Hoofdstuk II.

Een gezant der Voorzienigheid.

Schaunard en Marcel, die reeds van den vroegen ochtend af dapper aan het werk waren, hielden plotseling op.

„Alle duivels, wat heb ik een honger!” zeide Schaunard; en hij voegde er langs zijn neus weg aan toe: „Wordt er vandaag niet gedejeuneerd?”

Marcel scheen over die meer dan ooit ongelegen komende vraag zeer verbaasd:

„Sedert wanneer wordt er twee dagen achter elkaar gedejeuneerd?” zeide hij. „Het was gisteren Donderdag.”

En, om zijn antwoord als het ware meer kracht bij te zetten, wees hij met zijn schilderstokje op het gebod der Kerk.

„Vendredi chair ne mangeras,

Ni autre chose pareillement.”

Schaunard kon geen antwoord vinden en begon weer te werken aan zijn schilderij, dat een vlakte voorstelde met een rooden en een blauwen boom, die elkaar een hand- of liever takdruk gaven. Een zeer duidelijke en inderdaad ook zeer philosophische toespeling op de heerlijkheden der vriendschap.

Op dat oogenblik klopte de concierge aan de deur. Hij bracht een brief voor Marcel.

„Drie sous,” zeide hij.

„Heusch?” antwoordde de kunstenaar. „Die mag je houden.”

En hij sloeg de deur voor zijn neus dicht.

Marcel verbrak het zegel en las. Bij de eerste woorden reeds begon hij te springen als een acrobaat en hief luidkeels het volgende lied, dat bij hem de hoogste graad van verrukking was, aan:

„Y’avait quat’ jeunes gens du quartier

Ils étaient tous les quatre malades;

On les a m’nés à l’Hôtel-Dieu

Eu! eu! eu! eu!

„Prachtig,” zeide Schaunard en vervolgde:

„On les a mis dans un grand lit,

Deux à la tête et deux au pied.

Dat kennen we al.”

Marcel ging door:

„Ils virent arriver un’ petit’ soeur,

Eur! eur! eur! eur!”

„Als je niet oogenblikkelijk ophoudt,” zeide Schaunard, die reeds symptomen van hersenverweeking begon te voelen, „dan ga ik het allegro van mijn symphonie over den Invloed van het Blauw in de Kunsten spelen.”

En hij stapte reeds naar zijn piano.

Dit dreigement werkte als een droppel koud water, die in een borrelende vloeibare massa valt.

Marcel kalmeerde als door een tooverslag.

„Hier!” zeide hij, terwijl hij den brief aan zijn vriend gaf; „lees!”

Het was een uitnoodiging voor een diner van een député, een verlicht beschermer der kunsten in het algemeen en in het bijzonder van Marcel, die een schilderij van zijn landhuis gemaakt had.

„Dat is voor vandaag,” zeide Schaunard; „jammer, dat het geen invitatie voor twee personen is. Maar daar bedenk ik me, dat jouw député ministerieel gezind is; je kan, je mag die uitnoodiging niet aannemen: je principes verbieden je brood te eten, dat gedrenkt is in het zweet van het volk.”

„Ba!” zeide Marcel, „mijn député behoort tot de linkerzijde van het centrum; hij heeft pas nog tegen de regeering gestemd. Bovendien zal hij wel een opdracht voor me hebben, en hij heeft me beloofd mij in andere kringen te introduceeren. En al is het ook vandaag honderd maal Vrijdag, ik heb een honger als Ugolino in zijn toren; ik wil vandaag dineeren en daarmede basta!”

„Er zijn nog andere hinderpalen,” ging Schaunard voort, die zijn jaloerschheid op het fortuintje, dat zijn vriend ten deel viel, niet bedwingen kon. „Je kunt toch niet zoo in je roode trui en met je sjouwerspet op gaan dineeren.”

„Ik zal van Rodolphe of Colline een pak leenen.”

„Jeugdige dwaas! Ben je vergeten, dat wij den twintigsten van de maand voorbij zijn en dat om dezen tijd de kleeren van die heeren bij oom Jan logeeren?”

„Maar ik zal toch vòòr vijf uur wel een zwart pak vinden,” zeide Marcel.

„Ik heb drie weken noodig gehad, om er een te vinden, toen ik naar de bruiloft van mijn neef moest—en dat was toch in het begin van Januari.”

„Nou dan ga ik zoo!” antwoordde Marcel, terwijl hij met groote passen de kamer op en en neer liep. „Van mij zal niet gezegd worden, dat een armzalige quaestie van etiquette mij heeft weerhouden den eersten stap in de wereld te doen.”

„O ja, dat is waar ook!” viel Schaunard, die het blijkbaar pleizierig vond zijn vriend te plagen; „hoe staat het met je schoenen?”

Marcel ging in een toestand van niet te beschrijven opwinding weg. Na verloop van twee uur kwam hij terug met een boord.

„Dat is alles wat ik heb kunnen vinden,” zeide hij met een deerniswaardig gezicht.

„Daarvoor hadt je waarachtig niet zoo behoeven rond te loopen,” antwoordde Schaunard; „we hebben hier papier genoeg, om er een dozijn te maken.”

„Maar alle duivels!” riep Marcel uit en rukte daarbij de haren uit zijn hoofd; „we moeten hier toch kleeren hebben.”

En in alle hoekjes en gaatjes der beide kamers begon hij een nauwgezet onderzoek.

Na een uur zoekens had hij het volgende costuum bij elkaar:

Een geruite broek.

Een grijze hoed.

Een roode das.

Een eertijds witte handschoen.

Een zwarte handschoen.

„Daar zijn in geval van nood ten minste twee zwarte handschoenen uit te maken,” zeide Schaunard. „Maar wanneer je aangekleed bent, zal je er uitzien als het zonnespectrum. Doch dat is minder—je bent schilder.”

Intusschen paste Marcel de schoenen.

O ramp! Ze waren beide van denzelfden voet.

Daar zag de wanhopige kunstenaar in een hoek een ouden schoen, waarin ze gewoonlijk hun leege verfblazen gooiden. Hij maakte er zich meester van.

„Van kwaad tot erger,” zeide zijn ironische makker: „de een is puntig en de ander breed van voren.”

„Dat zie je niet; ik zal ze lakken.”

„Dat is een idée! Nu ontbreekt je alleen nog de onontbeerlijke rok.”

„O,” zeide Marcel, terwijl hij zich van woede in zijn vuisten beet „ik zou tien jaar van mijn leven en mijn rechterhand geven, als ik er een had.”

Op dit oogenblik hoorden zij opnieuw op de deur kloppen. Marcel ging open doen.

„Mijnheer Schaunard?” zeide een vreemdeling, die op den drempel bleef staan.

„Dat ben ik,” antwoordde de schilder en verzocht hem binnen te komen.

„Mijnheer,” zeide de onbekende, die een van die trouwhartige gezichten had, welke den provinciaal kenmerken, „mijn neef heeft me verteld, dat u zoo mooi portretten kunt schilderen; en daar ik op het punt sta een reis naar de koloniën te maken, als gedelegeerde der raffinadeurs van Nantes, zou ik gaarne een souvenir van mij aan mijn familie achterlaten. Daarom ben ik naar u toe gekomen.”

„O, heilige Voorzienigheid!” ... mompelde Schaunard. „Marcel, geef een stoel aan mijnheer....”

„Blancheron,” vulde de vreemdeling aan; „Blancheron uit Nantes, afgevaardigde van de suikerindustrie, oud-burgemeester van V...., kapitein van de garde nationale, en schrijver van een brochure over de suikerquaestie.”

„Ik voel mij zeer vereerd, dat ik door u gekozen ben,” zeide de artist, terwijl hij een buiging maakte voor den gedelegeerde der raffinadeurs. „En hoe wenscht u uw portret te hebben?”

„Een miniature, zooals dit,” antwoordde mijnheer Blancheron, terwijl hij op een portret in olieverf wees; want, zooals voor zoovele anderen, is voor den gedelegeerde alles, wat geen verf op huizen is, miniatuur: zij kennen geen middenweg.

Dit naïeve antwoord deed Schaunard dadelijk begrijpen met wien hij te doen had, vooral toen de vreemdeling er nog aan toevoegde, dat hij gaarne zijn portret in fijne kleuren geschilderd wilde hebben.

„Ik gebruik nooit andere,” zeide Schaunard. „En in welke grootte wilt u uw portret?”

Zoo groot ongeveer,” antwoordde mijnheer Blancheron, op een doek van twintig francs wijzend. „Wat is de prijs daarvan?”

„Vijftig tot zestig francs; vijftig zonder handen en zestig met.”

„Drommels, mijn neef sprak van dertig francs.”

„Dat hangt af van het seizoen,” zeide de schilder; „in sommige tijden zijn de kleuren veel duurder.”

„Zoo, dat is dus net als met den suiker.”

„Precies eender.”

„Nou, voor vijftig francs dan,” zeide mijnheer Blancheron.

„Dat zou ik u niet aanraden; voor tien francs meer schilder ik u met uw suiker-brochure in uw handen, dat zal meer effect maken.”

„Waarachtig, u hebt gelijk!”

„Lieve Hemel,” zeide Schaunard in zichzelf; „als hij zoo doorgaat, dan barst ik nog los en gooi ik hem een van mijn stukken naar zijn hoofd.”

„Heb je gezien?” fluisterde Marcel hem in.

„Wat?”

„Hij heeft een rok.”

„Ik snap je en ik zal je helpen. Laat mij maar begaan.”

„Welnu, mijnheer,” zeide de gedelegeerde, „wanneer zullen we beginnen? We moeten niet te lang wachten, want ik vertrek eerstdaags.”

„Ik moet zelf een klein reisje maken; overmorgen verlaat ik Parijs. Als u het dus goed vindt, zullen we maar dadelijk beginnen. Een flinke séance zal de zaak zeer bespoedigen.”

„Maar het zal zoo dadelijk donker zijn, en u kunt toch niet bij kunstlicht schilderen,” zeide mijnheer Blancheron.

„Mijn atelier is zòò ingericht, dat ik er op ieder uur van den dag kan werken...” viel de schilder hem in de rede. „Als u uw rok wilt uittrekken en de pose aannemen, zullen we beginnen.”

„Mijn rok uittrekken? Waarom?”

„Hebt u niet gezegd, dat het een portret voor uw familie moet zijn?”

„Zeker.”

„Dan moet u ook in een kamerjapon geschilderd worden. Dat is trouwens gewoonte ook.”

„Maar ik heb geen kamerjapon bij me.”

„Ik heb er een. Ik ben voor zulke gevallen ingericht,” zeide Schaunard en gaf zijn model een oud met verfvlekken overladen vod, dat den eerzamen provinciaal op het eerste gezicht deed aarzelen.

„Dat is al een heel raar kleedingstuk,” zeide hij.

„En heel kostbaar,” antwoordde de schilder. „Indertijd heeft een Turksch vizier het cadeau gegeven aan Horace Vernet, die het weer aan mij vermaakt heeft. Ik ben zijn leerling.”

„Bent u een leerling van Vernet?” vroeg Blancheron.

„Ja, mijnheer, en daar ben ik trotsch op.—Schande,” mompelde hij in zichzelf, „ik verloochen mijn goden.”

„Daar hebt u dan ook reden voor, jonge man,” antwoordde de gedelegeerde, terwijl hij de kamerjapon van zoo voorname afkomst aantrok.

„Hang den rok van mijnheer aan den porte-manteau,” zeide Schaunard met een beteekenisvollen blik tot zijn vriend.

„Zeg eens,” mompelde Marcel, terwijl hij zich op zijn prooi wierp en heimelijk naar Blancheron wees „hij ziet er prachtig uit zoo! Als je hem zoo eens schilderen kon!”

„Ik zal het probeeren! Maar dat is van minder belang, kleed je gauw aan en maak, dat je weg komt, maar zorg, dat je om tien uur terug bent; ik zal hem wel tot zoo lang aan de praat houden. Maar vòòr alles, vergeet niet iets voor me mede te brengen.”

„Ik zal een ananas voor je meebrengen,” antwoordde Marcel en maakte, dat hij weg kwam.

Hij kleedde zich in vliegenden haast. De rok paste hem, alsof hij hem aangemeten was. Dan ging hij door de tweede deur van het atelier weg.

Schaunard was intusschen met werken begonnen. Toen het heelemaal donker geworden was, hoorde mijnheer Blancheron het zes uur slaan en bedacht zich, dat hij nog niet gedineerd had. Hij vertelde dat aan den schilder.

„Ik verkeer in hetzelfde geval, maar om u ter wille te zijn, zal ik mij daarvan vanavond maar speenen,” zeide Schaunard; „wel had ik voor vanavond een invitatie in den faubourg Saint-Germain, maar we kunnen het werk nu niet afbreken, dat zou schade doen aan de gelijkenis.”

En hij begon weer te werken.

„Maar,” zeide hij plotseling, „we zouden kunnen dineeren, zonder dat we ons werk onderbreken. Er is hier vlak bij een uitstekend restaurant, vanwaar ze ons alles, wat we willen, kunnen brengen.”

En Schaunard wachtte met spanning de uitwerking van zijn trio meervouden af.

„Ik ben het volkomen met u eens,” zeide mijnheer Blancheron, „en het zal mij aangenaam zijn, indien u mij de eer wilt aandoen aan tafel mijn gast te zijn.”

Schaunard maakte een buiging.

„Waarachtig,” zeide hij tot zichzelf, „het is een brave kerel, een ware gezant der Voorzienigheid. Wilt u het menu maar opmaken?” vroeg hij aan zijn amphytrion.1

„Het zal mij aangenaam zijn, indien u zich daarmede belasten wilt,” antwoordde deze beleefd.

„Dat zal je berouwen,” zong de schilder, die vliegensvlug de trap afstormde.

Hij ging het restaurant binnen, liep naar de toonbank en stelde een menu samen, dat den Vatel2 in den winkel bij het lezen bleek deed worden.

„En goede Bordeaux.”

„Wie betaalt dat?”

„Ik waarschijnlijk niet,” zeide Schaunard; „maar een oom van me, een lekkerbek en fijnproever, dien u boven bij me zult zien. Zet dus je beste beentje voor en zorg, dat we binnen een half uur kunnen eten en denk erom, op echt porcelein.”


Om acht uur voelde mijnheer Blancheron reeds behoefte aan de borst van een vriend zijn denkbeelden over de suikerindustrie uit te storten, en declameerde hij voor Schaunard de brochure, die hij geschreven had.

Deze begeleidde hem op den piano.

Om tien uur dansten mijnheer Blancheron en zijn vriend een galop en tutoyeerden elkaar.

Om elf uur zwoeren zij elkaar eeuwige trouw en maakten een testament, waarin zij elkaar wederkeerig hun fortuin nalieten.

Om twaalf uur kwam Marcel thuis en vond ze in elkanders armen. Ze zwommen in tranen. Er stond al een halve duim water in het atelier. Marcel stootte zich tegen de tafel en zag de schitterende overblijfselen van het heerlijke festijn. Hij onderzocht de flesschen—zij waren totaal leeg.

Hij wilde Schaunard wakker maken, maar deze dreigde hem te zullen vermoorden, als hij hem Mijnheer Blancheron, dien hij als hoofdkussen gebruikte, wilde ontrooven.

„Ondankbare!” zeide Marcel, terwijl hij uit zijn rokzak een handvol noten te voorschijn haalde. „Mij vermoorden, mij, die een diner voor hem meegebracht heb.”


1 Gastheer.

2 Vatel was de hofkok van Lodewijk XIV.

Hoofdstuk III.

De liefde in den Vastentijd.

Op een avond in den vastentijd kwam Rodolphe al vroeg thuis met het vaste plan om te gaan werken. Doch nauwlijks had hij zich aan tafel gezet en zijn pen in den inktkoker gedoopt, toen zijn aandacht door een zonderling geluid getrokken werd; en toen hij luisterde aan het indiscrete beschot, dat hem van de kamer ernaast scheidde, hoorde hij heel duidelijk een regelmatigen dialoog van kussen en andere amoureuse klanknabootsingen.

„Drommels!” dacht Rodolphe, terwijl hij op de pendule keek, „het is nog niet laat ... en mijn buurvrouw is een Julia, die haar Romeo gewoonlijk nog lang na het zingen van de leeuwerik bij zich houdt. Ik zal vannacht niet kunnen werken.” En hij zette zijn hoed op en ging uit.

Toen hij zijn sleutel in de portiersloge wilde leggen, vond hij de vrouw van den concierge in de armen van een galant. De arme vrouw was er zoo verschrikt door, dat er meer dan vijf minuten verliepen, voordat zij kon opentrekken.

„Ha!” dacht Rodolphe, „er zijn dus oogenblikken, waarop de portiersters weer vrouwen worden.”

Toen hij de huisdeur opende, vond hij in den hoek een dragonder en een keukenmeid in een avondmantel staan, die elkaar bij de hand vasthielden en het geld der liefde wisselden.

„Alle duivels!” zeide Rodolphe met een toespeling op den krijgsman en zijn robuste vriendin, „dat zijn een paar ketters, die er niet aan denken, dat wij in de vasten zijn.”

En hij ging de straat op naar een van zijn vrienden, die in de buurt woonde.

„Als Marcel thuis is,” zeide hij tot zichzelf, „dan kunnen we den avond doorbrengen met eens lekker Colline over den hekel te halen. Je moet toch wat doen ....”

Op zijn krachtig kloppen werd de deur op een kiertje open gemaakt en vertoonde zich daarin een jonge man met alleen een monocle op en een hemd aan.

„Ik kan je vandaag niet ontvangen,” zeide hij tegen Rodolphe.

„Waarom niet?” vroeg deze.

„Hier!” zeide Marcel en hij wees op een vrouwehoofd, dat achter een bedgordijn te voorschijn kwam; „hier heb je mijn antwoord!”

„Zij is niet mooi!” antwoordde Rodolphe, toen de deur voor zijn neus gesloten was. „Maar wat nu?” zeide hij, toen hij weer op straat was. „Als ik eens naar Colline ging? Dan zouden we eens lekker over Marcel kunnen kletsen.”

Toen hij de gewoonlijk donkere en weinig drukke rue de l’Ouest doorging, zag hij plotseling een schaduw, die melancholiek heen en weer liep en binnensmonds verzen scheen te reciteeren.

„He, he,” zeide Rodolphe; „welk sonnet loopt daar zoo te blauwbekken? Lieve Hemel, het is Colline.”

„He, Rodolphe! Waar is de reis naar toe?”

„Naar jou.”

„Daar zal je me niet vinden.”

„Wat doe je hier?”

„Ik wacht.”

„En waar wacht je op?”

„Ach!” zeide Colline met spottende hoogdravendheid, „waarop kan je wachten, wanneer je twintig bent, de hemel van sterren fonkelt en liederen door de lucht weerklinken?”

„Spreek toch in proza.”

„Ik wacht op een vrouw.”

„Bonsoir,” zeide Rodolphe, die in zichzelf pratend verder ging. „Bliksems! Is het dan vandaag St. Cupido en zou ik geen stap kunnen verzetten zonder op verliefden te stooten? Het is onzedelijk, schandelijk. Waarom doet de politie er niets aan?”

Daar de Luxembourg nog open was, ging Rodolphe dien binnen, om zijn weg te bekorten. In de verlaten lanen zag hij dikwijls, als verschrikt door zijn passen, geheimzinnig elkaar omvattende paren voor zich uit vluchten, die, zooals een dichter gezongen heeft, de dubbele wellust der stilte en der schaduw zoeken.

„Net een avond, die uit een roman overgeschreven is,” zeide hij tot zichzelf. En toch ging hij, zijns ondanks door een smachtende bekoring bevangen, op een bank zitten en keek sentimenteel naar de maan.

Na eenigen tijd was hij geheel door een hallucinatiekoorts bevangen. Het was, alsof de marmeren goden en heroën, die den tuin bevolken, van hun voetstukken afdaalden, om aan de godinnen en heroïnen het hof te maken; en hij hoorde heel duidelijk hoe de dikke Hercules de Velleda, wier tunica hem buitengewoon kort voorkwam, galante complimentjes influisterde.

Van af de bank, waarop hij zat, zag hij, hoe de zwaan uit het bassin naar een nymph daar vlak bij ging.

„Mooi!” dacht Rodolphe, die dit alles mythologisch opvatte, „dat is Juppiter, die naar zijn rendez-vous met Leda gaat. Als de bewaker ze nu maar niet betrapt.”

Dan legde hij zijn hoofd in zijn handen en boog zich nog dieper in de doornen van zijn gevoel. Doch op dit heerlijke oogenblik van zijn droom werd Rodolphe plotseling wakker geschrikt door een bewaker, die hem op zijn schouder tikte.

„Mijnheer, de tuin wordt gesloten.”

„Dat is maar gelukkig ook,” dacht Rodolphe. „Als ik hier nog vijf minuten bleef, zou ik in mijn hart meer vergeet-mij-nietjes hebben dan er op de oevers van den Rijn of in de romans van Alphonse Karr groeien.”

En met zachte stem een sentimenteele romance, die voor hem de Marseillaise der liefde was, neuriënd, verliet hij met vluggen pas den Luxembourg.

Een half uur later zat hij—God weet hoe hij er kwam—in den Prado voor een glas punch te praten met een grooten, jongen man, die beroemd was om zijn neus, welke er door een merkwaardig privilege van ter zijde snavelvormig en en face plat uitzag; een meesterneus, wien het niet aan geest ontbrak en die genoeg avonturen medegemaakt had, om in dergelijke gevallen goeden raad te kunnen geven en zijn vriend nuttig te zijn.

„Dus,” zeide Alexandre Schaunard, de man met den neus, „je bent verliefd!”

„Ja, mijn waarde .... ik heb het daarnet plotseling te pakken gekregen; precies hevige kiespijn, die je in je hart hebt.”

„Geef me je tabak eens,” zeide Alexandre.

„Stel je voor,” ging Rodolphe voort, „dat ik sinds twee uur niets dan verliefden, mannen en vrouwen, twee aan twee, tegenkom. Ik kwam op het denkbeeld den Luxembourg in te loopen, waar ik allerlei soorten phantasmagorieën gezien heb; dat heeft me buitengewoon aangegrepen; elegieën schieten in mij op; ik blaat en ik kir; ik ben half lam, half duif geworden. Kijk me eens goed aan; ik moet wol en veeren hebben.”

„Wat heb je toch gedronken?” zeide Alexandre ongeduldig, „je laat me poseeren alsof ik een model ben.”

„Ik verzeker je, dat ik volkomen helder ben,” zeide Rodolphe. „Of toch eigenlijk niet. Maar ik moet je eerlijk bekennen, dat ik behoefte heb om iets te omhelzen. Zie je, Alexandre, het is niet goed, dat de mensch alleen zij: kort en goed je moet me helpen een vrouw te vinden .... Wij zullen een rondgang door de balzaal maken, en daar moet jij de eerste, die ik je aanwijs, gaan zeggen, dat ik haar liefheb.”

„Waarom ga je zelf dat haar niet zeggen?” antwoordde Alexandre met zijn prachtigen nasalen bas.

„Ach mijn waarde,” zeide Rodolphe, „ik wil eerlijk bekennen, dat ik heelemaal vergeten ben hoe je het aan moet pakken, om zulke dingen te zeggen. Van al mijn liefderomans hebben mijn vrienden de inleiding geschreven, sommigen zelfs de ontknooping. Ik heb nooit een goed begin kunnen vinden.”

„Het is voldoende, om er een eind aan te kunnen maken,” zeide Alexandre; „maar ik begrijp je. Ik heb een jong meisje gezien, die veel van hobo’s houdt. Misschien val je wel in haar smaak.”

„Ach!” zeide Rodolphe, „ik zou zoo graag zien, dat zij witte handschoenen en blauwe oogen had.”

„Drommels, blauwe oogen, dat zal nog wel gaan .... maar witte handschoenen .... je weet toch, dat je niet alles tegelijk hebben kan. Maar laten we naar het aristocratische kwartier gaan.”

„Kijk,” zeide Rodolphe, terwijl hij een salon binnenging, waar de modepoppetjes zich ophielden, „daar zit er een, die me nog al zacht toeschijnt ....” en hij wees op een vrij elegant gekleed meisje, dat zich in een hoek teruggetrokken had.

„Goed,” antwoordde Alexandre; „houd jij je maar wat op den achtergrond; ik zal voor jou den fakkel van den hartstocht in haar hart slingeren. Wanneer je moet komen, zal ik je roepen.”

Een minuut of tien stond Alexandre te praten met het jonge meisje, dat nu en dan in een vroolijken lach uitbarstte en eindelijk Rodolphe een glimlachje toewierp, dat meer dan duidelijk te kennen gaf: Kom maar, je advocaat heeft zijn proces gewonnen.

„Ga nu maar,” zeide Alexandre; „de overwinning is ons; het kleintje zal in ieder geval niet wreed zijn, maar doe in den beginne een beetje naief.”

„Dat behoef je me volstrekt niet te zeggen.”

„Ook goed,” zeide Schaunard. „Geef mij nu eerst wat tabak en ga dan bij haar zitten.”

„Lieve Hemel,” zeide het jonge meisje, toen Rodolphe naast haar plaats genomen had; „wat een type, die vriend van je. Hij heeft een stem als een jachthoorn.”

„Dat komt, omdat hij musicus is,” antwoordde Rodolphe.

Twee uur later bleven Rodolphe en zijn vriendinnetje voor een huis in de rue Saint-Denis staan.

„Hier woon ik,” zeide het jonge meisje.

„Lieve Louise, wanneer zal ik je weer zien, en waar?”

„Morgenavond om acht uur op je kamer.”

„Heusch?”

„Hier heb je mijn woord,” antwoordde Louise, terwijl zij Rodolphe haar frissche wangen toestak, die zoo maar in die prachtige rijpe vruchten van jeugd en gezondheid beet.

Dol en dronken van liefde kwam Rodolphe weer op zijn kamer.

„O,” zeide hij, terwijl hij met groote passen op en neer liep; „dat kan zoo maar niet afloopen! Ik moet verzen maken.”

Den volgenden morgen vond de concierge in de kamer een dertig blaadjes papier, aan het hoofd waarvan majestueus deze enkele alexandrijn prijkte:

„O l’Amour! ô l’Amour! prince de la jeunesse!”

Rodolphe was dien dag, tegen zijn gewoonte in, al heel vroeg wakker, en hoewel hij weinig geslapen had, stond hij dadelijk op.

„Dus,” riep hij uit, „is het vandaag de groote dag .... Maar nog twaalf uur wachten .... Hoe die twaalf eeuwigheden doorkomen?”

En toen zijn blik op zijn schrijftafel viel, was het alsof zijn pen heen en weer huppelde en tegen hem zei: Werk.

„Werken? weg met het proza!... Ik wil niet hier blijven, het stinkt hier naar inkt!”

Hij ging naar een café, waar hij zeker was geen vrienden te zullen aantreffen.

„Zij zouden dadelijk zien, dat ik verliefd was,” dacht hij.

Na een zeer eenvoudig dejeuner gebruikt te hebben, liep hij naar het station en stapte in een coupé.

Een half uur later was hij in de bosschen van Ville d’Avray.

Rodolphe wandelde den geheelen dag door de verjongde natuur en keerde eerst tegen het vallen van den avond naar Parijs terug.

Nadat hij den tempel, die zijn afgod zou ontvangen in orde gemaakt had, maakte hij een voor deze gelegenheid passend toilet, waarbij hij het zeer betreurde, dat hij zich niet geheel in het wit kleeden kon.

Tusschen zeven en acht uur was hij ten prooi aan een hevige wacht-koorts, een langzame marteling, die hem zijn vroegere jaren en zijn vroegere verliefdheden weer in de gedachte terugriep. Dan droomde hij, volgens zijn gewoonte, reeds van een grooten hartstocht, een liefde in tien deelen, een waar lyrisch gedicht met maneschijn, ondergaande zon, afspraakjes onder wilgen, jaloezie, zuchten enz. enz. Zoo ging het iederen keer, als het toeval een vrouw aan zijn deur voerde, en geen enkele had hem verlaten zonder een aureool om haar voorhoofd en een collier van tranen om haar hals.

„Zij zouden liever een hoed of een paar schoenen hebben,” zeiden zijn vrienden.

Maar Rodolphe was hardnekkig en tot nog toe hadden de talrijke ervaringen, die hij al had doorgemaakt, hem niet kunnen genezen. Hij wachtte nog altijd op een vrouw, die een idool voor hem zou willen zijn, een engel in zijde en fluweel, tot wie hij, als de inspiratie ze hem ingaf, zijn sonnetten kon richten.

Eindelijk hoorde Rodolphe het „gewijde uur” slaan, en toen de laatste slag weerklonk, meende hij te zien dat de Amor en de Psyche op zijn pendule hun albasten lichamen tegen elkaar drukten. Op hetzelfde oogenblik werd er tweemaal bescheiden aan de deur geklopt.

Rodolphe ging open doen; het was Louise.

„Je ziet, dat ik op tijd ben,” zeide zij.

Rodolphe deed de gordijnen dicht en stak een nieuwe kaars aan.

Intusschen had de kleine haar sjaal afgedaan en haar hoed afgezet en die beide op het bed gelegd. De hagelwitte lakens deden haar glimlachen en bijna een kleur krijgen.

Louise was eerder gracieus dan mooi te noemen; haar frisch gezichtje verried een aantrekkelijke vermenging van naïveteit en schalkschheid. Het was iets als een motief van Greuze, gearrangeerd door Gavarni.1 De bekoorlijke, jeugdige vormen van het jonge meisje kwamen zeer voordeelig uit door een toilet, dat, hoewel heel eenvoudig, ook bij haar die aangeboren kennis verried van koketterie, welke alle vrouwen bezitten van af haar eerste windselen tot aan haar bruidskleed. Louise scheen bovendien in het bijzonder de theorie der houdingen bestudeerd te hebben en nam voor Rodolphe, die haar met kunstenaarsoogen beschouwde, een reeks verleidelijke standen aan, die in hun gemaniereerdheid dikwijls meer gracieus dan natuurlijk waren: haar fijn geschoeide voetjes waren klein genoeg .... zelfs voor een romanticus, die Andalusische of Chineesche miniaturen als zijn ideaal beschouwt. Haar teere handen verrieden, dat zij niet aan werken gewoon waren. Inderdaad hadden zij in de laatste zes maanden de steken der naalden niet behoeven te vreezen. In het kort Louise was een van die trekvogeltjes, welke uit een gril en dikwijls uit noodzaak, haar nestje voor een dag of liever voor een nacht bouwen in de dakkamertjes van het Quartier latin en daar gaarne een paar dagen blijven, indien men ze door aardige invallen of zijden linten weet te binden.

Na een uurtje met Louise gepraat te hebben, wees Rodolphe haar als een navolgenswaardig voorbeeld den groep van Amor en Psyche.

„Zijn dat niet Paul en Virginie?” vroeg zij.

„Ja,” antwoordde Rodolphe, die haar niet dadelijk door een tegenspraak wilde krenken.

„Zij zijn goed nagemaakt,” vond Louise.

„O je!” dacht Rodolphe, terwijl hij haar aankeek, „het arme kind is weinig bedreven in de litteratuur. Ik ben er zeker van, dat zij alleen op de hoogte is van de orthographie van het hart, die geen en of s in het meervoud schrijft. Ik zal een grammatica voor haar koopen.”

Toen Louise erover klaagde, dat haar schoenen haar knelden, hielp hij haar voorkomend bij het uittrekken.

Plotseling ging het licht uit.

„Hè?” riep Rodolphe uit, „wie heeft de kaars uitgeblazen?”

Een vroolijke lach was het antwoord.

Enkele dagen later kwam Rodolphe op straat een van zijn vrienden tegen.

„Wat voer je toch uit?” vroeg deze hem. „We zien je heelemaal niet meer.”

„Ik maak huiselijke poëzie,” was Rodolphe’s antwoord.

De ongelukkige sprak de waarheid. Hij had aan Louise meer gevraagd dan het arme kind hem had kunnen geven. Als doedelzak had zij niet de tonen van een lier. Zij sprak, om zoo te zeggen, het patois der liefde en Rodolphe wilde er absoluut de salontaal van spreken. Daardoor begrepen zij elkaar nauwlijks.

Acht dagen later ontmoette Louise in hetzelfde danslokaal, waar zij Rodolphe voor het eerst gezien had, een blonden jongen man, met wien zij verscheidene malen danste en die haar na afloop van het bal naar zijn kamer meenam.

Het was een tweedejaarsstudent, die heel goed het proza van het pleizier sprak en mooie oogen en rinkelende zakken had.

Louise vroeg hem papier en inkt en schreef Rodolphe den volgenden brief:

„Reeken niet meer op mei, ik omhels je voor het laast. Adieu.

Louise.”

Toen Rodolphe ’s avonds bij zijn thuiskomst dien brief las, ging zijn licht plotseling uit.

„Kijk!” zeide hij nadenkend, „dat is de kaars, die ik den avond, dat Louise kwam, aangestoken heb: zij moest met onze liaison sterven. Als ik het vooruit geweten had, zou ik een langere genomen hebben,” voegde hij er half spijtig, half boos bij en hij legde het briefje van zijn maîtresse in een lade, die hij wel eens de catacomben van zijn liefde noemde.

Toen Rodolphe eenigen tijd later eens bij Marcel was, raapte hij, om zijn pijp aan te steken, een stuk papier van den grond op, waarop hij het schrift en de orthographie van Louise herkende.

„Ik heb een autograaf van dezelfde hand,” zeide hij tot zijn vriend; „maar er staan in den mijne twee fouten minder dan in die van jou. Bewijst dat niet, dat zij meer van mij hield dan van jou?”

„Dat bewijst, dat je een idioot bent!” antwoordde Marcel. „Blanke schouders en blanke armen hebben geen grammatica van noode.”


1 Greuze, volgens Diderot „le peintre des familles et des honnêtes gens”, is bekend door zijn sentimenteel-kokette meisjesfiguren; Gavarni daarentegen gaf aan die koketterie een meer overmoedige uitdrukking.

Hoofdstuk IV.

Ali-Rodolphe, of de Turk tegen wil en dank.

Door een ongastvrijen huisheer verbannen, leefde Rodolphe sedert eenigen tijd in meer dwalenden toestand dan de wolken en volmaakte zich, zoo goed hij kon, in de kunst zonder avondeten naar bed te gaan of te soupeeren zonder naar bed te gaan. Zijn kok heette het Toeval en hij logeerde meestal in het hotel: De Bloote Hemel.

Twee dingen echter verlieten Rodolphe te midden van al zijn tegenspoeden nooit: zijn goed humeur en het manuscript van „Le Vengeur”, een drama, dat een lijdensweg door alle Parijsche schouwburgen gemaakt had.

Op een goeden dag, toen Rodolphe ten gevolge van een al te fantastische danse macabre naar de „nor” gebracht was, stond hij plotseling tegenover een oom van hem, een zekeren mijnheer Monetti, kachelsmid, rookverdrijver en sergeant bij de garde nationale, dien hij in geen eeuwigheid gezien had.

Geroerd door de tegenspoeden van zijn neef, beloofde oom Moretti zijn positie te verbeteren. Wij zullen zien hoe, als de lezer tenminste niet opziet tegen een zes verdiepingen hooge klimpartij.

De leuning dus gepakt en naar boven. Oef! honderd vijf-en-twintig treden. Daar zijn we eindelijk boven. Nog een stap en wij zijn in de kamer, nog een en wij zouden er niet meer in zijn. Het is wat klein, maar het is hoog: en verder licht en lucht en uitzicht first class.

Het meubilair bestaat uit verschillende kachels in den vorm van een schoorsteen, twee haarden, spaarovens (vooral wanneer je er geen vuur in aanlegt), een dozijn aarden of ijzeren pijpen en een menigte verwarmingstoestellen; laten we, om den inventaris te sluiten, nog noemen, een aan twee in den muur geslagen spijkers bevestigde hangmat, een tuinstoel met een poot eraf, een kandelaar met een afdruipglaasje en verschillende andere kunst- en luxe voorwerpen.

Het tweede vertrek, het balcon, wordt gedurende het mooie seizoen door twee in potten staande dwerg-cypressen in een park veranderd.

Op het oogenblik, dat wij binnentreden, beëindigt de bewoner van die heerlijkheid, een jonge als een Turk uit een opéra comique gekleede jonge man, een maaltijd, waarbij hij, zooals de aanwezigheid van een ex-ham en een te voren volle flesch wijn verraadt, op snoode wijze de wet van den propheet schendt. Na afloop van den maaltijd strekt de jonge man zich op zijn Oostersch uit op den vloer en begint nonchalant een met J. G.1 gemerkte pijp te rooken. Terwijl hij zich geheel en al overgaf aan deze Aziatische gelukzaligheid, streelde hij van tijd tot tijd den rug van een prachtigen Newfoundlander, die ongetwijfeld die liefkoozing beantwoord zou hebben, als hij niet van terra cotta geweest was. Plotseling hoorde men op de gang geluid van stappen; de deur ging open en een man kwam binnen, die, zonder een woord te zeggen, recht op een der beide haarden, welke als secretaire dienst deed, toeliep, het deurtje van den oven openmaakte en er een rol papier uitnam, dat hij met groote aandacht ging lezen.

„Wat?” riep de pas binnengekomene met een sterk Piemonteesch accent; „heb je dat hoofdstuk over de luchtgaten nog niet af?”

„Neem me niet kwalijk, oom,” antwoordde de Turk, „het hoofdstuk over de luchtgaten is een van de interessantste van uw boek en vereischt een nauwkeurige studie. Ik ben bezig het te bestudeeren.”

„Maar, ellendeling, dat antwoordt je me iederen dag. En hoe ver ben je met het hoofdstuk over de vulkachels?”

„De vulkachel staat er goed voor. Maar van kachels gesproken, oom, als u me wat hout zoudt willen geven, zou ik er niets tegen hebben. Het is hier een klein Siberië. Ik heb het zoo koud, dat ik den thermometer zeker beneden nul zou laten dalen alleen door er naar te kijken.”

„Wat, heb je dien heelen takkebos al opgebruikt?”

„Neem me niet kwalijk, oom, er zijn takkebossen en takkebossen, en de uwe was al heel klein.”

„Ik zal een kolengruisblok boven laten brengen. Dat bewaart de warmte.”

„Daarom geeft het die zeker niet.”

„Nou dan,” zeide de Piemontees weggaande, „ik zal je wat talhout boven sturen. Maar morgen moet ik mijn hoofdstuk over de vulkachels hebben.”

„Wanneer ik vuur heb, zal ik daar beter vlam voor kunnen vatten,” zeide de Turk, terwijl de Piemontees de deur aan den buitenkant sloot.

Wanneer we een tragedie aan het schrijven waren, zou nu het oogenblik aangebroken zijn, om den vertrouwde te laten optreden. Hij zou Noureddin of Osman moeten heeten en op tegelijk bescheiden en beschermende wijze onzen held moeten naderen en hem zijn geheim ontlokken met deze verzen:

„Quel funeste chagrin vous occupe, seigneur?

À votre auguste front, pourquoi cette pâleur?

Allah se montre-t-il à vos desseins contraire?

Ou le farouche Ali, par un ordre sévère,

A-t-il sur d’autres bords, en apprenant vos vœux,

Éloigné la beauté qui sut charmer vos yeux?

Maar wij schrijven geen tragedie, en moeten het dus, al hebben wij eigenlijk een vertrouwde dringend noodig, zonder hem stellen.

Onze held is niet wat hij schijnt te zijn: de tulband maakt den Turk niet. Deze jonge man is onze vriend Rodolphe, die door zijn oom onder dak is gebracht, voor wien hij nu een „Handboek voor den Volmaakten Rookverdrijver” samenstelt. Mijnheer Monetti, die voor zijn kunst zeer geestdriftig was, had al zijn vrijen tijd gewijd aan de rookverdrijverij. Deze waardige Piemontees had voor zijn gebruik een stelregel gevonden, die bijna een pendant van dien van Cicero vormde, en in oogenblikken van grooten geestdrift riep hij uit: „Nascuntur poê .... liers”2. Op een goeden dag was deze waardige Piemontees, tot nut en stichting van de komende geslachten, op het denkbeeld gekomen een theoretischen codex te formuleeren van de grondbeginselen der kunst, in de praktische uitoefening waarvan hij uitblonk, en hij had, zooals wij gezien hebben, zijn neef uitverkoren, om zijn diepzinnige denkbeelden te gieten in een voor de menschheid begrijpelijken vorm. Rodolphe werd door hem gevoed, gelegerd enz. ... en zou na de voltooiing van het Handboek een gratificatie van honderd daalders krijgen.

Om zijn neef tot werken aan te sporen, had Monetti hem in de eerste dagen edelmoedig een voorschot van vijftig francs gegeven. Maar Rodolphe, die al in een jaar zoo’n groote som niet gezien had, was half waanzinnig van blijdschap in gezelschap van zijn daalders uitgegaan en bleef drie dagen onder water: den vierden kwam hij, van de zwaarte der looddeelen bevrijd, weer boven.

Monetti, die vurig verlangde zijn Handboek af te zien, daar hij hoopte er een brevet voor te krijgen, was bang voor nieuwe escapades van zijn neef. Om hem tot werken te noodzaken en hem te beletten uit te gaan, nam hij hem zijn kleeren af en gaf hem daarvoor in de plaats het kostuum, waarin we hem zooeven hebben aangetroffen.

Desniettegenstaande vorderde het beroemde Handboek slechts piano aan, daar Rodolphe te eenenmale de voor dit genre van litteratuur vereischte eigenschappen miste. De oom wreekte zich over die trage onverschilligheid ten opzichte der schoorsteenen door zijn neef een aantal kwellingen te laten ondergaan. Nu eens gaf hij hem slechts kleine maaltijden en meermalen liet hij hem zonder rooktabak.

Op een Zondag brak Rodolphe, na bloed en inkt over het beroemde hoofdstuk der luchtgaten gezweet te hebben, zijn pen, die hem in de vingers brandde, in tweeën en ging een wandeling maken in zijn park.

Maar als om hem te plagen en zijn lust nog meer te prikkelen, kon hij nergens heen kijken, of hij zag voor ieder raam iemand zitten rooken.

Op het vergulde balcon van een pasgebouwd huis kauwde een modegek in een kamerjapon tusschen zijn tanden een aristocratischen panatella. Een verdieping hooger joeg een artist den geurigen mist van Turksche tabak, die in een pijp met barnsteenen mondstuk brandde, voor zich uit. Voor het raam van een kroeg liet een dikke Duitscher zijn bier schuimen en blies met mechanischen regelmaat dikke wolken uit zijn Cudmer-pijp. Op straat kwamen zingend groepen werklieden met hun neuswarmers tusschen de lippen voorbij. En ook alle andere voetgangers, die de straat vulden, rookten.

„Helaas!” zuchtte Rodolphe, „behalve ik en de schoorsteenen van mijn oom, rookt op dit oogenblik alles in de schepping.

En met zijn voorhoofd op het hek van het balcon geleund, overdacht hij hoe bitter eigenlijk het leven was.

Plotseling hoorde hij beneden zich een helderen, lang aangehouden lach. Rodolphe boog zich wat voorover, om te zien, vanwaar die uitbarsting van vreugde kwam, en hij bemerkte, dat hij opgemerkt was door de bewoonster van de verdieping beneden hem: mademoiselle Sidonie, de jeune première van het Théâtre du Luxembourg.

Mademoiselle Sidonie kwam nu buiten op haar balcon en rolde met Castiliaansche handigheid lichte tabak, dien zij uit een geborduurden fluweelen tabakszak nam, in een blaadje dun papier.

„Wat een mooie tabakszak,” mompelde Rodolphe met contemplatieve bewondering.

„Wie is die Ali-Baba?” dacht op haar beurt mademoiselle Sidonie.

En zij zon op een voorwendsel om een gesprek aan te knoopen met Rodolphe, die van zijn kant niets liever wilde.

„Lieve God!” riep mademoiselle Sidonie uit, alsof zij tegen zichzelf sprak, „wat vervelend toch, nu heb ik geen lucifers.”

„Mademoiselle, wilt u mij toestaan u er een paar aan te bieden?” vroeg Rodolphe, terwijl hij een paar lucifers in een papiertje wikkelde en op het balcon liet vallen.

„Dank u zeer!” antwoordde Sidonie, terwijl zij haar sigaret aanstak.

„Mademoiselle ....” ging Rodolphe voort, „zou ik u in ruil voor den kleinen dienst, dien mijn goede engel mij toegestaan heeft u te bewijzen, u mogen vragen?...”

„Wat! Begint hij nu al te vragen!” dacht Sidonie, terwijl zij Rodolphe wat belangstellender opnam. „O, die Turken! Men zegt, dat zij wispelturig zijn, maar wel gezellige menschen. Spreek mijnheer!” zeide zij, terwijl zij naar Rodolphe opkeek; „wat wilt u?”

„O, mademoiselle, in naam der Christelijke barmhartigheid smeek ik u om wat tabak: in geen twee dagen heb ik gerookt. Eén pijp maar ....”

„Met alle genoegen, mijnheer .... Maar hoe moet ik dat doen? Neem de moeite om even een verdieping lager te komen.”

„Helaas, dat is mij niet mogelijk .... Ik ben opgesloten, maar mij blijft nog de vrijheid om een eenvoudig middel te gebruiken.”

En hij bond zijn pijp aan een touwtje en liet haar zakken op het balcon, waar mademoiselle Sidonie haar eigenhandig goed vol stopte, waarna Rodolphe haar, d. w. z. de pijp, weer langzaam en voorzichtig opheesch, wat zonder ongeval gelukte.

„O, mademoiselle,” zeide hij tot Sidonie, „wat zou die pijp mij nog lekkerder smaken, indien ik ze aan het vuur van uw oogen had kunnen aansteken.”

Deze aardige vleierij beleefde nu minstens haar honderdsten druk, maar mademoiselle Sidonie vond ze desniettemin prachtig.

„U vleit me,” meende ze te moeten antwoorden.

„Ah, mademoiselle, ik verzeker u, dat u mij even bevallig toeschijnt als de drie Gratiën!”

„Ali Baba is beslist zeer galant,” dacht Sidonie .... „Bent u werkelijk een Turk?” vroeg zij dan aan Rodolphe.

„Niet uit roeping,” antwoordde hij, „maar vi coactus;3 ik ben dramatisch auteur, madame.”

„En ik dramatische artiste,” antwoordde Sidonie.

Dan liet zij erop volgen:

„Wilt u, waarde buurman, mij de eer aandoen bij mij te komen dineeren en verder den avond door te brengen?”

„Helaas, mademoiselle, hoewel deze uitnoodiging den hemel voor mij opent, is het mij niet mogelijk haar aan te nemen. Zooals ik reeds de eer gehad heb u te zeggen, ben ik achter slot en grendel gezet door mijn oom, mijnheer Monetti, kachelsmid en rookverdrijver, wiens secretaris ik op dit oogenblik ben.”

„En toch zult u met mij dineeren,” antwoordde Sidonie; „let goed op: ik ga in mijn kamer en zal tegen mijn plafond kloppen. Op de plek, waar ik klop, moet u kijken, en u zult daar de sporen vinden van een kijkgat, een judas, dat daar vroeger was, maar nu sedert lang dicht gespijkerd is: tracht het stuk hout, dat het gat afsluit, te verwijderen, dan zullen we, hoewel ieder bij ons thuis, zoo goed als samen zijn ....”

Rodolphe zette zich dadelijk aan het werk. Na vijf minuten was er een verbinding tusschen de twee kamers tot stand gebracht.

„Helaas!” zeide Rodolphe; „het gat is wel klein, maar er is toch nog altijd ruimte genoeg, om u mijn hart er doorheen te kunnen reiken.”

„En nu,” zeide Sidonie, „gaan we eten. Dek bij je, dan zal ik u den schotel geven.”

Rodolphe liet aan een touwtje zijn tulband neer en heesch die, gevuld met eetwaren, weer op; daarna begonnen de dichter en de artiste samen, ieder aan zijn kant, te eten. Met zijn mond verslond Rodolphe de pastei, met zijn oogen mademoiselle Sidonie.

„Mademoiselle!” zeide Rodolphe na afloop van het diner; „dank zij u, is mijn maag thans bevredigd. Zoudt u niet eveneens den geeuwhonger van mijn hart, dat reeds zoo lang gevast heeft, willen stillen?”

„Arme jongen!” zuchtte Sidonie.

Dit zeggende, klom zij op een stoel en bracht tot aan de lippen van Rodolphe haar hand, die deze met kussen bedekte.

„Ach!” riep de jonge man uit; „hoe jammer dat u niet kunt doen als de Heilige Dionysius, die het recht had zijn hoofd in zijn handen te dragen.

Na het diner ontspon zich een erotisch-litterair gesprek. Rodolphe sprak over zijn „Vengeur” en mademoiselle vroeg hem haar het stuk voor te lezen. Over den rand van het gat gebogen, begon Rodolphe zijn drama voor te dragen voor de actrice, die, om beter te kunnen hooren, was gaan zitten op een fauteuil, welken zij op haar commode gezet had. Mademoiselle Sidonie vond „Le Vengeur” een meesterstuk en beloofde, daar zij in den schouwburg, waaraan zij verbonden was, tevens de eerste viool speelde, Rodolphe, dat zij zou zorgen, dat zijn stuk zou worden aangenomen.

Juist op het teederste oogenblik werd het gesprek gestoord door oom Monetti, wiens stap, licht als die van den commandeur,4 op den corridor klonk. Rodolphe had nog slechts juist den tijd, om den judas te sluiten.

„Daar!” zeide Monetti tot zijn neef, „hier heb je een brief, die je nu al een maand achterna loopt.”

„Laat eens zien!” zeide Rodolphe. „Oom!” riep hij na het lezen uit; „oom, ik ben rijk! Deze brief meldt me, dat ik een prijs van driehonderd francs gekregen heb van een Académie de Jeux floraux.5 Geef me gauw mijn jas en mijn bagage. Ik wil mijn lauweren gaan plukken. Men wacht mij op het Capitool!”

„En mijn hoofdstuk over de luchtgaten?” vroeg Monetti koud.

„Maar oom, die trekken nu niet meer! Geef me mijn kleeren. Ik kan in dit costuum niet op straat komen ....”

„Je gaat niet weg voor mijn Handboek af is,” zeide zijn oom, terwijl hij Rodolphe weer achter slot en grendel sloot.

Toen hij weer alleen was, aarzelde Rodolphe niet lang over wat hem te doen stond .... Hij bond een beddelaken, dat hij handig in een touwladder gemetamorphoseerd had, stevig aan zijn balcon en liet zich ondanks het gevaarlijke van de expeditie, met behulp van dien geïmproviseerden ladder op het balcon van mademoiselle Sidonie zakken.

„Wie is daar?” riep deze uit, toen zij Rodolphe tegen de ruiten hoorde tikken.

„Sstt!” antwoordde hij; „doe open ....”

„Wat wilt u? Wie bent u?”

„Hoe kunt ge dat nog vragen? Ik ben de dichter van Le Vengeur, en ik kom mijn hart halen, dat ik door den judas in uw kamer heb laten vallen.”

„Rampzalige!” zeide de actrice; „je hadt dood kunnen vallen!”

„Luister, Sidonie ....” ging Rodolphe voort en liet haar den brief zien, dien hij pas gekregen had. „Zooals je ziet, lachen de fortuin en de roem mij toe .... Moge de liefde dat ook doen!”


Den volgenden ochtend kon Rodolphe, dank zij een heerencostuum, dat Sidonie hem gegeven had, uit het huis van zijn oom ontsnappen .... Zijn eerste tocht was naar den vertegenwoordiger der Académie des Jeux floraux, om een gouden hondsroos in ontvangst te nemen ter waarde van honderd daalders, die bijna zoo lang leefden als de rozen plegen te leven.

Een maand later kreeg mijnheer Monetti van zijn neef een uitnoodiging voor de première van „Le Vengeur”. Dank zij het talent van mademoiselle Sidonie beleefde het stuk zeventien voorstellingen en bracht den schrijver veertig francs op.

Eenigen tijd later—het was toen zomer—woonde Rodolphe in de Avenue Saint-Cloud, boom No. 3 links van het Bois de Boulogne, tak No. 5.


1 Het fabriekstempel J. G. vindt men op kleine aarden pijpen, die voor twee sous verkrijgbaar zijn.

2 Cicero’s uitdrukking was: Nascuntur poetae (Dichters worden geboren). Poêlier, beteekent kachelsmid, rookverdrijver.

3 Door geweld gedwongen.

4 Persoon uit don Juan, die steeds geharnast was en dus zeer zwaar liep.

5 Letterkundige wedstrijden, waarbij de winnaars een gouden bloem, meestal een roos, krijgen.