E. De geslachtsnamen der nederlandsche Israëliten.

§ 162. De talryke byzonderheden en eigenaardigheden, waardoor de geslachtsnamen der nederlandsche Israëliten zich onderscheiden van die der andere, der germaansche Nederlanders, ook de vele namen van vreemden oorsprong die zy dragen, nopen my om hunne namen in eene afsonderlike groep samen te vatten, en ze hier afsonderlik te vermelden en te beschouen.

Oppervlakkig zoude men denken dat de Israëliten geslachtsnamen zouden dragen, aan de hebreeusche taal ontleend. Dit is echter slechts by uitzondering het geval. Hoe vele eeuen zijn er ook niet reeds verloopen, sedert de hebreeusche taal de eigenlike volksspreektaal der Joden was! Wel wordt het Hebreeusch nog steeds door hen gelezen, geschreven en beoefend, wel is het nog steeds de taal hunner openbare en byzondere godsdienstoefeningen, maar als dageliksche spreektaal is het, althans by de nederlandsche Joden, geheel buiten gebruik gekomen, al is het dat er evenwel vele hebreeusche woorden nog voorkomen in de basterdtaal die zy wel onderling gebruiken. En omdat de geslachtsnamen toch onmiddellik uit de volksspreektaal ontstaan, en slechts zelden uit de boeketaal, althans niet als deze eene verouderde is, zoo vinden wy hierin de opheldering van het zeldzaam voorkomen van hebreeusche geslachtsnamen onder de Israëliten. Een der meest voorkomende is Cohen, een naam, die aan zeer vele onderling niet verwante geslachten eigen is, en die als het oorbeeld van eenen joodschen geslachtsnaam gelden kan. Deze naam, priester beteekenende, en hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan leden uit den stam van Levi, uit het geslacht van Aäron eigen, komt ook nog in andere formen voor. Te weten als Cahen, Cohenno en Acohen.—Cohn en Cahn zijn hoogduitsche formen en Cohensius is een verlatynschte, allen in Nederland voorkomende. Ook Elkan is de zelfde naam, maar met het lidwoord daar voor (even als de geslachtsnaam De Priester onder de germaansche Nederlanders), en ’t eenvoudige Kan met het hoogduitsch-formige Kann is, als israëlitische geslachtsnaam, ook eene verbastering van den naam Cahn, Cahen, Cohen. Nevens Elkan is my ook nog de (onzinnige) geslachtsnaam Van Elkan voorgekomen. Cohnstamm, ook van hoogduitschen oorsprong, en Caun moeten mede tot de Cohen-namen worden gerekend, en, naar ik meen, de geslachtsnaam Consenheim eveneens. Messias, Jeschurun, Jesurun en Jessurun (alle drie formen zijn my voorgekomen), Rabbi, Susan met Susanna, Suzanne, Suzan en Soesan zijn mede hebreeusche geslachtsnamen van nederlandsche Israëliten. Jesurun is een verkleinform van het woord Israël, en komt in de bybelboeken voor; b. v. Deuteronium XXXII, vs. 15, en elders.16 Susanna komt in de bybelboeken als vrouenaam voor (Evangelie van St. Lukas VIII, vs. 3), en is als zoodanig ook onder ons in gebruik. Over de beteekenis van dezen naam zie men het tijdschrift De Navorscher, XXXIII, 283.—Vele bybelsche mansvóórnamen, by de nederlandsche Joden als geslachtsnamen in gebruik, b.v. Emmanuel, Boas, Eleazar enz. (zie bl. 179), zijn ook uit de hebreeusche taal afkomstig en kan men dus eveneens tot deze groep rekenen.

Geslachtsnamen aan andere vreemde talen als de hebreeusche ontleend (te weten aan de spaansche en portugeesche talen), komen onder de Israëliten in Nederland zeer veelvuldig voor. Immers in het laatst der zestiende en in het begin der zeventiende eeu werden de Joden in Spanje en Portugal hevig, ja tot den dood toe vervolgd om de wille van hun geloof, dat zy niet met het Christelike verwisselen wilden. Daardoor gedwongen die landen te verlaten, weken zy in grooten getale uit, en vestigden zich grootendeels in Holland, voornamelik te Amsterdam, waar de eerste portugeesche Joden in 1593 aankwamen. De spaansche en portugeesche Joden voerden toen reeds grootendeels, zoo niet allen, vaste geslachtsnamen, en zy hebben die aloude namen, waar onder er velen zijn die tot de eervolste namen moeten gerekend worden, om de wille der edele, deugdryke, geleerde en bekwame mannen, die ze gedragen hebben, tot den dag van heden behouden. Zie hier eenigen daarvan: Lopez de Suasso, Orobio de Castro, De Leāo Laguna,17 enz.—Eene halve eeu later als deze intocht der spaansche en portugeesche Joden in ons land plaats greep, kwamen vooral ten jare 1656 eveneens duizenden van Israëliten uit de oostersche landen van Europa, uit Polen, Galicie, enz. zich in Nederland met der woon vestigen. Ook dezen waren, althans gedeeltelik, wegens geloofsvervolging en onderdrukking uit die oost-europesche landen gevlucht. Ten deele ook kwamen zy naar de ryke Nederlanden, waar toen handel en verkeer en vryheid bloeiden als nergens ter wereld, om hun fortuin te zoeken, en in den regel te vinden. Die toevloed van oost-europesche Israëliten (ook van hoogduitsche Joden welke eveneens grootendeels van oost-europeschen oorsprong zijn) duurt nog steeds voort, ook in onze dagen. De groote hoeveelheid hoogduitsche geslachtsnamen, of namen die door hunne formen hunnen hoogduitschen oorsprong verraden, onder de Israëliten voorkomende, zijn door die inwykelingen in ons land gebracht. Want ook de poolsche, galicische en andere oost-europesche Joden dragen meestal hoogduitsche geslachtsnamen, gelijk zy onderling ook veelal de hoogduitsche taal, in min of meer verbasterden form gebruiken. Geslachtsnamen als Polak (onder de Israëliten vry algemeen; zie bl. 197), Konijn (zie bl. 209), Bosnak (zie bl. 197), Krakau, Belgrado, Meseritz, geven mede getuigenis van hunnen oorsprong uit de slavische landen van oostelik Europa.

Twee formen van geslachtsnamen zijn vooral onder de hoogduitsche Israëliten zeer menigvuldig verspreid. Te weten patronymika op son, sohn eindigende, en plaatsnamen, die de plaats van herkomst van den eenen of anderen stamvader aanduiden. Die plaatsnamen als geslachtsnamen komen zoo wel op zich zelven voor, als verbogen, door achtervoeging van er (Frankfurter). Als voorbeelden van zulke byzonder-israëlitische patronymikale geslachtsnamen vermeld ik: Boasson, Davidson, Abrahamson, Jacobson, Levison en Levyssohn (zie bl. 130).

Byzonder-israëlitische geslachtsnamen die den oorbeeldig-nederlandschen patronymikaal-form op enkele s vertoonen, zijn zeldzaam. Zie hier een paar: Zadoks, Gomperts, Rubens, Israëls, Arons, Nathans.

Geslachtsnamen van plaatsnamen afgeleid en op er eindigende, vertoonen by de nederlandsche Israëliten veelal de namen van duitsche en oost-europesche steden; b. v. Binger, Hamburger, Frankfurter, Eltzbacher, Bremer, Oppenheimer, enz.; zie bl. 203. En dit is ook het geval by de enkele, de onverbogene plaatsnamen die als nederlandsch-joodsche geslachtsnamen voorkomen: Wertheim, Emrik, Krakau en Cracau, Lemberg, Presburg, Konijn, Belgrado, Calisch, Lissa, Meseritz, enz.; zie bl. 209. Ook Speier, de hoogduitsche form van den naam der stad Spiers in den Paltz. Het is een meer hoog- als nederduitsch, veel min nog nederlandsch gebruik, om geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, op deze twee wyzen te formen. Het oorbeeldig-nederlandsche gebruik eischt het voorzetsel van vóór den plaatsnaam, die als geslachtsnaam dienst doet. En zoo hebben die Israëliten, welke herkomstig waren uit duitsche plaatsen, naby onze grenzen gelegen, en waar de nederduitsche taal gesproken wordt of oudtijds ook byzonder-nederlandsche formen zeer gebruikelik waren, by hun aannemen van eenen geslachtsnaam hier te lande, daartoe ook den nederlandschen form met van er voor, gebruikt. B. v. Van Emden, Van Norden, Van Leer, Van Gelder, Van Crevelt, Van Minden, Van Cleef, enz. Zie bl. 227. Byzonder zijn ook de maagschapsnamen Vrieslander, Engelander en Zeelander, allen aan joodsche geslachten eigen. Vrieslander, Engelander en Zeelander, in plaats van Fries, Engelschman en Zeeu, zijn ongebruikelike woorden. Een echte, germaansche Nederlander zal ze niet gebruiken.

§ 163. Al de vreemde, uit vreemde talen oorspronkelike namen, met al de namen die onnederlandsche formen vertoonen, en al de namen die aan vreemde plaatsnamen ontleend zijn, maken met elkanderen wel de groote helft uit, zoo niet drie-vierde-deelen, van alle geslachtsnamen die door nederlandsche Israëliten worden gedragen. Hunne overige namen zijn goed-nederlandsch van form en oorsprong. Maar niettegenstaande dat, vertoonen zy in ’t algemeen genomen nog zoo veel byzonders en eigenaardigs, dat men ze uit de andere nederlandsche namen herkennen kan. In der daad, geslachtsnamen die ook evenzeer door eigenlike (germaansche) Nederlanders als door Israëliten worden gedragen, zijn betrekkelik zeldzaam. Als zulken noem ik: De Vries en De Jong, De Leeuw, De Beer, De Haan, Koster, Brouwer, Van Gelder, De Haas, enz. En deze namen (zoo men de beide eerstgenoemden en ook Van Gelder, Van Gelderen, enz. uitzondert, die zeer veelvuldig voorkomen en aan onderscheidene onderling niet verwante maagschappen eigen zijn)—deze namen zijn buitendien nog betrekkelik zeldzaam onder de Joden, al hoe algemeen ze ook onder de eigenlike Nederlanders mogen zijn. Maar vele overigens zuiver-nederlandsche geslachtsnamen zijn slechts aan israëlitische geslachten eigen, en worden ook gereedelik als joodsche namen herkend. Als zulken noem ik: Wetschryver, Loteryman, Goudstikker, Kornalynslyper, Porcelein, Citroen, Augurkie, Eitje, Ziekenoppasser, enz.

De geslachtsnaam De Leeuw, door Israëliten gedragen, heeft dit eigenaardige, dat hy niet aan eenen huisnaam ontleend is, zoo als by de andere Nederlanders die De Leeuw heeten, in den regel wel het geval is. Integendeel, onder de Joden is deze geslachtsnaam in gebruik gekomen als kenteeken dat de drager er van tot den stam van Juda behoort, by welken israëlitischen stam reeds van oude tyden af de leeu (de leeu van Juda) als kenteeken op de wyze van wapenteeken gold. Of ook, de geslachtsnaam Leeuw geldt als eene verbastering, eene quasi-verdietsching van den mansvóórnaam Levi. Zoo zijn ook de vele overgangsformen tusschen Leeuw en Levi te verklaren; b. v. De Leev, De Leeuw, Leeuw, Löwe, Lion, Löb, Löfson, Löbson, Levison, Levyssohn, Levisohn, Leeuwenberg, Leeuwensteen, Lewenstein, Leeuwenstein, Löwenstein, Löwenstamm en ook het friesche Leefsma. Verder Leefmans, het enkele Levi, Levie, Levy, De Levie, De Levita, enz. Tegenover Löwenstein staat ook de geslachtsnaam Aronstein, tegenover Löwenstamm ook Cohnstamm. Nevens Leeuw komt onder de nederlandsche Israëliten ook de geslachtsnaam Leeuwin voor. Zoo deze naam niet uit scherts, als een tegenhanger van Leeuw, aangenomen is, dan zal hy wel als eene ongeschikte verdietsching moeten worden beschoud van den naam Levin (eigenlik eene verkorting van Levinus, Lebuinus), die in Duitschland aan joodsche geslachten eigen is. Dit joodsch-duitsche Levin is onder de hoogduitsche Israëliten in gebruik genomen als eene »verfraaiing” van den joodschen mansvóórnaam Levi. Zoo is het onder de hedendaagsche nederlandsche Israëliten ook wel gebruikelik hunne aloude en eervolle namen Isaäc, Mozes, Levi, enz. waaraan zoo schoone herinneringen verbonden zijn, te verkersteliken, of liever te ontjoodschen, door Isidoor of Isouard, Moritz of Maurice, Lion of Louis van te maken.

Eigenaardig is het dat er onder de friesche Israëliten ook byzonder-friesche geslachtsnamen voorkomen. Deze joodsch-friesche namen, door de friesche Israëliten in navolging van de namen der ware Friesen aangenomen, zijn ten deele afsonderlik en opsettelik door hen geformd, gemaakt, bedacht; gedeeltelik ook, als reeds onder de Friesen bestaande, overgenomen. Zy deden dit als ’t ware om de Friesen te behagen, even als zy ook in andere landen wel geslachtsnamen maakten en aannamen, geformd uit de taal van het volk waaronder zy wonen. Zulke friesche geslachtsnamen van israëlitische maagschappen zijn: Woudsma, Dykstra, Oostra, Woudstra, Feitsma, die ook door Friesen zelven worden gedragen en van hen zijn overgenomen. En Leefsma (zie bl. 130), Drielsma, Drilsma, Dwingersma, Van Biema, Turksma en Fryda, die afsonderlik geformd, en slechts aan Israëliten eigen zijn.

De groote massa van het Israëlitische volk in Nederland (zoo men de spaansche en portugeesche Joden onder hen uitsondert, met de groote kooplieden, de aanzienliken en ryken in ’t algemeen)—de groote massa had geene eigene en vaste geslachtsnamen tot in het begin van deze eeu. Zy noemden zich met hunnen vadersnaam in den tweeden-naamval, als patronymikon; b.v. Mozes Isaacs of Izaks, Jacob Baruchs, Levi van Manasse, Josua van Abraham, enz. Deze eenvoudige, ter nauer nood voldoende onderscheiding was hun genoeg; ja, velen onder hen waren er byzonder aan gehecht als aan iets eigenaardig-joodsch. Deze laatsten verzetten zich dus in 1811 aanvankelik tegen het aannemen van eenen vasten geslachtsnaam, ’t welk van hen zoo wel als van ieder ander nederlandsch staatsburger werd gevorderd. En toen hun aanvankelik verzet niet baatte, en zy zich aan de wet moesten onderwerpen, trachtten velen de zaak bespottelik te maken door allerlei zonderlinge en dwaze namen op te geven. Immers dachten zy dat dit dragen en voeren van vaste geslachtsnamen geen stand zoude houden; dat het slechts een tydelike maatregel was, door het fransche bewind genomen, maar die by de verjaging der fransche onderdrukkers, waar op zy, met alle vaderlanders, hoopten en die dan ook niet uitgebleven is, weêr zoude worden afgeschaft. Intusschen, by de herstelling van het huis van Oranje-Nassau aan het hoofd van het bewind in de nederlandsche gewesten, bleef de fransche wet in volle kracht bestaan, dus ook de geldigheid der geslachtsnamen, onder het fransche bestuur aangenomen. Vele Israëliten die dwaze en leelike geslachtsnamen vrywillig hadden aangenomen, zagen zich hier door eenigszins bedrogen, althans te leur gesteld; en velen hunner zonen en kleinzonen zullen heden ten dage nog wel verdriet hebben en ergernis van deze ongepaste geslachtsnamen. En al ligt er nu ook niets onteerends in,—zoo de kleinzoon misschien een aanzienlik of rijk man geworden is, dan is het voor hem toch gewis niet aangenaam dat zijn grootvader zich Paardebek of Vischschraper heeft laten noemen, en hy die ongeschikte namen nu ook moet voeren.

Vele Israëliten namen in 1811 geslachtsnamen aan, ontleend aan den handel dien zy dreven, aan de betrekking die zy vervulden. Maar omdat onder de Joden velen zijn die betrekkingen vervullen, ambten bekleeden, handwerken uitoefenen welke onder de Christenen niet gebruikelik zijn, of slechts bepaaldelik aan hen zelven eigen zijn,—of ook omdat er onder de Joden handel gedreven wordt, vooral kleinhandel, straatventery, die eveneens slechts hen eigen is, zoo hebben de nederlandsch-joodsche geslachtsnamen ook daardoor veel eigenaardigs. Koster, Schoolmeester, De Boer zijn nog geslachtsnamen die zoo wel door Israëliten als door andere Nederlanders worden gedragen. Maar Vleeschdrager en Vleeskruyer, Vischschraper, Kleerkoper en Loteryman, Ossedryver, Augurkiesman en Komkommerman zijn namen slechts aan Joden eigen. Tot deze groep behooren verder nog Rabbi, Onderwyzer en Voorzanger,18 enz. Vele geslachtsnamen van nederlandsche Israëliten zijn ontleend aan de namen der waren waar in de lieden handel dreven, welke die namen in 1811 zich toeeigenden. Als voorbeelden noemen wy: Diamant, Parel, Paerl, Porcelein, Schaapwol, Citroen, Peper, Tabak, Carstanje, Komkommer, Augurkie, Eitje. De geslachtsnaam Lotery duidt ook nog een middel van bestaan aan, dat veel door Israëliten wordt waargenomen.

Als besluit van deze joodsch-nederlandsche namen mogen hier nog eenigen vermeld worden, die bepaaldelik aan spot en scherts hun ontstaan te danken—of te wyten—hebben; het zijn Paardebek, Perexempel, Hangjas, Drieduiten, Agsteribbe, Zomerplaag, Hardlooper en Dribbelaar, Natkiel en Witjas, Keessie en Lampie, Roosenik (zie bl. 458), enz.

Eigenaardige joodsch-nederlandsche namen zijn buitendien nog: Koetser, eene halve verdietsching van het hoogduitsche Kutscher; Schuttero, Cohenno en Van Mindeno. Deze laatste namen zijn eigenlik de namen Schutter, Cohen en Van Minden, die eveneens aan joodsche geslachten eigen zijn. Om welke reden men er eene o achter heeft gehangen, waardoor deze namen tamelik onzinnig, althans zeer zonderling geworden zijn, is my niet bekend. Was het om ze meer gelijkformig te maken aan de geslachtsnamen der portugeesche en spaansche Joden, waar onder er velen zijn die op eene o eindigen? De ontaalkundige geslachtsnaam De Schaap is ook eigenaardig-joodsch. Maar de schijnbaar eveneens ontaalkundige geslachtsnaam De Graan, ook aan eene israëlitische maagschap eigen, moet hiermede niet op eene lijn worden gesteld. Deze naam immers is slechts eene verbastering, eene halve verdietsching van den franschformigen naam De Gran, dat is Van Gran, ontleend aan den naam der hongaarsche stad Gran, vanwaar die maagschap herkomstig is;—niet waar?

Ten slotte mogen hier nog drie maagschapsnamen worden vermeld, alle drie aan israëlitische geslachten eigen, en die zeker, door hunne beteekenis, juist aan Israëliten al weinig voegen. Die namen zijn Menist, de naam van eene protestantsch-christelike secte, de Mennisten of Doopsgezinden (zie bl. 441); Santcroos, eene verbastering van den portugeeschen (?) naam Santa-Croce, het heilige kruis; en Salvador, de spaansche naam van den Verlosser.

F. Vreemde geslachtsnamen in de Nederlanden.

§ 164. De uitgebreide handel en zeevaart door de Nederlanders reeds sedert de middeleeuen gedreven en die hen met zoovele vreemdelingen in aanraking en verkeer bracht,—de vryheid van godsdienst die zy, in het Noorden, sedert de kerkherforming aan alle vreemdelingen gunden, welke zich onder hen vestigden—boven al ook de bloei en welvaart en rijkdom die in de 17de en 18de eeu in de noord-nederlandsche gewesten, vooral in Holland heerschten, en die zeer vele vreemdelingen, welke hier volop brood vonden, aanlokten—al deze oorzaken hebben ten gevolge gehad dat duizenden en duizenden vreemdelingen zich onder ons vestigden. Dit waren zoowel uitwykelingen uit gebrek, als uitwykelingen om des geloofs wille; zoowel gelukzoekers als kunstenaars en handwerkslieden die de weelde der ryke Nederlanders ter bevrediging harer eischen opriep, als ook arbeiders, die de nyverheid der Nederlanders noodig had. Van daar het groote aantal vreemde geslachtsnamen, uit allerlei europesche talen ontleend, dat onder de Nederlanders voorkomt. In der daad, er is in geheel Europa geen land dat zulk eene gemengde bevolking heeft als juist Nederland, gelijk uit al die vreemde geslachtsnamen, van vreemden oorsprong getuigende, duidelik blijkt. Intusschen was die toefloed van allerlei vreemdelingen in de laatste middeleeuen meest naar Vlaanderen en Brabant, en wel naar de handels- en nyverheidssteden Antwerpen, Leuven, Brussel, Gent en Brugge gericht. Eerst sedert de 16de eeu was die beweging ook naar Holland, hooftsakelik naar Amsterdam, in mindere mate ook naar ’s Gravenhage, Haarlem, Leiden, enz. gewend. Dien ten gevolge bleef in de kleinere steden, vooral ook ten platten lande, en in de oostelike en noordelike Nederlanden, de stam der ingezetene bevolking zuiverder, minder, ja hoochst weinig vermengd. En dien ten gevolge treffen wy verre weg het grootste gedeelte dier buitenlandsche geslachtsnamen juist in onze groote steden aan, in Noord- zoowel als in Zuid-Nederland.

Wegens de onmiddellike nabuurschap zoude men reeds by voorbaat kunnen verwachten, dat Franschen en Duitschers onder al die vreemdelingen in Nederland het grootste aantal zouden uitmaken. En dit is in der daad het geval. Immers zijn zeker wel zeven achtste gedeelten van al die vreemde namen van franschen of van duitschen oorsprong. Vooral in de groote hollandsche, vlaamsche en brabantsche steden zijn fransche en duitsche geslachtsnamen zeer algemeen, zoo algemeen dat er niet aan te denken valt ook slechts een honderdste deel van al die namen in dit werk te kunnen behandelen, of slechts te vermelden. Wij moeten die namen dus laten blyven voor wat zy zijn, en behouden ons slechts voor in de volgende § die fransche en duitsche namen, welke in hunnen form of in hunne spelling half verdietscht zijn, nog afsonderlik te vermelden.

Andere vreemde namen echter, die ongelijk veel zeldzamer onder ons voorkomen als duitsche en fransche, wil ik hier afsonderlik vermelden. In de eerste plaats de engelschen. Engelsche geslachtsnamen zijn werkelik slechts in kleinen getale in de Nederlanden vertegenwoordigd. Dit stemt overeen met het feit dat ook slechts weinig Engelschen, in verloop van tijd, zich in de Nederlanden blyvend hebben gevestigd. Wat ook zoude hen daar toe bewegen? De Nederlanden kunnen den Engelschman weinig of niets bieden, wat hy in zijn eigen land niet even zoo goed heeft, zoo niet beter en ruimer. Zie hier eenige engelsche geslachtsnamen, die sedert langeren of korteren tijd in de Nederlanden inheemsch zijn geworden: Aitton, Campbell, Clifford,19 enz. Nevens de engelsche komen ook byzonder-schotsche en iersche geslachtsnamen onder ons voor, welke, voor zoo verre deze namen ontleend zijn aan de keltische talen van Schotland en Ierland (en Wales), in hun voorkomen en form duidelik van de eigenlik-engelsche namen onderscheiden zijn. Ik ben niet zeker of onder de hier opgenoemde engelsche geslachtsnamen ook niet reeds een paar schotsche zijn; b. v. Campbell?—De omstandigheid dat het meerendeel der Schotten zoo wel als der (Noord-)Nederlanders de zelfde streng Calvinistische godsdienstleer belijdt, heeft eenige toenadering tusschen beide volken te weeg gebracht, en is oorzaak geweest dat zich eenige schotsche geslachten in vorige eeuen in de Nederlanden hebben nedergezet. Dezen formden zelfs in de groote steden (Amsterdam en Rotterdam) eigene kerkelike gemeenten. Hunne nakomelingen onder ons zijn nog kenbaar aan hunne eigenaardige geslachtsnamen, als: Abercrombie, Douglas (ook verhollandscht tot Doeglas), Mac-Donald of Macdonald.20 Sommigen dezer mac-namen (eigenlik patronymika) schrijft men met den volgenden naam (den hooftnaam of vaderliken naam), in één woord vereenigd: Macdaniel, Macleod. Anderen afsonderlik: Mac-Intosh of Mac Gillavry. Zy komen ook wel afwisselend in beide formen voor. De aloude naam Mackay is in de Nederlanden zeer verspreid, en schijnt aan verschillende onderling niet verwante geslachten eigen te zijn. Hy komt althans in verschillende formen voor; als Mackay, Mackaay, Mackaey, M’Kay. Of Macalester, Maclaine en Macaré ook tot deze schotsche mac-namen behooren, dan wel of zy van anderen oorsprong zijn, kan ik niet uitmaken. Bryce, Fyan, Bryan, Kennedy, Dunlop, Doncan, Dumbar, Skene, allen ook in Nederland voorkomende, zijn meen ik ook keltisch-schotsche namen;—’t en zy misschien keltisch-iersche? Ik ken ze niet uit elkanderen. Ook Dermout schijnt my toe tot deze schotsche namen te behooren. In Schotland althans is de geslachtsnaam (eigenlik clannaam, ’t welk niet naukeurig het zelfde is in beteekenis als ons woord geslachtsnaam) Mac Dermot inheemsch. Anders en kan ik Dermout niet verklaren.

Byzonder-iersche namen komen in de Nederlanden veel zeldzamer voor als byzonder-schotsche. De grootendeels streng Roomsch-Katholyke Ieren staan den (Noord-) Nederlanders dan ook verder als de Schotten. Het is dan ook juist aan de overeenkomst van godsdienst toe te schryven, dat meer Ieren zich in de zuidelike als in de noordelike gewesten hebben gevestigd. En dat de weinige iersche geslachtsnamen meer in Vlaanderen en Brabant als in Holland worden aangetroffen. Zie hier de weinigen, die my zijn voorgekomen: Obreen met de byformen Obrien, ook O’Brien geschreven, en Obrie; Ogilvie (te Batavia), O’Kelly en O’Toole, Sheridan en Sullivan. Den geslachtsnaam Carmiggelt, ongetwyfeld eene verbastering van Car-Michael, in Engelland als maagschapsnaam inheemsch, meen ik ook tot de iersche (of cornwelsche?) namen in Nederland te moeten brengen.

Deensche, noorsche en zweedsche geslachtsnamen komen nog zeldzamer als engelsche onder ons voor. Skandinaafsche namen in ’t algemeen ontmoet men meest in onze zeesteden, en het zijn gewoonlik de afstammelingen van den eenen of anderen skandinavischen zeeman, die om deze of gene reden van zijn schip achter bleef, welke zulke namen voeren. Onder die namen, vooral onder de deensche, zijn er vele patronymika die in form niet verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen; als Hansen, Jensen, Olsen, Carelsen, Christiansen, Martensen, Gulbrandsen. Dezen zijn moeielik, zoo niet onmogelik te onderscheiden van de oorspronkelik nederlandsche namen. Ook Brandt, van deenschen oorsprong, is eveneens goed-nederlandsch. De volgenden echter zijn oorbeeldig skandinaafsch: Bergström, Biörn, Carlqvist21, enz. Den geslachtsnaam Swens acht ik eene verhollandsching te zijn, in spelling, van den in Skandinavie zeer veelvuldig voorkomenden naam Svens, een eenvoudig patronymikon van den skandinaafschen mansvóórnaam Sven, de zelfde die ook aan den patronymikalen geslachtsnaam Swensson (eigenlik Svensson) ten grondslag ligt.

Geslachtsnamen, eigen aan de volken die van slavischen stam zijn (Russen, Polen, Czechen of Bohemers, Slavoniers, enz.), komen ook al onder ons voor. En ofschoon deze slavische volken ons verre staan en vreemd zijn, zoo zijn nogtans slavische namen geenszins zoo zeldzaam onder ons, als men wel zoude verwachten. Maar Polen vooral zijn van ouds her een licht beweegbaar volk geweest, dat zich gemakkelik verplaatste. En ook staatkundige en godsdienstige partyschappen hebben duizenden Polen uit hun land verdreven en in den vreemde gevoerd. Eenigen van hen hebben hunnen weg ook tot in de Nederlanden gevonden, en hunne nakomelingen wonen nog onder ons. Czechen en Moraviers, Slavoniers en Slowenen of Wenden hebben ook steeds in grooten getale, jaar uit jaar in, hun land verlaten, en als geringe handwerkslieden, kleine kooplieden (in muizevallen en ander draadwerk, in glaswaren, enz.), ook als reizende muzikanten, Duitschland overstroomd. Velen van hen, in Duitschland tot eenigen welstand gekomen en, op hun geslachtsnaam na, verduitscht (of hunne kinderen en nakomelingen), zijn naderhand, met eigenlike Duitschers, ook naar de Nederlanden komen afzakken. Rekent men dat onder de honderd Duitschers, die zich in de Nederlanden vestigen, er slechts één is met eenen slavischen geslachtsnaam, en die van slavischen oorsprong is, dan kunnen enkel hier uit reeds die geenszins zeldzaam voorkomende slavische namen onder ons verklaard worden. In der daad zijn die namen in grooter aantal onder ons aanwezig, als engelsche of skandinaafsche namen. Hoe vreemd het ook schyne, by eenige opmerkzaamheid zal men de waarheid van dit beweren bevestigd vinden.

Ik ben met de slavische talen niet genoegzaam bekend om de poolsche, russische, czechische, slavonische namen van elkanderen te kunnen onderscheiden. De volgende geslachtsnamen, die my allen in de Nederlanden zijn voorgekomen, noem ik hier dus door elkanderen op: Andreikovits, dat is een patronymikon van Andreiko, of Andries—in verkleinform—en komt dus overeen met den nederlandschen patronymikalen geslachtsnaam Drieskens. Dan Babeliowsky, Lezinsky22, enz.

Ofschoon de zuidelike Nederlanden onmiddellik aan het Walenland grenzen, en ofschoon Brabanders, Limburgers en Vlamingen reeds sedert eeuen met Luiker-, Namer- en Henegouer-Walen in het zelfde staatkundige verband leven, zoo heeft eene vermenging van beide volkstammen toch slechts in zeer beperkte verhouding plaats gevonden. De eigene volksaard der Walen, zoo geheel verschillende met dien der germaansche Nederlanders, zoowel als hunne byzondere romaansche volkstaal, die met de onze in geenerlei verband staat, was steeds een beletsel tot innige toenadering. Dien ten gevolge komen er onder ons dan ook slechts betrekkelik weinig byzonder-waalsche geslachtsnamen voor. Natuurliker wyze overtreffen zy echter in de zuid-nederlandsche gewesten, wat hun getal aangaat, verre die welke in het Noorden voorkomen. In de noordelike gewesten hebben zich slechts weinig Walen blyvend neêrgezet. Dat waren dan meest fabrikanten en verkoopers van stroo-hoeden (uit de waalsche plaatsen in het uiterste Zuiden van belgisch Limburg en uit Luik), van regen- en zonneschermen, van wandelstokken, van allerlei wapentuich, weêrglazen (thermometers en barometers), enz.; zie ook bl. 195. Vele Walen dragen geslachtsnamen die weinig of niet van zuiver-fransche namen onderscheiden zijn. Deze namen zijn voor den Noord-Nederlander althans moeielik van de fransche namen te onderkennen, en er zullen onder de talryke fransche namen die in Limburg, Brabant en Vlaanderen voorkomen, ongetwyfeld velen zijn, die, hoewel van waalschen oorsprong, toch als zoodanig niet herkend worden. Zie hier eenige waalsche geslachtsnamen, meest in Holland en Vlaanderen verzameld: Batkin, Clasquin, Cocural,23 enz. Onder deze namen zijn die welke op in uitgaan, nog al merkweerdig. Het zijn namelik, wat hunnen alleroudsten oorsprong aangaat, geenszins waalsche (romaansche), maar nederlandsche (germaansche), en wel meest vlaamsche en brabantsche namen. In Raeskin, Pirkin, Clasquin, vinden wy niets anders als verwaalschingen van de oud-nederlandsche namen Raeskyn, Pierkyn, Claeskyn, dat zijn oude verkleinformen, overeenkomende met de latere formen Raesken, Pierken en Claesken, van de mansvóórnamen Raas, Pier (Pieter, Petrus) en Klaas (Nicolaas). Zoo ook zijn Batkin, Taskin, Scailquin afgeleid van de oud-nederlandsche mansvóórnamen Bate, Tasse en Skale of Schale, namen die heden ten dage in Nederland wel niet meer in gebruik zijn, maar die toch nog aangetoond kunnen worden. Aan de patronymikale geslachtsnamen Batens (te Rouveen), Baetens (te Brussel), Baaten (te Haarlem), verder aan Baetings, Baethen en Baats, aan de friesche geslachtsnamen Bates, Batema en Batma, aan ’t engelsche Bateson, en aan menigen plaatsnaam—dan aan Tasma, misschien ook aan Tasman, liggen de mansnamen Bate en Tasse mede ten grondslag. Aangaande den mansvóórnaam Skale of Schale, zie men bl. 73. Ook in de vlaamsche en brabantsche gewesten komen nog wel oude, aan de ingezetene germaansche bevolking eigene geslachtsnamen voor, die dezen oud-nederlandschen verkleinform op yn vertoonen; b. v. Wilkyn, dat is Wilken, Wilke, de kleine Wille, de zelfde mansvóórnaam die ook ten grondslag ligt aan de geslachtsnamen Wilkens, Wilkes, Wilken, aan het friesche Wilkama, aan ’t engelsche Wilkins en Wilkenson (allen patronymika), en aan den samengestelden geslachtsnaam Wilkeshuis. Zie ook Tilkin, kleengedaante van Tillo, Tyl, op bl. 142.

Zoo men de geslachtsnamen der spaansche en portugeesche Israëliten uitsondert, komen spaansche en portugeesche namen slechts in zeer kleinen getale onder ons voor. Het is dan ook wel eene groote zeldzaamheid als zich een Spanjaard of Portugees onder ons neêr zet. In de zuidelike Nederlanden echter leven nog afstammelingen van Spanjaarden, wier voorouders zich reeds, gedurende »den spaanschen tijd”, in de 16de en 17de eeu, in Brabant en Vlaanderen hebben gevestigd. En onder dezen zijn er die nog hunne oude, ten deele oud-adellike namen dragen. Niet altijd hebben die lieden den rijkdom en hoogen rang hunner voorouders kunnen bewaren. »Onder de arbeidende klasse van Antwerpen vindt men enkele personen, die niet alleen den spaanschen type, maar ook spaansche namen behouden hebben, namen, waarvan enkelen beroemd zijn in de castiliaansche geschiedenis. Men sprak mij van eene groentenvrouw, weduwe en moeder van tien kinderen, die nog altijd den naam droeg van Armiroto, zoo men wil, naar een markies Armiroto, die tot het gevolg zou behoord hebben van den hertog van Alva. Zijne afstammelinge, onverschillig voor die hooge afkomst, rijdt nu met kool door de stad; en het volk heeft oneerbiedig haar doorluchtigen oorsprong gesmaad door eene bespottelijke verdraaiing van haar naam: men noemt haar in de wandeling »arme rotte24.

De weinige spaansche en portugeesche geslachtsnamen (ik ken ze niet uit elkanderen), in de Nederlanden voorkomende, en my bekend, zijn: Armiroto, Balabrega, D’Almaras, Da Silva, De Castro, De Ruescas, De Zerezo de Tejada, Di Gazar, Diaz, Exalto, Exalto d’Almaras, Espantoso, Gonsalves, Pedro, Perez, Rodrigues en Rodriguez. Ik meen dat er onder dezen ook nog zijn, die aan oorspronkelik-israëlitische geslachten toebehooren.

Tegenover deze weinige iberische namen staat een zeldzaam groot aantal italiaansche geslachtsnamen, in de Nederlanden voorkomende. In der daad, zoo talrijk zijn die italiaansche namen onder ons dat zy, wat hun aantal aangaat, onmiddellik op de fransche en duitsche namen volgen, en de engelschen overtreffen. Sedert de laatste twee, drie eeuen hebben er zich dan ook steeds zeer veel Italianen onder ons neêrgezet. Dat waren meest kunstenaars, vooral toonkunstenaars, ook kooplieden in regen- en zonneschermen en weêrglazen, in galanteryen en dergelyke zaken, schoorsteenvegers niet te vergeten, wijnhandelaars, enz. Een groot deel daar van bleef op den duur hier. Sommigen huwden nederlandsche vrouen, maar lieten hunne italiaansche namen aan hun nageslacht, als bewijs van hunne afstamming. Een aantal dier meest bekende italiaansche geslachtsnamen, waar van ik overigens niets byzonders heb te berichten, moge hier vermeld worden: Aletrino, Arzoni, Balli,25 enz.

§ 165. Als aanhangsel van al deze vreemde namen dienen hier nog eenige byzondere geslachtsnamen te worden vermeld, welke ik tot eene afsonderlike groep heb vereenigd. Het zijn basterdnamen, die de kenmerken van twee verschillende talen in éénen naam, in één woord vereenigd, vertoonen. Zulke bastaardnamen zijn my slechts bekend als uit het Fransch of uit het Hoogduitsch afkomstig. De naaste oorzaak van hun ontstaan is de onbekendheid met de eischen van spelling en uitspraak der vreemde namen, by de geheel vernederlandschte, en nog slechts nederlandsch verstaande afstammelingen der oorspronkelike fransche of duitsche inwykelingen, welke deze namen, in hunnen zuiver franschen of duitschen form hier mede gebracht hadden. Soms ook vertoonen zy eene poging tot vertaling of overzetting van den vreemden naam, of tot het leggen van eenen nederlandschen zin (meestal onzin), in de onbegrepene klanken van den buitenlandschen naam. De geslachtsnaam Dezentje, ook Dezentjé geschreven, en natuurlik steeds zóó uitgesproken, is een voorbeeld van zulke zonderlinge basterdnamen. Immers dit is oorspronkelik de fransche naam De Sentier (niet waar?), die de tegenhanger is van den goed-nederlandschen geslachtsnaam Van ’t Padje.—Linnewiel, eene quasi-verdietsching van den oorspronkelik franschen form van dezen naam: Luneville26, is een ander, niet minder sprekend voorbeeld. Verder Batteljee, Lorrewa27, Franswa, Tozijn, Mienjon, Sjakes, Schoonéans (zie bl. 172), Boeljon, Minnaar, Notterdam en Noterdaem (zie bl. 441), Roselje, Portielje, Plantjé, Saljé, Holjé, in plaats van Batelier, Le Roi, François, Toussaint, Mignon, Jacques, Bouillon, Ménard (zie bl. 523), Nôtre-dame, enz. Kleine veranderingen, verdietschingen in de spelling hebben ook ondergaan de geslachtsnaam Lekluze en De le Cluyze, in plaats van L’Ecluse en Del’Ecluse.—Boeree en Boeré zijn de namen van twee haarlemsche geslachten, beiden talrijk in leden, en die als eene heele en eene halve verdietsching zijn aan te merken van het oorspronkelike Bourée, onder welken form deze naam nog heden in Frankrijk voorkomt.—In de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen komen eenige geslachtsnamen voor, die half verdietscht zijn geworden, half zuiver-fransch gebleven zijn. Zie hier eenigen van deze zonderlinge bastaardnamen: Van der Marlière en Van der Malière, Van de Lanoitte, ook nog meer verdietscht als Van de Lanoote voorkomende, Van den Bavière, Verfaille, enz. De laatstgenoemde naam die my ook in de noordelike Nederlanden (aan de Helder) voorkwam, is eene samentrekking van Van der Faille (zie § 95.) En dit is wederom eene halve verdietsching van den oorspronkelik franschen geslachtsnaam De la Faille, die in de noordelike Nederlanden aan een talrijk geslacht eigen is. Maar Van Beaumont, Van Charante (zie bl. 222), Van Boneval, enz. kan men eigenlik niet als halve verdietschingen beschouen, naardien deze geslachtsnamen van fransche plaats- en gounamen zijn afgeleid.

Midden tusschen Fransch en Nederlandsch in staat de geslachtsnaam Meauxsoone, die in West-Vlaanderen aan de fransche grenzen inheemsch is, en die natuurlik (zie bl. 82) een patronymikon is, zoon van Meaux beteekenende. Een Franschman, Meaux geheeten, heeft denkelik, door zich in Vlaanderen te vestigen, aanleiding gegeven tot het ontstaan van dezen naam, omdat zijn vervlaamschte zoon van zijn vaders franschen naam zich, op nederlandsche wyze, eenen vlaamschen vadersnaam, als toenaam maakte.

Tegenover deze uit het Fransch verdietschte namen staan eenige geslachtsnamen, die uit het Nederlandsch half verfranscht zijn. Hooftsakelik hebben deze laatsten hun ontstaan te danken aan de zucht, die dwazelik zoo velen Nederlanders eigen is, om alles wat oorspronkelik nederlandsch is, zoo veel mogelik op eene fransche leest te schoeien, om zoo veel doenlik daaraan een fransch voorkomen te geven. Maar ook enkelen dezer verfranschte namen zijn ontstaan onder de fransche of waalsche bevolking van noordelik Frankrijk, langs de zuid-nederlandsche grenzen, en dit wel uit onverstand van de beteekenis dier oorspronkelik nederlandsche namen, uit onkunde aangaande de spelling die zy eischen. Als zulke uit onkunde, maar toch te goeder trou verfranschte nederlandsche geslachtsnamen, die meest langs de belgisch-fransche grenzen inheemsch zijn: noem ik: Grisar, oorspronkelik Grijsaard (zie bl. 438); Grispoire, oorspronkelik Grijsperre, zie bl. 343; Le Veugle, oorspronkelik De Veugel of De Vogel; Cachitère, oorspronkelik Keersgieter, Kaarsgieter, Kaarsemaker, welke naam ook als Keirsgieter en zelfs als Keerschieter nog in Vlaanderen inheemsch is; Titeca, eene verfransching van den vlaamschen naam Tijdgaat, zie bl. 456; Couquerque, eene verwaalsching van Koukerke, Koudekerke, een geslachtsnaam ontleend aan den plaatsnaam Koudekerke of Koudekerk, die aan twee dorpen eigen is, een op ’t eiland Walcheren en een in Rijnland by Leiden. Verder nog De Santenaire en De Cuelenaire, dat is oorspronkelik De Santenaar (vlaamsch Santenaere) en De Keulenaar, of de man uit de rijnsche steden Xanten en Keulen herkomstig; zie bl. 203. Dan ook De Sadelair en De Sadelaire,in plaats van De Sadelaere, De Sadeleer, de zadelaar of zadelmaker, zie bl. 316; De Vinquelair, in plaats van De Vinkelaar, dat is de vinkler hoogduitsch der Finkler, zoo als in oude tyden een duitsche keizer heette: Heinrich der Finkler, ’t is te zeggen: Hendrik de Vogelaar, zoo als onze geschiedschryvers hem noemen. Verder nog Denève (De Neef, zie bl. 434), Dewez en De Vèze (De Wees, zie bl. 435). Zonderlinge, half waalsche, half dietsche namen, langs de grenzen van ons taalgebied in de zuidelike gewesten inheemsch, zijn nog Le Man (De Man, zie bl. 439), en De Cocq, De Monie en De Leu, halve verdietschingen van de waalsche maagschapsnamen Le Cocq (de haan), Le Monie (dat is Le Monier, Le Meunier, de molenaar), en Le Leu (dat is Le Leup, Le Loup, de wolf.) Zoodat de thans vlaamsche geslachtsnaam De Leu volstrekt niet eene verbastering is van De Leeuw, zooals men misschien wel geneigd ware te meenen, maar van den naam van een gantsch ander dier.

De bekende en geenszins zeldzaam voorkomende vlaamsche geslachtsnaam Van de Woestyne (zie bl. 502) komt langs de vlaamsch-fransche grenzen ook als De la Woestyne en zelfs als Delawoëstine voor. Soortgelyke namen uit die zelfde streken zijn nog De la Houtte (Van den Houtte of Van den Bussche of Van den Bosch), Delbeke, Delberghe, Delbroucke, Deldaele, Deldycke, Delmeire, Delputte, enz., samengetrokken uit De la Beke (Van de Beke of Van der Beek), De le Berghe of Du Berghe (Van den Berg), De la Putte (Van de Putte), enz.

Sommige half-fransche maagschapsnamen zijn slechts in dezen zin verfranscht, dat het oorspronkelike voorzetsel van verwisseld geworden is met het fransche woordje de (niet te verwarren met het nederlandsche lidwoord de). Deze namen kunnen ter nauer nood verfranschingen heeten. Als voorbeelden kunnen hier genoemd worden: De Dwingelo, De Gelder en De Gheldere (Van Gelder, zie bl. 227), De Beerteghem, De Boninghe, De Boesinghe, De Busseghem, De Crombrugghe, De Rommerswaele (zie bl. 237), De Denterghem, De Kerckove, De Volckaersbeke, De Walcheren, De Wingene (zie bl. 521), enz. De zuid-nederlandsche dubbele geslachtsnaam De Schietere de Lophem is al byzonder tweeslachtig van form. Immers is het eerste woordje de het nederlandsche lidwoord, en het tweede is het fransche voorzetsel (van), ’t welk tusschen de twee zuiver-nederlandsche namen Schietere en Lophem eene dwaze vertooning maakt. By sommige zuid-nederlandsche maagschapsnamen is het fransche de (van) zelfs vóór het onvertaald gelatene nederlandsche van gevoegd. Zulke namen zijn dien ten gevolge dubbel onzinnig. De van der Schueren is zulk een dwaze naam. Maar de noord-nederlandsche tegenhangers van dezen zuid-nederlandschen naam, te weten Van Verschuur en Van Verduynen, zijn ook al even onredelik van form. Immers het voorgevoegde ver is eene samentrekking van van der (zie § 95). En dies is Van Verschuur eigenlik Van van der Schuur, en Van Verduynen eigenlik Van van der Duynen, even als De van der Schueren (of De Vanderschueren, zoo als men ook wel dwazelik schrijft) eigenlik Van van der Schueren is. Ook by de byzonder-friesche namen komen zulke onzinnige formen, die aan onkunde hun ontstaan te wyten hebben, eene enkele maal voor; b. v. Van Baarda. Dit is eigenlik Van van Baard (Baard is een dorp in Friesland); zie 241.

Door plaatsing van een fransch uitspraakteeken (accent) op eene in het Nederlandsch toonlooze e, in nederlandsche geslachtsnamen voorkomende, heeft men ook al getracht aan zulke namen een fransch voorkomen te geven. Zoo bestaat er in Vlaanderen de maagschapsnaam Van Quekkeborné, die oorspronkelik natuurlik Van Quekkeborne is. Ook komt deze naam in de onverknoeide formen Van Quikkenborne en Quekkeboorne voor. Dit woord kwekkeborn heeft in het Oud-Dietsch de beteekenis van: levende bron, springbron, fontein (zie bl. 405). Als plaatsnaam, Quickborn, is hy eigen aan eenige dorpen; b. v. aan een dorp by Meldorp in Dithmarschen (Holstein), en aan nog drie andere noord-duitsche dorpen. De nederlandsche geslachtsnaam Quickborner is aan eenen dezer dorpsnamen ontleend.—Verder vinden wy de genoemde wanstaltige verfranschte misforming in de geslachtsnamen De Cupère en De Cuypère (De Cuypere, De Kuiper, zie bl. 308); De Pottère (zóó, op fransche wyze, spreekt men te Emden in Oost-Friesland de daar voorkomende oorspronkelik vlaamsche geslachtsnaam De Pottere [zie bl. 315 en bl. 521] wel, ten onrechte, uit); De Visschère en De Vissère, De Busschère, enz. Dit zijn allen zuid-nederlandsche geslachtsnamen. Maar in Noord-Nederland vindt men deze misselike verknoeiing terug. En omdat het volk in het Noorden met de schrijfwyze der fransche taal minder bekend is als in het Zuiden, zoo heeft men hier de fransche é ook wel afgebeeld door ee en zelfs wel door ée; b. v. in den geslachtsnaam Habecotee; zie bl. 267. Verder in Rogghé (Rogghe, Rogge, zie bl. 408); Schadee (de oorspronkelike form Schade komt ook voor, zie bl. 445); Klijné (Klijne, wanspelling van Kleine, zie bl. 339); Van Dunné, Stracké, nevens Stracke; Rijkée, nevens Ryke; Krythé en Crietee nevens Kryte; De Boevé nevens Boef, Stoové, zelfs Jansé (te Antwerpen), nevens Janse. Zelfs geslachtsnamen die oorspronkelik hoogduitsch zijn, gelijk hunne spelling nog aanwijst, heeft men door een uitspraakteeken op de e getracht te verfranschen; b. v. Büsché, Wehrlé, Bohné, Roehlé, Schüvé, waardoor men ware monsters van onzin verkreeg. De Boevé is oorspronkelik nederlandsch, gelijk de oe, in plaats van den franschen ou, nog aanduidt. Het is eenvoudig De Boeve, een geslachtsnaam die ook als Den Bouf en Boef voorkomt. Dat iemand niet geerne Boef heet en dus pogingen aanwendt om dien leeliken naam te verbloemen, kan ik my voorstellen. Intusschen, de hedendaagsche slechte beteekenis van dit woord ligt geenszins in de geslachtsnamen De Boeve, Den Bouf en Boef opgesloten. Dit woord had oudtijds eene andere, gunstigere beduidenis, even als zoo menig ander woord; b. v. schalk, vroeger knecht beduidende; maarschalk, vroeger peerdeknecht; ons hedendaagsch knecht en het engelsche knight, thans ridder, zijn ook oorspronkelik de zelfde woorden. In Uljée en Baljee zie ik verfranschingen van Ulje en Balje, saamgetrokkene, versletene vadersnamen, oorspronkelik Ullia, Ullinga en Ballia, Ballinga, even als ook het, thans gelukkig weêr verouderde Tanjé eene verfransching was van Tania, Tanninga.—Ullinga of Ulinga is met de geslachtsnamen Uiling, Ulens, Uhlen en Uilsma, een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ulo, die als Ule, Uiltje, Ulke, Uilke in Friesland nog in gebruik is. En Ballinga is met † Ballama en † Ballema en Balma, met Ballings, Balsma en het engelsche Balls, een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ballo. Het patronymikon Balling, van dezen mansvóórnaam, is nog heden in Friesland, zeer oneigenlik, als mansvóórnaam in gebruik. Van de verkleinformen van dezen naam, van Balke en Baltje, zijn de patronymikale geslachtsnamen Balkema, Ballekens en Baltjes ontleend.

Niet op hare plaats is de é ook in sommige zuiver nederlandsche geslachtsnamen, waar zy die plaats aan onverstand dankt. B. v. in de geslachtsnamen Enschedé, (ook de naam der twentsche stad is Enschede, zonder uitspraaksteeken, en met eene toonlooze e zoowel in de derde als in de tweede lettergreep), Ten Tusschedé (in form verwant aan Enschedé, Enschede), Van Everé (Evere is een plaatske by Brussel), Gréve, Déking, Struyvé, Van Stégeren, enz. Zoo is ook een uitspraaksteeken op de o in de geslachtsnamen Hinlópen en Dólleman geheel verkeerd, overbodig, onzinnig. Immers dit zijn toch zuiver-nederlandsche namen! Maar de ó is geen nederlandsch letterteeken. Soms staat de é ook dwazelik, in plaats van de ee, in goed nederlandsche namen, die, in taalkundig opzicht, die ee moesten vertoonen. B. v. in Damsté en Hofsté (Hofstee, Hofstede en het weêr fout gespelde Ter Hofsteede komen ook voor), in Duyvené, Hulsewé, De Vré, Zélander, die eigenlik als Damstee of Damstede—vergelijk bl. 288, Duyvenee (ee = water, zie bl. 245), Hulsewee, Zeelander (zie bl. 528), De Vree, of De Vrede (zie bl. 371), enz. moesten gespeld worden. In het geheel verfranschte De Vèze, eene verbastering van De Wees (zie bl. 435), is de è verkeerd. En is zy dit ook niet in den geslachtsnaam Vernède (Ver = Van der Nede?)? In enkele verlatynschte geslachtsnamen schrijft men ook wel steeds eene é. In zulke namen, in Sandérus, Kuipéri, Kuipéres, Hollingérus, is die é al evenmin op hare plaats als in de goed nederlandsche.

Uit het Nederlandsch verduitschte, of omgekeerd uit het Hoogduitsch half verdietsche geslachtsnamen komen veel zeldzamer voor als fransche bastaarden. In ’t Hoogduitsch verbasterde en tweeslachtige namen zijn behalven de zulken die slechts een weinig in hunne spelling verhollandscht zijn, als b. v. de bag en baghnamen op bl. 280) vermeld, nog namen als Schluiter, die midden in staat tusschen de hoogduitsche en de nederlandsche formen van dezen veel voorkomenden naam (Schlüter en Sluyter, Sluiter). Verder Grünebosch, Van Lövendael, Seltenrych, Schoemacher en Schumaeker, Gudendag, Schwaanhuyser, Teschemaker, enz.

Strikt genomen komen zulke tweetalige geslachtsnamen niet zoo zeldzaam, voor. Immers de mansvóórnamen, waaraan vele geslachtsnamen ontleend zijn, stammen uit allerlei talen af, en ook de verschillende woorden die de geslachtsnamen samenstellen, zijn geenszins altijd van nederlandschen oorsprong. Zoo bestaan de geslachtsnamen Leefsma uit Hebreeusch (Levi) en Oud-Friesch (sma); Jeremiassen uit Hebreeusch (Jeremias) en Algemeen-Germaansch (sen, son, zoon), zie bl. 81; Fabersma, letterlik zoon van den smid beteekenende, uit Latyn (Faber) en Oud-Friesch (sma); Cohensius uit Hebreeusch en Latyn; Van Wotki uit Nederlandsch en Slavisch; Ynzonides uit Friesch (de mansnaam Ynse) en Grieksch, enz. In Kuipéri en Couperus vindt men zelfs de kenmerken van drie verschillende talen vereenigd. Immers de grondslag dezer namen, het woord kuiper, is Nederlandsch; de uitgangen i en us zijn latynsche formen, en de é en de ou fransche letterteekens. Zulke geslachtsnamen zijn, in taalkundig opzicht, ware wanwoorden.

Natuurlik moeten de geslachtsnamen die eene oude, soms geheel verouderde spelling vertoonen, niet gebracht worden tot de bovengenoemde namen, uit wanspellingen en misformingen bestaande. Al is het dat de hier bedoelde namen in hunne spelling nu aanmerkelik afwyken van de schrijfwyze die in deze eeu de meest gebruikelike is, zoo is er toch een tijd geweest dat de spelling die hen nu nog eigen is, de geijkte, de meest gebruikelike was. Onder deze namen in verouderde spellingen, die van oude, velen zelfs van zeer oude dagteekening zijn, en die in de zuidelike Nederlanden in grooter aantal voorkomen als in de noordelike, zijn vele belangryke en merkweerdige namen. Als voorbeelden mogen hier dienen: De Saegher, Blancquaert, Lancsweert,28 enz.

Eene enkele maal komt het wel voor dat de drager van zulk eenen geslachtsnaam in verouderde spelling, die spelling willekeurig verandert, en aan den ouderwetschen naam eenen nieuerwetschen form geeft—veelal om het gemak voor anderen, of om eene verkeerde uitspraak te voorkomen. Zoo is my een geval bekend geworden van eenen man, die eigentlik Van Keysersweert heette, maar die zynen naam nooit anders noemde en schreef als: Van Keyzerswaard. (Ik had er dan die y ook maar aangegeven en met eene i verwisseld.) Natuurlik heeft zulk eene eigenmachtige verandering, in geijkte betrekking, geenerlei recht van bestaan. Ook is zy, naar myne bescheidene meening, tevens een teeken van wansmaak.

§ 166. Er bestaat eene kleine groep van geslachtsnamen die gemeenschappelik de eigenaardigheid vertoonen, dat zy allen op aar eindigen. Die namengroep dient nog te dezer plaatse vermeld te worden, omdat die namen van vreemden, hoogduitschen oorsprong zijn. Het zijn allen verdietschingen van hoogduitsche geslachtsnamen, die in hunnen oorspronkeliken form op er uitgaan. Het nederlandsche volk verbastert gereedelik dien hoogduitschen uitgang er tot aar, in overeenstemming met de hoogduitsche woorden op er, die in het Nederlandsch op aar uitgaan; b. v. Hoogduitsch Eigner, Nederlandsch eigenaar; Cölner en Keulenaar, enz. Mijn eigen naam Winkler werd in myne jeugd te Leeuwarden door het volk gemeenlik als Winkelaar uitgesproken. En even zoo spreekt het volk hier te Haarlem den hier voorkomenden geslachtsnaam Hübner wel als Huppenaar uit. En zoo is het ook gegaan met de hedendaagsche aarnamen. De volksuitspraak is in de schrijftaal overgegaan. De oorspronkelike hoogduitsche geslachtsnaam Ziegler b. v. (overeenkomende in beteekenis met den nederlandschen geslachtsnaam Tichelaar) is hier te lande niet letterlik vertaald (tot Tichelaar), maar in form eenigszins verdietscht tot Ziegelaar. Dikwijls komen beide formen, de oorspronkelike hoogduitsche, en de verdietschte form van één en den zelfden naam naast elkanderen in Nederland voor. Behalven by Ziegler en Ziegelaar is dit ook het geval by Schneidler en Snydelaar, Kessler en Kesselaar, Weidner en Weidenaar29, enz. Anderen van die aarnamen zijn nog Wendelaar, Steffelaar, Eigelaar (in Duitschland Eichler), Swemmelaar (Schwemmler), Spillenaar, Heydelaar (Heydler), Enklaar, Stellenaar, Scheffelaar (Schäffler en Schöffler), Settelaar, Hoffenaar (Höffner), Bosselaar, enz. Geheel verdietscht is ook Nieuwstadelaar, oorspronkelik Neustädtler.