Hoofdstuk V.

De Carolusdaalder.

Tegen het einde van December kreeg het personeel van de firma Bidault1 een honderd uitnoodigingsbrieven te bezorgen, waarvan hier een trouwe en eensluidende copie volgt:

„Mijnheer,

De heeren Rodolphe en Marcel verzoeken u hun de eer te bewijzen Zaterdag a. s., den dag vòòr Kerstmis, den avond bij hen door te brengen. Er zal gelachen worden.

P.S. Wij leven slechts eens in deze wereld!!”

Programma van het feest.

Zeven uur: Opening der salons; levendig en geanimeerd discours.

Acht uur: Entrée en wandeling door de salons van de geestige auteurs van de door het Odéon geweigerde comédie: „De barende berg.”

Acht en een half uur: „De invloed van het blauw in de kunsten”, nabootsende symphonie, voor te dragen door den beroemden pianist-componist Alexandre Schaunard.

Negen uur: Eerste lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel.

Negen en een half uur: Dispuut tusschen den hyperphysischen wijsgeer Gustave Colline en mijnheer Alexandre Schaunard over vergelijkende philosophie en meta-politiek. Om iedere lichamelijke botsing tusschen de twee tegenstanders te vermijden, worden ze beiden vastgebonden.

Tien uur: De heer Tristan, letterkundige, zal zijn eerste liefde vertellen. Alexandre Schaunard zal hem daarbij op den piano begeleiden.

Tien en een half uur: Tweede lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel.

Elf uur: Voordracht over een jacht op casuarissen door een buitenlandschen prins.

Tweede Deel.

Twaalf uur: Marcel, historieschilder, zal zich laten blinddoeken, en met krijt de ontmoeting van Napoleon en Voltaire in de Champs-Elysées op het doek improviseeren. Rodolphe zal eveneens een parallel improviseeren tusschen den schepper van „Zaïre” en dien van den slag bij Austerlitz.

Twaalf en een half uur: Nabootsing van de athletische spelen der 4de Olympiade door Gustave Colline in een kuisch déshabillé.

Een uur: Derde lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel en collecte ten bate van de tragische dichters, die in de toekomst broodeloos zullen zijn.

Twee uur: Begin der gezelschapspelen en samenstelling der quadrilles, die tot in den ochtend zullen worden voortgezet.

Zes uur! Zonsopgang en slotkoor.

Gedurende den geheelen duur van het feest zullen de ventilatoren werken.

N. B. Ieder, die verzen zal willen lezen of voordragen, wordt onmiddellijk uit de salons verwijderd en aan de politie overgeleverd; men wordt ook verzocht geen stukjes kaars mede te nemen.”

Twee dagen later circuleerden exemplaren van dien brief in de onderste lagen der litteratuur- en kunstwereld, en veroorzaakten daar niet weinig opzien.

Onder de genoodigden waren er echter eenigen, die de door de beide vrienden voorgespiegelde heerlijkheden in twijfel trokken.

„Ik vertrouw het zaakje niet heelemaal,” zeide een van die twijfelaars; „ik ben een paar maal op de Woensdagen van Rodolphe in de Rue de la Tour-d’Auvergne geweest, je kon er onmogelijk zitten en je dronk er een weinig gefiltreerd water uit bij elkaar gescharrelde potten en pannen.”

„Ditmaal,” zeide een ander, „moet het echter bittere ernst zijn. Marcel heeft mij een plan van het heele feest laten zien, en dat belooft een magisch effect.”

„Komen er ook dames?”

„Zeker Phémie Klad heeft gevraagd koningin van het feest te mogen zijn en Schaunard zal dames uit de groote wereld medebrengen.”

De oorsprong van dit feest, dat een zoo groote beroering in de Bohème-wereld, die aan gene zijde van de bruggen woont, veroorzaakte, was in het kort als volgt. Een jaar geleden ongeveer hadden Marcel en Rodolphe dit schitterende galafeest aangekondigd, dat steeds Zaterdag aanstaande moest plaats hebben; doch ten gevolge van allerlei moeilijke omstandigheden hadden zij reeds twee-en-vijftig maal dat „aanstaande” moeten verzetten, zoodat het eindelijk zoo ver gekomen was, dat de beide vrienden hun neus niet buiten de deur konden steken, zonder een stekelige opmerking te hooren van hun vrienden, waarvan er sommigen zelfs indiscreet genoeg waren om krachtig tegen zoo’n manier van doen te protesteeren. Daar de zaak langzamerhand op een fopperij begon te lijken, besloten de beide vrienden er een eind aan te maken, door zich van de verplichtingen, die zij op zich genomen hadden, te kwijten, en hadden zij derhalve de boven vermelde uitnoodiging verzonden.

„Nu kunnen we niet meer terug,” had Rodolphe gezegd; „we hebben onze schepen achter ons verbrand; we hebben nu nog acht dagen voor ons om de honderd francs te vinden, die we, om een dragelijk figuur te maken, beslist noodig hebben.”

„Als we ze noodig hebben, zullen we ze wel krijgen ook,” was Marcels antwoord geweest. En met het verwaten vertrouwen, dat zij hadden in het toeval, sliepen de twee vrienden in, vast overtuigd, dat hun honderd francs reeds op weg waren: den weg van het onmogelijke.

Doch toen den Donderdagavond voor het feest nog niets gearriveerd was, vond Rodolphe, dat het toch maar veiliger was het toeval een handje te helpen, wilden zij niet met beschaamde kaken staan, wanneer het uur sloeg om de kaarsen aan te steken. Voor het gemak wijzigden de beide vrienden langzamerhand de overdadige weelde van het door hen ontworpen programma.

Door die verschillende wijzigingen, o. a. het schrappen van het artikel: Gebak, het zorgvuldig herzien en verminderen van het artikel: Ververschingen, werd het totaal der onkosten tot vijftien francs teruggebracht.

Daarmede was het vraagstuk echter wel eenvoudiger gemaakt, doch niet opgelost.

„Maar,” zeide Rodolphe, „nu moeten we tot de uiterste middelen overgaan. We kunnen ditmaal in geen geval weer den datum verzetten.”

„Beslist onmogelijk.”

„Wanneer heb ik het laatst het verhaal van den slag bij Studzianka2 gehoord?”

„Een paar maanden geleden.”

„Twee maanden, prachtig, dat is een fatsoenlijke termijn; mijn oom kan zich waarachtig niet beklagen. Ik zal me morgen dan den slag bij Studzianka maar weer eens laten vertellen. Dat is vijf francs, die zeker binnenkomen.”

„En ik,” zeide Marcel, „zal een Burchtruïne aan den ouden Médicis gaan verkoopen. Dat maakt ook vijf francs en als ik tijd heb, om er nog drie torentjes en een molen bij te kladden, misschien wel tien; dan zijn we aan ons budget.”

En de twee vrienden gingen slapen en droomden, dat de prinses van Belgiojoso hun verzocht hun ontvangdagen te verzetten, om haar haar meest geziene gasten niet te ontnemen.

Den volgenden ochtend stond Marcel vroeg op, spande een nieuw doek en begon met ijver aan den bouw van een Burchtruïne, een artikel, dat hem steeds door een antiquiteiten-schacheraar op de place du Carrousel gevraagd werd. Intusschen ging Rodolphe een bezoek brengen aan zijn oom Monetti, die een matador was in het verhalen van den terugtocht uit Rusland, en aan wien Rodolphe vijf of zes maal per jaar, n.l. wanneer de geldnood erg nijpte, de voldoening schonk zijn veldtochten te vertellen in ruil voor een leening van wat geld, waartoe de veteraan-kachelsmid-rookverdrijver wel over te halen was, indien men bij het luisteren naar zijn verhalen slechts veel geestdrift wist te toonen.

Tegen twee uur ontmoette Marcel, die met gebogen hoofd en een doek onder zijn arm op de place du Carrousel liep, daar Rodolphe, die van zijn oom kwam; zijn geheele houding wees op slechte berichten.

„Nou,” zeide Marcel; „ben je geslaagd?”

„Neen, mijn oom is vandaag het museum in Versailles gaan kijken. En jij?”

„Die schaapskop van een Médicis wil geen Burchtruïnes meer; hij heeft me een Bombardement van Tanger gevraagd.”

„Onze reputatie is naar de maan, als we ons feest niet geven,” mompelde Rodolphe. „Wat moet onze vriend, de invloedrijke criticus, wel denken, als ik hem voor niets een witte das en gele handschoenen laat aantrekken?”

Ten prooi aan groote onrust gingen zij beiden naar het atelier terug.

Op dat oogenblik sloeg het op de pendule van een buurman vier uur.

„Wij hebben nog maar drie uur voor ons,” zeide Rodolphe.

„Maar,” riep Marcel, terwijl hij vlak bij zijn vriend kwam staan, „ben je er wel zeker van, dat er hier geen geld over is?....”

„Noch hier, noch elders. Waar zou dat saldo vandaan moeten komen?”

„Als we eens onder de meubels zochten .... in de fauteuils? Men beweert immers, dat de emigranten ten tijde van Robespierre hun geld verstopten. Wie weet!... Onze fauteuil is misschien het eigendom van een emigrant geweest; en bovendien is hij zòò hard, dat ik al eens meer gedacht heb, dat er metalen in zitten ... zouden we niet eens tot een lijkschouwing overgaan?”

„Dat is iets voor een klucht,” antwoordde Rodolphe op een toon, waarin tegelijk ernst en toegeeflijkheid lag.

Plotseling stiet Marcel, die zijn opgravingen in alle hoeken van het atelier had voortgezet, een luiden triomfkreet uit.

„Wij zijn gered!” riep hij uit; „ik wist wel, dat hier geldswaarde verborgen lag. Kijk maar!” en hij liet Rodolphe een geldstuk zien, zoo groot als een daalder en half verteerd door roest en kopergroen.

Het was een munt uit het tijdvak der Karolingers en niet zonder eenige kunstwaarde. Op het gelukkigerwijze gespaard gebleven inschrift kon men het jaartal van Karel den Groote lezen.

„Dat ding is nauwlijks dertig sous waard,” zeide Rodolphe met een minachtenden blik op de vondst van zijn vriend.

„Dertig sous, goed gebruikt, kunnen veel uitwerken,” antwoordde Marcel. „Met twaalfhonderd man heeft Napoleon tienduizend Oostenrijkers verslagen. Handigheid weegt tegen het getal op. Ik ga dadelijk den Carolusdaalder bij den ouden Médicis wisselen. Is er hier nog niet iets verkoopbaars? Waarachtig, als ik het gipsafgietsel van het scheenbeen van Jaconowski, den Russischen tamboer-majoor, eens meenam? Dat zou heel wat in het laadje brengen.”

„Neem het scheenbeen maar mee. Maar prettig is het allesbehalve. We hebben nu geen enkel kunstvoorwerp meer over.”

Tijdens Marcels afwezigheid ging Rodolphe, vast besloten de soirée, het mocht kosten wat het wilde, te geven, naar zijn vriend Colline, den hyperphysischen wijsgeer, die vlak in de buurt woonde.

„Ik kom je verzoeken,” zeide hij tegen hem, „mij een dienst te bewijzen. In mijn qualiteit van gastheer moet ik beslist een rok hebben, en .... ik heb er geen .... leen me de jouwe ....”

„Maar,” merkte Colline op, „in mijn qualiteit van gast heb ik mijn rok ook noodig.”

„Ik sta je toe in gekleede jas te komen.”

„Ik heb nooit een gekleede jas gehad, dat weet je even goed als ik.”

„Enfin, luister eens, we kunnen ook op een andere manier de zaak in orde brengen; jij zoudt niet op mijn soirée kunnen verschijnen en me je rok leenen.”

„Het is wel beroerd, maar dat gaat niet; ik sta op het programma en kan dus niet ontbreken.”

„Er zal nog heel wat meer ontbreken,” zeide Rodolphe. „Leen me je rok, en wanneer je beslist komen wilt, kom dan, zooals je het zelf het beste vindt.... voor mijn part in je hemdsmouwen .... dan kan je voor een trouwen dienaar doorgaan ...”

„Dat gaat niet,” zeide Colline blozend. „Ik zal mijn notenkleurige paletot aantrekken. Maar het heele zaakje is per slot van rekening een beroerde boel.”

En toen hij merkte, dat Rodolphe zich reeds van zijn beroemde rok meester gemaakt had, riep hij tegen hem:

„Maar wacht toch even .... Er zitten nog een paar kleinigheden in.”

De rok van Colline is een nadere beschouwing waard. In de eerste plaats was die rok volmaakt groen, en alleen uit gewoonte sprak Colline van zijn zwarte rok. En daar hij op dat oogenblik de eenige van de geheele troep was, die een rok bezat, hadden ook zijn vrienden de gewoonte aangenomen, om, wanneer zij van het officieele kleedingstuk van den wijsgeer spraken, zich te bedienen van de uitdrukking: de zwarte rok van Colline. Bovendien had dat beroemde kleedingstuk een zeer bijzonderen vorm, den meest bizarren, dien men zich denken kan: de zeer lange panden zaten n.l. aan een zeer korte taille en hadden twee zakken, ware afgronden, waarin Colline gewoon was een paar dozijn boeken, die hij altijd en eeuwig bij zich had, te bergen, wat zijn vrienden deed zeggen, dat de schrijvers en geleerden in den tijd, dat de bibliotheken gesloten waren, inlichtingen konden gaan inwinnen in de panden van Colline’s rok, een bibliotheek, die steeds geopend was.

Bij uitzondering bevatte Colline’s rok dien dag slechts een quarto-deel van Bayle, een verhandeling over hyperphysische krachten in drie deelen, een deel Condillac, twee deelen Swedenborg en Pope’s „Essai over den mensch.” Eerst toen hij zijn zak-bibliotheek had leeggeruimd, stond hij Rodolphe toe den rok aan te trekken.

„Hè,” zeide deze, „de linkerzak is nog aardig zwaar; je hebt er zeker nog iets in gelaten.”

„Dat is waar ook,” zeide Colline, „ik heb vergeten den vreemde-talen-zak leeg te maken. En hij haalde er twee Arabische grammatica’s uit, een Maleisch woordenboek en een „Volmaakte veedrijver” in het Chineesch, zijn geliefkoosde lectuur.

Toen Rodolphe weer thuis kwam, was Marcel met drie vijf francstukken aan het schijfwerpen. Het eerste oogenblik stiet Rodolphe de hand, die zijn vriend hem toestak, weg: hij geloofde aan een misdaad.

„Laten we ons haasten,” zeide Marcel .... „We hebben de benoodigde francs bijeen... Luister, hoe ik eraan gekomen ben: Bij den ouden Médicis trof ik een verzamelaar van antiquiteiten aan. Toen hij mijn munt zag, viel hij bijna flauw: dat was de eenige, die nog aan zijn collectie ontbrak. Hij had al in alle landen laten zoeken, om die leemte aan te vullen, en had reeds alle hoop op succes verloren. Hij aarzelde, toen hij mijn Carolusdaalder goed bekeken had, dan ook geen oogenblik om mij vijf francs te bieden. Médicis stiet mij met zijn elleboog aan, zijn blik vulde de rest aan. Hij wilde daarmede zeggen: „Laten we de buit samen deelen, dan bied ik hooger!” We zijn tot dertig francs gekomen. Daarvan heb ik er vijftien aan den Jood gegeven, en hier is de rest. Nu kunnen onze gasten komen; wij zijn nu in staat om hun oogen te verblinden. Maar hoe kom jij aan dien rok?”

„O,” zeide Rodolphe, „dien heb ik van Colline geleend.” En toen hij zijn zakdoek uit zijn zak wilde halen, liet hij een klein deeltje Mandsjoesch vallen, dat in den vreemde-talen-zak was blijven zitten.

De beide vrienden gingen nu dadelijk aan het werk. Het atelier werd in orde gebracht, de kachel aangemaakt; een met kaarsen voorziene schilderijlijst hingen ze bij wijze van kroonluchter aan den zolder; een bureau, dat als katheder voor de sprekers dienst moest doen, werd midden in het atelier geplaatst; daarvoor zetten zij hun eenigen fauteuil, waarop de invloedrijke criticus moest zitten, terwijl zij op een tafel alle aanwezige boeken: romans, gedichten en feuilletons, waarvan de schrijvers de soirée met hun tegenwoordigheid zouden vereeren, neerlegden. Ten einde alle mogelijke botsingen tusschen de verschillende variëteiten letterkundigen te vermijden, was het atelier verdeeld in vier afdeelingen, aan den ingang waarvan men op inderhaast vervaardigde borden lezen kon:

Dichters Romantici
Prozaschrijvers Classici

Voor de dames was een ruimte in het midden vrijgelaten.

„Alles is in orde, maar er ontbreken stoelen,” zeide Rodolphe.

„O,” antwoordde Marcel, „er staan er verscheidene op het trapportaal, maar die staan vast aan den muur. Als we die eens los maakten!”

„Dat zal wel dienen,” meende Rodolphe, terwijl hij zich meester ging maken van de stoelen, die aan den een of anderen buurman behoorden.

Het sloeg zes uur; de twee vrienden gingen vlug dineeren en kwamen weer gauw terug, om met de verlichting der salons te beginnen. Om zeven uur kwam Schaunard, vergezeld door drie dames, die haar diamanten en hoeden bij vergissing thuis gelaten hadden. Een van haar had een rooden omslagdoek met zwarte vlekken om. Schaunard maakte Rodolphe op haar speciaal opmerkzaam.

„Dat is een echte vrouw van de wereld,” zeide hij, „een Engelsche, die door den val der Stuarts in ballingschap is moeten gaan; zij leeft zeer eenvoudig en bescheiden van wat haar Engelsche lessen haar opbrengen. Haar vader is onder Cromwell kanselier geweest, zooals zij mij verteld heeft; je moet beleefd tegen haar zijn en haar niet te veel tutoyeeren.”

Inmiddels lieten zich op de trap talrijke stappen hooren—de gasten kwamen; zij waren erg verbaasd, toen zij vuur in den kachel zagen.

Rodolphe’s rok ging de dames tegemoet en kuste haar met achttiende-eeuwsche gratie de hand; toen er ongeveer twintig gasten waren, vroeg Schaunard, of er nog niets rondgediend moest worden.

„Dadelijk,” antwoordde Marcel; „we wachten op de komst van den invloedrijken criticus, om den punch aan te steken.”

Om acht uur waren alle genoodigden aanwezig, waarna een aanvang met het programma gemaakt werd. Tusschen de verschillende nummers werden er ververschingen aangeboden; wat, daar is men nooit precies achter kunnen komen.

Tegen tien uur zag men het gele vest van den invloedrijken criticus verschijnen; hij bleef maar een uur en was matig in het gebruik der „ververschingen”.

Toen er tegen middernacht geen hout meer was en het aardig koud begon te worden, lootten de gasten, die zaten, wie zijn stoel in het vuur zou werpen.

Om een uur stond iedereen.

Toch bleef er onder de gasten een aangename, opgewekte stemming heerschen. Er viel geen enkel ongeval te betreuren, behalve een winkelhaak in den vreemde-talen-zak van Colline’s rok en een klap, dien Schaunard aan de dochter van den kanselier van Cromwell toediende.

Acht dagen lang was deze gedenkwaardige soirée het onderwerp van gesprek in het stadsdeel; en Phémie Klad, die de koningin van het feest geweest was, placht, wanneer zij er met haar vriendinnen over sprak, te zeggen:

„Het was er prachtig; er waren zelfs waskaarsen.”


1 Met het personeel van de firma Bidault (den toenmaligen postdirecteur) worden de brievenbestellers bedoeld.

2 Een gefingeerde naam.

Hoofdstuk VI.

Mademoiselle Musette.

Mademoiselle Musette was een knap meisje van twintig jaar, die kort na haar komst te Parijs dat geworden was, wat knappe meisjes worden, wanneer zij een mooie taille, veel coquetterie, een weinig eerzucht en in het geheel geen orthographie bezitten. Nadat zij langen tijd de vreugde had uitgemaakt der soupers van het Quartier Latin, waar zij met altijd frissche, hoewel niet steeds zuivere stem een groot aantal landelijke liedjes zong, die haar den naam gaven, waaronder de beste rijmsmeden haar sedert gevierd hebben, verliet mademoiselle Musette plotseling de Rue de la Harpe, om de aan Venus gewijde hoogten van het Quartier Bréda te gaan bewonen.

Al heel spoedig werd zij een der toonaangeefsters van de aristocratie van het genot en langzamerhand kwam zij tot die beroemdheid, welke daarin bestaat, dat men in de Parijsche couranten genoemd wordt of bij alle kunsthandelaars uitgestald staat.

En toch was mademoiselle Musette een uitzondering onder de vrouwen, in wier midden zij leefde. Evenals alle ware vrouwen was zij van nature elegant en dichterlijk en hield zij van luxe en van alle genietingen, die daarvan het gevolg zijn; in haar coquetterie had zij een gloeiend verlangen naar al wat mooi en voornaam was, en zij zou, hoewel zij een dochter uit het volk was, volstrekt niet misplaatst geweest zijn te midden van de koninklijkste pracht en pronk. Doch mademoiselle Musette, die zelf jong en knap was, zou er nooit in toegestemd hebben de maîtresse te worden van een man, die niet eveneens jong en knap zou zijn. Men had haar dan ook eens de prachtige aanbiedingen hooren weigeren van een grijsaard, die zoo rijk was, dat hij de Croesus van de Chaussée-d’Antin genoemd werd, en aan Musette gouden bergen beloofd had. Intelligent en geestig als zij was, kon zij evenmin dwazen en fatten uitstaan, hoe ook hun leeftijd, hun titel en hun naam was.

Musette was dus een flink, knap meisje, dat in liefdesaangelegenheden de helft van Champforts beroemd aphorisme: „De liefde is de uitwisseling van twee phantasieën” tot het hare maakte.1 Haar liaisons werden dan ook nooit voorafgegaan door een van die schandelijke koopcontracten, welke de tegenwoordige galanterie onteeren. Zij speelde, zooals zij zelf zeide, altijd een eerlijk en open spel, en eischte, dat men haar oprechtheid met dezelfde munt terugbetaalde.

Maar al waren haar neigingen heftig en spontaan, toch waren zij nooit duurzaam genoeg, om te stijgen tot de hoogte van een hartstocht. De buitensporige onbestendigheid van haar grillen en de groote onverschilligheid, die zij had voor de beurzen en spaarpenningen van hen, die haar het hof maakten, brachten een even buitensporige onbestendigheid in haar bestaan, dat een eeuwigdurende wisseling was tusschen eigen equipage en omnibus, tusschen bel-étage en vijfde verdieping, zijden japonnen en katoenen rokjes. Bekoorlijk meisje, levend gedicht van jeugd met uw helderen lach en vroolijk lied! Medelijdend hart, dat onder het even-geopende boezemlijfje voor iedereen klopt! mademoiselle Musette, zuster van Bernerette en Mimi Pinson!2 Ik zou de pen van Alfred de Musset moeten hebben, om uw zorgelooze zwerftochten op de bloeiende paden der jeugd naar waarde te verhalen; en zeker zou hij u ook hebben willen bezingen, indien hij, evenals ik, u met uw lieve, valsche stem dit ongekunstelde couplet uit een van uw lievelingsliederen had hooren voordragen:

C’était un beau jour de printemps

Que je me déclarai l’amant,

L’amant d’une brunette

Au cœur de Cupidon,

Portant fine cornette

Posée en papillon.

De geschiedenis, die wij nu gaan vertellen, is een der bekoorlijkste episoden uit het leven van deze bekoorlijke gelukzoekster, die zich aan het oordeel der wereld al heel weinig gelegen liet.

Ten tijde, dat zij de maîtresse was van een jongen staatsraad, die haar galant den sleutel van zijn erfdeel in handen gegeven had, placht mademoiselle Musette eens per week een soirée te geven in haar aardig klein salonnetje in de rue de la Bruyère. Deze avondpartijen geleken op de meeste Parijsche soirées, met dit verschil, dat de gasten zich hier werkelijk amuseerden; wanneer er niet genoeg ruimte was, ging de een op den schoot van den ander zitten; en meermalen gebeurde het, dat twee uit hetzelfde glas dronken. Rodolphe, die de vriend van Musette was en die nooit iets anders dan haar vriend was (zij hebben geen van beiden ooit geweten, waarom), vroeg Musette op een goeden dag, of hij zijn vriend Marcel niet eens mocht medebrengen—„een talentvollen jongen”, zeide hij, „voor wien de toekomst bezig is een rok van de Académie te borduren.”

„Breng hem maar mee,” antwoordde Musette.

Den avond nu, dat zij samen naar Musette zouden gaan, ging Rodolphe Marcel afhalen. De kunstenaar was bezig zijn toilet te maken.

„Wat?” vroeg Rodolphe, „wil jij met een gekleurd overhemd in gezelschap verschijnen?”

„Kwetst dat dan de etiquette?” zeide Marcel kalm.

„Of het die kwetst? Tot bloedens toe, ongelukkige.”

„Bliksems!” vloekte Marcel met een blik op zijn overhemd, waar op een blauwen achtergrond wilde zwijnen door een troep honden vervolgd werden; „ik heb hier geen ander. Enfin, ik weet er niets anders op dan dat ik een vadermoorder aantrek; niemand zal dan de kleur van mijn overhemd zien, daar ik Methusalem tot mijn hals kan toeknoopen.”

„Wat?” zeide Rodolphe ongerust, „trek je Methusalem weer aan?”

„Ik moet wel!” was Marcels antwoord. „God wil het, en mijn kleermaker ook; trouwens er zijn pas nieuwe knoopen aangezet, en ik heb hem pas met Frankfurter zwart opgeknapt.”

Methusalem was de rok van Marcel; hij noemde dien zoo, omdat het de doyen van zijn garde-robe was. Methusalem was naar de laatste mode van vier jaar geleden en schreeuwend groen van kleur. Marcel echter beweerde, dat hij er bij kunstlicht zwart uitzag.

Vijf minuten later was Marcel met zijn toilet klaar; hij was met den meest volkomen slechten smaak gekleed: precies een kladschilder, die voor het eerst in de wereld gaat.

Mijnheer Casimir Bonjour zal den dag, waarop men hem zal komen vertellen, dat hij tot lid van het Instituut gekozen is, nooit zoo verwonderd kunnen zijn als Marcel en Rodolphe waren, toen zij bij het huis van mademoiselle Musette kwamen. Ziehier de reden van hun verbazing: mademoiselle Musette, die sedert eenigen tijd met haar vriend den staatsraad gebrouilleerd was, was op een zeer kritiek oogenblik door hem in den steek gelaten. In opdracht van haar schuldeischers en van haar huisbaas waren haar meubels in beslag genomen en naar beneden gebracht, om den volgenden dag weggehaald en verkocht te worden. Niettegenstaande dit incident kwam het in Musette geen oogenblik op haar gasten in den steek te laten of de soirée af te zeggen. Met den meesten ernst liet zij de binnenplaats in een salon veranderen, legde zelf een tapijt op de steenen, maakte alles zooals gewoonlijk in orde, kleedde zich om haar gasten te ontvangen en noodigde al de medebewoners van het huis op haar klein feestje, ter opluistering waarvan de goede God voor een mooie illuminatie zorgde.

Deze grap had een groot succes, nooit had er op de soirées van Musette zoo’n prettige en opgewekte toon geheerscht; er werd nog gezongen en gedanst, toen de witkielen de meubels, tapijten en divans kwamen halen en daardoor het gezelschap noodzaakten weg te gaan.

Musette deed al haar gasten uitgeleide met het gezang:

„On en parlera longtemps, la ri ra,

De ma soirée de jeudi;

On en parlera longtemps, la ri ri.

Slechts Marcel en Rodolphe bleven bij Musette, die naar haar kamer gegaan was, waar alleen het bed nog maar stond.

„Hè,” zeide Musette; „ik vind nu mijn avontuur lang zoo aardig niet meer; ik zal in het hotel De Bloote Hemel moeten gaan logeeren; ik ken het heel goed, het kan er zoo gemeen tochten.”

„O, mevrouw,” zeide Marcel, „als ik de rijkdommen van Plutus bezat, dan zou ik u een tempel, schooner dan die van Salomo, aanbieden, maar ...

„Ge zijt geen Plutus, vriendlief. Maar dat is minder, ik ben je toch dankbaar voor je goede bedoeling .... Maar kom!” voegde zij eraan toe, terwijl zij haar blik door de kamer liet gaan; „ik verveelde me hier, en bovendien werd het meubilair oud; ik heb het nu al bijna zes maanden. Maar dat is niet alles; na het bal wordt er toch gesoupeerd, en ik zou graag wat consumeeren.”

„Laten we dan consou-peeren,” zeide Marcel, die aan een woordspelingziekte leed, welke vooral in de ochtenduren zich deed gelden.

Daar Rodolphe ’s avonds bij het lansquenetspel een klein sommetje gewonnen had, nam hij Musette en Marcel mede naar een restaurant, dat juist geopend was.

Na het déjeuner besloten zij, daar zij volstrekt geen lust hadden te gaan slapen, den dag in het vrije veld te gaan doorbrengen; en daar zij vlak bij een station waren, stapten zij in den eersten den besten trein, die vertrok, en reden naar Saint-Germain.

Den geheelen dag liepen zij door de bosschen; eerst tegen zeven uur in den avond kwamen zij in Parijs terug. Marcel hield stok en stijf vol, dat het pas half een en de donkerte het gevolg van de bedekte lucht was.

Gedurende de geheele soirée en de rest van den dag was Marcel, wiens hart als buskruit was, dat een enkele blik deed ontbranden, steeds verliefder geworden op Musette en had haar het hof gemaakt „in alle kleuren”, zooals hij tegen Rodolphe zeide. Ja, hij was zelfs zoo ver gekomen, dat hij het knappe meisje had voorgesteld een nog mooier meubilair voor haar te koopen dan het oude; hij zou er zijn beroemde schilderij „De doortocht door de Roode Zee” voor verkoopen. Met angst en beven zag hij dan ook het oogenblik naderen, waarop hij zou moeten scheiden van Musette, die, hoewel zij zich haar handen, hals en toebehooren liet kussen, hem telkens, wanneer hij door middel van inbraak in haar hart trachtte te dringen, zachtjes van zich af stiet.

Zoodra zij in Parijs terug waren, had Rodolphe zijn vriend met het jonge meisje alleen gelaten, dat hem nu vroeg haar naar huis te brengen.

„Wilt u mij toestaan, dat ik u kom bezoeken?” vroeg Marcel. „Ik zou graag uw portret schilderen.”

„Maar beste jongen,” antwoordde Musette; „ik kan je mijn adres niet geven, omdat ik dat morgen misschien niet meer heb; maar ik zal bij jou komen en je rok verstellen, waar zoo’n gat in zit, dat je er, zonder betalen, door zoudt kunnen verhuizen.”

„Ik zal op u wachten als op den Messias,” zeide Marcel.

„Maar niet zoo lang,” was Musette’s lachend antwoord.

„Wat een bekoorlijk schepseltje,” zeide Marcel tot zichzelf, terwijl hij langzaam verder liep; „de godin der vroolijkheid. Ik zal twee gaten in Methusalem maken.”

Hij was nog geen dertig pas verder, toen hij zich op zijn schouder voelde kloppen: het was mademoiselle Musette.

„Beste mijnheer Marcel!” zeide zij; „is u een Fransch ridder?”

„Dat ben ik. Rubens en mijn dame, luidt mijn devies.”

„Welnu, leen dan het oor aan mijn kommer en erbarm u mijner, edele heer,” ging Musette verder, die een weinig in de litteratuur bedreven was, hoewel zij met de grammatica op zeer gespannen voet leefde; „de huisbaas heeft den sleutel van mijn kamer meegenomen, en het is elf uur: begrijp je?”

„Natuurlijk,” zeide Marcel en bood Musette zijn arm aan. Hij nam haar mede naar zijn op den Quai aux Fleurs gelegen atelier.

Hoewel Musette bijna omviel van slaap, had zij toch nog kracht genoeg om te zeggen:

„Vergeet niet, wat je me beloofd hebt.”

„O Musette, bekoorlijk wezen,” zeide de artist met eenigszins ontroerde stem; „ge zijt hier onder een gastvrij dak; slaap in vrede, goeden nacht! Ik ga heen.”

„Waarom?” vroeg Musette, wier oogen bijna dicht vielen; „ik ben heusch niet bang; en dan zijn er toch twee kamers, ik zal op je canapé gaan slapen.”

„Mijn canapé is te hard, om erop te slapen; het lijkt wel, of hij met keisteenen opgemaakt is. Ik verleen u gastvrijheid bij mij en ga die vragen aan een vriend, die hier op dezelfde verdieping woont .... dat is verstandiger. Ik houd gewoonlijk wel mijn woord; maar ik ben twee-en-twintig en gij achttien, Musette .... ik ga. Goeden nacht.”

Den volgenden ochtend om acht uur kwam Marcel met een bloempot, dien hij op de markt gekocht had, weer op zijn kamer. Hij vond Musette, die zich geheel gekleed op bed geworpen had, nog slapende. Door het leven, dat hij maakte, werd zij wakker en stak Marcel haar hand toe.

„Brave jongen!” zeide zij.

„Brave jongen!” herhaalde Marcel, „is dat niet synoniem met: belachelijke dwaas?”

„O, hoe kan je dat zeggen!” viel Musette hem in de rede; „dat is niets aardig van je; geef me liever dien mooien pot met bloemen, in plaats van dergelijke onaardige dingen naar mijn hoofd te werpen.”

„Alleen met dat doel heb ik hem hier gebracht,” zeide Marcel. „Aanvaard hem dus en zing, als dank voor mijn gastvrijheid, een van je aardige liedjes voor mij; de echo van mijn dakkamertje zal misschien iets van uw stem bewaren, zoodat ik u nog kan hooren, wanneer ge weer weg zijt.”

„Zoo, dus je wilt me wegsturen?” vroeg Musette. „En als ik nu eens niet weg wil? Luister eens, Marcel, ik neem geen blaadje voor mijn mond, om te zeggen wat ik denk. Jij valt in mijn smaak en ik in den jouwe. Dat is nog geen liefde, maar het is er misschien de kiem van. Welnu, ik ga niet weg; ik blijf hier en zal hier blijven zoolang als de bloemen, die je me daarnet gegeven hebt, niet verwelkt zijn.”

„Ach!” riep Marcel uit, „maar dat zijn ze binnen twee dagen. Had ik dat geweten, dan had ik immortellen gekocht.”


Veertien dagen woonden Musette en Marcel al samen en leidden, hoewel zij dikwijls zonder geld zaten, het heerlijkste leven der wereld. Musette voelde voor Marcel een toegenegenheid, die niets gemeen had met haar vroegere verliefdheden, en Marcel begon bang te worden, dat hij werkelijk van zijn maîtresse zou gaan houden. Daar hij echter niet wist, dat zij harerzijds hetzelfde vreesde, keek hij iederen ochtend naar de bloemen, wier afsterven het einde van hun liaison zou beteekenen, en trachtte hij zich te verklaren, hoe zij iederen morgen opnieuw weer zoo frisch waren. Doch weldra vond hij den sleutel van het mysterie: toen hij op een goeden nacht wakker werd, zag hij Musette niet naast zich. Hij stond op, liep naar de kamer en vond daar zijn geliefde, die iederen nacht tijdens zijn slaap de bloemen begoot, om op die manier het verwelken tegen te gaan.


1 De tweede helft luidt... „en de aanraking van twee opperhuiden.”

2 Zie de beide novellen van de Musset: „Frédéric et Bernerette” en „Mademoiselle Mimi Pinson.”

Hoofdstuk VII.

De golven van den Pactolus.1

Het was 19 Maart .... En al zou Rodolphe zoo oud worden als Raoul-Rochette, die Ninive heeft zien bouwen, nooit zal hij dien datum vergeten, want juist op dien aan St. Joseph gewijden dag, des namiddags om drie uur verliet onze vriend het kantoor van een bankier, waar hij een som van vijfhonderd francs in klinkenden, gangbaren munt uitbetaald gekregen had.

Het eerste gebruik, dat Rodolphe van dit in zijn zak terecht gekomen stukje van Peru maakte, bestond hierin, dat hij zijn schulden niet betaalde, en wel omdat hij zichzelf plechtig beloofd had voortaan spaarzaamheid te betrachten en geen extra- of overbodige uitgaven te doen. Hij had trouwens op dit punt zeer vaststaande denkbeelden en beweerde dan ook, dat men, alvorens te denken aan het overbodige, eerst voor het noodzakelijke zorgen moest; daarom betaalde hij zijn schuldeischers niet en kocht een Turksche pijp, die reeds sedert lang zijn begeerte had opgewekt.

Met dit kostbare voorwerp gewapend, ging hij naar de woning van zijn vriend Marcel, bij wien hij reeds sedert eenigen tijd logeerde. Toen hij het atelier binnenkwam, luidden zijn zakken als de klokken van een dorpstoren op een hoogen feestdag. Toen Marcel dit ongewone geluid hoorde, dacht hij, dat het een van zijn buurlieden was, een verwoed beurs-speculant, die zijn agio-winst de revue liet passeeren, en hij mompelde:

„Daar begint die intrigant van hiernaast weer met zijn epigrammen. Als dat nog lang zoo duurt, ga ik verhuizen. Het is niet mogelijk onder zoo’n lawaai te werken. Je zoudt waarachtig lust krijgen, om de kunst aan den kapstok te hangen en straatroover te worden.”

En zonder in de verste verte te vermoeden, dat zijn vriend Rodolphe in een Croesus veranderd was, ging Marcel verder werken aan zijn „Doortocht door de Roode Zee,” waaraan hij nu al drie jaar bezig was.

Rodolphe, die nog geen woord gezegd had en een proef bedacht, die hij met zijn vriend wilde nemen, zeide tot zichzelf: „We zullen dadelijk lachen, dat zal een jolige boel worden.” En hij liet een vijffrancstuk vallen.

Marcel keek op en staarde Rodolphe aan, die even ernstig was als een artikel uit de „Revue des deux Mondes”.

De kunstenaar raapte het geldstuk met een zeer voldaan gebaar op en bereidde het een zeer vriendelijke ontvangst, want, hoewel hij een kleurenmenger was, kende hij toch zijn wereld en was steeds zeer beleefd tegenover vreemdelingen. Daar hij bovendien wist, dat Rodolphe uitgegaan was, om te trachten wat geld te krijgen, beperkte hij, nu hij zag, dat zijn vriend daarin geslaagd was, zich ertoe het resultaat te bewonderen, zonder hem te vragen met behulp van welke middelen het verkregen was.

Zonder een woord te zeggen, begon hij weer aan zijn werk en ging voort een Egyptenaar in de golven der Roode Zee te verdrinken. Terwijl hij bezig was dien moord te plegen, liet Rodolphe een tweede vijffrancstuk vallen. En terwijl hij heimelijk keek naar het gezicht, dat zijn vriend zou trekken, begon hij in zijn vuistje te lachen.

Bij den helderen klank van het metaal sprong Marcel als door een electrischen schok getroffen, plotseling op en riep uit:

„Wat? Heeft dat lied een tweede couplet?”

Een derde stuk rolde over den vloer, toen nog een en nog een; ten slotte danste er een heele quadrille daalders in de kamer rond.

Marcel begon zichtbare teekenen van zinsverbijstering te geven en Rodolphe lachte als het parterre van het Théâtre Français bij de eerste opvoering van „Johanna van Vlaanderen”. Plotseling en zonder eenige omzichtigheid greep Rodolphe met volle handen in zijn zakken en begonnen de daalders een fabelachtigen steeple chase. Het was als een overstrooming van den Pactolus, als het bacchanaal van Juppiter bij Danaë.

Marcel stond onbeweeglijk, stom, met starre oogen; de verbazing veroorzaakte bij hem een metamorphose, als die, welke de nieuwsgierigheid vroeger de vrouw van Loth had doen ondergaan; en toen Rodolphe zijn laatste rol van honderd francs op den grond smeet, was de artist aan een kant van zijn lichaam reeds geheel verzout.

Rodolphe stond nog steeds te lachen. En bij die stormachtige vroolijkheid zou het gedonder van een orkest van Sax2 zoo iets als het gezucht van een kind aan de moederborst geweest zijn.

Verblind, ademloos en verstomd van ontroering dacht Marcel, dat hij droomde; en om de nachtmerrie, die zijn borst benauwde, te verjagen, beet hij zich tot bloedens toe in zijn vinger, wat hem zoo’n pijn deed, dat hij het uitschreeuwde. Toen merkte hij, dat hij klaar wakker was; en al dat goud aan zijn voeten ziende, riep hij als een treurspelheld uit:

„Mag ik mijn oogen gelooven?”

En dan de hand van Rodolphe in de zijne nemend:

„Geef mij de verklaring van dit mysterie!”

„Als ik die gaf, zou het er geen meer zijn!”

„Maar hoe dan....?”

„Dit goud is de vrucht van mijn zweet,” zeide Rodolphe, terwijl hij het geld opraapte, dat hij op een tafel opstapelde! Dan ging hij een paar stappen achteruit, keek met eerbied naar de vijfhonderd francs en dacht:

„Nu zal ik dus mijn droomen kunnen verwezenlijken.”

„Dat zal niet ver van de zesduizend francs af zijn,” dacht op zijn beurt Marcel met een blik op de daalders, die op de tafel stonden te trillen. „Daar kom ik op een goed idée. Ik zal Rodolphe vragen mijn „Doortocht door de Roode Zee” te koopen!”

Plotseling nam Rodolphe een theatrale houding aan en met groote plechtigheid in gebaar en stem zeide hij:

„Luister eens, Marcel; het fortuin, dat ik hier voor uw oogen heb laten schitteren, is niet het resultaat van lage handelingen, ik heb niet met mijn pen gesjacherd, ik ben rijk, maar op mijn naam kleeft geen smet; een edelmoedige hand heeft mij dat goud gegeven, en ik heb een plechtige belofte afgelegd, om het te gebruiken ten einde mij door mijn werk een positie te verschaffen, die een ernstig man waardig is. De arbeid is de heiligste der plichten.”

„En het paard het edelste der dieren,” viel Marcel hem in de rede. „Maar waar wil je eigenlijk heen? Wat bedoel je met die woorden? Waar haal je dat proza vandaan? Zeker uit de steengroeven der school van het gezond verstand?”

„Val mij niet in de rede en scheid uit met je flauwe spotternijen,” zeide Rodolphe; „zij zouden trouwens toch afstuiten op het harnas van een onkwetsbaren wil, waarmede ik in het vervolg gepantserd ben.”

„Nou is de proloog lang genoeg. Waar wou je eigenlijk op neer komen?”

„Luister naar mijn plannen: Gevrijwaard tegen de materieele zorgen des levens, wil ik ernstig aan het werk gaan; ik zal mijn meesterwerk voltooien en mij voor goed naam maken. In de eerste plaats breek ik met de Bohème-manieren, ik kleed mij zooals iedereen, koop een rok en ga de salons frequenteeren. Indien je denzelfden weg bewandelen wilt, zullen we samen kunnen blijven wonen, maar je zult mijn programma moeten aanvaarden. De strengste spaarzaamheid zal ons bestaan moeten beheerschen. Wanneer wij goed onze maatregelen weten te nemen, kunnen we drie maanden ongestoord en onbekommerd werken. Maar daarvoor is oeconomie noodig.”

„Beste vriend,” zeide Marcel, „de oeconomie is een wetenschap, die alleen onder het bereik van de rijken valt, zoodat jij en ik er zelfs de grondbeginselen niet van kennen. Maar met een uitgave van zes francs zouden wij de werken kunnen koopen van Jean-Baptiste Say, een uitstekend oeconoom, die ons misschien de manier, om die kunst praktisch te beoefenen, zal kunnen leeren... Maar wat zie ik, heb je daar een Turksche pijp?”

„Ja,” zeide Rodolphe: „die heb ik voor vijf-en-twintig francs gekocht.”

„Wat, jij geeft vijf-en-twintig francs uit voor een pijp .... en durft dan nog van oeconomie te praten?”

„Dat is zeer zeker oeconomie,” antwoordde Rodolphe; „ik brak iederen dag een pijp van twee sous; aan het eind van een jaar maakt dat een uitgave, die heel wat grooter is dan die, welke ik nu gedaan heb .... Het is dus in werkelijkheid een besparing.”

„Waarachtig,” zeide Marcel; „je hebt gelijk, daar zou ik nooit op gekomen zijn.”

Op dat oogenblik sloeg het zes uur.

„Laten we nu gauw gaan dineeren,” zeide Rodolphe; „ik wil vanavond nog met de uitvoering van mijn plan beginnen. Maar van eten gesproken, daar valt me iets in: wij verliezen iederen dag kostbaren tijd met het klaarmaken van ons diner. De tijd echter is de rijkdom van den arbeider, wij moeten er dus zuinig mede zijn. Met vandaag te beginnen gaan we buitenshuis eten.”

„Uitstekend,” zeide Marcel; „twintig pas hier vandaan is een uitstekend restaurant; het is er wel een beetje duur; maar daar het vlak bij is, behoeven we niet ver te loopen en verdienen we aan tijd wat we aan geld uitgeven.”

„Vandaag zullen we nog gaan,” zeide Rodolphe; „maar morgen of overmorgen zullen we nog oeconomischer maatregelen toepassen .... In plaats van naar een restaurant te gaan, zullen we een keukenmeid nemen.”

„Neen, neen!” viel Marcel hem in de rede; „laten we liever een knecht nemen, die tevens voor kok fungeeren kan. Bedenk eens welke groote voordeelen daaruit zullen kunnen voortvloeien. In de eerste plaats zal ons huishouden steeds in orde zijn: hij kan onze schoenen poetsen, mijn penseelen uitwasschen, onze boodschappen doen; ik zal zelfs probeeren hem wat smaak voor de schoone kunsten bij te brengen, dan kan hij mijn leerling worden. Op die manier sparen we met ons beiden per dag minstens zes uur uit, die we nu besteden aan allerlei onnoodige bezigheden, welke ons in ons werk hinderen.”

„Wacht even!” zeide Rodolphe; „ik heb nog een ander idée .... maar laten we eerst gaan dineeren!”

Vijf minuten later zaten de beide vrienden in een der kamertjes van het naburige restaurant en zetten daar hun oeconomisch debat voort.

„Weet je wat mijn idée is?” waagde Rodolphe op te merken; „wat zou je ervan zeggen, als we in plaats van een knecht een maîtresse nemen?”

„Een maîtresse voor twee man!” viel Marcel verbaasd uit; „dat zou de gierigheid tot in het verkwistende drijven zijn; wij zouden onze spaarduiten gebruiken, om messen en andere moordwerktuigen te koopen, waarmede we elkaar te lijf zouden gaan. Neen, ik prefereer een knecht; bovendien staat dat deftig ook!”

„Je hebt gelijk,” zeide Rodolphe; „wij zullen een intelligenten jongen nemen; en als hij eenig begrip van orthographie heeft, zal ik hem leeren redigeeren.”

„Dat zal dan een bron van inkomsten voor hem zijn op zijn ouden dag,” zeide Marcel, terwijl hij de rekening, die vijftien francs bedroeg, optelde. „Jongens, dat is vrij duur. Gewoonlijk dineerden wij voor dertig sous samen.”

„Dat is zoo,” vond Rodolphe, „maar we dineerden slecht en waren daardoor genoodzaakt ’s avonds weer te soupeeren. Goed beschouwd is het dus een besparing.”

„Tegen jou valt niet te redeneeren,” mompelde de schilder, door die redeneering overtuigd; „jij hebt altijd gelijk. Gaan we vanavond werken?”

„Waarachtig niet. Ik ga naar mijn oom; dat is een brave kerel, ik zal hem op de hoogte brengen van mijn nieuwe positie, hij zal me goeden raad kunnen geven. En waar ga jij heen, Marcel?”

„Ik ga den ouden Médicis vragen, of hij geen schilderijen voor mij te restaureeren heeft. A propos, geef mij even vijf francs.”

„Waarvoor?”

„Ik wil over den Pont des Arts gaan.”

„O, dat is een onnoodige uitgave, die, ook al is zij niet zoo heel groot, toch met onze principes in strijd is.”

„Ik heb ongelijk, het is zoo,” antwoordde Marcel; „ik zal over den Pont Neuf gaan .... maar dan neem ik een rijtuig.”

De twee vrienden namen afscheid en sloegen ieder een verschillenden weg in, die door een zonderlingen samenloop van omstandigheden hen beiden op dezelfde plaats terugbracht.

„Zoo, heb je je oom niet thuis gevonden?” vroeg Marcel.

„En was de oude Médicis er niet?” was Rodolphe’s wedervraag.

En zij barstten in lachen uit.

Toch gingen zij op een vroeg uur naar huis terug ... den volgenden ochtend namelijk.

Twee dagen later hadden Rodolphe en Marcel een volledige metamorphose ondergaan. Beiden gekleed als pasgehuwden, waren zij zoo mooi, zoo schitterend, zoo elegant, dat zij, wanneer zij elkaar op straat tegenkwamen, aarzelden elkaar te herkennen.

Hun oeconomisch stelsel werkte in al zijn kracht, de organisatie van het werk kwam echter slechts met groote moeite tot stand. Zij hadden een knecht gehuurd. Het was een lange slungel van vier-en-dertig jaar en Zwitsersche afkomst en niet al te groote intelligentie. Bovendien was hij niet voor knecht in de wieg gelegd; wanneer een van zijn heeren hem een eenigszins groot pakket te bezorgen gaf, kreeg Baptiste een kleur van verontwaardiging en liet de boodschap door een witkiel doen. Maar Baptiste had ook goede eigenschappen: wanneer men hem bijv. een haas gaf, kon hij daarvan zoo noodig een hazenpeper maken. Ook had hij, daar hij, alvorens knecht te worden, destillateur geweest was, een groote voorliefde voor die kunst gehouden en ontstal hij een groot deel van den tijd, dien hij voor zijn meesters moest gebruiken, aan het zoeken naar de samenstelling van een nieuw wondmiddel, waaraan hij zijn naam wilde geven. Verder had hij het ver gebracht in het maken van notenbrandewijn. Maar de kunst, waarin Baptiste door niemand geëvenaard werd, was die om de sigaren van Marcel op te rooken en ze aan te steken met de manuscripten van Rodolphe.

Op een goeden dag wilde Marcel Baptiste in het costuum van Pharao voor zijn „Doortocht door de Roode Zee” laten poseeren. Baptiste weigerde dit beslist en zeide zijn dienst op.

„Goed,” zeide Marcel; „we zullen vanavond afrekenen.”

Toen Rodolphe thuis kwam, zeide zijn vriend tegen hem, dat Baptiste beslist weggezonden moest worden.

„Wij hebben absoluut geen nut van hem,” zeide hij.

„Dat is zoo,” antwoordde Rodolphe; „hij is een levend kunstvoorwerp.”

„Hij is zoo dom als het achtereind van een koe.”

„En lui!”

„Hij moet weg.”

„Laten we hem wegsturen!”

„Toch heeft hij eenige goede eigenschappen. Hij kan heel lekker hazenpeper maken.”

„En notenbrandewijn dan. Hij is de Raphaël van den notenbrandewijn.”

„Zeker, maar dat is ook het eenige, waarvoor hij deugt, en dat is voor ons niet voldoende. Wij verliezen al onzen tijd door al die discussies met hem.”

„Hij hindert ons in ons werk.”

„Het is zijn schuld, dat ik mijn „Doortocht door de Roode Zee” nog niet heb kunnen tentoonstellen. Hij heeft geweigerd om voor Pharao te poseeren.”

„En door hem heb ik het werk, dat mij opgedragen was, niet kunnen afmaken. Hij heeft geweigerd, om in de bibliotheek de aanteekeningen, die ik noodig had, te gaan halen.”

„Hij ruïneert ons.”

„We kunnen hem beslist niet houden.”

„Laten we hem dan wegzenden .... Maar eerst moeten we hem betalen.”

„Wij zullen hem betalen, maar weg moet hij! Geef me geld, dan zal ik met hem afrekenen.”

„Wat, geld! Ik houd toch de kas niet, maar jij!”

„Geen quaestie van, jij! Jij hebt je met de generale intendantuur belast,” zeide Rodolphe.

„Maar ik geef je de heilige verzekering, dat ik geen geld heb!” riep Marcel uit.

„Zou al het geld nou al op zijn? Dat is onmogelijk! Je kan geen vijfhonderd francs in acht dagen uitgeven, vooral wanneer je, zooals wij, met de grootste spaarzaamheid geleefd hebt en je je tot het strikt noodzakelijke beperkt (Tot het strikt overbodige had hij moeten zeggen.). Wij moeten de rekeningen even verifieeren, dan zullen we de fout wel vinden.”

„Ja, die wel,” zeide Marcel, „maar niet het geld. Maar dat hindert minder, we kunnen toch het uitgaven-boekje wel even doorloopen.”

Ziehier het specimen van die boekhouding, welke onder de auspiciën van Sancta Oeconomica begonnen was.

„19 Maart. Ontvangen: 500 francs. Uitgegeven: een Turksche pijp, 25 francs; diner, 15 francs; diversen, 40 francs.”

„Wat zijn dat voor uitgaven?” vroeg Rodolphe aan Marcel, die las.

„Dat weet je wel,” antwoordde deze, „dat is de avond, dat we ’s morgens pas thuis gekomen zijn. Trouwens daardoor hebben we vuur en licht gespaard.”

„Verder.”

„20 Maart. Dejeuner, 1 fr. 50; tabak 20 cent; diner, 2 fr.; een monocle, 2 fr. 50. Die monocle is voor jouw rekening. Waarvoor hadt je een monocle noodig? Je mankeert niets aan je oogen.”

„Je weet heel goed, dat ik voor de Echarpe d’Iris een verslag over de schilderijen-tentoonstelling moest maken; en zonder monocle kan je geen schilderijen beoordeelen; dat was een gerechtvaardigde uitgave. Verder? ....”

„Een wandelstok ...”

„O, die is voor jouw rekening,” zeide Rodolphe. „Je hadt geen wandelstok noodig.”

„Dat is alles, wat den 20sten uitgegeven is,” zeide Marcel, die op Rodolphe’s uitval niet inging. „Den 21sten hebben we in de stad geluncht, gedineerd en gesoupeerd.”

„Dan hebben we dien dag toch niet veel uit kunnen geven?”

„Inderdaad slechts een kleinigheid .... Bijna dertig francs.”

„Maar waaraan toch in hemelsnaam?”

„Dat weet ik niet meer,” antwoordde Marcel; „maar het staat onder de rubriek: Diversen.”

„Dat is een heel vage en verraderlijke titel,” riep Rodolphe.

„22 Maart. Dat was de dag, waarop Baptiste in dienst gekomen is; we hebben hem een voorschot van 5 francs op zijn loon gegeven; voor een draaiorgel 50 centimes; voor den afkoop van vier Chineesche boerenjongens, die door hun ouders, ongelooflijke drankorgels en doordraaiers, tot verdrinking in de Gele Rivier gedoemd waren, 2 fr. 40 c.

„Lieve Hemel,” zeide Rodolphe, „verklaar mij toch eens de tegenstelling, die in dit artikel op te merken is. Als je aan draaiorgels geeft, waarom scheldt je dan op die doordraaiers en drankorgels van ouders. En waar was het noodig voor geld voor die Chineesche boerenjongens uit te geven? Als het nu nog boerenjongens op brandewijn geweest waren!”

„Ik ben nu eenmaal grootmoedig geboren,” antwoordde Marcel. „Doch lees jij nu eens verder. Tot nu toe zijn we niet veel van het spaarzaamheidsprincipe afgeweken.”

„23 Maart. Niets. 24 Maart. Idem. Dat zijn twee goede dagen, 25 Maart. Een voorschot van 3 francs op het loon van Baptiste.”

„Het schijnt, dat we hem nog al veel voorschot gegeven hebben,” zeide Marcel.

„Des te minder hebben we hem dan nu uit te betalen,” antwoordde Rodolphe. „Ga verder.”

„26 Maart. Verschillende, uit een oogpunt van kunst nuttige uitgaven, 36 fr. 40 c.”

„Wat hebben we dan voor nuttigs gekocht?” vroeg Rodolphe; „ik herinner me er niets van. 36 fr. 40 c., wat kan dat zijn?”

„Herinner je je dat niet?... Dat is de dag, waarop wij de Notre-Dame beklommen hebben, om Parijs in vogelvlucht te zien.”

„Maar dat kost toch niet meer dan acht sous,” dacht Rodolphe.

„Ja, maar toen we weer beneden waren, zijn we in St. Germain gaan dineeren.”

„Dan is de zaak duidelijk.”

„27 Maart: Niets!”

„Prachtig! Dat is nu eens spaarzaam!”

„28 Maart. Voorschot aan Baptiste, 6 fr.”

„O, nu ben ik er zeker van, dat we hem niets meer te betalen hebben. Het is zelfs niet onmogelijk, dat hij ons nog wat schuldig is .... Enfin, dat zal ik wel eens narekenen.”

„29 Maart. Waarachtig, op 29 Maart hebben we niets uitgegeven. Er staat het begin van een preek voor in de plaats. 30 Maart. Juist, toen hadden we menschen te dineeren; een groote uitgave: 30 fr. 55c. Den 31sten, dit is vandaag, hebben we nog niets uitgegeven. Je ziet dus, dat de boekhouding zeer nauwkeurig geweest is. Het totaal bedraagt op geen stukken na 500 francs.”

„Dan moet er nog geld in kas zijn.”

„We zullen zien,” zeide Marcel, terwijl hij een lade opentrok. „Neen, er is niets meer, alleen een spin.”

„Een spin op den morgen brengt kommer en zorgen,” merkte Rodolphe op.

„Maar waar kan al dat geld gebleven zijn?” vroeg Marcel, terneergeslagen bij het zien van de ledige kas.

„Vraag je dat nog? zeide Rodolphe. „Dat is nogal eenvoudig: we hebben het aan Baptiste gegeven.”

„Wat is dat?” riep Marcel uit, die in de lade een stuk papier vond. „De rekening voor het laatste kwartaal huur!”

„Hoe is die hier gekomen?” vroeg Rodolphe.

„En gequiteerd ook!” voegde Marcel eraan toe. „Heb jij huur betaald?”

„Ik? Loop nou rond!”

„Maar wat beteekent dan?”

„Maar ik bezweer je ....”

„Wat is dan dit mysterie?” zongen zij in koor op de melodie der finale van La Dame Blanche.

Baptiste, die graag muziek hoorde, kwam dadelijk aanloopen.

Marcel liet hem de quitantie zien.

„O ja, dat is waar ook!” zeide Baptiste langs zijn neus weg; „dat had ik nog vergeten te zeggen. De huisbaas is hier geweest, toen jullie uit waren, en om hem de moeite te besparen terug te moeten komen, heb ik hem maar betaald.”

„Waar heb je dat geld vandaan gehaald?”

„O, ik heb het uit de la genomen, die stond open; ik dacht, dat de heeren die juist daarom open hadden laten staan, en ik zei zoo tegen mezelvers; De heeren hebben, toen ze uit gingen, vergeten te zeggen: „Baptiste, de huisbaas zal zijn huur komen halen, je moet hem betalen;” en toen heb ik gedaan, alsof ik dat bevel gekregen had, zonder het bevel gekregen te hebben.”

„Baptiste,” zeide Marcel, ziedend van woede, „je hebt onze bevelen overtreden. Van af heden ben je uit onzen dienst ontslagen. Baptiste, geef je livrei terug.”

Baptiste nam zijn wasdoeken pet, waaruit zijn heele uniform bestond, af en gaf die aan Marcel.

„Goed,” zeide deze; „je kunt gaan ...”

„En mijn loon?”

„Ben je soms niet erg lekker? Je hebt al meer gekregen dan we je schuldig zijn. Ik heb je in nog geen veertien dagen veertien francs gegeven. Wat doe je met al dat geld? Mainteneer je soms een danseres?”

„Op het slappe koord,” voegde Rodolphe eraan toe.

„Ik sta dus alleen op de wereld,” zeide de ongelukkige knecht; „zonder iets, waarop ik mijn hoofd kan nederleggen!”

„Neem dan je livrei maar terug,” antwoordde Marcel, ondanks zichzelf aangedaan.

En hij gaf de pet aan Baptiste terug.

„En toch heeft die ongelukkige ons fortuin verkwist,” zeide Rodolphe, toen hij den armen Baptiste zag weggaan. „Waar dineeren we vandaag?”

„Dat zullen we morgen weten,” antwoordde Marcel.


1 Rivier in Lydië, bekend om haar goudrijkdom.

2 Sax was een fabrikant van beroemde muziekinstrumenten.