Men zal zich herinneren hoe Marcel zijn beroemd doek „De Doortocht door de Roode Zee”, dat later als uithangbord voor een comestibleswinkel dienen zou, aan Médicis verkocht had. Den dag na den verkoop, die gevolgd was door een schitterend souper, hetwelk de Jood als toegift op den koop aan de bohémiens had aangeboden, ontwaakten Marcel, Schaunard, Colline en Rodolphe eerst diep in den ochtend en konden zich, nog onder den invloed als zij waren van de wijnen van den vorigen avond, eerst niet goed herinneren wat er eigenlijk gebeurd was. Toen van een kerk in de buurt het middag-Angelus klepte, keken zij elkaar met een melancholiek glimlachje aan.
„Dat is het klokje, dat met zijn vrome klanken de geloovigen naar de eetzaal roept,” zeide Marcel.
„Zeker,” antwoordde Rodolphe, „dit is het plechtige uur, waarop alle fatsoenlijke menschen naar het refectorium opgaan.”
„Dan zullen we toch moeten zien fatsoenlijke menschen te worden,” bromde Colline, voor wien iedere dag op den kalender St. Appetitus1 was.
„O, melkinrichting van mijn min; o, gezegende vier maaltijden van mijn jeugd, wat is er van u geworden?” voegde Schaunard eraan toe. En op een melancholiek, droomerig en zacht motief herhaalde hij: „Wat is er van u geworden?”
„En te moeten denken, dat er op dit uur in Parijs alleen meer dan honderd coteletten in de pan liggen!” zeide Marcel.
„En evenveel biefstukjes!” zuchtte Rodolphe.
En als een tegenstelling vol bittere ironie schreeuwden, terwijl de vier vrienden elkaar voor het vreeselijke, dagelijks terugkeerende probleem van het dejeuner stelden, de kellners uit het restaurant beneden in het huis de bestellingen der gasten de keuken in.
„Zullen die lummels nooit hun mond houden?” vroeg Marcel; „ieder woord geeft me een steek in mijn maag.”
„De wind zit in het Noorden!” zeide Colline ernstig en wees daarbij op een weerhaantje, dat op een dak in de buurt vroolijk heen en weer zwaaide; „wij zullen dus vandaag niet dejeuneeren, de elementen verzetten zich er tegen.”
„Hoe dat?” vroeg Marcel.
„Dat is een atmospherologische waarneming, die ik gedaan heb,” legde de wijsgeer uit: „een Noordenwind beteekent bijna altijd onthouding, evenals de Zuidenwind gewoonlijk pleizier en goed eten voorspelt. De philosophie noemt dat: wenken van uit den hooge.”
Als Gustave Colline een leege maag had, hadden zijn geestigheden iets grimmigs.
Op hetzelfde oogenblik stiet Schaunard, die een van zijn armen in den afgrond, die als zak dienst deed, had gestoken, een gil van angst uit.
„Hulp! Hulp! Er zit iemand in mijn jas,” brulde hij, terwijl hij trachtte zijn hand uit de scharen van een levende kreeft te bevrijden.
Op den angstkreet van Schaunard volgde onmiddellijk een andere gil. Marcel had werktuigelijk zijn hand in zijn zak gestoken en daarin een Amerika ontdekt, waaraan hij in het geheel niet meer dacht: d.w.z. de honderdvijftig francs, die de Jood Médicis hem voor zijn „Doortocht door de Roode Zee” betaald had.
„Salueert, heeren!” zeide Marcel, terwijl hij een stapeltje daalders, waartusschen vijf of zes nieuwe louis schitterden, neerzette.
„Je zoudt zeggen, dat ze leven!” vond Colline.
„En wat een prachtige stemmen!” merkte Schaunard, die de goudstukken liet rinkelen, op.
„Wat een mooie medailles!” voegde Rodolphe eraan toe; „precies stukjes uit de zon. Als ik koning was, zou ik geen andere munten in mijn rijk dulden en er de beeltenis van mijn vriendinnetje op laten slaan.”
„Kan je eigenlijk wel gelooven, dat er een land is, waar die dingen evenveel waard zijn als kiezelsteenen?” vroeg Schaunard. „De Amerikanen gaven er vroeger vier voor twee sous. Een van mijn voorouders heeft indertijd Amerika bezocht; hij heeft zijn graf gevonden in de maag der Wilden. Dat heeft den bloei der familie veel kwaad gedaan.”
„Maar vertel toch eens even,” zeide Marcel met een blik op den kreeft, die een wandeling door de kamer was gaan maken; „waar komt dat beest vandaan?”
„Nou begin ik me te herinneren,” antwoordde Schaunard, „dat ik gisteren een ontdekkingsreis gemaakt heb in de keuken van Médicis; ik moet wel aannemen, dat dit reptiel, zonder het zelf te willen, in mijn zak gevallen is—die dieren zijn zoo bijziende. En nu ik het beest eenmaal heb, zal ik het maar houden ook; ik zal het temmen en rood verven, dat is een vroolijker kleur. Sinds Phémie weg is, ben ik melancholiek; nu heb ik tenminste gezelschap.”
„Heeren,” riep Colline uit; „kijkt als het je blieft eens, de wind is naar het Zuiden gedraaid: we zullen dejeuneeren.”
„Dat geloof ik graag,” zeide Marcel, terwijl hij een goudstuk van de tafel nam; „hier heb je er een, dat we eens lekker zullen laten braden, en met veel jus ook.”
De vaststelling van het menu werd lang en ernstig besproken. Iedere schotel gaf aanleiding tot een levendige discussie en werd daarna met meerderheid van stemmen vastgesteld. De door Schaunard voorgestelde omelette soufflée werd na zorgvuldig onderzoek afgestemd, evenals de witte wijnen, waartegen Marcel in verzet kwam in een krachtige improvisatie, die zijn oinologische kennis duidelijk aan het licht bracht.
„De eerste plicht van een wijn is rood te zijn,” riep de kunstenaar uit; „laat me met rust met jullie witte wijnen.”
„En de Champagne dan?” merkte Schaunard op.
„Onzin! Een elegante appelwijn! Een epileptische coco2! Ik zou alle kelders van Epernay en Aï3 voor één vat Bourgogne geven. Bovendien behoeven we vandaag geen grisettes te verleiden of vaudevilles te dichten. Ik stem tegen Champagne.”
Toen het programma definitief vastgesteld was, gingen Schaunard en Colline in het restaurant beneden het dejeuner bestellen.
„Wat zou je er van zeggen als we wat vuur aanlegden?” vroeg Marcel.
„Dat zou geen halsmisdaad zijn, de thermometer noodigt ons daar reeds lang toe uit,” antwoordde Rodolphe. „Laten we wat vuur maken. Wat zal de kachel een kleur van verbazing krijgen!”
En hij liep naar de trap en schreeuwde Colline na, dat hij hout moest laten boven brengen.
Enkele oogenblikken later kwamen Schaunard en Colline, gevolgd door een kolendrager met een zware bos hout, weer boven.
Toen Marcel in een lade naar waardelooze papieren zocht, om de kachel aan te maken, kreeg hij toevallig een brief in handen, waarvan het handschrift hem deed beven en dien hij heimelijk begon te lezen.
Het was een door Musette met potlood geschreven brief uit den tijd, dat zij nog met Marcel samenwoonde; op den dag af was hij een jaar oud. De inhoud der weinige regels luidde:
„Lieveling,
Wees niet ongerust over mij, ik kom dadelijk weer terug. Ik ga wat uit, om door het loopen wat warmer te worden: het vriest in de kamer en de kolenhandelaar is voor ons dood. Ik heb de twee laatste pooten van den stoel kapot geslagen, maar ze hebben niet lang genoeg gebrand, om er een ei bij te koken. Bovendien fluit de wind door het raam alsof hij hier thuis is, en blaast mij een hoop slechte raadgevingen in, die je, wanneer ik ze zou opvolgen, verdriet zouden doen. Ik vind het daarom beter een oogenblikje in de buurt te gaan winkelen. Er moet fluweel zijn van tien francs den meter. Het is ongelooflijk, dat moet ik zelf zien. Voor het eten ben ik weer terug.
Musette.”
„Arme meid!” mompelde Marcel in zichzelf, terwijl hij den brief in zijn zak stak .... En met zijn hoofd in zijn handen bleef hij eenige oogenblikken in gedachten bij de haard zitten.
In dien tijd leefden de bohémiens reeds lang in een toestand van weduwnaarschap, uitgezonderd Colline, wiens liefje steeds onzichtbaar en anoniem gebleven was.
Zelfs Phémie, de lieve levensgezellin van Schaunard, had een naïeve ziel gevonden, die haar haar hart, een mahoniehouten ameublement en een ring van haar roode lokken aangeboden had. Veertien dagen na die schenking echter had Phémie’s amant haar zijn hart en ameublement weer willen ontnemen, omdat hij aan haar vinger een ring van haar, maar nu zwart haar gezien had en haar daarom van verraad durfde verdenken.
Toch was Phémie niet van het pad der deugd afgeweken; zij had alleen, omdat haar vriendinnen haar ieder oogenblik met den ring van roode haren plaagden, dien zwart laten verven. De „mijnheer” was met die verklaring zòò voldaan, dat hij voor Phémie een zijden japon kocht—de eerste in haar leven! Den dag, dat zij die voor het eerst droeg, riep de arme meid uit:
„Nu kan ik rustig sterven.”
Musette was weer een bijna officieele persoonlijkheid geworden. Marcel had haar in geen drie of vier maanden meer gezien.
En wat Mimi ten slotte betreft, Rodolphe had nooit meer iemand over haar hooren praten, behalve zichzelf, wanneer hij alleen was.
„Nou?” vroeg plotseling Rodolphe, toen hij Marcel zoo peinzend bij den schoorsteen zag staan; „wil de kachel niet trekken?”
„Zeker wel, zeker wel!” zeide de schilder, terwijl hij het hout aanstak, dat knetterend begon te branden.
Terwijl de drie anderen door de voorbereidende maatregelen voor het dejeuner hun eetlust nog prikkelden, had Marcel zich weer in een hoekje teruggetrokken en legde het briefje, dat hij toevallig gevonden had, bij de andere souvenirs, die Musette hem gelaten had. Plotseling viel hem het adres in van een vrouw, met wie zijn vroegere vlam op zeer intiemen voet stond.
„Ha!” riep hij hard genoeg, om door de anderen gehoord te worden, uit; „nu weet ik tenminste, waar ik ze vinden kan.”
„Wat vinden?” vroeg Rodolphe. „En wat voer je toch eigenlijk uit?” voegde hij eraan toe, toen hij zag, dat Marcel wilde gaan schrijven.
„Niets .... Een brief, die haast heeft en dien ik bijna vergeten had. Ik ben dadelijk weer tot je beschikking.”
En hij schreef:
„Lieve kind,
Door een verpletterende apoplexie van geluk heb ik geld in mijn schrijftafel! We hebben een reuzendejeuner, dat op dit oogenblik staat te braden, edele wijnen, ja zelfs in de haard een echt vuur, zooals gezeten burgers dat hebben. Dat moet ik zelf zien, zou je vroeger gezegd hebben. Kom dus een oogenblik bij ons; je zult hier Rodolphe, Colline en Schaunard vinden, en bij het dessert, want er is waarachtig een dessert ook, moet jij dan wat voor ons zingen. Daar wij nu eenmaal bij elkaar zijn, zullen we waarschijnlijk een dag of acht aan tafel blijven. Je behoeft dus niet bang te zijn, dat je te laat komt. Het is al zoo’n tijd geleden, dat ik je niet heb hooren lachen. Rodolphe zal je het hof maken en wij zullen van alles drinken op onze gestorven liefde, op gevaar of ze tot nieuw leven te wekken. Tusschen menschen zooals wij .... is de laatste kus nooit de laatste. Ach, als het den vorigen winter niet zoo koud geweest was, zou je me misschien in het geheel niet verlaten hebben. Je hebt me bedrogen voor een bos hout en omdat je bang was voor winterhanden. Je hadt gelijk, en ik ben er voor ditmaal even min boos om als voor andere keeren. Maar kom je nu tenminste warmen, zoolang er vuur is.
Met heel veel kussen, Marcel.”
Toen deze brief af was, schreef Marcel een tweeden aan madame Sidonie, de vriendin van Musette, waarin hij haar verzocht den ingesloten brief zoo spoedig mogelijk aan het juiste adres te doen toekomen. Vervolgens ging hij naar den concierge, die de twee epistels moest wegbrengen. Daar hij hem vooruitbetaalde, zag de concierge in de hand van den schilder een goudstuk schitteren, waarom hij, alvorens zijn boodschap te doen, den huiseigenaar, aan wien Marcel nog achterstallige huur schuldig was, ging waarschuwen.
„Mijnheer,” zeide hij buiten adem van het trappen klimmen, „de kunstenmaker van de zesde etasie heit geld. U weet wel, die groote, die me altijd in m’n gezicht uitlacht, als ik met de kietansie kom!”
„Ja, ik weet het wel!” zeide de huisheer; „die kerel, die zoo brutaal is geweest geld van me te willen leenen, om een gedeelte van de huur te kunnen afdoen. Ik heb hem de huur al opgezegd.”
„Juist, mijnheer. Maar nou zit-ie stikvol met geld; m’n oogen doen nog pijn van al het geschitter. Hij geeft nu een feest ..... het is een prachtig oogenblik.”
„Je hebt gelijk,” viel de eigenaar hem in de rede; „ik zal straks zelf even naar boven gaan.”
Madame Sidonie was thuis, toen de brief van Marcel kwam, en liet haar kamermeisje dadelijk het ingesloten briefje naar Musette brengen.
Musette woonde toen in een mooi appartement op de Chaussée d’Antin. Toen zij den brief van Marcel kreeg, was zij niet alleen en had bovendien voor dienzelfden avond een groot aantal uitnoodigingen voor een groot diner rondgezonden.
„Dat is ook een wonder!” riep zij, lachend als een bezetene, uit.
„Wat is er?” vroeg een knappe, jonge man, die stijf als een standbeeld voor haar stond.
„Een invitatie voor een diner,” antwoordde de jonge vrouw. „Hoe vindt je het?”
„Ik vind het vervelend,” zeide de jongeman.
„Waarom?”
„Waarom? Je denkt er toch zeker niet aan naar dat diner te gaan.”
„Daar denk ik zeker wel aan ..... Zie jij maar hoe jij het alleen klaar speelt!”
„Maar beste kind, dat geeft toch heelemaal geen pas! Je moet een anderen keer maar eens gaan.”
„Die is goed, een anderen keer! Het is een invitatie van mijn ouden vriend Marcel en het is zoo’n zeldzaam geval, dat ik het zelf zien moet. Een anderen keer! Maar echte diners komen daar nog minder voor dan zonsverduisteringen!”
„Wat! Je wilt ons in den steek laten, om naar dien kerel te gaan, en dat zeg je me zoo maar in mijn gezicht!”
„Aan wien moet ik het anders zeggen? Aan den sultan van Turkije soms? Maar die heeft met de zaak niets te maken.”
„Maar dat is een buitengewone openhartigheid.”
„Je weet wel, dat ik anders ben dan de anderen,” antwoordde Musette.
„Maar wat zou je wel van mij denken, als ik je liet gaan, nu ik weet waarheen je gaat. Bedenk toch eens Musette, zoowel voor jou als voor mij zou dat in het geheel geen pas geven. Je moet je maar excuseeren bij dien jongen man.”
„Mijn beste Maurice,” antwoordde Musette op vastberaden toon; „je wist wat je aan me hadt voor je me nam, je wist, dat ik vol grillen zit en dat niemand er zich op beroemen kan er één uit mijn hoofd gepraat te hebben.”
„Vraag me wat je wilt .... maar dat niet,” zeide Maurice. „Er zijn grillen ..... en grillen.”
„Maurice, ik wil naar Marcel gaan ..... en ik ga,” zeide Musette, terwijl zij haar hoed opzette. „Verlaat me, als je wilt, maar ik kan niet anders: Marcel is de beste jongen van de wereld en de eenige, waar ik ooit van gehouden heb. Als zijn hart van goud geweest was, zou hij het hebben laten smelten, om er ringen van voor mij te laten maken. Arme jongen!” voegde zij eraan toe, terwijl zij Maurice den brief liet zien, „zoodra hij wat vuur heeft, vraagt hij me me te komen warmen. O, als hij maar niet zoo lui en er geen fluweel en zijde in de winkels geweest was. Ik was echt gelukkig met hem; hij had het talent mij nu en dan werkelijk verdriet te doen, en hij heeft mij om al mijn liedjes den naam Musette gegeven. Als ik naar hem toe ga, kan je er tenminste zeker van zijn, dat ik bij je terugkom ..... als je tenminste de deur niet voor mijn neus dicht gooit.”
„Openhartiger zou je me moeilijk kunnen zeggen, dat je niet van me houdt,” zeide de jonge man.
„Kom nou, mijn beste Maurice, je bent te veel man van geest om ons in zoo’n ernstige discussie te verdiepen. Je hebt me net zoo als je een mooi paard in stal hebt, en ik houd van je ..... omdat ik houd van luxe, van drukke feesten, van alles wat straalt en schittert. Laten we niet sentimenteel worden: dat zou belachelijk en nutteloos zijn.”
„Maar laat ik dan tenminste met je mee gaan.”
„Maar je zou je daar volstrekt niet amuseeren,” zeide Musette, „en je zou ons maar beletten het ook te doen. Je begrijpt toch, dat die jongen mij noodwendig zoenen zal.”
„Musette,” vroeg Maurice; „heb je ooit iemand ontmoet, die zoo inschikkelijk is als ik?”
„Mijnheer de vicomte,” antwoordde Musette; „toen ik onlangs met lord*** op de Champs Elysées een wandelrit maakte, heb ik Marcel daar ontmoet met zijn vriend Rodolphe: ze waren te voet, zaten slecht in hun kleeren en rookten hun neuswarmertjes. In geen drie maanden had ik Marcel gezien; ik had het gevoel, alsof mijn hart door het portier wou springen. Ik heb het rijtuig laten stil houden en een half uur lang met Marcel gepraat, terwijl geheel Parijs in equipages voorbij reed. Marcel heeft me toen een taartje gegeven en een ruikertje viooltjes van een sou, die ik dadelijk in mijn ceintuur gestoken heb. Toen hij wegging, wilde lord**** hem terugroepen, om hem te vragen met ons te gaan dineeren. Voor die vriendelijkheid heb ik hem een zoen gegeven. Dat is nu eenmaal mijn karakter; en als je dat niet bevalt, dan moet je het maar dadelijk zeggen, dan neem ik mijn pantoffels en mijn nachtmuts mee.”
„Het heeft toch ook zijn goede zijde, om arm te zijn!” zeide Maurice met iets van afgunst en droefheid in zijn stem.
„O neen,” antwoordde Musette; „als Marcel rijk was, zou ik hem nooit verlaten hebben.”
„Ga dan maar,” zeide de jonge man en gaf haar de hand. „Die nieuwe japon staat je heel goed!”
„Inderdaad het is of ik er vanochtend een voorgevoel van gehad heb. Marcel zal de eerste zijn, die me in mijn nieuwe japon een zoen zal geven. Nou, adieu, ik ga een beetje van het gewijde brood der vroolijkheid eten.”
Musette had dien dag een bekoorlijk toilet aan: nooit had het gedicht van haar jeugd en van haar schoonheid in een verleidelijker band gezeten. Bovendien bezat Musette van nature een goeden smaak. Toen zij op de wereld kwam, moet het eerste, wat zij met haar blikken zocht, een spiegel geweest zijn, om zich in haar luiers een mooie houding te kunnen geven; en voor zij gedoopt werd, had zij reeds de zonde der coquetterie begaan. Reeds in den tijd, dat zij nog in zeer behoeftige omstandigheden leefde en zich nog met japonnetjes van gedrukt katoen, hoedjes met pompons en geitenleeren laarsjes moest tevreden stellen, droeg zij die eenvoudige grisette-toiletjes met elegance en coquetterie. Deze knappe meisjes, half bijen, half mieren, die zingend de geheele week door werkten en den Goeden God slechts om mooi weer op Zondag smeekten, hadden gewoonlijk slechts lief met haar hart en zetten nu en dan de bloemetjes buiten. Nu is die soort geheel verdwenen, dank zij de tegenwoordige generatie van jonge mannen: een verdorven en verderfelijke, maar boven alles aanmatigende, opgeblazen en brutale generatie. Alleen uit genoegen voor minne paradoxen hebben zij die arme meisjes om haar door de heilige litteekenen van het werk geschonden handen gehoond en bespot, zoodat die handen weldra niet genoeg meer konden verdienen, om de uitgaven voor amandelzeep te bestrijden. Langzamerhand is het dien jongelingen gelukt haar hun opgeblazenheid en dwaasheid in te enten, en sedert is de grisette verdwenen. Toen werd de lorette geboren, een bastaardgeslacht, impertinente schepsels van middelmatige schoonheid, half vleesch, half schmink, wier boudoir een toonbank is, waarop zij stukken van haar hart, alsof het sneedjes roastbeef waren, te koop aanbieden. Het meerendeel van die meisjes, die het pleizier onteeren en een schande zijn voor de moderne galanterie, heeft dikwijls niet eens den geest van de dieren, wier veeren zij op haar hoeden dragen. En wanneer het door een groot toeval nog eens gebeurt, dat zij niet een liefde, zelfs niet een verliefdheid, maar een geile begeerte hebben, dan is het nog voor den een of anderen alledaagschen potsenmaker, dien de dwaze menigte op openbare bals toejuicht en voor wien de couranten, die vleiende hovelingen van al wat belachelijk is, reclame maken.
Hoewel Musette gedwongen was in die wereld te leven, had zij toch niet de gewoonten noch de allures ervan; zij had niet die tot slavin zijn vernederende hebzucht, zooals die maar al te veel voorkomt bij die schepsels, welke alleen maar Bartjens lezen en cijfers schrijven kunnen. Zij was een intelligent, geestig meisje, dat in haar aderen het bloed van Manon Lescaut had, en, wars van elken dwang, zich nooit tegen een enkele gril had kunnen of willen verzetten, wat de gevolgen ervan ook mochten zijn.
Marcel was de eenige man geweest, van wien zij werkelijk gehouden had. In ieder geval was hij de eenige geweest voor wien zij inderdaad geleden had, en al de hardnekkigheid van die instincten, welke haar trokken naar „alles wat schittert en straalt”, was noodig geweest, om haar ertoe te kunnen brengen hem te verlaten. Zij was twintig jaar en luxe was voor haar bijna een levensbehoefte. Zij kon er wel eenigen tijd buiten, maar geheel afstand ervan doen kon zij niet. Haar eigen wispelturigheid maar al te goed kennende, had zij nooit het hangslot van een eed van trouw voor haar hart willen doen. Verscheidene jonge mannen, voor wie zij zelf veel voelde, hadden haar waarachtig lief gehad; en altijd had zij tegenover dezen met een openhartigheid, die gepaard ging met voorzichtigheid, gehandeld. De verbintenissen, die zij aanging, waren eenvoudig, eerlijk en waar als de liefdesverklaringen van Molière’s boeren. „Jij hebt zin in mij, en ik zin in jou; top, laten we bruiloft vieren!” Wel tienmaal had Musette als zij gewild had, een „vaste positie”, een zoogenaamde toekomst kunnen hebben; maar zij geloofde nauwlijks in de toekomst; ten opzichte daarvan was zij het scepticisme van Figaro toegedaan.
„Morgen,” zeide zij dikwijls, „morgen is een dwaasheid van den kalender, een dagelijksch voorwendsel, dat de menschen uitgevonden hebben, om hun zaken vandaag niet behoeven te doen. Morgen is er misschien een aardbeving—en vandaag staat de aarde nog vast!”
Op een goeden dag deed een gentleman, met wien zij bijna zes maanden samengeleefd had en die intusschen tot over zijn ooren verliefd op haar geworden was, haar in allen ernst het voorstel met haar te trouwen. Musette had hem in zijn gezicht uitgelachen.
„Ik mijn vrijheid door een huwlijkscontract aan banden leggen? Nooit in der eeuwigheid!”
„Maar dag in dag uit sidder ik van angst, dat ik je verliezen zal.”
„Je zoudt me nog veel eerder verliezen, wanneer ik je vrouw was,” antwoordde Musette. „Laten we er niet verder over spreken. Trouwens ik ben niet vrij meer ook,” voegde zij eraan toe en dacht bij die woorden ongetwijfeld aan Marcel.
Zoo ging haar jeugd voorbij, terwijl zij zich op alle winden van het toeval liet medevoeren en velen, ja bijna ook zichzelf gelukkig maakte. Vicomte Maurice, met wien zij op dat oogenblik leefde, kostte het niet weinig moeite om zich aan dat ontembare, naar vrijheid snakkende karakter te wennen, en met een met jalousie sterk geoxydeerd ongeduld wachtte hij op den terugkeer van Musette, die hij naar Marcel had zien gaan.
„Zal ze bij hem blijven?” vroeg de jonge man zich den geheelen avond af, terwijl hij zich dat vraagteeken als een dolk in zijn hart boorde.
„Die arme Maurice!” zeide Musette van haar kant tot zichzelf; „hij vindt dat een beetje kras. Maar ach, de jeugd moet opgevoed worden.”
Toen sloeg haar gedachtengang plotseling een heel andere richting in; zij dacht aan Marcel, naar wien ze toeging; en terwijl zij alle herinneringen, die de naam van haar aanbidder in haar wakker riep, de revue liet passeeren, vroeg zij zich nieuwsgierig af, welk wonder bij hem de tafel gedekt had. Al loopende las zij den brief, dien de schilder haar geschreven had, nog eens over, en onwillekeurig maakte een gevoel van droefheid zich van haar meester. Doch dat duurde slechts een oogenblik. Musette overwoog terecht, dat zij nu minder dan ooit reden had om bedroefd te zijn, en toen er op dat oogenblik een sterke wind opstak, riep zij uit:
„Het is toch gek; als ik niet naar Marcel zou willen gaan, zou de wind mij nu naar hem toe blazen.”
En haar pas versnellend liep zij verder, blij als een vogeltje, dat naar zijn eerste nest terugkeert.
Plotseling begon het hard te sneeuwen. Musette keek rond of zij geen rijtuig zag, maar er was geen te bekennen. Daar zij juist in de straat was, waar haar vriendin Sidonie woonde, die Marcel’s brief naar haar doorgestuurd had, kwam zij op het denkbeeld even bij haar binnen te gaan en daar te wachten, tot het weer wat beter zou zijn.
Bij madame Sidonie vond zij een groot gezelschap bijeen. Er werd een partij lansquenet gespeeld, die drie dagen tevoren reeds begonnen was.
„Laat ik jullie niet storen,” zei de Musette; „ik blijf maar even.”
„Heb je den brief van Marcel gekregen?” fluisterde madame Sidonie haar in het oor.
„Ja, dank je,” antwoordde Musette, „ik ben op weg naar hem toe, hij heeft me te dineeren gevraagd. Ga je mee? Je zult je best amuseeren!”
„Tot mijn spijt kan ik niet,” zeide Sidonie, op de speeltafel wijzend. „En hoe staat het?” vroeg zij den bankhouder.
„Er staan zes louis,” antwoordde deze, terwijl hij de kaarten schudde.
„Ik zet er twee,” riep Sidonie.
„Goed, ik ben niet trotsch, ik begin ook met twee,” antwoordde de bankhouder, die reeds verscheidene malen gepast had. „Koning en aas; ik ben naar de maan,” ging hij voort, terwijl hij de kaarten liet vallen; „alle koningen zijn dood!”
„Hier mag niet over politiek gesproken worden,” zeide een journalist.
„En het aas is de vijand van mijn familie,” merkte de bankhouder op, die nog een koning keerde. „Leve de koning!” riep hij uit; „lieve Sidonie, geef mij twee louis d’or.”
„Schrijf ze maar in je memorie pro memorie,” zeide Sidonie woedend, dat zij verloren had.
„Dat maakt dan vijfhonderd francs, kleintje,” zeide de bankhouder.” Je zult de duizend wel bereiken. Ik geef.”
Sidonie en Musette praatten zachtjes met elkaar. Het spel ging door.
Ongeveer op hetzelfde uur gingen de bohémiens aan tafel. Gedurende het geheele dejeuner was Marcel opvallend onrustig. Iederen keer, dat men op de trap stappen hoorde, zagen de anderen hem opschrikken.
„Wat heb je toch?” vroeg Rodolphe; „het is net, of je nog iemand wacht. Zijn we niet compleet?”
Maar uit een blik, dien de schilder hem toewierp, begreep de dichter, welke gedachten zijn vriend bezig hielden.
„Hij heeft gelijk,” dacht hij bij zichzelf; „we zijn niet compleet.”
De blik van Marcel beteekende: Musette, die van Rodolphe: Mimi.
„Er ontbreken vrouwen,” zeide Schaunard plotseling.
„Wil jij voor den duivel je losbandige taal wel eens voor je houden? We hadden toch afgesproken, dat er niet over liefde gesproken zou worden!” brulde Colline. „Daar schift de jus van.”
En terwijl buiten de sneeuw nog viel en in de haard het hout vroolijk vlamde en een vuurwerk van vonken afstak, begonnen de vier vrienden weer hun tot den rand gevulde glazen te ledigen.
Terwijl Rodolphe met luide stem het refrein van een lied begon te zingen, dat hij onder in zijn glas gevonden had, werd er verscheidene malen op de deur geklopt.
Als een duiker, die door een krachtigen afzet tegen den bodem weer naar de oppervlakte van het water komt, vloog Marcel, die reeds eenigszins onder den invloed was, haastig van zijn stoel op om open te maken.
Musette was het niet.
Op den drempel vertoonde zich een man, die een klein stukje papier in zijn hand hield. Zijn uiterlijk was niet onaangenaam, maar zijn chambercloak zag er onooglijk uit.
„Ik vind u hier in nog al goeden welstand,” zeide hij met een blik op de tafel, op het midden waarvan een groote lamsbout prijkte.
„De huisbaas!” zeide Rodolphe; „laten wij hem de verschuldigde eer bewijzen!”
„En hij begon met zijn mes en vork den generaalsmarsch op zijn bord te slaan.
Colline gaf hem een stoel en Marcel riep uit:
„Schaunard, geef mijnheer een glas!”
En zich tot den huiseigenaar wendende, zeide hij:
„U komt juist op het goede oogenblik! Wij waren juist op het punt een toast uit te brengen op den eigendom. Mijn vriend hier, mijnheer Colline, zeide precies eenige treffende dingen omtrent dat onderwerp. Maar nu u hier bent, zal hij, om u genoegen te doen, opnieuw beginnen. Vooruit, Colline!”
„Pardon, heeren!” antwoordde de huisheer; „ik zou u niet graag verder storen.”
En hij ontvouwde het kleine papiertje, dat hij in zijn hand hield.
„Wat is dat voor drukwerk?” vroeg Marcel.
De huisheer, die inmiddels onderzoekend de kamer rondkeek, had het goud en zilver, dat nog op den schoorsteen was blijven staan, gezien en zeide:
„De quitantie, die ik reeds de eer had u te laten presenteeren.”
„Precies,” viel Marcel hem in de rede; „mijn trouw geheugen heeft die bijzonderheid niet vergeten; het was Vrijdag 8 October des namiddags te 12 uur.”
„Ik heb de quitantie reeds, als voldaan geteekend, en als het u niet derangeert, dan .....”
„Mijnheer,” zeide Marcel, „het lag in mijn bedoeling u te komen bezoeken. Ik moet eens ernstig met u praten.”
„Geheel tot uw dienst.”
„Doe mij dan eerst het genoegen een kleine verfrissching te nemen,” ging Marcel voort, terwijl hij hem een glas wijn opdrong. „Welnu, mijnheer, u hebt mij onlangs een papiertje thuis gestuurd met de beeltenis van een dame, die een weegschaal in haar hand houdt. De inhoud was onderteekend: „Godard.””
„Dat is mijn deurwaarder,” zeide de huisheer.
„Hij heeft al een heel leelijk pootje,” zeide Marcel. „Mijn vriend hier”—en hij wees op Colline—„die alle talen kent, is zoo goed geweest deze depeche, die mij vijf francs gekost heeft, voor mij te vertalen ....”
„Het was een opzegging van de huur,” viel de huisheer hem in de rede; „een voorzorgsmaatregel .... dat is zoo de gewoonte.”
„Ja juist, een opzegging,” antwoordde Marcel. „Ik wilde u juist komen opzoeken, om over die zaak te spreken; ik zou n.l. die opzegging graag in een huurceel veranderd zien. Het huis bevalt me, de trap is netjes, de straat vroolijk en bovendien ben ik om familieredenen en andere oorzaken zeer aan deze woning gehecht”.
„Maar de laatste termijn huur moet nog betaald worden,” zeide de huiseigenaar en liet opnieuw zijn quitantie zien.
„Wij zullen die betalen, mijnheer, dat is ons vaste voornemen.”
Intusschen had de huisheer geen oog afgewend van den schoorsteen, waarop het geld lag, en de aantrekkingskracht van zijn hebzuchtige blikken was zòò groot, dat de geldstukken schenen te bewegen en naar hem toe te komen.
„Ik vind het zeer aangenaam, dat ik juist op een oogenblik kom, dat wij deze kleine zaak kunnen regelen, zonder dat het u derangeert,” zeide hij en bood de quitantie aan Marcel aan, die de attaque niet anders pareeren kon dan door uit te wijken en met zijn schuldeischer nogmaals de scène tusschen don Juan en Dimanche4 te spelen.
„U hebt, geloof ik, ook nog eigendommen in de provincie?” vroeg hij.
„O,” antwoordde de huisheer; „niet noemenswaard: een klein landhuis in Bourgondië, een boerderij, weinig zaaks ..... de pachters betalen niet ..... Deze kleine vereffening,” voegde hij eraan toe, terwijl hij nogmaals de quitantie aan Marcel trachtte te geven, „komt mij dan ook zeer van pas ..... Het is zestig francs, zooals u weet.”
„Zestig francs, precies!” zeide Marcel en nam van den schoorsteen drie goudstukken af. „Zestig francs, zeiden we,” en hij legde de drie louis op eenigen afstand van den huisheer op de tafel.
„Eindelijk!” mompelde deze; en zijn gelaat helderde op.
En op zijn beurt legde hij de quitantie op tafel.
Schaunard, Colline en Rodolphe volgden de ontwikkeling van het drama met gespannen aandacht.
„Maar lieve Hemel,” zeide Marcel; „daar u een Bourgondiër bent, zult u toch zeker niet weigeren een paar woordjes met een landgenoot te spreken.”
En hij trok een flesch ouden Mâcon open en schonk den huisheer een glas in.
„Heerlijk!” zeide deze; „ik heb nooit beteren gedronken.”
„Ach, een oom van me, die in die streken woont, stuurt me zoo nu en dan een mandje.”
De huisheer was opgestaan en strekte zijn hand naar het voor hem geplaatste geld uit, maar Marcel hield hem tegen.
„Ja, maar op één been kunt u niet loopen,” zeide hij en dwong zijn schuldeischer nogmaals met hem en de drie andere bohémiens te klinken.
De huisheer durfde niet weigeren. Hij dronk zijn glas leeg, zette het neer en wilde weer het geld nemen, toen Marcel uitriep:
„Maar daar valt me nog iets in, mijnheer. Ik ben op het oogenblik nogal ruim bij kas. Mijn oom uit Bourgondië heeft me een supplement op mijn jaargeld gezonden. Ik ben bang dat geld er door te lappen. U weet, niet waar, de jeugd haalt wel eens dolle streken uit .... Wanneer ik u er niet mede beleedig, zou ik graag een termijn vooruit betalen.”
En opnieuw nam hij zestig francs in zilver van den schoorsteen en legde die bij de louis op tafel.
„Ik zal u daar dadelijk een quitantie voor maken,” zeide de eigenaar; „ik heb blanco formulieren in mijn zak”—en hij haalde zijn portefeuille te voorschijn—„ik zal die invullen en antidateeren.”
„Een aardige huurder,” dacht hij bij zichzelf en wierp verliefde blikken naar de honderd-twintig francs.
Bij dit voorstel stonden de drie bohémiens, die toch al niets van Marcel’s diplomatie begrepen, gewoonweg „paf”,
„Maar de schoorsteen rookt,” begon nu de schilder, „dat is erg onaangenaam.”
„Maar waarom hebt u me dat niet eerder gezegd? Dan had ik den schoorsteenveger laten komen,” zeide de eigenaar, die voor den schilder niet onder wilde doen. „Morgen zal ik werklui sturen.”
En nadat hij de tweede quitantie ingevuld had, legde hij die bij de eerste, schoof ze toen beide naar Marcel toe en stak zijn hand weer naar het stapeltje geld uit.
„U kunt u niet voorstellen, hoe gelegen die som mij op het oogenblik komt,” zeide hij; „ik moet een paar rekeningen voor reparaties aan het huis betalen en ik was werkelijk om geld verlegen.”
„Het spijt mij, dat ik u wat heb moeten laten wachten!” viel Marcel hem in de rede.
„O, zoo erg is het niet ..... Heeren, ik heb de eer ....” En weer stak hij zijn hand uit.
„O, o, neem me niet kwalijk,” zeide Marcel vlug; „zoover zijn we nog niet. Wie a zegt,” en hij schonk opnieuw in, „moet ook b zeggen.”
„Dat is zoo,” zeide deze en ging uit beleefdheid weer zitten.
Ditmaal begrepen de bohémiens uit een blik, dien Marcel hun toewerp, wat zijn doel was.
Intusschen begon de huisheer al op een vreemde manier met zijn oogen te draaien. Hij balanceerde op zijn stoel heen en weer, begon dubbelzinnige taal uit te slaan en beloofde Marcel, die hem een paar reparaties vroeg, fabelachtige verfraaiingen.
„En nu de zware artillerie voor het front!” fluisterde de schilder Rodolphe in en wees op een flesch rhum.
Na het eerste glaasje zong de huisheer een schuin liedje, dat Schaunard deed blozen.
Na het tweede glaasje vertelde hij zijn huiselijke onaangenaamheden; en daar zijn vrouw Helena heette, vergeleek hij zich bij Menelaus.
Na het derde glaasje kreeg hij een philosophische vlaag en gaf de volgende aphorismen ten beste:
„Het leven is een stroom.”
„Geld maakt niet gelukkig.”
„De mensch is een ééndagsvlinder.”
„O, hoe lieflijk is de liefde!”
Dan maakte hij Schaunard tot zijn vertrouweling en vertelde hij hem van zijn heimelijke liaison met een jong meisje, Euphémie geheeten, aan wie hij een mahoniehouten ameublement gegeven had. Daarbij gaf hij zoo’n nauwkeurig portret van dit jonge meisje, dat Schaunard een vreemd vermoeden in zich voelde opkomen, dat onmiddellijk daarna een zekerheid werd, toen de huisheer hem een brief, dien hij uit zijn portefeuille haalde, liet zien.
„O, hemel!” riep Schaunard uit, toen hij de onderteekening zag; „hardvochtige, gij boort mij een dolk door het hart.”
„Wat heeft hij toch?” riepen de bohémiens, over die taal verwonderd, uit.
„Kijk maar,” zeide Schaunard; „deze brief is van Phémie. Dat is haar onderteekening.”
Schaunard liet den brief van zijn vroegere maîtresse circuleeren. Deze begon met de woorden:
„Mijn lief, dik beertje,”
„Dat lief, dik beertje ben ik,” zeide de huisheer, die vergeefsche pogingen deed om op te staan.
„Prachtig!” zeide Marcel, die dit zag, „hij heeft zijn anker uitgeworpen.”
„Phémie, hardvochtige Phémie!” zuchtte Schaunard; „wat heb je me aangedaan!”
„Ik heb voor haar in de rue Coquenard No. 12 een entresol laten meubileeren,” stamelde de huisheer; „het is er heel aardig, heel aardig ..... maar het heeft me een aardige duit gekost .... Doch de ware liefde ziet niet op geld ..... en bovendien heb ik twintigduizend francs rente ..... Zij vraagt mij geld ....” ging hij voort, terwijl hij den brief weer in zijn zak stak; „Arme kleine! ... Ik zal haar dit geld geven ..... dat zal haar plezier doen.”
En hij strekte weer zijn hand naar het geld uit.
„Wat is dat?” vroeg hij verbaasd, terwijl hij op de tafel rond tastte, „waar is het gebleven?”
Het geld was verdwenen.
„Een fatsoenlijk man mag zich onder geen voorwaarden tot zulk een misdadigen minnehandel leenen,” had Marcel gezegd. „Mijn geweten en de moraal verbieden mij de huur aan dezen wellustigen kerel in handen te geven. Ik zal mijn huur niet betalen. Maar mijn ziel zal tenminste geen wroeging hebben. Wat een zeden! Een man met zoo weinig haren op zijn hoofd!”
Intusschen was de huiseigenaar stomdronken geworden en sloeg met luide stem allerlei onzin tegen de flesschen uit.
Daar hij nu al twee uur weg was, stuurde zijn vrouw, die ongerust begon te worden, eindelijk het dienstmeisje naar boven; toen zij haar meester in zoo’n toestand zag, stiet zij een gil van schrik uit.
„Wat hebt u met hem uitgevoerd?” vroeg zij aan de bohémiens.
„Niets,” antwoordde Marcel; „hij is daarnet hierboven gekomen, om de huur te halen, en daar we geen geld hadden, hebben we hem uitstel gevraagd.”
„Maar hij is stom bezopen,” zeide het dienstmeisje.
„Dat was hij al grootendeels, toen hij hier kwam,” antwoordde Rodolphe; „hij vertelde ons, dat hij zijn wijnkelder opgeruimd had.”
„Hij was al zòò in den lorem,” voegde Colline eraan toe, „dat hij zijn quitanties zonder betaling hier wou laten.”
„Geef ze maar aan zijn vrouw,” zeide ten slotte de schilder, terwijl hij de quitanties aan het dienstmeisje overhandigde, „wij zijn eerlijke jongens en willen geen misbruik maken van zijn toestand.”
„Lieve God, wat zal mevrouw wel zeggen?” zuchtte het dienstmeisje, dat haar meester, die nauwelijks op zijn beenen staan kon, meetrok.
„Eindelijk!” riep Marcel verlicht uit.
„Hij zal morgen wel terugkomen,” zeide Rodolphe; „nu hij eenmaal geld gezien heeft.”
„Als hij terugkomt,” zeide de kunstenaar, „dan dreig ik hem zijn vrouw zijn liaison met de jonge Phémie te zullen vertellen, dan zal hij wel uitstel geven.”
Toen de huisheer weg was, begonnen de vier vrienden weer te drinken en te rooken. Marcel was niettegenstaande zijn roes de eenige, die nog eenig besef had van wat er om hem gebeurde. Bij het minste leven op de trap vloog hij op, om de deur open te maken. Maar degenen, die naar boven kwamen, bleven altijd op een lagere verdieping. Langzaam ging de schilder dan weer in het hoekje bij de haard zitten. Het sloeg middernacht, en nog was Musette er niet.
„Misschien was ze niet thuis, toen mijn brief kwam,” dacht hij. „Ze zal hem dan vanavond bij haar thuiskomst vinden en morgen komen. Morgen hebben we ook nog vuur. Want komen zal zij. Tot morgen dus.”
En in zijn hoekje sliep hij in.
Op hetzelfde oogenblik, dat Marcel van haar droomde, verliet Musette het huis van madame Sidonie, bij wie zij tot zoo lang gebleven was. Musette was niet alleen, een jong mensch was met haar; een rijtuig wachtte beneden voor de deur; zij stapten er samen in; het rijtuig reed in grooten vaart weg.
De partij lansquenet duurde bij madame Sidonie voort.
„Waar is Musette toch?” vroeg plotseling een der spelers.
„En de kleine Séraphin?” een tweede.
Madame Sidonie begon te lachen.
„Die zijn er samen stil vandoor gegaan,” zeide zij. „Een typische geschiedenis! Wat een zeldzaam exemplaar is die Musette toch! Stel je voor ....”
En zij begon te vertellen hoe Musette, na bijna ongenoegen met vicomte Maurice gekregen en zich op weg naar Marcel begeven te hebben, heel toevallig even bij haar opgeloopen was en hier den jongen Séraphin aangetroffen had.
„Ik had er dadelijk wel vermoeden op,” zeide Sidonie, zichzelf in de rede vallend; „ik heb ze den geheelen avond in het oog gehouden, en waarachtig de jonge man is zoo kwaad niet. Kort en goed, zij zijn, zonder een woord te zeggen, weggegaan, en een kraan, die ze vinden kan. Doch hoe het zij; het is eigenlijk te gek om los te loopen, wanneer je bedenkt, dat Musette dol op Marcel is.”
„Maar als ze dol is op Marcel, wat wil ze dan eigenlijk met den kleinen Séraphin, die nog bijna een kind is? Hij heeft nooit een maîtresse gehad,” merkte een der aanwezigen op.
„Zij wil hem leeren lezen,” antwoordde de journalist, die altijd heel „geestig” was, als hij verloren had.
„Dat is goed en wel,” meende Sidonie. „Waarom gaat ze met Séraphin, als ze van Marcel houdt? Dat gaat boven mijn petje.”
„Ja, waarom?”
Vijf dagen lang leidden de bohémiens, zonder hun kamer ook maar één oogenblik te verlaten, het vroolijkste leventje, dat men zich denken kan. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat zaten zij aan tafel. Een bewonderenswaardige wanorde heerschte in het vertrek, waarin een Pantagruelistische atmospheer hing. Op een bijna geheel uit oesterschalen bestaande bank lag een leger van de meest verschillende flesschen. De tafel was bedekt met allerlei etensrestjes, en in de haard brandde een formeel bosch.
Ook op den ochtend van den zesden dag maakte Colline als opper-ceremoniemeester het menu voor het dejeuner, het diner en het souper op, zooals hij dat iederen morgen deed, en onderwierp het dan aan de goedkeuring van zijn vrienden, die het als teeken van instemming met hun handteekening voorzagen.
Maar toen Colline de lade, die als schatkist dienst deed, opentrok, om het voor dien dag noodige geld te krijgen, deed hij verschrikt twee pas achteruit en werd bleek als de schim van Banquo.5
„Wat is er?” vroegen de anderen onverschillig.
„Wat er is? Ik heb nog maar dertig sous,” zeide de philosoof.
„Alle duivels!” riepen de anderen uit; „dat zal een heele verandering in het menu veroorzaken. Enfin, wanneer we die dertig sous goed gebruiken ..... Maar de truffels zullen er wel bij moeten inschieten.”
Eenige oogenblikken later was de tafel gedekt. Er stonden in volkomen symmetrie drie schotels op, n.l.:
Een schotel haring;
Een schotel aardappelen
Een schotel kaas.
In den schoorsteen brandden twee blokjes hout, zoo groot als een vuist.
Buiten viel nog steeds de sneeuw.
De vier bohémiens gingen aan tafel en legden hun servetten op hun knieën.
„Het is vreemd,” zeide Marcel; „maar die haring smaakt naar fazant.”
„Dat ligt aan de manier, waarop ik hem klaargemaakt heb,” antwoordde Colline; „tot nu toe is de haring miskend.”
Op dat oogenblik kwam een vroolijk gezang de trap op en klopte aan de deur. Marcel, die bij de eerste tonen al opgesprongen was, vloog naar de deur, om open te doen.
Musette sloeg haar armen om hem heen en zoende hem wel vijf minuten lang. Marcel voelde hoe zij in zijn armen beefde.
„Wat heb je?” vroeg hij haar.
„Ik heb het koud,” zeide zij en liep naar den schoorsteen.
„Hè,” zeide Marcel, „we hebben zoo’n lekker vuurtje gehad.”
„Ja,” zeide Musette met een blik op de overblijfselen van het vijfdaagsche feestmaal; „ik kom te laat.”
„Waarom?” vroeg Marcel.
„Waarom?” zeide Musette .... en kreeg een kleur. In plaats van antwoord te geven ging zij op Marcels knieën zitten; zij beefde nog steeds en haar handen waren blauw van de kou.
„Was je niet vrij?” vroeg Marcel haar fluisterend.
„Ik niet vrij!” riep Musette uit. „O Marcel, al zat ik midden tusschen de sterren of in het paradijs van den goeden God, en jij gaf me een teeken, ik zou naar beneden komen. Ik niet vrij!....”
En zij begon weer te rillen.
„Er zijn hier vijf stoelen,” zeide Rodolphe; „dat is een oneven getal, en bovendien heeft de vijfde een allerbelachelijksten vorm.”
En hij sloeg den stoel tegen den muur kapot en wierp de stukken in de haard. Het vuur flikkerde plotseling tot een heldere en vroolijke vlam op. Dan gaf hij Colline en Schaunard een wenk en ging met hen weg.
„Waar gaan jullie heen?” vroeg Marcel.
„Tabak halen!” antwoordden zij.
„Ja, in Havana!” voegde Schaunard er aan toe en gaf Marcel een teeken van verstandhouding, waarop deze met een dankbaren blik antwoordde,
„Waarom ben je niet eerder gekomen?” vroeg hij opnieuw aan Musette, toen zij alleen waren.
„Ja, het is zoo, ik ben wat laat ....”
„Vijf dagen om over den pont Neuf te komen. Heb je misschien een omweg over de Pyreneeën gemaakt?”
Musette sloeg haar oogen neer en bleef zwijgen.
„O jou slecht meisje!” zeide Marcel op droefgeestigen toon, terwijl hij zacht met zijn hand op den corsage van zijn vriendinnetje sloeg; „wat heb je daar toch onder zitten?”
„Dat weet je heel goed,” antwoordde zij snel.
„Maar wat heb je gedaan, nadat ik je geschreven heb?”
„Vraag het me niet!” smeekte zij en sloeg haar armen om hem heen; „vraag me niets. Laat ik me naast je warmen, zoo lang het koud is. Je ziet, ik had mijn mooiste japon aangetrokken, om naar je toe te gaan ..... Die arme Maurice kon zich maar niet begrijpen, dat ik naar je toe wilde .... maar ik kon mijn verlangen niet bedwingen .... ik ben op weg gegaan .... Lekker, dat vuur!” voegde zij eraan toe, terwijl zij haar handjes dichter bij de vlammen hield. „Ik blijf tot morgen bij je. Goed?”
„Het zal hier leelijk koud worden,” zeide Marcel, „en eten is er ook niet meer. Je bent te laat gekomen.”
„Och, wat!” antwoordde Musette; „dan lijkt het des te meer op vroeger!”
Rodolphe, Colline en Schaunard bleven vier-en-twintig uur uit, om hun tabak te halen. Toen zij weer terugkwamen, was Marcel alleen.
Vicomte Maurice zag Musette na een afwezigheid van zes dagen eerst terug.
Hij maakte haar geen enkel verwijt, vroeg alleen waarom zij zoo bedroefd was.
„Ik heb ruzie gehad met Marcel,” antwoordde zij; „we zijn kwaad van elkaar weggegaan!”
„En toch zal je misschien weer naar hem terugkeeren?”
„Wat zal ik je zeggen?” zeide Musette; „ik heb behoefte om van tijd tot tijd de lucht van dat leven in te ademen. Mijn dol bestaan gelijkt op een lied; ieder van mijn amourettes is een couplet ervan; maar Marcel is het refrein.”