stad en straf van Mettius Fuffetius). Volgens de sage werd hij door den vertoornden Jupiter Elicius, dien hij door bezweringen wilde dwingen, met den bliksem getroffen.

Tumultus, alarm, plotseling oorlogsgevaar door onverhoedschen aanval, een niet vooraf aangekondigde oorlog, ἀκήρυκτος πόλεμος, ook een plotseling oproer. Milites tumultuarii, in haast bijeengeraapte soldaten, ongeregelde troepen.

Tunes, gen. -ētis, Tunis, Τύνης, versterkte stad ten W. van Carthago, aan den mond eener thans geheel verdwenen rivier. Door aanslibbing en duinvorming is Tunis thans geheel van de zee afgesloten geraakt.

Tungri, germaansch volk in Belgica, waarschijnlijk ontstaan uit de samensmelting van Eburonen, Aduatucers en andere stammen tusschen Scaldis (Schelde) en Mosa (Maas). Hoofdstad: Aduatuca, later Tungri geheeten (Tongeren in belgisch Limburg), waarschijnlijk verschillend van het Aduatuca, bij Caesar vermeld (z. a.).

Tunica, χιτών (z. a.), het onderkleed bij de Rom., een soort van hemd. Men onderscheidde de tunica interior of subucula, het onderhemd, en het indusium of intusium, dat over het andere werd gedragen. De vrouwen droegen om het middel een gordel. Men had dit kleedingstuk in verschillende lengten, met en zonder mouwen, terwijl men bij koud weder er zelfs nog meer dan twee over elkander kon aantrekken, Augustus droeg er soms vier. De mannen in huisgewaad en de arbeiders aan het werk droegen slechts de tunica, geen toga. De senatoren droegen eene tunica met breede purperstreep van voren van den hals tot aan den zoom (latus clavus, tunica laticlavia), de ridders eene met twee smalle strepen (angustus clavus, tunica angusticlavia).

Turdetāni, Τουρδιτανοί, voornaam volk in Baetica, aan beide oevers van den Baetis (Guadalquivir), ongeveer van den Singulus (Xenil) tot in het Z. van Lusitania (Portugal). Zij waren zeer beschaafd, hadden geschiedboeken, dichtkunst, beoefenden wetenschappen, enz. Zij waren geen krijgshaftig volk. Voornaamste stad: Hispalis (Sevilla). Zie Tartessus. Ook over de Zuidkust van Lusitania (den Cuneus) zijn ze verbreid. Verder komen er Turdetani voor in de omstreken van Saguntum, die echter door sommige schrijvers Torboleti genoemd worden.

Turdūli, Τουρδοῦλοι, volk in Baetica, verwant met de Turdetāni en oostwaarts van hen wonende. Voornaamste stad: Corduba (Cordova). Zie Tartessus.

Turia, kustrivier in het O. van Tarraconensis, die door het gebied der Edetāni liep en bij Valentia in zee viel; thans de Guadalaviar.

Turma, oorspronkelijk een afdeeling van 30 man rom. ruiterij, in 3 decuriën verdeeld en onder 3 decuriōnes, van wie de eerste de geheele turma kommandeerde; later eene schaar, een escadron ruiterij uit de auxilia, zonder bepaalde getalsterkte.

Turnus, 1) zoon van Daunus en Venilia, kleinzoon van Danaë, koning der Rutuliërs. Lavinia, de dochter van Latīnus, was met hem verloofd, en toen nu haar vader hare hand aan Aenēas schonk, trachtte T. zich met geweld van wapenen hierover te wreken. Hij voerde den oorlog met groote dapperheid, maar viel eindelijk in een tweegevecht tegen Aeneas.—2) rom. satirendichter onder en na Nero, die door lateren met lof vermeld wordt.

Turones of -ni, volk in Gallia aan den Liger (Loire), met de hoofdstad Caesarodūnum (Tours).

Turpilii. 1) Sex. Turpilius, rom. blijspeldichter, een tijdgenoot van Terentius, die ook grieksche modellen, vooral Menander, volgde. Van 15 zijner stukken zijn fragmenten over. Hij overleed in 103.—2) T. Turpilius Silānus was praefectus fabrum in 108 onder Q. Caecilius Metellus (Numidicus). Bij de verovering van Vaga door Jugurtha was hij de eenige Romein, die gespaard bleef; hij werd daarom later van verraad beticht en ter dood gebracht.

Turpio, zie Ambivius.

Turrigera, Turrīta, bijnaam van Rhea Cybele, naar de muurkroon, waarmede zij gewoonlijk afgebeeld wordt.

Turris, 1) ambulatoria, belegeringstoren, zooals de Rom. in den regel bouwden, wanneer zij voor eene stad het beleg hadden geslagen. Zij hadden onderscheiden verdiepingen, inwendig door trappen verbonden, met eene valbrug en met borstweringen, zooals dit beschreven is bij Helepolis. Zij waren op raderen of op rollen en waren dus verplaatsbaar, vandaar de naam.—2) als eigennaam, b.v. Turris Stratōnis = Caesarēa Palaestinae, Turris Hannibalis op de Oostkust van het carthaagsche gebied.

Tuscia, Tusci = Etruria, Etrusci.

Tusci, villa van Plinius Secundus (minor), zie Tifernum no. 1.

Tusculum, thans Frascati, sterke latijnsche stad, ten O.Z.O. van Rome op een hoogen rug van den mons Algidus gelegen, volgens de mythe door Telegonus, zoon van Ulysses en Circe, gesticht, reeds vroeg (380, v. a. echter eerst 338) rom. municipium. In den omtrek waren tal van buitenplaatsen van rom. grooten, o. a. had Cicero er zijn Tusculānum.

Tuscus (vicus), eene straat te Rome, die van het Velābrum naar het forum Romānum (Zuidzijde) liep.

Tusdra = Thysdrus.

Tutānus Rediculus, zie Rediculus Tutanus Deus.

Tutēla. Bij de rom. tutēla onderscheidt men de tutela impuberum en de tutela muliebris. De eerste wordt uitgeoefend over kinderen beneden 15 jaar. De voogd had alleen het beheer over het vermogen van den pupil, maar niet krachtens zijne voogdij het bestuur over de opvoeding. Het volledig geldelijk beheer heet gestio en had plaats zoolang de pupil niet ouder dan 7 jaar was, doch dan verkreeg de pupil zelf bevoegdheden, mits onder bekrachtiging (auctoritas) van den voogd. De tutela mulierum was van anderen aard. Daar eene vrouw geene rechtspersoonlijkheid had, had eene, die niet in potestate patris, noch in manu mariti was, een tutor noodig, wiens bekrachtiging (auctoritas) vereischt werd bij handelingen, die in rechten geldig moesten zijn, b.v. vervreemding van res mancipi, het maken van een testament, het aangaan van een huwelijk door confarreatio en coëmptio. De vestaalsche maagden, als zijnde sui iuris, waren vrij van tutela, evenzoo die vrouwen (sedert Augustus), die volgens de lex Iulia et Poppaea het ius liberorum hadden. De voogdij was een recht van den naasten bloedverwant (proximus agnatus), tenzij de overledene bij testament er anders over beschikt had. Daar de agnatenvoogdij voor beide partijen somtijds veel onaangenaams had, verzon men een middel om daaraan te ontkomen. Men kon de voogdij overdoen, b.v. door eene in iure cessio voor den praetor, de nieuwe voogd heette dan tutor cessicius. Doch ook de coëmptio per aes et libram liet zich er op toepassen, de vrouw ging dan door coëmptio in de macht van een ander, een emptor fiduciarius, over, doch niet om te huwen—want de coëmptio op zichzelve zonder nuptiae constitueerde nog geen huwelijk. De emptor had nu de vrouw in mancipio en kon haar vrijlaten en haar haar vermogen in eigen beheer laten. Dit is de coemptio cum extraneo fiduciae causa.—Eene tutela is datīva, wanneer bij testament een voogd is aangewezen, optīva, wanneer de vrouw er zelve een mocht kiezen. Was er geen rechthebbende op de voogdij, dan benoemde de praetor urbanus onder medewerking van de grootste helft der volkstribunen een voogd (tutela Atiliāna, zie lex Atilia en lex Iulia Titia).

Tutūnus (Mutūnus), zie Mutinus Tutunus.

Tyana, τὰ Τύανα, oude, sterke stad in het Z.W. van Cappadocia aan den voet van den Taurus gelegen, aan den weg naar de Ciliciae portae. Het was de geboorteplaats van Apollonius no. 7. Misschien is dit wel dezelfde stad, die elders Dana (z. a.) of Thoana heet.

Tyche, Τύχη, of Fortūna, dochter van Oceanus en Tethys of van Zeus en Promethēa, godin van toeval en geluk. Zij wordt afgebeeld met verschillende attributen: gewoonlijk heeft zij een muurkroon op het hoofd en een horen van overvloed in de hand, soms heeft zij een roer of een bol in de handen of staat zij op een bol.—In latere tijden werd zij op verschillende plaatsen als beschermster van den staat vereerd.

Tyche, Τύχη, een der onderdeelen van de stad Syracūsae (z. a.).

Tydeus, Τυδεύς, zoon van Oeneus en Periboea, moest wegens een moord uit zijn vaderland vluchten. Hij ging naar Argos, waar Adrastus hem van den moord reinigde en hem zijne dochter Deipyle ten huwelijk gaf. Met Adrastus (z. a.) ondernam hij nu den tocht tegen Thebe, waar hij zich door groote dapperheid onderscheidde; eens doodde hij alleen 50 Thebanen, die hem een hinderlaag gelegd hadden, alleen hun aanvoerder Maeon liet hij in leven. Hij werd door Melanippus doodelijk gewond, en toen hij op het punt was te sterven, verscheen Athēna om hem met goedvinden van Zeus onsterfelijk te maken. Amphiarāus echter hieuw Melanippus het hoofd af en bracht dit aan T., die het doorsneed en het vleesch of de hersens verslond. Vol afschuw over zoo groote ruwheid wendde Athena zich af en liet hem sterven. Hij werd door Maeon begraven.

Tydīdes, Τυδείδης, Diomēdes, zoon van Tydeus.

Tyle, Τύλη, stad in het N. van Thracia, aan de Z.-zijde van den Haemus.

Tylus, Τύλος, eiland in de Arabische golf nabij de arabische kust, met parelvisscherij.

Tympaneae, Τυμπανέαι = Typaneae.

Tymphe, Τύμφη, gebergte in het N.O. van Epīrus, evenwijdig aan de macedonische grens loopende. Het achterliggende land heette Τυμφαία, de bewoners Τυμφαῖοι.

Tymphrestus, Τυμφρηστός, gebergte op de grenzen van Aetolia en het gebied der Dolopes, met de bronnen van den Sperchēus. Het verbindt den Oeta met den Pindus.

Tyndareüs, Τυνδάρεος, -ρεως, zoon van Periēres en Gorgophone of van Oebalus en Batēa, werd door zijn broeder Hippocoon uit Sparta verdreven en vluchtte naar Aetolië, waar koning Thestius hem zijne dochter Leda ten huwelijk gaf, bij wie hij vader werd van Castor, Pollux, Helena, Clytaemnestra e. a. (z. Leda). Hij werd door Heracles op den troon van Sparta hersteld, en toen Castor en Pollux onder de onsterfelijken waren opgenomen, gaf hij de regeering aan zijn schoonzoon Menelāus, of v. a. liet hij zijn rijk uit dankbaarheid aan Heracles.

Tyndarides, Τυνδαρίδης, Castor en Pollux, zonen van Tyndareüs.

Tyndaris, Τυνδαρίς, Helena en Clytaemnestra, dochters van Tyndareüs.

Tyndaris of -rium, Τυνδαρίς, Τυνδάριον, stad op de Noordkust van Sicilia, ten W. van Messāna, omstreeks 400 door Grieken gesticht, later gedeeltelijk door de zee verzwolgen.

Typaneae, Τυπανέαι, stad in Elis Triphyliaca, ten N. van Pylus, bij de grens van Arcadia.

Typhōeus, -phon, Τυφωεύς, -φώς, -φῶν, -φάων, jongste zoon van Tartarus en Gaea, een verschrikkelijk monster met 100 vuurspuwende drakekoppen, fonkelende oogen en geweldige stem, zoo groot, dat hij met het hoofd tot aan de sterren reikt. Bij Echidna (z. a.) was hij de vader van een aantal monsters. Hij deed een aanval op de goden om hun de heerschappij der wereld te ontnemen, en daar zij zich niet tegen hem opgewassen achtten, vluchtten zij naar Aegypte, waar zij zich verborgen hielden of de gedaante van dieren aannamen. Alleen Zeus durfde den strijd aangaan, maar T. overwon hem, sneed hem de pezen van handen en voeten uit, en legde hem daarop in een hol in Cilicië; Hermes en Pan roofden echter de pezen en brachten ze weder in het lichaam van Zeus, waarop deze zich oprichtte, T. met den bliksem (Typhoia tela) verpletterde en in het land der Arimi in Cilicië onder den grond bedolf, of hem tot in Sicilië vervolgde, waar hij eindelijk den Aetna (Typhois Aetna) op hem wierp.

Tyrannio, Τυραννίων, 1) eigenlijk Theophrastus, grieksch grammaticus van Amīsus, werd door Lucullus als krijgsgevangene uit den mithradatischen oorlog naar Rome gebracht, doch werd later vrijgelaten en verwierf door zijn onderwijs roem en rijkdom. Hij ordende ook de bibliotheek van Apellicon (z. a.), die door Sulla naar Rome was overgebracht.—2) eigenlijk Diocles, een Phoeniciër, leerling van den vorigen. Hij was slaaf geweest van Terentia, de vrouw van Cicero, en stond ook later nog met Cicero in betrekking. Hij maakte vooral veel studie van de werken van Aristoteles, waarover hij verscheiden werken schreef.

Tyras, Τύρας, 1) later ook Danastris, riv. van Sarmatia, thans Dniëster.—2) stad aan den mond daarvan, thans Akkierman. Zie Tyrītae.

Tyriaeum, Τυριαῖον, stad in Lycaonia, nabij de phrygische grenzen.

Tyrii, Τύριοι, 1) de inwoners van Tyrus.—2) bij rom. dichters de Carthagers, als van tyrischen oorsprong, zie Dido.

Tyrītae, Τυρῖται, milesische kolonisten aan den mond van den Tyras.

Tyro, Τυρώ, dochter van Salmōneus en Alcidice, bij Poseidon moeder van Pelias en Neleus (z. Enipeus), bij Cretheus van Aeson, Pheres en Amythāon.

Tyrrheni, Tyrseni, Τυρρηνοί, Τυρσηνοί, z. Etruria. Op Lemnus en Imbrus komt een volksstam voor, die door de Grieken Tyrseni genoemd werd. Herodotus noemt dezen echter Pelasgi.

Tyrrhenia, Τυρρηνία = Etruria. Tyrrhenum mare = mare inferum, de Tyrrheensche of Toscaansche zee.

Tyrrhēnus, Τυρρηνός, Τυρσ., zoon van den lydischen koning Atys, bracht eene pelasgische kolonie uit Lydië naar Italië en gaf zijn naam aan Tyrrhenië (Etrurië); v. a. is hij een zoon van Heracles en Omphale of van Telephus en eene Amazone Hiera.

Tyrrh(e)us, herder van koning Latīnus. Ascanius doodde op de jacht een tam hert, dat aan T. behoorde, wat aanleiding gaf tot den oorlog tusschen Aenēas en de Latijnen. In de hut van T. werd Silvius, de zoon van Aeneas en Lavinia geboren.

Tyrtaeus, Τύρταιος, elegisch dichter, die ten tijde van den tweeden messenischen oorlog te Sparta leefde. Hij wordt soms een Spartaan of een Milesiër genoemd, maar volgens het meest bekende, doch weinig geloofwaardige, verhaal was hij een Athener. De Spartanen zouden namelijk van het delphische orakel den raad gekregen hebben, te Athene een aanvoerder tegen de Messeniërs te vragen, waarop de Atheners hun T., een kreupelen schoolmeester, zouden gezonden hebben, die echter door zijne liederen den gezonken moed der Spartanen deed herleven, zoodat de krijgskans spoedig keerde. De gedichten van T. werden langen tijd door de Spartanen en andere Doriërs hoog in eere gehouden, wij bezitten er van nog slechts weinige overblijfsels.

Tyrtamus, Τύρταμος, de oorspronkelijke naam van Theophrastus.

Tyrus, Τύρος, de meest vermaarde stad van Phoenicië, overvleugelde hare moederstad Sidon. De stad lag eerst op het vasteland, doch op zekeren tijd bouwden de Tyriërs eene nieuwe stad (in het O. T. Zor genaamd = rotsen) op de vóór de kust liggende eilandjes, die door koning Hiram reeds door een dam onderling verbonden waren. De stad is belegerd door den Assyrischen koning Salmanezer IV (727–723), en toen is Oud-Tyrus, Παλαίτυρος, ingenomen. Door Sanherib (705–682) is ook Tyrus zelf ingenomen en schatplichtig geworden. Na den val van Niniveh kwam het in de macht van Nebukadrezar. Het stond toen op met al de naburige staten, en werd 13 jaar (586–573) te vergeefs belegerd. Later kwam het onder Perzische heerschappij, maar bleef nu bloeiend. Ook Palaetyrus bleef als voorstad van Nieuw-Tyrus bestaan. In 387 werd Tyrus door Euagoras no. 1 stormenderhand ingenomen. Alex. de Gr. belegerde Tyrus 7 maanden lang, en wierp een zwaren dam door de engte, die Nieuw-Tyrus van het vasteland scheidde. In 332 nam hij de stad in en beval niemand te sparen behalve hen die in de tempels de wijk hadden genomen; 2000 Tyriërs werden gekruisigd, 30000 werden als slaven verkocht, doch de Sidoniërs wisten nog 15000 aan boord hunner schepen te bergen en te redden. Wel herstelde Tyrus zich gedeeltelijk van den slag en bleven de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken bloeien, ook onder rom. heerschappij, doch het kreeg in Alexandria eene mededingster, die het in de schaduw stelde. De dam, door Alexander aangelegd, is door aanslibbing eene landengte geworden. Van de tyrische volkplantingen is Carthago de beroemdste geworden.