Hoofdstuk XXII.

Mimi’s dood.

I.

In de eerste dagen na zijn definitieven breuk met mademoiselle Mimi, die hem, zooals onze lezers zich herinneren zullen, verlaten had, om plaats te nemen in de equipage van vicomte Paul, had Rodolphe getracht zijn smart te vergeten door een nieuwe liefdesbetrekking aan te knoopen.

Zijn nieuwe vriendinnetje was de blondine, voor wie wij hem op den dag van paradoxale dwaasheid het kostuum van Romeo hebben zien aantrekken. Doch deze liaison, die hij uit dépit en zij uit een gril begonnen waren, kon onmogelijk van langen duur zijn, daar Julia, in één woord gezegd, een ongestadige deerne was, die alle vrouwenstreken van a tot z kende, geestrijk genoeg was, om den geest van anderen op te merken en daarvan, als de gelegenheid zich voordeed, gebruik te maken, en slechts zooveel hart had, dat zij hartwater kreeg, als zij te veel gegeten had. Daarbij kwam nog een ongebreidelde zelfzucht en een grenzenlooze ijdelheid, die haar minder deden treuren om een gebroken been van haar minnaar dan om een volant minder aan haar japon of een verkleurd lint om haar hoed. Een betwistbare schoonheid, een ordinair schepsel, van nature begiftigd met alle slechte instincten, was zij toch door sommige eigenschappen en op sommige oogenblikken verleidelijk. Al heel gauw bemerkte zij, dat Rodolphe haar alleen genomen had, om hem met haar hulp de verlorene te doen vergeten, aan wie hij integendeel met meer verlangen dan ooit begon terug te denken, want nooit was de herinnering aan zijn vroeger vriendinnetje zoo levendig geweest.

Op een goeden dag praatte Julia met een student in de medicijnen, die haar sedert eenigen tijd het hof maakte. Het gesprek kwam op Rodolphe.

„Maar lieve kind,” zeide de student, „die jongen gebruikt je, zooals wij helschen steen gebruiken om wonden te branden; hij wil zijn hart cauteriseeren. Je behoeft je voor hem niet druk te maken, en hem trouw zijn is absoluut niet noodig.”

„Maar,” riep het jonge meisje lachend uit; „dacht je dan heusch, dat ik mij voor hem geneer?”

En denzelfden avond nog gaf zij den student het bewijs van het tegendeel.

Dank zij de babbelzucht van een van die gedienstige vrienden, die voor geen geld ter wereld een tijding, welke je bedroefd maken kan, onder zich zouden houden, kreeg Rodolphe lucht van de zaak en maakte er onmiddellijk gebruik van, om den ad-interim liaison af te breken.

Hij zonderde zich nu af in een volkomen eenzaamheid, waarin al heel gauw alle vleermuizen der verveling hun nest kwamen maken. Dan riep hij het werk te hulp, maar het was vergeefsche moeite. lederen avond schreef hij, nadat hij evenveel droppels water gezweet als droppels inkt gebruikt had, een twintigtal regels, waarin een oud denkbeeld, nog meer levensmoe dan de Wandelende Jood, en gehuld in lompen, die hij gehaald had in een uitdragerswinkel, op het slappe koord der paradoxen danste. Bij het overlezen van die regels voelde Rodolphe zich als iemand, die in het bloembed, waar hij rozen gezaaid meent te hebben, brandnetels ziet groeien. Hij verscheurde dan het blad papier, waarop hij die rozenkrans van zotheden had afgebeden, en vertrapte het woedend onder zijn voet.

„Waarachtig,” zeide hij, terwijl hij zich op zijn linkerborst sloeg, „de snaar is gesprongen; ik moet van de kunst afzien.”

En daar eenigen tijd achtereen op al zijn pogingen, om te werken, een zelfde teleurstelling volgde, maakte een van die moedeloosheden zich van hem meester, welke het krachtigste zelfvertrouwen doen wankelen en de helderste geesten afstompen. Inderdaad niets is vreeselijker dan die eenzame worstelingen, welke nu en dan plaats vinden tusschen den koppig volhoudenden kunstenaar en de weerspannige kunst; niets is aangrijpender dan die nu eens smeekende, dan weer gebiedende aanroepingen van den scheppen willenden dichter tot de minachtend op hem neerziende of hem ontvluchtende Muze.

De hevigste zielsangsten, de diepste aan het hart toegebrachte wonden veroorzaken geen lijden, dat te vergelijken is met dat, hetwelk men ondergaat in die uren van wanhoop en twijfel, welke maar al te dikwijls voorkomen bij hen, die zich wijden aan het gevaarlijke kunstenaarsberoep.

Op die heftige crisissen volgden pijnlijke afmattingen. Uren lang bleef Rodolphe dan in een doffe wezenloosheid als versteend zitten. Zijn ellebogen rustend op de tafel, zijn oogen strak gericht op den lichtplek, dien het lamplicht op het blad papier beschreef, op het „slagveld”, waarop zijn geest dagelijks overwonnen werd en zijn pen zich vergeefs inspande om het ongrijpbare denkbeeld te vervolgen, zag hij, gelijk aan figuren uit een tooverlantaren, waarmede men kinderen bezig houdt, fantastische beelden aan zich voorbijtrekken, die een panorama van zijn verleden voor hem ontrolden. Eerst kwamen de dagen van harden arbeid, waarin ieder uur van de wijzerplaat de vervulling van een plicht eischte, de aan de studie gewijde nachten, waarin hij sprak met de muze, die zijn in eenzaamheid en geduld gedragen armoede als in een tooverweelde herschiep. En met afgunst dacht hij terug aan het trotsche gevoel van zelfvertrouwen, dat hem vroeger bezielde, wanneer hij de taak, die hij zichzelf gesteld had, ten einde had gebracht.

„O,” riep hij uit; „niets gelijkt op u, niets evenaart u, genotrijke uitputting na volbrachten arbeid, die de rust van het far niente zachter doet schijnen. Noch de bevrediging van de ijdelheid noch de koortsachtige, onder de zware gordijnen van geheimzinnige alkoven verstikte zinnenzwijmel—niets gelijkt op dien edelen, kalmen vrede, die gewettigde zelfvoldaanheid, welke de arbeid den vlijtigen als eerste belooning geeft.”

En zijn blikken nog steeds gericht op de visioenen, die de tooneelen uit het verleden voor zijn geest bleven tooveren, klom hij weer naar de dakkamertjes, die hij gedurende zijn avontuurlijk bestaan bewoond had, en waarheen zijn muze, zijn eenige liefde en trouwe en standvastige vriendin toen, hem steeds gevolgd had, en het met de armoede goed vinden kon, zonder ooit haar hoopvol gezang te onderbreken. Doch daar verscheen plotseling midden in dit rustige, vredige en kalme bestaan de gestalte van een vrouw, en toen de muze die vrouw zag binnentreden in de woning, waarin zij tot dat oogenblik de eenige koningin en meesteresse geweest was, stond zij bedroefd op en ruimde haar plaats in voor de nieuw-aangekomene, in wie zij dadelijk een mededingster vermoedde. Een oogenblik aarzelde Rodolphe tusschen de muze, wie zijn blik een: „Blijf!” scheen toe te werpen, en de vreemde, tot wie zijn gebaar een: „Kom!” zeide. Hoe zou hij ook het bekoorlijke schepseltje, dat, gewapend met de verleidelijke bekoorlijkheden van een ontluikende schoonheid, tot hem kwam, hebben kunnen van zich stooten, dat schepseltje met haar kleine mondje en rose lipjes, dat een naief en tevens brutaal taaltje, vol guitige beloften, sprak? Hoe kon hij zijn hand weigeren aan het blanke, blauw geaderde handje, dat zich liefkozend naar hem uitstrekte? Hoe had hij: „Gaat heen!” kunnen roepen tot die bloeiende achttien jaren, wier aanwezigheid het huis reeds met een geur van jeugd en vreugde vervulde. En met haar zachte, licht bewogen stem zong zij de cavatine der verzoeking zoo verleidelijk mooi! Met haar levendige en schitterende oogen zeide zij: „Ik ben de liefde”; met haar lippen, waarop de kussen ontloken: „Ik ben het genot”; met haar bloeiend lichaam: „Ik ben het geluk” zòò wondermooi, dat Rodolphe zich liet medesleepen. En was die jonge vrouw dan ook in werkelijkheid niet de levende, geïncarneerde poëzie? Dankte hij haar niet de oogenblikken van meest verheven inspiratie? Had zij hem niet dikwijls bezield tot een enthousiasme, dat hem zoo hoog in den aether van het ideaal meevoerde, dat hij al het aardsche uit het oog verloor? En als hij om en door haar veel geleden had—was dan dat lijden niet een boetedoening voor al de ontzaglijke genietingen, die zij hem geschonken had; was het niet de gewone wraak van het noodlot, dat het volmaakte, ongestoorde geluk als iets goddeloos verbiedt? Indien de christelijke leer hun vergiffenis schenkt, die veel hebben lief gehad, dan schenkt zij die slechts, omdat zij ook veel geleden hebben, want aardsche liefde wordt eerst goddelijke hartstocht, als zij door tranen gelouterd is.

Evenals men zich soms bedwelmt door den geur van reeds lang verwelkte rozen in te ademen, zoo bedwelmde Rodolphe zich door voor zijn geest te roepen zijn vroeger leven, waarin iedere dag een nieuwe elegie, een schokkend drama, een groteske comedie bracht. Hij doorleefde nogmaals alle phasen van zijn liefde voor de verloren geliefde, van af hun wittebroodsweken tot de huiselijke stormen, die tot hun laatsten breuk geleid hadden. Hij riep het geheele repertoire van alle listen van zijn vroeger vriendinnetje in zijn geheugen terug, hij herhaalde in zichzelf al haar kwinkslagen. Hij zag weer voor zich hoe zij in hun klein huishoudentje om hem heen draaide, haar lijfdeuntje: Ma mie Annette op de lippen, met dezelfde zorgelooze opgewektheid zoowel blijde als droeve dagen aanvaardend. En ten slotte moest hij erkennen, dat het verstand in liefdesaangelegenheiden altijd ongelijk heeft. Immers wat had hij bij dien breuk gewonnen? Toen hij met Mimi samenleefde, bedroog zij hem, dat is waar—maar dat hij het wist, was zijn eigen schuld, omdat hij zich de grootste moeite getroostte, om het te weten te komen, omdat hij altijd op den loer lag naar bewijzen, omdat hij zelf de dolken scherpte, die hij zich in het hart boorde. Was bovendien Mimi niet handig genoeg om hem zoo noodig te bewijzen, dat hij zich vergiste? En bovendien met wie was zij hem ontrouw? Meestal was het met een sjaal, een hoed, met dingen, niet met mannen. En had hij nu die rust, die kalmte, welke hij van een breuk met Mimi verwacht had, na haar vertrek teruggevonden? Helaas, neen! Alles, behalve zij, was gebleven. Vroeger kon hij tenminste nog uiting geven aan zijn smart, kon hij zijn hart luchten in beleedigingen en verwijten, kon hij laten zien, wat hij leed en het medelijden opwekken van haar, die de oorzaak van dat lijden was. Doch nu moest hij zijn smart in zich opkroppen, nu was zijn ijverzucht machtelooze woede geworden, want vroeger kon hij, wanneer hij achterdocht koesterde, Mimi beletten uit te gaan, haar bij zich houden en bewaken; maar thans zag hij haar aan den arm van haar nieuwen minnaar op straat en moest hij zich afwenden, om haar van vreugde stralend en op weg naar het een of ander pleiziertje, voorbij te laten gaan.

Dat ellendige leven duurde een maand of drie, vier. Dan werd Rodolphe langzamerhand rustiger. Marcel, die, om te trachten Musette te vergeten, een lange reis gemaakt had kwam in Parijs terug en ging weer met Rodolphe samen wonen, zoodat zij elkaar konden troosten.

Toen Rodolphe op een Zondag door den Luxembourg wandelde, kwam hij Mimi in groot toilet tegen. Zij ging naar een bal. Zij knikte hem in het voorbijgaan toe, wat hij met het afnemen van zijn hoed beantwoordde. Deze ontmoeting gaf hem weliswaar een steek door zijn hart, maar de emotie was toch minder pijnlijk dan gewoonlijk. Hij bleef nog wat in den Jardin du Luxembourg wandelen en ging vervolgens naar huis. Toen Marcel ’s avonds ook thuiskwam, vond hij Rodolphe aan zijn schrijftafel.

„Wat?” vroeg Marcel, terwijl hij over den schouder van den dichter keek, „ben je aan het werk ... en zelfs verzen?”

„Ja,” antwoordde Rodolphe vroolijk; „dat kleine dingetje hier in mijn borst is blijkbaar niet heelemaal dood. De vier uur, die ik hier nu al zit, heb ik het dichtvuur uit vroegere dagen teruggevonden, ik heb Mimi gezien!”

„Ei!” zeide Marcel bang. „En hoe staat het met jullie?”

„O, wees maar niet bang, we hebben elkaar slechts gegroet—verder niets.”

„Heusch?” vroeg Marcel.

„Heusch! Tusschen ons is het voor goed uit, dat voel ik; maar als ik weer werken kan, schenk ik haar graag vergiffenis.”

„Maar waarom maak je, wanneer alles tusschen jullie uit is, nog verzen voor haar?” vroeg Marcel, die Rodolphe’s verzen intusschen gelezen had.

„Ach!” zeide de dichter; „ik neem mijn poëzie waar ik ze vind!”

Acht dagen lang werkte hij aan dit kleine gedicht. Toen het klaar was, las hij het aan Marcel voor, die er heel tevreden over was en Rodolphe aanspoorde om zijn dichtader, die weer ontsprongen was, ook op ander gebied te laten vloeien.

„Want,” zoo merkte hij op, „het zou de moeite niet loonen van Mimi te scheiden, als je toch altijd met haar schim blijft leven. Maar,” voegde hij er glimlachend aan toe, „ik zou beter doen, wanneer ik, in plaats van tot anderen te preeken, tegen mezelf een strafpredikatie hield, want mijn hart is nog vol van Musette. Maar enfin, wij zullen toch niet altijd jonge menschen blijven, die op zulk duivelsgebroed verliefd zijn.”

„Ach!” zeide Rodolphe; „tot de jeugd behoef je helaas niet te zeggen: Ingerukt, marsch!”

„Dat is wel zoo,” antwoordde Marcel, „maar toch zijn er dagen, waarop ik een eerwaardige grijsaard zou willen zijn, lid van het Instituut, ridder van verschillende orden, en los van alle Musettes ter wereld. En de duivel mag me halen, als ik ooit weer tot haar terug keeren zou! En jij,” vroeg hij lachend, „zou jij al graag zestig jaar achter den rug hebben?”

„Vandaag had ik liever zestig francs in mijn zak!”


Eenige dagen later sloeg mademoiselle Mimi, die met den jongen vicomte Paul in een koffiehuis zat, een revue open, waarin de verzen stonden, die Rodolphe voor haar gemaakt had.

„Zoo, zoo!” zeide zij eerst lachend, „mijn vriend Rodolphe spreekt kwaad van me in tijdschriften.”

Doch toen zij het gedicht heelemaal uitgelezen had, bleef zij stil en peinzend voor zich uit zitten staren. Vicomte Paul vermoedde, dat zij aan Rodolphe dacht, en trachtte haar af te leiden.

„Ik zal dat paar mooie oorbelletjes voor je koopen!” zeide hij tot haar.

„Ja,” zeide Mimi; „jij ..... jij hebt geld!”

„En een hoed van Italiaansch stroo,” voegde hij eraan toe.

„Dank je,” zeide Mimi, „maar als je me een pleizier wilt doen, koop dan dat hier voor mij.”

En zij wees op de aflevering, waarin zij het gedicht van Rodolphe gelezen had.

„Dat? Neen!” zeide de vicomte boos.

„Goed!” antwoordde Mimi koel. „Ik zal het zelf koopen voor geld, dat ik zelf verdienen wil. Ik koop het liever niet voor jouw geld.”

En werkelijk keerde Mimi voor twee dagen terug naar het atelier, waar zij vroeger bloemen gemaakt had, en verdiende daar het geld, dat zij noodig had, om de aflevering te kunnen koopen. Zij leerde Rodolphe’s verzen van buiten en droeg ze, om den vicomte te plagen, dagelijks aan zijn vrienden voor.

Het gedicht luidde:

Alors que je voulais choisir une maîtresse

Et qu’un jour le hasard fit rencontrer nos pas,

J’ai mis entre tes mains mon cœur et ma jeunesse

Et je t’ai dit: Fais-en tout ce que tu voudras.

Hélas! ta volonté fut cruelle, ma chère:

Dans tes mains ma jeunesse est restée en lambeaux.

Mon cœur s’est en éclats brisé comme du verre,

Et ma chambre est le cimetière

Où sont enterrés les morceaux

De ce qui t’aima tant naguère.

Entre nous maintenant, n-i, ni- c’est fini,

Je ne suis plus qu’un spectre et tu n’es qu’un fantôme,

Et sur notre amour mort et bien enselevi,

Nous allons, si tu veux, chanter le dernier psaume.

Pourtant ne prenons point un air écrit trop haut,

Nous pourrions tous les deux n’avoir pas la voix sûre;

Choisissons un mineur grave et sans fioriture;

Moi je ferai la basse et toi le soprano.

Mi, ré, mi, do, ré, la.—Pas cet air, ma petite!

S’il entendait cet air que tu chantais jadis,

Mon cœur, tout mort qu’il est, tressaillirait bien vite,

Et ressusciterait à ce De profundis.

Do, mi, fa, sol, mi, do,—Celui-ce me rappelle

Une valse à deux temps, qui me fit bien du mal,

Le fifre du rire aigu raillait le violoncelle,

Qui pleurait sous l’archet ses notes de cristal.

Sol, do, do, si, si, la.—Point cet air, je t’en prie,

Nous l’avons, l’an dernier, ensemble répété

Avec les Allemands qui chantaient leur patrie

Dans les bois de Meudon, par une nuit d’été.

Eh, bien, ne chantons pas, restons-en là, ma chère;

Et pour n’y plus penser, pour n’y plus revenir,

Sur nos amours défunts, sans haine et sans colère,

Jetons en souriant un dernier souvenir.

Nous étions bien heureux dans la petite chambre

Quand ruisselait la pluie et que soufflait le vent;

Assis dans le fauteuil, pres de l’âtre, en décembre,

Aux lueurs de tes yeux j’ai rêvé bien souvent.

La houille petillait; en chauffant sur les cendres,

La bouilloire chantait son refrein régulier,

Et faisait un orchestre au bal des salamandres

Qui voltigeaient dans le foyer.

Feuilletant un roman, paresseuse et frileuse,

Tandis que tu fermais tes yeux ensommeillés,

Moi je rajeunissais ma jeunesse amoureuse,

Mes lèvres sur tes mains et mon cœur à tes pieds.

Aussi, quand on entrait, la porte ouverte à peine,

On sentait le parfum d’amour et de gaîté

Dont notre chambre était du matin au soir pleine,

Car le bonheur aimait notre hospitalité.

Puis l’hiver s’en alla; par la fenêtre ouverte,

Le printemps un matin vint nous donner l’éveil,

Et ce jour-là tous deux dans la campagne verte

Nous allâmes courir au-devant du soleil.

C’était le vendredi de la sainte semaine,

Et, contre l’ordinaire, il faisait un beau temps,

Du val à la colline, et du bois à la plaine

D’un pied leste et joyeux, nous courûmes longtemps.

Fatigués cependant par ce pèlerinage,

Dans un lieu qui formait un divan naturel

Et d’où l’on pouvait voir du loin le paysage,

Nous nous sommes assis en regardant le ciel.

Les mains pressant les mains, épaule contre épaule,

Et sans savoir pourquoi, l’un et l’autre oppressés,

Notre bouche s’ouvrit sans dire une parole,

Et nous nous sommes embrassés.

Près de nous l’hyacinthe avec la violette

Mariaient leur parfum qui montait dans l’air pur;

Et nous vîmes tous deux, en relevant la tête,

Dieu qui nous souriait à son balcon d’azur.

Aimez-vous, disait-il; c’est pour rendre plus douce

La route où vous marchez que j’ai fait sous vos pas

Dérouler en tapis le velours de la mousse,

Embrassez-vous encore,—je ne regarde pas.

Aimez-vous, aimez-vous: dans le vent qui murmure,

Dans les limpides eaux, dans les bois reverdis,

Dans l’astre, dans la fleur, dans la chanson des nids,

C’est pour vous que j’ai fait renaître ma nature.

Aimez-vous, aimez-vous; et de mon soleil d’or,

De mon printemps nouveau qui réjouit la terre,

Si vous êtes contents, au lieu d’une prière

Pour me remercier—embrassez-vous encore.

Un mois après ce jour, quand fleurirent les roses,

Dans le petit jardin que nous avions planté,

Quand je t’aimais le mieux, sans m’en dire les causes,

Brusquement ton amour de moi s’est écarté.

Où s’en est-il allé? partout un peu, je pense;

Car, faisant triompher l’une et l’autre couleur,

Ton amour inconstant flotte sans préférence

D’un brun valet de pique au blond valet de cœur.

Te voilà maintenant heureuse: ton caprice

Règne sur une cour de joyeux jouvenceaux

Et tu ne peux marcher sans qu’à tes pieds fleurisse

Un parterre émaillé d’odorants madrigaux.

Dans les jardins de bal, quand tu fais ton entrée,

Autour de toi se forme un cercle langoureux;

Et le frémissement de la robe moirée,

Pâme en chœur laudatif ta meute d’amoureux.

Elégamment chaussé d’une souple bottine

Qui serait trop étroite au pied de Cendrillon,

Ton pied est si petit qu’à peine on le devine

Quand la valse t’emporte en son gai tourbillon.

Dans les bains onctueux d’une huile de paresse,

Tes mains, brunes jadis, ont retrouvé depuis

La pâleur de l’ivoire ou du lis que caresse

Le rayon argenté dont s’éclairent les nuits.

Autour de ton bras blanc une perle choisie

Constelle un bracelet ciselé par Froment,

Et sur tes reins cambrés un grand châle d’Asie

En cascade de plis ondule artistement.

La dentelle de Flandres et le point d’Angleterre,

La guipure gothique à la mate blancheur

Chef d’œuvre arachnéen d’un age séculaire,

De ta riche toilette achève la splendeur.

Pour moi, je t’aimais mieux dans tes robes de toile

Printanière, indienne ou modeste organdi,

Atours frais et coquets, simple chapeau sans voile,

Brodequins gris ou noirs, et col blanc tout uni.

Car ce luxe nouveau qui te rend si jolie

Ne me rappelle pas mes amours disparus,

Et tu n’es que plus morte et mieux enselevie

Dans ce linceul de soie où ton cœur ne bat plus.

Lorsque je composai ce morceau funéraire

Qui n’est qu’un long regret de mon bonheur passé,

J’étais vêtu de noir comme un parfait notaire

Moins les bésicles d’or et le jabot plissé.

Un crêpe enveloppait le manche de ma plume

Et des filets de deuil encadraient le papier

Sur lequel j’écrivais ces strophes où j’exhume

Le dernier souvenir de mon amour dernier.

Arrivé cependant à la fin d’un poëme

Où je jette mon cœur dans le fond d’un grand trou,

—Gaîté de croque-mort qui s’enterre lui-même

Voilà que je me mets à rire comme un fou.

Mais cette gaîté-là n’est qu’une raillerie

Ma plume en écrivant a tremblé dans ma main,

Et quand je souriais, comme une chaude pluie,

Mes larmes effaçaient les mots sur le vélin.

II.

Het was 24 December, en dien avond had het quartier Latin steeds een bijzondere physiognomie. Van vier uur af waren de bureaux van de Bank van Leening, de winkels van uitdragers en antiquairs in boeken overstelpt door een luidruchtige menigte, die later in den avond een stormaanval begon op de slagerijen, gaarkeukens en kruidenierswinkels. En hadden de winkelknechts ook al evenals Briareus1 honderd armen gehad, dan zouden zij toch niet in staat geweest zijn de klanten, die elkaar de waren als het ware uit de handen rukten, te helpen. Bij de bakkers werd, als in tijden van hongersnood, queue gemaakt. De wijnhandelaars verkochten de opbrengst van drie oogsten, en zelfs een handig statisticus zou moeite gehad hebben om het getal hammen en worsten te tellen, die door den beroemden Borel uit de rue Dauphine verkocht werden. Alleen op dien avond zette vader Cretaine, bijgenaamd Petit-Pain, achttien uitgaven van zijn boterkoekjes om. Gedurende den geheelen avond klonk uit alle huizen gezang en gelach, waren de vensters hel verlicht en vulde een ware kermis-atmospheer het stadskwartier.

Naar oud gebruik werd het „réveillon” gevierd.

Dien avond gingen tegen tien uur Marcel en Rodolphe in een vrij droeve stemming naar huis. Toen zij door de rue Dauphine kwamen, zagen zij in een fijne vleeschwaren- en comestibleshandel een groot gedrang en bleven, door die geurige gastronomische producten aangelokt, een oogenblik voor de ramen staan kijken; in hun aandachtige beschouwing geleken de twee bohémiens op den persoon uit een Spaanschen roman, die alleen door ernaar te kijken, de hammen mager deed worden.

„Dat noemen ze een kalkoenschen haan met truffels,” zeide Marcel en wees op een prachtigen vogel, die door zijn rose en doorzichtige huid de Perigourdsche knolletjes liet zien, waarmede het dier gefarceerd was. „Ik heb menschen gezien, die zòò goddeloos waren, om die dingen te eten zonder dat ze daarbij op hun knieën vielen,” voegde de schilder eraan toe, terwijl hij naar den kalkoen keek met blikken, die in staat geweest zouden zijn het dier te braden.

„En wat zeg je van die heerlijke lamsbout?” vroeg Rodolphe. „Wat een prachtkleur. Je zoudt denken, dat hij zoo pas uit dien slagerswinkel, dien je op een schilderij van Jordaens ziet, weggehaald is. Lamsbouten zijn de lievelingsspijzen der goden en van madame Chandelier, mijn peettante.”

„En kijk die visschen eens,” ging Marcel voort en wees op eenige forellen, „dat zijn de handigste zwemmers onder de waterbewoners. Die kleine diertjes, die er op het eerste gezicht zoo onbeduidend uitzien, zouden schatten kunnen verdienen, wanneer zij hun kunststukken lieten zien; stel je voor, ze zwemmen een snellen bergstroom even makkelijk op, als wij een paar uitnoodigingen voor een souper aannemen.”

„En daar dan, die groote stapel goudkleurige vruchten, waarvan het gebladerte gelijkt op een tropee van Turksche sabels; dat zijn ananassen, de goudreinetten der tropen.”

„Dat laat mij koud,” antwoordde Marcel; „als het om fruit gaat, geef ik den voorkeur aan dat muisje rookvleesch, dien lamsbout of dat hammetje met zijn pantser van gelei, die zoo doorzichtig is als barnsteen.”

„Je hebt gelijk!” zeide Rodolphe; „de ham is de vriend van den mensch, als hij ze heeft. En toch zou ik die fazant niet afslaan.”

„Dat geloof ik graag,” antwoordde Marcel; „fazant is het gerecht van gekroonde hoofden.”

Verder voortwandelend, kwamen zij verschillende vroolijke troepjes tegen, die naar huis terugkeerden, om Momus, Bacchus, Comus en andere lekkerbekkerij-godheden op us te vieren, en zij vroegen elkaar af, wie die mijnheer Camacho2 was, wiens bruiloft met een grooten voorraad levensmiddelen gevierd werd.

Marcel herinnerde zich plotseling welke datum het was.

„Het is vandaag réveillon,” zeide hij.

„Herinner je je nog, hoe wij verleden jaar dien avond gesmuld hebben?”

„Waarachtig zeker, bij Momus. Barbemuche heeft toen betaald. Ik had nooit kunnen denken, dat een zoo tenger meisje als Phémie zooveel worstjes naar binnen kon werken.”

„Hoe jammer, dat Momus onze vrijkaarten heeft ingetrokken,” zeide Rodolphe.

„Helaas!” antwoordde Marcel. „De dagen volgen, maar gelijken niet op elkaar.”

„Zou jij niet graag réveillon vieren?” vroeg Rodolphe.

„Met wien en waarmee?”

„Nou met mij!”

„En het geld?”

„Wacht even!” zeide Rodolphe; „ik zal even dat café hier binnenloopen, waar altijd een paar kennissen van me zijn, die grof spelen. Ik zal van een door het geluk begunstigde eenige sestertiën leenen en wel zooveel meebrengen, dat we een sardientje of een varkenspootje met een glas wijn kunnen bevochtigen.”

„Doe dat!” zeide Marcel; „ik heb honger als een paard. Ik zal wel even op je wachten.”

Rodolphe ging het café, waarvan hij de meeste stamgasten kende, binnen. Het was voor een der aanwezigen, die in tien keer drie honderd francs gewonnen had, een waar genoegen den dichter veertig sous te leenen, welke hij hem gaf met het slechte humeur, dat de speelkoorts in ons opwekt. Op een ander oogenblik en op een andere plaats zou hij hem misschien veertig francs geleend hebben.

„En?” vroeg Marcel, toen hij Rodolphe weer buiten zag komen.

„Hier heb je de recette,” zeide de dichter en liet het geldstuk zien.

„Een korstje met een klein worstje!” meende Marcel.

Toch wisten zij het met die bescheiden som nog zòò ver te brengen, dat zij brood, wijn, vleesch, tabak, vuur en licht hadden.

Dan gingen zij naar huis. Zij woonden toen in een hôtel garni, waar zij ieder een afzonderlijke kamer hadden. Daar die van Marcel, welke tegelijk als atelier dienst deed, grooter was, werd deze tot feestzaal uitverkoren. De beide vrienden maakten samen hun intiemen maaltijd gereed.

Doch aan het kleine tafeltje, dat zij naast den kachel geschoven hadden, waarin het vochtige en slechte hout zonder vlammen of warmte verkoolde, kwam als een melancholieke geest de schim van het verleden aanzitten.

Minstens een uur lang bleven zij zwijgend en peinzend zoo zitten, beiden bezig met dezelfde gedachte en beiden trachtend die voor elkaar te verbergen. Eindelijk verbrak Marcel het eerst de stilte.

„Kom,” zeide hij tot Rodolphe; „dit was toch ons plan niet!”

„Wat bedoel je?” vroeg Rodolphe.

„Lieve hemel, speel toch met mij geen kiekeboetje! Jij denkt aan wat je moest vergeten .... en met mij is het precies zoo, dat ontken ik niet!”

„Nu dan ....”

„Maar het moet de laatste maal zijn! Naar den duivel met al die herinneringen, die den wijn een zuren smaak geven en ons triest stemmen, terwijl iedereen zich amuseert!” riep Marcel uit, zinspelende op het vroolijke gelach en gezang, dat uit de kamers ernaast klonk. „Kom laten we aan wat anders denken en laat het verleden begraven blijven!”

„Dat zeggen we altijd, en toch ....” zeide Rodolphe en viel weer in zijn droomen terug.

„En toch komen wij er altijd weer op terug,” vulde Marcel aan. „Dat komt, omdat we, in plaats van eerlijk de vergetelheid te zoeken, de meest onbeteekenende dingen als voorwendsel gebruiken, om oude herinneringen weer in ons wakker te roepen; dat komt vooral, omdat wij maar blijven voortleven in datzelfde milieu, waarin die schepsels, welke ons zoolang gekweld hebben, geleefd hebben. Wij zijn niet zoozeer de slaven van een hartstocht als wel van een gewoonte. Die boeien nu moeten wij verbreken, anders gaan wij in een belachelijke en schandelijke slavernij ten gronde. Welnu, het verleden is het verleden—weg met de banden, die ons daar nog aan binden; het uur is gekomen om voorwaarts te gaan zonder achterwaarts te zien; wij hebben onze jeugd, onzen tijd van onbezorgdheid en paradoxen gehad. Dit alles is heel mooi, je zoudt er een aardigen roman van kunnen maken; maar deze comedie van verliefde dwaasheden, deze tijdverspilling, die wij bedrijven met de verkwisting van menschen, die denken, dat zij de eeuwigheid uit kunnen geven, dat alles moet nu eindelijk eens een einde nemen! Wij zouden de verachting, die ons zou treffen, verdienen, wij zouden ons zelf moeten verachten, indien wij dit leven buiten de maatschappij, ja bijna buiten het leven zelf, nog langer zouden voortzetten. Want is het bestaan, dat wij leiden, eigenlijk wel een leven? En zijn die onafhankelijkheid, die vrijheid van zeden, waarop wij zoo prat gaan, eigenlijk geen heel middelmatige voordeelen? De ware vrijheid is: zonder hulp van anderen, uit eigen kracht kunnen leven. En kunnen wij dat? Neen. De eerste de beste domkop, wiens naam we geen vijf minuten zouden willen dragen, wreekt zich over onze spotternijen en wordt onze meester van af den dag, waarop wij honderd sous van hem leenen, die hij ons geeft, na ons voor honderd daalders aan listen en zelfvernedering te hebben laten uitgeven. Ik voor mij heb er genoeg van. De poëzie bestaat niet alleen in een ongeordend bestaan, in onverwachte meevallertjes, in verliefdheden, die den levensduur van een kaars hebben, in min of meer excentriek verzet tegen bestaande vooroordeelen, die eeuwig de wereld zullen blijven beheerschen, want het is makkelijker een dynastie omver te werpen dan een vooroordeel, hoe belachelijk het ook zijn mag. Het is nog geen bewijs van talent of genie, om midden in December een zomerjas te dragen; en je kan heel goed een echt dichter of kunstenaar zijn, wanneer je voor warme voeten zorgt en driemaal per dag eet. Hoe je de zaak ook draait of keert, indien je iets wilt bereiken, moet je den weg nemen, dien ook anderen inslaan. Deze woorden zullen je misschien wel verbazen, beste kerel, misschien zal je zeggen, dat ik mijn idealen verraad, je noemt me misschien verdorven, maar toch is wat ik zeg de uitdrukking van mijn vaste overtuiging. Buiten mijn weten heeft zich in mij een langzame en heilzame metamorphose voltrokken: het gezonde verstand is in mijn geest binnengekomen, met inbraak, wanneer je wilt, en ondanks mijzelf misschien; maar hoe dit zij, het is eindelijk binnengekomen en heeft mij bewezen, dat ik op den verkeerden weg was en dat het even belachelijk als gevaarlijk zou zijn daarop te blijven voortgaan. Ik vraag je af, wat zal er van ons worden, indien wij dit eentonige en nuttelooze vagabonden-leven blijven voortzetten? Wij loopen zoo langzamerhand naar de dertig en zijn nog steeds onbekend, hebben geen relaties, zijn ontevreden met alles en met ons zelf, afgunstig op allen, die wij een doel, wat het dan ook zij, zien bereiken, verplicht onze toevlucht te nemen tot een schandelijk parasiteeren, om verder te kunnen leven. En denk nu niet, dat dit een phantasiebeeld is, dat ik oproep, om je bang te maken! Ik zie volstrekt de toekomst niet systematisch zwart in, maar evenmin rooskleurig; ik zie ze met een juisten blik. Tot nog toe was het leven, dat wij geleid hebben, ons door de omstandigheden opgedrongen; wij hadden het excuus der noodwendigheid. Maar thans zouden we die verontschuldiging niet meer kunnen doen gelden; en wanneer wij niet in het gewone leven terugkeeren, dan is dat heelemaal onze vrije wil, want de hindernissen, waartegen we te vechten hadden, bestaan niet meer.”

„Maar kerel,” zeide Rodolphe; „waar wil je eigenlijk heen? Om welke reden en met welk doel sta je zoo te preeken?”

„Je begrijpt me heel goed,” antwoordde Marcel op denzelfden ernstigen toon; „ik heb daarnet gezien, hoe jij, evenals ik trouwens, bestormd werdt door herinneringen, die je het verleden deden terugverlangen: jij dacht aan Mimi, zooals ik aan Musette; jij zoudt, evenals ik, je vriendinnetje graag naast je zien zitten. Welnu, ik zeg je, dat we niet meer aan die schepsels moeten denken, dat wij niet alleen geschapen en op de wereld gekomen zijn, om ons geheele bestaan op te offeren aan die vulgaire Manons, en dat die chevalier Desgrieux, die zoo mooi, zoo waar en zoo poëtisch is, alleen door zijn jeugd en door de illusies, die hij had weten te bewaren, niet belachelijk geworden is. Toen hij twintig jaar was, kon hij, zonder op te houden interessant te zijn, zijn geliefde naar de Antillen volgen; maar indien hij vijf-en twintig geweest was, zou hij Manon de deur gewezen hebben, en dat met het volste recht. Wij kunnen er onze oogen wel voor sluiten, beste kerel, maar het feit blijft bestaan: wij zijn oud, wij hebben te veel en te snel geleefd; ons hart is gesprongen en brengt nog slechts valsche tonen voort: je blijft niet drie jaar lang ongestraft verliefd op een Musette of een Mimi. Doch voor mij is het nu voor goed uit; en daar ik volkomen wil breken met de herinneringen aan Musette, zal ik nu onmiddellijk enkele kleinigheden, die zij bij mij achtergelaten heeft en die me dwingen aan haar te denken, als ik ze weer zie, in het vuur werpen.”

Marcel stond op en ging uit de lade van zijn commode een kartonnen doos halen, waarin de souvenirs aan Musette lagen, te weten een verdorde bouquet, een ceintuur, een stuk lint en enkele brieven.

„Kom, Rodolphe, volg mijn voorbeeld!” zeide hij tot den dichter.

„Welnu, het zij zoo!” riep Rodolphe, als kostte het hem moeite, uit; „je hebt gelijk. Ook ik wil een einde maken aan die herinnering aan dat meisje met haar blanke handen.”

En hij vloog de kamer uit, om een klein pakje met de souvenirs aan Mimi te halen, zoo ongeveer van denzelfden aard als die, waarvan Marcel nu zwijgend den inventaris opmaakte.

„Dat treft prachtig,” mompelde de schilder. „Deze snuisterijen kunnen gelijk het vuur, dat bijna uit is, nog wat aanwakkeren.”

„Waarachtig,” antwoordde Rodolphe, „het is hier in de kamer een temperatuur voor een ijsberenfokkerij.”

„Kom,” zeide Marcel, „laten we het brandduet aanheffen. Kijk, het proza van Musette vlamt als een punchbowl; het arme kind hield zoo van punch. Allo, Rodolphe, jouw beurt!”

En gedurende enkele minuten wierpen zij beurtelings de reliquieën van hun liefde stuk voor stuk in het vuur, dat vroolijk knetterend opvlamde.

„Arme Musette,” zeide Marcel zacht, terwijl hij naar het laatste souvenir, dat hij in zijn handen had, keek.

Het was een klein verwelkt bouquetje van veldbloemen.

„Arme Musette, ze was toch wel mooi en ze hield wel van me, niet waar, klein bouquetje, heeft haar hart het je niet gezegd, toen je bloemen in haar corsage prijkten? Arm, klein bouquetje, het is net alsof je om genade smeekt; nu ik schenk je die, maar onder voorwaarde, dat je niet meer met mij over haar praat, nooit, nooit meer!”

En hij maakte gebruik van een oogenblik, waarop hij meende, dat Rodolphe niet op hem lette, om het bouquetje in zijn borstzak te laten glijden.

„Het spijt mij, maar ik kan niet anders,” dacht de schilder.

Toen hij echter tersluiks naar Rodolphe keek, zag hij, hoe de dichter aan het slot van zijn auto-da-fé een nachtmutsje, dat Mimi gedragen had, eerbiedig kuste en dan heimelijk in zijn zak stak.

„Zoo,” mompelde Marcel, „die is al even laf als ik.”

Toen Rodolphe naar zijn eigen kamer wilde gaan, werd er tweemaal zacht op de deur van Marcel geklopt.

„Wie voor den duivel kan nog zoo laat hier willen zijn?” zeide de schilder.

Een kreet van verbazing ontsnapte hem, toen hij de deur geopend had.

Het was Mimi.

Daar het donker in de kamer was, herkende Rodolphe zijn vriendinnetje niet dadelijk. Hij kon slechts een vrouwelijk wezen onderscheiden, en daar hij dacht, dat het een van die tijdelijke veroveringen van zijn vriend was, wilde hij zich uit discretie verwijderen.

„Stoor ik jullie?” vroeg Mimi, die op den drempel was blijven staan.

Bij het hooren van die stem viel Rodolphe, als door den bliksem getroffen, op zijn stoel neer.

„Goeden avond,” zeide Mimi, die naar hem toe ging en hem de hand drukte, wat hij werktuigelijk toeliet.

„Wat voor den duivel kom jij hier doen?” vroeg Marcel; „en nog wel op dit uur?”

„Ik heb het zoo koud,” antwoordde Mimi rillend; „en daar ik in het voorbijgaan nog licht hier zag, ben ik, al is het wat laat, naar boven gekomen.”

Zij rilde nog steeds. Haar stem had een bijzonderen, kristalhelderen klank, die als een doodsklok in het hart van Rodolphe echode en het met een doffen angst vervulde: heimelijk nam hij haar nauwkeuriger op. Het was Mimi niet meer, het was haar schim.

Marcel schoof een stoel naast den kachel voor haar.

Mimi glimlachte, toen zij de heldere vlam vroolijk in de haard zag dansen.

„Dat doet je goed,” zeide zij, terwijl zij haar arme, door de koude blauwe handjes boven het vuur hield. „Tusschen twee haakjes, Marcel, weet je, waarom ik hier kom?”

„Op mijn woord van eer niet!” antwoordde deze.

„Nou,” zeide Mimi; „ik kwam vragen of jullie niet zoudt kunnen zorgen, dat ik een kamer in dit huis krijg. In mijn hôtel garni hebben ze mij de deur gewezen, omdat ik in een maand geen huur betaald heb. Ik weet niet, waar ik heen moet.”

„Duivels,” zeide Marcel hoofdschuddend; „wij staan bij den huisbaas ook niet erg in den pas, en een aanbeveling van ons zou je eer schaden dan nuttig zijn.”

„Maar wat moet ik dan beginnen? Ik weet werkelijk niet, waar ik heen moet.”

„Wat, ben je dan geen vicomtesse meer?” vroeg Marcel.

„O God, neen!”

„Al hoe lang niet meer?”

„Al sedert twee maanden!”

„Heb je den jongen vicomte te veel geplaagd?”

„Neen,” zeide zij, terwijl zij een steelschen blik wierp op Rodolphe, die in den donkersten hoek van de kamer was gaan zitten; „de vicomte heeft me een scène gemaakt naar aanleiding van het gedicht, dat men op mij gemaakt heeft. Wij hebben woorden gekregen, en toen heb ik hem den bons gegeven! Het is een echte gierigaard!”

„Maar hij had je toch aardig in de kleeren gestoken, ten minste te oordeelen naar den keer, dat ik je eens gezien heb.”

„Dat wel!” zeide Mimi, „maar stel je voor, dat hij, toen ik den liaison afgebroken had, mij alles weer afgenomen heeft, en dat hij, zooals ik later gehoord heb, mijn kleeren verloot heeft aan een slechte table d’hôte, waar ik dikwijls met hem gegeten heb. En toch is het een rijke jongen, maar met al zijn fortuin is hij zoo gierig als een vrek en zoo stom als het achtereind van een koe; ik mocht niet eens wijn zonder water drinken en Vrijdag moest ik altijd vasten. Wil je wel gelooven, dat hij me zwarte wollen kousen wilde laten dragen, omdat die niet zoo gauw vuil worden als witte? Je kunt je niet voorstellen hoe driftig hij is. Hij heeft me dan ook aardig geërgerd. Ik kan wel zeggen, dat ik bij hem mijn vagevuurtijd doorgemaakt heb!”

„En weet hij in welken toestand je nu bent?”

„Ik heb hem niet meer teruggezien en wil hem ook niet terugzien!” antwoordde Mimi. „Alleen door aan hem te denken word ik al zeeziek! Ik zou liever van honger sterven dan hem om een stuiver vragen.”

„Maar,” vroeg Marcel verder, „je bent, nadat je hem verlaten hebt, toch zeker niet alleen gebleven?”

„Zeker wel, Marcel, zeker wel!” riep Mimi eenigszins heftig uit; „ik heb gewerkt om te kunnen leven; maar daar ik met het bloemenmaken niet genoeg verdienen kon, heb ik een ander beroep gekozen: ik poseer nu voor schilders. Als je soms werk voor mij hebt....” voegde zij er lachend aan toe.

En toen zij zag, hoe Rodolphe, dien zij, hoewel zij tot zijn vriend sprak, geen oogenblik uit het oog verloor, een ongeduldige beweging maakte, ging zij verder:

„O, maar ik poseer alleen maar voor mijn hoofd en mijn handen. Ik heb nog al wat te doen en van twee of drie schilders moet ik nog geld hebben. Binnen een paar dagen krijg ik het, maar tot zoolang moet ik onderdak hebben. Zoodra ik weer geld heb, ga ik naar mijn hôtel terug. Zoo,” zeide zij met een blik op de tafel, waarop nog de praeparatieven stonden voor het bescheiden maal, dat de twee vrienden nauwlijks hadden aangeraakt; „zoo, gaan jullie soupeeren?”

„Neen,” zeide Marcel; „wij hebben geen honger.”

„Dan zijn jullie wel gelukkig,” merkte Mimi naïef op.

Bij die woorden voelde Rodolphe een steek in zijn hart; hij gaf Marcel een wenk, dien deze dadelijk begreep.

„Maar nu je eenmaal hier bent,” zeide de schilder, „moest je maar à la fortune du pot bij ons blijven eten. Wij waren van plan réveillon te vieren, maar ..... toen zijn we waarachtig aan iets anders gaan denken.”

„Ik val met mijn neus in de boter,” zeide Mimi, terwijl zij een bijna hongerigen blik op de tafel wierp; „ik heb vanmiddag in het geheel niet gegeten,” fluisterde zij den schilder in, opdat Rodolphe, die op zijn zakdoek beet, om niet in tranen uit te barsten, het niet zou hooren.

„Schuif wat bij, Rodolphe!” zeide Marcel tot zijn vriend; „we zullen met ons drieën soupeeren!”

„Neen!” zeide dichter, die in zijn hoek bleef zitten.

„Ben je boos, Rodolphe, dat ik hier gekomen ben,” vroeg Mimi zacht; „heb je liever, dat ik weer weg ga?”

„Neen, neen!” antwoordde Rodolphe; „maar het doet mij pijn, dat ik je zoo terugzie.”

„Dat is mijn eigen schuld, Rodolphe—ik klaag dan ook niet; wat voorbij is, is voorbij, denk er maar niet verder aan. Kan je mijn vriend niet zijn, omdat je vroeger wat anders geweest ben? Ja toch! Zet dus niet zoo’n verdrietig gezicht meer en kom bij ons zitten!”

Zij stond op, om naar hem toe te gaan; maar zij was zoo zwak, dat zij geen stap doen kon en op haar stoel terugviel.

„De warmte heeft me bevangen,” zeide zij; „ik kan niet meer op mijn beenen staan.”

„Kom nou bij ons zitten, Rodolphe,” zeide Marcel.

De dichter kwam bij hen zitten en begon met hen te eten. Mimi was erg uitgelaten.

Toen het eenvoudige maal afgeloopen was, zeide Marcel tot Mimi:

„Beste kind, het is ons niet mogelijk je hier in dit huis een kamer te geven.”

„Dus moet ik gaan!” zeide zij, terwijl zij trachtte op te staan.

„Wel neen!” riep Marcel uit; „er is nog wel een andere manier, om de zaak te regelen; jij blijft hier in deze kamer en ik ga zoolang bij Rodolphe logeeren.”

„Dat is wel lastig voor jullie!” zeide Mimi; „maar het zal niet langer dan een paar dagen duren.”

„Het is volstrekt niet lastig voor ons,” antwoordde Marcel; „dus zoo blijft het afgesproken: jij blijft hier en Rodolphe en ik slapen op de kamer van Rodolphe. Bonsoir, Mimi, slaap lekker!”

„Ik dank jullie wel!” zeide zij, terwijl zij Marcel en Rodolphe, die weggingen, de hand gaf.

„Wil ik de deur afsluiten?” vroeg Marcel, toen hij bij de deur was.

„Waarom?” zeide Mimi met een blik op Rodolphe; „ik ben niet bang.”

Toen de twee vrienden in de kamer ernaast waren, vroeg Marcel plotseling aan Rodolphe:

„En wat ben jij nu van plan te doen?”

„Ik weet het zelf niet!” stamelde Rodolphe.

„Kom, sta niet zoo te treuzelen, ga naar Mimi! Ik voorspel je, dat, wanneer je naar haar toegaat, jullie morgen weer verzoend zullen zijn!”

„Wat zou jij gedaan hebben, als Musette teruggekomen was?” vroeg Rodolphe.

„Als Musette in de kamer hiernaast was,” antwoordde Marcel, „dan zou ik al een kwartier geleden niet meer in deze zijn.”

„Nou,” zeide Rodolphe; „ik zal moediger zijn dan jij, ik blijf hier!”

„Dat zullen we nog eens zien!” zeide Marcel, die reeds in bed lag; „ga jij ook naar bed?”

„Zeker!” antwoordde Rodolphe.

Doch toen Marcel midden in den nacht wakker werd, zag hij, dat Rodolphe weg was.

’s Ochtends klopte Marcel zachtjes op de deur van de kamer, waarin Mimi sliep.

„Binnen,” riep zij. Toen zij hem zag, gaf zij hem een wenk zachtjes te praten, om Rodolphe, die nog sliep, niet wakker te maken. Hij zat in een fauteuil, dien hij bij het bed geschoven had, en rustte met zijn hoofd op het kussen naast Mimi.

„Hebben jullie zoo den nacht doorgebracht?” vroeg Marcel verwonderd.

„Ja,” antwoordde het jonge meisje.

Plotseling werd Rodolphe wakker. Na Mimi een kus gegeven te hebben, stak hij den schilder, die hoe langer hoe verbaasder scheen, de hand toe.

„Ik zal zien, dat ik wat geld krijg, om eten te koopen,” zeide hij tot Marcel; „houd jij Mimi zoo lang gezelschap.”

„En,” vroeg Marcel aan het jonge meisje, toen zij alleen waren, „wat is er vannacht gebeurd?”

„Ach God, niets dan treurige dingen,” zeide Mimi; „Rodolphe houdt nog altijd van me.”

„Dat weet ik!”

„Ja, jij hebt hem van mij willen aftrekken,” zeide zij; „maar dat neem ik je niet kwalijk, Marcel, je hadt gelijk; ik heb dien armen jongen leelijk behandeld!”

„En jij,” vroeg Marcel, „houdt jij nog altijd van hem?”

„Of ik van hem houd!” zeide zij handenwringend. „En dat is juist zoo’n pijniging voor me. Ik ben wel veranderd, beste jongen, en daarvoor is niet veel tijd noodig geweest.”

„Nou, als hij van jou houdt en jij van hem en jullie niet buiten elkaar kunt, moeten jullie maar weer samen gaan leven en dan probeeren, dat het ditmaal voor goed is.”

„Dat is onmogelijk,” zeide Mimi.

„Waarom?” vroeg Marcel; „zeker, het zou verstandiger zijn, indien jullie voor goed van elkaar gingen; maar om elkaar niet meer te zien, zouden jullie wel duizend mijl van elkaar moeten zijn!”

„Wat bedoel je daarmee?”

„Spreek er niet met Rodolphe over, dat zou hem te veel aanpakken—maar ik ga gauw voor goed weg.”

„Maar waarheen?”

„Kijk eens, Marcel,” zeide Mimi snikkend.

En de dekens wat terugslaande, liet zij den schilder haar schouders, haar hals en haar armen zien.

„Goede God!” riep Marcel verschrikt uit. „Arme meid!”

„Zie je wel, beste jongen, dat ik mij niet vergis en dat ik spoedig sterven zal?”

„Maar hoe is dat in zoo’n korten tijd kunnen gebeuren?” vroeg Marcel.

„Ach!” antwoordde Mimi; „bij het leven, dat ik sedert twee maanden leid, is dat niet te verwonderen: al die slapelooze, doorweende nachten, dat poseeren in onverwarmde ateliers, het slechte voedsel, het vele verdriet.... En dan weet je nog niet alles: ik heb me met eau de Javel willen vergiftigen; ze hebben me gered, maar niet voor lang, zooals je ziet. Bovendien ben ik nooit heelemaal gezond geweest. Enfin, het is mijn eigen schuld: als ik kalm bij Rodolphe gebleven was, zou het zoover niet gekomen zijn. En nu kom ik dien armen jongen weer lastig vallen, maar het zal niet voor lang zijn: het laatste kleedingstuk, dat hij me geven zal, zal heelemaal wit zijn, Marcel, en daarin zal ik begraven worden. O, als je eens wist, hoe vreeselijk ik het vind, dat ik sterven moet! Rodolphe weet, dat ik ziek ben; gisteren heeft hij langer dan een uur sprakeloos naast mijn bed gezeten, toen hij mijn magere armen en schouders heeft gezien: hij herkende zijn Mimi niet meer ..... ach, mijn spiegel herkent me zelfs niet meer. Maar enfin, ik ben knap geweest en hij heeft veel van me gehouden. O lieve God,” riep zij uit, terwijl zij haar gezicht in Marcel’s handen verborg, „ik ga je verlaten, beste jongen, en Rodolphe ook. O, lieve God!”

Tranen verstikten haar stem.

„Kom, Mimi,” zeide Marcel, „doe niet zoo wanhopig, je zult weer beter worden; je hebt alleen een goede verpleging en rust noodig.”

„Ach, neen!” antwoordde Mimi; „het loopt af met mij, ik voel het heel goed. Ik ben zoo vreeselijk zwak: toen ik gisterenavond hier kwam, heb ik meer dan een uur noodig gehad om boven te komen. En als ik hier een andere vrouw had aangetroffen, zou ik me uit het raam geworpen hebben. En toch was hij vrij, nu wij niet meer samen waren; maar zie je, Marcel, ik was er zeker van, dat hij nog van me hield. En daarom”—en weer barstte Mimi in tranen uit—„daarom alleen heb ik niet dadelijk willen sterven. Maar toch is het gedaan met mij. Och, Marcel, wat is hij toch een goede jongen, dat hij mij na alles wat ik hem aangedaan heb, toch nog bij zich genomen heeft. Ach, de lieve God is niet rechtvaardig, dat hij mij den tijd zelfs niet laat om weer goed te maken wat ik tegenover Rodolphe misdaan heb. En hij begrijpt heel goed hoe het met mij gesteld is. Ik wou niet, dat hij naast mij kwam liggen, want het is net alsof ik de wormen al aan mijn lichaam voel vreten. Wij hebben den geheelen nacht door samen geweend en over vroeger gesproken. O, wat is het toch droevig, dat je het geluk dan eerst ziet, wanneer het niet meer bereikbaar is en nadat het aan je voorbijgegaan is, zonder het te zien!.... O, het brandt me in mijn borst als vuur; en wanneer ik mijn ledematen beweeg, is het net, alsof zij zullen breken ..... Och, Marcel, geef me mijn japon even aan. Ik wil de kaart leggen, om te zien of Rodolphe geld meebrengen zal. Ik zou nog zoo graag eens lekker met jullie willen dejeuneeren, net als vroeger—het zal me geen kwaad doen, want God kan me toch niet zieker maken dan ik al ben. Kijk,” zeide zij, terwijl ze Marcel de kaart liet zien, die zij gecoupeerd had; „dat is schoppen, de kleur van den dood. En hier klaveren,” voegde zij er vroolijk aan toe. „We krijgen geld.”

Marcel wist niet wat hij moest zeggen bij die helderziende ijlkoortsen van dit ongelukkige schepseltje, dat, zooals zij zeide, de wormen reeds aan zich voelde vreten.

Na een uur kwam Rodolphe terug. Hij bracht Schaunard en Colline mede. De musicus had zijn zomerjas aan: hij had, zoodra hij gehoord had, dat Mimi ziek was zijn winterjas verkocht, om Rodolphe geld te kunnen leenen. Colline van zijn kant had verschillende boeken van de hand gedaan. Weliswaar had hij liever een arm of been verzilverd, maar Schaunard had hem aan zijn verstand gebracht, dat men met zijn arm of been niets beginnen kan, waarom hij maar besloten had van zijn lievelingen afstand te doen.

Mimi spande al haar krachten in om haar oude vrienden met een vroolijk gezicht te ontvangen.

„Ik ben niet ondeugend meer,” zeide zij tot hen, „en Rodolphe heeft mij vergiffenis geschonken. Als hij mij bij zich wij houden, zal ik klompen aantrekken en een halsdoek omdoen. Zijde is niet goed voor mijn gezondheid,” voegde zij er met een hartverscheurend glimlachje aan toe.

Op aandringen van Marcel had Rodolphe een van zijn vrienden, die pas dokter geworden was, laten halen. Het was dezelfde, die vroeger de kleine Francine behandeld had. Toen hij kwam, liet men hem met Mimi alleen.

Rodolphe was door Marcel reeds te voren op de hoogte gebracht van den gevaarlijken toestand, waarin Mimi verkeerde. Toen de dokter Mimi onderzocht had, zeide hij tot Rodolphe:

„Je kunt haar hier niet houden. Slechts een wonder kan haar redden. Zij moet naar het ziekenhuis. Ik zal je een brief voor de Pitié geven; een van mijn kennissen is daar assistent; ik zal hem vragen haar te behandelen. Als zij de lente haalt, kunnen we haar misschien nog heelemaal beter maken; maar als zij hier blijft, is het binnen acht dagen afgeloopen.”

„Ik zal het haar nooit durven voorstellen,” zeide Rodolphe.

„Ik heb het haar al gezegd,” antwoordde de dokter, „en zij vindt het goed. Morgen zal ik je een formulier voor de Pitié zenden.”

„Beste jongen,” zeide Mimi tot Rodolphe, „de dokter heeft gelijk. Je zoudt me hier niet kunnen verplegen, zooals het behoort; je moet mij naar het ziekenhuis laten gaan. O, ik zou nu zòò graag blijven leven, dat ik de rest van mijn leven mijn linkerhand in het vuur zou houden, als ik de jouwe in mijn rechter mocht hebben. Je komt me toch zeker dikwijls opzoeken. Kom wees niet zoo bedroefd: ik zal daar goed verpleegd worden, heeft de dokter gezegd. Je krijgt kalfssoep in het ziekenhuis, en het is er warm. En terwijl ik daar aan het opknappen ben, moet jij werken, om geld te verdienen; en wanneer ik weer beter ben, kom ik weer bij je terug en blijf ik altijd bij je. Ik heb nu heel veel hoop. Ik kom even knap als vroeger terug. Vroeger, toen ik je nog niet kende, ben ik ook eens ziek geweest, en toen ben ik ook beter geworden. En in dien tijd was ik niet gelukkig, en het zou beter geweest zijn, als ik toen maar gestorven was. Nu ik jou teruggevonden heb en wij nog gelukkig kunnen zijn, zullen ze me ook wel beter maken, want ik zal me krachtig tegen de ziekte verzetten. Ik zal alle leelijke drankjes, die ze me geven, slikken, en de dood zal me alleen maar met geweld van je kunnen nemen. Geef den spiegel eens, het is net, of ik al weer een kleur krijg. Ja,” zeide zij, terwijl zij in den spiegel keek, „mijn mooie tint komt alweer terug. En kijk, mijn handen zijn nog altijd mooi; geef er nog eens een zoen op; het zal heusch de laatste keer niet zijn, jongenlief!”

Toen zij dit gezegd had, sloeg zij haar armen om zijn hals en bedekte zijn gezicht onder haar loshangende haren.

Voor zij naar het ziekenhuis ging, wilde zij nog een avond met al de vroegere vrienden samen zijn.

„Laat me lachen,” zeide zij; „vroolijkheid is voor een mensch het beste geneesmiddel. Die slaapmuts van een vicomte heeft mij ziek gemaakt. Hij wou me orthographie leeren, stel je voor; wat moest ik daarmede beginnen? En zijn vrienden—lieve God, wat een kerels! Je reinste hoenderhof, waarin de vicomte de pauw was. Hij merkte, God betert, zijn eigen linnengoed. Als hij ooit trouwt, krijgt hij vast de kinderen.”

Niets kon aangrijpender zijn dan deze opgewekte stemming, die, om zoo te zeggen, den dood van het lichaam overleefde. Slechts met inspanning van al hun geestkracht slaagden de bohémiens erin hun tranen terug te houden en het gesprek in den schertsenden toon te houden, waarin het gebracht was door dat arme kind, voor wie het noodlot zoo vlug het linnen voor haar laatste kleed weefde.

Den volgenden ochtend kreeg Rodolphe het formulier voor het ziekenhuis. Mimi kon onmogelijk meer loopen: ze moest in het rijtuig worden gedragen. Tijdens het rijden leed zij vreeselijk onder de schokken. Maar het laatste, dat bij vrouwen sterft, de ijdelheid, overwon ook nu nog die pijnen: twee of driemaal liet zij het rijtuig voor mode-magazijnen stil staan, om naar de étalages te kijken.

Toen zij in de op het formulier aangegeven zaal kwam, voelde Mimi haar hart samenkrimpen; een inwendige stem zeide haar, dat zij haar leven tusschen deze kale, droefgeestige muren zou eindigen. Al haar wilskracht moest zij te hulp roepen, om den somberen indruk, die haar had doen rillen, voor Rodolphe te verbergen.

Toen zij te bed lag, omhelsde zij hem voor de laatste maal en drukte hem op het hart haar den volgenden Zondag te komen opzoeken.

„Het ruikt hier zoo akelig,” zeide zij; „breng bloemen voor me mee, viooltjes, die zijn er nog!”

„Ja,” zeide Rodolphe; „adieu, tot Zondag!”

En hij trok de gordijnen dicht. Toen Mimi hoorde hoe de stappen van haar geliefde zich steeds verder verwijderden, kreeg zij plotseling een koortsaanval. Zij sloeg wild de gordijnen open, boog zich half uit haar bed en riep met een door tranen verstikte stem:

„Rodolphe, neem me weer mee; ik wil weg!”

De zuster kwam naar haar toe en trachtte haar te kalmeeren.

„O,” steunde Mimi; „ik zal hier sterven!”

’s Zondagsochtends, den dag dat hij Mimi zou gaan opzoeken, herinnerde Rodolphe zich, dat hij haar beloofd had viooltjes mee te zullen brengen. Door een poëtisch bijgeloof gedreven, ging hij, niettegenstaande het vreeselijke weer, te voet naar de bosschen van Aulnay en Fontenay, waar hij zoo dikwijls met haar geweest was, om daar zelf de bloemen te zoeken, waarom zij hem gevraagd had. Twee uur lang dwaalde hij door het met sneeuw bedekte kreupelhout en lichtte met een klein stokje de struiken en het heidekruid op, tot hij eindelijk een paar viooltjes vond vlak bij het struikgewas langs den vijver van Le Plessis, hun lievelingsplekje, waar ze altijd heengingen, als ze buiten waren.

Toen hij op den terugweg naar Parijs door het dorp Châtillon kwam, zag hij op het kerkplein een doopstoet en daarbij een van zijn vrienden, die met een zangeres van de Opéra peet was.

„Wat voer jij hier uit?” vroeg hij, verwonderd Rodolphe daar te zien.

De dichter vertelde wat er gebeurd was.

De jonge man, die Mimi gekend had, werd door het verhaal zeer aangegrepen. Hij haalde een doos bonbons uit zijn zak en gaf die aan Rodolphe.

„Die arme Mimi, geef haar dit uit mijn naam en zeg, dat ik eens naar haar kom kijken!”

„Als je dat wil, moet je je haasten, anders zou je te laat kunnen komen,” zeide Rodolphe en ging verder.

Toen hij in het hospitaal kwam, vloog Mimi, die zich niet meer bewegen kon, hem met een blik om de hals.

„Ha, daar zijn mijn bloemen!” riep zij, terwijl een glimlach van geluk om haar lippen speelde.

Rodolphe vertelde haar zijn pelgrimstocht naar het struikgewas langs den vijver, dat het paradijs van hun liefde geweest was.

„Lieve bloemen!” zeide het arme kind, terwijl zij de viooltjes kuste.

Ook de bonbons vielen in haar smaak.

„Ze hebben me dus nog niet heelemaal vergeten!” zeide zij. „Wat zijn jullie toch allemaal goed. Ik mag al je vrienden graag, Rodolphe!”

Het samenzijn was bijna vroolijk te noemen. Ook Schaunard en Colline waren gekomen. De zuster moest hen tot weggaan aansporen, daar de bezoektijd reeds lang voorbij was.

„Vaarwel!” zeide Mimi; „tot Donderdag dus! En zorg op tijd te zijn!”

Toen Rodolphe den volgenden avond thuis kwam, vond hij een brief van een jongen assistent uit het ziekenhuis, aan wien hij Mimi bijzonder aanbevolen had. De brief bevatte slechts deze woorden:

„Amice, ik moet je een treurige tijding geven: No. 8 is dood. Toen ik vanochtend door de zaal kwam, vond ik het bed leeg.”


Rodolphe viel op een stoel neer, maar geen tranen kwamen hem verlichting brengen. Toen Marcel later op den avond bij hem kwam, vond hij zijn vriend nog in dezelfde wezenlooze houding; met een handgebaar wees Rodolphe hem op den brief.

„Arme meid!” zeide Marcel.

„Het is vreemd,” merkte Rodolphe op; „ik voel niets. Zou mijn liefde reeds gestorven zijn, toen ik hoorde, dat Mimi sterven moest?”

„Wie zal het zeggen?” mompelde de schilder.

Mimi’s dood veroorzaakte in den kring der bohémiens een groote ontroering.

Acht dagen later ontmoette Rodolphe op straat den assistent, die hem den dood van zijn vriendinnetje gemeld had.

„Beste Rodolphe,” zeide hij, „je neemt het me toch niet al te kwalijk, dat ik je door mijn voorbarigheid verdriet gedaan heb?”

„Wat bedoel je?” vroeg Rodolphe verwonderd.

„Wat? .... Weet je het niet? Heb je haar dan niet meer gezien?”

„Wie?” schreeuwde Rodolphe.

„Maar Mimi natuurlijk!”

„Wat?” stamelde de dichter, die doodsbleek werd.

„Ik had me vergist. Toen ik je die vreeselijke tijding schreef, was ik het slachtoffer van een dwaling. Kijk eens, ik was in twee dagen niet in het ziekenhuis geweest. Toen ik den derden dag weer terugkwam, vond ik het bed van je vrouw leeg. Op mijn vraag aan de zuster waar de zieke was, kreeg ik ten antwoord, dat zij ’s nachts gestorven was. De zaak zit zoo in elkaar. Tijdens mijn afwezigheid was Mimi naar een andere zaal gebracht. In bed No. 8 hadden ze een andere vrouw gelegd, die nog denzelfden dag gestorven is. Dat is de oorzaak van mijn vergissing. Den dag, nadat ik je geschreven had, vond ik Mimi in een zaal ernaast. Jouw wegblijven had haar vreeselijk veel verdriet gedaan; zij gaf me een brief voor je, dien ik dadelijk naar je kamer gebracht heb.”

„Lieve God!” riep Rodolphe uit; „vanaf het oogenblik dat ik dacht, dat Mimi dood was, ben ik niet meer op mijn kamer geweest. Ik heb hier en daar bij mijn vrienden geslapen. Mimi leeft. God, wat moet zij wel van mijn wegblijven denken! Arme, arme meid! En hoe is het met haar? Wanneer heb je haar voor het laatst gezien?”

„Eergisterenochtend. Zij was niet erger en niet beter, maar zij is erg ongerust over jou, ze denkt, dat je ziek bent!”

„Ga dadelijk met me naar de Pitié,” zeide Rodolphe; „ik moet ze zien.”

„Wacht hier een oogenblik,” zeide de assistent, toen zij bij den ingang van het ziekenhuis waren, „ik zal den directeur vragen, of je haar zien mag.”

Rodolphe wachtte een kwartier in de vestibule. Toen kwam de assistent terug, greep de hand van den dichter en zeide:

„Je moet maar denken, beste kerel, dat de brief, dien ik je acht dagen geleden geschreven heb, waarheid gesproken heeft.”

„Wat?” zeide Rodolphe, terwijl hij wankelde en steun zocht tegen een pilaar; „Mimi.....”

„Vanochtend om vier uur.”

„Breng mij naar de snijkamer, dan kan ik ze nog eenmaal zien,” vroeg Rodolphe.

„Daar is ze niet meer,” zeide de dokter. En terwijl hij den dichter op een grooten wagen wees, die op de binnenplaats stond voor een gebouw, waarboven het woord: Snijkamer te lezen was, voegde hij eraan toe:

„Daarin is zij.”

Het was inderdaad de lijkwagen, waarin de niet opgevraagde lijken naar de gemeenschappelijke graven gebracht worden.

„Adieu,” zeide Rodolphe tot den assistent.

„Wil ik soms met je meegaan?” vroeg deze.

„Neen, dank je,” zeide Rodolphe, terwijl hij zich langzaam verwijderde. „Ik wil alleen zijn!”


1 Een persoon uit de Grieksche mythologie met honderd armen.

2 Bekende persoon uit don Quichotte.