Op een Zaterdagavond in den tijd, dat hij nog niet met mademoiselle Mimi „was”, met wie we weldra kennis zullen maken, leerde Rodolphe aan zijn table-d’hôte een handelaarster in mode-artikelen, mademoiselle Laure geheeten, kennen. Toen zij gehoord had, dat Rodolphe hoofdredacteur van de Echarpe d’Iris en van den Castor, twee modebladen, was, begon zij, in de hoop, dat hij reclame voor haar artikelen zou maken, op vrij in het oog loopende wijze met hem te coquetteeren. Op die uitdagingen had Rodolphe geantwoord met een vuurwerk van galante complimentjes, die Benserade, Voiture en alle Ruggieri’s van den precieusen stijl jaloersch gemaakt zouden hebben; en toen zij na afloop van het diner vernam, dat Rodolphe dichter was, gaf zij hem heel duidelijk te verstaan, dat zij niet ongeneigd was hem als haar Petrarca aan te nemen. Zelfs stond zij hem zonder veel omhaal van woorden een rendez-vous voor den volgenden dag toe.
„Bij Juppiter!” zeide Rodolphe tot zichzelf, toen hij mademoiselle Laure naar huis bracht, „dat is beslist een beminlijke persoonlijkheid. Het lijkt wel, dat zij over een voldoende grammatica en een rijk voorziene garde-robe beschikt. Ik ben werkelijk wel geneigd haar gelukkig te maken.”
Toen zij bij de deur van haar huis gekomen was, liet mademoiselle Laure den arm van Rodolphe los en dankte hem hartelijk voor de moeite, die hij zich getroost had, om haar naar een zoo afgelegen stadswijk te brengen.
„O, madame,” antwoordde Rodolphe met een buiging, waarbij zijn gezicht op den grond kwam, „ik wilde, dat u te Moskou of op de Sunda-eilanden woonde, alleen om nog langer uw cavalier te kunnen zijn!”
„Dat is wel wat erg ver!” antwoordde Laure gemaakt.
„We zouden over de boulevards gegaan zijn, madame,” zeide Rodolphe. „En sta mij toe, u, in den persoon van uw wang, de hand te kussen,” vervolgde hij, terwijl hij Laure, voor zij het verhinderen kon, een kus op de lippen drukte.
„O, mijnheer,” kirde zij, „dat gaat te vlug.”
„Ja, maar dan bereik ik ook eerder mijn doel,” zeide Rodolphe. „In de liefde moeten de eerste afstanden in galop worden afgelegd.”
„Een type!” dacht de modiste, terwijl zij naar binnen ging.
„Een allerliefst persoonlijkheidje,” zeide Rodolphe, toen hij naar huis wandelde.
Zoodra hij op zijn kamer was, ging hij naar bed en droomde de zoetste droomen. Hij zag zich op bals, in de schouwburgen en op wandelplaatsen met Laure aan zijn arm, die nog mooiere japonnen dan die, welke in de sprookjes van Moeder de Gans voorkomen, aan had.
Volgens zijn gewoonte stond Rodolphe den volgenden dag om elf uur op. Zijn eerste gedachte was voor mademoiselle Laure.
„Een heel beschaafde vrouw,” mompelde hij. „Ik ben er zeker van, dat zij te Saint-Denis is opgevoed. Ik zal dus eindelijk het geluk leeren kennen een maîtresse te bezitten, die er warmpjes in zit. Ik moet mij offers voor haar getroosten. Ik zal dus mijn geld aan de Echarpe d’Iris gaan halen, een paar handschoenen koopen en met Laure gaan dineeren in een restaurant, waar ze servetten geven. Mijn rok is wel niet heel mooi meer, maar zwart kleedt toch altijd goed!”
En hij ging naar het bureau van de Echarpe d’Iris.
Op straat zag hij echter in den omnibus groote affiches met de woorden:
„Heden, Zondag, springen de waterwerken te Versailles.”
Het inslaan van den bliksem vlak voor zijn voeten zou op Rodolphe geen dieperen indruk gemaakt hebben dan het zien van dat affiche.
„Het is vandaag Zondag! Dat was ik heelemaal vergeten!” riep hij uit. „Dan krijg ik nergens geld vandaag. Zondag! Alles wat in Parijs daalders heeft, is al op weg naar Versailles.”
Desniettemin liep Rodolphe, voortgedreven door een van die fabelachtige verwachtingen, waaraan de mensch zich steeds vastklampt, zoo snel als zijn beenen hem dragen konden, naar het bureau van zijn blad. Misschien zou een gelukkig toeval den kassier daar gebracht hebben.
Mijnheer Boniface was er inderdaad geweest, doch onmiddellijk weer vertrokken.
„Hij is naar Versailles,” zeide de loopjongen.
„Dat is verkeken,” zeide Rodolphe.... „Maar wacht eens even. Het rendez-vous is vanavond pas. Het is nu twaalf uur, ik heb dus nog vijf uur om vijf francs te vinden—dat is twintig sous per uur, net als de paarden in het Bois de Boulogne. En nu voorwaarts marsch!”
Daar hij juist in het stadsdeel was, waar een journalist woonde, dien hij den invloedrijken criticus noemde, besloot hij bij dezen een poging te wagen.
„Ik vind hem zeker thuis,” zeide hij, terwijl hij de trap opliep; „het is vandaag zijn feuilletondag, dus gaat hij niet uit. Ik zal van hem vijf francs leenen.”
„Ha, ben jij het!” zeide de criticus, toen hij Rodolphe zag, „je komt als geroepen; ik heb je een kleinen dienst te vragen.”
„Dat treft prachtig!” dacht de redacteur van de Echarpe d’Iris.
„Was je gisteren in den Odéon?”
„Daar ben ik altijd!”
„Je hebt dus het nieuwe stuk gezien?”
„Wie zou het anders gezien hebben? Het publiek van den Odéon ben ik!”
„Dat is waar ook,” zeide de criticus. „Je bent een der steunpilaren van dien schouwburg. Er loopt zelfs een gerucht, dat je subsidie geeft. Doch om op de zaak terug te komen, kan je me geen overzicht van het nieuwe stuk geven?”
„Niets makkelijker dan dat. Ik heb het geheugen van een schuldeischer.”
„Van wien was het stuk?” vroeg de journalist aan Rodolphe, terwijl deze aan het schrijven was.
„Van een mijnheer.”
„Dan zal het geen sterk stuk zijn.”
„In geen geval zoo sterk als een Turk.”
„Dan is het ook niet sterk. Want de Turken hebben geheel ten onrechte den naam van sterk te zijn. Zij zouden hier nog niet eens voor schoorsteenvegers deugen.”
„En waarom niet?”
„Omdat alle schoorsteenvegers Savoyaards zijn, en alle Savoyaards weer Auvergners, en alle Auvergners weer kruiers zijn. En bovendien zijn er geen Turken meer, behalve op de bals masqués in de voorsteden en op de Champs Elysées, waar zij dadels verkoopen. De Turk is een vooroordeel. Een van mijn vrienden kent het Oosten heel goed en die heeft me verzekerd, dat al de onderdanen van die natie geboren zijn in de rue Coquenard.”
„Alleraardigst!”
„Vind je?” vroeg de criticus. „Dan zet ik het in mijn feuilleton.”
„Hier heb je de analyse van het stuk,” zeide Rodolphe. „Gauw gedaan, wat?”
„Dat wel, maar het is verduiveld kort.”
„Wanneer je er wat gedachtenstreepjes bij zet en je kritische opinie ontwikkelt, neemt het plaats genoeg in.”
„Daar heb ik geen tijd voor, mijn waarde, en bovendien beslaat mijn kritische meening zooveel plaats niet.”
„Dan zet je er om de drie woorden een adjectief bij.”
„Zou je aan de analyse niet een korte, of liever een lange beschouwing over het stuk kunnen vasthechten?” vroeg de criticus.
„Och,” zeide Rodolphe, „ik heb wel mijn bepaalde ideeën over de tragedie, maar ik waarschuw je, dat ik ze al driemaal in den Castor en in de Echarpe d’Iris heb laten afdrukken.”
„Dat is minder; hoeveel regels beslaan je ideeën?”
„Veertig regels.”
„Bliksems, jij hebt groote ideeën! Nou, wil je me je veertig regels leenen?”
„Prachtig!” dacht Rodolphe. „Als ik hem voor twintig francs copie lever, zal hij mij geen vijf francs kunnen weigeren. Ik moet je echter eerlijk bekennen,” zeide hij vervolgens tot den criticus, „dat mijn denkbeelden niet bepaald nieuw zijn. Zij zijn aan den elleboog een beetje doorgesleten. Voor ik ze liet drukken, heb ik ze in alle koffiehuizen van Parijs uitgebazuind: er is geen kellner in Parijs, die ze niet uit zijn hoofd kent.”
„Wat kan mij dat schelen?.... Je kent me nog niet. Is er, uitgezonderd de deugd, iets nieuws in de wereld?”
„Hier!” zeide Rodolphe toen hij klaar was.
„Donder en bliksem! Er mankeeren nog twee kolom... Waarmede dien afgrond te dempen? Kom, lever me, nu je toch hier bent, nog een paar paradoxen!”
„Ik heb er van mijzelf niet bij me,” zeide Rodolphe; „maar ik kan je er wel een paar leenen; ze zijn echter niet van mij; ik heb ze voor vijftig centimes van een vriend, die in geldverlegenheid zat, gekocht. Ze hebben nog maar heel weinig dienst gedaan.”
„Des te beter!” zeide de criticus.
„Het gaat goed!” zeide Rodolphe tot zichzelf, terwijl hij weer begon te schrijven; „ik vraag hem minstens tien francs; in dezen tijd zijn de paradoxen even duur als jonge patrijzen.”
En hij schreef een dertig regels, waarin hij zottenpraat uitkraamde over piano’s, goudvisschen, de school van het gezond verstand en Rijnwijn, dien hij toiletwijn noemde.
„Prachtig,” zeide de criticus; „doe mij nu nog het genoegen er bij te schrijven, dat het bagno de plaats in de wereld is, waar je de meeste rechtschapen menschen vindt.”
„Waarom?”
„Om nog twee regels te vullen. Zoo, dat is in orde,” zeide de invloedrijke criticus en riep zijn bediende, om zijn feuilleton naar de drukkerij te brengen.
„En nu,” zeide Rodolphe; „de koe bij de horens gevat!” En hij deed plechtig en ernstig zijn verzoek.
„O je, mijn waarde,” zuchtte de criticus, „ik heb zelf geen sou in huis. Lolotte ruïneert me met pomade en zooeven heeft zij mij tot mijn laatste halve duit uitgeschud om naar Versailles te gaan en de Nereïden en andere bronzen monsters water te zien spuwen.”
„Naar Versailles?” vroeg Rodolphe. „Is het vandaag dan een epidemie?”
„Maar waarom heb je geld noodig?”
„Ziehier het geval,” antwoordde Rodolphe. „Om vijf uur heb ik een afspraak met een vrouw van de wereld, een gedistingeerde dame, die altijd in een omnibus uitgaat. Ik zou gaarne voor eenige dagen mijn lot aan het hare verbinden; en daarom komt het mij passend voor haar de zoetheden des levens te laten smaken. Diner, bal, wandelingen enz. enz. Ik heb absoluut vijf francs noodig; als ik ze niet vind, is in mijn persoon de geheele Fransche litteratuur onteerd.”
„Waarom leen je die som niet van die dame zelf?” vroeg de criticus.
„Dat gaat den eersten keer niet. Alleen jij kunt mij redden!”
„Bij alle mummies van Egypte zweer ik je op mijn woord van eer, dat ik zelfs geen geld heb, om een pijp van een sou of een panatella te koopen. Maar ik heb daar een paar boeken, die je zoudt kunnen verkoopen.”
„Vandaag, op Zondag, onmogelijk. Moeder Mansut, Lebigre en alle winkels op de kaden en in de rue Saint-Jacques zijn gesloten. En wat zijn het voor boeken? Zeker gedichten met het portret van den schrijver. Maar die dingen zijn onverkoopbaar.”
„Tenzij je er door de rechtbank toe veroordeeld wordt. Doch wacht even, daar heb je nog een bundel romances en een paar billetten voor concerten. Wanneer je het wat handig aanlegt, zou je er best wat geld van kunnen maken.”
„Ik zou liever wat anders meenemen, een broek bijv.”
„Daar,” zeide de criticus, „neem dien Bossuet en die gipsbuste van Odilon Barrot nog mee; maar op mijn woord van eer, dat is het penningske der weduwe.”
„Ik zie in ieder geval je goeden wil,” zeide Rodolphe. „Ik neem de schatten mede, maar als ik er dertig sous voor krijg, dan beschouw ik dat kunststuk als het dertiende werk van Hercules.”
Nadat hij ongeveer vier mijl had afgelegd, slaagde hij er met behulp van een welsprekendheid, waarvan hij bij groote gelegenheden het geheim bezat, in bij zijn waschvrouw twee francs te leenen, waarvoor hij de deelen poëzie, de romances en de buste van Barrot in pand moest geven.
„Kom,” zeide hij, toen hij de bruggen weer overging, „dat is tenminste de jus, nu moet ik het vleesch nog zien te vinden. Als ik eens naar mijn oom ging!”
Een half uur later was hij bij zijn oom Monetti, die op het gelaat van zijn neef dadelijk las, waarom het ging. Hij was dus op zijn hoede en voorkwam iedere vraag door een serie klachten als:
„Het zijn moeilijke tijden: het brood is duur, de klanten betalen niet, de huur moet worden opgebracht, de handel zit in het moeras enz. enz.,” en al de verdere huichelachtige klachten van winkeliers.
„Zou je wel willen gelooven,” zeide de oom, „dat ik genoodzaakt ben geld te leenen van mijn bediende, om een wissel te betalen?”
„Dan hadt u mij even een boodschap moeten sturen,” zeide Rodolphe. „Ik zou u het geld gaarne geleend hebben; drie dagen geleden heb ik tweehonderd francs gekregen.”
„Ik vind het heel aardig van je, jongen, maar je hebt zelf je geld noodig .... Maar zeg, nu je toch hier bent, zou je wel even een paar rekeningen voor me kunnen schrijven, die ik wil laten innen; je schrijft zoo’n mooie hand.”
„O je, die vijf francs zullen me duur kosten,” zeide Rodolphe, terwijl hij zich aan het werk zette, dat hij zooveel mogelijk bekortte.
„Beste oom,” zeide hij, „daar ik weet, dat u een groot muziekliefhebber bent, heb ik een paar entrée’s voor u medegebracht.”
„Heel vriendelijk van je, jongen. Wil je bij me blijven dineeren?”
„Neen, dank u, oom; ik word in den Fauborg St. Germain op een diner verwacht. Ik verkeer zelfs eenigszins in verlegenheid, omdat ik geen tijd meer heb om geld te gaan halen, om handschoenen te koopen.”
„Heb je geen handschoenen bij je? Wil je de mijne leenen?”
„Dat zal niet gaan; we hebben hetzelfde nummer niet; maar u zoudt mij verplichten mij te leenen....”
„Negen-en-twintig sous, om een paar te koopen? Zeker, jongen, daar heb je ze. Wanneer je in gezelschap komt, moet je fatsoenlijk voor den dag komen. Beter benijd dan beklaagd, zeide je tante altijd. Ik ben blij, dat je in betere kringen komt .... Ik zou je wel wat meer gegeven hebben, maar ik heb op het oogenblik hier in het kantoor niet meer; ik zou naar boven moeten en ik kan den winkel niet alleen laten: ieder oogenblik komen er koopers.”
„En u vertelde daarnet, dat het zoo slecht met den handel ging!”
Oom Monetti deed, of hij die opmerking niet hoorde en zeide tot zijn neef, die de negen-en-twintig sous in zijn zak stak:
„Je behoeft je niet te haasten, om ze terug te geven.”
„Wat een gierige brok!” zeide Rodolphe, terwijl hij zich wegspoedde. „Nu ontbreken me nog een-en-dertig sous. Waar die te vinden? Wacht, een idee, laat ik naar den viersprong van de Voorzienigheid gaan.”
Dat was de naam, dien Rodolphe gaf aan het meest centrale punt van Parijs, d. w. z. het Palais Royal, een plek, waar het bijna onmogelijk is tien minuten te blijven staan zonder tien personen te ontmoeten, die je kent, vooral schuldeischers.
Rodolphe ging dus op het bordes van het Palais-Royal op wacht staan. Ditmaal liet de Voorzienigheid zich lang wachten. Eindelijk meende Rodolphe haar te zien. Zij had een witten hoed, een groenen paletot en een wandelstok met een gouden knop .... een zeer elegant gekleede Voorzienigheid dus.
Het was een voorkomende en bemiddelde, maar eenigszins woordenrijke jongeling.
„Ik ben blij je te zien,” zeide hij tot Rodolphe; „loop een eindje mede, dan kunnen we wat praten.”
„Ach, ik zal die woordenmarteling maar ondergaan,” mompelde Rodolphe, terwijl hij zich door den witten hoed liet medenemen, die hem inderdaad zijn trommelvlies half kapot praatte.
Toen zij bij den Pont des Arts kwamen, zeide Rodolphe:
„Ik moet je nu verlaten, daar ik geen geld heb, om de tol voor de brug te betalen.”
„Kom maar mee,” antwoordde de witte hoed, terwijl hij den invalide twee sous toewierp.
„Nu is het oogenblik gekomen,” dacht de redacteur van de Echarpe d’Iris, toen hij de brug overliep; aan het einde ervan bij de klok van het Instituut gekomen, bleef Rodolphe plotseling staan, wees met een wanhopig gebaar naar de wijzerplaat en riep uit:
„Vervloekt! Kwart voor vijf. Ik ben verloren.”
„Wat is er?” zeide de andere verwonderd.
„Wel, dat ik door jouw schuld een rendez-vous verzuim.”
„Een belangrijk?”
„Dat zou ik denken .... Ik moest om vijf uur geld gaan halen .... in Batignolles .... Ik zal er nooit op tijd zijn .... Bliksems! Wat moet ik beginnen?”
„Dat is nogal eenvoudig,” zeide de woordenrijke, „ga met mij mee naar huis, dan zal ik je wat leenen.”
„Onmogelijk! Je woont in Montrouge, en om zes uur moet ik voor een zaak in de Chaussée-d’Antin zijn .... Een beroerde geschiedenis!”
„Ik heb wel een paar sous op zak,” zeide de Voorzienigheid bescheiden .... „maar niet veel.”
„Als ik genoeg had om een bakje te nemen, dan zou ik misschien nog op tijd in Batignolles kunnen zijn.”
„Hier heb je den inhoud van mijn beurs, mijn waarde, een-en-dertig sous.”
„Geef maar gauw hier, dan maak ik, dat ik weg kom!” zeide Rodolphe, die het vijf uur had hooren slaan, en hij haastte zich naar de plaats van zijn rendez-vous.
„Dat is een heele toer geweest,” zeide hij, terwijl hij zijn geld telde. „Honderd sous, precies op den kop af. Enfin, ik ben nu gered, en Laure zal zien, dat zij te doen heeft met een man, die savoir-vivre heeft. Ik wil vanavond met geen centime thuis komen. Ik moet de litteratuur weer tot eer brengen en bewijzen, dat het haar beoefenaars slechts aan geld ontbreekt, om rijk te zijn.”
Rodolphe vond mademoiselle Laure op de afgesproken plaats.
„Nou,” zeide hij tot zichzelf, „wat stiptheid betreft, lijkt zij wel een chronometer.”
Hij bracht den avond met haar door en smolt zijn vijf francs dapper in den smeltkroes der verkwisting. Mademoiselle Laure was verrukt over zijn manieren en was wel zoo goed eerst te merken, dat Rodolphe haar niet naar haar huis terugbracht vóór het oogenblik, dat hij haar zijn kamer liet binnentreden.
„Het is verkeerd wat ik doe,” zeide zij. „Zorg, dat ik er geen berouw over moet hebben door een ondankbaarheid, die uw sexe eigen is.”
„Madame,” zeide Rodolphe, „ik sta bekend voor mijn bestendigheid, en wel in dien mate, dat al mijn vrienden zich over mijn trouw verwonderen en mij den bijnaam gegeven hebben van generaal Bertrand der Liefde.”
In dien tijd was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, die hem niet kon uitstaan, en de thermometer van den ingenieur Chevalier wees twaalf graden onder nul.
Mademoiselle Angèle was de dochter van mijnheer Monetti, den kachelsmid-rookverdrijver, over wien we reeds meermalen gelegenheid hadden te spreken. Mademoiselle Angèle was achttien jaar en pas terug uit Bourgondië, waar zij vijf jaar doorgebracht had bij een bloedverwante, van wie zij later moest erven. Die bloedverwante was een oude vrouw, die nooit jong of mooi geweest was, maar altijd kwaadaardig, niettegenstaande of liever omdat zij vroom was. Angèle, die bij haar vertrek een bekoorlijk kind was, dat in haar jonge jaren reeds een bekoorlijk meisje beloofde te worden, kwam na verloop van vijf jaar als een knap, maar koel, droog, ongevoelig jong meisje terug. Het teruggetrokken provincieleven, de overdreven godsdienstige oefeningen en de bekrompen beginselen, volgens welke zij was opgevoed, hadden haar geest vervuld met vulgaire en dwaze vooroordeelen, haar phantasie lam geslagen en van haar hart een orgaan gemaakt, dat zich er toe bepaalde zijn functie als bloedsomloop-regulateur te vervullen. Angèle had, om zoo te zeggen, wijwater in plaats van bloed in haar aderen. Bij haar terugkeer ontving zij hem met een ijskoude reserve en Rodolphe trachtte ieder oogenblik vergeefs in haar de teedere snaar der herinneringen weer te doen trillen, herinneringen uit den tijd, toen zij samen de amourette à la Paul et Virginie gespeeld hadden, die tusschen neef en nicht zoo dikwijls gespeeld wordt. Toch was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, die hem niet kon uitstaan; en toen hij op een goeden dag hoorde, dat het jonge meisje binnenkort naar een bal, dat ter gelegenheid van het huwelijk van een harer vriendinnen gegeven werd, zou gaan, liet hij zich door zijn hartstocht zoo ver medesleepen, dat hij Angèle voor dat bal een bouquet viooltjes beloofde. En na toestemming van haar vader gekregen te hebben, nam Angèle het galante aanbod van haar neef aan, waarbij zij er echter op aandrong, dat zij witte viooltjes zou krijgen.
Gelukkig door de beminlijk- en vriendelijkheid van zijn nicht, ging hij dansend en zingend naar zijn „St. Bernard” terug. Zoo noemde hij zijn toenmalig domicilie; waarom zullen we dadelijk zien. Toen hij door het Paleis Royal ging en voorbij den winkel van madame Provost, de beroemde bloemiste, kwam, zag hij witte viooltjes in de etalage; uit nieuwsgierigheid liep hij naar binnen, om den prijs ervan te vragen. Een eenigszins toonbare bouquet kostte niet minder dan tien francs, doch er bestonden er, die nog duurder waren.
„Alle duivels!” zeide Rodolphe; „tien francs, en nog maar acht dagen tijd, om dat millioen te vinden. Dat zal moeite kosten; maar dat is minder, mijn nicht krijgt haar bouquet. Ik heb al een idée.”
Dit avontuur overkwam Rodolphe in den tijd, dat hij nog in zijn litteraire genesis was. Al zijn inkomsten bestonden toen uit een maandelijksche toelage van vijftien francs, welke hem toegekend was door een van zijn vrienden, een groot dichter, die na een lang verblijf te Parijs met behulp van de noodige kruiwagens schoolmeester in de provincie geworden was. Rodolphe, aan wiens wieg de verkwisting als peet gestaan had, kwam met die toelage precies vier dagen rond; en daar hij het gewijde, maar weinig productieve beroep van elegisch dichter niet wilde opgeven, leefde hij de rest van de maand van die manna van het toeval, welke langzaam uit de korven der Voorzienigheid druppelt. Doch die vastentijd had voor hem geen verschrikkingen; hij bracht dien vroolijk door dank zij een stoïsche matigheid en de schatten der phantasie, die hij dagelijks uitgaf, om den eersten der maand te bereiken, dien Paaschdag, welke een einde maakte aan zijn lijdenstijd. Rodolphe woonde toentertijd in de rue Contrescarpe-Saint-Marcel in een groot gebouw, dat vroeger het hôtel de l’Eminence grise heette, omdat vader Joseph, de vervloekte ziel van Richelieu, daar gewoond zou hebben. Rodolphe woonde op de bovenste verdieping van dat huis, een der hoogste van Parijs. Zijn kamer, een soort belvédère, was in den zomer een heerlijke verblijfplaats; maar van October tot April was het een klein Kamschatka. De vier hoofdwinden, die door de vier vensters drongen, kwamen er gedurende den geheelen winter de meest woeste quatuors uitvoeren. Als een ironie zag men er nog een grooten schoorsteen, waarvan de groote opening een eerepoort scheen te zijn voor Borreas1 en zijn gevolg. Dadelijk bij het intreden van de eerste koude had Rodolphe zijn toevlucht genomen tot een bijzonder verwarmingssysteem, hij had namelijk de weinige meubelen, die hij bezat, in regelmatige stukken gezaagd en na verloop van acht dagen was zijn meubilair aanzienlijk verminderd; hij hield niet meer dan zijn bed en twee stoelen over, waarbij de eerlijkheid nog gebiedt te zeggen, dat die meubelen van ijzer waren en dus van nature tegen brand verzekerd waren. Rodolphe had voor dit verwarmingsstelsel den naam: „verhuizen door den schoorsteen” uitgedacht.
We waren dus in het midden van Januari, en de thermometer, die op den Quai des Lunettes twaalf graden aanwees, zou zeker nog twee of drie graden gedaald zijn, indien hij overgebracht was naar den belvédère, waaraan Rodolphe de bijnamen St. Bernard, Spitsbergen en Siberië gegeven had.
Den avond, waarop hij aan zijn nicht witte viooltjes beloofd had, geraakte Rodolphe bij zijn thuiskomst in een heftige woede: de vier hoofdwinden hadden bij hun spel in de vier hoeken der kamer nog een ruit gebroken. Dat was in de laatste veertien dagen de derde. Rodolphe barstte in woedende vervloekingen tegen Aeolus en zijn heele familie Breekal los. Na dit nieuwe gat met het portret van een van zijn vrienden gestopt te hebben, ging Rodolphe geheel gekleed tusschen de twee wollen planken, die hij zijn matras noemde, liggen en droomde den geheelen nacht van witte viooltjes.
Vijf dagen later had Rodolphe nog geen enkel middel gevonden, dat hem zou kunnen helpen zijn droom te verwezenlijken, en toch moest hij acht-en-veertig uur later den bouquet aan zijn nicht geven. Gedurende dien tijd was de thermometer nog meer gedaald, en de ongelukkige dichter was de wanhoop nabij bij de gedachte, dat de viooltjes nog duurder geworden zouden zijn. Eindelijk had de Voorzienigheid medelijden met hem en kwam hem op de volgende wijze te hulp.
Toen hij op een goeden morgen toevallig bij zijn vriend Marcel, den schilder, ging dejeuneeren, vond hij hem in gesprek met een dame in den rouw. Het was een weduwe, wier man pas kort geleden gestorven was; zij kwam hem vragen naar den prijs van een manlijke hand, die met het opschrift:
”Ik wacht u, geliefde vrouw”
geschilderd moest worden op het grafteeken, dat zij voor haar man had laten oprichten.
Om het kunstwerk goedkooper te krijgen, liet zij den artist in den loop van het gesprek doorschemeren, dat hij, wanneer God haar weer met haar echtgenoot zou vereenigen, een tweede hand te schilderen zou krijgen, haar met een armband versierde hand, en wel met een nieuw opschrift, luidende:
”Eindelijk heeft God ons vereenigd”
„Ik zal die beschikking in mijn testament zetten,” zeide de weduwe, „met mijn uitdrukkelijken wil, dat u met de uitvoering ervan belast zult worden.”
„In dat geval, mevrouw,” antwoordde de artist, „neem ik den prijs, die u mij voorstelt, aan, maar dan reken ik ook op den handdruk. Vergeet niet mij in uw testament te zetten.”
„Ook zou ik graag zien, dat het werk zoo gauw mogelijk gereed was,” zeide de weduwe; „maar neem er uw tijd voor, en vergeet vooral het litteeken op den duim niet. Ik wil een goed gelijkende hand.”
„Zij zal sprekend zijn, mevrouw, wees gerust,” zeide Marcel, terwijl hij de weduwe uitliet. Doch op den drempel keerde zij zich weer om.
„O ja, ik wou u nog graag wat vragen; ik zou graag op het graf van mijn man nog een vers laten aanbrengen, waarin de edele levenswandel en de laatste woorden, die hij op zijn sterfbed gesproken heeft, vermeld worden. Staat dat voornaam?”
„Zeer voornaam .... men noemt dat een epitaphium .... het is heel voornaam.”
„Kent u niet iemand, die dat goedkoop voor mij zou kunnen maken? Ik heb wel een buurman, mijnheer Guérin, den openbaren schrijver, maar die is zoo peperduur.”
Bij die woorden wierp Rodolphe Marcel een blik toe, dien deze dadelijk begreep.
„Mevrouw,” zeide de schilder en wees op Rodolphe, „een gelukkig toeval heeft hier den persoon heen gevoerd, die u in deze droevige omstandigheden zou kunnen helpen. Mijnheer hier is een uitstekend dichter, u zoudt geen beteren kunnen vinden.”
„Ik zou er zeer op staan, dat het heel treurige verzen zijn,” zeide de weduwe, „en dat er geen spelfouten in voor komen.”
„Mevrouw,” antwoordde Marcel, „mijn vriend kent de orthographie op zijn duimpje: hij heeft op het college alle prijzen gewonnen.”
„Zoo,” zeide de weduwe; „mijn neefje heeft laatst ook een prijs gekregen; en hij is toch pas zeven jaar.”
„Een zeer voorspoedig kind, mevrouw,” was Marcels antwoord.
„Maar,” drong de weduwe aan, „kan mijnheer ook treurige verzen maken?”
„Beter dan wie ook, mevrouw, want hij heeft veel verdriet in zijn leven gehad. Mijn vriend munt uit in treurige verzen; dat verwijten de couranten hem zelfs wel eens.”
„Wat?” riep de weduwe uit, „wordt er over hem in de couranten geschreven? Dan is hij zeker even knap als mijnheer Guérin, de openbare schrijver!”
„O, nog veel knapper! Wend u maar tot hem, mevrouw, u zult er geen berouw over hebben.”
Nadat de weduwe den dichter de bedoeling van het opschrift in verzen, dat zij op het graf van haar man wilde laten aanbrengen, uiteengezet had, stemde zij erin toe Rodolphe tien francs te geven, als het gedicht in haar smaak viel; maar zij wilde de verzen heel gauw hebben. De dichter beloofde ze haar den volgenden dag reeds door bemiddeling van zijn vriend te zullen doen toekomen.
„O goede fee Artemisia,” riep Rodolphe uit, toen de weduwe weg was, „ik zweer je, dat je tevreden zult zijn; ik zal je een goede maat dooden-lyriek geven, en mijn orthographie zal beter zijn dan die van een hertogin. O goed oudje, moge, om u te beloonen, de hemel je honderdzeven jaar laten leven evenals goede brandewijn!”
„Daar kom ik tegen op!” riep Marcel uit.
„Dat is waar ook!” zeide Rodolphe; „ik zou bijna vergeten, dat je na haar dood nog een tweede hand te schilderen krijgt, en zoo’n lang leven je dat geld dus zou doen verliezen.” En zijn handen ten hemel heffend, bad hij: „O, lieve God, verhoor mijn gebed niet! Hè,” voegde hij er aan toe, „dat is een bofje, dat ik hierheen gekomen ben.”
„Ja, wat kwam je eigenlijk hier doen?” vroeg Marcel.
„Daar denk ik nu ook weer aan en vooral nu ik, om dat gedicht te maken, den geheelen nacht op zal moeten blijven zitten, kan ik dat, wat ik je kwam vragen, onmogelijk missen, n.l. 1e. wat eten; 2e. wat tabak en een kaars; 3e. je ijsberencostuum.”
„Ga je naar een bal masqué? O ja, dat is waar ook, vanavond wordt het eerste gegeven.”
„Neen, dat niet; maar zooals je me hier ziet, ben ik even bevroren als het groote leger op zijn terugtocht uit Rusland. Mijn groen wollen paletot en mijn broek van Schotsch merinos zijn ongetwijfeld heel mooi, maar toch beter geschikt voor de lente en om onder den equator te wonen; wanneer je echter, zooals ik, je tenten onder den pool hebt opgeslagen, is een ijsberencostuum passender, ik zou bijna zeggen, onmisbaar.”
„Daar heb je de pels,” zeide Marcel. „Het denkbeeld is niet kwaad, het beest heeft een vurig gestel, en je zult je erin voelen als een brood in een oven.”
Rodolphe was intusschen reeds in de huid van het dier gekropen.
„Wat zal mijn thermometer gloeiend boos worden,” zeide hij.
„Wil je in dat costuum de straat op?” zeide Marcel tot zijn vriend, toen zij hun geheimzinnig diner, dat in schalen van vijf centimes opgediend werd, naar binnen hadden gewerkt.
„Ik heb maling aan de heele wereld,” zeide Rodolphe; „en bovendien begint vandaag het carnaval.”
En hij doorliep werkelijk heel Parijs in de ernstige houding van den viervoeter, in wiens huid hij zich gestoken had. En toen hij voorbij den thermometer van den ingenieur Chevalier kwam, trok hij er een langen neus tegen.
Toen hij, niet zonder zijn concierge de stuipen van schrik op het lijf gejaagd te hebben, weer boven op zijn kamer was, stak de dichter zijn kaars aan, die hij, om de moedwillige streken van de Noordenwinden te voorkomen, met een doorschijnend stuk papier omgaf, en ging dadelijk aan het werk. Maar al heel gauw kwam hij tot de ontdekking, dat, al was zijn lichaam vrijwel tegen de koude beschermd, zijn handen het niet waren; en hij had nog geen twee verzen van zijn epitaphium op het papier, of zijn vingers begonnen te tintelen van de koude en lieten de pen vallen.
„Tegen de elementen kan zelfs de moedigste niet op,” zeide Rodolphe, die zich wanhopig achterover in zijn stoel liet vallen. „Caesar heeft wel den Rubicon overgestoken, maar over de Beresina had hij nooit kunnen komen.”
Plotseling echter ontsnapte een kreet van vreugde aan het diepst van zijn berenborst en stond hij zoo bruusk op, dat hij een deel van zijn inkt liet vallen op het smettelooze wit van zijn pels: hij had een idée, een nieuwen druk van het denkbeeld van Chatterton.
Hij haalde onder zijn bed een grooten stapel papieren te voorschijn, waaronder zich een dozijn reusachtige manuscripten van zijn beroemd drama Le Vengeur bevond. Dit drama, waaraan hij twee jaar gewerkt had, was zoo dikwijls over- en omgewerkt, dat de gezamenlijke copieën een gewicht van zeven kilogram vormden. Rodolphe legde het jongste manuscript ter zijde en sleepte de overige naar den schoorsteen.
„Ik wist wel, dat het nog eens geplaatst zou worden,” riep hij uit .... „je moet echter geduld weten te hebben! Dat is toch zeker een flink takkenbosje proza. O, als ik geweten had, wat er gebeuren zou, dan had ik er nog een voorspel bij gemaakt en zou ik nu meer brandstof hebben .... Maar je kunt niet alles van te voren weten.”
En hij stak eenige bladen van het manuscript in brand en ontdooide zijn handen bij de vlammen daarvan. Na vijf minuten was het eerste bedrijf van Le Vengeur afgespeeld en had Rodolphe drie verzen van zijn epitaphium gereed.
Niets ter wereld zou de verbazing der vier hoofdwinden hebben kunnen schilderen, toen zij vuur in de haard zagen.
„Dat is gezichtsbedrog,” blies de Noordenwind, die vroolijk in de berenharen van Rodolphe speelde.
„Als we eens in den schoorsteen gingen blazen,” antwoordde een andere wind, „dan zou de haard heerlijk gaan rooken.”
Maar juist toen zij den armen Rodolphe wilden gaan kwellen en treiteren, zag de Zuidenwind mijnheer Arago voor een raam van het observatorium zitten, vanwaar de geleerde met zijn vinger de vier winden dreigde.
Onmiddellijk riep de Zuidenwind zijn broeders toe: „Laten we maken, dat we weg komen, de almanak geeft voor dezen nacht stil weer aan; wij zijn dus in tegenspraak met de sterrenwacht, en als we om twaalf uur niet thuis zijn, zal mijnheer Arago ons school laten blijven.”
Gedurende dien tijd brandde het tweede bedrijf van Le Vengeur met groot succes. En Rodolphe had tien verzen geschreven. Maar tijdens den duur van het derde bedrijf kon hij er slechts twee schrijven.
„Ik heb altijd gevonden, dat die acte te kort was,” mompelde Rodolphe; „maar je merkt die fouten altijd pas bij de opvoering. Gelukkig zal het volgende bedrijf langer duren: drie-en-twintig scènes, waaronder de troonscène, die het tooneel van mijn roem had moeten zijn.”
De slotwoorden der troonscène gingen in vlammen op, toen Rodolphe nog een strophe van zes regels te schrijven had.
„En nu het vierde bedrijf,” zei hij, terwijl zijn gezicht van dichtvuur gloeide. „Dat zal wel vijf minuten duren, het is heelemaal monoloog.”
Hij ging over tot de ontknooping, die opvlamde en onmiddellijk weer uitging. Op hetzelfde oogenblik vatte Rodolphe de laatste woorden van den overledene, te wiens verheerlijking hij gewerkt had, in een prachtvolle lyrische ontboezeming samen.
„Er blijft nog genoeg over voor een tweede opvoering,” zeide hij, terwijl hij de overgebleven manuscripten weer onder het bed schoof.
Den volgenden avond om acht uur deed mademoiselle Angèle haar intrede in de balzaal met een prachtigen bouquet witte viooltjes, in het midden waarvan twee pas-ontloken witte rozen prijkten. Den geheelen avond kreeg zij om dien bouquet complimentjes van de dames en galante vleierijen van de heeren te hooren. Angèle was haar neef, die haar al die kleine voldoeningen van haar eigenliefde verschaft had, dan ook wel eenigermate dankbaar, en misschien zou zij, wanneer een bloedverwant der bruid, met wien zij verscheidene malen gedanst had, niet steeds om haar heen gedraaid had, nog meer aan hem gedacht hebben. Dat familielid was een jonge blonde man met een prachtige, kurkentrekkerachtig opgedraaide snor, de echte angel, waaraan onervaren jonge meisjesharten blijven hangen. De jonge man had Angèle reeds gevraagd om de twee witte rozen, die alleen nog waren overgebleven van den bouquet, waarvan iedereen een viooltje geplukt had .... Maar Angèle had geweigerd, doch alleen om ze tegen het einde van het bal te lagen liggen op een stoeltje, waarvan de blonde jongeling ze onmiddellijk ging weghalen.
Op dat oogenblik vroor het veertien graden in den belvédère van Rodolphe, die, geleund voor zijn venster, in de richting van de barrière du Maine keek naar de lichten van de balzaal, waar Angèle danste, die hem niet uit kon staan.
1 Borreas = Noordenwind.
Er zijn in de maanden, waarin een kwartaal begint, angstwekkende oogenblikken, gewoonlijk de 1ste en de 15de. Rodolphe, die deze beide data nooit zonder schrik zag naderen, noemde ze de „Stormkaap”. Dien dag opent niet Aurora de poorten van het Oosten, maar schuldeischers, huiseigenaars, deurwaarders en andere geldzakdragers staan buiten de deur. Die dag begint met een plasregen van aanmaningen, rekeningen en wissels en eindigt met een hagelbui van protesten, dies irae!
In den ochtend van zoo’n 15den April lag Rodolphe rustig te slapen .... en droomde, dat een van zijn ooms hem bij testament een geheele provincie van Peru had vermaakt .... met alle Peruaansche schoonen erin begrepen.
Terwijl hij daar midden in een imaginairen Pactolus rondzwom, kwam het geluid van een sleutel, die in het slot ronddraaide, den ingebeelden erfgenaam op het schitterendste oogenblik van zijn gouden droom storen.
Rodolphe ging rechtop in zijn bed zitten en keek slaapdronken om zich heen.
Hij zag toen vaag in het midden van zijn kamer een man staan, die pas binnengekomen was, .... en wat voor een man!
De matineuse vreemdeling had een driekanten hoed op, een lederen geldzak op zijn rug en een grooten portefeuille in zijn hand; hij had een grijzen linnen rok met staanden kraag aan en scheen buiten adem van het klimmen naar de vijfde verdieping. Zijn manier van optreden was zeer vriendelijk en minzaam en zijn gang was klankrijk als wanneer het kantoor van een bankier aan het wandelen zou gaan.
Rodolphe was een oogenblik angstig; hij meende, bij den aanblik van den driekanten hoed en den rok, een politie-agent voor zich te zien.
Maar het zien van den vrij goed gespekten geldzak genas hem van zijn dwaling.
„O, nu begrijp ik het,” dacht hij, „dat is een voorschot op mijn erfenis en die man komt van de Eilanden .... Maar waarom is hij dan geen neger?” Hij gaf den onbekende een wenk en zeide, op den geldzak wijzend:
„Ik weet wat het is. Leg hem daar maar neer. Dank je wel.”
De vreemdeling was een wissellooper van de Banque de France en hield, als antwoord op Rodolphe’s uitnoodiging, dezen een klein papiertje met veelkleurige teekens en cijfers onder den neus.
„U wilt een bewijs van ontvangst?” vroeg Rodolphe. „Ja, dat hoort zoo. Geef me maar even pen en inkt.”
„Neen, ik kom zelf wat ontvangen,” antwoordde de wissellooper; „een bedrag van honderdvijftig francs. Het is vandaag 15 April.”
„Ach zoo!” zeide Rodolphe, terwijl hij den wissel bekeek.... „Order Birmann, dat is mijn kleermaker .... Helaas!” voegde hij er droefgeestig aan toe, terwijl hij afwisselend naar de over het bed liggende overjas en naar den wissel keek, „de oorzaken verdwijnen, maar de gevolgen blijven. Wat, is het vandaag 15 April! Merkwaardig! Ik heb nog geen aardbeien gegeten!”
De wissellooper, wien dat gepraat begon te vervelen, ging weg en zeide tot Rodolphe: „U hebt tot vier uur tijd om te betalen!”
„Voor eerlijke menschen is er geen uur,” antwoordde Rodolphe. „De intrigant”, voegde hij er woedend aan toe, terwijl hij met zijn blikken den financier met zijn driekanten hoed volgde; „hij neemt zijn geldzak weer mee.”
Rodolphe trok de gordijnen van zijn bed dicht en trachtte weer den weg van zijn erfenis terug te vinden; maar hij vergiste zich in de richting en kwam trotsch en wel terecht in een droom, waarin de directeur van het Théâtre-Français hem heel nederig een drama voor zijn schouwburg kwam vragen en Rodolphe, met de gebruiken bekend, een voorschot vroeg. Maar juist op het oogenblik, dat de directeur door den zuren appel scheen te willen bijten, werd de slaper opnieuw half wakker gemaakt door het binnenkomen van een tweeden persoon, een nieuw creatuur van den 15den April.
Het was mijnheer Benoît, de eigenaar van het hotel garni, waarin Rodolphe woonde; mijnheer Benoît was tegelijkertijd de huisheer, de schoenmaker en woekeraar voor zijn huurders; dien ochtend rook mijnheer Benoît sterk naar slechten brandewijn en vervallen rekeningen. Ook hij had een ledigen zak in zijn hand.
„Duivels!” dacht Rodolphe; „dat is de directeur van het Théâtre-Français niet .... die zou een witte das dragen .... en zijn geldzak zou gevuld zijn!”
„Morgen, mijnheer Rodolphe,” zeide mijnheer Benoît, op het bed toetredend.
„Mijnheer Benoît .... bonjour! Wat verschaft mij de eer van uw bezoek?”
„Ach, ik wilde u komen zeggen, dat het vandaag 15 April is!”
„Nu al? Wat gaat de tijd toch gauw! Het is ongelooflijk. Ik zal een nanking-broek moeten koopen. 15 April. Lieve Hemel, zonder u, mijnheer Benoît zou ik er nooit aan gedacht hebben. Wat een dank ben ik u verschuldigd!”
„U bent me ook honderd twee-en-zestig francs schuldig,” viel mijnheer Benoît hem in de rede. „En het wordt tijd, dat wij die kleine rekening eens in orde maken!”
„Ik heb absoluut geen haast, mijnheer Benoît .... Ik wil u graag tijd geven .... Die kleine rekening zal nog wel grooter worden ....”
„Maar u hebt mij al zoo dikwijls uitgesteld,” merkte de huisheer op.
„Nu, dan zullen we de zaak in orde maken, mijnheer Benoît, het is mij precies hetzelfde, vandaag of morgen ... En bovendien zijn we allen sterfelijk .... Laten we dus de zaak in orde maken ....”
Een beminlijke glimlach speelde bij die woorden over het gerimpelde gelaat van mijnheer Benoît; en zelfs zijn geldzak blies zich tot hoopvolle verwachting op.
„Wat ben ik u schuldig?” vroeg Rodolphe.
„In de eerste plaats een kwartaal huur tegen vijf-en-twintig francs per maand, dat maakt vijf-en-zeventig francs.”
„Vergissingen buitengesloten,” zeide Rodolphe. „En verder?”
„Verder drie paar schoenen à twintig francs.”
„Een oogenblikje, mijnheer Benoît, een oogenblikje; laten we de zaken niet verwarren; ik heb nu niet meer te doen met den huisheer, maar met den laarzenmaker ... ik verlang daarvoor een afzonderlijke rekening. Cijfers zijn ernstige dingen, daarbij moet je geen abuizen maken.”
„Voor mijn part,” zeide mijnheer Benoît, zacht gestemd door de hoop, dat hij eindelijk het woord: Voldaan onder de rekening zou kunnen zetten. „Hier is een afzonderlijke nota voor het schoeisel. Drie paar schoenen à twintig francs, maakt zestig francs.”
Rodolphe wierp een medelijdenden blik op een paar afgeloopen schoenen.
„Helaas!” dacht hij, „wanneer de Wandelende Jood ze gedragen had, zouden ze in geen deerniswaardiger toestand kunnen zijn. En toch zijn ze door het naloopen van Marie zoo versleten .... Ga verder, mijnheer Benoît.”
„Ik zeide dus zestig francs,” herhaalde deze. „Verder geleend zeven-en-twintig francs.”
„Wacht even, mijnheer Benoît. We hebben afgesproken, dat iedere heilige zijn eigen nis zou krijgen. U hebt mij dat geld geleend als vriend. Laten wij dus het gebied van het schoeisel verlaten en die van het vertrouwen en van de vriendschap, welke een afzonderlijke rekening vereischen, betreden. Hoe hoog loopt uw vriendschap voor mij?”
„Zeven-en-twintig francs.”
„Zeven-en-twintig francs. Dan hebt u een vriend voor een koopje, mijnheer Benoît. Enfin, laten we eens optellen: Vijf-en-zeventig, zestig en zeven-en-twintig ... Dat is samen?”
„Honderd twee-en-zestig francs,” zeide mijnheer Benoît en presenteerde tegelijk de drie nota’s.
„Honderd twee-en-zestig francs,” zeide Rodolphe .... „dat is merkwaardig. Wat is optellen toch een mooie kunst. Welnu, mijnheer Benoît, nu de rekening in orde gebracht is, kunnen we beiden gerust zijn en weten we waar we ons aan te houden hebben. De volgende maand zal ik u vragen de rekening voor Voldaan te teekenen, en daar in dien tijd het vertrouwen en de vriendschap, die gij voor mij koestert, slechts grooter kunnen worden, zult u mij voor het geval, dat dit noodig mocht zijn, opnieuw uitstel willen geven. Inmiddels zou ik, wanneer de huisheer en de laarzenmaker al te veel op betaling aandringen, den vriend vragen hen tot rede te brengen. Het is merkwaardig, mijnheer Benoît, maar telkens als ik aan uw drievoudige qualiteit van huisheer, laarzenmaker en vriend denk, voel ik de neiging in mij opkomen aan de Drieëenheid te gelooven.”
Terwijl Rodolphe sprak, was de huisheer tegelijk rood, groen, geel en wit geworden, en bij iedere nieuwe spotternij van zijn huurder nam deze regenboog der woede op zijn gelaat een meer intensieve kleur aan.
„Mijnheer,” antwoordde hij ten slotte, „ik houd er niet van voor den gek gehouden te worden. Ik heb lang genoeg gewacht. Ik zeg u de kamer op en indien u mij vanavond het geld niet geeft .... zal ik zien wat mij te doen staat ....”
„Geld! Geld! Vraag ik van u geld?” zeide Rodolphe. „En bovendien, zelfs al had ik het, dan zou ik het u niet geven .... het is vandaag Vrijdag, en dat brengt ongeluk aan ....”
De woede van mijnheer Benoît wakkerde aan tot een orkaan; en indien de meubelen niet zijn eigendom geweest waren, zou hij ongetwijfeld de pooten van een fauteuil stuk geslagen hebben.
In plaats daarvan ging hij, bedreigingen mompelend, weg.
„U vergeet uw geldzak!” riep Rodolphe hem achterna.
„Wat een baantje!” mompelde de jonge man, toen hij alleen was. „Ik zou nog liever leeuwentemmer zijn.”
„Maar,” ging Rodolphe voort, terwijl hij uit zijn bed sprong en zich vlug aankleedde, „hier kan ik niet blijven. De invasie der geallieerden zal hiermede nog wel niet geëindigd zijn. Ik moet vluchten, moet zelfs ontbijten. Wacht, als ik eens naar Schaunard ging. Ik kan bij hem eten en hem een paar sous te leen vragen. Honderd francs zullen voldoende voor mij zijn.... Naar Schaunard dus....”
Terwijl hij de trap afging, kwam hij mijnheer Benoît tegen, die bij zijn andere huurders nieuwe échecs geleden had, wat zijn ledige geldzak, in deze omstandigheden een luxevoorwerp, duidelijk aantoonde.
„Wanneer iemand naar me vraagt, moet u maar zeggen, dat ik buiten ben ... in de Alpen of zoo ....” zeide Rodolphe. „Of nog beter, dat ik hier niet meer woon.”
„Dan zeg ik tenminste de waarheid,” bromde mijnheer Benoît, terwijl hij aan zijn woorden een bijzonderen nadruk gaf.
Schaunard woonde in Montmartre. Dus moest Rodolphe heel Parijs door. Die wandeling was voor Rodolphe allergevaarlijkst.
„Vandaag,” zeide hij tot zichzelf, „zijn de straten met schuldeischers geplaveid.”
Toch ging hij niet, zooals hij eigenlijk het liefst gedaan had, de buitenboulevards. Een phantastische hoop drong hem den gevaarlijken weg door het centrum van Parijs te volgen. Op een dag, dat de millioenen in het openbaar op den rug der wisselloopers wandelen, dacht Rodolphe, zou het heel goed kunnen gebeuren, dat een onderweg vergeten billet van duizend francs op zijn Vincentius de Paula1 lag te wachten. Hij liep daarom langzaam en met zijn hoofd naar den grond. Doch hij vond slechts twee spelden.
Na verloop van twee uur kwam hij eindelijk bij Schaunard aan.
„Zoo, ben jij het?” zeide deze.
„Ja, ik kom vragen, of ik bij je dejeuneeren mag.”
„O je, dat treft slecht; ik heb zoo juist bezoek gehad van mijn maîtresse, die ik in geen veertien daag gezien had; als je tien minuten eerder was gekomen ....”
„Maar heb je dan niet een honderd francs voor me te leen?” viel Rodolphe hem in de rede.
„Wat?” antwoordde Schaunard vol verbazing; „kom jij me ook al geld vragen? Schaar je je bij mijn vijanden?”
„Ik zal ze je Maandag teruggeven.”
„Of met St. Juttemis. Maar ben je dan vergeten, mijn waarde, welke dag het vandaag is. Ik kan je onmogelijk helpen. Maar je behoeft niet te wanhopen, de dag is nog niet om. Je kunt de Voorzienigheid nog tegenkomen, die staat nooit vòòr twaalven op.”
„Lieve Hemel!” zeide Rodolphe; „de Voorzienigheid heeft het veel te druk met de vogeltjes. Ik zal liever maar naar Marcel gaan.”
Marcel woonde toentertijd in de rue de Bréda. Rodolphe vond hem in een gedrukte stemming zitten voor zijn groot doek, dat den doortocht door de Roode Zee moest voorstellen.
„Wat scheelt eraan?” vroeg Rodolphe bij zijn binnenkomen, „je ziet er zoo in-bedroefd uit.”
„Ach God!” zeide de dichter; „ik leef nu al veertien dagen in de Stille Week.”
Voor Rodolphe was dit allegorische antwoord zoo helder als bronwater.
„Gezouten haring en ramenas! Dat ken ik!”
Inderdaad voelde Rodolphe nog altijd een zouten smaak in zijn mond, wanneer hij dacht aan den tijd, dat hij tot het exclusieve gebruik van die visschen gedoemd was.
„Alle duivels!” zeide hij, „dat is ernstig! Ik kwam je juist honderd francs vragen.”
„Honderd francs!” zeide Marcel .... „Je zweeft dus altijd nog in fantastische regionen. Me deze mythologische som te komen vragen op een tijdstip, dat je geregeld onder den aequator van de misère zit. Heb je soms hatchiche2 gebruikt?”
„Ik heb helaas heelemaal niets gebruikt!” zuchtte Rodolphe.
En hij liet zijn vriend aan het strand der Roode Zee achter.
Van twaalf tot vier uur zocht Rodolphe al zijn kennissen op; hij doorliep de acht-en-veertig stadsdeelen en legde, doch zonder eenig succes, acht mijlen af. De invloed van den 15den April deed zich overal met dezelfde strengheid gelden; intusschen naderde het uur van het diner. Maar het leek er niet veel op, dat het diner met het uur naderde. Rodolphe had een gevoel, alsof hij op het vlot der Medusa was.
Toen hij den Pont Neuf over ging, viel hem plotseling iets in:
„O, o!” zeide hij tot zichzelf, terwijl hij rechtsomkeert maakte, 15 April, 15 April .... maar ik heb een uitnoodiging voor vandaag om te dineeren.”
Hij zocht in zijn zakken en vond er een gedrukt billet van den volgenden inhoud:
Barrière de la Villette
In den grooten Overwinnaar.
Salon voor drie honderd couverts
Jaarlijksch Banket Ter eere van de Geboorte van den Messias der Menschheid op 15 April 184...
Geldig voor één persoon.
N.B. Men heeft slechts recht op een halve flesch wijn.
„Ik deel weliswaar de meeningen der discipelen van den Messias niet,” zeide Rodolphe tot zichzelf, „maar ik wil met genoegen hun voedsel deelen.” En met de snelheid van een vogel verslond hij den afstand, die hem van de barrière de la Villette scheidde.
Toen hij in de salons van den Grooten Overwinnaar kwam, was er een ontzaglijke menigte bijeen .... De salon voor driehonderd couverts bevatte vijfhonderd personen. Een uitgestrekte horizont van kalfsvleesch met peen doemde op voor Rodolphe’s blik.
Eindelijk begon men de soep op te doen.
Juist toen de gasten den lepel naar hun mond brachten, deden plotseling vijf of zes personen in burgerkleeding met verscheidene agenten en een commissaris van politie een inval in de zaal.
„Mijne heeren!” zeide de commissaris, „op hoog bevel mag dit banket niet plaats hebben. Ik verzoek u dit lokaal te verlaten.”
„O, o!” zuchtte Rodolphe, terwijl hij met de anderen de zaal verliet: „het noodlot heeft mijn bord soep omgegooid!”
Droefgeestig gestemd ging hij weer op weg naar zijn kamer, waar hij om elf uur aankwam.
Mijnheer Benoît wachtte hem op.
„O, bent u het?” zeide de huiseigenaar. „Hebt u gedacht aan wat ik u van ochtend gezegd heb? Brengt u geld mede?”
„Ik moet het vannacht krijgen en zal het u dan morgenochtend geven,” antwoordde Rodolphe, terwijl hij in het hokje naar zijn sleutel en zijn kandelaar zocht. Hij vond geen van beide.
„Mijnheer Rodolphe,” zeide mijnheer Benoît, „het spijt me erg, maar ik heb uw kamer verhuurd; en een andere heb ik niet disponibel, u moet ergens anders een onderkomen zien te vinden.”
Rodolphe was voor geen klein geruchtje vervaard en een nacht onder den blooten hemel had voor hem niets verschrikkelijks. Bovendien kon hij bij slecht weer in een loge d’avant-scène van den Odéon overnachten, wat hem al meermalen overkomen was. Hij eischte echter eerst van mijnheer Benoît zijn „dingen” op, die uit een berg papieren bestonden.
„Volkomen juist,” zeide de huisheer; „ik heb niet het recht u die zaken af te nemen—zij liggen nog boven in de secretaire. Ga maar even mee; indien de persoon, die uw kamer gehuurd heeft, nog niet slaapt, kunnen we wel even binnen gaan.”
In den loop van den dag was de kamer verhuurd aan een jong meisje, Mimi, met wie Rodolphe indertijd een liefdes-duo begonnen was.
Zij herkenden elkaar dadelijk. Rodolphe fluisterde Mimi iets in het oor en drukte haar zacht de hand.
„Kijk eens hoe het regent!” zeide hij, terwijl hij haar opmerkzaam maakte op het onweer, dat juist losgebarsten was.
Mademoiselle Mimi liep regelrecht naar mijnheer Benoît, die in een hoek van de kamer stond te wachten, en zeide tegen hem, terwijl zij op Rodolphe wees:
„Mijnheer, mijnheer hier is degene, dien ik vanavond verwachtte .... Ik ben voor niemand verder thuis.”
„Zoo,” zeide mijnheer Benoît met den lach van een boer, die kiespijn heeft. „Het is goed!”
Terwijl Mimi inderhaast een geïmproviseerd souper klaarzette, sloeg het middernacht.
„God zij dank!” zeide Rodolphe, „15 April is voorbij en de Stormkaap is gelukkig omzeild. Lieve Mimi,” en hij sloot het mooie meisje in zijn armen en drukte haar een kus in haar hals; „ik wist vooruit, dat je het niet over je hart zou verkrijgen mij de deur uit te laten zetten. Jij bezit den gastvrijheidsknobbel!”