§ 151. Zoo men de nederlandsche geslachtsnamen, en de vreemde geslachtsnamen in Nederland voorkomende, beschout volgens hunne aardrijkskundige verdeeling, en volgens hunnen oorsprong in aardrijkskundigen zin, dan levert die beschouing ook menige belangryke en merkweerdige byzonderheid op. Zy doet ons reeds aanstonds twee hoofdgroepen van namen, in aardrijkskundigen zin geordend, kennen. Te weten: de nederlandsche geslachtsnamen, die aan byzondere nederlandsche en nederduitsche gewesten eigen zijn, zoo wel binnen als buiten de staatkundige grenzen van Noord- en van Zuid-Nederland, als ook in vreemde landen. En dan de vreemde, de onnederlandsche namen, van verschillende volkeren afkomstig, uit verschillende vreemde talen oorspronkelik, die in de Nederlanden voorkomen. Elk van deze twee hoofdgroepen vervalt weer nader in onderdeelen.

Beschouen wy eerst de zuiver nederlandsche namen, die aan byzondere gedeelten van het geheele Nederland eigen zijn, dan doen zich, als eerste onderverdeeling daarvan, ten eersten voor:

A. De Noord- en de Zuid-Nederlandsche geslachtsnamen.

Oorspronkelik en von Haus aus, om met de Hoogduitschers te spreken, is er tusschen de geslachtsnamen van de noordelike en van de zuidelike nederlandsche gewesten, van Nederland en België zoogenoemd, geen byzonder onderscheid waar te nemen. En zulk een onderscheid bestaat er dan eigenlik ook niet, en kan er niet bestaan. Immers de schrijftaal is de zelfde in Vlaanderen en Holland, in Brabant en Gelderland, in Limburg en Zeeland. Daar zoo wel als hier gelden voor een en de zelfde taal ook geheel de zelfde taalwetten, die in den volksgeest zelven gegrondvest zijn, en waar schoolmeesters en taalleeraars niets aan veranderen kunnen—noch mogen, zoo zy althans hunne roeping wel begrypen. En die volkseigene taalregels, die de zelfden zijn noord en zuid van den Moerdijk, de zelfden aan Schelde en Rijn, aan Maas en IJssel, die zijn het juist, volgens welke de nederlandsche geslachtsnamen geformd zijn. De geslachtsnamen toch zijn rechtstreeks uit den mond van het eigenlike volk voortgekomen; zy danken hunnen oorsprong onmiddellik aan de spraakmakende gemeente.

Maar is er dan in hooftsaak geen onderscheid tusschen de geslachtsnamen van Noord- en die van Zuid-Nederland,—in byzaken is dit wel het geval. In de omstandigheid dat de Vlamingen, Brabanders en Limburgers in Zuid-Nederland, sedert de scheiding tusschen noord en zuid, die in de 16de eeu plaats greep, in vele gevallen eene andere spelling volgden voor ons aller gemeenschappelike taal, dan de Hollanders en Zeeuen, de Gelderschen en Friesen in de noordelike gewesten aannamen, vindt men voor een gedeelte de oorzaak van dat onderscheid. En voor een ander gedeelte is die oorzaak gelegen in eenige byzondere woorden die in ’t algemeen aan de verschillende zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn, maar in de noordelike streekspraken niet voorkomen. Als zulke byzonder-zuidnederlandsche woorden deel uitmaken van geslachtsnamen, geven zy aan die namen een eigen zuid-nederlandsch voorkomen, dat hen eenigszins onderscheidt van de noord-nederlandsche namen. Zie hier een paar voorbeelden. In De Brauwere, De Cueninck, Van Meirhaeghe, Dierckxsens, Van Suetendael, Den Haene, enz. erkent iedereen terstond byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen, omdat zy in hunne spelling de byzondere zuid-nederlandsche kenteekenen vertoonen, tegenover die zelfde namen in noord-nederlandsche spelling, en die dan ook in de noordelike gewesten inheemsch zijn. Te weten: De Brouwer, De Koning, Van Meerhagen, Dirksens, Van Zoetendaal en De Haan. Eveneens in Van den Driessche (en het versletene Van den Dries), Van de Cauter, Van den Bilcke, Van der Meersch, Schoesetters, De Naeyer, D’Huyvetter, enz. omdat deze namen samengesteld zijn uit woorden die slechts aan de zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn en die in de noord-nederlandsche door anderen vervangen worden, zoodat dan ook genoemde namen in de noordelike gewesten hunne tegenhangers vinden in Van den Akker, Van der Weide, Ter Marsch, Schoenmakers, Kleermaker of Snyder, De Looyer, enz.

Niet enkel wyken de zuid-nederlandsche namen in hun voorkomen van de noord-nederlandsche af door de beide bovenvermelde oorzaken—maar ook nog door de oude, ten deele zelfs zeer oude, geheel verouderde spelling die aan velen hunner eigen is. Die oude, veelal middeleeusche, of anders 16de eeusche spelwyze was eertijds even zeer gebruikelik in de noordelike als in de zuidelike Nederlanden. Dat evenwel zoo vele zuid-nederlandsche geslachtsnamen die oude spellingen vertoonen, terwijl men zoo zelden noord-nederlandsche namen in dat verouderde gewaad ontmoet, vindt zyne oorzaak in de omstandigheid dat de Vlamingen en Brabanders in de middeleeuen en in de eerste eeu van den nieuen tijd reeds vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Noord-Nederlanders zulke namen toen, in den regel, nog geenszins hadden. Die zuid-nederlandsche namen zijn ontstaan ten tyde dat die nu zoo geheel verouderde spellingen in zwang waren, en zy zijn sedert dien tijd steeds op die wyze geschreven geweest, en hebben die oude schrijfwyze behouden tot op den dag van heden, al veranderde van tijd tot tijd, van eeu tot eeu, de rechtschryving der nederlandsche taal ook nog zoo zeer. Die byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen leggen dus, door de oude spelwyze waar in zy geschreven worden, getuigenis af van den tijd van hun ontstaan, dus van hunnen ouderdom. In Noord-Nederland kwam het dragen van vaste geslachtsnamen eerst veel later algemeen in zwang. In de hollandsche steden begonnen eerst in de 15de en 16de eeu de aanzienlike burgers, later ook de geringeren, geslachtsnamen te voeren. Het gros der bevolking in Holland, vooral ook ten platten lande, kreeg eerst in de 18de eeu vaste geslachtsnamen, en in de overige noord-nederlandsche gewesten, vooral ook in de friesche gouen, duurde het tot het begin dezer eeu, eer iedereen eenen vasten geslachtsnaam had. Van daar, dat de noord-nederlandsche geslachtsnamen in den regel geschreven worden volgens de spelregels die in den nieueren, gedeeltelik in den laatsten tijd, in deze eeu, in zwang waren en zijn. Van daar dat woorden welke sedert de 16de eeu uit de nederlandsche taal verloren gingen, en woorden die dienen ter aanduiding van zaken en dingen welke in den nieueren tijd niet meer bestaan, of die thans andere namen dragen dan voorheen, in de noord-nederlandsche geslachtsnamen niet meer voorkomen, zoo als in de zuid-nederlandsche wel het geval is. En hier in is hooftsakelik de oorsprong te zoeken en te vinden van het onwezenlike onderscheid dat er bestaat tusschen de geslachtsnamen in de noordelike en in de zuidelike Nederlanden.

Eenige byzondere, oorbeeldige zuid-nederlandsche geslachtsnamen mogen hier nog eene plaats vinden. De nieuere formen, waaronder die zelfde namen in de noordelike gewesten voorkomen, heb ik er achter gevoegd: Van Eerdewegh en Van den Eertweg (Van den Aardweg), Vermeire (Vermeere, Vermeeren en Van der Meer), Keersmaekers,1 enz.

Zeer eigenaardige zuid-nederlandsche namen zijn ook Mispelters, Notelteirs, D’Haseleire, enz. En eveneens D’Haeiere en Coorevitse. Ter verklaring van den voorlaatsten geslachtsnaam wete men dat in vele vlaamsche, brabantsche en limburgsche gouspraken een werkwoord haaien (haeyen) voorkomt, in de beteekenis van halen, ophalen, iets te zamen brengen door het een of ander op te halen, huis aan huis, gelijk jonge lieden wel doen, die tegen Kerstmis, met St. Pieter en St. Maarten, met Driekoningen-dag, enz. al zingende goede gaven by de huizen inzamelen. Ook noemt men den bode van het gerecht die de zettingen int, inhaalt, ophaalt, inhaait, hier en daar in de zuidelike gewesten de haaier, in oude spelwyze d’haeyere.2 Dit is de oorsprong en de beteekenis van den naam D’Haeiere.

De wikken, verschillende soorten van planten uit het geslacht Ervum, en die wel, vooral Ervum tetraspermum, als onkruid op onze akkers voorkomen, dragen by het volk in de zuidelike gewesten, en ook wel hier daar in Noord-Nederland, den naam van vitsen, vitse—door de verwisseling van k en ts, die nog heden in de friesche taal veelvuldig voorkomt: kerk = tsjerke, karn = tsjerne, enz. De wikke of vitse, die vooral als onkruid in het koorn voorkomt, het bovengenoemde E. tetraspermum, noemt men dus de koornvitse of korenwikke. Dit woord, in het Luiker-Waalsch tot coirvèse verbasterd, is tot eenen vlaamschen geslachtsnaam, tot Coorevitse geworden.

Natuurliker wyze treft men de zuid-nederlandsche namen meest in de zuidelike gewesten, de noord-nederlandsche meest in het Noorden aan. En dit is niet slechts in het algemeen het geval, maar het komt zelfs ook zeer in het byzonder voor, veel meer dan men zoude meenen te moeten afleiden uit de, toch niet zóó zeldzame wisseling van bevolking tusschen het Noorden en het Zuiden. Oorbeeldige geslachtsnamen, duidelik de kenmerken van hunnen oorsprong in het Noorden of in het Zuiden vertoonende, treft men, over en weêr, buiten de gouen waar zy oorspronkelik inheemsch zijn, slechts zelden aan. De oorbeeldige vlaamsche geslachtsnamen op ynck, inckx, enz. eindigende (zie bl. 42 en 46) komen slechts uiterst weinig voor in de noordelike gewesten. Van de byzonder-friesche, op a eindigende geslachtsnamen die in de friesche gouen zoo algemeen, en in de andere, vooral hollandsche gewesten van het Noorden ook geenszins zeldzaam zijn, vond ik slechts Bockma en Dykstra te Brussel, slechts Sinia te Gent. De oorzaak van dit verschijnsel is hierin te zoeken, dat de wisseling van bevolking tusschen Noord- en Zuid-Nederland sedert de laatste helft der vorige eeu en sedert het begin dezer eeu heeft stilgestaan, of althans, vooral sedert de tweede scheiding tusschen Noord en Zuid, sedert den jare 1830, van zeer geringe beteekenis is geweest. Eerst in den allerjongsten tijd is er weêr verandering—verbetering—in deze zake te bespeuren. En het is vooral sedert de laatste honderd jaren dat de vaste geslachtsnamen, althans in het Noorden, ontstaan zijn. In de omstandigheid dat de Zuiderlingen eenige eeuen vroeger vaste geslachtsnamen voerden dan de Noorderlingen, is ook de oorzaak te vinden van het feit dat er altijd meer namen van zuideliken oorsprong te vinden zijn in de noordelike gewesten, als omgekeerd. De zestiende eeu hooftsakelik deed, wegens redenen van godsdienstigen en staatkundigen aard, vele Vlamingen en Brabanders zich in de noordelike gewesten, vooral in Holland en Zeeland vestigen. Ook omgekeerd bracht toen de zelfde oorzaak vele Noorderlingen met der woon naar het Zuiden. Die Vlamingen en Brabanders hadden nagenoeg allen toen reeds vaste geslachtsnamen. En zy behielden die ook, ten deele zelfs in hunne oude, weldra verouderde spelling, in hunne nieue woonsteden. Maar die Noorderlingen voerden voor het grootste gedeelte in die jaren nog geene vaste geslachtsnamen. En toen zy, of hunne nakomelingen, zich vaste geslachtsnamen uitkozen, waren dit meestal, op het voorbeeld der Vlamingen en Brabanders, onder wien zy zich gevestigd hadden, ook vlaamsche of brabantsche namen, althans in vlaamsche en brabantsche formen en spelwyzen, en daar mede ging het bewijs van hunnen noordeliken oorsprong verloren. Of ook wel, zoo deze Noord-Nederlanders by hunne verhuizing naar het Zuiden reeds geslachtsnamen voerden, dan lieten zy, in hunne nieue woonplaatsen, die namen, welke toch in den regel meer als toenamen, dan wel als vaste geslachtsnamen golden, wel vervallen, en namen nieue aan. Waren die oude namen friesche namen, dan was de onverstaanbaarheid daarvan voor Vlamingen en Brabanders misschien wel de reden, waarom men ze buiten gebruik stelde. Zoo lieten de leden van een friesch geslacht dat de patronymikale toenamen Joenkema en Jariga voerde, en die in het begin der 16de eeu te Mechelen zich met der woon vestigden, dáár in Brabant die aloude namen varen, en namen (althans een van hen, de beroemde kruidkundige Rembert) het verlatynschte patronymikon Dodonaeus (dat is Doedes) aan.3 Omgekeerd gebeurde het ook wel dat de nakomelingen van Zuid-Nederlanders die in de 16de eeu in Holland zich hadden neêrgezet, de oud-vlaamsche en oud-brabantsche spelwyzen, die zy by ’t schryven hunner namen, op het voetspoor hunner ouders hadden gevolgd, lieten varen, en eene nieuere, hollandsche spelling daar voor aannamen. Zoo komt b. v. de oud-brabantsche geslachtsnaam Van den Eertwegh heden ten dage te Haarlem voor als Van den Aardweg; de oud-vlaamsche naam Tydgaet eveneens te Haarlem als Tijdgaat. Verder De Rynck en Van der Ghote, ook van vlaamschen oorsprong, in Friesland als De Ring en Van der Goot, enz.

Haarlem en Leiden in de eerste plaats, waren de steden waar in de 16de en 17de eeu vele Zuid-Nederlanders, uit hun eigen land verdreven of gevlucht, zich met der woon vestigden. Daaronder waren vele wevers en andere nyveren, en dezen brachten door hunne kunstvlijt aan Haarlem en Leiden roem en voordeel, eere en rijkdom. Zoo is het te verklaren dat nog heden in genoemde steden eenige byzondere zuid-nederlandsche namen, behoorende aan de nakomelingen dier oude uitwykelingen, voorkomen; ten deele in vernieude, verhollandschte spelling. Behalven de reeds hier boven vermelde namen Tijdgaat en Van den Aardweg vinden wy als zoodanig te Haarlem: Smissaert (ook in Vlaanderen), Kokkelkoorn (in Vlaanderen Kokelkoorn), Strybos (ook te Antwerpen), Malefijt (als Malefeyt en Maelfeyt ook te Antwerpen en elders in Zuid-Nederland), Verkruysen (als Vercruysse in Vlaanderen niet zeldzaam), Wijkhuizen (in Vlaanderen Wyckhuyse), De Laat (in Vlaanderen De Laet), De Breuk (te Brugge De Breuck), Ego (ook te Kortrijk), Rybrouk (als Rybrouck, ook als Reybroeck en Van Reybrouck, in de zuidelike gewesten inheemsch); Lodder (te Haarlem) en De Loddere (te Kortrijk), Van der Elst (te Brussel zeer algemeen), Van der Smissen (ook te Brussel), Proot (te Haarlem, te Leiden en in Vlaanderen), Muylaert (in de zuidelike gewesten niet zeldzaam), Overbeek (Van Overbeke in Vlaanderen), De Hoog (D’Hooghe in Vlaanderen), Hazevoet (Haesevoet in Vlaanderen), Steenkist (Van de Steenkiste in Vlaanderen), enz. Buitendien nog in het Noorden De Ring, Van der Goot, Van der Plaats, Korthals, enz. tegenover De Rynck, Van der Ghote met het saamgetrokkene Vergote, Van der Plaetse en het saamgetrokkene Verplaetse en Corthals in het Zuiden. Velen van deze uit het Zuiden naar het Noorden verhuisde maagschappen behooren nog heden tot het Doopsgezinde kerkgenootschap, en maakten nog in de vorige eeu de byzondere, vooral in Holland en Friesland verspreide kerkgemeenten der zoogenoemde Vlaamsche Mennisten uit (Van der Smissen, Van Mesdag, Overbeek, Van der Goot, Van der Plaats, De Ring, enz.), ten bewyze dat hunne voorvaderen om hun Protestantsch geloof verdreven waren uit de zuidelike gewesten, waar zy van ouds gezeten waren en waar de Katholyk geblevene leden hunner maagschap nog heden gezeten zijn.

B. De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten.

§ 152. De geslachtsnamen die in de verschillende nederlandsche gewesten inheemsch zijn, vertoonen sommige eigene kenmerken en eigenaardigheden, waar door men hen, als zoodanig en voor ieder gewest afzonderlik, herkennen kan, en waar door zy zich onderscheiden van de geslachtsnamen aan andere gewesten eigen. Deze eigenaardigheden treden by de geslachtsnamen van het eene gewest sterker op den voorgrond, als by die van het andere. Sommige gewesten bieden zelfs in hunne geslachtsnamen niets eigenaardigs aan; of ook die eigene kenmerken, zoo zy bestaan, zijn eveneens in een aangrenzend gewest inheemsch. En dit is ook gemakkelik te verklaren. Immers vallen de staatkundige grenzen der nederlandsche gewesten lang niet overal samen met de grenzen van het gebied der verschillende volkstammen—Friesen, Saksen, Franken—die ons volk samenstellen. En dus ook evenmin met de grenzen van het gebied der verschillende gouspraken. En juist in die verschillende gouspraken is voor een groot gedeelte d’ oorzaak te vinden van het verschil dat de geslachtsnamen van het eene gewest opleveren met die van een ander.

Even als in zoo vele andere zaken uit het volksleven voortspruitende, is Friesland ook zeer byzonder wat de geslachtsnamen betreft, die er eigen zijn aan de ingezetenen. Die eigenaardige friesche geslachtsnamen, wier byzonderheid een gevolg is van de eigene taal der Friesen, zijn, althans in Noord-Nederland, bekend genoeg door hunnen uitgang op a, in verschillende formen: a, inga, ma, sma, stra, enz. Wat de oorsprong en de beteekenis van al die onderscheidene formen van friesche eigennamen aangaat—dit alles is reeds in dit werk uitvoerig behandeld (zie § 22–27, 29, 44–51, 71, 91, 93 en 101–104). Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Slechts dient hier nog vermeld te worden dat die friesche geslachtsnamen geenszins beperkt zijn tot het gewest Friesland in hedendaagsch-staatkundigen zin. Neen! die namen zijn ook evenzeer oorspronkelik eigen aan, en inheemsch by de friesche bevolking van Groningerland, om van Oost-Friesland niet te gewagen. Ook in de aan het hedendaagsche Friesland grenzende streken van Drente komen nog oorbeeldige friesche geslachtsnamen oorspronkelik voor. Toch zijn zy nergens zoo talrijk als juist in de oud-friesche gouen Oostergoo, Westergoo en de Zevenwolden, die gesamentlik het grootste deel formen van het hedendaagsche noord-nederlandsche gewest Friesland. Hier toch formen zy zekerlik meer als de helft van alle bestaande geslachtsnamen,—terwijl zy in de groninger Ommelanden te nauer nood een vierde gedeelte van het getal dier namen uitmaken.

Nevens deze byzonder-friesche geslachtsnamen, is aan de friesche gewesten ook nog byzonder eigen een groot aantal geslachtsnamen, die uit patronymika bestaan, op algemeen-nederlandsche wyze geformd uit byzonder-friesche mansvóórnamen. Deze namen gaan op s, sz, n, ns (es, esz, en, ens) uit, en zijn eveneens reeds in dit werk besproken, op bl. 91, 95, 102 en vervolgens. Sikkes, Doedes, Meinesz, Aten, Beenen, Fekken, Feyckens, Boelkens, Foppens, dit zijn allen algemeen-nederlandsche naamvalsformen van de byzonder-friesche mansvóórnamen Sikke (Sicco), Doede (Dodo), Meine, Ate, Been (Beernd? Bernard?), Fekke, Feike (Feico), Boelke (verkleinform van Boele), Foppe, enz. En zy mogen nog als voorbeelden gelden van deze groep van eigenaardig-friesche geslachtsnamen, die eveneens weêr over alle friesche gouen, ook buiten de grenzen van het hedendaagsche gewest, verspreid zijn.

Behalven al deze namen, komt er nog eene kleine groep van geslachtsnamen in Friesland voor, die eveneens in het byzonder aan dit gewest eigen is. Dat zijn die namen, welke geheel of ten deele uit woorden en formen van woorden bestaan, welke slechts in de friesche taal voorkomen, en aan de andere nederlandsche gouspraken vreemd zijn. Tot die namen behooren de volgenden: Soepboer, dat is te zeggen: karnemelk-boer; sûpe, men spreke soepe ongeveer, is het friesche woord voor karnemelk; de friesche stedelingen zeggen suup; zie bl. 302 en 422. Nyboer, de nieue boer, zie bl. 302. Nydam, de nieue dam, Nyhoff en andere namen met het friesche ny, nieu, samengesteld. Boerke, boertje, en andere namen die den frieschen verkleinform op ke vertoonen, als Beerske, baarsje, enz. Nylan en Oudeboon, zijnde de namen van de friesche dorpen Nyland en Oude-Boorn, geschreven volgens de eigene friesche uitspraak. Schroor, eigenlik in zuiver friesche spelling skroar, samen getrokken uit het oud-friesche skrodar, kleêrmaker; zie bl. 312. Liets, een in spelling verhollandschte form van het friesche woord lîts, dat is: klein. Feynt, het friesche woord voor jonge man (zie bl. 438), en Bouwfeint, de knecht van eenen bouboer, landbouer. De Wein, het friesche woord voor wagen (rytuich); Stykel, het friesche woord voor distel; Siepel, het friesche woord voor ajuin of ui—zie bl. 411; Schrier, in zuiver-friesche spelling eigenlik skrier, de friesche benaming voor den vogel tureluur; ook Stind, zie bl. 384. Gorter en Meelker, de friesche benamingen voor den grutter en den meelkoopman. De laatste naam is half verhollandscht; de oorspronkelike, zuiver-friesche form is moolker. Schoegje, eigenlik skoegje, skoechje, beteekent schoentje, in de friesche taal; zie bl. 427. Schriemer, eigenlik skriemer, dat is te zeggen: iemand die weent, schreit of huilt, in het Friesch skriemt. Deze friesche geslachtsnaam heeft zyne weêrga in den geslachtsnaam Schreyer, dien ik te Antwerpen aantrof. En misschien ook in Weener, ofschoon deze geslachtsnaam oorspronkelik ook zoowel iemand kan beteekenen die uit de oostenrijksche hoofdstad afkomstig is, als ook eigenlik de naam kan wezen van het oostfriesche vlek Weener—zie bl. 212. Bargeboer, dat is: varkensboer; zie bl. 132. Tosch, eigenlik Tosk, is het friesche woord voor tand, en deze naam is zeker oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand met groote of anderszins byzondere, in ’t oog vallende tanden; zie bl. 417. Verder nog Byker, iemand die byen houdt—zie bl. 186 op den naam Bykersma; Kooiker en Kooyker, de eigenaar of houder van eene eendekooi. Dan ook Pypker, Tjoelker, Duinker en Duintjer, Blesker en Bilkert (zie bl. 204 en 201), allen namen, die, in byzonder-frieschen form, den oorsprong aanduiden of de afkomst van eenen man uit de eene of andere plaats. Zoo is een pypker of pîpker iemand die aan eene pîp (pijp), in Friesland eene gemetselde steenen boogbrug beteekenende, woont. Een Tjoelker is iemand, afkomstig van, of t’huis behoorende in het gehucht De Tjoele, dat by den dorpe Augustinusga ligt, in Friesland. Een Blesker is een man uit het gehucht De Blesse, op de grenzen van Friesland en Overijssel, tusschen de dorpen Peperga en Oldemark gelegen. Maagschapsnamen als Hoogterp, Kleiterp, Westerterp, Luitsmaterp, Hooghiemster (zie bl. 273), Hoogstins en Burenstins, Rollingswier en Noordewier zijn eveneens eigenaardig-friesche namen. De geslachtsnamen Oudeboon, Boonstra en Boonemmer, allen aan friesche geslachten eigen, dragen het kenmerk van hunnen frieschen oorsprong in de misspelling die zy vertoonen. Want uit alle drie deze namen is eene r gesleten, overeenkomstig de gewone friesche uitspraak. De naam Oudeboon is op de vorige bladzyde reeds verklaard. Boonstra staat in de plaats van Boornstra of Van Boorn; zie bl. 245. En Boonemmer is oorspronkelik Boornemmer of Bornemmer, de emmer waar mede men naar de boorn, born of bron, naar de bornput of welput gaat om water te halen ten einde het vee te drenken. Vee-drenken heet in het Friesch dan ook borne, boarne, en bornamers (boornemmers) zijn by alle friesche boeren te vinden.—Het stadje Ylst wordt door de Friesen steeds genoemd met het lidwoord er voor, en dan in den derden naamval, als Der Ylst, by samentrekking Drîlst of Drylst (ik gean nei Drîlst), in misspelling Drielst. Van daar de maagschapsnaam Van Drielst, even als Drielsma.

§ 153. De geslachtsnamen die byzonder eigen zijn aan Groningerland, aan de (friesche) Ommelanden van (de stad) Groningen, welk gewest van ouds en van rechts wegen den naam draagt van Friesland tusschen Lauers en Eems, vertoonen over ’t algemeen den frieschen eigenaard. Grootendeels zijn zy ten nausten verwant, wat oorsprong zoo wel als form aangaat, aan de eigenaardige geslachtsnamen die in de beide aangrenzende friesche gewesten (nederlandsch Friesland of West-Friesland en duitsch Friesland of Oost-Friesland) inheemsch zijn. Ja, ten deele zijn het de zelfde namen. De byzonder-friesche geslachtsnamen die op a eindigen, formen ook een goed deel van die groningerlandsche namen welke het meest in ’t oog vallen. Byzonder eigen aan de groningsche gouen zijn die friesche geslachtsnamen welke op sema (in enkele namen verkeerdelik als zema geschreven) uitgaan; b. v. Geertsema, Ilpsema, Roelfzema, enz. In § 49 zijn deze namen afsonderlik behandeld. De namen die op stra eindigen, komen in Groningerland betrekkelik slechts zeldzaam voor, en dan nog het meest in het zoogenoemde Westerkwartier, in de gouen die aan het westerlauersche Friesland grenzen.

Van die byzonder-friesche geslachtsnamen, welke bestaan uit de patronymika, op algemeen-nederlandsche wyze geformd, van byzonder-friesche mansvóórnamen, komen er ook een groot aantal in Groningerland voor. Velen van deze groningsche namen op s, en, ens eindigende, zijn de zelfden als in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch zijn, en in Friesland beoosten Eems. Anderen zijn in het byzonder aan de groningsche gouen eigen, omdat de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, al zijn het allen zuiver-friesche en dus even zeer echte algemeen-germaansche namen, toch meer by de groningsche bevolking in gebruik zijn als by de friesche bevolking west van de Lauers. Buitendien komen de vadersnamen op n (en) en ns (ens) eindigende, meer in Groningerland (en Oost-Friesland) voor, dus meer in de oud-friesche landen die thans eene gemengde, eene friso-saksische bevolking hebben, dan bewesten Lauers, onder de zuiver-friesche bevolking die tusschen Fli en Lauers gezeten is. Daarentegen is de form op enkele s (es) maar eigen aan het laatstgenoemde gewest. Toch komen over en weêr op deze regels vele uitzonderingen voor.

Onder de groningerlandsche ingezetenen zijn eenige mansvóórnamen in zwang, die, ja, wel by alle friesche volksstammen eveneens in gebruik zijn, maar dan toch in het westerlauersche Friesland veel zeldzamer voorkomen. Het zijn byna uitsluitend groningerlandsch-friesche vóórnamen, of algemeen-friesche vóórnamen in bepaald groningerlandsche formen, en de patronymika op s, n, en ns, van deze vóórnamen afgeleid, zijn dus ook, als geslachtsnamen, bepaaldelik aan Groningerland eigen. Reeds op bl. 102 en 107 zijn eenigen van deze soort van geslachtsnamen vermeld en verklaard geworden. Eenige anderen, die hooftsakelik aan de groningsche Ommelanden eigen zijn—al komen ze dan in de andere friesche gouen, vooral ook in de oostfriesche, ook wel voor—en die aan de groningsche geslachtsnamen in ’t algemeen eenen byzonderen stempel verleenen, zijn nog: Benes, Brongers (zie bl. 118 en 128), Brons en Bronts (zie bl. 51),4 enz. Dan, op n eindigende (zie bl. 99): Fekken, Heiken (zie bl. 107), Holken en Hölken,5 enz. En eindelik, op ns uitgaande—en dezen vooral zijn kenmerkend groningerlandsche namen: Addens, Alkens, Deddens,6 enz. Al deze namen zijn eenvoudig vadersnamen van friesche, en wel meest van groningerlandsch-friesche mansvóórnamen. Zy allen kunnen hier niet nader verklaard en besproken worden; slechts drie van elke groep wil ik daartoe nemen.

Hemme, Hemmo is de oud-friesche mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam Hemmes ten grondslag ligt. Reeds onder de oud-germaansche namen by Förstemann vermeld, is Hemmo nog heden in de friesche gouen geenszins zeldzaam als mansvóórnaam in gebruik. Deze naam heeft dan ook, behalven aan Hemmes, nog oorsprong gegeven aan de friesche en saksische geslachtsnamen Hemminga, Hemminge (in Drente, zie bl. 34); aan het versletene Hemmie (zie bl. 72) in Butjadingerland; aan Hemmingson in Engelland; aan het uitgestorvene Hemmema en aan Hemmen. Verder aan de plaatsnamen der verschillende Hemminga- en Hemmema-staten in Friesland; aan Hemmen, een gehucht by Haren in Groningerland; aan Hemmingen, een dorp in Elsasz-Lotharingen; aan Hemmingen en Hemmendorf, beide by de stad Hanover gelegen; aan Hemmingstedt, een dorp in Dithmarschen, enz.—Tjapkes beteekent: (zoon) van Tjapke of Tjapco, beter Tjabbeke, Tjabco, omdat deze naam een verkleinform is van den oud-frieschen mansvóórnaam Tjabbe (Thiabbo) of Tjebbe, die nog in alle friesche gouen in gebruik is. Onder laatstgenoemden form, en als Tjepke, Tjepco (Tjebbeke), meest in het westerlauersche Friesland. Andere geslachtsnamen, van dezen zelfden oud-frieschen naamstam ontleend, zijn nog Tjabben en Tjabbens—beiden ook in Groningerland inheemsch; † Thiabbana, Tjebbes en Tjebbens, Tjebken en Tjebkes, Tjepkema, Tjeppema en Tjepma, misschien ook Tjibbes, enz.

Uunkes is, even als Uniken, een patronymikon van den byzonder-groningschen mansvóórnaam Uunke, Uneke, Unico, een verkleinform van Uno of Oene, onder welken laatsten form deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is. Vele andere geslachtsnamen zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansnaam afgeleid; b. v. het volle (uitgestorvene) patronymikon Uninga, met de versletene, nog levende formen Unia in Friesland (zie § 29), Uninge in Drente (zie bl. 34); verder Unink, Unema, Unkes, Uncken, Unken, Uhnken, Oenema, Oenen, Oenes, enz.

In Holken en Hölken, zoo mede in de verwante geslachtsnamen Holkema en Van Holkema, Holkes en Holkens vinden wy den mansvóórnaam Holke (Holco), in Friesland in gebruik en die een verkleinform is van den frieschen, nog heden eveneens geenszins zeldzamen naam Holle. Laatstgenoemde naamstam gaf weer aan de geslachtsnamen Hollinga en Van Hollinga, Hollenga, Hollema en Holma, Holling en Hollen oorsprong, even als aan vele plaatsnamen in alle friesche gouen. Luxen is afkomstig van Luuks, een groningsche form van den bybelschen naam Lucas; zie bl. 180. In Toppen, even als in de geslachtsnamen Toppinga en Topma schuilt de friesche mansvóórnaam Toppe, die heden ten dage uitgestorven schijnt, maar die, in den verkleinform Topke, in de naamlijst van Brons nog vermeld wordt.

Adde, Addo is de friesche, in Friesland nog in volle gebruik zijnde, ook algemeen oud-germaansche, by Förstemann vermelde mansvóórnaam, die even als aan den geslachtsnaam Addens, zoo ook aan Addinga, Addingh, Addink, Addinck, Addings, Addes, Adden oorsprong gaf. Tevens aan den oostfrieschen geslachtsnaam Addena (zie bl. 124) en aan de engelsche maagschapsnamen Addington en Addisson. Daarenboven aan zeer vele plaatsnamen in allerlei germaansche landen.

In Dekens zit verscholen de oud-friesche, thans weinig meer gebruikelike mansvóórnaam Deke, die eene samentrekking is van Dedeke, Dedico, en deze naamsform is weêr eene kleengedaante (diminutivum) van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Dede, Dedo, die ook in vele byformen voorkomt, en door Förstemann vermeld wordt. Aan zeer vele geslachtsnamen gaven Dede, Dedde, Deke, Dekke, enz. oorsprong. Wy noemen hier slechts het uitgestorvene Dekama, en het nog levende Dekema met Dekena en Deekena, Dekinga en Dekenga, Dekens en Deekens, Deeken, Deking en Deeking, Dekkinga en Dekking, enz.—Wibbe eindelik, waarvan de geslachtsnaam Wibbens een patronymikon is, leeft als mansvóórnaam (en als vrouenaam Wibbechien, Wibke, Wibbeke, Wipke) nog in Groningerland, en is een byform van Wibe, Wibo, Wybe, Wiebe, Wypke, Wypkje onder welke formen deze zelfde naam in het westerlauersche Friesland inheemsch is; zie bl. 178.

By sommige friesche geslachtsnamen duidt de uitgang ker een oorsprong of afkomst aan van zekeren persoon uit de eene of andere plaats of uit de eene of andere landstreek. Zie bl. 481. Zulke namen komen in Groningerland talryker voor als in het westerlauersche Friesland, en geven een eigen karakter aan de groningerlandsche namen. Eene landstreek wordt dikwijls genoemd naar den aard van haren bodem—de klei b. v. in Friesland, het veen, het duin, enz.—en zoo vinden wy deze byzondere landschapsnamen terug in de geslachtsnamen: Leemker, Veenker, Bosker, welke laatste naam ook als Bosscher en Busscher in Groningerland voorkomt. Zylker, van het friesche woord sîl, verhollandscht tot zijl (sluis), en Boomker behooren al mede tot deze groep van namen, zoo mede Rasker. Den laatsten naam kan ik echter niet verklaren. De k en de tj zijn in de friesche tongvallen wisselletters (kerk, friesch tjerke; karn, friesch tjerne, enz.). Zoo komt ook de k van ker wel als tj voor in deze byzonder-groningsche geslachtsnamen. Van daar de maagschapsnaam Woltjer, in het westerlauersche friesch waldjer, woud- of boschbewoner. Dat deze uitgangen ker en tjer in der daad oorspronkelik een en den zelfden form uitmaken, blijkt uit de geslachtsnamen Tuinker en Tuintjer, Veenker en Veentjer, Duinker en Duintjer. De laatstgenoemde naam, in zynen dubbelen form, komt oostwaarts van de Eems ook als Düntjer en Dünker voor, en is, van de Helder tot Bremen, over alle friesche eilanden, en alle friesche gouen aan de zeekust verspreid. Daar is hy eigen aan verschillende maagschappen die zekerlik allen oorspronkelik in het duin haren zetel hadden.

Ook sommige beroepsnamen gaan in de friso-saksische gouspraken van Groningerland eveneens op deze lettergreep ker, tjer (jer) uit. Zulke woorden komen ook als geslachtsnamen voor, en dezen zijn eveneens kenmerkend voor onze noordelike, vooral noordoostelike gewesten. Als voorbeelden noemen wy de geslachtsnamen Moesker, kweeker van keukengroenten; Zaatjer, zaadkoopman; Kooltjer, kweeker van koolsoorten; Muirker, van het woord muur, in oud-groningerlandsche spelling muir (zie bl. 489), dus muurmaker of metselaar; Hoetjer hoedemaker; Glaasker en Glasker, glazemaker; Potjer en Panjer, iemand die potten en pannen van eerdewerk maakt; Korfker, in Holland mandemaker genoemd, Snitjer en Snitker, een houtsnyder; deze naam komt in Oost-Friesland ook als Snitger voor, en verder op in Duitschland als Schnittger. Verder Kofker (kofschipper), en eindelik nog Bontjer (in de aangrenzende streken van Munsterland zegt men ook Buntker), een koopman die katoenen kleedingstoffen (bontgoed zoogenoemd) verkoopt. Meelker (meelkoopman—in het Friesch moolker genoemd), en Imker, zoo als men (ook ymker) in onze friesche en saksische gewesten den byenhouder noemt, van ’t oud-friesche woord ima, by.

Een byzonder groot aantal geslachtsnamen die op huis uitgaan, is ook zeer kenmerkend voor Groningerland. Het zijn overigens op zich zelven weinig byzondere namen. Hun form is algemeen-nederlandsch, maar juist hun aantal over eene betrekkelik kleine uitgestrektheid verspreid, maakt hen opmerkelik. Oorspronkelik zijn het allen ware huisnamen geweest, aan huizen, niet aan personen eigen. Maar zy zijn overgegaan op de bewoners der aldus genoemde huizen. Zie hier eenigen van die namen, die geenen naderen uitleg vereischen: Beekhuis, Berghuis, Bolhuis,7 enz.

Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld worden, die een byzonder groningsch voorkomen hebben, en ook enkel aan Groningerlanders eigen zijn. Wiersum en Hoeksum met Hoexum zijn geslachtsnamen die volkomen het voorkomen hebben van friesche plaatsnamen, en dit oorspronkelik ongetwyfeld ook wel zullen zijn, al is het dat my die plaatsnamen in geen enkele friesche gou zijn voorgekomen, noch ook in de aardrijkskundige woordeboeken vermeld worden. Volgens overlevering echter zijn het afslytingen, by verlies van de slot-a, van de groningsch-friesche geslachtsnamen Wiersema en Hoeksema, die in het westerlauersche Friesland als Wiersma en Hoeksma voorkomen, en (zoon) van Wier (Wierd, Wiard), en (zoon) van Hoeke beteekenen. Immers dat wy in de geslachtsnamen Hoeksema en Hoeksma geenszins met het nederlandsche woord hoek te doen hebben (dat wel aan den geslachtsnaam Hoekstra [zie bl. 273] ten grondslag ligt) maar wel met eenen ouden mansvóórnaam, blijkt ook uit de geslachtsnamen Hoekinga en Hoekenga met Hoekema, en de plaatsnamen Hoekaart (Hoekawerd), een gehucht by Arum in Wonseradeel, en Hoekens, een gehucht by Oosterend in Hennaarderadeel, beide in Friesland. Die geslachtsnamen zijn allen vadersnamen van den frieschen mansvóórnaam Hoeke, die wel weinig in gebruik is, maar die toch ook in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz vermeld wordt, en die waarschijnlik een byform is van den mansvóórnaam Houke, die, ook als vrouenaam Houkje, nog heden onder de Friesen in volle gebruik is, en aan de geslachtsnamen Houkema en Houkes oorsprong gaf.

Verder Hoogheem (in Friesland Hooghiemstra en Hooghiemster, zie bl. 481 en 273); Woltil, dat is wold-til, in het groningerlandsch-friesche taaleigen bosch-brug beduidende; Hamster, iemand van het dorp De Ham, in het Westerkwartier van Groningerland, afkomstig; Tilbusscher (zie Busscher, Bosker op bl. 486); Visker, de friesche uitspraak van het woord visscher. Zoo ook Boneschansker, iemand te huis behoorende in de Boneschans, dat is een gehucht by de Nieue-Schans, op de groningsch-oostfriesche grenzen. Verder Uuldershof en Aldershoff (Uulder, Uuldrik, Ulrik en Alder, Aldert zijn twee groningsch-friesche mansvóórnamen, waar van ook de groningsche geslachtsnamen Uuldersma, Uildersma (en Ullersma?), met Aldringa, Van Aldringa, Aldertsma, Alders, enz. zijn afgeleid; zie ook bl. 101. Vervolgens Moltmaker; molt is de friso-saksische form van het hollandsche woord mout, hoogduitsch Malz; zie bl. 184. Kluun, eene byzondere soort van bier (zie bl. 424); Buurke en Schuurke; Koiter en Stoit, in andere gewesten Kuiter en Stuit. Stuit, stuut, stüte, stûte of stoete, stoet is de naam van zekere soort van brood, vooral in de saksische gouen, in ’t algemeen in de noordelike gewesten, maar evenzeer in het gedeeltelik saksische West-Vlaanderen bekend. De geslachtsnamen Stuit in Friesland, Stuut in Drente, en Stoete, elders voorkomende, zijn met het groningsche Stoit aan den naam van dit brood ontleend. Byzonder eigen aan Groningerland zijn ook eenige geslachtsnamen waar in de u door i verlengd is, en niet door u, zoo als gewoonlik. Als voorbeelden van zulke namen kunnen dienen: Schuiringa, Buirma, Van Buiren, Muirker.

§ 154. De geslachtsnamen van Drente sluiten zich grootendeels ten nausten aan by die van Friesland en Groningerland, of zijn daarmede geheel de zelfden. Toch heeft ook Drente een paar groepen van byzondere geslachtsnamen, die aan dit gewest eigen zijn en kenmerkend. Het zijn de vadersnamen op inge, en eenige versletene patronymika in byzonderen form (Haange, Luinge, Steenge, enz.) die in § 13 en § 28 reeds uitvoerig besproken zijn.

De geslachtsnamen van Overijssel in ’t algemeen, maar in het byzonder die van Twente, worden door twee groote groepen van namen byzonder gekenmerkt. Te weten door de namen die het verbogene en met het lidwoord samengesmoltene voorvoechsel ten, ter en te voor zich hebben, en door de saksische vadersnamen die op ink eindigen. Die namen, vooral ook d’ eerstgenoemden, ontbreken wel geenszins in andere nederlandsche gewesten. Maar zy komen toch nergens zóó menigvuldig voor als juist in Overijssel in ’t algemeen en in Twente in het byzonder. En wat van Twente geldt is eveneens ten vollen van toepassing op de geslachtsnamen die in het aangrenzende deel van Gelderland, in de zoogenoemde graafschap Zutfen sterk op den voorgrond treden. Vooral de ink-namen, zoo talrijk in deze gouen voorkomende, zijn zeer kenmerkend. In § 98 en § 15 en 16 zijn die namen met ten, ter en te beginnende, en die op ink eindigende, reeds nader besproken en verklaard. Eenigen van die byzondere, en daar by meest verspreide overijsselsch- en geldersch-saksische geslachtsnamen mogen hier nog worden vermeld: Ten Kate en Ten Cate, Ten Bruggencate, Ten Raa8; Addink, Hiddink, Hissink.9

Eene kleine groep van maagschapsnamen is ook nog aan Overijssel byzonder eigen. Het zijn namen die met het woord belt zijn samengesteld. Dit woord heeft in de saksische gouen de beteekenis van eene opgeworpene hoogte, van eenen kleinen, kunstmatigen heuvel. In algemeen Nederlandsch komt dit woord voor als aschbelt, vuilnisbelt, en is als zoodanig vooral in de hollandsche steden gebruikelik. Met de woorden en namen bol, bult (ook als plaatsnamen voorkomende, zie bl. 125), De Bilt en Het Bilt in Utrecht en Friesland, hangt dit woord belt samen. Het komt voor in de overijsselsche geslachtsnamen van den Belt en Beltman, Kieftenbelt en Kyftenbelt, Knottenbelt, Meulenbelt, Vossebelt en Zunnebelt. Vooral Kieftenbelt, Meulenbelt en Zunnebelt zijn oorbeeldig-overijsselsche geslachtsnamen; kieft, meulen en zunne zijn woorden uit de overijsselsche gouspraak voor kievit, molen en zon. De naam Vossebelt komt ook als plaatsnaam voor, by Dalen in het zuiver-saksische gedeelte van Drente.

Aan de Veluwe, de Betuwe en het overige gedeelte van Gelderland (behalven de Graafschap van Zutfen), even als aan het geheele Sticht van Utrecht zijn, voor zoo verre my bekend is, geen byzondere groepen van geslachtsnamen eigen. En in hooftsaak is dit ook het geval met de maagschapsnamen van Holland, zoowel Noord als Zuid. Van de namen dezer gewesten kan anders niet worden gezeid dan dat zy de algemeen-nederlandsche kenteekenen vertoonen. Ook komen door de groote toeloop van volk uit d’andere gewesten van Nederland, naar Holland, de oorbeeldige geslachtsnamen uit die andere gouen, allen ook in grooter of kleiner aantal in Holland en Utrecht voor. Vooral in de groote hollandsche steden, die eene zeer gemengde bevolking hebben, is dit het geval. Tevens komen daar ook zeer veel namen van buitenlandschen oorsprong voor.

Toch heeft het platte land van noordelik Noord-Holland zoo wel als dat van zuidelik Zuid-Holland iets eigenaardigs in de geslachtsnamen die er inheemsch zijn. Zoo komen in noordelik Noord-Holland vele namen voor die, op d’eene of andere wyze, friesche kenmerken vertoonen. Uit d’omstandigheid dat noordelik Noord-Holland eigenlik West-Friesland is of het westelikste der oudfriesche gouen, dat de voorouders der hedendaagsche landzaten aldaar, in de middeleeuen de friesche taal spraken, dat hun hedendaagsche hollandsche tongval nog de duidelikste sporen der friesche taal vertoont, daaruit is dit friesche voorkomen der geslachtsnamen in deze landstreek gemakkelik te verklaren. Eigenlik gezegde friesche geslachtsnamen, zulken namelik die op a uitgaan, komen in noordelik Noord-Holland ook geenszins zeldzaam voor (Braaksma, Jelgersma, Jorritsma, Hoekstra, Rygersma, Eikema, Schoninga, Scheringa), en meer dan in eenige andere landstreek van Holland. Maar ik geloof toch niet dat deze namen aldaar oorspronkelik inheemsch zijn. De voorouders van de hedendaagsche dragers dier namen zijn veel meer uit het naburige Friesland beoosten Fli afkomstig. Maar vadersnamen in nieueren form op s eindigende, en van bepaald friesche, in het overige Holland geenszins gebruikelike mansvóórnamen afgeleid, als Igesz, Douwes, Tates, Stammes, Sieuwerts en Sievertsz, geven aan de noord-hollandsche geslachtsnamen een eigenaardig voorkomen. Daar by moet nog vermeld worden dat er in Noord-Holland, en wel bepaaldelik in het eigenlike Noord-Holland benoorden Y, aan de Zaan zoo wel als in het Waterland, Drechterland en West-Friesland, zoo vele geslachtsnamen voorkomen, die dit eigenaardige vertoonen dat zy zeer kort, eenlettergrepig zijn, en veelal slechts uit drie of vier letters samengesteld. Deze korte namen drukken in der daad eenen byzonderen stempel op de geslachtsnamen van dit gewest. Zie hier eenigen uit dat groote getal namen, als voor de hand opgenomen: Nan, Rem, Kos,10 enz. Meestal zijn deze namen te verklaren als zeer versletene formen van oud-friesche mansvóórnamen, die in ’t eigenlike Friesland nog in vollere formen voorkomen, en nog in dageliksch gebruik zijn. En dat deze verklaring in der daad de ware is, blijkt hieruit, dat die weinige oud-friesche vóórnamen welke nog in Noord-Holland, vooral onder de boerestand, als zoodanig in gebruik zijn, daar werkelik ook in zulke uiterst verkorte formen voorkomen. De voorliefde der Noord-Hollanders voor sterk ingekorte, eenlettergrepige voornamen (Wim, Kas, Jan, Klaas, Hein, voor Willem, Kasper, Johannes, enz.) hebben zy gemeen met hunne oude buren, de zoogenoemde Zuidhoeksch-Friesen, de Hindeloopers vooral en de Molkwerumers. De noord-hollandsche geslachtsnamen Nan, Rem, Bon, Top (zie bl. 485), enz. stemmen volkomen overeen met de friesche mansvóórnamen Nanne, Remme (Remmert), Bonne, enz. die allen nog tusschen Fli en Lauers in volle gebruik zijn. Het zijn allen oorspronkelik oud-germaansche namen, en allen hebben ook aan vele andere geslachtsnamen, meest friesche patronymika, oorsprong gegeven. Nemen wy slechts drie dezer namen, Nanne, Remme en Bonne, allen zeer gemeen als mansvóórnamen in Friesland, zoo vinden wy daar van, behalven de genoemde ingekorte geslachtsnamen in Noord-Holland, nog: Nanninga en Nannenga, Nannes en Nannen, Nanning en Nannings, in verkleinformen Nankes en Nantjes, ook Nennen en Nentjes (op ’t eiland Urk), dat slechts dialectische afwykingen zijn. Verder Remminga, Remmen en Rems, met Remmington in Engelland, en nog Remkema van den verkleinform Remke. Eindelik Bonninga en Bonnenga (zie bl. 74), Bonning in Engelland en Bonnink in de saksische gouen van ons land, Bonnema, Bonsma en Bonsema (zie bl. 134), Bonnen, Bons en Bonzen, misschien ook Bonny (zie bl. 74), Bontjema, Bontjes en Bontkes van de verkleinformen, enz. Buitendien zeer vele plaatsnamen in alle germaansche landen.

Onze grootste taalgeleerde heeft ook reeds gewezen op die aan Noord-Holland byzonder-eigene eenlettergrepige geslachtsnamen.11

Een byzonder-noordhollandsche maagschapsnaam is Luttik, de weêrga van den byzonder-frieschen geslachtsnaam Liets. Zie bl. 480. Even als Liets, zoo beteekent ook Luttik klein. Het is het zelfde oude woord dat meestal in den form Lutke of Lutje nog deel uitmaakt van menigen plaatsnaam in de friesche gewesten. Bepaaldelik in Noord-Holland treffen wy dit woord aan in de plaatsnamen Lutje-Broek, Lutje-Schardam, Lutje-Winkel, en zelfs in den byzonderen form luttik in den plaatsnaam Luttik-Ouddorp, den Alkmaarders wel bekend.

Onder de geslachtsnamen van zuidelik Zuid-Holland (van de overmaassche waarden en eilanden) treden velen op den voorgrond, die frankische formen vertoonen, formen die hooftsakelik aan de zuid-nederlandsche gewesten eigen zijn, ook aan Zeeland. Uit de nabuurschap met Zeeland en Noord-Brabant is het voorkomen dezer namen, die een byzonder kenmerk verleenen aan de namen dezer landstreek, licht te verklaren. Geslachtsnamen met het frankische lidwoord den voor zich, die in ’t overige Holland en in de noordelike en oostelike Nederlanden ontbreken, zijn in zuidelik Zuid-Holland niet zeldzaam: b. v. Den Boer, Den Haan, Den Besten, Den Breems, enz.

§ 155. Kenmerkend voor Zeeland zijn de patronymikale geslachtsnamen die op se eindigen, en waaronder er velen zijn die van ouderwetsche en vreemde, in de overige Nederlanden weinig of geheel niet gebruikelike mansvóórnamen afgeleid zijn. Beide deze byzondere groepen van geslachtsnamen zijn in dit werk reeds behandeld in § 35. Ik kan hier dus volstaan met daar heen te verwyzen. Buitendien treden onder de in Zeeland inheemsche geslachtsnamen velen op den voorgrond die frankische, bepaald vlaamsche kenmerken vertoonen, in form en spelling; b. v. Snouck, Vercauteren, Dorselaer, Cuilenaere, Pierssens, De Clercq, Van Waesberghe, Wondergem, Van Renterghem, Schuurbeque, Kerckhaert, Van den Bussche, D’Hondt, D’Hert, Verhaegen.

De noord-brabantsche geslachtsnamen en die van noord-nederlandsch Limburg vertoonen over het algemeen genomen de kenmerken der zuid-nederlandsche geslachtsnamen (zie bl. 472), en zijn wat hun form aangaat, duidelik frankisch. Toch komen zulke geheel oude en verouderde spelwyzen, als by de belgisch-brabantsche geslachtsnamen zoo veelvuldig bestaan, by de noord-brabantsche in veel geringer aantal voor. En al zijn het oorspronkelik de zelfde namen, noord en zuid van de grenzen, dan vertoonen die welke in Noord-Brabant inheemsch zijn, meer de nieuere spelling. De omstandigheid dat Noord-Brabant reeds sedert de zeventiende eeu nau met de eigenlike noord-nederlandsche gewesten verbonden is, heeft dit verschijnsel te weeg gebracht. De geslachtsnamen die op mans (man in den tweeden-naamval, als vadersnamen) eindigen, ofschoon van algemeen-nederlandschen form zijnde, en ofschoon ook in alle Nederlanden wel voorkomende, zijn toch nergens zoo talrijk als in Noord-Brabant. Zy geven eenen eigenaardigen stempel aan de noord-brabantsche namen in ’t algemeen. Als byzonder eigen aan Limburg en Brabant noemen wy: Heuvelmans, Bertelmans, Molemans, Muyldermans, Puttemans, Schuermans, Bergmans, Gitmans, Martelmans, Schoormans, Zijlmans, Roymans, Kingmans, Biermans, Cosemans, Nuchelmans, Notermans, Systelmans, Bemelmans, Mosmans, Bormans, enz. allen namen die elders zeer zeldzaam zijn of volkomen ontbreken.

Eenige byzondere kenmerken en eigenschappen der zuid-nederlandsche geslachtsnamen in ’t algemeen zijn reeds op bl. 472 en vervolgens behandeld en vermeld geworden. Ik kan dus hier volstaan met daar heen te verwyzen. Te meer, omdat de byzondere zuid-nederlandsche namen over alle zuid-nederlandsche gewesten, vlaamsche zoo wel als brabantsche, gelykelik verspreid zijn, en de namen dier verschillende gewesten, elk voor zich afsonderlik, weinig eigens hebben. Dat die namen grootendeels reeds zeer oud zijn, en dus, in het verloop der eeuen, veelvuldig uit het eene gewest in ’t andere zijn overgebracht, acht ik de oorzaak van deze gelijkformigheid onderling. West-Vlaanderen echter, dat ook in andere opzichten vele byzonderheden vertoont in taal- en volkseigenaardigheden, heeft eene kleine groep van oude geslachtsnamen, die hooftsakelik aan dat gewest aleen eigen is. Dat zijn de oude vadersnamen op ynk (ynck, ynckx) uitgaande, die reeds in § 17 nader zijn vermeld en behandeld. En de brabantsche gouen, vooral ook Zuid-Brabant, kenmerken zich door de namen die met eene s, versleten form van het verbogene lidwoord des, beginnen. Smasen, Swolfs, Smulders, enz. zijn zulke namen, die eene kleine afsonderlike groep formen, en die over het geheel niet talrijk vertegenwoordigd zijn, maar die toch in Zuid-Brabant meer dan elders in de (uitsluitend frankische) nederlandsche gewesten voorkomen. Men zie aangaande deze namen § 51.