Hoofdstuk XI.

Een Café der Bohème.

Hier volgt het verhaal hoe Carolus Barbemuche, letterkundige en Platonisch wijsgeer, op zijn vier-en-twintigste jaar lid der bohème werd.

In dien tijd bezochten Gustave Colline, de groote wijsgeer, Marcel, de groote schilder, Schaunard, de groote musicus, en Rodolphe, de groote dichter, zooals zij elkaar onderling noemden, geregeld het café Momus, waar zij, omdat men ze altijd samen zag, den bijnaam van de „vier musketiers”1 gekregen hadden. Inderdaad kwamen zij samen, gingen samen, speelden samen, bleven soms samen hun vertering schuldig, alles met een eenheid, het orkest van het Conservatorium waardig.

Voor hun samenkomsten hadden zij een zaal gekozen, waarin veertig personen op hun gemak hadden kunnen zitten, maar men vond ze steeds alleen, want zij hadden ten slotte het vertrek voor de stamgasten onmogelijk gemaakt.

De toevallige bezoeker, die zich in dat hol waagde, werd onmiddellijk bij zijn binnentreden het slachtoffer van het ruwe quartet en maakte zich meestal uit de voeten zonder zijn courant gelezen of zijn kleintje koffie gedronken te hebben, waarvan de room door de ongehoorde aphorismen over kunst, liefde en staathuishoudkunde zuur werd. De gesprekken van het vriendenviertal waren van dien aard, dat de kellner, die hen bediende, in den bloei van zijn leven idioot geworden was.

Ten slotte liep het echter met de dwaasheden zoo de spuigaten uit, dat de eigenaar van het café zijn geduld verloor en op een goeden avond naar boven ging, om een ernstige uiteenzetting van zijn grieven te geven:

1o. Mijnheer Rodolphe kwam reeds vroeg in den ochtend dejeuneeren en nam alle couranten van het etablissement mede naar zijn salon: hij was daarbij zelfs zoo veeleischend, dat hij opspeelde, wanneer de strookjes verbroken waren. Dit had ten gevolge, dat de overige gasten, van alle organen der openbare meening verstoken, tot aan het diner omtrent de politiek van den dag zoo onwetend bleven als een visch. Het gezelschap Bosquet wist nauwlijks de namen der leden van het nieuwe ministerie.

Mijnheer Rodolphe had het café zelfs verplicht zich te abonneeren op den Castor, waarvan hij hoofdredacteur was. De eigenaar van het café had er zich eerst tegen verzet, maar daar mijnheer Rodolphe en zijn vrienden ieder kwartier den kellner met luide stem om den Castor vroegen, begonnen ook enkele andere stamgasten, wier nieuwsgierigheid door die herhaalde vragen gaande gemaakt was, naar dat blad te informeeren. Er werd dus een abonnement genomen op den Castor, een hoedenmakersvakblad, dat maandelijks met een vignet en wijsgeerig artikel van Gustave Colline verscheen.

2o. Genoemde mijnheer Colline en zijn vriend Rodolphe waren gewoon zich van hun geestelijke inspanning te verpoozen door van ’s ochtends tien tot ’s nachts twaalf uur tric-trac te spelen; en daar het etablissement slechts één tric-tracbord had, werden de andere bezoekers in hun hartstocht voor dat spel benadeeld door het inbeslagnemen van dat bord door die heeren, die telkens, als men er hen om kwam vragen, strijk en zet antwoordden:

„Het tric-tracbord is in handen. Kom morgen maar terug.”

Het gezelschap Bosquet zag zich dus genoodzaakt elkaar hun liefdesavonturen te vertellen of piquet te spelen.

3o. Uit het oog verliezend, dat een café een openbare plaats is, heeft mijnheer Marcel zich de vrijheid veroorloofd er zijn ezel, zijn verfdoos en alle verdere schildersbenoodigdheden heen te brengen. Zelfs drijft hij de onbeschaamdheid zoo ver, dat hij personen van verschillend geslacht er als model laat poseeren, wat de zedelijke gevoelens van het gezelschap Bosquet kan kwetsen.

4o. Het voorbeeld van zijn vriend volgend, heeft mijnheer Schaunard het plan zijn klavier naar het café over te brengen; ook heeft hij niet geschroomd er in koor een motief uit zijn symphonie: „De invloed van het blauw in de kunsten” te laten zingen. Mijnheer Schaunard is nog verder gegaan; hij heeft in de lantaarn, die als uithangbord voor het café dient, een transparant aangebracht met het opschrift:

GRATIS CURSUS IN VOCALE EN INSTRUMENTALE MUZIEK VOOR BEIDE GESLACHTEN.

Zich aan te melden aan het buffet.

Wat ten gevolge heeft, dat genoemd buffet ieder oogenblik overstroomd wordt door slechts oppervlakkig gekleede personen, die komen vragen „waar ze wezen motten.”

Bovendien geeft mijnheer Schaunard er rendez-vous aan een dame, die zich Phémie Klad noemt en nooit een hoed op heeft.

Mijnheer Bosquet Jr. heeft dan ook verklaard, dat hij geen voet meer zou zetten in een café, waar de natuur zoo met voeten getreden wordt.

5o. Ofschoon de heeren zich toch al met een zeer matige consumptie tevreden stelden, hebben zij getracht die nog meer te verminderen. Onder voorwendsel, dat zij de mokka op overspel met de chicorei betrapt hebben, hebben zij hier een spiritustoestel gebracht, waarop zij zelf koffie zetten, die zij aanzoeten met suiker, die buiten de deur tegen lagen prijs gekocht is, welke handelwijze een beleediging is voor de keuken van het etablissement.

6o. Door de gesprekken der heeren tot in den grond bedorven, heeft de kellner Bergami, zijn nederige afkomst en alle gevoel van schaamte uit het oog verliezend, zich vermeten aan de buffetjuffrouw een gedicht te richten, waarin hij haar aanspoort haar plichten als moeder en echtgenoote te verzaken; uit den verwarden stijl heeft men meenen te moeten opmaken, dat die brief geschreven is onder den verderfelijken invloed van mijnheer Rodolphe en diens letterkundige voortbrengselen.

Dientengevolge ziet de directeur van het etablissement zich tot zijn spijt verplicht het gezelschap-Colline te verzoeken een andere plaats voor zijn revolutionnaire samenkomsten te kiezen.

Gustave Colline, de Cicero der troep, nam nu het woord en bewees a priori aan den eigenaar van het café, dat zijn klachten belachelijk en ongegrond waren; dat het voor hem juist een groote eer was, indien men zijn inrichting ervoor uitkoos om er een haard van intelligentie van te maken; dat zijn en zijner vrienden vertrek den ondergang van zijn café zou veroorzaken, dat door hun tegenwoordigheid tot de hoogte van een artistiek en litterair café verheven was.

„Maar,” merkte de eigenaar van het café op, „u en uw vrienden verteert zoo weinig.”

„Deze matigheid, waarover gij u beklaagt, is een argument ten gunste van onze goede zeden,” was Colline’s antwoord. „Bovendien hangt het slechts van u af, of wij onze uitgaven kunnen vermeerderen; u behoeft dan slechts crediet te geven.”

„Wij willen zelfs het rekening-courantboek cadeau geven,” zeide Marcel.

De eigenaar deed, alsof hij het niet hoorde, en vroeg eenige inlichtingen omtrent den brandbrief, dien Bergami tot zijn vrouw gericht had. Rodolphe, die ervan beschuldigd was als secretaris voor dien ongeoorloofden hartstocht gediend te hebben, betuigde met vuur en ijver zijn onschuld.

„Trouwens,” voegde hij eraan toe, „de deugd van uw vrouw was een zekere barrière, die ....”

„O,” zeide de eigenaar met een glimlach van trots, „mijn vrouw is te Saint-Denis2 opgevoed.”

In het kort, Colline slaagde er tenslotte in den café-man te vangen in het net van zijn arglistige welsprekendheid, waarna de vrede hersteld werd op voorwaarde, dat de vier vrienden niet meer hun koffie zelf zouden zetten, dat het café een gratis-exemplaar van den Castor zou ontvangen, dat Phémie Klad een hoed zou opzetten, dat het tric-tracspel alle Zondagen van twaalf tot twee uur overgelaten zou worden aan het gezelschap Bosquet, en vooral, dat er geen nieuwe crediet zou gegeven worden.

Gedurende enkele dagen ging alles goed.

Den avond vòòr Kerstmis kwamen de vier vrienden in gezelschap van hun respectievelijke „echtgenooten” in het café.

Er waren dus mademoiselle Musette, mademoiselle Mimi, het nieuwe vriendinnetje van Rodolphe, een allerliefst persoontje met een stem, helder als een klok, en Phémie Klad, de afgod van Schaunard. Dien avond droeg Phémie Klad een mutsje. Mademoiselle Colline, die men nooit zag, was als gewoonlijk thuis gebleven, om komma’s in de handschriften van haar man te zetten. Na de koffie, die tegen alle gewoonten in door een bataillon glaasjes likeur geëscorteerd werd, bestelden zij punch. Weinig aan dergelijke uitspattingen gewend, liet de kellner de bestelling nog tweemaal herhalen. Phémie, die nog nooit in het café geweest was, scheen in extase, dat zij uit glaasjes met een voet mocht drinken. Marcel had het aan den stok met Musette over een nieuwen hoed, waarvan de herkomst hem verdacht voorkwam. Mimi en Rodolphe, die nog in de wittebroodsweken van hun samenleven waren, voerden een gesprek zonder woorden maar met allerlei vreemde geluiden. Wat Colline betreft, met een vriendelijken lach op zijn gelaat ging hij bij de dames alle galanterieën, die hij uit zijn collectie van den Almanach des Muses verzameld had, verkoopen.

Terwijl dit vroolijke gezelschap zich aldus aan spel en lach overgaf, keek een vreemdeling, die eenzaam aan een tafeltje achter in de zaal zat, met vreemde blikken naar het schouwspel, dat zich voor hem afspeelde.

Reeds sedert veertien dagen kwam hij iederen avond: hij was van alle bezoekers de eenige, die het vreeselijke lawaai, dat de bohémiens maakten, had kunnen uithouden. De lafste voor-de-gek-houderijen waren op zijn onverstoorbaarheid afgestooten; hij bleef met een mathematische regelmaat zijn pijp zitten rooken, zijn oogen starend op één punt, alsof hij een schat bewaken moest, het oor geopend voor alles, wat er om hem heen gezegd werd. Overigens scheen hij zachtmoedig en welgesteld, want hij bezat een horloge, dat door een gouden ketting in zijn zak in slaverij gehouden werd. Toen Marcel toevallig eens gelijk met hem aan het buffet stond, had hij gezien, dat hij een louis wisselde, om zijn vertering te betalen. Van dat oogenblik af noemden de vier vrienden hem den „kapitalist.”

Plotseling ontdekte Schaunard, die uitstekende oogen had, dat de glazen leeg waren.

„Voor den duivel,” zeide Rodolphe; „het is de avond vòòr Kerstmis; wij zijn allen goede Christenen .... we moeten een extraatje nemen.”

„Waarachtig, zeker,” zeide Marcel, „laten we bovennatuurlijke dingen bestellen.”

„Colline,” voegde Rodolphe eraan toe, „bel den kellner eens.”

Colline belde als een bezetene.

„Wat zal het zijn?” vroeg Marcel.

Colline maakte met zijn bovenlichaam een hoek van vijf-en-veertig graden en zeide, op de dames wijzend:

„Het staat aan de dames om de volgorde en den aard der ververschingen te bepalen.”

„Ik,” zeide Musette, die met haar tong klapte, „ik zou een glas champagne niet graag weigeren.”

„Ben je niet wijs?” vloog Marcel op. „Champagne .... dat is zelfs geen wijn.”

„Dat kan me minder schelen, ik vind het lekker en het maakt lawaai.”

„Ik,” zeide Mimi, terwijl zij Rodolphe met een blik liefkoosde, „ik zou graag beaune willen hebben in zoo’n klein mandje.”

„Is jouw hoofd op hol?” vroeg Rodolphe.

„Neen, maar ik wil het laten hollen,” antwoordde Mimi, op wie de beaune een bijzonderen invloed had. Haar man werd door dat woord verpletterd.

„En ik,” zeide Phémie Klad, die op den elastischen divan op en neer zat te springen, „ik wil graag parfait amour. Dat is goed voor je maag.”

Schaunard bracht met zijn neusklank eenige woorden voort, die Phémie op haar basis deden sidderen.

„Ach wat!” zeide Marcel, „het is niet alle dagen ker(st)mis, laten we er voor dezen keer eens honderdduizend francs aan spendeeren.”

„En,” voegde Rodolphe eraan toe, „laten we niet vergeten, dat de baas zich beklaagt, dat we te weinig verteren.”

„Dat is zoo,” zeide Colline. „Laten we een schitterend festijn aanrichten: trouwens we zijn den dames de meest passieve gehoorzaamheid verschuldigd; de liefde leeft van zelfverloochening, de wijn is het sap van het pleizier; het pleizier is de plicht der jeugd,—de vrouwen zijn bloemen, je moet ze begieten. Laten we haar dus begieten! Kellner, kellner!”

En met een koortsachtige opgewondenheid ging hij aan het schelkoord hangen.

De kellner schoot toe als op de vleugelen van den wind.

Toen hij van champagne, beaune en diverse likeuren hoorde spreken, speelden zijn gelaatstrekken alle toonladders der verbazing af.

„Ik heb zoo’n leeg gevoel in mijn maag,” zeide Mimi, „ik zou wel trek in een paar sneedjes ham hebben.”

„En ik in sardientjes met boter,” voegde Musette eraan toe.

„En ik in radijs,” zeide Phémie, „met wat vleesch erom heen.”

„Zeggen jullie nou maar dadelijk, dat je een souper wilt hebben,” merkte Marcel op.

„Dat zou heusch zoo’n gek idée niet zijn,” antwoordden de vrouwen.

„Kellner, breng alles boven, wat voor een goed souper noodig is,” zeide Colline ernstig.

De kellner was van verbazing driekleurig geworden.

Langzaam liep hij naar het buffet en deelde daar den eigenaar van het café de buitengewone dingen mede, die ze hem besteld hadden.

De café-man dacht, dat het een grap was, maar toen er weer gescheld werd, ging hij zelf naar boven en wendde zich tot Colline, voor wien hij een zeker respect had. Colline legde hem uit, dat zij den réveillon bij hem wilden vieren en hij het bestelde dus moest laten brengen.

De eigenaar van het café antwoordde niets en ging met den kreeftengang weg, terwijl hij knoopen in zijn servet maakte. Een kwartier lang overlegde hij met zijn vrouw, tot deze, die dank zij de liberale opvoeding, die zij te Saint-Denis gehad had, een vereerster der schoone kunsten was, haar echtvriend wist over te halen het souper te laten opdienen.

„Eigenlijk heb je gelijk,” zeide hij; „het is best mogelijk, dat zij bij uitzondering eens geld hebben.” En hij gaf den kellner order alles wat besteld was boven te brengen. Dan verdiepte hij zich met een ouden stamgast in een partij piquet. Een fatale onvoorzichtigheid!

Van tien tot twaalf uur deed de kellner niets dan de trap op- en afloopen. Ieder oogenblik werden er extra-schotels besteld. Musette liet zich op zijn Engelsch bedienen en moest bij iederen hap een nieuw couvert hebben; Mimi dronk van alle wijnsoorten uit alle glazen; Schaunard had een onleschbaren Sahara in zijn keel; Colline onderhield, terwijl hij zijn servet met zijn tanden doorbeet, een kruisvuur met zijn oogen en kneep in den poot van de tafel, dien hij voor de knie van Phémie hield. Marcel en Rodolphe bleven echter stevig in den stijgbeugel der koelbloedigheid zitten en zagen niet zonder angst het uur der ontknooping naderen.

De vreemdeling keek met een ernstige nieuwsgierigheid naar dit tooneel; van tijd tot tijd zag men zijn mond als tot een glimlach opengaan; dan hoorde men een knarsend geluid, alsof er een raam dicht gedaan werd. Dat was de vreemdeling, die inwendig lachte.

Om kwart voor twaalf zond de buffetjuffrouw de rekening, die het ontzaglijke bedrag van 25 fr. 75 c. aanwees.

„Ja,” zeide Marcel, „nu zullen we moeten loten wie met den eigenaar zal moeten gaan onderhandelen. Dat zal een lang niet makkelijke zaak zijn.”

Ze namen een dominospel en trokken om het hoogste aantal.

Het lot wees ongelukkigerwijze Schaunard als plenipotentiaris aan. Schaunard was een uitstekend virtuoos, maar een slecht diplomaat. Hij kwam juist bij het buffet, toen de waard van zijn ouden stamgast verloren had. Woedend over zijn schandelijk verlies, was Momus in het humeur van een menscheneter en geraakte bij de eerste woorden van Schaunard in een hevigen toorn. Schaunard was een goed musicus, doch had een buitengewoon heftig karakter. Hij antwoordde met dubbel zoo grof geschut. De twist werd zoodoende hoe langer hoe giftiger, en ten slotte stormde de waard naar boven, om te zeggen, dat hij ze niet zou laten vertrekken, vòòr alles betaald was. Colline trachtte met zijn kalmeerende welsprekendheid den storm te bezweren, doch toen de café-man het servet zag, waarvan Colline pluksel gemaakt had, barstte zijn woede in dubbele heftigheid los en waagde hij het, om tenminste eenige zekerheid te hebben, zijn profane hand uit te steken naar den notehoutkleurigen paletot van den philosoof en de mantels van de dames.

Een pelotonvuur van beleedigingen werd nu tusschen de bohémiens en den eigenaar van het établissement geopend.

Intusschen praatten de dames gezellig over vroegere amourettes en modenieuwtjes.

De vreemdeling echter liet nu zijn passieve houding varen; langzamerhand was hij opgestaan, had één pas gedaan, dan twee en liep ten slotte als een heel gewoon mensch op zijn twee beenen; hij kwam naar den café-man toe, nam hem ter zijde en praatte heel zachtjes met hem. Rodolphe en Marcel volgden hem met de oogen. Eindelijk was het gesprek afgeloopen en zeide de waard tot den vreemdeling:

Zeker vind ik het goed, mijnheer Barbemuche, zeker, maak u het maar met hen in orde.”

Mijnheer Barbemuche ging naar zijn tafeltje, om zijn hoed te halen, zette dien op, maakte een zwenking naar rechts, was in drie stappen bij Rodolphe en Marcel, nam zijn hoed af, boog voor de heeren, wierp den dames een groet toe, haalde zijn zakdoek te voorschijn, snoot zijn neus en nam dan met schuchtere stem het woord:

„Ik moet u vergiffenis vragen voor mijn indiscretie, heeren. Reeds lang brand ik van verlangen, om kennis met u te maken, maar tot nog toe heb ik geen gunstige gelegenheid gevonden, om mij aan u voor te stellen. Veroorlooft u mij deze, welke zich thans voordoet, aan te grijpen?”

„Zeker, zeker,” zeide Colline, die dadelijk begreep waar de vreemdeling heen wilde.

Rodolphe en Marcel bogen, zonder iets te zeggen.

De overdreven lichtgeraaktheid van Schaunard bedierf bijna alles.

„Neem me niet kwalijk, mijnheer,” zeide hij eenigszins heftig, „u hebt niet de eer ons te kennen en de etiquette verzet er zich tegen, dat .... Zoudt u de goedheid willen hebben mij wat tabak te geven .... Verder zal ik mij bij het gevoelen van mijn vrienden aansluiten...”

„Heeren,” begon Barbemuche, „ik ben evenals u een discipel der schoone kunsten. Voor zoover ik uit uw gesprekken heb kunnen opmaken, stemmen onze smaken overeen, waarom ik de vurige begeerte koester tot uw vriendenkring te mogen behooren en u iederen avond hier te kunnen ontmoeten .... De eigenaar van dit etablissement is een bruut, maar ik heb een paar woorden met hem gesproken, en gij zijt volkomen vrij om te gaan of te blijven ..... Ik waag het de hoop uit te spreken, dat u mij het middel, om u hier weer te ontmoeten, niet zult onthouden, door den kleinen dienst aan te nemen, dien ....”

Naar Schaunards wangen steeg een kleur van verontwaardiging.

„Hij speculeert op onzen toestand,” zeide hij. „Wij mogen zijn aanbod niet aannemen. Hij heeft onze rekening betaald—ik zal met hem een partij billard spelen om vijf-en-twintig francs en hem een paar caramboles voorgeven.”

Barbemuche nam het voorstel aan en was verstandig genoeg de partij te verliezen; maar door dezen trek won hij de achting der Bohème. Men scheidde met de afspraak den volgenden dag weer samen te komen.

„Op die manier,” zeide Schaunard tot Marcel, „zijn we hem niets schuldig en is onze waardigheid gered.”

„En kunnen we bijna nog een souper van hem eischen,” voegde Colline eraan toe.


1 Toespeling op Dumas’ roman: „De drie musketiers”.

2 Te Saint-Denis was een kostschool, waar dochters van officieren van het Legioen van Eer werden opgevoed.

Hoofdstuk XII.

Een installatie in de Bohème.

Carolus Barbemuche had het den avond, waarop hij een door de bohémiens gebruikt souper uit zijn particuliere kas betaald had, zoo weten aan te leggen, dat Gustave Colline met hem het café verliet, om naar huis te gaan. Van af het oogenblik n.l., dat hij de bijeenkomsten van de vier vrienden in het etablissement, waar hij hen uit een pijnlijken toestand verloste, bijwoonde, had Colline zijn bijzondere aandacht getrokken en voelde hij zich aangetrokken tot dien Sokrates, wiens Plato hij later worden zou. Daarom had hij al dadelijk Colline uitverkoren, om zich in den vriendenkring te introduceeren. Onderweg stelde Barbemuche Colline voor even in een café, dat nog open was, binnen te loopen, om nog wat te gebruiken. Niet alleen sloeg Colline die uitnoodiging af, maar hij verhaastte nog zijn tred, toen hij genoemd café voorbijging, en drukte zijn hyperphysischen vilten hoed diep in zijn oogen.

„Waarom wilt u daar niet binnengaan?” vroeg Barbemuche, die met fijngevoelde beleefdheid aandrong.

„Daar heb ik mijn redenen voor,” antwoordde Colline. „De buffetjuffrouw in dat etablissement houdt zich veel met de exacte wetenschappen bezig, en wanneer wij er binnen gingen, zou het onvermijdelijk op een langdurig debat uitloopen, wat ik tracht te vermijden door noch op den middag, noch op andere uren, dat de zon schijnt, door deze straat te gaan. Dat is trouwens heel natuurlijk”, voegde hij eraan toe; „ik heb met Marcel in dezen wijk gewoond.”

„Toch zou ik graag onder het genot van een glas punch nog een oogenblikje met u praten. Weet u hier in de buurt niet een of ander lokaal, waar u zoudt kunnen gaan zonder bezwaren .... van natuur-philosophischen aard weerhouden te worden?” vroeg Barbemuche, die het noodig oordeelde buitengewoon geestig te zijn.

Colline dacht een oogenblik na.

„O, ja, dat is waar, hier is een lokaal, waar ik beter verschijnen kan.”

En hij wees op den winkel van een wijnhandelaar.

Barbemuche zette een leelijk gezicht en scheen te aarzelen.

„Is het een fatsoenlijke inrichting?” vroeg hij.

Zijn koude, gereserveerde houding, zijn weinige spraakzaamheid, zijn discreet glimlachje en vooral zijn horloge en zijn ketting met breloques hadden Colline op het denkbeeld gebracht, dat Barbemuche tot het een of ander gezantschap behoorde en bang was om zich te compromitteeren, wanneer hij in zoo’n kroeg kwam.

„Er is geen kans, dat wij gezien worden,” zeide hij; „op dit uur ligt het geheele corps diplomatique al onder de wol.”

Eindelijk besloot Barbemuche toch maar om naar binnen te gaan; maar met den geheimen wensch een kartonnen neus te hebben. Voor alle zekerheid vroeg hij een afzonderlijke kamer en hing een servet voor de ruiten van de glazen deur. Na deze voorzorgsmaatregelen scheen hij minder ongerust en bestelde een bowl punch. Door de warme drank wat opgewonden, werd Barbemuche iets spraakzamer; en na enkele bijzonderheden over zichzelf medegedeeld te hebben, waagde hij het de hoop uit te spreken, dat hij officieel in den bond der bohémiens zou worden opgenomen, en verzocht hij Colline’s medewerking om hem te helpen dit eerzuchtige plan te verwezenlijken.

Colline antwoordde, dat hij voor zijn persoon zich gaarne ter beschikking van Barbemuche stelde, doch dat hij hem natuurlijk niets zeker beloven kon.

„U kunt op mijn stem rekenen,” zeide hij, „maar ik kan natuurlijk niet op mij nemen over die van mijn vrienden te beschikken.”

„Maar om welke redenen zouden zij weigeren mij in hun kring op te nemen?”

Colline zette het glas, dat hij juist naar zijn mond wilde brengen, weer op tafel en vroeg met een zeer ernstig gelaat aan den vermetelen Carolus:

„Cultiveert u de schoone kunsten?”

„Ik bebouw op bescheiden wijze deze edele velden der intelligentie,” antwoordde Carolus, die de vlag van zijn kunst meende te moeten toonen.

Colline vond de phrase mooi gestyleerd en vroeg met een buiging:

„Doet u aan muziek?”

„Ik heb op den contrabas gespeeld.”

„Dat is een philosophisch instrument; die geeft zulke ernstige tonen. Welnu, daar gij dus verstand hebt van muziek, begrijpt u heel goed, dat men niet, zonder de wetten der harmonie te verstoren, een vijfden speler aan een quartet kan toevoegen; anders zou het geen quartet meer zijn.”

„Dat is zoo, dan wordt het een quintet,” antwoordde Carolus.

„U zegt?” vroeg Colline.

„Een quintet.”

„Precies—juist op dezelfde wijze, alsof je aan de Drieëenheid, dien goddelijken driehoek, een vierden persoon toevoegde; het zou dan een vierhoek vormen, maar de godsdienst zou zijn basis verloren hebben.”

„Neem me niet kwalijk,” zeide Carolus; wiens verstand te midden van al die doornstruiken van Colline’s logica begon te struikelen, „maar ik zie niet in ....”

„Let eens goed op,” ging Colline voort; „hebt u verstand van astronomie?”

„Een beetje .... ik ben bachelier.”1

„Daar bestaat nog een liedje over,” zeide Colline: „Bachelier de Lisette .... Het wijsje herinner ik me niet meer .... Dus dan weet u natuurlijk, dat er vier hoofdwinden bestaan. Welnu, als er nu plotseling een hoofdwind bijkwam, dan zou de heele harmonie der natuur verstoord worden. Dat noemt men een cataclysme. Begrijpt u me?”

„Ik wacht op de slotsom.”

„Inderdaad de slotsom is het slot van een rede, evenals de dood het einde van het leven en het huwelijk het einde van de liefde is. Welnu, mijn waarde heer, mijn vrienden en ik zijn gewoon met elkaar te leven en wij zijn bang door de opneming van een vijfde in onzen kring, de harmonie, die in ons concert van zeden, meeningen, smaak en karakter heerscht, te verstoren. Wij moeten eenmaal de vier hoofdwindstreken der moderne kunst worden; ik zeg u dit zonder er doekjes om te winden; en daar wij nu eenmaal met dat denkbeeld vertrouwd zijn, zou het ons onaangenaam stemmen nog een vijfde hoofdwindstreek te zien.”

„Maar wanneer je met je vieren bent, kan je toch even goed met je vijfjes zijn,” waagde Carolus op te merken.

„Ja, zeer zeker, maar dan ben je niet meer met je vieren.”

„Dat is een nietswaardige uitvlucht.”

„Er is niets nietswaardigs in deze wereld, alles is in alles, kleine beken maken groote rivieren, kleine lettergrepen maken alexandrijnen en bergen zijn uit zandkorrels opgebouwd; dat las ik dezer dagen in de Sagesse des nations; u kunt een exemplaar daarvan op den quai vinden.”

„U denkt dus, dat de heeren bezwaar zullen hebben mij in hun intiemen kring op te nemen?”

„Ik ben er wel eenigszins bang voor. Maar vertel me eens, waarde heer, welke vore beploegt u het liefst in de edele velden der intelligentie?”

„De groote wijsgeeren en de goede klassieke schrijvers zijn mijn voorbeelden, ik voed mij met hun studie. Télémaque heeft mij het eerst den hartstocht, die mij verteert, ingeboezemd.”

Télémaque vind je bij hoopjes op de boekenstalletjes,” zeide Colline. „Onlangs heb ik er nog een voor vijf sous gekocht, omdat het een koopje was. Maar ik wil het u, om u een pleizier te doen, graag afstaan. Overigens een goed en voor den toenmaligen tijd heel aardig samengesteld werk.”

„Ja, mijnheer,” ging Carolus voort, „de hooge philosophie en de gezonde litteratuur, daarheen gaat mijn streven; mijns inziens is de kunst een priesterschap.”

„Zeker, zeker ....” zeide Colline; „daar bestaat nog een liedje op.”

En hij begon te zingen:

„Oui, l’art est un sacerdoce

Et sachons nous en servir.

Ik geloof dat het uit Robert le Diable is,” voegde hij eraan toe.

„Ik zeide dus,” ging Barbemuche voort, „dat de kunst een heilig beroep is en dat de schrijvers dus onophoudelijk ....”

„Pardon, mijnheer,” viel Colline, die een laat uur had hooren slaan, hem in de rede; „het zal zoo dadelijk ochtend zijn en ik ben erg bang, dat ik door nog langer uit te blijven iemand, die mij dierbaar is, ongerust zal maken; trouwens,” mompelde hij nog in zichzelf, „ik had haar beloofd vroeg thuis te komen; het is vandaag haar ontvangdag!”

„Inderdaad het is tamelijk laat!” zeide Carolus. „Laten we naar huis gaan.”

„Woont u ver hiervandaan?”

„Rue Royale-Saint-Honoré, 10.”

Colline was bij een vroegere gelegenheid eens in dit huis geweest en herinnerde zich, dat het een prachtig heerenhuis was.

„Ik zal morgen met de heeren over u spreken,” zeide hij bij het afscheid nemen tot Carolus, „en ik beloof u, dat ik al mijn invloed zal aanwenden, om ze gunstig voor u te stemmen .... A propos, mag ik u nog een raad geven?”

„Gaarne”.

„Wees aardig en galant tegenover de dames. Mimi, Musette en Phémie hebben een niet geringen invloed op mijn vrienden, en wanneer u het zoo weet aan te leggen, dat zij onder den druk van hun maîtressen komen, dan zult gij veel makkelijker bereiken, wat gij van Marcel, Schaunard en Rodolphe gedaan wilt krijgen.”

„Ik zal er mijn best voor doen.”

Den volgenden dag viel Colline als een bom te midden van het gezelschap der bohémiens: het was op het ontbijtuurtje, en ditmaal was werkelijk het ontbijt met het uur gekomen. De drie paren zaten aan tafel en deden zich te goed aan een orgie van artisjokken in pepersaus.

„Alle donders!” zeide Colline; „het gaat hier royal toe, dat zal niet lang zoo kunnen duren. Ik kom,” ging hij voort, „als gezant van den edelmoedigen sterveling, dien wij gisteravond in het café ontmoet hebben.”

„Zou hij nu het geld al komen terugvragen, dat hij ons voorgeschoten heeft?” vroeg Marcel.

„He,” zeide mademoiselle Mimi, „dat zou ik nooit van hem gedacht hebben, hij ziet er zoo fatsoenlijk uit.”

„Daar is geen sprake van,” antwoordde Colline; „de jonge man zou gaarne in onzen kring worden opgenomen; hij wil aandeelen in onze maatschappij nemen en, zooals van zelf spreekt, ook de voordeelen daarvan genieten.”

De drie bohémiens keken elkaar aan.

„Het voorstel is ingediend,” eindigde Colline; „de discussies erover kunnen geopend worden.”

„Welke maatschappelijke positie bekleedt je beschermeling?” vroeg Rodolphe.

„Hij is geen beschermeling van me,” antwoordde Colline; „toen we gisteren avond uiteen gingen, hebben jullie me gevraagd hem te volgen, en hij, van zijn kant, noodigde me uit om met hem mede te gaan, dat viel dus prachtig samen. Ik heb hem dus gevolgd; en hij heeft mij een gedeelte van den nacht met allerlei attenties en fijne likeuren overstelpt, maar desniettemin heb ik mijn onafhankelijkheid bewaard.”

„Bravo!” zeide Schaunard.

„Geef ons een schets van eenige van zijn hoofdkaraktertrekken,” vroeg Marcel.

„Zielegrootheid, strenge zeden, bang om een wijnkroegje binnen te gaan, eind-examen gymnasium, de oprechtheid in eigen persoon, speelt op den contrabas, een natuur, die tusschenbeide vijf francs wisselt.”

„Bravo!” zeide Schaunard.

„Wat verwacht hij van ons?”

„Zooals ik reeds zeide, kent zijn eerzucht geen grenzen; zijn ideaal is ons te tutoyeeren.”

„Met andere woorden, hij wil ons exploiteeren, hij wil in onze karossen gezien worden.”

„En wat is zijn beroep?” was Marcels vraag.

„Zijn kunstrichting? Zijn beroep? Litteratuur en philosophie door elkaar.”

„Waaruit bestaat zijn philosophische kennis?”

„Hij beoefent een kleinsteedsche wijsbegeerte. Hij noemt de kunst een priesterschap.”

„Een priesterschap!” riep Rodolphe verschrikt uit.

„Hij zegt het.”

„En tot welke litteratuurrichting behoort hij?”

„Hij leest druk in Télémaque.”

„Bravo!” riep Schaunard, die op de wortels der artisjokken zat te knabbelen.

„Wat, bravo, stommeling?” viel Marcel hem in de rede. „Zeg zoo iets als het je blieft niet, wanneer er andere menschen bij zijn.”

Schaunard gaf, in zijn woede over die terechtwijzing, Phémie, die hij op een aanval op zijn saus betrapte, bovendien nog onder de tafel door een trap.

„Nog een vraag,” zeide Rodolphe; „wat is zijn positie in deze wereld? Waarvan leeft hij? Hoe heet hij? Waar woont hij?”

„Zijn positie is zeer eervol; hij is leeraar in alle mogelijke vakken bij een rijke familie. Hij heet Carolus Barbemuche, verteert zijn inkomsten op zeer voorname wijze en woont in de rue Royale in een hôtel.”

„Een hôtel garni?”

„Neen, er zijn echte meubelen in.”

„Ik vraag het woord,” zeide Marcel. „Het is duidelijk, dat Colline omgekocht is; hij heeft voor een som van kleine glaasjes likeur zijn stem verkocht. Val mij niet in de rede,” zeide Marcel, die den wijsgeer zag opstaan, om te protesteeren; „je kunt straks antwoorden. Colline, die veile ziel, heeft u den vreemdeling onder een veel te gunstig aspect laten zien, dan dat het het beeld der waarheid kan zijn. Ik heb reeds gezegd, dat ik de bedoelingen van dezen vreemdeling doorzie. Hij wil op ons speculeeren. Hij denkt bij zichzelf: Kijk eens eventjes, dat zijn jongens, die carrière zullen maken; ik moet zien, dat ik me in hun zak verberg, dan kom ik tegelijk met hen aan den steiger van den roem.”

„Bravo,” zeide Schaunard; „is er geen saus meer?”

„Neen,” antwoordde Rodolphe; „de oplaag is uitverkocht.”

„Anderzijds,” ging Marcel voort, „streeft deze arglistige sterveling, welke door Colline beschermd wordt, misschien slechts met misdadige gedachten naar de eer, om in onzen kring opgenomen te worden. Wij zijn hier niet alleen, heeren,” ging de redenaar voort en wierp daarbij een welsprekenden blik op de dames; „en de protégé van Colline is mogelijk een trouwelooze verleider, die zich onder den mantel der litteratuur bij ons wil indringen. Denkt goed na! Ik voor mij stem tegen de toelating.”

„Ik vraag slechts het woord voor een rectificatie,” zeide Rodolphe. „In zijn merkwaardige improvisatie heeft Marcel gezegd, dat genoemde Carolus zich, met het doel om ons te onteeren, bij ons wil binnendringen onder den mantel der litteratuur.”

„Dat is een oratorische figuur,” zeide Marcel.

„Ik keur die figuur af; zij is slecht. De litteratuur heeft geen mantel.”

„Omdat ik hier de functies van rapporteur vervul,” zeide Colline opstaande, „zal ik de conclusies van mijn rapport verdedigen. De jalousie, welke onzen vriend Marcel verteert, heeft zijn verstand verstoord, de groote kunstenaar is krankzinnig ....”

„Tot de orde!” brulde Marcel.

„Zoo krankzinnig, dat hij, een zoo voortreffelijke teekenaar, in zijn rede een figuur gebruikt heeft, waarvan de onjuistheid door den geestigen redenaar, die vòòr mij gesproken heeft, ten duidelijkste is aangetoond.”

„Colline is een idioot!” riep Marcel uit en gaf een heftigen vuistslag op tafel, die geen kleine beroering onder de borden veroorzaakte, „Colline heeft niet het minste begrip van gevoelszaken; op dat gebied is hij te eenenmale onbevoegd; in plaats van een hart heeft hij een oud, beschimmeld boek!” (Langdurig gelach van Schaunard.)

Gedurende dit tumult schudde Colline den vloed van welsprekendheid, die hij tusschen de plooien van zijn witte das verborg. Toen de stilte weer hersteld was, ging hij verder:

„Mijne heeren, met één enkel woord zal ik de hersenschimmige vrees, die de vermoedens van Marcel misschien ten opzichte van Carolus in u wakker geroepen hebben, doen verdwijnen.”

„Probeer het maar eens,” zeide Marcel spottend.

„Dat zal me niet moeilijker vallen dan dit”, antwoordde Colline en blies een lucifer uit, waarmede hij zijn pijp aangestoken had.

„Maar spreek dan toch,” riepen Rodolphe, Schaunard en de vrouwen, die in het debat een levendig belang stelden, in koor uit.

„Mijne heeren,” zeide Colline, „hoewel ik persoonlijk en heftig in dezen kring ben aangevallen, hoewel men mij beschuldigd heeft den invloed, dien ik op u zou kunnen hebben, voor spiritualiën verkocht te hebben, zal ik toch, krachtig in het bewustzijn van mijn onschuld, niet antwoorden op de aanvallen, die gedaan zijn op mijn rechtschapenheid, oprechtheid en moraliteit.” (Beweging.) „Een eigenschap echter wil ik echter niet, dat ook maar één oogenblik in twijfel getrokken wordt.” (De redenaar slaat zich tweemaal op zijn buik.) Men heeft het willen doen voorkomen, alsof ik mijn u zoo welbekende voorzichtigheid verloren heb. Men beschuldigt mij in uw kring een sterveling te willen binnensmokkelen, die de bedoeling heeft een aanslag te plegen op uw liefdesgeluk. Deze veronderstelling is een beleediging, de eerbaarheid en den goeden smaak van de dames hier aangedaan. Carolus Barbemuche is foei leelijk,” (zichtbare tegenspraak op het gelaat van Phémie Klad. Lawaai onder de tafel, afkomstig van Schaunard, die de compromitteerende openhartigheid van zijn jonge vriendin met zijn voeten verbetert.)

„Maar,” ging Colline voort, „wat het ellendige argument, waarvan mijn tegenstander, door gebruik te maken van uw eersten schrik, een wapen smeedt tegen Carolus, geheel ontzenuwt: genoemde Carolus is een Platonisch wijsgeer.” (Sensatie op de bank der heeren, tumult op de bank der dames.)

„Platonisch, wat beteekent dat?” vroeg Phémie.

„Dat is de ziekte van mannen, die een meisje niet durven zoenen,” antwoordde Mimi. „Ik heb een minnaar van dat soort gehad, maar na twee uur heb ik bonjour tegen hem gezegd.”

„Je reinste onzin!” vond Musette.

„Je hebt gelijk, lieveling!” zeide Marcel tot haar; „Platonisme in liefde is hetzelfde als water in wijn. Laten we onzen wijn onversneden drinken.”

„En leve de jeugd!”

De verklaring van Colline had een voor Carolus gunstigen ommekeer veroorzaakt. De wijsgeer wilde van die goede wending, door zijn handige en welsprekende pleitrede te weeg gebracht, gebruik maken.

„Ik zie niet in”, ging hij voort, „welke bezwaren redelijkerwijze nog ingebracht kunnen worden tegen dezen jeugdigen sterveling, die ons in ieder geval een dienst bewezen heeft. Wat mij nu betreft, ik, dien men beschuldigt onbezonnen gehandeld te hebben door hem in onzen kring te willen doen opnemen, ik beschouw die meening als een aanslag op mijn waardigheid. Ik heb in deze zaak gehandeld met de listigheid van een slang, en wanneer dit beleid niet door een gemotiveerd votum erkend wordt, neem ik mijn ontslag.”

„Wil je de kabinetsquaestie stellen?” vroeg Marcel.

„Ja, die stel ik,” antwoordde Colline.

De drie bohémiens beraadslaagden onderling en verklaarden ten slotte eenstemmig, dat zij den wijsgeer het karakter van groot beleid, dat hij eischte, teruggaven. Colline liet daarop het woord aan Marcel, die, eenigszins teruggekomen van zijn vooringenomenheid, verklaarde, dat hij misschien voor de conclusies van den rapporteur zou stemmen. Maar alvorens het definitieve besluit, dat Carolus in de intimiteit van den vriendenkring zou worden toegelaten, te nemen, liet Marcel over het volgende amendement stemmen:

„Daar het toelaten van een nieuw lid in den vriendenkring een ernstige zaak is, en daar een vreemdeling, onbekend als hij is met de zeden, karakters en inzichten van zijn kameraden, er elementen van tweedracht in zou kunnen brengen, moet ieder der leden een dag met genoemden Carolus doorbrengen en een onderzoek instellen naar zijn leven, zijn smaak, zijn litteraire capaciteiten en zijn garde-robe. De bohémiens zouden elkaar dan hun particuliere indrukken mededeelen, waarna zij zouden stemmen over weigering of aanneming: verder zou Carolus, vòòr zijn toelating, een proeftijd van een maand moeten doormaken, dat wil zeggen, dat hij vòòr dien tijd niet het recht zou hebben hen te tutoyeeren en hun op straat een arm te geven. Op den dag der installatie zou het nieuw-aangenomen lid een schitterend feestmaal moeten geven, waarvan de kosten minstens twaalf francs zouden moeten bedragen.”

Dit amendement werd met drie stemmen tegen één, die van Colline, aangenomen; deze vond, dat men niet genoeg vertrouwen in hem had en dat dit amendement een nieuwe aanslag op zijn beleid was.

Dienzelfden avond ging Colline met opzet zeer vroegtijdig naar het café, om de eerste te zijn om Carolus te zien.

Hij behoefde niet lang te wachten: Carolus kwam weldra met drie reusachtige bouquetten rozen in de hand.

„Allemachtig!” riep Colline uit; „wat wilt u met dien tuin?”

„Ik heb gedacht aan wat u me gisteren gezegd hebt: uw vrienden zullen ongetwijfeld met hun dames komen, en daarom heb ik die bloemen meegebracht; zij zijn heel mooi.”

„Dat geloof ik graag; ze zullen u minstens vijftien sous gekost hebben.”

„Stel u voor! In de maand December. Als u nu vijftien francs zeide!”

„Lieve Hemel!” riep Carolus uit, „een trio daalders voor die eenvoudige kinderen van Flora, wat een dwaasheid! Is u misschien familie van de Cordillera’s? Welnu, waarde heer, dat zijn vijftien francs, die wij in den letterlijken zin des woords uit het raam zullen moeten smijten.”

„Wat wilt u daarmede zeggen?”

Colline vertelde nu welke jaloersche vermoedens Marcel onder zijn vrienden had gewekt, en bracht Carolus op de hoogte van de heftige discussie, die plaats had gehad tusschen de bohémiens naar aanleiding van zijn verzoek, om in den vriendenkring te worden opgenomen.

„Ik heb betoogd, dat uw bedoelingen zoo rein en zuiver en eerlijk mogelijk waren,” voegde Colline eraan toe; „maar de oppositie is niet minder krachtig geweest. Zorg er dus voor de jaloersche vermoedens, die men tegen u koesteren kan, niet aan te wakkeren door te galant tegen de dames te zijn; laten wij dus, om te beginnen, die bouquetten doen verdwijnen.”

En Colline nam de rozen en verborg ze in een kast, waarin ze alles en nog wat bewaarden.

„Maar dat is niet alles,” ging hij voort; „de heeren wenschen, alvorens op meer intiemen voet met u te komen, ieder afzonderlijk een onderzoek in te stellen naar uw karakter, uw smaak enz.”

En opdat Barbemuche zijn vrienden niet te veel aanstoot zou geven, gaf Colline hem in ruwe trekken een moreel portret van ieder der bohémiens.

„Tracht nu met ieder afzonderlijk op goeden voet te komen, dan zullen zij ten slotte allemaal voor uw toelating stemmen.”

Carolus stemde in alles toe.

Kort daarop verschenen de drie vrienden met hun respectievelijke „vrouwen”.

Rodolphe was zeer beleefd tegenover Carolus, Schaunard erg vertrouwelijk en familiaar, terwijl Marcel koel bleef. Carolus trachtte vroolijk en hartelijk te zijn tegenover de mannen, doch hield zich op een afstand van de dames.

Bij het afscheid noodigde Barbemuche Rodolphe uit den volgenden dag met hem te dineeren met het verzoek ’s middags reeds te komen.

De dichter nam de invitatie aan.

„Goed”, zeide hij tot zichzelf; „ik begin dus de enquête.”

Rodolphe zorgde den volgenden dag op het afgesproken uur bij Carolus te zijn. Barbemuche woonde inderdaad in een zeer mooi heerenhuis in de rue Royale en had daar een kamer, waarin een zeker confort heerschte. Wel verwonderde het Rodolphe, dat, hoewel het nog klaarlichte dag was, de luiken gesloten, de gordijnen dichtgetrokken en twee kaarsen op een tafel aangestoken waren. Hij vroeg Barbemuche naar de bedoeling daarvan.

„De studie,” zeide deze, „is de dochter van het mysterie en der stilte.”

Ze gingen zitten en begonnen te praten. Na een uur wist Carolus met een geduld en een oratorische handigheid, die oneindig was, een zin te pas te brengen, die, niettegenstaande zijn bescheiden vorm, niets meer of minder dan een sommatie aan Rodolphe was, om te luisteren naar de voorlezing van een klein werkje, dat de vrucht van de doorwaakte nachten van genoemden Carolus was.

Rodolphe begreep, dat hij gevangen was, en daar hij bovendien gaarne den stijl van Barbemuche wilde leeren kennen, boog hij zeer beleefd en verzekerde, dat het hem een waar genoegen en .....

Carolus wachtte het slot van den zin niet af, vloog naar de deur, schoof den grendel ervoor, draaide den sleutel om, ging naar Rodolphe terug en nam eindelijk een klein schrift, waarvan het kleine formaat en de geringe dikte een glimlach van tevredenheid op het gelaat van den dichter te voorschijn riepen.

„Is dat het manuscript van uw werk?” vroeg hij.

„Neen”, antwoordde Carolus, „dat is de catalogus van mijn manuscripten; ik zoek naar het nummer van het werkje, dat u mij wel wilt vergunnen u voor te lezen .. Hier is het: Don Lopez of het Noodlot, No. 14. Dat is op de derde plank.”

Hij opende een klein kastje, waarin Rodolphe tot zijn schrik een groote hoeveelheid handschriften zag staan, Carolus nam er een uit, sloot de kast en ging tegenover den dichter zitten.

Rodolphe wierp een blik op een der vier cahiers, waaruit het werk bestond, waarvan het formaat hem aan de Maliebaan deed denken.

„Enfin”, zeide hij tot zichzelf, „het is niet in verzen ... maar het heet Don Lopez!”

Carolus nam het eerste cahier en begon te lezen:

„In een kouden winternacht reden twee ruiters, dicht gewikkeld in hun jassen op twee trage muilezels naast elkaar op een der wegen, die de vreeselijke eenzaamheid der stille Sierra Morena ....”

„Lieve Hemel, waar ben ik!” dacht Rodolphe, die door dit begin verschrikt was. Carolus ging verder en las aan één stuk het eerste hoofdstuk, dat geheel in dien stijl geschreven was.

Rodolphe luisterde maar half en zon op een middel om te ontsnappen.

„Daar is wel een raam,” zeide hij tot zichzelf; „maar behalve dat het dicht is, zijn we hier op de vierde verdieping. Ha, nu begrijp ik al die voorzorgsmaatregelen.”

„Wat zegt u van mijn eerste hoofdstuk?” vroeg Carolus; „maar wat ik u verzoeken mag, spaar mij uw kritiek niet.”

Rodolphe meende zich te kunnen herinneren, dat hij stukken hoogdravende philosophie over den zelfmoord, door genoemden Lopez, den held van den roman, uitgesproken, gehoord had en antwoordde op goed geluk af:

„De groote figuur van don Lopez is zeer gewetensvol bestudeerd—het doet je onwillekeurig denken aan de Profession de foi du vicaire savoyard2; de beschrijving van den muilezel van don Alvar bevalt mij uitstekend en herinnert aan een schets van Géricault3. Het landschap geeft heele mooie lijnen; en wat de denkbeelden betreft, dat is zaad van Jean Jacques Rousseau, gezaaid op den bodem van Lesage. Echter moet ik één opmerking maken; U zet te veel komma’s en gebruikt te veel het woord: „in den vervolge”; dat is een aardige uitdrukking, die het van tijd tot tijd wel doet en aan het geheel kleur geeft, maar die je niet te dikwijls gebruiken moet.”

Carolus nam zijn tweede cahier op en las nogmaals den titel: Don Lopez of het noodlot.

„Ik heb indertijd ook een don Lopez gekend,” zeide Rodolphe; „hij handelde in sigaretten en chocolade uit Bayonne; hij was misschien wel familie van den uwe.. Doch lees verder ....”

Bij het einde van het tweede hoofdstuk viel de dichter Carolus in de rede:

„Begint u nog geen keelpijn te krijgen?” vroeg hij.

„Volstrekt niet,” antwoordde Carolus; „ik zal u nu de geschiedenis van Inésille voorlezen.”

„Ik ben er zeer nieuwsgierig naar .... Maar indien het u vermoeien mocht, dan zou ik ....”

„Hoofdstuk III!” zeide Carolus met een heldere stem.

Rodolphe nam Carolus aandachtig op en merkte, dat hij een zeer korten, dikken nek en een hoog roode gelaatskleur had.

„Ik heb nog één hoop,” dacht de dichter, nadat hij die ontdekking gedaan had;—„een beroerte!”

„Wij zullen nu met hoofdstuk IV beginnen. U wilt dan zeker wel zoo goed zijn mij te zeggen wat u van de liefdesscène denkt.”

En Carolus las verder.

Toen Carolus Rodolphe even aankeek om op zijn gelaat de uitwerking van het tweegesprek te lezen, zag hij, dat de dichter, gebogen over zijn stoel zijn hoofd rekte in de houding van iemand, die naar ververwijderde klanken luistert.

„Wat hebt u?” vroeg hij.

„Sst!” zeide Rodolphe; „hoort u niets? Het is net of ik: Brand hoor roepen! Willen we even gaan kijken?”

Carolus luisterde een oogenblik, doch hoorde niets.

„Dan zal ik een oorsuizing gehad hebben,” zeide Rodolphe; „lees verder; don Alvar interesseert me buitengewoon; het is een edele jongeling.”

Carolus las verder en legde al de muziek van zijn orgaan in de volgende woorden van den jongen don Alvar.

„O, Inésille, wie ge zijt, engel of demon, en wat ook uw vaderland moge zijn, mijn leven behoort u, en ik zal u volgen, zij het naar den hemel, zij het naar de hel.”

Op dat oogenblik werd er aan de deur geklopt; een stem buiten riep Carolus.

Het was de concierge, die een brief bracht, welken Carolus vlug open scheurde.

„Een leelijke streep door de rekening!” zeide hij; „wij zullen verplicht zijn de verdere lezing tot een volgenden keer uit te stellen; ik krijg nl. een bericht, dat mij noodzaakt onmiddellijk uit te gaan.”

„O”, dacht Rodolphe; „dat is een brief, die uit den hemel valt; ik herken daarop het zegel van de Voorzienigheid.”

„Indien u het goed vindt,” zeide Carolus, „dan zullen we samen de boodschap doen, waartoe deze tijding mij noodzaakt, dan kunnen we daarna gaan dineeren.”

„Ik ben geheel tot uw dienst,” zeide Rodolphe.

Toen hij ’s avonds weer in den vriendenkring zat, werd de dichter door zijn kameraden met vragen over Barbemuche bestormd.

„Ben je tevreden over hem? Heeft hij je goed onthaald?” vroegen Marcel en Schaunard.

„Ja, maar het heeft me heel wat gekost.”

„Wat? Heeft Carolus je laten betalen?” vroeg Schaunard met stijgende verontwaardiging.

„Dat niet, maar hij heeft me een roman voorgelezen, waarin don Lopez en don Alvar de hoofdpersonen zijn en de jeune premiers hun geliefden Engel of Demon noemen.”

„Ontzettend!” riepen alle bohémiens in koor.

„Maar”, vroeg Colline, „afgezien nu van de litteratuur, wat is je meening omtrent Carolus?”

„Barbemuche is een fatsoenlijke jonge man. Trouwens jullie kunnen persoonlijk je waarnemingen doen: Carolus wil ons n.l. een voor een als gast hebben. Schaunard is voor morgen te dejeuneeren gevraagd. Maar vertrouw, wanneer je naar Barbemuche gaat, de kast met manuscripten niet, dat is een gevaarlijk meubel.”

Schaunard was den volgenden dag precies op tijd bij Barbemuche en stelde een onderzoek in, zooals een beëedigd taxateur of een deurwaarder, die gerechtelijk beslag komt leggen, gewoon zijn in te stellen. Hij kwam dan ook terug met zijn hoofd vol aanteekeningen; hij had Carolus bestudeerd uit een oogpunt van zijn roerend goed.

„Nu?” zoo vroegen ze hem; „wat is jouw meening?”

„Die Barbemuche”, riep Schaunard uit; „loopt over van goede eigenschappen; hij kent de namen van alle wijnsoorten en heeft me dingen laten eten zòò lekker, als je ze bij mijn tante op haar verjaardag niet krijgt. Met de kleermakers uit de rue Vivienne en de laarzenmakers van de Panorama’s schijnt hij op den besten voet te staan. Bovendien heb ik opgemerkt, dat hij ongeveer even groot is als wij, zoodat we hem desnoods onze pakken kunnen leenen. Zijn zeden zijn minder streng dan Colline ons heeft willen doen gelooven; hij is overal heen meegegaan, waar ik hem wilde brengen, en hij heeft me getracteerd op een déjeuner in twee bedrijven, waarvan het tweede zich afgespeeld heeft in een kroeg van de halle, waarin ik heel goed bekend ben, omdat ik er in carnavalstijd heel wat orgieën heb medegemaakt. Carolus deed net alsof hij er thuis was. Marcel is voor morgen uitgenoodigd.”

Carolus wist, dat van de bohémiens Marcel zich het meest tegen zijn opneming in den vriendenkring verzette: hij ontving hem dan ook met de grootste voorkomendheid; maar vooral wist hij den kunstenaar voor zich te winnen door hem voor te spiegelen, dat hij portretten van de familie van zijn leerling te schilderen zou krijgen.

Toen het Marcels beurt was, om zijn bevindingen mede te deelen, merkten zijn vrienden niets meer van de vijandelijke gezindheid, die hij in den beginne ten opzichte van Carolus getoond had.

Den vierden dag deelde Colline Barbemuche mede, dat hij toegelaten was.

„Wat? Ben ik heusch toegelaten?” riep Carolus dol-verheugd uit.

„Ja”, antwoordde Colline, „maar als u u verandert.”

„Wat bedoelt u daarmede?”

„Ik bedoel, dat u nog een groot aantal vulgaire gewoonten hebt, die u u zult moeten afwennen.”

„Ik zal mijn best doen u in alles na te volgen,” antwoordde Carolus.

Gedurende zijn noviciaat bezocht de Platonische wijsgeer de bohémiens dagelijks, en daar hij op die manier in staat gesteld werd hun zeden grondiger te bestudeeren, kon het niet anders, of hij moest van de eene verbazing in de andere vallen.

Op een goeden morgen kwam Colline met een van vreugde stralend gezicht bij Barbemuche.

„Nu, mijn waarde,” zeide hij, „je bent definitief toegelaten. Nu blijft nog slechts over om den dag en de plaats voor het groote feestmaal vast te stellen, en ik kom nu daarover eens met je praten.”

„Maar dat treft prachtig,” antwoordde Carolus; „de ouders van mijn leerling zijn op dit oogenblik buiten en de jonge vicomte, wiens mentor ik ben, zal mij voor een avond de kamers wel willen afstaan: op die manier kunnen we het veel prettiger hebben, maar we zullen ook den jongen vicomte moeten inviteeren.”

„Dat zou prachtig zijn,” vond Colline. „Wij zouden de horizonten der litteratuur voor hem kunnen openen; maar geloof je, dat hij zijn toestemming geven zal?”

„Daar ben ik bij voorbaat zeker van.”

„Dan blijft nog alleen over den dag vast te stellen.”

„Dat zullen we vanavond in het café verder afspreken.”

Carolus ging nu dadelijk zijn leerling opzoeken en deelde hem mede, dat hij aangenomen was als lid van een voorname litterair-artistieke vereeniging, en dat hij, om zijn toelating te vieren, van plan was een diner en daarna een klein feestje te geven. Ten slotte noodigde hij hem uit aan de plechtige installatie deel te nemen ...

„En daar je toch niet laat thuis kunt komen en het feest wel tot na middernacht zal duren, zullen we voor alle gemak dat diner maar hier aan huis geven. François, je knecht, zal het niet verraden; je ouders zullen er dus niets van te weten komen en jij zult op die manier kennis maken met de geestrijkste menschen uit Parijs, kunstenaars en schrijvers.”

„Die al gedrukt zijn?” vroeg de jonge man.

„Zeker wel, gedrukt; een van hen is hoofdredacteur van de Echarpe, een tijdschrift waarop je moeder geabonneerd is; het zijn zeer gedistingeerde, bijna beroemde personen; ik ben hun intieme vriend. Zij hebben bekoorlijke vrouwen.”

„Komen er ook vrouwen bij?” vroeg de vicomte.

„Verrukkelijke schepsels.”

„O, ik ben u zeer dankbaar voor uw uitnoodiging, waarde meester; natuurlijk zullen we het feest hier geven; we zullen alle kroonluchters laten aansteken en de hoezen van de meubelen laten nemen.”

’s Avonds in het café vertelde Barbemuche, dat het feest den volgenden Zaterdag gegeven zou worden.

De bohémiens verzochten hun vriendinnen aan haar toilet te denken.

„Vergeet vooral niet,” zeiden zij tot haar, „dat we ditmaal in echte salons komen. Bereid je daar dus op voor: eenvoudige, maar rijke toiletten.”

Denzelfden dag nog werd de geheele straat er mede in kennis gesteld, dat Mimi, Phémie en Musette in de „wereld” zouden gaan.

Op den ochtend van de plechtigheid geschiedde nog het volgende: Colline, Schaunard, Marcel en Rodolphe begaven zich gezamenlijk naar Barbemuche, die zeer verwonderd was ze al zoo vroeg te zien.

„Er is toch niets gebeurd, waardoor het feest uitgesteld moet worden?” vroeg hij eenigszins ongerust.

„Ja en neen,” antwoordde Colline. „De zaak is deze. Tusschen ons gezegd en gezwegen, doen we onder ons nooit aan plichtplegingen; maar wanneer we met vreemden samenkomen, dan willen we graag een zeker decorum bewaren.”

„Welnu?” vroeg Barbemuche.

„Welnu”, ging Colline voort, „daar we vanavond den jongen edelman ontmoeten, die zijn salon voor ons opent, komen wij uit achting voor hem en uit achting voor onszelf je heel vriendschappelijk vragen, of je ons voor vanavond niet een paar kleedingstukken van goeden snit kan leenen. Je begrijpt even goed als wij, dat het voor ons zoo goed als onmogelijk is in trui en paletot de weelderige vertrekken van deze woning te bezoeken.”

„Maar,” zeide Carolus; „ik heb geen vier rokken.”

„Ach!” zeide Colline, „we zullen ons wel weten te behelpen met wat je hebt.”

„Kijk maar eens!” zeide Carolus en opende een tamelijk rijk voorziene kleerkast.

„Maar je hebt daar een compleet kleeding-arsenaal.”

„Drie hoeden!” zeide Schaunard in extase; „hoe kan je in Godsnaam drie hoeden hebben, als je maar één hoofd hebt.”

„En kijk eens wat een schoenen!” brulde Colline.

In een oogwenk hadden zij ieder een volledige uitrusting gekozen.

„Tot vanavond,” zeiden zij, terwijl zij afscheid namen van Barbemuche; „de dames zullen er schitterend uitzien.”

„Maar”, zeide Barbemuche met een blik op de geheel leeggeplunderde kast, „jullie laat voor mij niets over. Hoe moet ik jullie ontvangen?”

„O, jij”, zeide Rodolphe, „voor jou is het heel wat anders; jij bent de heer des huizes en behoeft het dus met de etiquette zoo nauw niet te nemen.”

„Maar ik heb alleen nog maar een kamerjapon, een slaapbroek, een flanellen vest en pantoffels over; jullie hebt alles weggenomen.”

„Wat hindert dat? Je bent bij voorbaat geëxcuseerd,” antwoordden de bohémiens.

Om zes uur werd er een prachtig diner in de eetzaal opgediend. De bohémiens arriveerden. Marcel hinkte een beetje en was in een slecht humeur. De jonge vicomte Paul snelde den dames tegemoet en geleidde ze naar de beste plaatsen. Mimi had een zeer fantastisch toilet aan. Musette was zeer uitdagend gekleed. Phémie geleek op een venster met gekleurde ramen, zij durfde bijna niet te gaan zitten. Het diner, dat twee en een half uur duurde, was zeer geanimeerd.

De jonge vicomte Paul, die Mimi tot tafeldame had, stootte haar ieder oogenblik met waren hartstocht aan met zijn voet. Phémie vroeg bij iedere gang tweemaal om dezen of genen schotel. Schaunard zwelgde in het druivennat. Rodolphe improviseerde sonnetten en brak bij het aangeven van den rhythmus de glazen. Colline praatte met Marcel, die nog steeds knorrig was.

„Wat heb je toch?” vroeg hij.

„Ik heb zoo’n vreeselijke pijn aan mijn voet en dat hindert me. Die Carolus heeft een voet als een jong meisje.”

„O, als het anders niet is,” vond Colline, „dan zullen we hem aan zijn verstand brengen, dat dit zoo niet langer gaat en dat hij „in den vervolge” zijn laarzen een paar nummers grooter moet laten maken. Wees maar gerust, dat zal ik wel in orde brengen. Maar ga nu mee naar den salon, waar liqueuren der Antillen ons roepen.”

Het feest begon met nieuwen glans en schittering. Schaunard zette zich voor den piano en speelde met een wonderbare bravoure zijn nieuwe symphonie: „De dood der jonkvrouw”. Het mooie gedeelte van de Schuldeischersmarsch had zoo’n succes, dat hij het driemaal moest herhalen. Na afloop waren er twee snaren gesprongen.

Marcel was nog steeds uit zijn humeur, en toen Carolus zich daarover bij hem beklaagde, antwoordde de schilder hem:

„Mijn waarde heer Barbemuche, wij zullen nooit op intiemen voet met elkaar omgaan. Ziehier de reden. Physieke verschillen zijn bijna altijd een zekere aanwijzing voor psychische verschillen. Op dit punt zijn de wijsbegeerte en geneeskunde het volmaakt eens.”

„En verder?”

„Welnu,” zeide Marcel en wees op zijn voeten, „je laarzen, die veel en veel te nauw voor mij zijn, toonen aan, dat we niet hetzelfde karakter hebben; overigens was je feestje heel charmant!”

Om één uur in den ochtend gingen de bohémiens langs een grooten omweg naar huis. Barbemuche was lichtelijk aangeschoten en sloeg allerlei onzin uit tegen zijn leerling, die op zijn beurt droomde van de blauwe oogen van mademoiselle Mimi.


1 Iemand, die toelatingsexamen voor de universiteit heeft gedaan.

2 „Geloofsbelijdenis van den savoyaardschen vicaris”. Vergelijk Rousseau’s Emile.

3 Géricault, een beroemd schilder, wiens doek „Vlot der Medusa”, in 1819 groot opzien verwekte en de eerste overwinning van het realisme in de schilderkunst genoemd wordt.