[5] Tokootje = kleine winkel.

[6] Eene donkere houtsoort.


19 October 1903. (VIII.)

Weet u 't al? de datum is vervroegd—op zijn dringend verzoek. Niet den 12den maar den 8sten November zal het zijn, 's middags tegen 5 uur en Woensdag den 11den vertrek van huis.


3 November 1903. (VIII.)

Uw meisje leeft weer, zij leeft. Haar hart gloeit en trilt weer; en geen vlijmende smart, geen bittere, doffe wanhoop doet de snaren trillen, liefde, vol en zwaar, ruischt in de accoorden.

Wat klaag ik ondankbare, met zoo'n rijken schat in mij!

De liefde is het meeste! Zij is het rijkste als zij geeft.

En ik kàn geven, en ik zàl geven, als eens rijken Vader's kind, met volle hand, liefde om mij heen. Wat u en anderen mij geven, dat zal ik met interest betalen aan anderen. O! er zijn er zóó velen, die hongeren, dorsten naar wat liefde!

Wat kan 't toch vreemd, wonderlijk toegaan in 't leven, 't Was wel opmerkelijk, zooals hij zich tot Vader aangetrokken gevoelde van af 't oogenblik dat zij elkaar voor een paar jaar geleden voor 't eerst ontmoetten. Sedert zocht hij ons en werden Vader en hij vrienden.

En van zijn arm vrouwtje was het een illusie met hem en al de kinderen bij ons te komen, om met ons kennis te maken. Beiden noemden zij mijn Vader "Vader". Zij had zoo graag met ons kennis gemaakt, helaas, nog vóór zij haar wensch in vervulling kon brengen, nam de dood haar weg.

Kort vóór haar dood, zag hij in droom zijn vrouw: zij was in een vurig gebed verzonken, en de innige bede, die zij tot den Allerhoogsten opzond, was: dat zij en Raden Adjeng Kartini vriendinnen mochten worden en blijven tot de eeuwigheid. Sinds dien was mijn naam hem niet uit de gedachten.

Ja, veel heeft hij geleden, haar heengaan was hem een zware slag, hij hield zoo innig veel van haar.

En zijn hoop voor hem zelf is, dat Vaders kleinood, zijn "wasiat djati"[1], zooals hij mij noemt, hem over zijn leed zal heen helpen.

He, ja, toe, laat mij een woordje van u vinden, als ik den 11den intrede doe in mijn nieuw tehuis. Het zal mij zijn, als leidde uw dierbare hand mij zegenend mijn nieuwe leven, mijn groote taak in!

[1] Wasiat = testament, djati = wezen. Testament van zijn wezen, m.a.w. waarin zijn geheele wezen voor altijd overgaat.


7 November 1903. (VIII.)

Mijn liefste Moedertje, de laatste groet van uw dochtertje als jong meisje, op den vooravond van haar huwelijksdag. Morgen om halfzes trouwen we. Ik weet wie morgen met geheel haar hart bij me zal zijn.

Dag mijn lieveling, groet uw man hartelijk voor mij, en wees u zelf innig omhelsd door uw eigen dochtertje K.


Rembang, 11 December 1903. (VIII en IX.)

Mijn liefste, beste Vrienden. Of ik niet weet, met welk een verlangen naar dezen wordt uitgezien, mijn eersten brief uit mijn nieuwe tehuis. Godlof, een tehuis, waar ik het in alle opzichten goed en lief heb, waar wij allen mèt en door elkaar gelukkig zijn.

Hoe innig betreur ik het, dat ik door omstandigheden eerst heden dezen kan schrijven. Vergeeft me, lieven. De eerste dagen waren zoo ontzettend druk; daarna sukkelden onze kinderen; en ten slotte kwam voor mij de reactie van al de vermoeiende dagen, die wij doorgemaakt hadden. Ik gevoelde mij minder wel, en moest mij in acht nemen. Nu ben ik weer frisch en vroolijk, weder de oude wildzang van vroeger, en kijk met zonnigen blik de toekomst tegemoet.

Hoef ik 't nog nader uit te duiden, liefsten? Ik zegen den dag, waarop ik mijne hand gelegd heb in die van hem, dien de Alvader mij tot reiskameraad door het groote en dikwijls zoo moeilijke leven gewezen heeft.

Al wat mij voor schoons en edels voor oogen gezweefd had, vind ik hier verwezenlijkt. De droomen, die ik nog droom, zijn jaren geleden al door hem tot werkelijkheid gebracht of door hem gedroomd nog. Ik sta er zoo dikwijls ontroerd van, zoo geheel eens in voelen en denken en ideeën als wij met elkander zijn.

U beiden zal van hem gaan houden als u hem kende; u zal zijn helder hoofd bewonderen en zijn innig goed hart waardeeren. Zóó heb ik 't mij voorgesteld, dat de adel moet wezen voor het volk; zóó heb ik mij gewenscht der edelen plicht opgevat. Dáár moet onze adel heen, en hij, mijn hartekoning, is voorgegaan.

't Is vandaag juist een maand geleden, dat mijn man mij hier bracht, in zijne afdeeling; in zijn huis, thans ons huis, binnenleidde.

De Koningin had men niet hartelijker kunnen ontvangen. Heel Rembang vierde feest; van af de grens vlagde ieder huis; zelfs van de huurkarretjes woei de driekleur. En de geestdrift van het volk was zoo spontaan, was echt gemeend; het kwam zoo warm uit zijn hart, die betuiging van sympathie. Het volk was blijde, jubelde mee, omdat zijn bemind Hoofd gelukkig was. Telkens bracht mijn man me op 't balkon; het volk moest zijne nieuwe Goesti Poetri zien.

Ik zat of stond zwijgend naast hem, met vochtige oogen, en een hart overvol gevoel; daar was geluk, daar was dankbaarheid, daar was trots in; trotsch op hem, dat hij zich zulk eene warme plaats wist te veroveren in 't hart van het volk; dankbaar, dat één groote illussie van mij verwezenlijkt was; en gelukkig, omdat ik daar aan zijne zijde zat.

Kon u mij maar zien als de jonge vrouw en moeder, wie 't geluk uit de oogen straalt, en wier mond en pen geen woorden genoeg kunnen vinden, om haar weelde uit te jubelen.

En onze kinderen!—hoe zal ik u van deze weelde vertellen? 't Zijn zulke lieve, aanhankelijke wezentjes, waaraan ik mij al dadelijk gehecht heb; en zij groeien mij al vaster aan het hart. De vader heeft er zoo'n goed fond in gelegd, hen opgevoed juist zooals ik het altijd gewenscht had, in eenvoud en nederigheid. Mijne schatjes achten zich niet verheven boven den minsten persoon hier in huis; allen zijn ze elkaar gelijk. Ik vind hier den akker bereid; ik hoef slechts voort te zaaien.

Met Januari hoop ik ons schooltje te kunnen openen. Wij zoeken eene goede onderwijzeres; zoolang wij die nog niet hebben, geef ik les; en mocht ik door omstandigheden geen onderwijs kunnen geven, dan neemt een der zusjes de taak van mij over, zoolang, tot ik haar weer op mij nemen kan.

Er zijn al een paar ouders, die mij hun kinderen ter vorming boden.

Ons idee is, als wij hier eene goede onderwijzeres konden krijgen, bij ons thuis eene school voor dochters van Inlandsche hoofden te openen.

Kunnen wij eene uitstekende gouvernante krijgen, dan zorgt zij voor de verstandelijke ontwikkeling van onze kinderen, en ook voor hunne zedelijke vorming.

Als de boel goed marcheert, kunnen wij op eene Gouvernements subsidie hopen? Het schoolgeld moet zoo laag mogelijk worden gesteld; kost en inwoning krijgen de kinderen vrij van ons.

Zal ik nog een nota schrijven er voor?

De ouders zijn vol vertrouwen, en vragen—de gelegenheid moet er nu zijn; wij moeten geven. Enfin ik zal er u nog uitvoerig over schrijven.

Ik heb 't volst vertrouwen, dat eene meisjesschool, bij ons thuis gehouden, onder leiding van eene Europeesche onderwijzeres en mij als "opperste" leidster! zal opnemen.

Wij hebben groote plannen samen. Wat zou ik er niet voor willen geven, zoo wij alles met u beiden mondeling konden bespreken.

Ik schrijf dit vijf uur in den ochtend. De kinderen zijn wakker en hangen om mijn stoel heen; Moeder moet hun melk en brood geven.

U moest onze jongste toch eens kunnen zien; hij is nog geen twee jaar, maar o, zoo verstandig. Als ik zit, dan komt hij met een voetenbankje aandragen; is 't hem te zwaar, dan sleept hij het naar Moeder. Moeder's voeten mogen niet hangen. En de lievert klimt dan zoo op mijn schoot. Als ik 't een of ander klaar maak, dan vechten de kinderen er om, wie mij dit of dat aanreiken zal, en onze kleine Sis brengt mij hoopen lepels en vorken.

Wie stout is, mag niet bij Moeder komen. De grootste pret hebben ze, als ze met mij samen baden, en ik geniet er nog 't meeste van. 't Is zoo'n genot om naar die frissche, lachende gezichtjes te kijken!

En nu zit ik maar aldoor over mij zelve te praten. Ik heb u nog niet eens bedankt voor al 't innig liefs, dat wij in deze dagen van u hebben ondervonden. Hoe gelukkig maakt u beiden mij met uwe brieven die ik op Japara ontving. Mijn innigsten dank er voor, liefste. En u, Moedertje, liefste, kus ik hartelijk op beide wangen voor uw welkomstgroet, die ik bij mijne aankomst hier vond. Ik was er zoo in-gelukkig meê!

16 December.

Een groote rust. Een heele geschiedenis ligt er tusschen. Mijn brief kan ik niet vervolgen vóór deze er uit is.

U kan het nooit raden, wie we te logeeren gehad hebben en wie vanmorgen vertrokken zijn. De familie Bervoets van Modjowarno! Zij zijn op Japara geweest, bij mijne Ouders, en die hebben hen hierheen gestuurd. 't Was eene heerlijke ingeving van Vader; wij zegenen dubbel het toeval dat den weg dier liefde-engelen hierheen voerde.

Zoo innig had ik verlangd met dit edel echtpaar kennis te maken. Mijn wensch is vervuld, en op welk een wijze! Gedacht ik vroeger met innige sympathie die nobele zielen, thans mengt zich bij die sympathie innige dankbaarheid.

Eergisteren was mijn man den geheelen dag frisch en opgewekt; dien middag kwam de familie Bervoets, en 't viel hun op zoo vroolijk als mijn man dien avond was; weinig vermoedende, dat een paar uurtjes later hij hard ziek zou worden. Opgewekt namen wij even vóór middernacht afscheid van onze gasten. Een uurtje later werd mijn man in eens hevig ongesteld; de ziekte kwam plotseling, en binnen 3 minuten was mijn man zoo naar, dat hij dacht, den morgen niet meer te zullen halen. Hoe ik was, kan u zich begrijpen. Ik liet Dr. Bervoets opkloppen. Hij zou den volgenden morgen om acht uur vertrekken, maar hij en zijne vrouw hadden 't hart niet, ons zoo ellendig alleen te laten. Zij zouden toen om 1 uur vertrekken; ook daarvan zagen zij af, daar mijn man medische hulp voortdurend noodig had, en onze dokter op tournée was. Het was een hevige aanval van darmkoliek, een ziekte, die mijn man van zijn leven nooit had gehad. Gisterenmiddag trad een verbetering in; mijn man kon slapen. Hoe dankbaar ik was, kan u zich voorstellen. Vanmorgen om acht uur zijn onze nieuwe vrienden vertrokken. Mijn man neemt in beterschap toe; hij is alleen nog maar vreeselijk afgemat. Op het oogenblik slaapt hij rustig al sedert een groot half uur. God geve, dat hij spoedig geheel beter worde!

Het is toch zoo vreemd, zoo vreemd, tot aan haar laatste dagen had de eerste vrouw van mijn man het steeds over mij. Zij verlangde zóó innig met mij kennis te maken en vriendinnen te worden. Hare illusie was naar Japara te gaan, en mij hare kinderen te brengen. Mijn portret legde ze feitelijk niet uit de hand, tot zelfs op haar laatste ziekbed had zij het bij zich.

Toen zij overleden was en men de eerste smart te boven was, hadden allen, tot zelfs de Inlandsche hoofden, maar één wensch..., die welke nu vervuld is sedert 8 November. Daarom was de vreugde algemeen toen wij kwamen.

Graf van Raden Ajoe Djojo Adi Ningrat. (Raden Adjeng Kartini). Graf van Raden Ajoe Djojo Adi Ningrat. (Raden Adjeng Kartini).

Mijn man ontving met groot genoegen uw brief. Het paardentuig voor Oost en West lag al lang klaar, is nu ingepakt, en, als mijn man beter is, dan gaat het weg. Ook bestelde mijn man allerlei soorten pauwenveeren sigarenkokers en zoeken wij mooie echte Lassemsche sarongs. Wij zullen dan verder zien, wat wij voor Oost en West kunnen doen. Mijn man vindt 't idee om de Japarasche houtsnijwerkers hier te laten werken, uitstekend, zal mij daarin krachtig steunen, evenals in alle andere dingen, die ik zoo gaarne wensch te doen. Een ambachtschool voor Inlanders is al lang een illusie van hem.

Mijn man zou zoo gaarne zien, dat ik een boek schreef over de sagen en legenden van Java. Hij zou ze voor mij verzamelen; wij zouden dan samen er aan werken. Een heerlijk vooruitzicht!

Er is nog zooveel, dat hij samen met mij wenscht te doen; op mijne schrijftafel liggen al vast een paar stukken van zijn hand.

Tjikeumeuh bij den Cultuurtuin (Buitenzorg). Tjikeumeuh bij den Cultuurtuin (Buitenzorg).

Rembang, 6 Maart 1904. (VIII.)

Mijn liefste eigen Moedertje,

O! dat ik nu mijn armen om uw hals kon slaan; zoo zielsgaarne zou ik u hart aan hart vertellen van mijn mooi geluk, deelgenoote maken van ons heerlijk geheim. Mij wacht een groot, zoet geluk. Zoo God het wil, komt tegen het einde van September een Godsgezantje ons reeds mooi leven mooier maken, de band nog nauwer, vaster toehalen, die ons nu reeds aan elkander bindt. Moeder, mijn Moeder, hoe ik mij gevoel, nu dra een zieltje uit ons beider zielen geboren, mij moeder noemen zal!

Kan u 't zich voorstellen? ik aanstaande moeder! Ik maak u oud, Moedertje! ik maak u grootmoeder! Komt u later naar uw kleinkindje zien? Naar Batavia gaan zal ik nu niet kunnen. Ons plan was eerst deze maand op reis te gaan met een maand verlof, maar nu moeten wij daarvan afzien. Ik mag in de eerste maanden niet rijden! En als ons kindje er is, dan kan ik ook niet op reis. Dus Batavia zie ik niet meer—althans zoolang u daar nog is. En wat is het mij waard, als u beiden er niet meer zijn? Mijn man is zoo zielsgelukkig met 't nieuwe leven, dat ik onder 't hart draag.

Dàt alleen ontbrak nog aan ons geluk.


Rembang, 10 April 1904. (III.)

Hooggeachte Vrienden,

Wat zal het u bevreemden niets van me te hooren over uwe zoo hartelijke brieven, en die prachtige cadeaux, waarmee wij toch zoo innig, innig blij zijn. Als elke gedachte, die ik dankbaar aan u wijdde, daad werd, wat zou u dan hoopen brieven van me hebben. Vergeeft me, lieve vrienden, dat niet reeds veel, veel eerder deze u bereikte.

De overgang van eenvoudig jongmeisje tot echtgenoot, moeder en vrouw van een hooggeplaatst ambtenaar—wat in onze Indische maatschappij veel beteekent—is zóó groot, dat ik in de eerste tijden aan niets anders kon denken, dan hoe ik het best mijne nieuwe plichten zou vervullen.

En dat niet alleen—ook nog eene andere proef moest ik doorstaan. Kort na ons huwelijk werd mijn man op eens zwaar ziek. Daarna begon ik zelf te sukkelen; ik kan tot nu toe nog niet goed met het Rembangsche klimaat overweg. Wij wonen vlak aan zee, maar hetgeen op Japara een tractatie was, is hier op Rembang een plaag. Hier moeten wij oppassen voor den zeewind, die zeer ongezond is, daar hij eerst over koraalriffen en modder heenstrijkt, vóór hij ons bereikt. Doch laat ik u beiden eerst, ook namens mijn man, innig, innig bedanken voor het prachtige, kostbare souvenir, dat u ons bij gelegenheid van ons huwelijk schonk. Het is mij zooveel te dierbaarder, omdat het een stuk voorstelt van het hooggeroemde Thüringerwoud, waar u mij zooveel van vertelde, en waar mijn lieve Duitsche vrienden zóó graag zijn.

De fraaie schilderij en keurige foto van Jena hangen in onze zitkamer, waar mijn man, die een groot liefhebber van mooie schilderijen en beelden is, zijne kunstschatten bewaart. Ik kijk er zoo dikwijls met innig genot naar, en dan vliegen tal van lieve, dankbare gedachten naar mijne vrienden in Jena. Hoe innig, innig lief van u, om mij een boomkoek, het Duitsche nationale gebak, dat bij geen enkel feestelijke gelegenheid in uw land ontbreken mag, te willen geven. U heeft die gedachte niet tot daad kunnen maken, doch voor mij is zij niets minder; ik apprecieer haar evenzeer als was zij een daad.

En nu ga ik u van mijn nieuw rijk leven vertellen; dat hoort u immers zoo graag? U heeft steeds zoo innig veel belang gesteld in het leven van uw Javaansche vriendin, over wier toekomst u zich destijds zoo bezorgd gemaakt hebt.

Gode zij dank, dat wat u vreesde, ongegrond gebleken is. Immers een jong vrouwtje schrijft u deze regelen, een vrouwtje, wie het geluk uit de oogen straalt, en dat geen woorden genoeg weet om haar mooi geluk uit te jubelen!

Mijn man—zou hij mij anders genomen hebben? het is op heel Java bekend, dat ik anders ben dan anderen—en zou ik mij aan hem verbonden hebben?—is mijn echtgenoot niet alleen, doch hij is ook mijn geestesvriend.

Al wat ik heb gedacht, is door hem gedacht, en veel door hem tot daad gemaakt. Ik heb mij een rijk leven voorgesteld als baanbreekster voor de rechten en vrijheid der Javaansche vrouw —als echtgenoote van een hoogstaanden man in wien ik een krachtigen steun vind bij de bereiking der idealen, die mij steeds voor oogen gezweefd hebben, heb ik nu beiden: èn een rijk èn een vol leven.

Ik weet, dat dit u beiden genoegen zal doen te hooren. Uw beider Javaansch vriendinnetje met haar woeligen geest is dus in veilige haven aangeland. Ik wou, dat u me kon zien in mijne nieuwe omgeving.

U weet, hoe bitter weinig ik geef om weelde, om maatschappelijke positie; ze zouden voor mij niets geen waarde hebben, als niet mijn man het was, die ze mij gaf. Nu zijn ze mij een middel, om des te beter tot mijn doel te geraken.

Het Javaansche volk is innig aan zijn adel gehecht; al wat van zijn hoofden uitgaat, vindt makkelijk bij hem ingang. Zoo zal ik nu aan de zijde van mijn man des te eerder en gemakkelijker het hart van ons volk bereiken. Onze plannen van onderwijs en opvoeding gaan door, hoewel ik getrouwd ben.

Thuis zijn wij dat werk begonnen, en nu zetten mijne jongere zusjes ons werk voort. Ons schooltje op Japara telt nu reeds twee en twintig leerlingen, dochters van Inlandsche hoofden; de zusjes geven onderwijs. Ook hier ben ik dat werk begonnen, mijn eigen dochtertjes zijn mijn eerste leerlingen. Zoo hebben de Javaantjes dan haar meisjesdroom tot werkelijkheid kunnen brengen.


Rembang, 8 Juni 1904. (VIII).

Wij gaan niet uit en ontvangen zelden; en toch is mijn leventje steeds vol. Heerlijk, heerlijk! Mijne dagen verdeel ik tusschen mijn besten man, mijn huishouding en mijn kinderen, eigen en aangenomen. En deze laatsten nemen wel het grootste gedeelte van mijn dag in beslag. Als Vader naar zijn werk is, dan werken de kinderen met mij tot twaalf uur. Om half een vindt Vader een troepje schoongewasschen, maar o, zoo hongerige kindertjes. Om half twee wordt 't kleine volkje naar bed geëxpedieerd, en als Vader ook naar bed is,[1] en ik niet te moe ben, dan werk ik met jonge meisjes. Om vier uur ben ik aan de theetafel present. Als de kindertjes hun melk gedronken hebben, en gewasschen zijn, dan mogen zij 't pluimvee naar 't hok drijven, met ons meewandelen, of in den tuin spelen. Wij schemeren dan een poos en praten over alles en nog wat. Als ons troepje binnenkomt, dan is het met schemeren gedaan. Vader zit de krant te lezen en mijn kleuters scharen zich om Moedertje heen. Ik zit op een luierstoel, op mijn schoot de twee kleinsten, op elken arm van den stoel een kind, en aan mijn knie de twee oudsten. Wij gaan spelletjes doen of vertellen. Zoo nadert 't etensuur. Wij eten vroeg om de kleuters. 't Allerkleinste zit naast Moeder. Het kereltje heeft zich tot taak gesteld moeders glazen deksel op te lichten en weer op 't glas te zetten. Niemand mag hem dat werkje uit de hand nemen. En als hij 't eens niet doen mag, dan weet hij, dat hij die straf verdiend heeft. Om acht uur wordt 't kleine goedje naar bed geëxpedieerd. En wij oudjes zitten dan met elkaar te praten; bespreken alles en nog wat tot Klaas Vaak ook ons naar Poeloe Kapok[2] jaagt, en dit gebeurt niet meer zoo laat als op Japara, maar vroeg. Wij staan dan ook heel vroeg op.

Zondag is ons beider vrije dag; dien beginnen we heel vroeg met een wandeling. Na het ontbijt leer ik mijn meisjes nog even koken, en dan mag moeder de vrouw datgene doen, wat ze door de week niet kan. Veel is het niet, want mijn man vindt het gezelliger als ik bij hem zit. Hij tracteert me dan op mooie gamelanmuziek waarbij gezongen wordt. Ik vind het dan prettig om bij mijn man te zijn. Alléén maakt de gamelanmuziek een te grooten indruk op mij. Zij voert mij terug naar tijden, waar ik niet meer aan denken mag. Zij maakt mij week en weemoedig. Zoo vlieten dan mijn dagen henen, kalm, rustig, vredig als het beekje diep in het bosch, rustig en vredig stemmend, wie van zijn aanschijn geniet.

Als het kind, dat ik onder het hart draag, een meisje mocht zijn, wat of ik dan voor haar zou wenschen? Ik zou wenschen, dat zij moge leven! een rijk, vol leven. Het leven, dat haar moeder begon, moge zij voltooien. Zij zal niet gedwongen worden iets te doen tegen haar innigste voelen in. Wat zij doet, zal zij doen uit eigen vrijen wil. Zij zal een moeder hebben, die voor haar innerlijk welzijn zal waken, en een vader, die haar tot niets zal dwingen. Voor hem zal het niets uitmaken of zijn dochter heel haar leven lang ongetrouwd blijft. Waar hij prijs op stelt, is, dat zij onze achting immer behoudt. Dat hij vrouwen hoogacht, zooals ik innig hoop, dat mijne dochter er eene zal zijn, heeft hij bewezen door mij te trouwen.

O, als u eens wist, wat de laster van mij rondgestrooid heeft. Wat mij bereikt heeft vóór mijn huwelijk, was lof, vergeleken bij hetgeen ik na mijn trouwen te weten kwam. Wèl moest mijn man moed gehad hebben, om mij zijn hart, zijn hand, zijn naam aan te bieden. Nooit had hij een woord geloofd van hetgeen van mij werd verteld; in zijn hart was eene overtuiging, die niemand aan het wankelen kon brengen en die was: wij waren de draagsters van nieuwe ideeën, onbegrepen door de groote massa, die daarom ons steenigde. Zijn eerste vrouw leefde nog, toen hij steeds mijn partij opnam, waar men mijn naam door 't slijk trachtte te halen. Zoo vurig had ze verlangd mijne kennis te maken; in haar laatste ziekte sliep ze in met mijn portret in de hand. En hij voelde, dat ik eens een groote rol zou spelen in zijn leven. En allen hier in huis hadden naar mij verlangd. Er zijn dan voorgevoelens, heimelijke verlangens, die blijken voorboden te zijn van wat gebeuren zal in de toekomst. Alleen ik dacht niet, droomde niet, dat dit mijn toekomst wezen zou.

Ik geef mijn kleintjes geen vacantie: die krijgen zij eerst in September, als mijn kindje komt. In de eerste veertien dagen zal ik wel rust moeten nemen. En dan komt mijn kindje in de schoolkamer. Ik heb al een hoekje voor de kleine gemaakt, waar het kan slapen, als moeder de zusjes en de broertjes leert. Nu krijgen wij iets à la Hilda van Suylenburg: een moeder, die met een zuigeling uit werken gaat.

[1] Zooals men weet, is het in Indië gebruikelijk na den middag een uurtje te rusten.

[2] Het kapok-eiland = bed.


Rembang, 30 Juni 1904. (VIII.)

Wanneer zal ik toch weer als voorheen met u kunnen correspondeeren?

Van alle kanten regent het verwijten, dat ik zoo slecht schrijf. Maar ik kan niet anders. Ik heb een groote taak aanvaard, en het is dure plicht haar goed te volbrengen. De kinderen doen zoo hun best; ik heb er nu twaalf, waaronder een paar volwassenen.

Ik ben nu bezig aan het uitzetje van uw a.s. kleinkindje. De zusjes verlangen naar een meiske, en mijn man naar een zoontje. Als het een dochtertje is, dan zal ik haar dubbel liefhebben, omdat allen hier naar een jongen verlangen.


Rembang, 17 Juli 1904. (VIII.)

Mijn eigen liefste Moedertje,

Meet mijne liefde voor u, mijne belangstelling in alles wat u en de uwen betreft niet naar de grootte of de veelheid mijner brieven.

Het is mij met den besten wil van de wereld niet mogelijk om veel en om dikwijls te schrijven, aan wie ook. Nu vooral niet, nu ik met eene slechte gezondheid sukkel. Ik ben flink ziek geweest, heb kou gevat en heb veel geleden. Dit is nu Goddank voorbij! maar ik moet toch nog erg oppassen. O, en ik moet, ik wil gezond zijn voor ons kind.

Wat zoo'n kind der moeder toch niet kost! Al dat gesukkel komt daarvan. O! Moeske, ik moet zóó oppassen, zóó voorzichtig zijn met alles. Al sinds een maand ontvang ik alleen familie, die dan bij me in de kamer komt. Ik schrijf dezen op den langen stoel liggende; het opzitten hindert.

Mama heb ik verleden week bij me gehad. Die lieverd, niets is haar te veel waar het 't welzijn harer kinderen geldt. Zoo kwam ze van Pamalang waar Kardinah ziek is geweest, zoo was ze klaar om hier heen te komen, toen mijn man, in zijn wanhoop mij zoo ellendig te zien, om haar telegrafeerde. Mijn beste man ziet erg tegen de a.s. gebeurtenis op. Hij kan mij niet zien lijden. Arme lieverd, hij had moreel meer geleden dan ik, toen ik zoo ziek was. Hij zou de heele wereld onderste boven willen halen om mij leed en pijnen te besparen.


Rembang, 10 Augustus 1904. (VIII.)

Moeske liefste, ik moet zooveel aan u denken, vooral in den laatsten tijd. En telkens als ik aan u denk, komt er een zacht teeder gevoel over me, doch tegelijkertijd ook diepe weemoed.

Weemoed, dat u zoo ver van me is, en weldra onbereikbaar ver van me zal zijn.

Waarom toch moeten juist die zielen, die aan elkander verwant zijn, onbereikbaar ver van elkaar gaan. Ik kan zóó bedroefd zijn, als ik al te erg naar u verlang.

Ik zit stil voor me te staren, hoor noch zie van wat werkelijk om me gebeurt. Ik ben, ik leef in het verleden, dat zoete en dat bittere verleden, waar ik zoo gaarne toef, en waar als een lichtkrans uwe liefde doorheengeweven is. Ik lijd en ik geniet. Mijn hart is vol weemoed, maar daarnaast ook innige dankbaarheid, dankbaarheid voor het zoet geluk, dat uwe liefde mij gaf.

Ik kan God nooit genoeg danken, dat Hij u tot ons bracht.


Hoe komt de Javaan zoo te verarmen? vraagt men, en zij die deze vraag doen, denken zich tegelijkertijd suf, hoe aan meer geld te komen. En wie moet het ontgelden? natuurlijk de kleine man, over wiens wel en wee men zich zoo uitermate bezorgd maakt, dat men een dure commissie benoemt, om onderzoek te doen naar de oorzaken van zijn achteruitgang!

"Hoe komt de Javaan zoo te verarmen?" en men slaat grassnijders, die 10 a 12 cent daags verdienen in de bedrijfsbelasting aan. Voor ieder geit of schaap dat geslacht wordt, moet 20 cent belasting betaald worden. Zoo betaalt een satee-verkooper,[1] die elken dag 2 schapen slacht, 's jaars f 144 belasting. En hoeveel is zijn verdienste? genoeg om er van te leven.

Bij mijn ouders thuis wist ik al veel, maar hier, waar mijn man elke gedachte met mij deelt, waar ik geheel met hem meeleef, met zijn werk, zijn streven, ben ik nog o, zoo veel meer te weten gekomen, dat ik eerst niet wist, zelfs niet vermoedde, dat bestond.

Er is o zoo veel schreeuwend onrecht, en iemand, die rechtvaardig is, moet als ambtenaar wèl lijden. Hij moet zooveel zien, en ook doen, wat tegen alle rechtvaardigheid in is.


Dag Moeske! Misschien is dit mijn laatste brief voor u! Denk maar veel aan uw dochtertje, dat u beiden zoo innig lief heeft. Groet Mijnheer hartelijk van ons beiden, en u druk ik vast aan 't hart. /$ Uw eigen dochtertje

KARTINI. $/

[1] Satee is een gerecht van stukjes vleesch aan een dun stukje hout geregen en dan geroosterd.

Rembang, 24 Augustus 1904. (VIII.)

Liefste Moedertje mijn. 't Was dus niet de laatste brief geweest, dien u onlangs van me ontving. Ik had er al voor gevreesd, maar misschien is deze het toch wel, want mijn tijd nadert ras, dat voel ik. Moedertje, hoogstwaarschijnlijk komt uw kleinkindje eerder dan wij hem eerst verwachtten.

Dag, mijn lieveling. Houdt u beiden u maar goed! In mijn hart is een bede, die aanhoudt: Behoede God mijn dierbare Vrienden!

Vast drukt u aan 't hart uw eigen dochtertje

KARTINI.


Rembang, 7 September 1904. (VIII.)

Mijn liefste Moedertje, Hoe zal ik u danken voor het schattige jurkje dat u ons kindje gaf. Het heeft voor ons des te meer waarde, omdat wij weten in welke omstandigheden u aan het geschenk voor uw kleinkindje gewerkt heeft. Van Roekmini weten we dat u het slecht maakt sedert uw terugkeer op Batavia. Te bedenken dat u zelf ongesteld zijnde, zooveel zorgen aan 't hoofd hebbende, en bovendien als altijd in eene groote drukte zittende, toch den tijd kon vinden om zulk een geduld-werkje te doen voor ons kind. Wel groot moet uwe vriendschap, diep en innig uwe liefde voor me zijn! Met vochtige oogen en een dankbaar, gelukkig hart bezag ik gisteren het jurkje, en telkens weer moet ik het zien!

Daar spreekt zooveel uit! Moedertje liefste! U heeft er uw dochter zóó gelukkig meê gemaakt. Het beeldige ornamentje zal ik later uw kleinkind om den hals hangen, als het niet meer op zijn jurkje kan gedragen worden. En ik zal het verder voor hem bewaren, tot hij begrijpen kan, als ik hem vertel van de lieve die God zijn moeder gezonden heeft, opdat het ornamentje hem even dierbaar wordt als het nu voor zijn moeder is.

Mijn man zei me gisteren bij de ontvangst van uw cadeau: "Ga Moedertje dadelijk schrijven, vrouw, het kon anders te laat zijn!"

En ik heb zijn raad gevolgd en meteen de stem van mijn hart.

Ons kindje is er nog niet, maar het kan er elk oogenblik zijn. Ik voel, dat zijn komst al heel nabij is!

Innig dank voor uwe bemoedigende woorden, liefste! De gedachte, dat daar ver van me een ziel, die een stuk is van mijn ziel, voor me hoopt en bidt, maakt me sterk, doet me o zoo oneindig goed!

Menschen, die me deze laatste dagen zien, vinden me bijzonder opgewekt.

Hoe zou ik niet opgewekt zijn, waar zoo'n groot geluk me wacht?

Wat tellen al die uren van pijn, waar zulk een zoet geluk de prijs van is? Ik verlang al zoo naar mijn kleine schat. Het is wel zoet te weten, dat zoovelen deze laatste dagen met me leven.

Of ik niet weet, hoe mijn lieven thuis, uur aan uur met me meêleven, voor me hopen en bidden.

Waar zoovele harten eenzelfde bede doen, daar zal de Hemel niet doof er voor blijven. Moeske, ik ben er zoo vast van overtuigd, dat uw dochter het goed zal afbrengen. Natuurlijk hoort u het dadelijk, als de groote gebeurtenis plaats heeft.

Och, kon u, mijn lieve engel, maar aan de wieg van ons kindje staan! Wat zal ik zalig gelukkig zijn! Ik weet, dat u ons kindje zal liefhebben, ook al is het een grooter mormel dan zijn moedertje is! Als het maar niet mormelig in hart en geest is, dan is het goed, hè Moeske! En dat kan haast niet, tenzij kwade geesten waken bij zijn wieg. Maar daar zal uw talisman wel voor zorgen, kwade geesten van uw kleinkindje afweren.

Mijn moeder is al sinds twee weken bij me en nog een oud grootmoedertje om me bij te staan in de moeilijke oogenblikken, die komen gaan.

Ik word hier verzorgd, vertroeteld en bewaakt als een prinsesje.

De luiermand, het bedje, alles staat in onze kamer klaar voor de komst van ons schatje.

En Moeske, hoe gaat het u a.s. Grootmamaatje? Hoe maakt Mijnheer het? O! zoo innig hoop ik dat deze u beiden in den allerbesten welstand zal bereiken.

Hoe gaat het met Edie? Is hij nog in China? Ik las met belangstelling zijn stuk in Elseviers maandschrift.

Wat schrijft die jongen goed! Broer Edie, zou hij zich mijner nog herinneren? Ik heb er nog altijd hartzeer over, dat ik hem niet in persoon heb mogen ontmoeten. En nu, nu is de kans daarop heelemaal verkeken!

Als u hem schrijft, doe hem de hartelijke groeten van zusje Kartini; vertel hem van mijn mooi geluk, en dat wij beiden hem in sympathie gedenken.

Wat riekt het vruchtje heerlijk, echt Inlandsch parfum! Ik heb het jurkje in een kistje bij andere kleertjes opgeborgen, opdat ook deze lekker zullen ruiken. Wat zal mijn schat later heerlijk rieken!

Goeden nacht, liefste Moedertje, ontvang nogmaals ons beider innigsten dank. Groet Mijnheer hartelijk van ons beiden, en wees zelf ferm gekust van uw eigen dochtertje

KARTINI.

Dit was haar laatste brief.

13 September werd haar zoontje geboren en vier dagen later stierf zij plotseling, slechts ruim 25 jaren oud, gezegend en innig betreurd door allen die haar hebben gekend en lief gehad.


GEDACHTEN ONTLEEND AAN NIET OPENBAAR GEMAAKTE BRIEVEN.

Ik geloof in een God van oneindige liefde, in eene liefdevolle beschikking, ons ten goede.

Wij gaan den weg met moed, hoop en vertrouwen, Hij, die ons tot dit werk roept, Hij waakt over ons; Hij zal ons grijpen, steunen, wanneer wij wankelen, en oprichten, wanneer wij vallen!

Waar ik mijn troost, mijn kracht uit put? door zoo min mogelijk aan mezelf te denken, 't allermeest en in de eerste plaats aan anderen.

Nu weet ik wat een zegen er uitgaat van de schoone leer: "zichzelf te vergeten, zichzelf 't laatst lief te hebben."

Ik ben daarin pas eene beginneling. Wij hebben altijd gezegd en oprecht gemeend ook, dat niets ons te veel zou zijn, als wij daarmede anderen konden helpen. Wij hadden eene bepaalde manier van helpen in 't oog, en dachten aan niets anders. Wij zouden gelukkig zijn, als wij op die manier konden helpen. Daar school wel degelijk egoïsme achter; wij hadden ons één gemaakt met die wijze van nuttig zijn voor anderen, van offeren. De vervulling van dien wensch had ons gelukkig gemaakt. Dat was dus wel degelijk gedeeltelijk egoïsme.

De schoonste en moeielijkste overwinning waartoe de mensch in staat is, is: zich zelve overwinnen.

We kunnen, we willen niet gelooven, dat mannen, die hunne moeders zielslief hebben, ooit slecht kunnen zijn. 't Lijkt me eene onmogelijkheid toe.

Dat zijn nog de slechtste mannen niet, die trouwe kameraden hunner zusters zijn.

Vriendschap, die niet gebouwd is op volkomen oprechtheid, kan geen echte vriendschap zijn en onmogelijk duurzaam zijn.

Heerlijk is 't om invloed te hebben, maar o zoo angstig tevens! 't Is soms zoo moeielijk uit te maken, waar het goede ophoudt en het kwade begint.

O! in ons schreeuwt dikwijls het verlangen naar die eenvoudige zielen. Wij zullen niet tornen aan hun eenvoud, wij zullen hun niet andere behoeften leeren; wij zullen hen laten in hun eenvoud, hun karakter, en alleen daar verandering trachten te brengen, waar de zeden in strijd zijn met het beginsel Liefde.

Ruk de klimplant los van het voorwerp harer innige duizend-armige omhelzing, en zij zal neerhangen, of alle leven uit haar is gebluscht. Lang zal 't duren, eer zij weer opleven kan.

Oude overgeleverde meeningen schuift men niet zoo maar terzijde om plaats te maken voor jonge ideeën.

Machtig zijn de oude nog, waar geheel het land ze huldigt, maar het frissche jonge beginsel zal overwinnen.

Uit den dood zal nieuw leven verrijzen! Men kan 't nieuwe leven niet smoren, en al lukt het nú, morgen zal 't weer opbloeien en aldoor in kracht en sterkte toenemen!


AAN ONZE VRIENDEN.

Wat is het toch dat menschen,
Elkander te voren vreemd, na een blik
In elkaars oogen doet wenschen,
Nooit weer van elkaar te gaan?

Wat is 't toch dat het harte
Ontroert bij den klank eener stem,
Nooit te voren vernomen, die lang
Ons naruischt als een requiem?

Wat is 't toch dat de ziele
In jubel vervoering doet opgaan,
Ontstuimig ons het harte doet slaan?
Wanneer een zeker oogenpaar,
Vriendelijk in het onze staart,
Warm een hand de onze drukt?

Weet gij het, blauwe zee,
Die golft van kust tot kust?
Weet gij mij te zeggen, waar
Dat wond're op berust?

Wil mij 't zeggen, vluggewiekte wind,
Gij, die van zoo verre streken komt,
Wat toch is 't dat ongeroepen komt en
Voor immer met hechten band 't harte bindt?

O! zeg 't mij, schitterende gouden zon,
's Heelal's machtige licht- en warmtebron,
Hoe toch dat groote wonder heet,
Dat zoo zalig 't harte maakt,
Verzacht, vergeten doet het leed,
Dat op aarde ons genaakt?

Een zonnestraal brak door 't loover,
Viel neer op den golvenden vloed;
't Werd àl licht, àl schittering rondom,
Onder den gouden zonnegloed!

Een apothéose van licht en kleuren
Aanschouwde het verrukte oog.
En uit de diep geroerde borst
Steeg een warm dankgebed omhoog!

Niet één wonder was er, doch drie!
Flonkerend op 't vloeibaar parelmoer,
Schreef 't Licht met brillanten letters:
"Liefde, Vriendschap, Sympathie!"

Liefde, Vriendschap, Sympathie,
Murmelden de golfjes na,
Zong in de boomen de wind,
Aan het vragend menschenkind.

Zoet streelde het luisterend oor
De wondere zang van golven en winden,
"De heele, heele wereld door
Zullen verwante zielen elkaar vinden!"

Zij zien op geen kleur,
Noch rang, noch stand,
Maar reiken onder alles
Elkaar de hand!

En hebben ze elkaar gevonden,
Dan laten ze niet meer los de band,
Die hen verbindt. En blijven door alles
Heen, elkaar trouw, trots tijd en afstand.

In vreugde één, in droefheid één,
Zoo door het heele leven heen!
O, zalig wie een verwante ziel ontmoet;
Die heeft gevonden het heiligste goed!

DJIWA.


BESCHOUWINGEN VAN RADEN ADJENG KARTINI,

NEERGELEGD IN EENE NOTA MET HET OPSCHRIFT:

GEEF DEN JAVAAN OPVOEDING!

Japara, Januari 1903.

Is het absoluut onmogelijk een volk van 27 millioen zielen ineens op te voeden, niet alzoo om voorloopig de bovenste lagen er van zóó op te voeden en te ontwikkelen, dat zij de onderstaanden tot zegen worden. Het volk is innig verknocht aan zijnen adel; wat van dezen uitgaat, vindt makkelijk ingang bij het eerste. Welk profijt heeft men van deze omstandigheid getrokken, die gelukkig kàn zijn voor àlle partijen, èn Regeering, èn adel, èn volk?

Tot dusver vrijwel alleen om er de rust van den Staat mee te verzekeren, en dat de inkomsten geregeld binnenkomen! De Staat en de adel profiteeren er van, maar wat heeft het volk zelf er aan?—Wat heeft het volk aan zijn hoog vereerden adel, dien het Gouvernement gebruikt om over hen te regeeren? Tot dusver niets, of dan maar bitter weinig goeds, veeleer nadeel als de adel eens misbruik maakt van zijne macht, wat nog geen hooge uitzondering is.

Dit moet veranderen, de adel moet de volksvergoding verdienen, haar waard worden, wat het volk tot onberekenbaar nut zal strekken.

Daartoe moet de Regeering den adel brengen, en daartoe kan men alléén komen, door den adel eene degelijke opvoeding te geven, eene, die niet uitsluitend is gebaseerd op verstandelijke ontwikkeling, maar waarbij ook wel degelijk gelet wordt op karaktervorming.

Dit punt houde men in 't oog bij alle den Javaan te verstrekken onderwijs!

Men beweert dat door het eene het andere van zelf komt, door verstandelijke ontwikkeling het gemoed vanzelf beschaafd, veredeld wordt. De voorbeelden zijn zonder tal, die bewijzen, dat hooge intellectueele ontwikkeling nog volstrekt geen brevet is voor zedelijke superioriteit!

En men mag dezulken, wier gemoed, ondanks hun schitterend intellect, ruw, onbeschaafd is gebleven, niet hard vallen; meestal toch ligt het niet aan henzelve, maar aan hunne opvoeding. Men had de uiterste zorg gedragen voor hunne verstandelijke ontwikkeling, maar wat had men gedaan aan hunne karaktervorming? Niets! Zonder zedelijke vorming zou 't beste onderwijs niet die vruchten kunnen dragen, welke men er van zou kunnen verwachten.

En de Inlandsche maatschappij heeft zóózeer noodig een beteren zedelijken grond, zonder welken de maatregelen der Regeeringen, hoe goed ook gemeend, zoo niet geheel schipbreuk moeten lijden, dan toch slechts povere resultaten opleveren. Men verbetere derhalve de zedelijke grondslagen der Inlandsche maatschappij; is een degelijke zedelijke basis er eenmaal gelegd en gevormd, dan zal men met het meeste succes kunnen voortbouwen en zaaien.

Dat de vrouw bij de zedelijke vorming der maatschappij eene groote taak te vervullen heeft, wie zal het ontkennen? Zij, juist zij is er de aangewezen persoon voor; zij kan veel, zoo niet 't meest bijdragen tot het verhoogen van het zedelijk peil der maatschappij. De natuur zelf heeft háár die taak aangewezen. Als moeder is zij de eerste opvoedster van het menschdom; aan háár schoot leert het kind 't allereerst voelen, denken, spreken; en in de meeste gevallen is deze allervroegste opvoeding niet zonder beteekenis voor het geheele leven. Het is de moederhand, die in 't menschenhart 't allereerst de kiemen legt van deugden en ondeugden, welke den mensch niet zelden 't geheele leven door bijblijven. Niet zonder grond spreekt men van deugden en ondeugden met de moedermelk ingezogen. En hoè kunnen nu Javaansche moeders hare kinderen opvoeden, als zij zelf zijn onopgevoed? Nooit zal de beschaving, ontwikkeling van het Javaansche volk krachtig kunnen voortschrijden, indien de vrouw daarbij ten achter blijft, er géén taak te vervullen heeft.

Ontwikkel de Javaansche vrouw naar hart en verstand, en men zal flinke medearbeidsters hebben gevonden voor het schoone reuzenwerk: de beschaving van een volk van millioenen! Geef Java flinke, verstandige moeders, en de beschaving, opheffing van één volk is maar een quaestie van tijd!

Voorloopig voed op, onderwijs de dochters van den adel; van hier moet de beschaving uitgaan tot het volk; vorm haar tot flinke, verstandige, degelijke moeders, en zij zullen krachtig de beschaving verbreiden onder haar volk. Op hare kinderen zullen zij hare beschaving en ontwikkeling voortplanten; hare dochters, die weder moeders zullen zijn; haar zoons, die geroepen zullen worden mede te waken over het wel en wee van 't volk. En nog op tal van andere wijzen zullen zij als beschaafden naar den geest en 't hart èn haar volk èn hare omgeving tot nut kunnen strekken.

Voor zoover bekend, is de tegenwoordige Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid de eenige Regeeringspersoon, die aandacht heeft geschonken aan de beteekenis der vrouw in de ontwikkeling van het Javaansche volk, en die in die richting ook stappen heeft gedaan.

Helaas! zijne pogingen hebben schipbreuk geleden, en wel door den onwil der personen zelf, aan wie dat zegenwerk zou ten goede komen en tegelijk aan heel het Javaansche volk. De Regenten, wier advies in deze werd gevraagd, achtten over 't algemeen, den tijd nog niet gekomen om voor dochters van Inlandsche hoofden en andere grooten scholen op te richten.

Doch wat ziet men in de practijk? De Regenten, die zulks adviseerden, achten voor hun dochters den tijd wèl gekomen, om eene verlichtende opvoeding te ontvangen, en geven haar die. De quaestie is: nu de Europeesche opvoeding nog niet algemeen is, in 't bijzonder voor Inlandsche meisjes, wil ieder voor zichzelf, zéér gaarne zijne kinderen 't beste onderwijs geven, dat er te krijgen is, maar het niet aan anderen aanbevelen, of 't bij anderen aanmoedigen, omdat men zelf gráág ontwikkeld is, doch niet gaarne ziet, dat anderen het óók zijn.

Werden er nu scholen geopend, ieder zou er zijne kinderen naar toe zenden, en zij zouden dan dezelfde ontwikkeling krijgen, waarvan men gráág de eenige bezitter zou blijven.

Teekenend is wat een voornaam, ontwikkeld Inlandsch hoofd, naar aanleiding daarvan zegt: "de Javaan, in 't bijzonder de aristocratie, wil voor zichzelf zéér gaarne witte rijst op tafel hebben, die hij anderen niet gunt; voor die anderen is roode rijst goed genoeg."

"Houd de menigte dom, dan heeft men de macht in handen!" zou de leuze kunnen heeten van menig, menig hooggeplaatste, die met leede oogen aanziet, dat óók anderen naar kennis en ontwikkeling streven.

Het is bekend, dat menige "doekoen" (Inlandsche geneeskundige) een geheim middel wetende voor de een of andere kwaal, zijn geheim meenam in 't graf, zelfs aan eigen kinderen 't niet willende toevertrouwen. Het solidariteitsgevoel ontbreekt ten eenenmale in de Inlandsche maatschappij, en men heeft dit daar zéér noodig aan te kweeken, zonder hetwelk vooruitgang van een geheel volk onmogelijk is.

Dat, het-beste-alleen-voor-zichzelf-willen-hebben-en-'t-beschouwen-als-goed-recht, spruit bij de aristocratie voort uit een diep geworteld dwaalbegrip, dat de adel absoluut béter mensch, een wezen van hooger orde is, dan 't volk, en als zoodanig 't recht hebbend op 't beste van alles! Tot 't uitroeien dier begrippen, die remmend werken op den vooruitgang, kunnen wéér de moeders ontzaglijk veel doen. En instede daarvan juicht nu de adellijke moeder haar kind toe, wanneer 't wurmpje, dat nog niet eens op zijne beentjes kan staan, een keel opzet, zoo het niet aangesproken wordt met den hem toekomenden titel!

Werkelijk, een belangrijke factor tot volksbeschaving zal zijn de vooruitgang der Javaansche vrouw! Derhalve is het der Regeering eerste taak het zedelijk bewustzijn der Javaansche vrouw op te heffen, haar op te voeden, te onderwijzen, te vormen tot flinke, verstandige moeder en opvoedster!

Particuliere en gouvernementsscholen bewijzen, dat hoe langer hoe meer Inlandsche hoofden óók voor hunne dochters eene verlichtende opvoeding wenschen.

Er zijn eenige Regenten, die met hun kinderen óók de moeders er van laten onderwijzen door Europeesche onderwijzeressen. En nog méér ouders zouden hunne meisjes laten leeren, zoo daartoe maar de gelegenheid bestond; want niet overal is er een meisjesschool, en men ziet er tegen op om de meisjes naar gemengde scholen te zenden.

In de Preanger bestaat er sedert een paar jaar een particuliere, gesubsidieerde school onder leiding eener Europeesche onderwijzeres, speciaal voor kinderen van den Inlandschen adel. Jongens en meisjes gaan er school, echter in afzonderlijke lokalen; en de jongens gaan eerder naar huis, zoodat de kinderen van beiderlei kunne elkaar niet ontmoeten, volgens de zeden van het land.

Men redeneere niet langer, doch stelle de Inlandsche maatschappij voor een feit: de (één) school voor dochters van hoofden is er!

Persoonlijke eigenschappen, een goeden naam, erkende kundigheden van degenen, die zulk een school leiden, zouden haar succes waarborgen, doch óók de Regeering heeft hier eene taak te vervullen. Zij kan dat succes bevorderen, eerstens door die school allen steun te geven, dien zij behoeft, voorts door op een of andere sprekende wijze te toonen prijs te stellen op den vooruitgang der Javaansche vrouw!

Het Javaansche volk is, als andere kind-volken, uiterst gevoelig voor glans, geur, schittering. Welnu, men voldoe dááraan, maar gève dan tegelijk iets degelijks, iets blijvend goeds!

Men denke aan kinderen, die men voor hunne gezondheid bevorderlijke medicijnen wil ingeven. Zet men hun de pillen b.v. voor zooals ze zijn, zij zullen ze slechts met tegenzin, en dan met vele lieve woordjes, vermaningen en eindelijk dreigementen willen innemen; maar geef hun diezelfde pillen met suiker, zilver, goudpapier omwikkeld, 9 van de 10 gevallen, dat 't kind dadelijk de handjes er gretig naar uitstrekken zal!—Verstandiger geworden zal het geen suiker noch verguldsel behoeven om pillen in te nemen, die het voor zijne gezondheid bevorderlijk weet!

Zou 't voorbeeld door wijlen den Pangeran van Demak nu een halve eeuw geleden gegeven,—hij was de eerste Javaan, die aan zijne kinderen eene Europeesche opvoeding gaf,—zóóveel navolging gevonden hebben, indien niet de Regeering door sprekende bewijzen toonde, die daad te apprécieeren?

Vier zoons en twee kleinzoons van genoemden Pangeran waren en zijn Regenten; en mannen tot oordeelen bevoegd, waren en zijn vol lof over die familie van Regenten.

Het is waar, de Regeering heeft direct voordeel van die daad van dat Inlandsche hoofd; maar het nut, dat de vooruitgang der Javaansche vrouw heeft voor de heele Inlandsche maatschappij, is aangetoond, en moet ieder inzien, die wèl denkt.

Scholen alleen kunnen de maatschappij niet vooruit brengen, ook het huisgezin moet meêwerken. Vooral van het huisgezin moèt de opvoedende kracht uitgaan, —het huisgezin is er dag en nacht, de school slechts op ènkele uren van den dag.

En hoe kàn nu 't huisgezin zegenend opvoeden, als zulk een voornaam element daarin, de vrouw, de moeder, geheel onbekwaam is tot opvoeden?

Als de Regeering nu op een of andere, het Javaansche volk wèlgevallige manier, toonde prijs te stellen op den vooruitgang óók der Javaansche vrouw, zou Zij krachtig die goede zaak bevorderen. Beter nog dan op eenige andere wijze zou zulk een aanmoediging werken. Het zou méér, grooter effect hebben, dan wanneer b.v. de Regeering direct last gaf, dat alle Inlandsche hoofden hunne dochters moesten naar school zenden, een maatregel, die de Regeering wel nooit zal provoceeren!

Weet de aristocratie, dat de Regeering er op is gesteld, dat hare dochters zich eene meerdere beschaving en ontwikkeling eigen maakten, dan zal zij in de eerste jaren niet uit overtuiging, dan toch uit eigen beweging hare dochters naar school zenden. Hiertoe moet de aristocratie gebracht worden! Wat doet 't er toe met welke drijfveeren men zijne dochters naar school zendt? De quaestie is, dat men ze naar school zendt!

Aan de personen, die onderwijs geven, de taak, om de meisjes, die hun worden toevertrouwd, naar hun beste weten en met àl hun vermogen te vormen tot beschaafde, ontwikkelde vrouwen, bewust van hare zedelijke roeping in de maatschappij, om er te worden de liefdevolle moeder, de verstandige, degelijke opvoedster, en voorts om op alle mogelijke wijzen nut te stichten in eene maatschappij, waar op èlk gebied hulp dringend noodig is!

Voorloopig opene men één school, internaat, opdat men de kinderen geheel in dien geest kan opvoeden; echter zij die inrichting óók toegankelijk voor uitwonende leerlingen.

Het voermiddel zij daar de Nederlandsche taal!

Alleen de kennis van eene Europeesche taal, en in de eerste plaats natuurlijk het Hollandsch, zal, voorloopig de bovenste lagen der Inlandsche maatschappij, tot ontwikkeling, tot geestelijke vrijheid kunnen brengen!

Het beste middel om die taal te leeren, is, dat men zóóveel mogelijk in die taal denkt en die taal spreekt. Maar daarom verwaarlooze men de eigen taal niet; daaraan bestede men de meeste zorg naast het Hollandsch.

Het denkbeeld heeft veel bekoorlijks om al de Europeesche werken, die ontwikkelend en opvoedend zouden zijn voor den Javaan, in diens taal over te brengen. En men moèt dit óók doen! Doch het is er nog niet, en zal er in den eersten tijd nog niet zijn.

Moet dan in dien tijd van wachten de Javaan in onkunde en onwetendheid opgroeien, terwijl "meer licht" dringend noodig is in eene maatschappij, die zooveel behoefte heeft aan betere zedelijke grondslagen om te komen tot betere materieele welvaart? Het is niet de bedoeling om heel 't Javaansche volk de Nederlandsche taal te leeren; wat zou de landbouwer, houthakker, grassnijder enz. enz. hebben aan kennis der Hollandsche taal? Men leere alleen de elementen, die er aanleg en geschiktheid voor hebben 't Hollandsch, en men houde bij dat taalonderwijs den leerlingen helder voor oogen en werke in dien geest: dat de kennis van het Hollandsch op zichzelf nog niets is, nog volstrekt geene beschaving beteekent, dat de beschaving nog in iets anders zit dan in Hollandsch spreken, Hollandsche uiterlijke maniertjes kennen, en nog minder in de Europeesche kleeren. De kennis der Hollandsche taal is de sleutel, die de schatkamers van Westersche beschaving, wetenschappen, ontsluit; men heeft er te werken om zich wat van die schatten eigen te maken.

Er moet een flink aantal beschaafden naar geest en hart gevormd worden, doorkneed in eigen taal en zaken, en daarnaast in 't Nederlandsch en de Europeesche wetenschappen. Die krachten moeten het Nieuwe verwerken voor andere landgenooten, dat het door dezen aangepast kàn worden!

Vertaal nu alle belangwekkende Europeesche werken in 't Javaansch, zet dat 't Javaansche volk voor; òf de menigte 't dan zou lusten!


Aan hen, die in hun vroegste en latere jeugd alle zedelijke vorming moeten missen, wat nagenoeg het geheele Javaansche volk doet, kan nog zeer wel dat zeer gewichtig punt in de opvoeding bijgebracht worden.

Dit kan soms door toeval geschieden; men komt in aanraking met edele en kundige menschen, die zich onze geestelijke vorming aantrekken, of wel die onwillekeurig ons opvoeden door edele voorbeelden.

Een willekeurig middel tot opvoeding, waarvan veel heil kan verwacht worden, is: lectuur! Zij zal een uitnemende mede-opvoedster zijn. De Javaan heeft nagenoeg geen lectuur; wat hij heeft zijn enkele heldendichten en zedelessen, die nog wel slechts voor zeer weinigen bereikbaar zijn, doordat bijna alle met de hand zijn geschreven; erfstukken, die van geslacht tot geslacht overgaan en ook doordat vele geschreven zijn in symboliek en in eene voor gewone menschen onverstaanbare taal. Dan nog dit; de Javaan vat doorgaans zijn boeken letterlijk op, waardoor zij zoo niet alle dan toch veel van hunne practische waarde verliezen.

In de Javaansche zedenleer wordt bijv. onthouding van voedsel en slaap aangeprezen als de weg tot wereldlijk en hiernamaalsch welzijn.

Heel mooie gedachten liggen daaraan ten grondslag, echter voor de massa verloren.

Men vast, hongert, waakt, en denkt er reeds te zijn, terwijl de mooie idee hun ontsnapt. "Niet eten, drinken en slapen is het doel van het leven!—en—door lijden (inspanning, zelfbeheersching en beperking) tot heerlijkheid!"

En zoo doet men met meer dingen.

Men geve den Javaan lectuur, geschreven in een populaire, voor ieder verstaanbare taal, géén preeken, óók niet licht-zinnige, oppervlakkige banaliteiten, maar eenvoudige, frissche, onderhoudend vertelde verhalen, stukjes uit 't werkelijke leven, uit 't heden, 't verleden, óók uit 't rijk der fantasie, daarbij altijd in 't oog houdende: een zedelijke, opvoedende ondergrond moet er steeds zijn!

Al prettig keuvelende, geve men den Javaan voedsel voor hart en geest en nuttige wenken voor 't practische leven.

Er moeten boeken en boekjes in dien geest voor volwassenen en voor kinderen worden geschreven, en dan bladen en blaadjes, die wekelijks of maandelijks verschijnen, worden uitgegeven, waarin van alles en allerlei geschreven wordt wat den blik verruimt, den geest ontwikkelt en het gemoed veredelt. Volstrekt geen gewone krantenlectuur van brand, diefstal en moord, en anonieme zwartmakerijen en opkammerijen. Den lezers worde de gelegenheid gegeven vragen op allerlei gebied te doen, die dan òf door de redactie, òf door de medelezers worden beantwoord.

En zooveel mogelijk moet een uitwisseling en wrijving van gedachten tusschen de lezers onderling door dat blad bevorderd worden.

Evenals met de oprichting van scholen voor dochters van hoofden, moet men ook met de oprichting van zulk een blad eerst op kleine schaal beginnen. Het is immers gemakkelijk om het gaandeweg uit te breiden, terwijl het zóó ontmoedigend is, als men groot begint en het succes gering is.

Verblijdend is de verschijning van "Bintang Hindia", het Maleisch-Hollandsch geïllustreerd blad, dat in Holland uitgegeven en geredigeerd word door een bond van jongelieden der jonge generatie, die in Nederland hunne studiën voltooien aan de Hooge Scholen. Het zijn jonge mannen vol liefde en geestdrift voor hun land en landgenooten, die zij willen voorlichten naar de beschaving! Men steune dat streven!


Populaire kennis over Indië en zijne bevolking worde verspreid onder de Nederlanders; men leere hun den Javaan van een zuiver standpunt kennen, waardoor vooroordeel zou verdwijnen en in de toekomst niet alleen de buitengewone, maar ook gewone Nederlanders den Javaan beschouwen als medemensen, die geheel buiten zijn schuld geestelijk hun mindere is, en niet omdat zijn huidskleur bruin is.

Boeken in dien geest geschreven voor Nederlanders zouden veel nut kunnen stichten èn voor Java èn voor Nederland zelf, en van grooter waarde en kracht zou 't zijn, indien een kind van 't eigen volk Nederland dat volk leerde kennen! Dáárom ook is 't uitstekend, dat aan den Javaan Hollandsch wordt geleerd—het best zal hij door de Nederlanders verstaan worden, indien hij zich uitdrukt in hun taal, daarin zijne wenschen, behoeften en nooden vertelt.

Maar waarom zou eerst op later leeftijd bij Nederlanders de belangstelling voor Indië worden gewekt?—kan dat niet eerder geschieden? De scholen bieden daartoe eene uitnemende gelegenheid, in Nederland zoowel als in Indië.

Men neme op de scholen onder de leesboekjes, leesboekjes op, die een helderen kijk geven op land, volk, zeden, gewoonten, toestanden van Indië; geen droge, geleerde, wetenschappelijke werkjes, maar onderhoudende lectuur, zooals kinderen ze gaarne lezen, en die een degelijke kennis bevat van de schoone landen en dat zachte bruine volkje van ver over zee.

Om de kinderen op school degelijke kennis van Indië bij te brengen, is 't niet genoeg daarvoor alleen boekjes te gebruiken, hoe populair en met groote kennis van zaken ook geschreven, 't Is óók noodig, dat de onderwijzers méér kennis van Indië bezitten, dan nu 't geval is, al ware 't alleen maar, opdat zij niet met een mond vol tanden zouden staan, als de kleine weetgierigen naar aanleiding van het gelezene over Indië het een en ander weten wilden.

Zou 't niet aanbeveling verdienen op kweekscholen voor onderwijzers een nieuw vak in te voeren; uitgebreide, degelijke kennis van Indië?

O! alle middelen moesten te baat genomen worden om in Nederland, en vooral ook bij de jeugd, belangstelling voor Indië te wekken.

De kinderen van heden zullen de regeerders over Indië van de toekomst zijn!

Beter nog dan 't populairste werk zou aanschouwelijke kennis van Indië in Nederland de belangstelling opwekken voor deze landen en volken.

Tentoonstellingen, zooals "Oost en West" er meer gaf in Den Haag van Indische voorwerpen van kunst en nijverheid, en zoo mogelijk in de eigene omgeving; bijv. een Inlandsche woning met bewoners (echte Javanen) en gamelan, op véle, véle plaatsen des lands gehouden, tegen zoo laag mogelijk gestelden toegangsprijs, opdat het volk er ook van profiteere. Zulk eene expositie bijeenbrengen en ze dan van plaats tot plaats door heel Nederland laten trekken en kijken.

Het is diep treurig voor Indië, en beschamend voor Nederland, dat de Nederlanders over het algemeen, de ontwikkelden niet uitgezonderd, zoo bitter, bitter weinig of niets van Indië afweten. Een der maatregelen door de Regeering te nemen om 't volk van Java tot meerdere ontwikkeling en welvaart te brengen en ten goede van Nederland zelve, is ongetwijfeld de kennis van Indië onder de Nederlanders zelf te bevorderen, bij hen belangstelling te wekken voor den "Oost".

Er kan van de Nederlanders in Indië een zegenrijke invloed uitgaan tot 't volk: ieder ontwikkelde Europeaan, in 't bijzonder degenen, die uit den aard van hunnen werkkring direct òf met den adel òf met 't volk in aanraking komen, kan in zekeren zin opvoeder en weldoener zijn van den Javaan. Men kan persoonlijken invloed ten goede oefenen en weldoen in den vorm van hulpverschaffing in gevallen van ziekten en verwondingen.

Welk een grooten, zegenenden invloed kon er van de ambtenaren persoonlijk uitgaan, zij die direct aanraking hebben met de hoogsten van het land: de hoofden en aristocratie.

Wat is van dien persoonlijken invloed te bespeuren? Over 't algemeen bedroevend weinig, o zoo bitter weinig! Dankbaar worden herdacht de ambtenaren, die hart hebben voor 't bruine volkje, dat zij regeeren, die de aan hen ondergeschikte Inlandsche ambtenaren beschouwen, niet als minderwaardigen in alles—bestemd om hen te aanbidden, maar als evenmenschen en kameraden.

O! dat er eene betere verhouding kome tusschen Europeesche bestuursambtenaren en Inlandsche, voornoemde aangehaalde verhouding regel worde, en niet langer uitzondering blijve!

Het "prestige" staat er als scheidsmuur tusschen, houdt 't Europeesche en Inlandsche element van elkaar.

Zal èn Nederland èn Indië niet beter gebaat worden, indien over 't algemeen de Nederlanders en in 't bijzonder de bestuursambtenaren op eene àndere manier het "prestige" zoeken hoog te houden dan tot nu toe gevolgd is?

Humaniteit zal op den duur blijken te zijn beter, en is óók 't beste middel om Java aan Nederland te ketenen, dan wanneer de Nederlanders, inzonderheid de bestuursambtenaren, de bevolking ontzag voor Neerland's gezag inboezemen, door zichzelf te plaatsen "op een verheven standpunt van goddelijke vereering". De Inlandsche ambtenaren bewijzen den Europeeschen den eerbied, dien zij hun eigen hoofden geven, omdat men weet dat de heeren daarop gesteld zijn—maar of men 't uit het hart doet???!

De Nederlandsche ambtenaar sta hoog genoeg, om géén eerbiedsbewijzen te willen aanvaarden, dan die uit het hart komen!

Ook van de Europeesche vrouw kan hier grooten zegen uitgaan tot de Inlandsche maatschappij.

Er zijn gevallen bekend van Inlandsche meisjes, die van huis uit reeds eenige ontwikkeling mee brachten en die door den persoonlijken invloed van Europeesche vrouwen zich eene meerdere ontwikkeling verwierven, welke in de toekomst tot nut zal strekken der Inlandsche maatschappij, ten volle bewust als zij zijn daarin eene zedelijke roeping te vervullen te hebben.

Het voordeel, dat Nederland zelf heeft van die daad van humaniteit zijner dochters; zij hebben in de harten dier Inlandsche vrouwen en harer familie liefde geplant voor haar land, hare natie. Zelf hebben zij het Javaansche volk van een beter standpunt leeren kennen. Het heeft dus geleid tot wederzijdsche waardeering en óók vertrouwen, welke beide partijen ten goede komen.

Er is ontzaglijk veel moois te doen in Indië voor den Europeaan en voor de Europeesche vrouw. Met een beetje goeden wil zouden zij zoo gemakkelijk de liefde der inboorlingen kunnen winnen. De Javaan kent geen dankbaarheid, wordt wel beweerd. O! als men maar eens hoorde hoe die "ondankbaren" met schier aandoenlijke liefde en vereering van Europeanen spreken, van wie zij liefde hebben ondervonden, men zou ànders spreken.

De Javaan is zóó gevoelig voor uit 't hart komende vriendelijkheid. De Europeanen hebben den eersten stap tot toenadering te doen; uit zich zelf zullen de Javanen nooit tot de Europeanen gaan, daarvoor zijn zij te bescheiden, te beschroomd, en—de Europeaan moet immers nog hun vertrouwen winnen?

En tot dit alles kan men komen, indien in Nederland eene degelijke kennis van Indië algemeen wordt. Verbreid ze in school en huis bij de jeugd, prent haar in, dat Nederland eene zedelijke roeping heeft te vervullen tegenover Indië, de schoone, rijke landen over zee, waaraan Groot-Nederland zijne beteekenis als Koloniale Mogendheid dankt. Men leere in Nederland vragen en er over nadenken: "Wat zou Nederland zijn zonder Indie?" en dat dan Nederland aan Indië leere: "Wat zou Indië zijn zonder Nederland?"

Over volksonderwijs leze men de voorstellen van den tegenwoordigen Regent van Ngawi.[1] Voorts zou 't aanbeveling verdienen de inrichtingen van onderwijs en opvoeding, de vakschool, enz. op Modjowarno en de resultaten daarvan grondig te bestudeeren. Waarom zouden zulke zegenrijke instellingen als op Modjowarno niet op meer plaatsen van Java kunnen komen?