We hebben reeds verteld op welke wijze de schilder Marcel mademoiselle Musette had leeren kennen. Op een goeden dag door den priester van de luim, die tevens maire van het dertiende arrondissement1 is, met elkaar verbonden, hadden zij, zooals dat dikwijls het geval is, gemeend, met uitsluiting van hun hart getrouwd te zijn. Maar op een avond, toen zij na een heftigen twist besloten hadden onmiddellijk van elkaar weg te gaan, kwamen zij tot de ontdekking, dat hun handen, die zij elkaar ten afscheid gereikt hadden, elkander niet meer loslaten wilden. Bijna zonder het zelf te weten was hun luim liefde geworden. Half lachend bekenden zij elkaar hun liefde.
„Dat is een heel ernstige zaak,” zeide Marcel. „Hoe zijn we zoover gekomen?”
„O,” antwoordde Musette, „we zijn onoplettend geweest, we hebben niet genoeg voorzorgsmaatregelen genomen.”
„Wat is er aan het handje?” vroeg Rodolphe, die naast Marcel was komen wonen, toen hij de kamer binnenkwam.
„Wel,” antwoordde de schilder en wees daarbij op Musette, „mademoiselle en ik zijn daar zooeven tot een prachtige ontdekking gekomen. Wij zijn verliefd op elkaar. Dat is zeker in den slaap gekomen.”
„Oho, in den slaap, neen, dat geloof ik zoo gauw niet. Maar waar is het bewijs, dat jullie van elkaar houdt? Je overdrijft misschien het gevaar.”
„Voor den duivel!” riep Marcel uit, „we kunnen elkaar niet uitstaan.”
„En kunnen niet buiten elkaar,” voegde Musette eraan toe.
„Dan is de zaak zoo duidelijk mogelijk, kinderen. Jullie hebt allebei heel mooi willen spelen en je hebt allebei verloren. Het is precies mijn geschiedenis met Mimi. Bijna twee jaar lang hebben we nu al van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat ruzie. Met dat systeem laat je de huwlijken eeuwig duren. Vereenigt een Ja met een Neen en je krijgt een verbintenis à la Philemon en Baucis. Jullie huishouden zal een pendant van het mijne worden; en wanneer Schaunard en Phémie bij hun dreigement blijven en bij ons komen wonen, dan kan ons trio het hier in huis erg gezellig maken.”
Op dat oogenblik kwam Gustave Colline binnen. Ze vertelden hem het ongeluk, dat Musette en Marcel overkomen was.
„Nou, philosoof,” vroeg deze, „wat denk jij ervan?”
Colline krabbelde op de haren van zijn hoed, die hem als dak diende, en bromde:
„Dat heb ik van te voren wel zien aankomen. De liefde is een hazardspel. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Het is niet goed, dat de mensch alleen zij.”
Toen Rodolphe ’s avonds bij Mimi kwam, waren zijn eerste woorden:
„Ik heb nieuws. Musette is dol op Marcel en wil niet van hem vandaan.”
„Arme meid!” zeide Mimi. „Zij had zoo’n gezonde eetlust.”
„En van zijn kant is Marcel smoor op Musette. Zijn liefde is zes-en-dertig karaat, zooals die intrigant van een Colline zou zeggen.”
„Arme jongen,” vond Mimi; „hij is zoo jaloersch!”
„Dat is zoo,” zeide Rodolphe; „hij en ik zijn leerlingen van Othello.”
Eenigen tijd later kwamen werkelijk Schaunard en Phémie Klad in hetzelfde huis als Rodolphe en Marcel wonen.
Van af dien dag sliepen alle andere bewoners op een vulkaan en zegden na afloop van het kwartaal gezamenlijk de huur op.
Inderdaad ging er bijna geen dag voorbij of er barstte in één van de huishoudens een onweer los. Nu eens waren het Mimi en Rodolphe, die, wanneer hun de krachten om te schreeuwen begonnen te ontbreken, elkaar hun meening duidelijk maakten door elkander de eerste de beste projectielen, die ze in handen kregen, naar het hoofd te slingeren. Dan weer, en dat gebeurde het meest, maakte Schaunard met het einde van zijn wandelstok eenige aanmerkingen op de melancholieke Phémie. Marcel en Musette echter hielden hun beraadslagingen met gesloten deuren; zij waren tenminste zoo voorzichtig de deuren en ramen dicht te doen.
Wanneer er toevallig eens vrede heerschte in de drie huishoudens, dan waren de andere huurders wederom het slachtoffer van die tijdelijke eensgezindheid. De indiscretie der tusschenmuren verried hun al de geheimen der bohème-families en wijdde hen tegen hun wil in al hun mysteriën in. Meer dan een buurman verkoos dan ook den casus belli boven de ratificatiën der vredes-verdragen.
Het bestaan, dat onze vrienden gedurende zes maanden leidden, was, eerlijk gezegd, al heel buitengewoon. De meest oprechte broederschap heerschte, zonder eenige mooidoenerij, in den vriendenkring, waarin alles aan allen behoorde, en, al naar het viel, geluk of ongeluk trouw gedeeld werd.
Er waren in iedere maand enkele gala-dagen, dagen, waarop ze voor geen geld van de wereld zich zonder handschoenen op straat vertoond zouden hebben, dagen van uitgelatenheid, waarop ze van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aten. Er waren echter ook andere dagen, waarop ze bijna zonder schoenen naar beneden gegaan zouden zijn, vastendagen, waarop ze, na niet gemeenschappelijk ontbeten te hebben, ook niet samen dineerden of hoogstens ertoe kwamen met behulp van oeconomische combinaties een van die maaltijden te ensceneeren, waarbij borden en lepels en vorken „geen rol speelden”, zooals Mimi dat noemde.
Doch wonderlijk genoeg ontstond er in dien kring, waartoe toch drie jonge, knappe vrouwen behoorden, tusschen de mannen niet de geringste oneenigheid; zij knielden dikwijls neer voor de minste luim van hun maîtresse, maar geen van drieën zou ook maar één oogenblik geaarzeld hebben tusschen de vrouw en den vriend.
Liefde ontstaat vooral uit eigen beweging: zij is als het ware een improvisatie. Vriendschap daarentegen bouwt zich om zoo te zeggen op; zij is een gevoel, dat met omzichtigheid en bedachtzaamheid rondtast; zij is het egoïsme van den geest, terwijl de liefde het egoïsme der ziel is.
Zes jaar lang kenden onze bohémiens elkaar nu al. Dit lange tijdsverloop, waarin zij dagelijks in elkaars gezelschap verkeerden, had, zonder de scherp omlijnde individualiteit van ieder afzonderlijk afbreuk te doen, een overeenstemming van ideeën, een geheel geschapen, dat zij elders niet gevonden zouden hebben. Zij hadden hun eigen zeden en gewoonten en een bijzondere taal, waarvan een vreemde den sleutel niet gevonden zou hebben. Wie hen niet van dichtbij kende, noemde hun vrije manier van optreden cynisme. En toch was het niets anders dan zich geven zooals zij waren. Als uitgesproken vijanden van iederen dwang, haatten zij alles wat onwaar, verachtten zij alles wat laag en gemeen was. Wanneer men hen van zelfoverschatting beschuldigde, antwoordden zij met een openhartige uiteenzetting van hun eerzucht, en in het bewustzijn van hun eigen waarde misbruikten zij hun eigen Ik niet.
Hoewel zij gedurende de vele jaren van hun gemeenschappelijk leven en streven dikwijls door den nood gedwongen werden met elkaar te wedijveren, hadden zij nooit den vriendschapsband verbroken en, zonder er bepaald moeite voor behoeven te doen, den gevaarlijken klip van eigenliefde en ijdelheid weten te omzeilen, telkens wanneer anderen die in hen hadden trachten op te wekken, om oneenigheid tusschen hen te zaaien. Zij schatten elkaar op hun juiste waarde; en de trots, het beste tegengif tegen de ijverzucht, bewaarde hen voor alle kleinzielige beroepsjaloezie.
Doch na zes maanden gemeenschappelijk samenleven brak er plotseling onder de bohémiens een echtscheidings-epidemie uit.
Schaunard opende de rij. Op een goeden dag merkte hij, dat de eene knie van Phémie Klad beter gebouwd was dan de andere, en daar hij op het gebied der plastiek het strengste purisme huldigde, zond hij Phémie weg en gaf haar als souvenir den wandelstok, waarmede hij haar zoo dikwijls opmerkingen gemaakt had. Hij zelf ging inwonen bij een bloedverwant, bij wien hij gratis onderdak kreeg.
Veertien dagen later verliet Mimi Rodolphe, om plaats te nemen in de equipage van den jongen vicomte Paul, den vroegeren leerling van Barbemuche, die haar geelzijden japonnen beloofd had.
Na Mimi verdween Musette, om op opzienbarende wijze terug te keeren in de aristocratie der galante wereld, die zij verlaten had, om Marcel te volgen.
Deze scheiding geschiedde zonder twist, zonder strijd, zonder voorbedachten rade. Geboren uit een luim, die liefde geworden was, werd deze liaison door een andere luim weer verbroken.
Op een carnavalsavond had Musette op het gemaskerde bal in de Opera, waarheen zij met Marcel gegaan was, in een contredans als vis-à-vis een jongen man, die haar vroeger het hof gemaakt had. Zij herkenden elkaar en wisselden onder het dansen enkele woorden. Misschien zonder het te willen liet Musette, toen zij den jongen man van haar tegenwoordige levenswijze op de hoogte bracht, eenige spijt over het verleden doorschemeren. Doch hoe dit zij, aan het einde der quadrille vergiste Musette zich en nam, in plaats van Marcel, die haar cavalier was, de hand te geven, die van haar vis-à-vis, welke haar meetrok en met haar in het gewoel verdween.
Marcel, die vrij ongerust was, zocht haar. Na een uur zag hij haar aan den arm van den jongen man en een van haar lievelingsliedjes zingend, uit het café van de Opera komen. Toen zij Marcel, die met zijn armen over elkaar in een hoek stond, zag, wierp zij hem een afscheidsgroet toe en zeide:
„Ik kom terug.”
„Dat wil zeggen: wacht niet op mij!” vertaalde Marcel. Hij was jaloersch, maar logisch en kende Musette; hij wachtte dan ook niet langer, doch keerde met een vol hart en een leege maag naar huis terug. Hij keek in de kast, of er niet een paar kliekjes over waren: hij vond een stuk brood, zoo hard als graniet, en het skelet van een haring in het zuur.
„Tegen truffels kon ik niet op,” dacht hij. „Enfin, Musette zal tenminste goed gesoupeerd hebben.” En nadat hij, onder voorwendsel zijn neus te moeten snuiten, een punt van zijn zakdoek tegen zijn oogen gedrukt had, ging hij naar bed.
Twee dagen later werd Musette in een in rose tinten gehouden boudoir wakker. Voor de deur wachtte een blauwe equipage, en alle feeën der mode, die tot haar dienst gerequireerd waren, legden haar wonderwerken aan haar voeten. Musette zag er uit om te stelen, en haar jeugd scheen in dezen eleganten lijst nog jonger te worden. Zij begon nu haar oude leven weer, nam deel aan alle feesten en heroverde weer spoedig haar vroegere beroemdheid. Overal werd over haar gesproken: op de beurs zoowel als in de koffiekamer van het Parlement. Haar nieuwe minnaar, mijnheer Alexis, was een charmante jonge man. Dikwijls beklaagde hij zich tegenover Musette, dat hij haar wat lichtzinnig en onverschillig vond, wanneer hij over zijn liefde met haar sprak; dan keek Musette hem glimlachend aan, gaf hem haar hand en zeide:
„Wat zal ik je zeggen, mijn waarde? Ik heb zes maanden lang geleefd met een jongen man, die me voedde met salade en waterachtige soep, me in het katoen gekleed liet gaan en me veel meenam naar het Odéon, omdat hij niet rijk was. Daar de liefde niets kost en ik gewoonweg gek op dat monster was, hebben we heel wat liefde verbruikt. Er zijn alleen nog maar wat kruimels over. Raap die op, ik zal je dat niet beletten. Ik heb je trouwens van te voren alles opgebiecht; en als de linten en strikjes niet zoo duur waren, zou ik nu nog bij mijn schilder zijn. En wat mijn hart betreft, ik hoor het, sedert ik een corset van tachtig francs draag, bijna niet meer kloppen, en ik ben erg bang, dat ik het in een van de laden van Marcel heb laten liggen.”
Het verdwijnen der drie Bohème-huishoudens gaf aanleiding tot een groot feest in het huis, dat zij bewoond hadden. Als vreugdebetoon gaf de eigenaar een grootsch diner en illumineerden de huurders hun ramen.
Rodolphe en Marcel waren samen gaan wonen. Beiden hadden zij een idool gevormd, waarvan zij den naam niet goed wisten. Tusschenbeide gebeurde het, dat de een over Musette en de ander over Mimi sprak; dan hadden zij stof genoeg voor den geheelen avond. Zij haalden hun vroeger leven weer op en de liederen van Musette en de liederen van Mimi, en de slapelooze nachten en de verslapen ochtenduren en de in droomen genoten diners. Een voor een lieten zij in hun duo’s van herinneringen al die vervlogen uren aan hun geest voorbijgaan; en zij eindigden gewoonlijk hun tweegesprek met te zeggen, dat zij per slot van rekening nog gelukkig waren, daar zij gezellig samen met hun voeten op het haardkleedje zaten, het houtvuur konden oppoken en hun pijp rooken en zij elkander hadden, om al die dingen hardop te zeggen, welke zij tot zichzelf zeiden, als zij alleen waren: n.l. dat zij van die schepseltjes, die bij haar verdwijning een stuk van hun jeugd hadden medegenomen, veel gehouden hadden en dat zij ze misschien nog lief hadden.
Toen op een goeden avond Marcel den boulevard overstak, zag hij op enkele passen voor zich een jonge dame, die bij het uit haar rijtuig stappen een witten kous liet zien, welke een buitengewoon zuiveren vorm van het been verried; de koetsier zelf verslond de bekoorlijke „fooi” met zijn oogen.
„Bliksems,” dacht Marcel, „een alleraardigste kuit! Ik heb waarachtig zin haar mijn arm aan te bieden; laat eens kijken .... op welke manier zal ik haar het best aanspreken!.... Daar heb ik een idee.... Iets heel nieuws!”
„Pardon, mevrouw,” zeide hij, terwijl hij naar de onbekende, wier gezicht hij niet dadelijk zien kon, toe ging; „u hebt bij toeval mijn zakdoek niet gevonden?”
„Zeker, mijnheer,” antwoordde zij; „als het u blieft.”
En zij gaf Marcel een zakdoek, die zij in haar hand hield.
De schilder rolde bij die woorden in een afgrond van verbazing.
Maar een luid gelach, waarvan hij plotseling de volle laag in het gelaat kreeg, deed hem weer tot zichzelf komen; aan die vreugdefanfare herkende hij zijn oude liefde.
Het was mademoiselle Musette.
„Zoo, zoo!” riep zij uit; „mijnheer Marcel op jacht naar galante avontuurtjes. Hoe vindt je dit, zeg? Vroolijk is het zeker.”
„Ik vind het tamelijk,” was zijn antwoord.
„Wat doe je zoo laat in dit stadsdeel?” vroeg Musette.
„Ik ga naar dit gebouw,” lichtte hij haar in en wees naar een kleinen schouwburg, waar hij vrijen toegang had.
„Uit liefde voor de kunst?”
„Neen uit liefde voor Laure.”
„Wie is Laure?” vroeg Musette, wier oogen vraagteekens schoten.
Marcel ging op zijn flauwe aardigheid door.
„Dat is een chimère, die ik najaag en die binnen deze kleine muren ingénue-rollen speelt.”
En hij verfrommelde met zijn hand een imaginairen boezem.
„U bent vanavond wel geestig,” zeide Musette.
„En u nieuwsgierig!”
„Praat toch wat zachter, iedereen hoort ons, ze zullen ons nog voor een verliefd paar, dat ruzie heeft, aanzien.”
„Het zou de eerste keer niet zijn, dat zoo iets ons overkwam!” zeide Marcel.
Musette zag in die woorden een uitdaging en antwoordde vlug:
„En misschien de laatste keer ook niet, wel?”
De vraag was duidelijk, zij klonk Marcel als het fluiten van een kogel in het oor.
„Gij schitterende hemellichten,” riep hij, opkijkend naar de sterren; „gij zijt getuigen, dat ik niet het eerste schot gelost heb. Vlug mijn pantser.”
Van dat oogenblik af was het vuur geopend.
Het eenige noodige was nu nog maar, om een verbindingsstreepje te vinden, ten einde deze twee grillen, welke plotseling weer met zulk een gloed ontwaakt waren, samen te brengen.
Al verder loopend keek Musette Marcel en Marcel Musette aan. Zij spraken niet, maar hun oogen, die plenipotentiarissen van het hart, ontmoetten elkaar dikwijls. Na een diplomatieke conferentie van een kwartier had dit congres van blikken deze aangelegenheid in alle stilte geregeld. Alleen de ratificatie moest nog plaats hebben.
Het afgebroken gesprek werd weer voortgezet.
„Zeg nou eens eerlijk,” vroeg Musette, „waar wou je daarnet heen?”
„Ik heb het je al gezegd: naar Laure.”
„Is zij knap?”
„Haar mond is een nestje van glimlachjes!”
„Dat ken ik al,” zeide Musette.
„Maar jij?” vroeg Marcel, „waar kwam jij vandaan op de vleugelen van dat rijtuig?”
„Ik heb Alexis, die zijn familie gaat bezoeken, naar het station gebracht.”
„Wat is die Alexis voor een man?”
Op haar beurt ontwierp Musette van haar tegenwoordigen minnaar een bekoorlijk beeld. Al verder wandelend bleven Marcel en Musette midden op den boulevard de comedie: „De terugkeer der liefde” spelen. Met dezelfde, nu eens liefkoozende, dan weer spottend plagende naïeveteit herhaalden zij strophe voor strophe die onsterfelijke ode, waarin Horatius en Lydia met zooveel gratie en bekoorlijkheid de heerlijkheid van hun nieuwe liefde bezingen en ten slotte aan hun oude liefde een postscriptum toevoegen.
Toen zij bij den hoek van een straat kwamen, marcheerde plotseling een vrij sterke patrouille voorbij.
Musette „organiseerde” vlug een angstige houding, klampte zich vast aan Marcel’s arm en zeide:
„Lieve Hemel, kijk eens, daar komen de schutters, zeker een revolutie. Laten we maken, dat we wegkomen; ik ben zoo bang: breng me weg!”
„Maar waarheen?” vroeg Marcel.
„Naar mijn huis,” zeide Musette; „je zult eens zien hoe aardig het er is. Ik geef een souper: we zullen over politiek praten.”
„Neen,” antwoordde Marcel, die steeds aan Alexis dacht; „ik ga niettegenstaande je uitnoodiging voor een souper niet met je mee. Ik drink niet graag wijn uit een andermans glazen.”
Musette wist op die weigering geen antwoord te geven. Plotseling zag zij door de mist van haar herinneringen weer het armoedige kamertje van den armen schilder—want Marcel was geen millionair geworden—en zij kwam op een ander denkbeeld. Een tweede patrouille, die kwam aanrukken, was voor haar een welkome gelegenheid om opnieuw een aanval van angst te krijgen.
„Ze zullen gaan vechten!” riep zij uit; „ik durf niet naar huis terug. Lieve Marcel, breng mij naar een vriendin van me, die dicht bij jou wonen moet!”
Toen zij den Pont Neuf overgingen, barstte Musette in een schaterlach uit.
„Wat heb je?” vroeg Marcel.
„Niets,” antwoordde Musette; „ik bedenk me daar op eens, dat mijn vriendin verhuisd is. Zij woont tegenwoordig in Batignolles!”
Toen Rodolphe Marcel en Musette arm in arm binnen zag komen, was hij heelemaal niet verbaasd.
„Als de liefde niet goed begraven is,” zeide hij, „is dat altijd het slot van het lied!”
1 Parijs bezat vroeger slechts twaalf arrondissementen en evenveel bureaux voor den burgerlijken stand—een voor den maire van het dertiende arrondissement gesloten huwelijk was dus een huwelijk uit vrije liefde.
Een jaar of vijf, zes werkte Marcel nu reeds aan dat beroemde doek, dat volgens zijn bewering de Doortocht door de Roode Zee moest voorstellen, en een jaar of vijf, zes reeds weigerde de jury hardnekkig dit kleurrijke meesterwerk. Ten gevolge van het heen en weer trekken van het atelier naar het Museum en van het Museum naar het atelier had het doek den weg dan ook zoo goed leeren kennen, dat het, wanneer men het op rolletjes gezet zou hebben, ongetwijfeld in staat geweest zou zijn zich alleen naar den Louvre te begeven. Marcel, die het tienmaal veranderd en van boven tot beneden omgewerkt had, schreef het ostracisme, dat hem jaarlijks den toegang tot den vierkanten Salon ontzegde, toe aan een persoonlijke vijandigheid der juryleden en had in zijn verloren oogenblikken ter eere van de cerberussen van het Instituut een kleinen dictionnaire van scheldwoorden samengesteld, die met scherpe en giftige illustraties versierd was. Deze verzameling was al heel gauw beroemd geworden en had in de ateliers en in de Ecole des Beaux-Arts hetzelfde succes verworven, dat eens ten deel gevallen was aan het onsterfelijke klaaglied van Jean Bélin,1 schilder van den sultan van Turkije: alle schildersleerlingen van Parijs hadden er een exemplaar van in hun geheugen.
Gedurende langen tijd had Marcel zich door de hardnekkige weigeringen, welke bij iedere tentoonstelling aan zijn doek ter deel vielen, niet laten ontmoedigen. Hij had zich nu eenmaal in zijn hoofd gezet, dat zijn werk, in kleinere verhoudingen dan, het verwachte pendant was van de „Bruiloft te Kanaän”, dat gigantische meesterwerk, welks schitterende kleurenpracht het stof van drie eeuwen niet dof had kunnen maken. Ieder jaar zond Marcel dan ook weer tegen de opening van den „Salon” zijn doek aan de jury ter beoordeeling. Alleen wijzigde hij, om de juryleden op een dwaalspoor te brengen en te trachten het vooroordeel, dat zij blijkbaar tegen de „Doortocht van de Roode Zee” hadden, op te heffen, telkens een of ander detail, zonder echter iets te veranderen aan de compositie in haar geheel, en gaf het doek dienovereenkomstig een anderen naam.
Op die wijze kwam de schilderij op een goeden dag als „Overtocht over den Rubicon” voor de jury; maar Pharao, die onder den mantel van Caesar slecht vermomd was, werd herkend en met alle eer, die hem verschuldigd was, afgewezen.
Het volgend jaar bracht Marcel op verschillende punten van het linnen witte plekken aan, als zinnebeeld van de sneeuw, plantte in een hoek een den, trok een Egyptenaar den uniform van een grenadier der keizerlijke garde aan en doopte zijn schilderij: „Overtocht over de Beresina.”
Doch de jury, die dit jaar haar brillen op de opslagen van haar met groene palmtakken versierde rokken goed had schoongeveegd, werd geen slachtoffer van deze nieuwe list. Zij herkende het hardnekkige doek onmiddellijk en wel aan een groot, bont paard, dat schrikkend voor een golf der Roode Zee, steigerde. De robe van dit duivelsche paard werd door Marcel gebruikt voor alle proefnemingen, die hij op het gebied van coloriet deed, en hij noemde het in vertrouwelijke gesprekken de „synoptische tabel der fijne tinten,” omdat hij met het spel van licht en schaduw op die plaats de meest verschillende kleurencombinaties wist aan te brengen. Doch, ongevoelig voor dit détail, had ook ditmaal de jury geen zwarte bolletjes genoeg om den „Overtocht over de Beresina” te weigeren.
„Goed,” zeide Marcel, „dat dacht ik wel. Het volgend jaar zal ik het inzenden onder den titel: „Doortocht door de panorama’s”.”
„Zij zullen voor den gek, gi, ga, gi, ga, gek gehouden worden!” zong Schaunard op een nieuwe door hem gecomponeerde melodie, een vreeselijke melodie, lawaaierig als een gamma van donderslagen, en waarvan de begeleiding de schrik van alle piano’s in de buurt was.
„Hoe kunnen zij het weigeren zonder dat al het vermillioen van mijn Roode Zee hun op het gelaat komt en het met het scharlaken van schaamte bedekt?” mompelde Marcel, terwijl hij naar zijn doek keek..... „Wanneer men bedenkt, dat er voor honderd daalders verf en een millioen genie op zit, zonder nog te spreken van mijn schoone jeugd, die zoo kaal geworden is als mijn vilten hoed. Een ernstig werk, dat nieuwe horizonten voor de glazuurkunst opent. Maar zij zullen het niet voor de laatste maal gezien hebben; tot aan mijn laatsten ademtocht zal ik mijn schilderij inzenden. Ik zal zorgen dat het tenminste in hun geheugen gegraveerd blijft!”
„Dat is de zekerste manier, om er gravures van te krijgen,” merkte Gustave Colline op en voegde er voor zichzelf aan toe: „Een heel aardige woordspeling, heel aardig .... die zal ik verder vertellen.”
Marcel bleef zijn verwenschingen uitbraken, die Schaunard steeds weer op muziek bracht.
„Zij willen mij niet in den Salon toelaten!” riep Marcel uit. „Ha, de regeering betaalt ze, geeft ze onderdak en het kruis van het Legioen van Eer, alleen maar met het doel, om eens per jaar, den eersten Maart, mijn doek te weigeren .... Maar ik zie heel goed, wat zij daarmede voor hebben, ik zie het heel goed in; zij hopen, dat ik mijn penseelen in stukken zal breken. Zij denken misschien wel, dat ik, wanneer zij mijn „Doortocht door de Roode Zee” weigeren, mij hals over kop uit het raam van de wanhoop zal storten. Maar zij kennen mijn hart al heel slecht, als ze me door zoo’n plompe list hopen te vangen. Ik zal voortaan de opening van den Salon niet afwachten. Van af heden zal mijn schilderij het Damokles-doek zijn, dat eeuwig boven hun leven zal hangen. Ik zal het van nu af eenmaal per week aan een van de heeren thuis zenden, in zijn eigen woning, in de schoot van zijn familie, midden in het hart van zijn particulier leven. Het zal hun huiselijke vreugde vergiftigen; zij zullen daardoor hun wijn zuur, hun wild aangebrand, hun vrouwen onuitstaanbaar vinden. Zij zullen binnen zeer korten tijd krankzinnig worden; en men zal ze een dwangbuis moeten aantrekken om op de zittingsdagen naar den Salon te kunnen gaan. Dat denkbeeld lacht mij toe.”
Eenige dagen later, toen Marcel zijn vreeselijke wraakplannen tegen zijn vervolgers reeds lang weer vergeten had, kreeg hij bezoek van vader Médicis. Zoo noemde men in den vriendenkring een Jood, Salomon geheeten, die toentertijd heel goed bekend was aan alle artistieke en litteraire bohémiens, met wie hij bijna dagelijks in aanraking kwam. Vader Médicis schacherde in alles en nog wat. Hij verkocht complete ameublementen van twaalf tot duizend daalders. Hij kocht alles en wist alles met winst weer kwijt te raken. De wisselbank van Proudhon is niets vergeleken bij het door Salomon toegepaste systeem, die het schachergenie bezat in een graad, welken zelfs de handigsten van zijn geloofsgenooten nog niet bereikt hadden. Zijn winkel op de Place du Caroussel was een tooverpaleis, waarin je alles vondt, wat je maar noodig hadt. Alle producten der natuur, alle voortbrengselen der kunst, alles wat voortkomt uit de ingewanden der aarde en het brein der menschen—alles was voor Médicis een handelsobject. Hij schacherde in alles, absoluut in alles, wat maar bestaat, hij werkte zelfs in het denkbeeldige. Médicis kocht n.l. denkbeelden, hetzij om ze zelf te exploiteeren, hetzij om ze weer te verkoopen. Bekend met alle schrijvers en alle kunstenaars, vertrouwde van de paletten en vriend van den inktpot, was hij om zoo te zeggen de Asmodé der kunsten. Hij gaf je sigaren in ruil voor een feuilleton, pantoffels voor een sonnet, versche zeevisch voor paradoxen; hij praatte tegen betaling—per uur zoo en zooveel—met de journalisten, die stof voor de chronique scandaleuse moesten verzamelen; hij bezorgde je toegangskaarten voor de kamertribunes en uitnoodigingen voor particuliere soirées; hij gaf schildersleerlingen onderdak per nacht, per week of per maand en liet zich daarvoor met copieën naar oude meesters in den Louvre betalen. De coulissen hadden voor hem geen geheimen. Hij zorgde ervoor, dat stukken werden aangenomen door de theaterdirecties. Hij was een wandelend adresboek van Parijs en kende de namen, de woonplaatsen en de geheimen van alle beroemdheden—zelfs van de meest obscure.
Beter echter dan de uitvoerigste verklaring zullen eenige bladzijden uit zijn memoriaal u een denkbeeld kunnen geven van zijn alles omvattenden handel:
Uit deze aanhalingen ziet men duidelijk hoe uitgebreid de handelsbetrekkingen van den Jood Médicis waren, die, niettegenstaande zijn wijze van zaken doen niet steeds door den beugel kon, nog nooit door iemand lastig gevallen was.
Toen de Jood met zijn intelligent gezicht bij de bohémiens binnentrad, zag hij dadelijk, dat hij op een voor hem gunstig oogenblik kwam. Inderdaad zaten de vier vrienden in krijgsraad bijeen en bespraken, onder voorzitterschap van een in hun maag hamerenden honger, de hoogst belangrijke brood- en vleeschvraagstukken. Het was een Zondag tegen het einde der maand—een rampzalige dag en een sinistere datum.
Het binnenkomen van Médicis werd derhalve met een luid Hoera begroet, want ze wisten, dat de Jood te gierig was met zijn tijd, om dien met beleefdheidsbezoeken te verspillen. Zijn komst was dan ook steeds een zeker bewijs, dat er zaken te doen waren.
„Goedenavond, heeren!” zeide de Jood. „Hoe gaat het?”
„Colline!” riep Rodolphe, die languit op zijn bed lag en zwelgde in het genot van een horizontale houding; „Colline, neem jij de honneurs waar en geef onzen gast een stoel; een gast is heilig. Ik groet u uit naam van Abraham!” voegde de dichter eraan toe.
Colline haalde een fauteuil, die even elastisch als staal was, schoof dien naar den Jood toen en zeide gastvrij:
„Stel u een oogenblik voor, dat u Cinna2 bent, en neem dezen zetel.”
Médicis liet zich in den fauteuil vallen en wilde enkele opmerkingen omtrent de hardheid ervan maken, toen hem nog juist bijtijds te binnen schoot, dat hij zelf dien indertijd met Colline geruild had voor een beginselverklaring, welke hij verkocht had aan een Kamerlid, dat de gave der improvisatie miste. Toen de jood ging zitten, lieten zijn zakken een zilveren klank hooren, waarvan de melodie de vier bohémiens in zoete droomerijen deed verzinken.
„Laten we nu naar het lied luisteren,” fluisterde Rodolphe Marcel in. „Het accompagnement is niet kwaad.”
„Mijnheer Marcel,” zeide Médicis, „ik kom uw fortuin maken. Dat wil zeggen, ik kom u een prachtige gelegenheid aanbieden, om u in den artistieken wereld te introduceeren. U weet, mijnheer Marcel, de kunst is een dorre woestijnweg, waarop de roem een oase is.”
„Papa Médicis,” zeide Marcel, die op kolen van ongeduld zat; „in naam der vijftig procent, uw gebenedijden schutspatroon, wees kort!”
„Ja,” voegde Colline eraan toe; „even kort als koning Pepijn, die even bondig was als u, want gij moet kort en bondig zijn, zoon van Jacob!”
„Hei, hei, hei!” riepen de bohémiens verschrikt en keken rond, of de vloer zich niet opende, om den wijsgeer te verzwelgen.
Doch ditmaal werd Colline nog niet verzwolgen.
„De zaak is deze,” ging Médicis voort. „Een rijke liefhebber, die een galerij verzamelt, welke een tournée door Europa moet maken, heeft mij opgedragen een reeks interessante schilderijen voor hem aan te koopen. Ik kom u nu voorstellen u in dat museum een plaatsje in te ruimen; in één woord: ik wil uw „Doortocht door de Roode Zee” koopen.”
„A contant,” antwoordde de Jood en liet het orkest in zijn broekzak weer spelen.
„Ben je nou tevreden?” vroeg Colline.
„Natuurlijk,” zeide Rodolphe woedend; „we moeten waarachtig een paar bittere pillen koopen, om dien kerel zijn mond te stoppen. Zie je dan niet, lummel, dat hij met daalders spreekt? Bestaat er dan niets heiligs voor jou, vervloekte atheïst?”
Colline klom op een tafel en nam de houding van Harpokrates, den god van het zwijgen, aan.
„Ga verder, Médicis,” zeide Marcel en wees op zijn schilderij: „Ik wil u de eer laten zelf den prijs van dit werk, dat eigenlijk onbetaalbaar is, te bepalen.”
De Jood legde vijftig nieuwe daalders op de tafel neer.
„Dat is de voorhoede,” zeide Marcel; „en wat verder?”
„Mijnheer Marcel,” zeide Médicis, „u weet heel goed, dat mijn eerste woord ook altijd mijn laatste is. Ik geef geen sou meer. Denk eens goed: 50 daalders, dat is 150 francs. Dit is een heele som, wat?”
„Maar te weinig,” antwoordde de artist; „alleen aan den mantel van Pharao zit voor meer dan vijftig daalders kobalt. Betaal tenminste het maakloon. Maak de stapeltjes gelijk, rond de som af en ik zal u Leo X noemen, Leo X bis.”
„Ziehier mijn laatste woord,” antwoordde Médicis; „ik doe er geen sou bij, maar ik bied u alle vier een diner aan, wijn zooveel als u lust, en bij het dessert betaal ik in goud.”
„Niemand meer?” brulde Colline en sloeg driemaal met zijn vuist op tafel. „Eenmaal, andermaal; niemand meer? ten derden male!”
„Nou goed dan!” zeide Marcel.
„Ik zal morgen de schilderij laten halen,” zeide de Jood. „En nu mee, mijne heeren, de tafel is gedekt!”
Onder het zingen van het koor uit de Hugenooten: „A table, à table!” gingen de vier vrienden naar beneden.
Médicis onthaalde de bohémiens op zeer royale manier. Hij liet hun een groot aantal gerechten voorzetten, die tot nog toe voor hen onbekende grootheden geweest waren. Na dit diner was kreeft niet langer een mythe voor Schaunard, die voor deze amphibie een hartstocht opvatte, welke dicht aan waanzin grensde.
De vier vrienden verlieten het festijn dronken als waren zij op een wijnoogstfeest geweest. Deze dronkenschap had bijna betreurenswaardige gevolgen voor Marcel, die, toen hij ’s morgens om twee uur voorbij zijn kleermaker kwam, met alle geweld zijn schuldeischer wilde wekken, om hem de honderd vijftig francs, die hij zoo pas ontvangen had, op afrekening te geven. Een sprankje gezond verstand, dat nog in Colline’s geest over was, redde den kunstenaar nog juist op den rand van den afgrond.
Acht dagen later zag Marcel in welke galerij zijn doek een plaatsje gekregen had. Toen hij door den faubourg Saint Honoré liep, stootte hij op een troepje menschen, dat blijkbaar met alle aandacht toekeek hoe er aan een winkel een uithangbord werd aangebracht. Dit uithangbord was niets meer of minder dan de schilderij van Marcel, die door Médicis aan een delicatessenhandelaar verkocht was. Alleen had de „Doortocht door de Roode Zee” nog een nieuwe verandering ondergaan en weer een anderen naam gekregen. Er was nog een stoomschip bij geschilderd en het doek heette nu: „In de haven van Marseille.” Toen het doek onthuld werd, liet de nieuwsgierige menigte een gemompel van goedkeuring en bewondering hooren.
Verrukt over dezen triomf, keerde Marcel zich om en zeide tot zichzelf:
Op een goeden morgen werd Mimi, die anders gewoon was tot diep in den ochtend te slapen, reeds op klokslag van tien uur wakker en scheen heel verbaasd Rodolphe noch naast zich noch in de kamer te zien. Den vorigen avond had zij hem, voor zij in slaap viel, toch aan zijn schrijftafel zien zitten, waaraan hij van plan was den geheelen nacht te blijven werken aan een extra-litterairen arbeid, die hem opgedragen was en waarbij, als hij gereed was, Mimi zeer veel belang had. De dichter had zijn vriendinnetje namelijk beloofd haar van de opbrengst van zijn werk een bepaalde voorjaarsjapon te koopen, waarvan zij een coupon had zien liggen in „De Twee Apen”, een bekend modemagazijn, voor welks etalages Mimi’s coquetterie haar godsdienstige plichten dikwijls ging vervullen. Sedert Rodolphe met het werk begonnen was, nam de voortgang ervan al de gedachten van Mimi in beslag. Dikwijls ging zij vlak bij den schrijvenden Rodolphe staan, keek over zijn schouder en zeide dan heel ernstig:
„Nou, en hoe staat het met mijn japon?”
„Wees maar gerust hoor, er is al een mouw klaar!”
Toen zij op een goeden nacht hoorde hoe Rodolphe met zijn vingers klapte, wat meestal een bewijs was, dat hij tevreden was over zijn werk, ging zij plotseling rechtop in bed zitten, en riep, terwijl zij haar bruin kopje door de gordijnen stak:
„Is mijn japon af?”
„Kijk maar”, antwoordde Rodolphe en liet haar vier groote, dichtbeschreven zijdjes zien; „ik heb zooeven den corsage gekocht.”
„Heerlijk!” riep Mimi. „Nu ontbreekt alleen de rok nog maar; hoeveel blaadjes heb je noodig om een rok te maken?”
„Dat hangt ervan af; maar daar jij niet groot bent, zullen we met een blaadje of tien van vijftig regels à drie-en-dertig letters een heel fatsoenlijken rok kunnen hebben.”
„Ik ben niet groot, dat is zoo,” zeide Mimi; „maar het mag toch niet den schijn hebben, alsof we stof te kort kwamen: de rokken worden op het oogenblik heel wijd gedragen en ik zou graag mooie groote plooien hebben, die zoo aardig frou-frou maken, wanneer je loopt.”
„Heel goed hoor,” antwoordde Rodolphe ernstig, „ik zal tien letters meer op een regel zetten, dan kan jij je frou-frou krijgen.”
En overgelukkig sliep Mimi weer in.
Daar zij zoo onvoorzichtig geweest was met haar vriendinnen Musette en Phémie te spreken over de mooie japon, die Rodolphe bezig was voor haar te maken, hadden de twee jonge meisjes al heel gauw de heeren Marcel en Schaunard in kennis gesteld met de vrijgevigheid van hun vriend tegenover zijn liefje; welke vertrouwelijke mededeelingen al even spoedig gevolgd waren door ondubbelzinnige toespelingen om het door den dichter gegeven voorbeeld na te volgen.
„Wanneer het namelijk nog acht dagen zoo duurt,” zeide Musette en trok daarbij aan de snor van Marcel, „dan zal ik me verplicht zien een broek van je te leenen, wanneer ik uit wil gaan.”
„Ik moet nog vijftien francs van een solide firma hebben,” antwoordde Marcel; „zoodra ik die som krijg, zal ik een vijgeblad naar de nieuwste mode voor je koopen.”
„En wat krijg ik?” vroeg Phémie aan Schaunard. „Mijn peigne noir (zij kon het woord peignoir niet uitspreken) valt aan flarden.”
Schaunard vischte drie sous uit zijn vestjeszak op en gaf die aan zijn maîtresse met de woorden:
„Hier kan je naald en draad voor koopen. Naai daar je peigne noir maar mee, dat zal je kennis vermeerderen en je tevens aangenaam bezig houden: utile dulci.”
Toch kwamen in een zeer in het geheim gehouden bijeenkomst Marcel en Schaunard met Rodolphe overeen, dat ieder van zijn kant zou trachten de rechtmatige ijdelheid van hun vriendinnetjes te bevredigen.
„Een kleinigheid maakt die arme kinderen al mooi,” had Rodolphe gezegd; „maar die kleinigheid moeten zij dan ook hebben. Sedert eenigen tijd gaat het met de schoone kunsten en de litteratuur zeer naar wensch; we verdienen bijna even veel als pakjesdragers.”
„Dat is zoo,” antwoordde Marcel, „ik heb niet te klagen: de schoone kunsten verheugen zich in een ongekenden bloei; je zoudt bijna denken in den tijd van Leo X te leven.”
„Dat is waar ook,” viel Rodolphe hem in de rede, „Musette heeft mij verteld, dat je de laatste acht dagen ’s morgens vroeg al weggaat en pas met het vallen van den avond thuiskomt. Heb je werkelijk zooveel te doen?”
„Een prachtig werk, mijn waarde! Médicis heeft het mij bezorgd. Ik maak n.l. in de kazerne Ave Maria de portretten van achttien grenadiers tegen gemiddeld 6 francs per stuk, met een éénjarige garantie voor de gelijkenis, net als bij horloges. Ik hoop het heele regiment tot klant te krijgen. Het was juist mijn voornemen Musette weer eens op te tuigen, zoodra Médicis mij betaald heeft, want met hem heb ik gecontracteerd, niet met de modellen.”
„En wat mij betreft,” zeide Schaunard langs zijn neus weg, „ik heb, al zou je het niet zeggen, tweehonderd francs ergens liggen.”
„Laat ze dan voor den donder opstaan!” riep Rodolphe.
„Binnen een paar dagen hoop ik ze bij den bankier te gaan halen,” ging Schaunard verder; „en ik wil het voor jullie niet onder stoelen en banken steken, dat het mijn plan is om, wanneer ik ze in ontvangst genomen heb, aan enkele van mijn hartstochten den vrijen teugel te laten. Bij den uitdrager hier vlak naast hangen n.l. een nangkin rok en een jachthoren, die me reeds lang de oogen uitsteken. Die zal ik me zeker zelf cadeau doen.”
„Maar,” vroegen Marcel en Rodolphe tegelijk, „waar hoop je dat reusachtige kapitaal vandaan te krijgen?”
„Luistert, heeren,” zeide Schaunard, terwijl hij met een ernstig gezicht tusschen zijn twee vrienden ging zitten; „we behoeven elkaar niet te verhelen, dat we, voor we lid van het Instituut en belastingplichtig worden, nog een aardig stukje roggebrood zullen moeten naar binnen werken, en het dagelijksch brood is moeilijk te verdienen. Bovendien zijn we niet alleen; waar de hemel ons met een liefderijk hart geschapen heeft, heeft ieder van ons zijn tweede ik gekozen, om zijn lot met haar te deelen.”
„Waar natuurlijk een niet op gevallen is,” viel Marcel hem in de rede.
„Nu is het,” ging Schaunard voort, „zelfs al betracht je de grootste zuinigheid, beslist onmogelijk, wanneer je niets hebt, nog wat over te leggen, vooral niet wanneer je honger altijd grooter is dan de schaal.”
„Waar wil je eigenlijk op neer komen?” vroeg Rodolphe.
„Hierop”, antwoordde Schaunard, „dat wij in onzen tegenwoordigen toestand al heel verkeerd zouden doen, om onzen neus op te halen, wanneer er zich, zelfs buiten het gebied van onze kunst, een gelegenheid voordoet, om een cijfer te zetten voor de nul, die ons maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt.”
„Hei, hei!” zeide Marcel, „wien van ons kan jij verwijten, dat hij zijn neus ophaalt? Heb ik, hoe groot schilder ik mettertijd ook zal zijn, er niet in toegestemd mijn penseel te offeren aan een schilderachtige reproductie van Fransche krijgers, die mij van hun zakgeld betalen? Ik zou zoo denken, dat ik niet aarzel af te dalen van den ladder van mijn toekomstige grootheid!”
„En ik dan?” zeide op zijn beurt Rodolphe; „weet je niet, dat ik sinds veertien dagen aan een medisch-chirurgisch-osanorisch gedicht bezig ben voor een beroemden tandarts, die mijn inspiratie subsidieert met vijftien sous voor een dozijn Alexandrijnen, dat is iets meer dan voor een dozijn oesters? .... En toch schaam ik me daar niet voor; voor ik mijn Muze werkeloos zou laten, zou ik nog liever het adresboek van Parijs op rijm brengen. Wanneer je een lier hebt, dan moet je die, duivels nog toe, gebruiken ook .... En bovendien heeft Mimi hard schoenen noodig.”
„Dan zult ge mij er niet hard om vallen, wanneer je hoort, uit welken bron de Pactolus, waarvan ik een overstrooming verwacht, ontsprongen is.”
De geschiedenis van Schaunards tweehonderd francs was de volgende:
Een dag of veertien geleden was hij binnengeloopen bij een muziekuitgever, die hem beloofd had hem bij zijn klanten muzieklessen of een plaats als pianist te bezorgen.
„Bliksems,” zeide de uitgever, toen hij hem binnen zag komen, „u komt als geroepen. Er is mij juist vandaag om een pianist gevraagd. Het is een Engelschman. Ik geloof, dat hij goed betalen zal .... Bent u werkelijk een goed pianist?”
Schaunard dacht, dat een bescheiden optreden hem in de achting van zijn uitgever zou kunnen doen dalen. Een musicus, vooral een pianist, en bescheiden .... dat is een weinig voorkomende combinatie. Schaunard antwoordde dan ook met veel aplomb:
„Ik ben een prima-pianist; als ik de tering, lange haren en een zwarten rok had, zou ik op dit oogenblik even beroemd zijn als de zon, en zoudt u, in plaats van aan mij achthonderd francs te vragen voor het drukken der partituur van de „Dood van de jonge maagd”, mij op uw knieën en in een zilveren schaal er drieduizend komen aanbieden.
„Doch hoe het zij,” ging de kunstenaar voort, „een feit is het, dat, waar mijn vingers reeds tien jaar lang dwangarbeid op de toetsen verrichten, ik het ivoor en de kruisen vrij goed weet te behandelen.”
De persoon, tot wien Schaunard verwezen werd, was een Engelschman, Mr. Birn’n geheeten. De musicus werd het eerst in ontvangst genomen door een blauwen lakei, die hem aan een groenen lakei overhandigde, welke op zijn beurt hem weer overgaf aan een zwarten lakei, die hem in een salon bracht, waar hij een eilandbewoner tegenover zich zag, die in de houding van een spleenlijder, waardoor hij aan Hamlet deed denken, peinzend over de nietswaardigheid van ons bestaan, in een fauteuil weggedoken zat. Juist wilde Schaunard het doel van zijn komst uiteenzetten, toen doordringende kreten zich lieten hooren en hem de woorden afsneden. Dit vreeselijke gekrijsch, dat je trommelvlies bijna deed scheuren, werd uitgestooten door een papegaai, die op het balcon van de benedenverdieping op zijn stok zat.
„O, deze beest, deze beest!” jammerde de Engelschman, die uit zijn fauteuil opsprong. „Hij zal doen sterven mij.”
En op hetzelfde oogenblik begon de vogel zijn repertoire af te krijschen, dat veel uitgebreider was dan dat van gewone papegaaien. Schaunard bleef stom verbaasd staan, toen hij het dier, op bevel van een vrouwelijke stem, de eerste verzen van het verhaal van Théramène1 met de intonaties, die op het Conservatoire geleerd worden, hoorde voordragen.
Deze papegaai was de lieveling van een actrice, wier boudoir toentertijd zeer gezocht was. Het was een van die vrouwen, welke, zonder dat men weet waarom of hoe, op den turf der galanterie tot waanzinnige prijzen genoteerd zijn en wier naam op de menu’s van vrijgezellensoupers staat, waar zij als levend dessert dienst doen. In onzen tijd staat het voor een Christen „gekleed” om gezien te worden in het gezelschap van zulke heidinnen, die dikwijls niets antieks hebben behalve haar geboortebewijs. Wanneer zij knap zijn, zit er per slot van rekening nog zooveel kwaad niet bij: het ergste, dat je riskeert, is dat je eens op stroo moet slapen, omdat je haar een palissanderhouten ameublement gegeven hebt. Maar wanneer ze haar schoonheid bij het ons in parfumeriewinkels koopen en deze niet bestand is tegen drie druppels water op een lapje, wanneer haar geestigheid ophoudt bij een café-chantant-couplet en haar talent zetelt in de hand van een claqueur, dan is het bijna onbegrijpelijk hoe menschen van stand, die soms geest, een naam en een nieuw-modisch pak hebben, zich uit liefde tot het laag-bij-den-grondsche zoo laten medeslepen, dat zij schepsels, die hun huisknecht niet als liefje zou willen hebben, tot een mode-voorwerp verheffen.
De hier bedoelde actrice nu behoorde tot die modeschoonheden. Zij noemde zich Dolorès en gaf zich uit voor een Spaansche, hoewel zij geboren was in het Parijsche Andalusië, dat de rue Coquenard2 heet. Ofschoon de afstand tusschen de rue Coquenard en de rue de Provence slechts tien minuten bedraagt, had zij toch zeven à acht jaar noodig gehad om dien weg af te leggen. Haar voorspoed was toegenomen in denzelfden mate als haar schoonheid afgenomen was. Zoo had zij op den dag, dat zij haar eersten valschen tand liet inzetten, één paard, en den dag, dat zij een tweeden een buurman gaf, twee paarden. Thans leefde zij op zeer grooten voet, woonde in een paleis, gaf op de wedrennen te Longchamp de mode aan en organiseerde bals, waarop geheel Parijs tegenwoordig was, d.w.z. het geheele Parijs van die dames: de nietsdoende hovelingen van de lichtzinnigheid en van het schandaal, de lansquenetspelers en paradoxenjagers; zij, die met ledige hoofden rondboemelen en hun eigen tijd en die van anderen verspillen; de bravi der ontucht, de valsche adel, de ridders van geheimzinnige orden, die geheele bohème, waarvan men niet weet vanwaar zij komt en waar zij heen gaat; al die slechtbefaamde en beruchte schepsels; al die Eva’s-dochteren, welke vroeger de lichaamsvrucht van haar moeder op een stalletje verkochten en deze nu in elegante boudoirs te koop aanbieden; dat geheele van de wieg tot het graf in het vuil wentelende ras, dat men bij de premières vindt met Golconda op het voorhoofd en Tibet op de schouders, en waarvoor toch de eerste viooltjes der lente en de eerste liefde der jonge mannen bloeien. Al die menschen, welke de couranten tout Paris noemen, verkeerden in de salons van mademoiselle Dolorès, de meesteres van de bovenbedoelde papegaai.
Deze vogel, dien zijn oratorische talenten in den geheelen wijk beroemd gemaakt hadden, was langzamerhand de schrik der naaste buren geworden. Van zijn stang op het balcon maakte hij een tribune, vanwaar hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat eindelooze redevoeringen hield. Enkele met zijn meesteres bevriende journalisten hadden hem een paar parlementaire spreekwijzen geleerd, waardoor het dier buitengewoon sterk in de suikerquaestie was. Hij kende het repertoire der actrice van buiten en declameerde het zòò goed, dat hij in geval van ziekte desnoods haar rollen zou kunnen opnemen. Daar deze bovendien een polyglotte in haar gevoelens was en uit alle oorden der wereld bezoeken ontving, sprak de papegaai alle talen en ging zich soms in alle idiomen te buiten aan vloeken en verwenschingen, welke den schippersknechts, aan wie Vert-Vert3 zijn al te geavanceerde opvoeding te danken had, het schaamrood naar de wangen gejaagd zoude hebben. Het gezelschap van dien vogel, dat de eerste tien minuten leerzaam en amusant kon zijn, werd een ware kwelling, wanneer het langer duurde. De buren hadden reeds meermalen geklaagd, doch de actrice had er geen oor voor gehad. Twee of drie huurders, eerzame familievaders, hadden in hun verontwaardiging over de lichte zeden der actrice, waarin de indiscreties van den papegaai ze had ingewijd, zelfs hun huur opgezegd aan den huiseigenaar, dien Dolorès in zijn zwakke zijde had weten te tasten.
De Engelschman, bij wien we Schaunard hebben zien binnenkomen, had drie maanden lang geduld geoefend.
Op een goeden dag echter hulde hij zijn woede, die eindelijk uitgebarsten was, onder een rok en witte das en liet zich met al de plichtplegingen, die noodig zijn om te Windsor bij koningin Victoria voor den handkus te worden toegelaten, bij mademoiselle Dolorès aanmelden.
Toen deze hem zag binnenkomen, dacht zij eerst, dat het Hoffmann4 in zijn kostuum van lord Spleen was, en noodigde hem, daar zij een collega goed wilde ontvangen, uit bij haar te blijven déjeuneeren. De Engelschman echter antwoordde in een Fransch, dat een Spaansche réfugié hem in vijf-en-twintig lessen geleerd had, met den grootsten ernst:
„Ik neem aan uw uitnoodiging op voorwaarde, dat wij zullen opeten dien .... vreeselijken vogel,” en hij wees op de kooi van den papegaai, die reeds den eilandbewoner in hem geroken had en hem met het „God save the King” begroette.
Dolorès dacht, dat de Engelschman gekomen was, om haar voor den gek te houden, en wilde juist een heftig antwoord geven, toen Mr. Birn’n eraan toevoegde:
„Daar ik ben zeer rijk, ik vogel wel koopen wil.”
Dolorès antwoordde, dat zij zeer gehecht was aan het dier en het niet in de handen van een ander wilde zien overgaan.
„O, ik wil het ook niet hebben in mijne handen, maar onder mijne voeten!” zeide de Engelschman en liet den hak van zijn laarzen zien.
Dolorès beefde van woede en wilde in verontwaardiging losbarsten, toen zij aan den vinger van den Engelschman een ring zag, waarvan de diamant misschien wel een rente van vijf-en-twintighonderd francs vertegenwoordigde. Die ontdekking werkte als een stortbad op haar woede. Zij bedacht, dat het niet verstandig zou zijn het aan den stok te krijgen met een man, die vijftigduizend francs aan zijn pink droeg.
„Goed, mijnheer!” zeide zij dan ook; „als de arme Coco u last veroorzaakt, zal ik hem in de achterkamer zetten; op die manier zult u hem niet meer kunnen hooren.”
Het gezicht van den Engelschman helderde eenigszins op.
„Maar toch,” zeide hij en liet nogmaals zijn schoenen zien, „zou ik liever ....”
„Wees maar niet bang,” viel Dolorès hem in de rede; „van de plek, waar ik hem zetten zal, kan hij milord onmogelijk lastig vallen.”
„O, ik niet ben milord .... ik enkel ben esquire.”
Toen echter Mr. Birn’n zich, na een stijve buiging gemaakt te hebben, wilde terugtrekken, nam Dolorès, die haar belangen onder alle omstandigheden in het oog hield, van een hoektafeltje een klein pakje en zeide:
„Mijnheer, vanavond wordt in den * * * Schouwburg mijn benefice-voorstelling gegeven. Ik moet in drie stukken optreden. Zoudt u mij willen toestaan u een paar loges aan te bieden. De prijs der plaatsen is slechts weinig verhoogd.”
En met die woorden drukte zij den eilandbewoner een tiental loge-biljetten in de hand.
„Nu ik zoo bereidwillig geweest ben hem een dienst te bewijzen,” dacht zij bij zichzelf, „is het voor hem, als hij tenminste een welopgevoed iemand is, onmogelijk mij dit te weigeren; en wanneer hij mij in mijn rood costuum ziet .... je kan nooit weten .... we wonen zoo vlak naast elkaar .... de diamant, dien hij aan zijn pink draagt, is de voorhoede van een millioen. Nou ja, hij is wel leelijk en erg vervelend, maar dat zal mij gelegenheid geven om zonder zeeziekte naar Londen te gaan.”
Nadat de Engelschman de toegangsbewijzen in zijn zak gestoken had, liet hij zich het doel, waarvoor zij bestemd waren, nog eens verklaren en vroeg dan naar den prijs.
„De loge kost zestig francs en u hebt er tien .... Maar het heeft geen haast,” voegde Dolorès eraan toe, toen zij zag, dat de Engelschman zijn portefeuille voor den dag wilde halen; „ik hoop, dat u, als buurman, mij van tijd tot tijd wel een bezoek zult brengen.”
Doch Mr. Birn’n antwoordde:
„Ik niet houd van zaken op crediet;” en hij nam een billet van duizend francs uit zijn zak, legde het op tafel en stak de toegangsbewijzen in zijn portefeuille.
„Ik zal u teruggeven,” zeide Dolorès en opende een kastje, waarin zij haar geld bewaarde.
„O, neen,” zeide de Engelschman; „dat is drinkgeld,” en hij ging heen, Dolorès, die door die woorden met stomheid geslagen was, alleen latend.
„Drinkgeld!” riep zij uit, toen zij haar spraak teruggekregen had. „Wat een lomperd! Ik zal hem zijn geld teruggeven.”
Doch deze grofheid van Mr. Birn’n had slechts de opperhuid van haar trots gekwetst; bij nadere overweging werd zij kalmer; zij bedacht zich, dat twintig louis d’or toch een aardig sommetje vormden, en dat zij vroeger voor heel wat minder geld veel meer had moeten slikken.
„Ach wat,” zeide zij tot zichzelf; „je moet niet zoo trotsch zijn. Niemand heeft mij gezien en vandaag komt juist mijn waschvrouw. En bovendien radbraakt die Engelschman onze taal zoo, dat hij misschien wel gedacht heeft mij een complimentje te maken.”
En vroolijk deed Dolorès haar twintig louis achter slot en grendel. Doch na de voorstelling kwam zij woedend thuis. Mr. Birn’n had de toegangsbewijzen niet gebruikt en de tien loges waren leeg gebleven.
Toen zij dan ook om half een het tooneel betrad, las de ongelukkige beneficiante op het gezicht van haar coulissen-„vriendinnen” heel duidelijk, hoe zij zich verkneukelden, dat de zaal zoo leeg was.
Zij hoorde zelfs, hoe een vriendelijke collega, terwijl zij op de leege loges wees, tot een andere zeide:
„Die arme Dolorès heeft een leeg huis.”
„In de loges zit bijna niemand.”
„Lieve Hemel; haar naam op het affiche werkt als een luchtpomp.”
„En dan nog zoo verwaand, om de prijzen te verhoogen.”
„Een mooie benefiet. Ik wed, dat de recette in een spaarpot of in een hiel van een kous kan.”
„Daar is ze met haar fameus costuum met rood fluweelen linten.”
„Zij ziet er uit als een gekookte kreeft.”
„Hoeveel heb jij met je laatste benefiet gemaakt?” vroeg een der actrices aan haar vriendin. „Ik heb slechts zes francs overgehouden; de rest heeft mijn modiste genomen. Als ik niet bang was voor winterkloven, dan zou ik naar St. Petersburg gaan.”
„Wat? Nog geen dertig jaar en dan wil je al naar Rusland gaan!”
„Wat zal ik je zeggen? En is jouw benefiet gauw?”
„Over veertien dagen. Ik heb al voor duizend daalders verkocht, ongerekend de cadetten.”
„Kijk eens, de stalles loopen leeg.”
„Omdat Dolorès zingt.”
Inderdaad bracht Dolorès, even rood als haar kostuum, haar niet aan te hooren coupletten eruit. Toen zij met groote moeite het slot bereikt had, werden haar twee bloemruikers toegeworpen door twee vriendinnen (eveneens actrices), die zich over haar baignoire heen bogen en riepen:
„Bravo, Dolorès!”
Men kan zich voorstellen hoe woedend zij was. Zoodra zij op haar kamer kwam, opende zij, hoewel het midden in den nacht was, het raam en maakte Coco wakker, die op zijn beurt Mr. Birn’n weer wekte, die in vol vertrouwen op het woord der actrice was gaan slapen.
Van dien dag af was de oorlog tusschen de actrice en den Engelschman uitgebroken: een oorlog op leven en dood, een oorlog zonder wapenstilstand of rust, waarin de beide betrokken deelnemers voor geen kosten of moeiten terugdeinsden. De papegaai, die door Dolorès diensovereenkomstig opgeleid werd, had een ernstige studie gemaakt van de tale Albions en braakte nu den geheelen dag door met zijn scherpste faussettonen vloeken tegen zijn buurman uit. Dat was inderdaad iets onverdragelijks. Dolorès zelf leed eronder, maar zij hoopte dat dit Mr. Birn’n binnen enkele dagen tot den aftocht zou dwingen: dat toch was het doel, dat haar eigenliefde zich gesteld had. De eilandbewoner van zijn kant had allerlei middelen uitgedacht om zich te wreken. Om te beginnen had hij in zijn salon een trommel-academie gesticht, maar de commissaris van politie had daarover zijn veto uitgesproken. Toen had hij, met den dag vindingrijker wordend, een schietbaan voor pistool aangelegd; dagelijks verschoten zijn bedienden minstens vijftig schijven. Weer kwam de commissaris tusschenbeide en maakte hem opmerkzaam op een artikel uit de politieverordening, waarbij het gebruik van vuurwapen in bewoonde huizen strafbaar gesteld was. Mr. Birn’n liet het vuren dus staken. Maar acht dagen later merkte mademoiselle Dolorès dat het in haar appartementen regende. Ten gevolge daarvan stelde de huiseigenaar een onderzoek in bij Mr. Birn’n, dien hij aantrof juist op het oogenblik, dat hij op het punt stond een zeebad te nemen in zijn salon. De wanden van dit vrij groote vertrek waren n.l. in de rondte met zinken platen bekleed; alle deuren waren toegespijkerd; en in dat geïmproviseerde bassin had men in een honderd drachten water een vijfhonderd centenaars zout vermengd. Het was een echte Oceaan in het klein. Niets ontbrak eraan, zelfs de visschen niet. Door een in het bovenpaneel van de middendeur aangebrachte opening kon men in dit zeetje afdalen en Mr. Birn’n nam op die wijze dagelijks een bad. Na korten tijd begon men in den wijk de werkingen van eb en vloed waar te nemen, terwijl mademoiselle Dolorès een halven duim water in haar slaapkamer had staan.
De huisheer werd woedend en dreigde Mr. Birn’n met een proces tot schadevergoeding voor de in zijn pand aangerichte verwoesting.
„Ik dan niet heb het recht in mijn huis mij te baden?”
„Neen, mijnheer!”
„Als ik niet heb het recht, dan goed,” zeide de Engelschman vol eerbied voor de wet van het land, waarin hij leefde. „Het is jammer, ik amuseerde zoo mij.”
En denzelfden avond nog gaf hij order zijn Oceaan te laten leegloopen. Het was inderdaad hoog tijd: op den vloer had zich reeds een oesterbank gevormd.
Doch daarom had Mr. Birn’n den strijd niet opgegeven; integendeel hij zocht naar een wettig middel tot voortzetting van dezen zeldzamen oorlog, die het onderwerp van gesprek uitmaakte van geheel Parijs, want de tijding van dit avontuur had zich spoedig in de schouwburg-foyers en andere openbare plaatsen verspreid. Het was dus voor Dolorès een eere-zaak om als overwinnares uit dezen strijd, die reeds tot verschillende weddenschappen aanleiding gegeven had, te voorschijn te treden.
Mr. Birn’n was toen op het denkbeeld van den piano gekomen. Dat was zoo’n kwaad denkbeeld niet: het nietswaardigste van alle instrumenten was zonder twijfel in staat den strijd aan te binden tegen den nietswaardigsten van alle vogels. Zoodra dat goede denkbeeld bij hem opgekomen was, had de Engelschman zich gehaast het ten uitvoer te brengen. Hij had een piano gehuurd en daarbij een pianist gevraagd. Die pianist nu was, zooals men zich herinneren zal, onze vriend Schaunard. De Engelschman wijdde hem dadelijk in alle hem door den papegaai van zijn buurvrouw aangedane martelingen in en stelde hem ook in kennis met alles wat hij reeds geprobeerd had om de actrice tot overgave te dwingen.
„Maar milord,” zeide Schaunard; „er bestaat toch een heel eenvoudig middel om dat beest uit den weg te ruimen; peterselie. Alle scheikundigen zijn het volkomen eens, dat deze soepplant Pruisisch zuur voor die dieren is; strooi dus wat fijngehakte peterselie op uw tapijten en laat die uit het raam boven de kooi van Coco uitkloppen: hij zal daar even zeker aan sterven als wanneer hij te dineeren gevraagd was bij paus Alexander VI.”
„Daar ik wel aan heb gedacht,” antwoordde Mr. Birn’n, „maar de dier wordt bewaakt; de piano is zekerder.”
Schaunard, die den Engelschman in den beginne niet begreep, keek hem verwonderd aan.
„Luister eens wat ik bedacht heb. De comediante en haar dier slapen tot ’s middags twaalf uur. Volg nu goed mijn redeneering ..... Ik van plan ben haar te storen in haar slaap. De wet van dit land mij toestaat te maken muziek van den ochtend tot den avond. Begrijpt u, wat ik verwacht van u?”
„Maar de actrice zal het heusch niet zoo onaangenaam vinden om mij den geheelen dag piano te hooren spelen, en dat nog wel gratis,” meende Schaunard. „Ik ben een eerste klas pianist en wanneer ik tering had .....”
„Ho, ho!” viel de Engelschman hem in de rede; „ik u ook niet zeg te maken goede muziek. U moet maar slaan op het instrument. Zoo bijvoorbeeld .....” en Mr. Birn’n probeerde een gamma te spelen; „en altijd hetzelfde, altijd hetzelfde, meedoogenloos, mijnheer de muzikant, altijd weer de gamma. Ik weet wat van geneeskunde, dat maakt krankzinnig. Zij zullen daar beneden krankzinnig worden, daarop ik reken. Neem plaats aan het instrument, mijnheer; ik betalen zal u goed.”
„Dit nu,” zeide Schaunard, die al de bijzonderheden, welke men hierboven gelezen heeft, verteld had; „dit nu is sedert veertien dagen mijn bezigheid: een gamma en niets dan diezelfde gamma van ’s ochtends vijf uur tot ’s avonds. Het behoort, strikt genomen, niet tot de ernstige kunst; maar wat kan ik eraan doen, kinderen? De Engelschman betaalt voor het lawaaimaken tweehonderd francs per maand; je moet wel een beul voor je eigen lichaam zijn, om zoo’n buitenkansje van de hand te wijzen. Ik heb het aangenomen en over een paar dagen ga ik naar de bank om het salaris voor de eerste maand te halen.”
Aan het slot van die wederkeerige vertrouwelijke mededeelingen besloten de drie vrienden dit gelijktijdige binnenkomen van looddeelen te gebruiken, om de gerechtvaardigde coquetterie van hun vriendinnetjes te bevredigen en haar het voorjaarscostuum te geven, waarnaar zij zoo vurig verlangden. Bovendien spraken zij af, dat degene, die het eerst zijn geld krijgen zou, wachten moest tot bij de andere dezelfde blijde gebeurtenis plaats gehad zou hebben, om op die manier de inkoopen gemeenschappelijk te doen en de dames Mimi, Musette en Phémie gelijktijdig het genoegen te laten smaken zich „in een nieuwe huid te steken”, zooals Schaunard het noemde.
Twee of drie dagen na deze geheime bijeenkomst opende Rodolphe de rij, zijn osanorisch gedicht was betaald; hij woog tachtig francs zwaarder. Nog twee dagen later had Marcel van Médicis het honorarium voor achttien korporaalsportretten à zes francs ontvangen.
„Het is net, of ik goud zweet,” zeide de dichter.
„Ik heb precies hetzelfde gevoel,” antwoordde Marcel. „Als Schaunard nog lang talmt, zal ik onmogelijk mijn rol van anonymen Croesus verder kunnen spelen.”
Maar den volgenden dag reeds zagen de bohémiens Schaunard in een prachtig goudgeel nangkin jaquette thuiskomen.
„Goede God!” riep Phémie, die door het zien van haar zoo elegant gebonden minnaar verblind werd; „waar heb jij die jas gevonden?”
„Tusschen mijn papieren,” antwoordde de gammakunstenaar, terwijl hij zijn vrienden een wenk gaf, om hem te volgen.
„Ik heb het,” zeide hij, toen zij alleen waren; „daar heb je het zaakje,” en hij liet een handvol goudstukken zien.
„Voorwaarts, marsch dan!” riep Marcel uit; „laten we de magazijnen gaan plunderen! Wat zal Musette in haar schik zijn!”
„En Mimi dan!” voegde Rodolphe eraan toe. „Nou vooruit, ga je mee, Schaunard?”
„Laat ik nog even op één ding wijzen!” antwoordde de gammakunstenaar. „Wanneer we de dames overladen met de duizend luimen der mode, begaan we misschien een dwaasheid. Denkt eens goed na. Zijn jullie niet bang, dat, als zij op de platen uit de Echarpe d’Iris gelijken, al die pracht en praal een verderfelijken invloed op haar karakter zal uitoefenen? En past het bovendien jongemannen, zooals wij zijn, de vrouwen zoo te behandelen, alsof wij afgeleefde en gerimpelde grijsaards waren? Ik zeg dit niet, omdat ik geen veertien of achttien francs ervoor over heb, om Phémie een nieuw costuum te geven, maar omdat ik bang ben, dat zij mij niet meer zal willen groeten, als zij eenmaal een nieuwen hoed heeft. En wat is ze knap, als ze alleen maar een bloem in haar haar heeft. Wat zeg jij ervan?” Deze vraag was gericht tot Colline, die tijdens Schaunard’s rede binnengekomen was.
„Ondank is de zoon der weldaad,” zeide de wijsgeer.
„En ook mogen jullie wel eens overwegen,” ging Schaunard voort, „wat voor figuur jullie in je afgedragen pakken naast je vriendinnetjes in haar elegante costuums zult maken. Je zult er uit zien als haar kamermeisjes. Ik zeg dat niet voor mij,” voegde Schaunard er aan toe, terwijl hij in zijn nangkin rok een breede borst zette, „ik kan mij nu, Goddank, overal laten zien!”
Niettegenstaande de oppositie van Schaunard werd toch besloten den volgenden dag alle bazars in de buurt ter wille van de dames te plunderen.
En werkelijk kwamen den volgenden ochtend op hetzelfde uur, dat wij in het begin van dit hoofdstuk mademoiselle Mimi heel verbaasd over de afwezigheid van Rodolphe wakker hebben zien worden, de dichter en zijn twee vrienden met een loopjongen uit de „Twee Apen” en een modiste, die de stalen droegen, de trap naar hun kamer op. Schaunard, die inmiddels den beroemden jachthoorn gekocht had, liep voorop en blies de ouverture van „De Karavaan.”
Musette en Phémie, door Mimi, die in den entresol woonde, geroepen, vlogen op het bericht, dat er hoeden en japonnen voor haar gebracht werden, als een lawine de trap af. Bij het zien van al de armzalige rijkdommen, die voor haar uitgestald lagen, werden de drie vrouwen bijna dol van blijdschap. Mimi kreeg een aanval van overmoedige vroolijkheid: zij sprong rond als een geit en zwaaide een dunne wollen sjaal heen en weer. Musette was Marcel om den hals gevlogen en had in iedere hand een klein groen laarsje, die zij als cymbalen tegen elkaar sloeg. Phémie keek snikkend Schaunard aan en kon niets anders uitbrengen dan de woorden:
„O, mijn Alexander, mijn Alexander!”
„Bij haar is het gevaar niet groot, dat ze de geschenken van Artaxerxes weigert,” mompelde de wijsgeer Colline.
Toen de eerste vreugde wat geluwd, de keuze gemaakt en de rekeningen betaald waren, zeide Rodolphe tot de drie dames, dat zij zorgen moesten den volgenden ochtend haar costuums af te hebben.
„We gaan naar buiten!” zeide hij.
„Dat is zoo moeilijk niet!” riep Musette uit. „Het is niet voor het eerst, dat ik op één en denzelfden dag een japon gekocht, geknipt, genaaid en aangetrokken heb. Wij zullen klaar zijn, niet waar dames?”
„Natuurlijk!” riepen Mimi en Phémie tegelijk uit.
Dadelijk gingen zij aan het werk en de eerstvolgende zestien uur gaven zij schaar en naald geen oogenblik rust.
De volgende dag was de eerste Mei. De Paaschklokken hadden reeds eenige dagen tevoren de opstanding der lente ingeluid; en van alle kanten kwam zij nu haastig en vroolijk aan; zij kwam, zooals het in het Duitsche volkslied heet, als de jonge bruidegom, die den Meiboom onder het venster van zijn geliefde gaat planten. Zij schilderde den hemel blauw, de boomen groen en al het andere in mooie kleuren. Zij wekte de zon, die in haar nevelbed sliep, het hoofd op de van sneeuw zwangere wolken, die haar tot kussen dienden, en riep haar toe: „Sta op, vriendin, het is tijd! Hier ben ik! Vlug aan het werk! Trek zonder talmen je mooi nieuw stralenkleed aan en laat je dadelijk op je balkon zien, om mijn komst te melden!”
Op dit verzoek was de zon inderdaad op weg gegaan en wandelde nu trotsch en stralend als een hoveling rond. De zwaluwen, die van hun pelgrimstocht naar het Oosten teruggekeerd waren, schoten pijlsnel door de lucht, de meidoorn sierde de struiken met de sneeuw van zijn bloesems; het viooltje doorgeurde het gras der bosschen, waarin men reeds de vogels met een liederenboek onder de vleugels uit hun nest zag komen. Het was inderdaad de lente, de echte lente der dichters en verliefden, en niet de lente van Matthieu Laensberg,5 een leelijke lente met een rooden neus en door koude stijve vingers, die den arme nog doet rillen aan het hoekje van zijn haard, waarin de laatste vonken van zijn laatste houtblok reeds lang uitgedoofd zijn. Zoele koeltjes golfden door de heldere atmospheer en droegen de eerste geuren der naburige velden naar de stad. De heldere, warme zonnestralen klopten tegen de vensterruiten en zeiden tot den zieke: „Doe open, wij zijn de gezondheid!” en tot het meisje, dat in haar dakkamertje voor haar spiegel staat, die onschuldige eerste liefde der onschuldigen: „Doe open, opdat wij uw schoonheid beschijnen; wij zijn de lenteboden; nu kunt ge je linnen pakje aantrekken, je stroohoed opzetten en je mooie schoentjes gaan dragen: zie, de grasperken, waarop gedanst wordt, tooien zich met nieuwe bloemen, en reeds lokken de violen ten dans. Gegroet, gij schoone!”
Toen de dichtstbijzijnde kerkklokjes het Angelus luidden, stonden onze drie ijverige coquetten, die nauwelijks tijd hadden kunnen vinden, om een paar uur te slapen, reeds voor haar spiegel, om een laatsten onderzoekenden blik op haar nieuwe toiletjes te werpen.
Zij zagen er in haar gelijkkleurige costuums alle drie bekoorlijk uit en op haar gezichtjes was duidelijk de bevrediging te lezen, die de verwezenlijking van een lang gekoesterden wensch geeft.
Vooral Musette straalde van schoonheid.
„Ik ben nog nooit zoo in mijn schik geweest,” zeide zij tot Marcel; „het is net, alsof de goede God al het geluk, dat voor mij bestemd is, in dit eene uur samengedrongen heeft, en ik ben bang, dat er nu voor het vervolg niet veel meer overblijft. Maar kom, wanneer er niet meer zijn zal, dan maken we het zelf. Wij hebben er een goed recept voor,” voegde zij er vroolijk aan toe, terwijl ze Marcel een kus gaf.
Phémie had iets, dat haar hinderde.
„Ik houd wel van het groen en de kleine vogels,” zeide zij; „maar buiten kom je niemand tegen, zoodat niemand mijn mooien hoed en japon zal zien. Kunnen we niet op den boulevard gaan picnicken?”
Om acht uur werd de geheele straat door de fanfares van den jachthoorn van Schaunard, die het signaal tot vertrek gaf, in rep en roer gebracht. De buren kwamen aan het venster, om de bohémiens voorbij te zien gaan. Colline, die van de partij was, sloot den stoet met de parasols der dames onder zijn arm. Een uur later was het geheele vroolijke troepje in Fontenay-aux-Roses.
Toen zij ’s avonds, aardig laat, thuiskwamen, verklaarde Colline, die den geheelen dag de functies van schatbewaarder vervuld had, dat zij zes francs vergeten hadden uit te geven, en legde dat overschot op tafel.
„Wat moeten we daarmee beginnen?” vroeg Marcel.
„Hoe zou je het vinden, als we er effecten voor kochten?” was Schaunard’s antwoord.
1 Vergelijk Racine’s Phèdre, acte I, scène I.
2 In de Rue Coquenard ligt de kerk Notre-Dame-de-Lorette, wier naam overgegaan is op de schoone zondaressen, die in deze straat wonen.
3 De papegaai Vert-Vert is de held van een naar hem genoemd komisch epos van Gresset. Opgevoed in een klooster te Nivers, was hij zoo deugdzaam en vroom, dat zijn roem zich overal heen verbreidde en ook de nonnen in een klooster te Nantes hem wenschten te hooren. Op een boot daarheen gebracht, leerden de schippersknechts hem vloeken als een ketter, wat bij de nonnen groote consternatie verwekte.
4 Toespeling op Offenbach’s operette Les contes d’Hoffmann.
5 Matthieu Laensberg leefde omstreeks 1680 als canonicus in Luik en gaf een kalender met weersvoorspellingen uit. Omstreeks 1840 aapten de socialisten (Louis Blanc) in hun volkskalender de populaire taal van den canonicus na om propaganda te maken voor revolutionnaire doeleinden; hierdoor werd de naam in Frankrijk in grootere kringen populair.