Het gebeurde eenigen tijd, nadat de dichter Rodolphe met de jonge mademoiselle Mimi een eigen huishoudentje had opgezet; sedert ongeveer acht dagen heerschte er in den geheelen vriendenkring een groote onrust naar aanleiding van de verdwijning van Rodolphe, die plotseling als in een nevel scheen te zijn opgelost. Ze hadden hem gezocht op alle plaatsen, waar hij gewoon was te komen, en overal kregen ze hetzelfde antwoord:
„We hebben hem in geen acht dagen gezien.”
Gustave Colline vooral was in duizend angsten en vreezen, en wel om de volgende reden. Eenige dagen te voren had hij Rodolphe een artikel van groote wijsgeerige waarde toevertrouwd, dat deze in de rubriek „Varia” van le Castor, het bekende hoedenmakersblad, waarvan hij hoofdredacteur was, zou opnemen. Was het philosophische artikel reeds voor de oogen van het verbaasde Europa verschenen? Dat was de vraag, die de ongelukkige Colline zich stelde; en men zal zich dien angst kunnen begrijpen, wanneer men weet, dat de philosoof nog niet het genoegen gehad had zich gedrukt te zien en dus van verlangen brandde, om te zien welken indruk zijn in cicero1 gedrukt proza zou maken. Om zich die bevrediging van zijn eigenliefde te verschaffen, had hij reeds zes francs uitgegeven voor verschillende leeszalen zonder er le Castor te vinden. Daar hij dit niet langer volhouden kon, zwoer Colline zich een duren eed, dat hij geen minuut rust zou nemen alvorens de hand op den onvindbaren redacteur van dat blad gelegd te hebben.
Geholpen door verschillende toevallige omstandigheden—het zou te veel tijd vorderen die alle te vertellen—gelukte het den wijsgeer zijn eed te houden. Twee dagen later had hij Rodolphe’s woning uitgevorscht en ging hij hem ’s morgens om zes uur opzoeken.
Rodolphe woonde toentertijd in een hôtel garni in een eenzame straat van den faubourg Saint Germain, waar hij de vijfde verdieping betrokken had, omdat er geen zesde was. Toen Colline bij de deur kwam, vond hij den sleutel niet in het slot steken. Hij klopte een minuut of tien zonder dat hij van binnen antwoord kreeg; op de aubade kwam zelfs de concierge af, die Colline vroeg kalm te zijn.
„U ziet toch wel, dat mijnheer slaapt,” zeide hij.
„Daarom wil ik hem wakker trommelen,” antwoordde Colline en begon opnieuw te kloppen.
„Dan wil hij u zeker niet antwoorden,” meende de concierge, terwijl hij voor de deur van Rodolphe een paar lakschoenen en een paar dameslaarsjes, die hij juist gepoetst had, neerzette.
„Wacht eens even,” zeide Colline, terwijl hij het mannelijke en vrouwelijke paar laarzen bekeek; „een paar nieuwe lakschoenen. Ik heb me zeker in de deur vergist; hier moet ik zeker niet zijn.”
„Wien moet u eigenlijk hebben?” vroeg de concierge.
„Vrouwenlaarsjes!” ging Colline voort als in zichzelf sprekend en denkend aan de strenge zeden van zijn vriend; „ja, ik heb me beslist vergist. Dit kan de kamer van Rodolphe beslist niet zijn.”
„Vraag excuus, mijnheer; dat is hier wel.”
„Zoo. Dan vergis jij je, beste man!”
„Hoe bedoelt u dat?”
„Dat je je beslist vergist,” zeide Colline, terwijl hij op de lakschoenen wees. „Wat zijn dat?”
„Dat zijn de schoenen van mijnheer Rodolphe; wat is daar voor verwonderlijks aan?”
„En die daar?” zeide Rodolphe en wees hem de dameslaarsjes; „zijn die ook van mijnheer Rodolphe?”
„Die zijn van zijn dame,” zeide de concierge.
„Van zijn dame?” riep Colline verbaasd uit. „Wat een wellusteling! Daarom wil hij natuurlijk niet open doen!”
„Lieve Hemel!” zeide de concierge; „die jonge man is toch vrij om te doen of te laten wat hij wil; als mijnheer mij zijn naam wil zeggen, dan zal ik mijnheer Rodolphe zeggen, dat u hier geweest is.”
„Neen”, zeide Colline, „nu ik eenmaal weet waar ik hem vinden kan, zal ik wel terugkomen.” En hij ging heen, om zijn vrienden het groote nieuws te gaan vertellen.
De lakschoenen van Rodolphe werden algemeen als fabels beschouwd, als een vrucht van Colline’s rijke fantasie, en éénstemmig werd verklaard, dat zijn maîtresse een paradox was.
En toch was die paradox een waarheid; want nog dienzelfden avond kreeg Marcel een collectieven brief voor alle vrienden van dezen inhoud:
„Mijnheer en Mevrouw Rodolphe, letterkundigen, hebben de eer u uit te noodigen voor een diner, dat zij zich voorstellen morgenavond om vijf uur precies te geven.
P.S. Er wordt van borden gegeten.”
„Mijne heeren,” zeide Marcel, die zijn vrienden met den inhoud van den brief in kennis stelde, „Colline heeft toch gelijk: Rodolphe heeft werkelijk een maîtresse; bovendien vraagt hij ons te dineeren en het postscriptum belooft zelfs tafelgerei. Ik wil u niet verhelen, dat deze laatste paragraaf mij een lyrisch-poëtische overdrijving toeschijnt; we zullen echter dienen af te wachten.”
Op het aangegeven uur gingen den volgenden dag Marcel, Gustave Colline en Alexander Schaunard, uitgehongerd alsof ze in geen dagen gegeten hadden, naar Rodolphe, dien zij bezig vonden te spelen met een roode kat, terwijl een jonge vrouw de tafel dekte.
„Heeren”, zeide Rodolphe, terwijl hij zijn vrienden de hand drukte en met een gebaar naar de jonge vrouw wees, „mag ik u de vrouw des huizes voorstellen?”
„Dan ben jij dus de heer des huizes?” zeide Colline.
„Mimi,” antwoordde Rodolphe, „ik stel je mijn beste vrienden voor, en doe nu de soep op.”
„O, mevrouw,” zeide Alexandre Schaunard, terwijl hij naar Mimi toe ging, „u zijt frisch als een woudbloem.”
Na zich overtuigd te hebben, dat er in werkelijkheid assietten op tafel stonden, informeerde Schaunard wat zij te eten zouden krijgen. Hij dreef de nieuwsgierigheid zoo ver, dat hij de deksels van de pannen nam, waarin het diner kookte. De aanwezigheid van een kreeft maakte een diepen indruk op hem.
Colline had Rodolphe even apart genomen, om hem naar zijn philosophisch artikel te vragen.
„Dat is op de drukkerij,” zeide Rodolphe. „Le Castor verschijnt a.s. Donderdag.”
Wij zullen niet trachten de vreugde van den wijsgeer te schilderen.
„Heeren”, zeide Rodolphe tot zijn vrienden; „jullie moeten het me niet kwalijk nemen, dat ik jullie zoolang zonder eenig bericht gelaten heb, maar ik was in mijn wittebroodsweken.”
En hij vertelde hun de geschiedenis van zijn „huwlijk” met dit bekoorlijke schepseltje, dat hem als bruidschat haar achttien jaar en zes maanden, twee porceleinen kopjes en een roode poes, eveneens Mimi genaamd, medegebracht had.
„En nu, heeren,” ging Rodolphe voort, „zullen wij onze nieuwe woning inwijden. Maar ik waarschuw je van te voren, dat het een eenvoudige burgerpot is en de truffels door de grootste hartelijkheid vervangen worden.”
Inderdaad bleef die bekoorlijke godin dan ook heerschen onder de gasten, die intusschen vonden, dat die „eenvoudige burgerpot” nog al meeviel. Rodolphe was dan ook „uit zijn slof geschoten.” Colline maakte er op opmerkzaam, dat de borden verwisseld werden en verklaarde op luiden toon, dat mademoiselle Mimi het blauwe lint waardig was, waarmede de keizerinnen van het fornuis gedecoreerd worden, een zin, die voor het jonge meisje zuiver Sanskriet was, en die Rodolphe voor haar aldus vertaalde, „dat zij een uitstekende keukenmeid zou zijn.”
Het optreden van de kreeft veroorzaakte een algemeene bewondering. Onder voorwendsel dat hij in de natuurlijke historie gestudeerd had, vroeg Schaunard het dier te mogen verdeelen; hij maakte zelfs van de gelegenheid gebruik om een mes te breken en zichzelf de grootste portie toe te eigenen, wat een algemeene verontwaardiging deed ontstaan. Doch Schaunard was niet gevoelig, vooral niet op het punt: kreeft; en toen er nog een portie overbleef, was hij brutaal genoeg die apart te leggen onder voorwendsel, dat die hem als model moest dienen voor een stilleven, dat hij juist onder handen had.
In hun toegeeflijke vriendschap deden de kameraden, alsof zij aan dezen leugen, die de vrucht van een onmatige eetlust was, geloof schonken.
Colline daarentegen bewaarde al zijn sympathieën voor het dessert en weigerde zelfs halsstarrig om zijn deel van de rhumkoek te ruilen voor een toegangsbewijs voor de orangerie te Versailles, wat Schaunard hem voorstelde.
Het discours werd langzamerhand geanimeerder.
Op de drie flesschen met roode capsules volgden er drie met groene, in het midden waarvan ze weldra een flesch zagen te voorschijn komen, welker met een zilveren helm bedekte hals dadelijk verried, dat zij tot het regiment van Royal-Champenois behoorde. Het was een imitatie-champagne, die in de wijnbergen van Saint-Ouen geoogst was en te Parijs voor twee francs verkocht werd wegens liquidatie, zooals de wijnhandelaar beweerde.
Maar niet het land maakt den wijn, en onze bohémiens aanvaardden den drank, dien ze in speciaal daarvoor bestemde glazen kregen, als echte Champagne en waren ondanks de weinige opgewektheid, waarmede de kurk uit zijn gevangenis ontsnapte, in extase over het voortreffelijke merk, toen zij de groote hoeveelheid schuim zagen. Schaunard gebruikte daarbij de rest van zijn bezinning, om zich in de glazen te vergissen en dat van Colline te ledigen, die op zijn beurt met het ernstigste gezicht van de wereld zijn beschuit in den mosterdpot doopte en mademoiselle Mimi het wijsgeerige artikel, dat in le Castor moest verschijnen, trachtte uit te leggen. Terwijl hij daarmede bezig was, werd hij plotseling bleek en vroeg permissie of hij even aan het raam naar de ondergaande zon mocht gaan kijken, hoewel het al tien uur was en de zon reeds lang onder de wol lag.
„Het is jammer, dat de champagne niet gefrappeerd is,” zeide Schaunard, die nogmaals trachtte zijn leeg glas te verwisselen voor een vol van zijn tafelbuurman, welke poging echter ditmaal geen succes had.
„Mevrouw,” zeide Colline, die genoeg versche lucht gehapt had, tegen Mimi, „je koelt champagne met ijs, ijs wordt gevormd door condensatie van water, aqua in het Latijn. Water bevriest bij twee graden, en er zijn vier jaargetijden, zomer, herfst en winter. Dat is de oorzaak geweest van den terugtocht uit Rusland; Rodolphe, geef mij nog een hemistichium champagne!”
„Wat zegt je vriend toch?” vroeg Mimi, die er niets van begreep, aan Rodolphe.
„O, hij vraagt, of ik hem nog een half glas Champagne wil geven,” antwoordde deze.
Plotseling gaf Colline Rodolphe een harden klap op zijn schouder en zeide stotterend, alsof de lettergrepen als taai-taai tusschen zijn lippen bleven zitten:
„Het is morgen Donderdag, niet?”
„Neen, het is morgen Zondag.”
„Neen, Donderdag.”
„Neen, heusch niet, Zondag.”
„O, Zondag,” zeide Colline, terwijl hij zijn hoofd heen en weer wiegde, „meestal is het morgen Don...der...dag...”
En terwijl hij zijn gezicht in de ijspudding, die nog op zijn bord lag, drukte, sliep hij in.
„Wat wil hij toch eigenlijk met zijn Donderdag?” vroeg Mimi.
„O, nou ben ik er achter!” antwoordde Rodolphe, die de halsstarrigheid van den door zijn idée fixe gekwelden wijsgeer begon te begrijpen; „dat komt door zijn artikel in Le Castor ... Luister maar, hij droomt er hardop van.”
„Goed”, zeide Schaunard, „dan krijgt hij ook geen koffie, niet waar mevrouw?”
„Dat is waar ook, Mimi,” zeide Rodolphe, „presenteer de koffie eens.”
Zij wilde juist opstaan, toen Colline, die van de ijspudding zijn koelbloedigheid eenigszins teruggekregen had, haar om haar middel vatte en haar vertrouwelijk in het oor fluisterde:
„Mevrouw, de koffie is afkomstig uit Arabië, waar hij door een geit ontdekt is. Van daar uit kwam de gewoonte om koffie te drinken naar Europa. Voltaire dronk twee-en-zeventig koppen per dag. Ik drink ze zonder suiker, maar graag heel warm.”
„Lieve Hemel, wat een knappe vent!” dacht Mimi, terwijl zij de koffie en de pijpen bracht.
Intusschen was het aardig laat geworden; het had al geruimen tijd geleden middernacht geslagen en Rodolphe trachtte zijn vrienden aan het verstand te brengen, dat het nu langzamerhand tijd werd om heen te gaan. Marcel, die nog volkomen helder was, stond op, om afscheid te nemen.
Schaunard echter ontdekte, dat er in een flesch nog wat brandewijn was, en verklaarde, dat het nooit middernacht kon zijn, zoolang er nog een druppel in het glas was. Colline zat schrijlings op zijn stoel en bromde binnensmonds.
„Maandag, Dinsdag, Woensdag, Donderdag....”
„Maar lieve hemel,” zeide Rodolphe wanhopig, „ik kan ze toch vannacht hier niet houden. Vroeger ging dat goed, maar nu is dat wat anders,” en hij keek daarbij naar Mimi, wier warme blik om eenzaamheid met hun tweetjes scheen te smeeken.
„Wat moet ik beginnen? Geef mij toch eens raad, Marcel. Verzin toch een middel, om ze hier vandaan te krijgen!”
„Neen, ik verzin er geen,” zeide Marcel; „maar ik zal er een navolgen. Ik herinner me een comedie, waarin een intelligente knecht het middel vindt om drie als tempelieren zoo dronken schelmen uit het huis van zijn meester te zetten.”
„Ja, dat herinner ik me,” antwoordde Rodolphe „dat komt in Kean2 voor. De toestand is inderdaad vrijwel dezelfde.”
„Welnu, dan zullen we eens zien of het tooneel met de werkelijkheid overeenkomt. Wacht even, we zullen met Schaunard beginnen. Hé, Schaunard!” riep de schilder.
„Ja, wat is er?” antwoordde deze, die in de blauwe zee van een zoete roes scheen te zwemmen.
„Er is hier niets meer te drinken en we hebben allemaal nog dorst.”
„Ach ja,” zeide Schaunard, „die flesschen zijn ook zoo klein!”
„Nou luister dan; Rodolphe heeft besloten, dat we vannacht hier zouden blijven; maar er moet nog eerst wat gehaald worden, om te drinken, vòòr de winkels gesloten worden.”
„Mijn leverancier woont hier op den hoek van de straat,” zeide Rodolphe. „Schaunard, ga jij er even heen en vraag uit mijn naam twee flesschen rhum.”
„Zeker, zeker, zeker!” zeide Schaunard, die bij vergissing de overjas van Colline aantrok, welke laatste met zijn mes ruiten op het tafellaken teekende.
„Dat is nummer één!” zeide Marcel, toen Schaunard weg was. „Nou komt Colline aan de beurt: dat zal een heele dobber worden. Wacht, een idee. He, he, Colline!” schreeuwde hij, terwijl hij den wijsgeer heen en weer schudde.
„Wat is er.... wat is er?”
„Schaunard is weggegaan en heeft bij vergissing jouw jas aangetrokken.”
Colline keek om zich heen en zag inderdaad in plaats van zijn notehoutkleurige jas de geruite van Schaunard hangen. Deze ontdekking maakte hem zeer ongerust. Colline had n.l. ouder gewoonte in den loop van den dag de boekenstalletjes bezocht en voor vijftien sous een Finsche grammatica en een kleinen roman van Nisard: „De begrafenis van de melkvrouw” gekocht. Bij deze nieuwe aanwinst kwamen nog zeven of acht deelen hoogere philosophie, die hij altijd bij zich droeg, om steeds een arsenaal te hebben, waaruit hij argumenten zou kunnen putten voor het geval er wijsgeerige discussies ontstonden. De gedachte, dat die bibliotheek in handen van Schaunard was, deed bij hem het angstzweet uitbreken.
„De ongelukkige!” riep Colline uit; „wat heeft hem bezield mijn overjas mee te nemen?”
„Het is een vergissing.”
„Maar mijn boeken..... hij kan er een slecht gebruik van maken.”
„Wees maar niet bezorgd: hij zal ze niet lezen,” zeide Rodolphe.
„O, ik ken hem! Hij is in staat er zijn pijp mede aan te steken!”
„Als je daar bang voor bent, dan kan je hem nog best inhalen,” zeide Rodolphe; „hij is net weg; je zal hem nog wel aan de deur vinden.”
„Zeker moet ik hem inhalen,” antwoordde Colline, terwijl hij zijn hoed opzette, waarvan de randen zoo breed waren, dat men er makkelijk voor tien personen thee op zou kunnen ronddienen.
„Dat is nummer twee,” zeide Marcel tot Rodolphe; „nu ben je vrij. Ik ga ook weg en zal den portier op zijn hart drukken, dat hij niet open moet doen, als er geklopt wordt.”
„Slaap lekker,” zeide Rodolphe, „en wel bedankt!”
Nadat hij zijn vriend uitgelaten had, hoorde Rodolphe op de trap een langaangehouden gemiauw, waarop zijn roode kat teeder antwoordde, terwijl hij behendig door de halfgeopende deur trachtte te ontsnappen.
„Arme Romeo!” zeide Rodolphe; „je Julia roept je. Vooruit, ga je gang maar,” en hij opende de deur voor het verliefde dier, dat met één sprong de trap af was en in de armen van zijn geliefde lag.
Eindelijk met zijn maîtresse, die voor een spiegel in een bekoorlijke en verleidelijke houding haar haar in de krul stond te zetten, alleen, ging Rodolphe naar Mimi toe en drukte haar in zijn armen. Dan trok hij, als een musicus, die, alvorens zijn stuk te beginnen, een reeks accoorden aanslaat, om zich van de qualiteit van zijn instrument te overtuigen, Mimi op zijn knieën en drukte op haar schouder een langen, vurigen kus, die het frissche schepseltje van verlangen deed rillen.
O, vriend Rodolphe, wat is er toch gebeurd, dat ge zoo veranderd zijt? Moet ik de geruchten gelooven, die in omloop zijn, en heeft dat ongeluk zoozeer uw krachtige philosophie kunnen terneerslaan? Hoe zal ik, ik, de geschiedschrijver van uw vrij kunstenaarsheldendicht, zoo vol vroolijk gelach en jolijt, hoe zal ik op een voldoend melancholischen toon het smartelijk avontuur kunnen vertellen, dat een rouwfloers werpt over uw voortdurende levenslust en op die wijze plotseling den vroolijken klank van uw paradoxen tot zwijgen brengt?
O, vriend Rodolphe, gaarne wil ik gelooven, dat uw smart groot is, maar dat is toch werkelijk geen reden, om dadelijk in het water te springen. Daarom raad ik je aan zoo gauw mogelijk een streep door het verleden te halen. Ontvlucht vooral de eenzaamheid, die bevolkt is met spookgestalten, welke uw bekommernissen tot het oneindige verlengen. Ontvlucht de stilte, waarin de echo der herinneringen nog weerklinkt van doorleefde vreugde en doorleefde smart. Werp moedig naar alle windstreken der vergetelheid den naam, dien ge zoo lief gehad hebt, en ook alles wat u nog overblijft van haar, die hem droeg. De haarlokken, die uw van hartstocht vurige lippen hebben gekust; het kristallen flaconnetje, waarin nog een rest van den parfum sluimert, die op dit oogenblik voor u gevaarlijker is om in te ademen dan alle vergiften der wereld; in het vuur de bloemen, de bloemen van gaas, van zijde en van fluweel; de witte jasmijnen, de door het bloed van Adonis gepurperde anemonen, de blauwe vergeet-mij-nietjes, en al die bekoorlijke ruikers, welke zij in de verre dagen van uw kort geluk samenbond. Toen hield ik ook van uw Mimi, en zag ik er geen gevaar in, dat gij haar lief hadt. Maar volg mijn raad: in het vuur die linten, die mooie roode, blauwe en gele linten, die haar hals en boezem sierden, om uw blikken te trekken en te boeien; in het vuur de kanten en mutsjes en sluiers, al die coquette prulletjes, waarmede ze zich tooide, om te gaan liefkoozen met mijnheer César, mijnheer Jérôme, mijnheer Charles of een anderen geliefde, dien de kalender aangaf, terwijl gij aan uw venster op haar stondt te wachten, rillend onder den guren wind en den rijp van den winter; in het vuur, Rodolphe, alles wat haar heeft toebehoord en wat u aan haar herinneren kan; in het vuur, meedoogenloos in het vuur, de liefdesbrieven. Zie, daar is er juist een, waarover ge tranen hebt gestort als uit een fontein, o, rampzalige vriend!
„Daar je niet thuis komt, ga ik naar mijn tante.
Het aanwezige geld neem ik mede, om een rijtuig te kunnen betalen.
Lucile.”
En dien avond hebt ge niet gegeten, Rodolphe; herinnert ge het u nog? En ge zijt bij mij gekomen en hebt op mijn kamer een vuurwerk van geestigheden afgestoken, die getuigden van de rust van uw ziel. Want ge geloofdet, dat Lucile bij haar tante was, en indien ik u gezegd had, dat zij bij mijnheer César of bij een comediant van den Montparnasse was, dan zoudt ge me zeker naar de keel gevlogen hebben. In het vuur ook dat andere briefje, dat geheel en al de laconische teederheid van het eerste ademt:
„Ik ga laarzen bestellen; je moet beslist zorgen, dat je geld krijgt, zoodat ik ze overmorgen kan gaan halen.”
O, vriendlief, die laarzen hebben heel wat contredansen gedanst, waarin gij haar vis-à-vis niet waart!
Aan het vuur die herinneringen, aan de winden haar asch prijsgeven!
Maar Rodolphe, grijp, uit liefde voor de menschheid en ter wille van den roem van de Echarpe d’Iris en van den Castor, weer met vaste hand de teugels van den goeden smaak, die ge in uw zelfzuchtige smart slap hebt laten hangen; anders zouden de vreeselijkste dingen, waarvoor gij verantwoordelijk zoudt zijn, kunnen gebeuren. Wij zouden weer terugkeeren tot de pofmouwen en de klepbroeken en wij zouden op een goeden dag misschien weer hoeden in de mode zien komen, die het heelal beleedigen en den toorn des hemels op ons laden zouden.
En nu is dan het oogenblik gekomen, om de liefdesgeschiedenis van onzen vriend Rodolphe en mademoiselle Lucile, meer bekend als mademoiselle Mimi, te vertellen.
Midden in zijn vier-en-twintigste levensjaar werd Rodolphe plotseling aangegrepen door dien hartstocht, welke zoo’n grooten invloed op zijn leven had. In den tijd, dat hij Mimi voor het eerst ontmoette, leidde Rodolphe dat bewogen en fantastische leven, dat wij in de vorige tooneelen van deze serie hebben trachten te beschrijven. Hij was ongetwijfeld een der vroolijkste armoedzaaiers, die ooit in het land der bohémiens geleefd hebben. Wanneer hij een slecht middagmaal gebruikt en een goede aardigheid getapt had, dan liep hij trotscher op het plaveisel, dat hem dikwijls tot hoofdkussen diende, trotscher in zijn versleten rok, die uit alle naden om genade smeekte, dan een keizer in zijn purperen mantel. In den vriendenkring, waarin Rodolphe verkeerde, deed men ten gevolge van een geblaseerdheid, die aan sommige jonge mannen eigen is, net alsof men de liefde als een luxe-artikel, als een voorwendsel voor platte grappen beschouwde. Gustave Colline, die sedert lang intieme relaties onderhield met een vestenmaakster, welke hij naar lichaam en geest mismaakt had door haar dag en nacht de manuscripten van zijn wijsgeerige werken te laten copieeren, beweerde, dat de liefde een soort purgeermiddel was, geschikt om ieder nieuw jaargetijde in te nemen, ten einde de slechte lichaamsvochten te verwijderen. Te midden van al die valsche sceptici was Rodolphe de eenige, die met een zekeren eerbied over de liefde placht te spreken; en wanneer men het ongeluk had om met hem over dat thema te beginnen, dan was hij in staat om meer dan een uur lang elegieën te kirren over het geluk bemind te worden, over het blauw van het vredige meer, het suizen van den wind, het concert der sterren enz. enz. Schaunard had hem naar aanleiding daarvan den bijnaam Harmonika gegeven, terwijl Marcel een heel aardig woord verzonnen had, waarin hij een toespeling maakte zoowel op de Germaansch-sentimenteele ontboezemingen als op de vroegtijdige kaalheid van Rodolphe; hij noemde hem n.l. myosotis calva, d.i. het kale vergeet-mij-nietje. De waarheid was echter, dat toentertijd Rodolphe in allen ernst geloofde met alle dingen van jeugd en liefde afgerekend te hebben; hij zong overmoedig het De profundis over zijn hart, dat hij dood waande, terwijl het slechts sliep en gereed was ieder oogenblik te ontwaken, toegankelijker dan ooit voor vreugde en ontvankelijker dan ooit voor die zoete smarten, waarop hij niet meer hoopte en die hem nu wanhopig maakten. Gij hebt het gewild, Rodolphe, en wij zullen u niet beklagen, want de smart, waaraan gij lijdt, behoort tot die, welke men het meest terugwenscht, vooral wanneer men weet, dat men er voor goed van genezen is.
Rodolphe dan ontmoette de jonge Mimi, die hij trouwens vroeger, toen zij nog de maîtresse van een zijner vrienden was, gekend had, en maakte haar tot de zijne. In den beginne was het een luid gebrom van afkeuring onder Rodolphe’s vrienden, toen zij van zijn liaison hoorden, maar daar mademoiselle Mimi een zeer innemend persoontje was, volstrekt niet preutsch, en, zonder hoofdpijn te krijgen, hun tabaksrook en litteraire gesprekken kon verdragen, raakte men al spoedig aan haar gewend en behandelde haar als een kameraad. Mimi was een bekoorlijk en mooi wezentje, dat de plastieke en poëtische sympathieën van Rodolphe op bijzondere wijze bevredigde. Zij telde toen twee-en-twintig zomers, was klein, tenger gebouwd en grappig-ondeugend. Haar gelaat had iets aristocratisch, haar trekken echter, die buitengewoon fijn waren en door den glans van haar vochtig-blauwe oogen als het ware met een zacht licht overgoten werden, konden in sommige oogenblikken van verveling of slecht humeur een uitdrukking van een bijna beestachtige woestheid krijgen, waarin een physioloog misschien de aanwijzing gezien zou hebben van een grenzenlooze zelfzucht of van een groote ongevoeligheid. Maar meestal was het een charmant kopje met een jong, frisch lachje en oogen, die nu eens smachtend, dan weer veroverend coquet iemand aankeken. Het bloed der jeugd stroomde warm en snel door haar aderen en kleurde haar doorzichtige, als camelia’s zoo blanke huid met rozenroode tinten. Die ziekelijke schoonheid bekoorde Rodolphe, dikwijls kroonde hij ’s nachts uren lang steeds weer met kussen het bleeke voorhoofd van zijn geliefde, wier vochtige en moede oogen, half geopend, schitterden onder den gordijn van haar prachtige, bruine haren. Maar vooral haar handen, die zij niettegenstaande de zorgen voor het huishouden, blanker wist te houden dan wanneer zij de godin van het dolce far niente in eigen persoon geweest was, maakten Rodolphe waanzinnig op haar verliefd. En toch zouden die zoo teere en kleine handen, die voor de liefkoozingen van een lip zoo zachte kinderhanden, waarin Rodolphe zijn opnieuw bloeiend hart had nedergelegd, toch zouden die blanke handen van Mimi spoedig het hart van den dichter met haar rose nageltjes verminken.
Na verloop van een maand begon Rodolphe te merken, dat hij een liaison gesloten had met een stormwind en dat zijn maîtresse een groot gebrek had. Zij ging n.l. gaarne op buurbezoek en bracht een groot gedeelte van haar tijd door bij de maintenées uit de buurt, waarmede zij, God weet hoe, kennis gemaakt had. En al heel spoedig werden de gevolgen merkbaar, waarvoor Rodolphe gevreesd had, toen hij van de nieuwe „kennissen” van zijn maîtresse hoorde. De onbestendige rijkdom van sommige dier nieuwe vriendinnen had een geheel woud van begeerten doen ontstaan in den geest van Mimi, die tot op dat oogenblik slechts bescheiden eischen gehad had en met het noodzakelijke, dat Rodolphe haar naar zijn beste krachten gaf, tevreden geweest was. Mimi begon te droomen van zijde, fluweel en kant. En niettegenstaande Rodolphe het haar verbood, bleef zij omgaan met die vrouwen, die haar éénstemmig trachtten te overreden te breken met den bohémien, die haar zelfs geen honderdvijftig francs kon geven voor een lakensche japon.
„Een zoo knap meisje als jij,” zeiden haar raadgeefsters haar, „kan makkelijk een betere „positie” vinden. Je behoeft maar te zoeken.”
En mademoiselle Mimi begon te zoeken. Rodolphe, die deze menigvuldige en onhandig gemotiveerde uitgangen met leede oogen aanzag, begon nu den smartelijken weg van argwaan en vermoedens in te slaan. Maar zoodra hij weer een nieuw bewijs van ontrouw op het spoor meende te zijn, bond hij steeds weer stevig een doek voor zijn oogen, om toch maar niets te zien, want niettegenstaande alles bleef hij Mimi aanbidden. Hij koesterde voor haar een jaloersche, phantastische, twistzieke liefde, die de jonge vrouw niet begreep, omdat zij toen voor Rodolphe nog slechts die lauwe genegenheid voelde, welke uit het dagelijksche samenzijn voortspruit. En bovendien was de eene helft van haar hart reeds verbruikt ten tijde van haar eerste liefde en was de andere helft nog vol herinnering aan haar eersten minnaar.
Zoo verliepen acht maanden van afwisselend goede en slechte dagen. Gedurende dien tijd stond Rodolphe wel twintigmaal op het punt met Mimi te breken, die hem met alle uitgezochte wreedheden, waarover een vrouw zonder liefde beschikt, kwelde. Eerlijk gezegd was dit bestaan voor beiden een hel geworden. Maar Rodolphe had zich aan die dagelijksche twisten vrijwel gewend en vreesde niets zoozeer als het einde van dien toestand, omdat hij begreep, dat daarmede tevens voor goed een einde zou komen aan die opbruisingen van zijn jeugdig bloed en aan al de gemoedsbewegingen, die hij in zoo langen tijd niet meer gekend had. En dan waren er, om de waarheid niet te kort te doen, ook uren, waarin mademoiselle Mimi allen argwaan uit Rodolphe’s door booze vermoedens verscheurd hart wist te verjagen. Er waren oogenblikken, waarin deze dichter, die door haar zijn verloren poëzie had teruggevonden, aan wien zij zijn jeugd teruggegeven had, die dank zij haar weer onder den aequator der liefde was doorgegaan, als een kind aan haar knieën nederknielde onder de betoovering van haar blauwen blik. Twee of driemaal per maand staakten Rodolphe en Mimi hun stormachtige twisten, om zich te verkwikken in de frissche oase van een liefdesnacht en liefdesgesprekken. Dan nam Rodolphe het glimlachende en opgewekte kopje van zijn vriendinnetje in zijn armen en sprak tot haar uren lang die bewonderenswaardige en dwaze taal, welke de hartstocht in uren van passie improviseert. In den beginne luisterde Mimi kalm, meer verbaasd dan ontroerd, maar langzamerhand sleepte de geestdriftige welsprekendheid, die beurtelings teeder, vroolijk en melancholiek was, ook haar mede. Zij voelde bij het contact van die liefde, het ijs der onverschilligheid, dat haar hart deed verstijven, smelten; koortsachtige begeerten begonnen haar dan te doortrillen, en zij sloeg haar armen om zijn hals en zeide hem in kussen alles wat zij niet in woorden zou hebben kunnen uitdrukken. En zoo verraste hen dan het morgenrood, oog in oog, hand in hand, borst aan borst, terwijl hun vochtige, van hartstocht brandende lippen nog steeds het onsterfelijke woord mompelden:
„Qui depuis cinq mille ans,
Se suspend chaque nuit aux lèvres des amants.”
Doch den volgenden dag ontstond uit een nietige aanleiding weer een twist en vluchtte de liefde, verschrikt, weer voor langen tijd.
Eindelijk en ten laatste merkte Rodolphe, dat, als hij niet oppaste, de blanke handen van mademoiselle Mimi hem naar een afgrond zouden voeren, waarin hij zijn toekomst en zijn jeugd zou zien verdwijnen. Een oogenblik sprak de strenge logica in hem krachtiger dan de liefde, en hij overtuigde zichzelf door prachtige, op bewijzen steunende redeneeringen, dat zijn vriendinnetje hem niet lief had. Hij hield zich zelfs voor, dat de uren van liefde, die zij hem toestond, niets anders waren dan zinnelijke caprices, die getrouwde vrouwen voor haar mannen voelen, wanneer zij een nieuwe sjaal of een nieuwe japon willen hebben, of wanneer haar minnaar ver van haar weg is, wat als het ware een pendant is van het spreekwoord: „Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien.” Om kort te gaan, Rodolphe kon zijn vriendinnetje alles vergeven behalve dat zij hem niet lief had. Hij nam dus een kloek besluit en zeide tegen mademoiselle Mimi, dat zij naar een anderen minnaar moest uitzien. Mimi begon te lachen en nam een uitdagende houding aan. Toen zij echter eindelijk inzag, dat Rodolphe bij zijn besluit bleef en haar heel kalm ontving, toen zij na een afwezigheid van vier-en-twintig uur weer terugkwam, begon toch die vastberadenheid, waaraan zij niet gewend was, haar ongerust te maken. Zij was nu twee of drie dagen lang de lieftalligheid zelve. Maar Rodolphe bleef bij wat hij gezegd had en vergenoegde zich te vragen, of zij al een ander gevonden had.
„Ik heb nog niet eens gezocht,” was haar antwoord.
Zij had echter wel gezocht, en wel reeds voordat Rodolphe het haar aangeraden had. In een tijdsverloop van veertien dagen had zij twee pogingen gedaan. Een van haar vriendinnen had haar geholpen en haar in kennis gebracht met een manlijken bakvisch, die voor Mimi’s oogen een horizont van Indische sjaals en palissandermeubelen had laten schitteren. Maar volgens het oordeel van Mimi zelf was de jonge student, die misschien heel sterk in algebra was, op het gebied der liefde nog een leek; en daar Mimi absoluut geen opvoedkundige neigingen had, liet zij haar verliefden novitius zitten met zijn sjaals, die nog in de weiden van Tibet graasden, en met de palissanderhouten meubelen, die in de Amerikaansche oerwouden nog in blad stonden.
De student werd al heel spoedig vervangen door een Bretonschen edelman, waarop zij bliksemsnel verliefd raakte, en dien zij niet lang behoefde te smeeken haar tot gravin te verheffen.
Niettegenstaande de protesten van zijn maîtresse had Rodolphe toch lucht van de een of andere intrigue gekregen; hij wilde precies weten waar hij aan toe was; en op een goeden morgen ging hij, na een nacht, dat mademoiselle Mimi niet thuis gekomen was, naar een plaats, waar hij vermoedde, dat zij zijn zou. Hier had hij volop gelegenheid zich een van die bewijzen, waaraan men nolens volens gelooven moet, diep in het hart te boren. Hij zag Mimi met door een aureool van wellust omkringde oogen aan den arm van haar nieuwen heer en meester het huis verlaten, waarin zij tot den adelstand verheven was. Haar nieuwe minnaar scheen echter heel wat minder trotsch op zijn nieuwe verovering dan Paris, de mooie Grieksche herder, na de schaking van de schoone Helena.
Mademoiselle Mimi scheen eenigszins verrast, toen zij Rodolphe zag aankomen. Zij ging naar hem toe en zij spraken gedurende een minuut of vijf heel kalm met elkaar. Dan namen zij afscheid, om ieder huns weegs te gaan. De breuk was definitief.
Rodolphe keerde dadelijk naar huis terug en bracht den geheelen dag door met het in pakjes bijeenpakken van alle dingen, die aan zijn maîtresse toebehoorden.
In den loop van den dag na de „echtscheiding” kreeg Rodolphe bezoek van verscheidene van zijn vrienden en vertelde hun wat er voorgevallen was. Allen feliciteerden hem met die gebeurtenis als met een groot geluk.
„Wij zullen u helpen, o dichter,” zeide een van hen, die meermalen getuige geweest was van de kwellingen welke mademoiselle Mimi Rodolphe had laten verduren, „wij zullen u helpen om uw hart uit de handen van dat ellendige schepsel te bevrijden. En binnen korten tijd zult gij genezen zijn en weer verlangen met een andere Mimi te dwalen over de groene paden van Aulnay en Fontenay-aux-Roses.”
Rodolphe bezwoer, dat het nu voor goed uit was met zijn wroeging en wanhoop. Hij liet zich zelfs overhalen mede te gaan naar het bal Mabille, waar zijn veronachtzaamde kleeding al heel slecht de Echarpe d’Iris vertegenwoordigde, die hem vrijen toegang tot dezen tuin van galanterie en genot verschafte. Daar ontmoette Rodolphe weer andere vrienden, met wie hij begon te drinken. Hij vertelde hun zijn ongeluk met een ongehoorde overdaad van bizarre wendingen en woorden en gedurende een uur sprak hij met een hartstocht en een vuur, die de anderen stil maakten.
„Helaas, helaas!” zeide de schilder Marcel, toen hij den regen van ironie hoorde, die van de lippen van zijn vriend stroomde, „Rodolphe is te vroolijk.”
„Hij is charmant!” antwoordde een jonge vrouw, aan wie Rodolphe een ruikertje bloemen aangeboden had, „en hoewel zijn kleeding nu niet bepaald schitterend is, zou ik mij graag compromitteeren door met hem te dansen, als hij mij vragen zou.”
Twee seconden later stond Rodolphe, die deze woorden gehoord had, voor haar en noodigde haar ten dans, wat dankbaar werd aanvaard.
Rodolphe kende van de eerste grondbeginselen der dans evenveel als van den regel van drieën. Doch bezield door een buitengewonen moed, aarzelde hij niet zich in het dansgewoel te storten en improviseerde een dans, die aan alle vroegere choreographieën onbekend geweest was. Men noemt haar den pas des regrets et soupirs (dans der tranen en zuchten) en haar originaliteit verschafte haar een ongelooflijk succes. De drieduizend gasvlammen mochten vrij haar vurige tongen naar hem uitsteken, als om hem te bespotten, Rodolphe bleef steeds doordansen en wierp onophoudelijk zijn danseres handenvol nog onuitgegeven galanterieën in het gelaat.
„Het is waarachtig bijna niet te gelooven,” zeide Marcel, „Rodolphe doet me denken aan een dronken man, die op gebroken glazen danst.”
„Intusschen heeft hij een heele knappe vrouw aan den haak geslagen,” zeide een andere, die Rodolphe met zijn danseres zag weggaan.
„Je neemt niet eens afscheid van ons!” riep Marcel tegen hem.
Rodolphe ging weer naar den artist terug en stak hem zijn hand toe; die hand was koud en klam als vochtig marmer.
Rodolphe’s danseres was een krachtige dochter van Normandië, een opgewekte en levenslustige natuur, wier aangeboren onbeholpenheid te midden van de elegance en de luxe van het Parijsche bestaan en een lui leventje, al heel spoedig plaats gemaakt had voor aristocratische vormen. Zij liet zich madame Séraphine of iets van dien aard noemen en was op dat oogenblik de maîtresse van een door rheumatiek geplaagden pair de France, die haar maandelijks vijftig louis gaf, welke zij deelde met een elleridder, die haar niets dan slaag gaf. Rodolphe was in haar smaak gevallen; zij hoopte, dat hij haar niets zou geven, en nam hem mee naar huis.
„Lucile,” zeide zij tot haar kamenier; „ik ben vanavond voor niemand te spreken.”
En na even in haar toiletkamer geweest te zijn, kwam zij na vijf minuten in een speciaal kostuum terug. Zij vond Rodolphe onbeweeglijk en zwijgend in de kamer staan, want sedert hij daar binnen was, had hij zich verdiept in een duisternis vol stille snikken.
„U kijkt mij niet meer aan, je spreekt niet tegen me,” zeide Séraphine verwonderd.
„Kom,” zeide Rodolphe tot zich zelf en keek op, „laat ik naar haar kijken, maar alleen uit een oogpunt van kunst!”
Et quel spectacle, alors, vint s’offrir à ses yeux! zooals Raoul in de Hugenooten zingt.
Séraphine was bewonderenswaardig mooi. Haar prachtige vormen, die door de coupe van haar kleed zeer voordeelig uitkwamen, schemerden uitdagend en verleidelijk door het half doorzichtige weefsel. In Rodolphe’s aderen begon het bloed van koortsachtig verlangen onstuimig te kloppen. Een gloeiende nevel steeg hem naar het hoofd. Hij zag Séraphine nu reeds met andere oogen dan die van een kunstkenner aan en nam de handen van het mooie meisje in de zijne. Het waren sublieme handen, als het ware gebeeldhouwd met den zuiversten beitel der Grieksche sculptuur. Rodolphe voelde die bewonderenswaardige handen in de zijne beven; en hoe langer hoe minder kunstcriticus wordend, drukte hij Séraphine tegen zich aan, wier wangen zich kleurden met den blos, dien men het morgenrood der wellust zou kunnen noemen.
„Dit schepsel is werkelijk een instrument der wellust, een liefde-stradivarius, waarop ik gaarne een lied zou willen spelen,” dacht Rodolphe, toen hij het hart der schoone zeer duidelijk een stormaanval hoorde slaan.
Op dat oogenblik werd er hard aan de bel getrokken.
„Lucile, Lucile!” riep Séraphine tegen haar kamenier; „doe niet open, zeg, dat ik nog niet thuis ben.”
Bij den tweemaal uitgesproken naam Lucile stond Rodolphe op.
„Ik wil u op geen enkele wijze in ongelegenheid brengen, mevrouw,” zeide hij. „Trouwens het wordt mijn tijd, het is al laat en ik woon ver weg. Goeden nacht!”
„Wat, wilt u weg?” riep Séraphine uit, en liet haar oogen snelvuur geven; „waarom gaat u weg, waarom? Ik ben vrij; u kunt blijven.”
„Onmogelijk, mevrouw,” antwoordde Rodolphe. „Ik verwacht vanavond een van mijn familieleden uit Vuurland, en die zou me zeker onterven, als hij mij niet thuis vond, om hem behoorlijk te ontvangen. Goeden nacht, mevrouw!”
En hij snelde weg. De kamenier lichtte hem bij en Rodolphe keek haar toevallig in het gezicht. Het was een jong tenger meisje met sleependen gang; haar bleek gezichtje vormde een bekoorlijke tegenstelling met het van nature golvende, zwarte haar; haar blauwe oogen geleken op twee zwakke sterren.
„O, spookgestalte!” riep Rodolphe uit en week terug voor haar, die den naam en het gezicht van zijn vriendinnetje had. „Terug! Wat wilt ge van mij?”
En hij stormde de trap af.
„Maar mevrouw!” zeide de kamenier, toen zij weer bij haar meesteres terugkwam, „bij dien jongen man is er één van de vijf op den loop!”
„Zeg liever, dat hij een groote stommeling is!” antwoordde Séraphine woedend. „Enfin een goede leer voor een volgende keer! Als die stomme Léon nu maar zoo verstandig was dadelijk te komen!”
Léon was de elleridder, die in zijn liefde-blazoen een zweep voerde.
Rodolphe liep zoo hard als zijn beenen hem dragen konden, naar huis. Toen hij de trap opging, hoorde hij zijn rooden kater klagende zuchten uitstooten. Twee nachten lang riep hij zoo reeds vergeefs naar zijn ontrouwe schoone, een angora-Manon Lescaut, die op de daken in de buurt op galante avonturen uit was.
„Arm dier,” zeide Rodolphe; „ook jij bent bedrogen; jouw Mimi heeft je al even leelijke poetsen gebakken als de mijne mij. Maar laten we ons troosten. Het hart van vrouwen en van katten is een afgrond, dien mannen en katers nooit zullen kunnen peilen.”
Toen hij zijn kamer binnentrad, had hij, niettegenstaande de drukkende hitte, een gevoel, alsof er een ijsmantel om zijn schouders gelegd werd. Het was de koude der eenzaamheid, de vreeselijke eenzaamheid van den nacht, die door niets gestoord werd. Hij stak zijn kaars aan en zag bij het licht daarvan de kale kamer. Uit de kasten staken de ledige laden, en van den zolder tot den grond vulde een eindelooze triestheid deze kleine kamer, die aan Rodolphe grooter dan een woestijn scheen. Al voortloopend stiet zijn voet tegen de pakjes, die Mimi’s eigendommen bevatten, en een gevoel van blijdschap doorstroomde hem, toen hij zag, dat zij ze nog niet was komen halen, wat zij volgens afspraak dien ochtend zou hebben gedaan. Rodolphe voelde, hoe hij er zich ook tegen verzette, het uur der reactie naderen, en hij voorzag heel goed, dat hij zijn uitgelatenheid van dien avond met een afschuwelijken nacht zou moeten boeten. Toch had hij nog eenige hoop, dat zijn door en door vermoeid lichaam zou slapen vòòr de smart, die hij zoo lang in zijn binnenste had onderdrukt, ontwaken zou.
Toen hij echter het bed naderde en de gordijnen open sloeg, voelde hij bij den aanblik van deze legerstede, die in twee dagen niet aangeraakt was, en van de beide naast elkaar liggende kussens, onder een waarvan nog het kanten borduursel van een nachtmutsje te voorschijn kwam, zijn hart samenpersen in de onontkoombare schroef van die doffe smart, welke zich niet uiten kan. Hij viel neer voor het bed, drukte zijn voorhoofd in zijn handen, en riep, na een smartelijken blik in de eenzame kamer geworpen te hebben, uit:
„Mimi, kleine Mimi, vreugde van mijn huis, ben je werkelijk heengegaan, heb ik je werkelijk weggezonden, zal ik je nooit meer terugzien? O God! O, gij lief, bruin kopje, dat zoo lang op deze plaats geslapen hebt, zult gij niet meer terugkomen, om er weer te slapen? O, gij grillige stem, wier liefdesgefluister me in verrukking bracht en wier booze tonen als muziek klonken, zal ik je niet meer hooren? En gij kleine, blanke, blauwdooraderde handjes, waarop ik zoo dikwijls mijn heete lippen drukte, o, gij kleine, blanke handen, hebt gij mijn laatsten kus ontvangen?”
En Rodolphe drukte als in koortswaanzin zijn hoofd in de kussens, waaruit nog steeds de geur van het haar van zijn vriendinnetje opsteeg. Van achter uit het alkoof meende hij de spookgestalte van de heerlijke nachten, die hij met zijn jonge maîtresse daar had doorgebracht, te zien opdoemen. Helder en duidelijk hoorde hij Mimi’s frisschen lach nog klinken door de nachtelijke stilte, en hij dacht verlangend terug aan die betooverende, aanstekelijke vroolijkheid, waarmede zij hem zoo dikwijls de zorgen en ellenden van hun aan wisselvalligheden zoo rijk bestaan had doen vergeten.
Gedurende dien geheelen langen nacht liet hij de acht maanden de revue passeeren, welke hij met de jonge vrouw doorleefd had, die hem misschien nooit lief gehad had, maar wier gelogen teederheid toch aan zijn hart zijn jeugd en manlijke kracht had teruggegeven.
Het grauwe ochtendlicht verraste hem, toen hij, door moeheid overmeesterd, zijn oogen, rood door de in den nacht gestorte tranen, gesloten had. Een smartelijke en vreeselijke nacht, zooals zelfs de meest spottende sceptici onder ons meer dan eens doorwaakt hebben.
Toen ’s ochtends zijn vrienden bij hem binnenkwamen, schrikten zij bij het zien van Rodolphe, wiens gelaat nog de duidelijkste sporen droeg van al de benauwdheden, die hem gedurende zijn nachtwake op den Olijfberg der liefde gekweld hadden.
„Dat wist ik vooruit wel,” zeide Marcel; „zijn vroolijkheid van gisteravond is hem op het hart geslagen. Maar dat mag niet zoo blijven voortgaan.”
En in overleg met twee of drie vrienden begon hij over mademoiselle Mimi een groot aantal indiscrete onthullingen te vertellen, waarvan ieder woord als een doorn in Rodolphe’s hart drong. Zijn vrienden bewezen hem zonneklaar, dat zijn maîtresse hem steeds en overal, binnen- en buitenshuis, bedrogen had alsof hij een sul was, en dat dit als de engel der tering zoo bleeke schepsel slechts een juweelkistje was van lage gevoelens en verdorven instincten.
De vrienden wisselden elkaar af in de taak, die zij op zich genomen hadden en waarvan het doel was Rodolphe tot het punt te brengen, waarop de liefde overgaat in verachting; doch dat doel werd slechts voor de helft bereikt. De wanhoop van den dichter veranderde in toorn. Woedend wierp hij zich op de pakjes, die hij den vorigen dag gereed gemaakt had; en nadat hij alle voorwerpen, die reeds Mimi’s eigendom waren bij haar komst, op zijde gelegd had, hield hij alles wat hij haar gedurende hun liaison gegeven had, achter, d.w.z. het grootste gedeelte en voornamelijk de toiletartikelen, waaraan zij met alle vezels van haar in den laatsten tijd onverzadigbaar geworden behaagzucht hing.
In den loop van den volgenden dag kwam Mimi haar „boeltje” halen. Rodolphe was thuis en alleen. Hij moest op dat oogenblik al zijn zelfrespect te hulp roepen, om zijn maîtresse niet om de hals te vallen. Hij ontving haar met zwijgende, stille beleedigingen, welke zij met dien kouden scherpen toon beantwoordde, die zelfs de zwakste en meest bedeesde naturen buiten zich zelf doet geraken. Bij de minachting, waarmede Mimi hem op hardnekkig-brutale wijze geeselde, barstte Rodolphe’s toorn woest en angstaanjagend los, zoodat Mimi, bleek van vrees, zich een oogenblik afvroeg, of zij levend uit zijn handen zou komen. Op haar angstkreten snelden eenige medebewoners toe en trokken haar uit Rodolphe’s kamer.
Twee dagen later kwam een vriendin van Mimi Rodolphe vragen of hij Mimi’s „boeltje” wilde teruggeven.
„Neen,” antwoordde Rodolphe.
Dan wist hij de afgezante van zijn maîtresse aan het praten te krijgen. Zij vertelde hem, dat Mimi zich in uiterst benarde omstandigheden bevond en dat het niet lang meer zou duren, of zij had geen dak meer boven haar hoofd.
„En haar geliefde, waar zij zoo dol op is?”
„Maar die jonge man heeft volstrekt geen plan haar tot maîtresse te nemen,” antwoordde Amélie. „Hij heeft er al lang een en hij schijnt zich van Mimi, die nu zoo lang bij mij is en mij erg in verlegenheid brengt, niets aan te trekken.”
„Zij moet maar zien, hoe zij het klaar speelt,” zeide Rodolphe; „zij heeft het zelf zoo gewild; de zaak gaat mij niet langer aan.”
En hij begon mademoiselle Amélie het hof te maken en verzekerde haar, dat zij het mooiste meisje op aarde was.
Amélie vertelde Mimi van haar bezoek aan Rodolphe.
„Wat zegt hij? Wat doet hij?” vroeg Mimi. „Heeft hij over mij gesproken?”
„Geen woord. Hij heeft je reeds heelemaal vergeten. Rodolphe heeft al een nieuw liefje en hij heeft voor haar een prachtig toilet gekocht, want hij heeft veel geld gekregen, en ziet er zelf uit als een prins. Het is een heel aardig iemand en hij zelf heeft mij heel vleiende complimentjes gemaakt.”
„Ik zal er wel achter komen wat dat allemaal beteekent,” dacht Mimi.
Dagelijks ging mademoiselle Amélie nu onder een of ander voorwendsel naar Rodolphe, die, men kon het draaien hoe men wilde, steeds weer over Mimi begon.
„Zij is erg vroolijk,” antwoordde de vriendin, „en schijnt zich al heel weinig van haar toestand aan te trekken. Overigens beweert zij, dat zij weer bij je terug kan komen, wanneer zij maar wil, zonder eenige tegemoetkoming van haar kant, en alleen maar om je vrienden woedend te maken.”
„Het is goed,” zeide Rodolphe; „laat ze maar komen dan zullen we verder zien.”
En hij begon Amélie weer het hof te maken, die alles dadelijk aan Mimi ging overbrieven en verzekerde, dat Rodolphe „smoor” op haar was.
„Hij heeft mijn handen en mijn pols gezoend,” zeide zij; „kijk maar, ze zijn er nog rood van. Hij wil me morgen meenemen naar het bal.”
„Maar beste meid,” zeide Mimi gepiqueerd, „ik begrijp heel goed, waar je heen wilt. Je wilt me wijs maken, dat Rodolphe verliefd op je is en niet meer aan mij denkt. Maar je verspilt je tijd, zoowel bij hem als bij mij.”
Inderdaad was Rodolphe alleen maar zoo vriendelijk tegen Amélie, om haar dikwijls bij zich te lokken, waardoor hij de gelegenheid had met haar over zijn maîtresse te spreken; doch met een macchiavellisme, dat misschien een welbewust doel had, deed Amélie, die zeer goed inzag, dat Rodolphe nog steeds van Mimi hield, en dat deze er volstrekt niet ongeneigd toe was weer naar hem terug te gaan, al haar best om door handig verzonnen berichten alles te vermijden, wat de twee geliefden weer tot elkaar zou kunnen brengen.
Den dag, waarop zij naar het bal zou gaan, ging Amélie in den ochtend aan Rodolphe vragen, of de afspraak zoo bleef.
„Zeker”, antwoordde hij haar, „ik zou de gelegenheid, om de cavalier van de mooiste vrouw van onzen tegenwoordigen tijd te zijn, niet gaarne verzuimen.”
Amélie zette hetzelfde coquette gezicht, dat zij den avond van haar eenig debuut in een voorstadschouwburg in de rol van een soubrette van den vierden rang getrokken had, en beloofde op het afgesproken uur klaar te zijn.
„A propos,” zeide Rodolphe, „zeg aan mademoiselle Mimi, dat ik haar al haar zaakjes zal teruggeven, wanneer zij ter wille van mij haar minnaar eens voor een nacht ontrouw wil worden.”
Amélie bracht de boodschap over, doch gaf aan zijn woorden een geheel andere beteekenis dan die, welke zij erin geraden had.
„Jouw Rodolphe is een ignobele kerel,” zeide zij tegen Mimi; „zijn voorstel is een schande. Hij wil je door dien stap vernederen tot den rang der laagste deernen; en indien je naar hem toe gaat, zal hij je niet alleen je boeltje teruggeven, maar je bovendien de risée maken van al zijn vrienden; dat is een samenzwering, die ze onderling gesmeed hebben.”
„Ik ben niet van plan te gaan,” zeide Mimi en vroeg, toen ze zag, dat Amélie bezig was toilet te maken, of zij naar het bal ging.
„Ja”, antwoordde de ander.
„Met Rodolphe?”
„Ja, hij zal me vanavond op twintig pas van het huis wachten.”
„Veel pleizier,” zeide Mimi, die, toen het uur van het rendez-vous naderde, zoo gauw mogelijk naar den minnaar van mademoiselle Amélie liep en hem mededeelde, dat deze op het punt stond hem met haar (Mimi’s) vroegeren minnaar te bedriegen.
De mijnheer, jaloersch als een tijger, vloog naar mademoiselle Amélie en zeide tegen haar, dat hij het uitstekend vond, dat zij den avond in zijn gezelschap doorbracht.
Om acht uur snelde Mimi naar de plek, waar Rodolphe op Amélie zou wachten. Zij zag haar vroegeren minnaar daar heen en weer loopen in de houding van iemand, die wacht; zij liep tweemaal langs hem heen, zonder hem te durven aanspreken. Rodolphe was dien avond heel elegant gekleed, en de heftige gemoedsbewegingen, waaraan hij in de laatste acht dagen ten prooi geweest was, hadden aan zijn gelaatsuitdrukking iets verhevens gegeven. Mimi voelde zich zeer onder den indruk. Eindelijk vermande zij zich om hem aan te spreken. Rodolphe nam het kalm en waardig op, informeerde naar haar gezondheidstoestand en vroeg ten slotte naar de beweegreden, die haar tot hem voerde; en dit alles op zachten, kalmen toon, waarin een accent van droefheid niet te miskennen viel.
„Ik moet u een onaangename boodschap overbrengen: mademoiselle Amélie kan niet met u medegaan naar het bal—zij heeft bezoek van haar man.”
„Dan zal ik alleen naar het bal moeten gaan.”
Mimi deed op dit oogenblik alsof zij struikelde en leunde op den schouder van Rodolphe: hij gaf haar een arm en bood haar aan haar naar huis te brengen.
„Dat zal niet gaan,” zeide Mimi; „ik woon bij Amélie, en daar haar man bij haar is, kan ik niet naar huis gaan, vòòr hij weg is.”
„Luister eens,” zeide nu de dichter tot haar; „ik heb je door bemiddeling van mademoiselle Amélie een voorstel laten doen; heeft ze dat overgebracht?”
„Ja”, zeide Mimi, „maar in bewoordingen, waaraan ik, zelfs na alles, wat er tusschen ons voorgevallen is, geen geloof schenken kan. Neen, Rodolphe, niettegenstaande alles wat u me verwijten kunt, heb ik nooit geloofd, dat gij in mij zoo weinig fijn gevoel veronderstelde, dat gij ook maar een oogenblik hebt kunnen denken, dat ik zoo’n voorstel zou aannemen.”
„U hebt me niet begrepen of men heeft u mijn voorstel verkeerd overgebracht. Maar wat ik gezegd heb, blijft van kracht,” zeide Rodolphe; „het is nu negen uur, u hebt nog drie uur tijd om na te denken. Mijn sleutel steekt tot twaalf uur in het slot. Bonsoir, adieu, of tot weerziens.”
„Adieu dan!” zeide Mimi met bevende stem.
En zoo scheidden zij ..... Rodolphe ging naar zijn kamer terug en wierp zich geheel gekleed op bed. Om half twaalf kwam Mimi binnen.
„Ik kom u gastvrijheid vragen,” zeide zij; „de man van Amélie is gebleven, en nu kan ik niet naar huis.”
Tot drie uur in den ochtend praatten zij. De eene verklaring volgde op de andere, waarin het familiare jij en jou afwisselde met het officieele u.
Om vier uur ging de kaars uit. Rodolphe wilde een nieuwe aansteken.
„Ach neen,” zeide Mimi, „het is de moeite niet waard. Het is tijd, om naar bed te gaan.”
En vijf minuten later had haar aardig bruin kopje zijn plaats op het kussen weer ingenomen en riep zij met een vleiend stemmetje Rodolphe’s lippen weer op haar kleine, blanke, blauwdooraderde handen, waarvan de paarlemoerkleur wedijverde met het wit der lakens. Rodolphe stak geen nieuwe kaars aan.
Den volgenden ochtend stond Rodolphe het eerst op en zeide, terwijl hij Mimi verschillende pakjes wees, heel zacht en teeder:
„Dat is uw eigendom, u kunt het medenemen .... ik houd woord.”
„O,” antwoordde Mimi; „ik ben erg moe en kan al die groote pakken niet tegelijk dragen. Ik kom liever nog eens terug.”
En nadat zij zich aangekleed had, nam zij alleen een kraagje en een paar manchetten mede.
„De rest kom ik wel halen .... stuk voor stuk,” voegde zij er glimlachend aan toe.
„Neen,” zeide Rodolphe; „neem alles mede of niets, er moet een eind aan de zaak komen.”
„Of een nieuw begin, maar dan om altijd te duren,” zeide de jonge Mimi, terwijl zij Rodolphe om de hals vloog.
Na samen ontbeten te hebben, gingen ze in de omstreken een uitstapje maken. Toen zij door den Luxembourg liepen, kwamen zij een groot dichter tegen, die Rodolphe steeds met de grootste welwillendheid ontvangen had. Uit beleefdheid wilde Rodolphe doen, alsof hij hem niet zag. Maar de dichter liet hem er den tijd niet voor, en knikte hem in het voorbijgaan familiaar toe, terwijl hij zijn gezellin met een vriendelijk glimlachje groette.
„Wie is dat?” vroeg Mimi.
Rodolphe noemde haar een naam, die haar een kleur van blijdschap en trots deed krijgen.
„Ja,” zeide Rodolphe, „die ontmoeting met den dichter, die zoo mooi de liefde bezongen heeft, is een goed voorteeken en zal onze verzoening geluk aanbrengen.”
„Ik heb je lief,” zeide Mimi innig en drukte haar vriend de hand, hoewel zij midden in de drukte van het verkeer waren.
„Lieve hemel!” dacht Rodolphe; „wat is nu beter, of je altijd te laten misleiden, omdat je geloofd hebt, of nooit te gelooven uit vrees altijd misleid te worden?”