Een jaar na Mimi’s dood vierden Rodolphe en Marcel, die steeds bij elkaar gebleven waren, met een feest hun intrede in de officieele wereld. Marcel, die eindelijk tot den Salon was toegelaten, had er twee schilderijen geëxposeerd, waarvan er een gekocht was door een rijken Engelschman, een vroegeren minnaar van Musette. Met de opbrengst van dien verkoop en met die van een hem door de regeering opgedragen werk, had Marcel het grootste gedeelte van zijn oude schulden afgelost, zich in een fatsoenlijke woning geïnstalleerd en een echt atelier ingericht. Bijna tegelijk waren Schaunard en Rodolphe voor het publiek getreden, dat over den naam en het fortuin van kunstenaars beslist, de eerste met een album liederen, die op alle concerten gezongen werden en die zijn naam vestigden; de tweede met een boek, waarmede de kritiek zich een maand lang bezig hield. Barbemuche had zich sedert lang uit het bohème leven teruggetrokken, terwijl Gustave Colline een erfenis gekregen en een rijk huwlijk gedaan had en nu avondjes gaf, waarop muziek gemaakt en koekjes gegeten werden.
Op een avond, dat Rodolphe in zijn fauteuil en met zijn voeten op zijn tapijt zat, zag hij Marcel opgewonden binnenkomen.
„Weet je wat mij overkomen is?” vroeg hij.
„Neen,” antwoordde de dichter. „Ik weet alleen, dat ik bij je geweest ben, dat je beslist thuis was en dat je me niet hebt willen open doen.”
„Ik heb je wel gehoord. Raad eens wie bij mij was.”
„Hoe zou ik dat weten?”
„Musette! Zij is gisteravond als débardeur1 bij me binnen komen vallen.”
„Musette? Heb jij Musette teruggevonden?” vroeg Rodolphe met iets van spijt in zijn stem.
„Maak je niet ongerust! de vijandelijkheden zijn niet hervat. Musette is den laatsten nacht van haar bohème-leven bij mij komen doorbrengen.”
„Wat bedoel je daarmee?”
„Zij gaat trouwen.”
„Wat!” riep Rodolphe uit. „En met wien, lieve hemel?”
„Met een postmeester, den voogd van haar laatsten minnaar, een type, naar het schijnt. Musette heeft tegen hem gezegd: „Waarde heer, alvorens ik u definitief mijn hand geef en met u naar het stadhuis rijd, wil ik nog eerst acht dagen volkomen vrijheid. Ik moet mijn zaken regelen en ik wil mijn laatste glas champagne drinken, mijn laatsten quadrille dansen en mijn vriend Marcel, die net zoo goed is als ieder ander, een laatsten kus geven.” Acht dagen lang heeft het lieve kind naar mij gezocht, tot ze gisteravond juist op een oogenblik, dat ik aan haar dacht, bij mij is komen binnenvallen. Wij hebben een treurigen nacht gehad ..... het was lang dat van vroeger niet, lang niet. Wij zagen er net uit als een slechte copie van een meesterwerk. Ik heb naar aanleiding van deze laatste scheiding een klein klaaglied gemaakt, dat ik je voorjammeren zal, als je het goed vindt.”
En toen begon hij eenige coupletten te neuriën ...
„Nou ben je toch zeker wel gerustgesteld,” zeide Marcel, toen hij uitgejammerd had; „mijn liefde voor Musette is zoo dood als een pier, dat bewijst dit treurige treurlied wel.”
„Arme kerel!” zeide Rodolphe; „je verstand duelleert met je hart; pas op, dat het laatste niet gedood wordt.”
„Dat is al gebeurd,” antwoordde de dichter; „het is afgeloopen met ons, we zijn dood en begraven. Je bent maar eens jong. Waar dineer je vanavond?”
„Als je het goed vindt, kunnen we voor twaalf sous in ons oud restaurant in de rue du Four gaan eten, waar je nog van die echte dorpsborden hebt, en waar je, als je klaar bent, nog steeds trek hebt.”
„Neen, dank je wel,” antwoordde Marcel. „Ik wil wel nog eens praten over het verleden, maar dan bij een goed glas wijn in een makkelijken fauteuil. Ach ja, ik ben nu eenmaal verdorven. Ik houd alleen nog maar van wat goed is.”
EINDE.
1 Débardeur = iemand, die tijdens het carnavalsfeest als houtdrager gecostumeerd rondloopt.