Hoofdstuk XVIII.

De Mof van Francine.

I

Onder de echte bohémiens der echte bohème heb ik indertijd een zekeren Jacques D.... gekend. Hij was beeldhouwer en beloofde mettertijd een groot kunstenaar te zullen worden. Doch zijn ellendige levensomstandigheden hebben hem niet den tijd gelaten die beloften te houden. Hij stierf in Maart 1814, in het hospitaal Saint-Louis, zaal Sainte-Victoire, bed 14, aan uitputting.

Ik leerde Jacques kennen in het hospitaal, waarin ik zelf langen tijd ziek gelegen had. Zooals ik reeds gezegd heb, stak er in Jacques een groot kunstenaar, doch hij liet er zich volstrekt niet op voorstaan. Gedurende de twee maanden, waarin ik hem bijna dagelijks opzocht en hij zich in de armen van den dood wiegen voelde, heb ik hem geen enkele maal hooren klagen, noch dat gelamenteer aanheffen, dat den onbegrepen kunstenaar zoo belachelijk gemaakt heeft. Hij is gestorven zonder eenige pose, met den vreeselijken grijns van de met den dood strijdenden op het gelaat. Zijn dood doet me zelfs denken aan een der afschuwelijkste scènes, die ik in dezen caravansérail1 van menschelijk lijden heb medegemaakt. De vader, dien men met zijn overlijden in kennis gesteld had, was het lijk komen opeischen en had een tijd lang afgedongen op de door de administratie geëischte som van zes-en-dertig francs. Ook voor den dienst in de kerk marchandeerde hij zóó lang en zóó hardnekkig, dat men hem ten slotte zes francs minder liet betalen. Toen men het lijk in de kist wilde leggen, nam de ziekenoppasser het aan het hospitaal behoorende laken weg en vroeg aan een der vrienden van den overledene om geld voor het lijkkleed. De arme duivel, die geen sou bezat, ging dadelijk naar Jacques’ vader, die in een opwelling van drift en woede vroeg, of men hem nooit met rust zou laten.

Toen wierp de zuster, die dit afschuwelijke tooneel meemaakte, een blik op het lijk en sprak de aangrijpend naïeve woorden:

„Maar mijnheer, de arme jongen kan toch zoo niet begraven worden: het is zoo koud; geef hem tenminste een hemd, opdat hij niet heelemaal naakt voor onzen lieven Heer verschijnt.”

Eindelijk gaf de vader den vriend vijf francs om een hemd te koopen, doch drukte hem daarbij op het hart het te halen bij een uitdrager in de rue Grange-aux-Belles, die tweedehandsche hemden had.

„Dat is niet zoo duur,” voegde hij eraan toe.

Later kreeg ik opheldering omtrent die onmenschelijke hardheid van Jacques’ vader: hij was woedend, dat zijn zoon zich aan de kunst gewijd had, en die woede was zelfs bij het zien van de lijkkist niet tot bedaren gekomen.

Maar ik ben al heel ver afgedwaald van mademoiselle Francine en haar mof. Doch ik kom er nu toe: mademoiselle Francine was het eerste en eenige vriendinnetje van Jacques geweest, die toch niet oud gestorven was, want hij was nauwelijks drie-en-twintig, toen zijn vader hem heelemaal naakt onder den grond wilde laten stoppen. Jacques heeft mij het verhaal van die amourette gedaan, toen hij nummer 14 en ik nummer 16 was op de zaal Sainte-Victoire, een vreeselijke plaats om te sterven.

Maar wacht nog even, lezer! Voor ik dit verhaal begin, dat zeer mooi zou zijn, als ik het kon oververtellen zooals Jacques het mij verteld heeft, moet ik nog eerst een pijp aansteken, die oude steenen pijp, die Jacques mij gegeven heeft op den dag, dat de dokter hem het rooken verboden had. Maar ’s nachts, wanneer de broeder sliep, leende hij zijn pijp van mij en vroeg me wat tabak: je verveelt je ’s nachts zoo in die groote zalen, wanneer je niet slapen kunt en pijn hebt.

„Een of twee trekjes maar!” zeide hij, en ik liet hem zijn gang gaan en wanneer zuster Sainte-Géneviève de rondte deed, hield zij zich alsof zij niet merkte, dat er gerookt werd. O, goede zuster, wat waart ge goed en wat waart ge mooi, wanneer ge ons met wijwater kwaamt besprenkelen! We zagen u reeds van verre aankomen, wanneer ge zoo zacht liept onder de sombere gewelven in uw wijden witten nonnesluier, welks mooie plooien Jacques zoo bewonderde. O, goede zuster, gij waart de Beatrice2 van dezen hel. Zoo zoet en zacht klonken uw troostwoorden, dat we alleen klaagden, om door u getroost te worden. Als mijn vriend Jacques niet gestorven was, zou hij voor u een kleine Heilige Maagd gebeeldhouwd hebben, goede zuster Géneviève!

Eerste lezer: En waar blijft de mof nu? Ik zie er nog niets van.

Tweede lezer: En mademoiselle Francine dan?

Eerste lezer: Het is heelemaal geen vroolijk verhaal.

Tweede lezer: Je kunt niets zeggen, voor we het slot weten.

Ik vraag u wel vergiffenis, heeren, de pijp van mijn vriend is de oorzaak van al deze afdwalingen. Overigens heb ik volstrekt niet beloofd u te zullen laten lachen. Het gaat niet altijd vroolijk toe in het bohème-leven.

Jacques en Francine hadden elkaar leeren kennen in een huis in de rue de la Tour d’Auvergne, waarin zij in het begin van April gelijktijdig waren komen wonen.

Eerst na acht dagen werden tusschen den kunstenaar en het jonge meisje die buurpraatjes gewisseld, welke een noodzakelijk gevolg zijn van het op dezelfde verdieping wonen; en toch kenden zij elkaar reeds, nog voordat ze één woord gewisseld hadden. Francine wist, dat haar buurman een arme tobberd van een kunstenaar was, en Jacques had gehoord, dat zijn buurmeisje een naaistertje was, van huis weggeloopen, om zich aan de slechte behandeling door haar stiefmoeder te onttrekken. Zij deed wonderen van spaarzaamheid om er zich, zooals men dat noemt, „door heen te slaan” en daar zij nooit genietingen had leeren kennen, miste zij die niet en verlangde zij er niet naar.

De kennismaking had plaats op de volgende manier. Op een zekeren Aprilavond kwam Jacques doodmoe, met een leege maag en in een heele trieste stemming op zijn kamer. Het was een onbestemde triestheid, die geen bepaalde reden heeft, die je overal en op ieder uur kan overvallen—een soort apoplexie van het hart, waarvoor voornamelijk die ongelukkigen, die alleen leven, vatbaar zijn. Jacques, die het in het kleine kamertje benauwd kreeg, wierp het raam open, om versche lucht te kunnen inademen. Het was een prachtige avond en de ondergaande zon spon om de heuvels van Montmartre een droefgeestigen tooversluier. Jacques bleef voor het raam zitten mijmeren en luisterde naar het koor der gevederde lentezangers, die in de avondstilte zongen; en zijn trieste stemming werd nog triester. Toen hij een raaf krassend voorbij zag vliegen, dacht hij aan den tijd, waarin de raven brood brachten aan Elia, den vromen kluizenaar, en maakte hij bij zichzelf de opmerking, dat de raven thans niet zoo barmhartig meer zijn. Ten slotte kon hij het niet langer uithouden, hij sloot zijn raam, trok het gordijn dicht en stak, daar hij geen geld had, om olie te koopen, een harskaars aan, die hij van een reis naar La Grande Chartreuse meegebracht had. En in een steeds melancholieker stemming stopte hij zijn pijp.

„Gelukkig, dat ik nog zooveel tabak heb, dat ik het pistool door den rook niet meer zal zien,” mompelde hij en begon te rooken.

Mijn vriend Jacques moest dien avond wel heel droefgeestig zijn, dat hij erover dacht „het pistool te omsluieren”. Dat was zijn laatste toevlucht in groote crisissen; en meestal lukte het hem wel. Het middel bestond hierin: Jacques rookte tabak, waarop hij een paar druppels laudanum gesprenkeld had, en hij rookte zoo lang, totdat de rookwolk, die uit zijn pijp kwam, dik genoeg geworden was, om alle voorwerpen, die in zijn kamertje waren, en met name een aan den muur hangend pistool in een waas voor hem te hullen. Dat was een kwestie van een pijp of tien. Wanneer het pistool geheel onzichtbaar geworden was, sliep hij gewoonlijk door de gecombineerde werking van de tabak en het laudanum in en meestal verliet zijn droefgeestigheid hem op den drempel van zijn droomen.

Doch dien avond had Jacques al zijn tabak opgerookt en was het pistool volkomen onzichtbaar geworden, en nog was hij steeds bitter droefgeestig. Dien avond was daarentegen mademoiselle Francine buitengewoon opgewekt, toen zij naar huis terugkeerde en evenmin als Jacques’ droefgeestigheid had Francine’s opgewekte stemming een bepaalde oorzaak: het was een vroolijkheid, die, om zoo te zeggen, uit den hemel valt en die de goede God in goede harten doet nederdalen. Kort en goed, mademoiselle Francine was dus vroolijk en opgewekt en kwam zingend de trap op. Maar toen zij haar kamerdeur wilde open maken, blies plotseling een rukwind, die door het openstaande raam binnenkwam, haar kaars uit.

„Lieve Hemel, hoe vervelend!” riep het jonge meisje uit. „Nu moet ik weer zes trappen op en af.”

Toen zij echter in Jacques’ kamer licht zag, gaf een instinct van gemakzucht, geënt op een gevoel van nieuwsgierigheid, haar de gedachte in den kunstenaar om licht te vragen. Dat zijn van die diensten, die je elkaar onder verdiepingsgenooten dagelijks bewijst, dacht zij bij zichzelf, en het is volstrekt niet compromitteerend. Dus klopte zij tweemaal zacht op de deur van Jacques, die, een weinig verrast over dit late bezoek, open ging doen. Doch nauwelijks had zij een stap in de kamer gedaan, of de rook, die daarin hing, benam haar den adem en zij viel, voordat zij nog een woord had kunnen zeggen, bewusteloos op een stoel, waarbij zij haar sleutel en haar kaars uit haar hand liet vallen. Het was middernacht, iedereen in huis lag in diepe rust. Jacques vond het beter niet om hulp te roepen: hij was bang daardoor zijn buurmeisje aan allerlei praatjes te zullen blootstellen. Hij wierp dus slechts het raam open, om frissche lucht binnen te laten; en toen hij het jonge meisje een paar druppels water in het gezicht gesprenkeld had, zag hij, dat zij haar oogen opsloeg en langzamerhand weer bijkwam. Toen zij na verloop van vijf minuten weer geheel tot bewustzijn gekomen was, vertelde zij hem waarom zij bij hem had aangeklopt en maakte zij hem haar excuses voor den last, dien zij hem veroorzaakt had.

„Nu ik weer heelemaal beter ben,” voegde zij eraan toe, „kan ik weer naar mijn kamer”. Hij had de deur geopend, toen zij bemerkte, dat zij niet alleen vergat haar kaars aan te steken, maar ook dat zij den sleutel van haar kamer niet had.

„Ik ben nog wat in den war,” zeide zij, terwijl zij met haar blaker naar de harskaars ging; „ik ben hier gekomen om licht te halen en nu ga ik zonder weg.”

Doch op hetzelfde oogenblik ging door de tocht, die ontstond door het open gebleven zijn van de deur en van het raam, plotseling de kaars uit en bevonden de twee jonge menschen zich in het donker.

„Je zoudt bijna gelooven, dat het expres gebeurt,” zeide Francine. „Wat vervelend, dat ik u zooveel overlast moet aandoen, maar zoudt u niet zoo goed willen zijn om wat licht te maken, anders zal ik mijn sleutel niet kunnen vinden.”

„Zeker wel, mademoiselle,” antwoordde Jacques en zocht tastend naar lucifers.

Hij had ze al heel gauw gevonden. Plotseling echter kwam hij op een eigenaardige gedachte; hij stak de lucifers in zijn zak en riep uit:

„Lieve hemel, al weer een nieuwe moeilijkheid, mademoiselle, ik heb geen enkelen lucifer meer hier; ik heb den laatsten gebruikt, toen ik thuis kwam.”

„Een prachtig gevonden list,” dacht hij bij zichzelf.

„Goede God!” riep Francine uit; „ik kan wel naar mijn kamer gaan—ik zal daar niet in zeven slooten tegelijk loopen, maar om erin te komen, moet ik mijn sleutel hebben. Ach mijnheer, help mij even zoeken, hij moet op den grond liggen”.

„Laten we maar even zoeken, mademoiselle,” zeide Jacques.

En nu waren zij beiden in het donker naar het verloren schaap aan het zoeken; maar alsof zij door hetzelfde instinct bestuurd werden, ontmoetten hun handen, die op dezelfde plaats zochten, elkaar wel tienmaal in de minuut. En daar zij beiden even onhandig waren, vonden zij den sleutel niet.

„De maan is op het oogenblik door een wolk bedekt, maar schijnt dadelijk vlak in mijn kamer,” zeide Jacques. „Wacht u dus even. Straks zal zij ons bij het zoeken helpen.”

Om den tijd wat te bekorten, begonnen zij te praten. Een gesprek in het donker, in een klein kamertje, in een lentenacht; een gesprek, dat, in den beginne nietszeggend en onbeteekenend, langzamerhand vertrouwelijker wordt ..... u weet, waarheen dat leidt. De zinnen worden wat onsamenhangend en door veelzeggende pauzes onderbroken; de stem wordt zachter; woorden wisselen af met zuchten. De handen, die elkaar ontmoeten, vullen de gedachte aan, die uit het hart naar de lippen stijgt, en .... Zoekt het slot maar in uw herinneringen, jonge paartjes. Zoek het, jonge man, zoek het, jonge vrouw, zoekt het gij, die vandaag arm in arm en hand in hand loopt en elkaar twee dagen tevoren nog nooit gezien hadt.

Eindelijk kwam de maan achter de wolken te voorschijn en wierp haar lichte stralen in het kamertje. Mademoiselle Francine werd wakker als uit een droom en stiet een klein gilletje uit.

„Wat is er?” vroeg Jacques, die zijn armen om haar middel sloeg.

„Niets,” mompelde Francine; „ik dacht, dat ik hoorde kloppen.”

En zonder dat Jacques het merkte, schoof zij met haar voet den sleutel, dien zij vlak bij zag liggen, onder een kast.

Zij wilde hem niet vinden.


Eerste Lezer: Ik zal dit verhaal mijn dochter zeker niet in handen geven.

Tweede Lezer: Tot nog toe heb ik geen haar van Francine’s mof gezien; en wat het meisje zelf betreft, ik weet nog niet eens of zij bruin of blond is.

Geduld lezers, geduld! Ik heb u een mof beloofd en ik zal u die ook geven, zooals mijn vriend Jacques er een gegeven heeft aan zijn arm vriendinnetje Francine, die, zooals ik hierboven door de puntjes heb aangeduid, zijn maîtresse geworden was. Francine was blond, blond en vroolijk, wat niet dikwijls voorkomt. Tot haar twintigste jaar had zij de liefde niet gekend; maar een onbestemd voorgevoel van haar naderend einde waarschuwde haar, dat zij zich moest haasten, als zij die nog wilde leeren kennen.

Zij ontmoette Jacques en kreeg hem lief. Hun liaison duurde zes maanden. In het voorjaar hadden zij elkaar gevonden; in het najaar scheidden zij weer. Francine was een teringlijdster, zij wist het en haar vriend Jacques wist het ook: veertien dagen nadat hij met Francine was gaan samen wonen, had hij het gehoord van een van zijn vrienden, die dokter was. Zij zou met het vallen der gele bladeren heengaan, had hij gezegd.

Francine had die voorspelling gehoord en zag eveneens, hoe wanhopig haar vriend daaronder was.

„Wat kunnen ons die gele bladeren schelen?” zeide zij met een glimlach, waarin zij al haar liefde legde; „wat kan ons het najaar schelen? Wij zijn in den zomer en de bladeren zijn groen: laten we die niet ongebruikt voorbij laten gaan ..... En wanneer je ziet, dat ik uit dit leven heengaan wil, neem me dan in je armen, kus me en verbied me weg te gaan. Ik ben gehoorzaam, dat weet je; dus zal ik bij je blijven!”

En zoo leefde dit bekoorlijke schepseltje vijf maanden lang met lachjes en liedjes op haar lippen het moeilijke bohème-leven mede. Jacques liet zich daardoor om den tuin leiden; zijn vriend zeide dikwijls tot hem: „Francine gaat achteruit; zij moet goed verpleegd worden.” Dan liep Jacques heel Parijs af om geld te vinden voor de door den dokter voorgeschreven geneesmiddelen, maar Francine wilde er niets van weten en wierp ze het raam uit. Wanneer zij ’s nachts een hoestaanval kreeg, stond zij zachtjes op en ging naar de gang, uit vrees, dat Jacques het anders hooren zou.

Toen zij op een goeden dag samen buiten waren, zag Jacques, dat er aan de boomen gele bladeren begonnen te komen. Treurig keek hij Francine aan, die langzaam en mijmerend naast hem liep.

Francine zag hem bleek worden en raadde de oorzaak ervan.

„Je lijkt wel niet goed wijs,” zeide zij, terwijl zij hem een kus gaf; „wij zijn pas in Juli; het is nog drie maanden voor October in het land is: en wanneer wij, zooals wij dat doen, elkaar dag en nacht liefhebben, dan verdubbelen we den tijd, dien we nog samen te leven hebben. En wanneer ik mij met het vallen der gele bladeren erger voel worden, dan gaan we in een dennenbosch wonen: daar zijn de bladeren altijd groen.”


In het begin van October moest Francine het bed blijven houden. Jacques’ vriend behandelde haar. Het kleine kamertje, waarin zij woonden, lag op de bovenste verdieping van het huis en zag uit op een binnenplaats, waarin een boom stond, welks bladerentooi met den dag dunner werd. Jacques had een gordijn voor het raam gehangen, om den boom voor het oog van de zieke te verbergen; maar Francine stond erop, dat het weer weggenomen werd.

„Lieve jongen!” zeide zij tot Jacques; „ik zal je honderd maal meer zoenen geven, dan de boom bladeren heeft .... En zij voegde eraan toe: „Ik voel me trouwens veel beter .... Ik zal heel gauw weer uit kunnen gaan, maar omdat het zoo koud is en ik geen winterhanden wil krijgen, moet je een mof voor me koopen.”

Gedurende den geheelen duur van haar ziekte was die mof haar eenige wensch.

Den dag voor Allerheiligen was Jacques wanhopiger dan ooit. Francine zag het en wilde hem wat moed geven, en om hem te bewijzen, dat het werkelijk beter ging, stond zij op.

Juist op dat oogenblik kwam de dokter, die haar dwong onmiddellijk weer naar bed te gaan.

„Jacques,” fluisterde hij den artist in het oor; „wees sterk, kerel! Het is afgeloopen .... Francine moet sterven.”

Jacques smolt in tranen weg.

„Je kunt haar nu alles geven, wat zij vraagt; er is geen hoop meer.”

Francine hoorde met haar oogen wat de dokter haar vriend toefluisterde.

„Geloof hem niet!” riep zij, terwijl zij haar armen naar Jacques uitstrekte; „geloof hem niet, hij liegt. Morgen gaan we samen uit .... dan is het Allerheiligen; het zal koud zijn, ga een mof voor me koopen .... Ik heb zoo vreeselijk het land aan winterhanden.”

Jacques wilde met zijn vriend weggaan; Francine echter vroeg den dokter nog even te blijven.

„Ga jij de mof koopen, Jacques,” zeide zij; „neem maar een goede, dan duurt hij des te langer.”

Toen zij met den dokter alleen was, zeide zij:

„O, dokter, ik ga sterven, ik weet het .... Maar geef mij, vòòr ik heenga, nog een middel, dat mij voor één nacht mijn krachten teruggeeft .... ik smeek u erom: maak mij nog één nacht mooi, dan wil ik gaarne sterven, nu de goede God niet wil, dat ik nog langer leef.”

Toen de dokter haar zoo goed mogelijk troostte, woei een windvlaag door het openstaande raam een geel blad van den boom op de binnenplaats op het bed der zieke.

Francine schoof het gordijn weg en zag, dat de boom heelemaal kaal was.

„Dat is het laatste,” mompelde zij en legde het blad onder haar kussen.

„U zult morgen pas sterven,” zeide de dokter tot haar; „u hebt nog een nacht voor u.”

„Wat een geluk!” zeide het jonge meisje. „Een winternacht .... die duurt lang.”

Jacques kwam met een mof terug.

„Wat een mooie!” zeide Francine; „als ik uitga, zal ik hem dragen.”

Den nacht bracht zij in Jacques’ armen door.

Den volgenden dag, Allerheiligen, trad met het kleppen van het middag-angelus de doodstrijd in. Zij begon over haar geheele lichaam te beven.

„Ik heb zulke koude handen,” mompelde zij. „Geef me mijn mof.”

En zij wikkelde haar magere handen in het bont ....

„Het is het einde,” zeide de dokter tot Jacques; „geef haar een afscheidskus.”

Jacques drukte zijn lippen op die van zijn vriendinnetje. In het laatste oogenblik wilden zij de mof wegnemen, maar krampachtig hield zij die vast.

„Neen, neen!” zuchtte zij; „laat ik die houden; het is winter en zoo koud ..... Mijn arme Jacques .... Mijn arme Jacques .... wat moet er van je worden ... O, God!”

En den volgenden dag was Jacques alleen.

Eerste lezer: Ik heb wel gezegd, dat het geen vroolijk verhaal was!

Wat zal ik u zeggen, lezer? Men kan niet altijd lachen.

II.

Het was de ochtend van Allerheiligen. Francine was zooeven gestorven.

Twee mannen waakten aan het sterfbed: de een, die erbij stond, was de dokter; de ander, die naast het bed geknield lag, drukte zijn lippen op de handen der doode en scheen die er in een wanhopigen kus voor eeuwig aan vast te willen kleven; dat was Jacques, Francine’s minnaar. Reeds zes uur lang lag hij daar in een toestand van gevoelloosheid, die een gevolg van diepen smart schijnt te zijn. Een draaiorgel, dat onder zijn raam begon te spelen, riep hem eindelijk weer tot het leven terug.

Dit orgel speelde een wijsje, dat Francine ’s morgens bij het wakker worden placht te zingen.

Een van die waanzinnige verwachtingen, welke slechts in de grootste wanhoop kunnen geboren worden, doorflitste plotseling Jacques’ geest. Hij ging in gedachten een maand in het verleden terug, naar den tijd, dat Francine nog slechts stervende was; hij vergat het heden en beeldde zich een oogenblik in, dat de doode slechts sliep en dadelijk met het gewone morgenliedje op de lippen wakker zou worden.

Doch nog voor de tonen van het orgel geheel weggestorven waren, was Jacques reeds tot de werkelijkheid teruggekeerd. Francine’s mond was voor altijd verstomd en de glimlach, die haar laatste gedachte op haar lippen getooverd had, verdween reeds, om plaats te maken voor de trekken des doods.

„Moed, Jacques!” zeide de dokter tot zijn vriend.

Jacques stond op en keek den dokter aan:

„Het is afgeloopen, niet waar? Er is geen hoop meer?”

Zonder op die droevig-dwaze vraag te antwoorden, ging de dokter naar het bed, trok de gordijnen dicht, wendde zich dan weer tot den beeldhouwer en drukte hem de hand.

„Francine is dood .....” zeide hij; „het was te verwachten. God weet, dat wij alles, wat in onze macht stond, gedaan hebben, om haar te redden. Het was een braaf meisje, Jacques, dat veel van je gehouden heeft, meer en anders, dan jij van haar hieldt; want haar liefde was niets dan liefde, terwijl er bij jou nog iets anders bij kwam. Francine is dood .... maar alles is nog niet afgeloopen; we moeten nu aan de voor de begrafenis noodige maatregelen denken. Wij zullen dat samen doen en een buurvrouw vragen tijdens onze afwezigheid bij het lijk te waken.”

Willoos liet Jacques zich door zijn vriend medenemen. De geheele dag ging heen met bezoeken aan de mairie, den begrafenisondernemer en het kerkhof. Daar Jacques in het geheel geen geld had, verpandde de dokter zijn horloge, een ring en verschillende kleedingstukken, om de kosten voor de begrafenis, die den volgenden dag zou plaats hebben, te kunnen bestrijden.

Eerst laat in den avond kwamen zij samen terug. De buurvrouw drong er bij Jacques op aan wat te eten.

„Goed,” zeide hij; „geef maar wat; ik heb het koud en moet weer wat krachten verzamelen, want ik moet vannacht nog werken.”

De buurvrouw en de dokter begrepen niet wat hij bedoelde.

Jacques ging aan tafel zitten en slokte zoo gulzig een paar happen naar binnen, dat hij er bijna in stikte. Toen vroeg hij wat te drinken. Doch toen hij het glas naar zijn mond bracht, liet hij het op den grond vallen. Het brak. Het glas had een herinnering in hem wakker geroepen, die op haar beurt zijn verdriet, dat een oogenblik ingesluimerd was, weer tot nieuw leven wekte. Op den dag n.l., dat Francine voor het eerst bij hem gekomen was, had het jonge meisje, dat toen reeds lijdende was, zich plotseling onwel gevoeld, en had Jacques haar uit dat glas wat suikerwater laten drinken. Later, toen zij samen woonden, hadden zij er een liefde-reliquie van gemaakt.

Ook had de beeldhouwer in zijn zeldzame oogenblikken van rijkdom een paar maal voor zijn vriendinnetje een of twee flesschen versterkenden wijn, die haar door den dokter was voorgeschreven, gekocht, en dan had Francine altijd uit dat glas dien drank gedronken, waaruit haar liefde een betooverende vroolijkheid putte.

Langer dan een half uur bleef Jacques sprakeloos naar die overblijfselen van dat dierbare, brooze souvenir te staren. Hij had een gevoel alsof ook zijn hart gebroken was en de scherven daarvan zijn borst verscheurden. Toen hij eindelijk weer tot de werkelijkheid teruggekeerd was, raapte hij de scherven van het glas bijeen en sloot die weg in een kast. Dan vroeg hij zijn buurvrouw twee kaarsen te halen en door den portier een emmer water te laten boven brengen.

„Ga niet weg,” verzocht hij den dokter, die daar geen oogenblik aan dacht; „ik heb je straks noodig.”

Toen het water en de kaarsen gebracht waren, bleven de twee vrienden alleen.

„Wat wil je doen?” vroeg de dokter, toen hij zag, dat Jacques, na het water in een houten bak gegoten te hebben, er gips bij wierp.

„Wat ik doen wil?” antwoordde Jacques; „kan je het niet raden? Ik wil een afdruk maken van Francine’s hoofd; en omdat de moed daartoe mij zou ontbreken, als ik alleen bleef, mag je niet weggaan.”

Jacques trok de gordijnen van het bed open en sloeg het laken, waarmede het gelaat van de doode bedekt was, weg. Zijn hand begon te beven en een half-verstikte zucht steeg uit zijn borst op.

„Breng de kaarsen eens hier,” riep hij zijn vriend toe, „en houd den bak eens vast.”

De eene kaars werd aan het hoofdeinde van het bed gezet, zoodat het volle licht ervan op het gelaat der doode viel; de andere aan het voeteneinde. Dan doopte hij een penseel in olijfolie en wreef daarmede de wenkbrauwen, de wimpers en het haar in, dat hij opgemaakt had, zooals Francine het gewoonlijk droeg.

„Op die manier zal het haar geen pijn doen, wanneer wij het masker afnemen,” zeide hij tot zichzelf.

Na deze voorzorgsmaatregelen genomen en het hoofd in een gemakkelijke houding gelegd te hebben, begon Jacques het gips in gelijke lagen op te leggen, totdat het masker de vereischte dikte had. Na een kwartier was de bewerking afgeloopen en volkomen geslaagd.

Door een eigenaardig proces had op het gelaat van Francine een merkwaardige verandering plaats gegrepen. Het bloed, dat nog geen tijd gehad had geheel en al te verstijven, was ongetwijfeld door de hooge temperatuur van het gips weer warm geworden en naar de bovenste lichaamsdeelen gestroomd, zoodat het matwitte van het voorhoofd en de wangen langzamerhand een rosen tint begon te krijgen. De oogleden, die door het wegnemen van het masker eenigszins geopend waren, lieten het rustige blauw der oogen zien, welker blik een vaag begrijpen scheen te verraden, en de door een half glimlachje even geopende lippen schenen het bij het laatste afscheid vergeten woord te spreken, dat men slechts met het hart hoort.

Trouwens, wie zou kunnen verzekeren, dat het begrip ophoudt op hetzelfde oogenblik, dat de gevoelloosheid van een wezen intreedt? Wie kan zeggen, dat de hartstochten sterven en verdwijnen tegelijk met den laatsten harteklop? Zou de ziel niet een enkele maal vrijwillig besloten kunnen blijven in het reeds voor de begrafenis gekleede lichaam, en van uit haar vleeschelijk omhulsel een oogenblik de droefheid en de tranen bespieden kunnen? Zij, die van ons scheiden, hebben zooveel redenen om hen, die blijven, te wantrouwen.

Wie weet, of niet misschien op het oogenblik, dat Jacques besloot haar trekken met behulp der kunst te vereeuwigen, een laatste aardsche gedachte Francine weer was komen wekken uit den eersten sluimer van haar eeuwige rust. Misschien had zij zich herinnerd, dat hij, dien zij zoo pas verlaten had, behalve een minnaar ook een kunstenaar was; dat hij beide was, omdat hij niet het een zonder het andere kon zijn; dat voor hem de liefde de ziel der kunst was, en dat hij haar daarom slechts zoo lief gehad had, omdat zij voor hem vrouw en minnares tegelijk, een gevoel in een vorm had kunnen zijn. En toen had in haar begeerte om Jacques dat menschelijk beeld, dat voor hem het ideaal zelve geworden was, achter te laten, Francine misschien, hoewel reeds dood en koud en stijf, nog eenmaal op haar gelaat den glans van haar liefde en al de bekoring van haar jeugd weten te voorschijn te roepen: zij blies het kunstwerk leven in.

En misschien had het arme meisje goed gedacht: want er bestaan onder de ware kunstenaars van die Pygmalions, die, in tegenstelling met hun klassieken naamgenoot, gaarne hun levende Galathea’s in marmer zouden willen veranderen.

Bij het zien van die kalme rust op dat gelaat, waarop de doodstrijd geen sporen achtergelaten had, zou niemand hebben kunnen gelooven aan het lange lijden, dat aan den dood voorafgegaan was. Francine scheen een liefdesdroom verder te droomen; en wanneer men haar daar zoo zag liggen, zou men gezegd hebben, dat zij aan schoonheid gestorven was.

Uitgeput door vermoeienis, was de dokter in een hoek in slaap gevallen.

Jacques daarentegen was opnieuw ten prooi aan zijn twijfel van zooeven. Zijn aan zinsbegoochelingen lijdende geest bleef hardnekkig in den waan, dat de vrouw, die hij zoo grenzenloos lief had, weer zou ontwaken; en daar van tijd tot tijd zwakke zenuwtrekkingen (het gevolg van het mouleeren van het gezicht) de onbeweeglijkheid van het lijk verbraken, versterkte dit schijnbare leven Jacques in zijn gelukkige illusie, die voortduurde tot den ochtend, toen een ambtenaar den dood constateeren en verlof tot begraven geven kwam.

Trouwens evenals men geheel waanzinnig van wanhoop moest zijn, om aan haar dood te twijfelen, zoo moest men de onfeilbaarheid der wetenschap te hulp roepen om bij het zien van dat schoone wezen aan den dood te kunnen gelooven.

Toen de buurvrouw Francine in de lijkkist legde, bracht men Jacques in een ander vertrek, waar hij enkele van zijn vrienden vond, die gekomen waren, om de ontslapene de laatste eer te bewijzen. De bohémiens onthielden zich tegenover Jacques, hoewel zij hem heel graag mochten lijden, van al die troostwoorden, die het verdriet toch slechts grooter maken. Zonder een van die woorden te spreken, welke in zulke oogenblikken zoo moeilijk te vinden en zoo pijnlijk om aan te hooren zijn, drukten zij, de een na den ander, hun vriend zwijgend de hand.

„Het sterven van Francine is een groot ongeluk voor Jacques,” zeide een hunner.

„Zeker,” antwoordde de schilder Lazare, een bizarre persoonlijkheid, die reeds vroeg alle hartstochten der jeugd had weten te overwinnen door daartegenover de onbuigzaamheid van een vasten wil te stellen, zoodat eindelijk de mensch in den kunstenaar ten onder gegaan was—„zeker, maar dan toch een ongeluk, waarvan hij zelf de grootste schuld is. Sedert Jacques Francine kent, is hij vreeselijk veranderd.”

„Zij heeft hem gelukkig gemaakt,” merkte een derde op.

„Gelukkig?” antwoordde Lazare; „wat noem je gelukkig? Hoe kunt ge een hartstocht, die iemand brengt in een toestand, waarin Jacques thans verkeert, geluk noemen? Laat hem eens een meesterwerk zien, hij zal er zich van afwenden; en om nog eenmaal zijn vriendinnetje levend te zien, zou hij desnoods een Titiaan of een Raphaël vertrappen. Mijn geliefde daarentegen is onsterfelijk en zal mij nooit bedriegen; zij woont in den Louvre en heet Joconda.”

Juist toen Lazare zijn theorieën over kunst en gevoel nader uiteen wilde gaan zetten, vertrok de stoet naar de kerk.

Na enkele fluisterend uitgesproken gebeden zette de stoet zich in beweging naar het kerkhof.

Daar het toevallig Allerzielen was, verdrong zich een groote menigte op den doodenakker. Velen keken om naar Jacques, die blootshoofds achter den lijkwagen liep.

„Arme jongen!” zeide er een; „zeker zijn moeder.”

„Neen zijn vader!” dacht een ander.

„Of zijn zuster!” merkte een derde op.

Slechts een dichter, die op dit feest der herinnering, dat eenmaal per jaar in de nevels van November herdacht wordt, den doodenakker was komen bezoeken, om de gebaren van droefheid te bestudeeren, zou bij het zien van Jacques, als bij instinct gevoeld hebben, dat hij zijn geliefde naar haar laatste rustplaats bracht.

Toen zij bij het graf gekomen waren, ontblootten de bohémiens het hoofd en plaatsten zich in een kring erom heen. Jacques stond aan den rand, zijn vriend de dokter hield zijn arm vast.

De doodgravers hadden haast en wilden zoo gauw mogelijk klaar zijn.

„Er wordt gelukkig niet gesproken,” zeide er een. „Des te beter. Vooruit kameraad, opgepast!”

En in een oogwenk werd de kist uit den wagen genomen en aan touwen in het graf neergelaten. De man trok nu de touwen onder de kist uit en kwam uit het gat, nam dan een schop en begon met een van zijn kameraads aarde op de kist te werpen. Weldra was het graf dichtgegooid. Een klein houten kruis werd erop geplaatst.

Toen hoorde de dokter Jacques onder luide zuchten deze egoïstische woorden uitstooten:

„Daar wordt mijn jeugd begraven!”

Jacques behoorde tot een club, waarvan de leden zich „Waterdrinkers” noemden, en die een navolging scheen te zijn van den beroemden vriendenkring uit de rue des Quatre-Vents, waarvan sprake is in Balzac’s mooien roman: „Un Grand Homme de province.” Maar toch bestond er een groot verschil tusschen de helden van dien vriendenkring en de Waterdrinkers, die, zooals alle navolgers, het systeem, dat zij in praktijk wilden brengen, gruwlijk overdreven hadden. Dit verschil zal men alleen reeds uit dit enkele feit kunnen begrijpen, dat in het boek van Balzac de leden van den vriendenkring het doel, dat zij zich voor oogen gesteld hadden, ten slotte bereikten en daarmede het bewijs leverden, dat ieder systeem, dat tot het doel leidt, goed is, terwijl de club der waterdrinkers na een bestaan van vele jaren op heel natuurlijke wijze, n.l. door den dood van al haar leden, aan haar eind kwam, zonder dat de naam van een hunner verbonden was aan een werk, dat van hun bestaan had kunnen getuigen.

Gedurende zijn liaison met Francine was de verhouding van Jacques tot de club der Waterdrinkers minder intiem geworden. Om in het onderhoud van hem en zijn vriendinnetje te kunnen voorzien, had hij enkele wetten en voorschriften, die op den oprichtingsdag der club door de Waterdrinkers plechtig onderteekend en bezworen waren, moeten overtreden.

Steeds doorstappend op de stelten van een onzinnigen trots hadden deze jonge menschen als hoofdprincipe van hun club opgesteld, dat zij nooit van de hooge toppen der kunst zouden mogen afdalen, d.w.z. dat geen hunner, ook al drong de nood nog zoo, ook maar de geringste concessie daaraan mocht doen. Zoo zou bijv. de dichter Melchior er nooit in hebben toegestemd zijn „lier” voor eenige oogenblikken aan de wilgen te hangen, om een handelsprospectus of een politieke geloofsbelijdenis te schrijven. Dat was goed voor den dichter Rodolphe, een deugniet, die voor alles deugde, en die nooit een honderd-sous-stuk in zijn nabijheid liet komen zonder er, het kwam er niet op aan waarmee, op te schieten. Zoo zou ook de schilder Lazare, een trotsche armoedzaaier, nooit zijn penseel hebben willen bezoedelen door het portret van een kleermaker met een papegaai op zijn vinger te schilderen, zooals onze vriend Marcel eens gedaan had in ruil voor den beruchten rok Methusalem, waarop ieder van zijn maîtressen de kunst van oplappen geleerd had. Zoolang Jacques met de Waterdrinkers in gemeenschap van denkbeelden leefde, had hij zich aan die tyrannieke clubvoorschriften onderworpen; maar toen hij Francine had leeren kennen, wilde hij het arme, toen reeds zieke kind niet blootstellen aan de levenswijze, die hij tijdens zijn „ongehuwden staat”, geleid had. Jacques was vòòr alles een oprechte, eerlijke natuur. Hij ging dus naar den president der club, den starren Lazare, en deelde hem mede, dat hij in het vervolg alle werkzaamheden, die hem wat zouden kunnen opbrengen, aannemen zou.

„Je liefdesverklaring,” antwoordde Lazare hem, „was tevens je afscheid aan de kunst. Wij zullen je vrienden blijven, als je dat wilt, maar je medeleden kunnen we niet meer zijn. Oefen je vak uit zooals je wilt; voor mij ben je geen beeldhouwer meer, maar een gipsmenger. Wel zal jij nu in het vervolg wijn kunnen drinken, en zullen wij evenals vroeger ons water drinken en ons kommiesbrood eten; maar wij blijven kunstenaars!”

Wat Lazare echter ook zeggen mocht, Jacques bleef een kunstenaar. Maar om Francine bij zich te kunnen houden nam hij ook, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, werkzaamheden aan, die wat opbrachten. Zoo werkte hij bijv. een tijd lang in het atelier van den ornamentist Romagnési. Handig in de uitvoering en vindingrijk in het ontwerpen, had Jacques, zonder daarom ernstige kunst geheel vaarwel te moeten zeggen, een groote reputatie kunnen krijgen in die genre-composities, welke een der voornaamste artikelen in den luxe-handel geworden zijn. Maar Jacques was lui, zooals alle ware kunstenaars, en verliefd als een dichter. De jeugd was in hem laat, maar daardoor des te vuriger ontwaakt; en hij wilde, als had hij een voorgevoel van zijn vroegen dood, die geheel en al uitleven in de armen van Francine. Het gevolg daarvan was, dat de goede gelegenheden om te werken dikwijls aan zijn deur kwamen kloppen, zonder dat Jacques er antwoord op gaf; hij wilde zich niet laten storen: hij vond het te heerlijk te droomen in den glans der oogen van zijn vriendinnetje.

Toen Francine gestorven was, ging de beeldhouwer zijn oude vrienden, de Waterdrinkers, weer opzoeken. Maar in dezen kring voerde de geest van Lazare de opperheerschappij: ieder lid leefde als versteend in het egoïsme van de kunst. Jacques vond daar niet wat hij zocht. Zijn wanhoop werd er niet begrepen; men trachtte zelfs die door redeneeringen tot zwijgen te brengen. Toen Jacques die weinige sympathie bemerkte, wilde hij liever met zijn smart alleen zijn dan deze op zoo’n manier aan discussies blootgesteld te zien. Hij brak dus volkomen met de Waterdrinkers en leefde alleen voor zichzelf.

Vijf of zes dagen na Francine’s begrafenis ging Jacques naar een marmerhandelaar van het kerkhof Mont-Parnasse en stelde hem de volgende transactie voor: de handelaar zou voor het graf van Francine een hekje leveren, dat Jacques zich voorbehield te teekenen, en bovendien den kunstenaar een stuk wit marmer geven, waartegenover Jacques zich verplichtte drie maanden lang als steenhouwer of beeldhouwer te werken. De fabrikant had toen verscheidene belangrijke bestellingen; hij ging naar het atelier van Jacques en kwam bij het zien der vele begonnen werken tot de overtuiging, dat het toeval hem in den persoon van Jacques een mooi fortuintje bracht. Acht dagen later had Francine’s graf een hekje, terwijl het houten kruisje vervangen was door een groot steenen kruis, waarin Francine’s naam gebeiteld was.

Gelukkig had Jacques met een fatsoenlijk iemand te doen, die inzag, dat honderd kilogram gietijzer en drie vierkante voet marmer niet voldoende waren om drie maanden arbeid van den jongen kunstenaar, wiens talent hem verscheidene duizenden daalders had opgebracht, te betalen. Hij bood Jacques dan ook aan hem tegen een aandeel in de winst deelgenoot te maken van zijn zaak, maar de kunstenaar sloeg dat aanbod af. De weinige verscheidenheid der te behandelen onderwerpen kwam niet overeen met zijn vindingrijke natuur, en bovendien had hij wat hij wilde: n.l. een groot stuk marmer, waaruit hij een kunstwerk, dat hij voor Francine’s graf bestemde, wilde te voorschijn roepen.

In het begin der lente werden trouwens de levensomstandigheden van Jacques beter: zijn vriend de dokter bracht hem n.l. in kennis met een voornamen en rijken edelman, die zich te Parijs wilde vestigen en in een der voornaamste wijken een prachtig huis liet bouwen. Verschillende beroemde kunstenaars waren reeds aangezocht om mede te werken aan dit luxueuse paleis. Jacques kreeg de opdracht voor een salonschoorsteen. Het is me alsof ik zijn cartons nog voor mij zie; het was een bekoorlijk iets: het geheele sprookje van den winter was op dit marmer verteld, dat als omlijsting voor het vuur moest dienen. Daar Jacques’ atelier te klein was, vroeg en verkreeg hij, om zijn werk uit te voeren, een vertrek in het nog niet bewoonde huis, terwijl hem bovendien een vrij groot voorschot op de voor het werk overeengekomen som gegeven werd. Het eerste, wat Jacques daarvan deed, was zijn vriend den dokter het geld, dat deze hem bij den dood van Francine geleend had, terug te geven; daarna ging hij naar het kerkhof, om den grond, waaronder zijn vriendinnetje rustte, onder bloemen te bedekken.

Maar de lente was Jacques voor geweest, en op het graf van het jonge meisje bloeiden tusschen het groenende gras duizend bloemen. De kunstenaar had den moed niet ze eruit te trekken, want hij dacht, dat er iets van zijn vriendinnetje in deze bloemen overgegaan was. Toen de tuinman hem vroeg wat hij met die rozen en viooltjes doen moest, verzocht Jacques hem die te planten op een pas gedolven graf ernaast, de armzalige laatste rustplaats van een armzalige, die geen ander herkenningsteeken had dan een in de losse aarde gestoken stuk hout, waarop een krans van verschoten papieren bloemen hing, een armzalige liefdegave van een armzalige. Jacques verliet het kerkhof in een geheel andere stemming dan hij er gekomen was. Opgewekt en nieuwsgierig keek hij naar de mooie lentezon, diezelfde zon, die zoo dikwijls gouden stralen getooverd had in Francine’s haar, wanneer zij met hem door de weiden liep en met haar blanke handen bloemen plukte. Een groote zwerm heerlijke gedachten en herinneringen zoemde in zijn hart. Toen hij voorbij een klein herbergje van den buitenboulevard kwam, viel het hem in, dat hij op een dag, toen hij door een onweer verrast werd, met Francine daar was binnengegaan en dat zij er samen gegeten hadden. Hij ging er nu ook binnen en liet het diner aan hetzelfde tafeltje van toen brengen. Het dessert werd op een beschilderd schaaltje opgediend; hij herkende het schaaltje en herinnerde zich, dat Francine wel een half uur lang bezig geweest was om de rebus, die er op geschilderd was, op te lossen; ook kwam hem weer een liedje in de gedachte, dat Francine voor hem gezongen had, toen de goedkoope landwijn, die meer vroolijkheid dan druivensap bevat, haar in een montere stemming gebracht had. Doch deze opwelling van zoete herinneringen deed thans wel zijn liefde, maar niet zijn verdriet ontwaken. Bijgeloovig, zooals alle dichterlijke en mijmerende naturen, verbeeldde Jacques zich, dat Francine zelf, toen zij hem daareven vlak bij zich had hooren loopen, hem uit haar graf deze wolk van blijde herinneringen had toegezonden, die hij niet met tranen wilde bevlekken. En hij verliet met lichten stap, opgeheven hoofd, schitterende oogen, kloppend hart en bijna een glimlach op de lippen het herbergje en neuriede onder het loopen het refrein van Francine’s liedje:

L’amour rôde dans mon quartier,

Il faut tenir ma porte ouverte.

Dit refrein was in den mond van Jacques nog een herinnering, maar toch was het ook reeds een lied, en misschien deed hij dien avond, zonder het zelf te vermoeden, den eersten stap op den weg, die van droefheid tot weemoed en van weemoed tot vergetelheid leidt. Ach, wat men ook doet of laat, de eeuwige en rechtvaardige wet der veranderlijkheid wil het zoo.

Evenals de bloemen, die, misschien uit Francine’s lichaam voortgesproten, op haar graf waren ontbloeid, zoo gistten de jeugdsappen in Jacques’ hart, waarin de herinneringen aan zijn oude liefde onbestemde verlangens naar een nieuwe wekten. Bovendien behoorde Jacques tot dat ras van kunstenaars en dichters, die van hun hartstochten een werktuig voor hun kunst en poëzie maken en wier geest eerst dan volkomen levend is, wanneer de drijfkracht van het hart dien in beweging brengt. Bij Jacques was de kunst inderdaad een kind van zijn gevoel; tot in de kleinste dingen, die hij maakte, legde hij een stuk van zijn eigen ik. Hij kwam tot de ontdekking, dat de herinneringen niet langer voldoende voor hem waren, en dat zijn hart, evenals de molensteen, die bij gebrek aan koren afslijt, uit gebrek aan emotie zijn kracht verloor. Het werken had geen bekoring meer voor hem; de inspiratie, die anders koortsachtig en als uit zichzelf voortkomend werkte, kwam nu slechts onder den druk van lang en geduldig nadenken. Jacques was ontevreden en benijdde bijna de levenswijze van zijn oude vrienden, de Waterdrinkers.

Hij trachtte afleiding te vinden, knoopte nieuwe vriendschapsbanden aan. Zoo ging hij veel om met den dichter Rodolphe, dien hij in een café had leeren kennen; beiden hadden een groote sympathie voor elkaar opgevat. Jacques had hem zijn verdriet verteld en Rodolphe had al heel gauw de oorzaak daarvan geraden.

„Ik ken dat, kerel,” zeide hij. En terwijl hij Jacques op de borst klopte, voegde hij eraan toe: „Gauw het vuur daarin weer aansteken! Zorg onmiddellijk voor een nieuw hartstochtje, dan komen de denkbeelden ook weer terug.”

„Ach!” zeide Jacques; „ik heb te veel van Francine gehouden.”

„Dat zal je niet beletten om haar altijd lief te hebben. Kus haar op de lippen van een ander.”

„O,” zeide Jacques, „dat zal ik alleen maar kunnen, als ik een vrouw vond, die op haar leek!”

En diep in gedachten verzonken ging hij heen.


Zes weken later had Jacques al zijn phantasie weer terug gevonden, die weer ontvlamd was door de zachte blikken van een knap meisje, dat Marie heette en wier ziekelijke schoonheid eenigszins aan de arme Francine deed denken. Men kon zich inderdaad moeilijk iets aardigers denken dan die kleine Marie met haar achttien jaar min zes weken, wat zij nooit vergat op te merken. Hun liefdesbetrekkingen waren begonnen in den maneschijn, in den tuin van een danslokaal, bij den klank van een scherpe viool, van een teringachtige bas en een klarinet, die schetterde als een merel. Jacques had haar opgemerkt, toen hij met een ernstig gelaat om den voor de dansers gereserveerden kring heen liep. De luidruchtige en knappe bezoeksters van het lokaal, die den kunstenaar van gezicht kenden, fluisterden, wanneer zij hem in zijn eeuwig zwarte, tot aan de hals dichtgeknoopte jas stijf voorbij zagen komen, elkaar toe:

„Wat komt die doodbidder hier toch doen? Moet er iemand begraven worden?”

Jacques liep steeds alleen: zijn hart bloedde onder de doornen van een herinnering, die het orkest, dat op dit oogenblik een contradans speelde, die den kunstenaar droef als een De Profundis in de ooren klonk, nog levendiger maakte. Midden in zijn droomerijen zag hij Marie, die van uit een hoekje naar hem keek en in een luiden lach uitbarstte, toen zij zijn doodgraversgezicht zag. Jacques sloeg zijn oogen op en hoorde op drie pas van hem dat gelach, dat van onder een rose hoedje opklonk. Hij ging naar het jonge meisje toe en zeide enkele woorden tot haar, waarop zij antwoordde; hij bood haar zijn arm aan, om een wandeling door den tuin te maken; zij nam dien aan. Hij zeide haar, dat zij mooi was als een engel, wat zij hem nog tweemaal zeggen liet; hij plukte voor haar van de boomen groene appels, die zij met veel smaak opat, terwijl zij daarbij telkens weer dien helderen lach liet hooren, die het refrein van haar onverwoestbare vroolijkheid scheen te zijn. Jacques dacht aan den Bijbel en bedacht, dat men nooit tegenover een vrouw wanhopig moet zijn, vooral niet tegenover die, welke veel van appels houden. Hij maakte dus met het rose hoedje nog een wandeling door den tuin, waarvan weer het gevolg was, dat hij, die alleen op het bal gekomen was, het niet alleen verliet.

Maar toch had hij Francine niet vergeten: hij kuste, zooals Rodolphe het uitgedrukt had, haar dagelijks op de lippen van Marie en werkte in het geheim aan het beeld, dat hij op het graf der doode plaatsen wilde.

Toen Jacques op een goeden dag geld gekregen had, kocht hij voor Marie een zwarte japon. Het jonge meisje was er erg blij mede, ook al vond zij, dat zwart voor den zomer geen bijzondere vroolijke kleur was. Doch Jacques zeide haar, dat zwart zijn lievelingskleur was en dat zij hem een groot pleizier zou doen, als zij die japon iederen dag zou dragen. Marie deed hem dat pleizier.

Op een Zaterdagavond zeide Jacques tot het jonge meisje:

„Kom morgenochtend vroeg, dan gaan we naar buiten.”

„Dat treft prachtig,” antwoordde Marie; „ik heb een verrassing voor je. Het zal wel mooi weer zijn!”

Marie werkte den geheelen nacht door aan een nieuwe japon, die zij voor haar spaarduitjes gekocht had, een allerliefst, rose japonnetje, waarmede zij ’s Zondagsochtends, stralend van vreugde, in het atelier van Jacques kwam.

De kunstenaar ontving haar koel, bijna grof.

„En ik dacht nogal, dat ik je een plezier zou doen, toen ik dat lichte pakje kocht!” zeide Marie, die voor Jacques’ koelheid geen verklaring vinden kon.

„Wij gaan niet naar buiten,” antwoordde hij; „ga maar terug, ik moet werken.”

Marie ging bedroefd naar huis. Onderweg kwam zij een jongen man tegen, die de geschiedenis van Jacques kende en haar vroeger het hof gemaakt had.

„Wat, mademoiselle Marie, bent u niet meer in den rouw?”

„In den rouw?” vroeg zij; „en voor wie?”

„Wat, weet u dat niet? Het is toch bekend genoeg die zwarte japon, die Jacques u gegeven heeft ....”

„Nou?”

„Wel dat was een rouwjapon: Jacques liet u om Francine rouwen.”

Na dien dag heeft Jacques Marie niet meer gezien.

Die breuk bracht hem ongeluk. De slechte dagen keerden terug: hij had geen werk meer en verviel in zoo’n groote ellende, dat hij, daar hij niet wist wat hij beginnen moest, zijn vriend den dokter vroeg hem in een ziekenhuis te laten opnemen. De dokter zag bij den eersten oogopslag, dat het niet veel moeite zou kosten daarvoor toestemming te krijgen. Zonder dat Jacques eenig vermoeden van zijn toestand had, was hij op weg, om weer spoedig bij Francine te zijn.

Hij werd opgenomen in het hospitaal Saint-Louis.

Daar hij nog werken en loopen kon, verzocht hij den directeur van het ziekenhuis hem een klein kamertje te willen geven, dat toch niet gebruikt werd, en liet daar een werkbank, beitels en leem brengen. De eerste veertien dagen werkte hij daar aan het beeld, dat hij voor Francine’s graf bestemd had. Het was een engel met uitgestrekte vleugels. Dit beeld, dat Francine’s trekken had, werd niet voltooid, want al heel gauw kon Jacques de trap niet meer op, en kort daarop mocht hij zelfs het bed niet meer uit.

Toen Jacques op zekeren dag het cahier van den dokter in handen kreeg en daaruit zag welke geneesmiddelen hij kreeg, begreep hij, dat hij verloren was: hij schreef aan zijn familie en liet zuster Sainte-Géneviève, die hem met groote toewijding verpleegde, roepen.

„Zuster,” zeide hij tot haar, „in het kamertje boven, dat men mij heeft afgestaan, staat een kleine gipsfiguur; het beeld, dat een engel voorstelt, was bestemd voor een graf; maar ik heb geen tijd gehad het in marmer uit te voeren. En toch heb ik thuis een prachtig stuk, wit met rose aderen, liggen. Om kort te gaan .... zuster, ik geef u het kleine beeld, om het in de kapel te zetten.”

Enkele dagen later stierf Jacques. Daar de begrafenis gelijktijdig met de opening van den salon plaats had, konden de Waterdrinkers er niet bij tegenwoordig zijn. De kunst voor alles, had Lazare gezegd.

Jacques’ familie was niet rijk en de kunstenaar had geen eigen graf.

Hij werd in een hoek van het kerkhof begraven.


1 Letterlijk: een pleisterplaats voor karavanen.

2 Zinspeling op Dante’s Inferno.