IV.

Het oude passiespel.

Van het zomerpaleis in Diamante werden gedurende dezen tijd vele brieven verzonden naar Gaetano Alagona, die gevangen zat te Como. Maar de postbode had in zijn tasch nooit een brief van Gaetano, die geadresseerd was aan het zomerpaleis. Want Gaetano was in zijn levenslange gevangenis gegaan, alsof het een graf was. Het eenige dat hij begeerde en wenschte was, dat het hem de vergetelheid en de rust van het graf zou schenken.

Hij gevoelde zich als dood en hij zei tot zich zelf, dat hij het geklaag en gejammer der overlevenden niet wilde hooren. Ook wilde hij niet verleid worden tot hoop, of door teedere woorden verlokt worden te verlangen naar bloedverwanten en vrienden. Hij wilde ook niet hooren wat er geschiedde in de wereld, nu hij geen macht bezat in te grijpen en te leiden.

Hij verschafte zich werk in de gevangenis en sneed schoone kunstwerken zooals hij altijd gedaan had.

Maar hij ontving nooit een brief, nooit een bezoek. Hij meende dat hij op deze wijze niet meer de geheele bitterheid van zijn ongeluk zou voelen. Hij geloofde, dat hij kon leeren een heel leven te leven binnen vier muren.

Dit was de reden, dat donna Micaela nooit een brief tot antwoord van hem ontving.

Eindelijk schreef zij naar den directeur der gevangenis en vroeg of Gaetano nog leefde. En deze antwoordde, dat de gevangene naar wien zij vroeg nooit een brief las. Hij wilde geen enkel bericht van de buitenwereld hooren.

Toen schreef zij hem niet meer, maar werkte des te harder aan haar spoorweg. Ze waagde het nauwlijks daarover te spreken in Diamante, maar toch dacht ze aan niets anders. Zij zelf borduurde en naaide, en ze liet door haar dienaren allerlei goedkoope zaken vervaardigen, die zij op haar bazaar wilde verkoopen.

Uit den winkel nam zij oude artikelen voor de tombola. Zij liet Piero, den poortwachter, gekleurde lampions maken. Zij overreedde haar vader schilden en aanplakbiljetten te schilderen, en zij liet haar kamenier, Lucia, die van Capri was, kettingen van koraal en doosjes van schelpen maken.

Zij was evenwel volstrekt niet zeker, dat er een enkel mensch zou komen op haar feest. Allen waren tegen haar, niemand wilde haar helpen. Ze vonden het niet eens goed, dat zij zich op straat vertoonde en over zaken sprak. Zoo iets paste niet voor een voorname dame.

Toen was het, dat de oude fra Felice haar trachtte te helpen, want hij had haar lief omdat zij hem geholpen had met het beeld.

Eens, toen donna Micaela klaagde, dat zij niemand kon overtuigen, dat men den spoorweg moest aanleggen, nam hij het kalotje van zijn hoofd en wees op zijn kalen schedel.

„Zie naar mij, donna Micaela,” zei hij. „Zoo kaal zal deze spoorweg uw hoofd maken, indien gij voortgaat, zooals gij begonnen zijt.”

„Wát meent gij, fra Felice?”

„Donna Micaela,” zei de grijsaard, „is het geen dwaasheid, een groot plan te ondernemen zonder een vriend of helper te bezitten?”

„Ik heb dikwijls beproefd vrienden te winnen, fra Felice.”

„Ja, menschen,” zei de grijsaard. „Maar wat helpen menschen? Als iemand uit visschen gaat, donna Micaela, weet hij, dat hij San Pietro moet aanroepen, wanneer iemand een paard wil koopen, kan hij bijstand begeeren van San Antonio Albate. Maar indien ik wil bidden voor uw spoorweg, weet ik niet tot wien ik mij zal wenden.”

’t Was fra Felice’s bedoeling te zeggen, dat de fout was dat zij geen schutspatroon gekozen had voor haar spoorweg. Hij wilde, dat zij het gekroonde kind, dat in zijn oude kerk stond, zou kiezen tot vriend en beschermer. Hij zeide haar, dat zij zeer zeker geholpen zou worden, indien zij dit slechts deed.

Zij was zoo getroffen, dat iemand haar wilde bijstaan, dat zij dadelijk beloofde te bidden voor haar spoorweg tot het kind in San Pasquale.

Maar fra Felice ging heen en schafte zich een groote collectebus aan en liet daarop met groote duidelijke letters schilderen: „Gaven voor den Etnaspoorweg.” Deze hing hij op in zijn kerk naast het altaar.

’t Was niet meer dan een dag later, dat donna Emilia, de echtgenoote van don Antonio Greco, naar de oude, verlaten kerk ging om San Pasquale te raadplegen, omdat hij de verstandigste van alle heiligen is.

In den herfst was namelijk don Antonio’s theater begonnen achteruit te gaan, zooals wel te verwachten was in een tijd, dat allen gebrek aan geld hadden.

Don Antonio was toen op de gedachte gekomen te trachten het theater met minder groote kosten dan vroeger te exploiteeren. Hij had op de lampen bezuinigd en de groote, prachtig geschilderde affiches afgeschaft.

Maar dat was een groote dwaasheid geweest. Want als de menschen den lust verliezen om naar een theater te gaan, is het niet het rechte oogenblik de slepen der prinsessen te verkorten of zuinig te zijn op het verguldsel der kronen.

Misschien is het niet zoo gevaarlijk bij een anderen schouwburg, maar in een marionetten-theater is het meer dan moeilijk veranderingen te brengen. Dat komt omdat het meest halfvolwassen knapen zijn, die naar een marionetten-theater gaan. Volwassen menschen kunnen begrijpen, dat men nu en dan zuinig moet zijn, maar kinderen willen het altijd op dezelfde wijze hebben.

Al minder en minder toeschouwers kwamen bij don Antonio en hij ging steeds door met bezuinigen. Toen viel het hem in, dat hij best de twee blinde vioolspelers kon ontberen, vader Elia en broeder Tommaso, die gewoonlijk in de tusschenbedrijven en bij krijgstooneelen speelden.

Deze blinden, die veel geld verdienden met het zingen in sterfhuizen, en die groote sommen wonnen gedurende de feestdagen, verlangden een zeer hooge betaling.

Don Antonio ontsloeg hen uit zijn dienst en schafte zich een orgel aan.

Maar dit werd zijn ongeluk. De leerjongens en winkelbedienden van geheel Diamante bleven weg van het theater.

Zij wilden geen orgel dulden in hun theater, en ze beloofden elkaar, niet naar het theater te gaan, vóórdat don Antonio de blinde muzikanten weer in zijn dienst genomen had. En zij hielden hun belofte. Don Antonio’s poppen moesten voor leege banken optreden.

En de jonge knapen, die anders liever afstand deden van hun avondbrood dan van hun theater, lieten avond op avond voorbijgaan, zonder er heen te gaan.

Ze waren overtuigd, dat zij don Antonio ten slotte konden dwingen, alles weer zooals vroeger in te richten.

Maar don Antonio stamde van een kunstenaarsgeslacht. Zijn vader en broeder bezaten een marionetten-theater, zijn zwager en al zijn familieleden waren menschen van het vak. En don Antonio verstond zijn kunst. Hij kon zijn stem tot in het oneindige veranderen, hij kon gelijktijdig manoeuvreeren met een heel leger van poppen, en hij kende den tekst uit het hoofd van den geheelen cyclus tooneelspelen, die getrokken zijn uit de kroniek van Carolus Magnus.

En nu was don Antonio’s kunstenaarsgevoel beleedigd. Hij wilde niet gedwongen worden de blinden weer in zijn dienst te nemen. Hij wilde dat men naar zijn theater zou gaan om zijnentwille en niet om de muzikanten.

Hij veranderde zijn repertoire en begon groote stukken te spelen met prachtige monteering.

Maar ook dat hielp niets.

Er is een tooneelspel, dat „de dood van den paladijn” genoemd wordt en Rolands strijd bij Ronceval behandelt. Daarvoor zijn zoovele machinerieën noodig dat een poppentheater gedurende twee dagen gesloten moet zijn, voordat het gespeeld kan worden.

Maar het publiek is er zoo op verzot, dat men het gewoonlijk gedurende een geheele maand speelt voor dubbele prijzen en een uitverkocht huis.

Nu maakte don Antonio alles gereed voor dit tooneelstuk, maar hij behoefde het niet te spelen, hij had geen toeschouwers.

Toen was don Antonio gebroken. Hij beproefde vader Elia en broeder Tommaso weer terug te krijgen, maar dezen wisten nu wat zij waard waren. En zij verlangden zulk een hooge betaling dat het don Antonio een onmogelijkheid was, hun dat te betalen. Zij konden niet tot een vergelijk komen.

In de kleine woning achter het marionetten-theater leefde men als in een belegerde vesting. Men kon niets anders doen dan verhongeren.

Donna Emilia en don Antonio waren beiden jonge vroolijke menschen, maar nu lachten zij nooit meer. ’t Was niet zoozeer de nood, die hen drukte, maar don Antonio was een trotsche man, en hij kon de gedachte niet verdragen, dat zijn kunst geen toeschouwers meer vermocht te trekken.

Toen ging donna Emilia naar de kerk van San Pasquale ten einde den heilige te smeeken om een goeden raad. Zij wilde negen gebeden doen voor het groote steenen beeld, dat in het portaal der kerk stond. Maar toen zij begon te bidden, bemerkte zij, dat de kerkdeuren openstonden.

„Waarom staan San Pasquale’s kerkdeuren open?” zei donna Emilia. „Dat heb ik van mijn levensdagen nog nooit gezien.” En zij trad de kerk binnen.

Het eenige, dat daarbinnen te zien was, was fra Felice’s geliefd beeld en de groote collectebus.

En het beeld straalde zoo schoon met zijn kroon en zijn ringen, dat donna Emilia zich tot hem aangetrokken gevoelde. Maar toen zij hem in de oogen zag, vond zij hem zoo liefelijk en schoon, dat zij op haar knieën zonk om te bidden.

En zij beloofde, dat indien hij haar en don Antonio wilde helpen uit hun nood, zij de opbrengst van een geheelen avond zou leggen in de groote bus, die naast hem hing.

Nadat zij gebeden had, verborg donna Emilia zich achter de kerkdeuren en beproefde te verstaan, wat de voorbijgangers zeiden. Want indien het beeld haar wilde helpen, zou hij haar een woord laten hooren, dat haar zeide, wat zij doen moest.

Zij had daar nauwelijks twee minuten gestaan, toen Assunta van de domkerktrap er aankwam in gezelschap van donna Pepa en donna Tura.

En zij hoorde Assunta met haar plechtige stem zeggen:

„Het was in het jaar, dat ik voor de eerste maal het oude Passiespel hoorde.”

Donna Emilia verstond het volkomen duidelijk. Assunta zei werkelijk: „het Passiespel.”

Het was donna Emilia alsof zij nooit zou thuis komen. Haar beenen konden haar niet vlug genoeg dragen, het was alsof de weg tienvoudig verlengd was.

Toen zij eindelijk den gevel van het theater zag, met de roode lantaarns en de groote kleurrijke affiches, scheen het haar dat zij vele mijlen afgelegd had.

Toen zij binnentrad, zat don Antonio met zijn groot hoofd tusschen zijn beide handen en staarde naar den grond. ’t Was droevig don Antonio aan te zien. Gedurende deze laatste weken was zijn haar begonnen uit te vallen. Boven op den schedel was het zoo dun, dat de huid er door scheen.

Was dat te verwonderen, nu hij verteerd werd door zulk een verdriet? Terwijl zij weg was, had hij al zijn poppen te voorschijn gehaald om ze te beschouwen. Dat deed hij nu elken dag. Vooral placht hij lang te staren naar de pop, die voor Aminda speelde. Was zij dan niet schoon en verleidelijk meer? kon hij vragen. En dan trachtte hij het zwaard van Roland of de kroon van Karel den Grooten te verbeteren.

Donna Emilia zag, dat hij de keizerskroon opnieuw verguld had, het was nu zeker wel voor de vijfde maal, dat hij dit deed. Plotseling had hij echter zijn werk neergelegd en was in gedachten verzonken. Hij had het zelf wel gevoeld, dat het hem niet aan verguldsel, maar aan een idee ontbrak.

Toen donna Emilia binnentrad, strekte zij de handen naar haar man uit:

„Zie mij aan, don Antonio Greco,” zei ze. „Ik breng u gouden schalen vol koningsvijgen!”

En zij vertelde hem hoe zij tot het Christuskind gebeden had. Ook zei ze hem, wat zij beloofd en wat het beeld haar geraden had.

Toen zij don Antonio dit verhaalde, sprong hij op. Zijn armen vielen slap langs het lichaam, zijn haren rezen te berge. Een onbeschrijfelijke ontroering maakte zich van hem meester. „Het oude Passiespel,” schreeuwde hij. „Het oude Passiespel.” Want het oude passiespel is een mysterie, dat vroeger op gansch Sicilië gespeeld werd. Het verdrong alle andere oratoria en mysteriën en werd gedurende een paar eeuwen elk jaar in iedere stad gespeeld.

Het was de gewichtigste dag van het jaar wanneer het oude passiespel vertoond werd. Maar nu speelde men het niet meer, nu leefde het nog slechts als een sage in de herinnering van het volk.

In vroeger dagen werd het ook wel in marionetten-theaters gespeeld. Maar nu vond men het te oud en te afgezaagd. Misschien was het sedert dertig jaar niet meer opgevoerd.

Don Antonio begon uit te varen tegen donna Emilia, omdat zij hem kwelde met dergelijke dwaasheden. Hij streed tegen haar als tegen een demon, die zich van hem meester wilde maken. Zij wekte slechts ijdele hoop in hem, die niets dan teleurstelling zou baren, zei hij. Hoe kon zij met zoo iets bij hem aankomen? Maar donna Emilia liet hem kalm uitrazen. Zij zeide slechts, dan hetgeen zij gehoord had, Gods wil was.

Don Antonio begon spoedig te twijfelen. De grootsche gedachte maakte zich langzamerhand van hem meester. Er was niets ter wereld dat op gansch Sicilië zoo geliefd was als het oude passiespel. En woonde er niet nog steeds hetzelfde volk op het edele eiland? Beminden zij niet denzelfden hemel dien hun voorvaderen bemind hadden? Waarom zouden zij het oude passiespel ook niet liefhebben?

Hij verzette zich zoolang hij kon. Hij zei tot donna Emilia dat het te kostbaar zou worden. Waar zou hij de apostelen met lang haar en witten baard vandaan krijgen? Hij bezat geen tafel voor het avondmaal, en hij had de machinerieën ook niet, die noodig waren voor den intocht en de kruisiging.

Maar donna Emilia zag wel, dat hij toe zou geven, en vóórdat de avond viel, ging hij werkelijk naar fra Felice en hernieuwde zijn vrouws belofte om de opbrengst van een avond in de collectebus te leggen, als het beeld hen wilde bijstaan.

Fra Felice vertelde dit aan donna Micaela en zij was verheugd en tegelijkertijd angstig hoe dit zou afloopen.

In de geheele stad werd het bekend, dat don Antonio bezig was het oude passiespel op te zetten en men lachte hem uit. Don Antonio had zijn verstand verloren. Men zou het oude passiespel wel willen zien, indien het gespeeld werd zooals in vroeger dagen.

Men had het willen zien opvoeren zooals in Aci, waar de edellieden der stad voor koningen speelden en huurlingen en handwerkslieden de rollen der Joden en der apostelen vertolkten en waar zoovele scènes uit het oude testament waren opgevoerd, dat het schouwspel een ganschen dag duurde.

Ook zou men de heerlijke dagen van Castelbucco willen doen herleven, toen de gansche stad veranderd was in Jeruzalem. Daar werd het passiespel zoo opgevoerd, dat Jezus door een met palmen omgeven poort de stad binnenreed. De kerk stelde den tempel van Jeruzalem voor en het raadhuis was het paleis van Pilatus. En Petrus warmde zich bij een vuur op den hof van den pastoor; de kruisiging geschiedde op een berg bij de stad en Maria zocht het lijk van haar zoon in de grotten van des sindaco’s tuin.

Hoe kon men zich vergenoegen met het groote mysterie te zien spelen in don Antonio’s theater, wanneer men zulke herinneringen bezat? Maar trots dit alles werkte don Antonio met onvermoeiden ijver om de tooneelspelers te vervaardigen en de machinerieën in orde te brengen.

En zie, na eenige dagen kwam meester Battesta, die uithangborden schilderde, bij hem en schonk hem een affiche. ’t Had hem zoo verheugd te hooren, dat don Antonio het oude passiespel wilde vertoonen. Zelf had hij het in zijn jeugd zien spelen en het had hem zooveel vreugde gegeven. Nu stond er dus met groote letters op het theater te lezen: „Het oude passiespel of de wedergeborene Adam, tragedie in drie bedrijven door cavaliere Filippo Orioles.”

Don Antonio was zeer verlangend te weten, hoe de volksstemming was. Maar de ezeldrijvers en leerjongens, die voorbij zijn theater gingen en het aanplakbiljet lazen, lachten hoonend. Het zag er heel duister uit voor don Antonio, maar hij werkte onvermoeid door.

Toen de avond aanbrak, dat het passiespel gespeeld zou worden, was niemand ongeruster dan donna Micaela.

„Zal het kleine beeld mij helpen?” vroeg zij onophoudelijk. Zij zond haar kamenier Lucia naar het theater om te spionneeren. Stonden er reeds groepen jongens? Scheen het of er veel menschen zouden komen? Lucia kon ook wel eens naar donna Emilia gaan, die bij het loket zat, om te vragen hoe de zaken stonden.

Maar toen Lucia terugkwam, kon zij donna Micaela volstrekt geen hoop geven. Voor het theater stonden in het geheel geen menschen. De knapen hadden besloten don Antonio te ruïneeren.

Tegen acht uur kon donna Micaela het niet langer in huis uithouden. Zij overreedde haar vader met haar naar het theater te gaan. Zij wist wel dat nog nooit een signora een voet gezet had in don Antonio’s theater, maar zij moest zien hoe het afliep. Het zou zulk een verbazend groote vooruitgang voor haar spoorweg zijn, indien don Antonio nu slaagde.

Toen donna Micaela in het theater kwam, was het nog eenige minuten voor achten, en donna Emilia had nog geen enkel biljet verkocht.

Maar toch was zij niet terneergeslagen. „Treed binnen, donna Micaela,” zei ze. „We zullen in elk geval spelen. Het is zoo schoon! Don Antonio zal het spelen voor u, uw vader en voor mij. Het is het schoonste treurspel dat hij nog ooit opgevoerd heeft.”

Donna Micaela kwam in een kleinen schouwburg, die met rouwdoek bekleed was, zooals de groote theaters altijd geweest waren, wanneer het oude passiespel opgevoerd werd. Voor het tooneel hingen zwarte gordijnen, met zilveren franjes omzoomd. En de banken waren met zwart doek bekleed.

Dadelijk nadat donna Micaela binnengetreden was, vertoonde don Antonio’s borstelige wenkbrauw zich voor een kleine opening in de coulisse.

„Donna Micaela,” riep hij, evenals donna Emilia eenige oogenblikken geleden, „we spelen toch, het is zoo schoon, we hebben geen toeschouwers noodig.”

Op hetzelfde oogenblik kwam donna Emilia binnen en hield diep buigend de deur wijd open om den geestelijken herder, don Matteo, binnen te laten.

„Wat zegt ge van mij, donna Micaela?” zei hij lachend. „Maar gij begrijpt, dat is het oude passiespel. Ik zag het eens in mijn jeugd in de groote opera te Palermo en ik geloof, dat het dit stuk was, dat mij tot priester gemaakt heeft.”

Den volgenden keer, dat de deur openging, waren het vader Elia en broeder Tommaso, die met hun violen onder den arm hunne oude plaatsen opzochten, zoo kalm, alsof zij nooit in twist waren geweest met don Antonio.

De deur gleed opnieuw open. Het was een oud vrouwtje uit de steeg tegenover het huis van den kleinen Moor. Zij was in het zwart gekleed en maakte het teeken des kruises toen zij binnentrad.

Na haar kwamen vier, vijf andere oude vrouwtjes.

Donna Micaela keek verdrietig naar hen, terwijl zij zoo langzamerhand het theater vulden.

Zij wist, dat don Antonio niet tevreden zou zijn, vóórdat hij weer zijn eigen publiek had, vóórdat hij weer kon spelen voor zijn geliefde, eigenzinnige knapen.

Plotseling hoorde zij een vreeselijk geraas. Was het een storm of een donderslag? De deuren vlogen wijd open, en tegelijk stormden allen binnen. Dat waren de jongens. Ze vielen met een zekerheid op hun oude plaatsen neer, alsof ze hun eigen huis binnentrokken.

Ze zagen elkaar aan, een weinig beschaamd. Maar zij hadden het niet kunnen verdragen, dat het eene oude vrouwtje na het andere in hun theater ging om te zien wat voor hen gespeeld werd. ’t Was hun onmogelijk geweest te zien, hoe de gansche straat vol oude spinsters was, die naar hun theater trokken. En toen waren zij naar binnen gestormd.

Maar nauwelijks waren de jonge menschen op hun plaatsen gezeten, of zij merkten, dat zij bij een tuchtmeester gekomen waren. O, het oude passiespel! ’t Werd niet opgevoerd zooals in Aci of in Castelbucco. Het werd niet zoo gespeeld als in de opera te Palermo, het werd slechts vertoond door armzalige marionetten met onbeweeglijke gezichten en stijve lichamen. Maar het oude mysterie had zijn macht nog niet verloren.

Donna Micaela bemerkte dit reeds in het tweede bedrijf bij het avondmaal. De knapen begonnen Judas te haten.

Ze slingerden hem bedreigingen en scheldwoorden naar het hoofd.

Toen de lijdensgeschiedenis verder gespeeld werd, namen ze hun hoeden af en vouwden hun handen. Zij zaten roerloos met hun mooie bruine oogen naar het tooneel gewend. Nu en dan sprongen hun de tranen in de oogen, nu en dan werd een vuist in toorn opgeheven.

Don Antonio sprak met tranen in zijn stem, donna Emilia lag geknield op den drempel. Don Matteo zag met een milden glimlach naar de kleine poppen en dacht aan het heerlijke schouwspel te Palermo, dat hem tot priester gemaakt had.

Maar toen Jezus gevangengenomen en gepijnigd werd, schaamden de knapen zich over zich zelf. Zij ook hadden kunnen haten en vervolgen. Zij waren gelijk deze Farizeërs, gelijk deze Romeinen. Ze schaamden zich nu zij er aan dachten. Mocht don Antonio het hun vergeven!

V.

De dame met den ijzeren ring.

Donna Micaela dacht dikwijls aan een arme, kleine naaister, die zij in haar jeugd in Catania gekend had. Zij woonde in een huis naast het paleis Palmeri en zij zat altijd in haar deur te werken, zoodat donna Micaela haar wel duizend malen gezien had. Zij zong altijd, maar zij had zeker slechts een enkel lied gekend. Altijd, altijd had zij dezelfde wijs gezongen.

„Ik heb een lok geknipt van mijn haren,” zoo zong ze. „Ik heb mijn glanzende, zwarte vlechten losgemaakt, en een lok geknipt van mijn haar. Ik heb dat gedaan om mijn vriend te verheugen, die bedroefd is. Ach, mijn geliefde zit in de gevangenis, mijn geliefde zal nooit meer mijn haar streelen. Ik heb hem een lok van mijn haar gezonden om hem te herinneren aan de zijden lokken, die hem nooit meer zullen omstrengelen.”

Donna Micaela moest voortdurend denken aan dit lied. Het was alsof het door haar geheele jeugd geklonken had om haar het lijden te voorspellen, dat haar wachtte.


Donna Micaela zat gedurende dezen tijd vaak op de steenen trap van de kerk San Pasquale. Zij zag de wonderbaarlijkste dingen geschieden op den sagenrijken Etna. Over het zwarte lavaveld kwam een trein aanglijden op nieuwe glinsterende rails. ’t Was een feesttrein. Er wapperden vlaggen langs den weg, de wagens waren bekranst, de zitplaatsen bedekt met purperen kussens. Bij de stations stonden jubelende menschen. „Leve de koning! leve de koningin! leve de nieuwe spoorweg!” riepen ze.

Zij verstond het duidelijk, want zij zelf zat in den trein.

En hoe gevierd en hoe geëerd was zij! Zij werd geroepen voor den koning en de koningin, die haar dankten voor den nieuwen spoorweg.

„Verlang een gunst van ons, vorstinne!” zei de koning, haar aansprekend met den titel, dien de dames van het geslacht der Alagona’s vroeger gevoerd hadden.

„Sire,” antwoordde zij, gelijk men in de sage antwoordt, „schenk de vrijheid aan den laatsten Alagona!”

En dat verzoek werd haar toegestaan. De koning kon niet neen zeggen op een bede van haar, die dezen heilrijken spoorweg aangelegd had, die rijkdom zou schenken aan den ganschen Etna.


Toen donna Micaela den arm ophief, zoodat haar mouw naar boven gleed, zag men, dat zij als armband een ring van verroest ijzer droeg. Dien had zij op straat gevonden en hem over de hand gewrongen en nu droeg zij dien altijd. En wanneer zij dien zag of aanraakte, verbleekte zij, en haar oogen zagen niets meer van de wereld rondom haar. Maar zij zag een gevangenis zooals Foscaris in het paleis der dogen te Venetië. Het was een donkere, nauwe kelderruimte, het licht drong zwak door een tralievenster, en uit den muur kwam een groote bundel ketenen, die zich gelijk slangen kronkelden om de beenen, de armen en den hals van den gevangene.

O, mocht de heilige een wonder verrichten! Mochten de menschen werken! Mocht zij zelf spoedig zoo beroemd zijn, dat zij kon smeeken om de vrijheid van haar gevangene. Hij zal sterven indien zij zich niet haast. Mocht de ijzeren ring haar arm voortdurend wonden, opdat zij hem geen oogenblik vergete!

VI.

Fra Felice’s testament.

Toen donna Emilia het loket opende om de biljetten te verkoopen voor de tweede voorstelling van het oude passiespel, maakten de menschen queue voor den ingang om plaats te krijgen; den avond daarop was het theater zoo overvol, dat er menschen bezwijmden in het gedrang, en den derden avond kwamen er menschen van Aderno en Paterno om het geliefde treurspel te zien.

Don Antonio voorzag, dat hij het gedurende een gansche maand voor dubbelen prijs zou kunnen spelen met twee voorstellingen iederen avond.

Hoe gelukkig waren zij, hij en donna Emilia, en met welk een vreugde en dankbaarheid legden zij vijf en twintig lire in de collectebus van het kleine beeld.

In Diamante wekte deze gebeurtenis zeer veel verbazing en vele menschen gingen naar donna Elisa om te hooren of zij geloofde, dat de heilige wilde, dat men donna Micaela zou bijstaan.

„Hebt ge gehoord, donna Elisa,” zei men, „dat don Antonio Greco geholpen is door het kleine Christuskind in San Pasquale, omdat hij beloofd had de opbrengst van een avond te geven voor donna Micaela’s spoorweg?”

Maar als men dit aan donna Elisa vroeg, kneep zij den mond dicht alsof zij aan niets anders denken kon dan aan haar borduurwerk.

Fra Felice kwam in haar winkel om haar de twee wonderen te verhalen, die het beeld reeds verricht had.

„Signorina Tottenham was zeer dom, dat zij het beeld wegschonk, als het zulk een groote wonderdoener is,” zei donna Elisa.

Datzelfde vonden allen. Signorina Tottenham had het immers gedurende zoo vele jaren bezeten en zij had nooit iets gemerkt. Het beeld kon zeker geen wonderen doen. Het was slechts een toeval.

Het was een ongeluk dat donna Elisa niet wilde gelooven. Ze was de eenige der oude Alagona’s die nog in Diamante woonde. De menschen richtten zich meer naar haar dan zij zelf wisten. Indien donna Elisa het wonder geloofd had, zou de gansche stad donna Micaela hebben willen helpen.

Maar donna Elisa kon niet gelooven, dat God en de heiligen haar schoonzuster wilden bijstaan.

Zij had haar reeds sinds het feest van San Sebastiaan gadegeslagen. Zoodra iemand sprak van Gaetano verbleekte donna Micaela en zag er ontsteld uit. Haar gelaatstrekken werden als die van een zondaar, gekweld door gewetenswroeging.

Op een morgen dacht donna Elisa hieraan en zij was zoo verdiept in deze gedachten, dat zij haar naald liet rusten.

„Donna Micaela is geen vrouw van den Etna,” zei zij tot zich zelf. „Ze houdt het met de regeering en ze is blijde, dat Gaetano gevangen zit.”

Op hetzelfde oogenblik droeg men op straat een groote baar voorbij. Daarop waren een menigte kerksieraden gestapeld. Het waren lichtkronen, een altaarhemel en reliquieënkastjes.

Donna Elisa keek een oogenblik op, toen keerde zij weer tot haar gedachten terug.

„Zij wilde mij niet toestaan het huis der Alagona’s te versieren op San Sebastiaans feest,” dacht zij. „Zij wilde zeker niet dat de heilige Gaetano zou helpen.”

Twee mannen kwamen er nu aansleepen met een krakende kar. Daarop lag een heele berg van roode wandbekleedingen, rijk geborduurde antependiën en altaarstukken in breede vergulde lijsten.

Donna Elisa wuifde met haar hand als om allen twijfel te verjagen. Het kon geen echt wonder geweest zijn, dat geschied was. De heilige moest toch weten dat Diamante geen geld had om een spoorweg aan te leggen. Maar nu reed er een gele wagen voorbij, hoog beladen met muzieklessenaars, misboeken, bidbankjes en biechtstoelen.

Donna Elisa ontwaakte uit haar gepeins. Ze keek tusschen de rozenkransen door, die in trossen voor haar winkelraam hingen, naar de straat. Dat was immers al de derde vracht kerksieraden, die voorbijging. Werd Diamante geplunderd? Waren de Saracenen in de stad gekomen?

Ze ging nu voor haar deur staan om beter te kunnen zien. En weer kwam er een baar voorbij en daarop lagen rouwkransen van ijzer, stukken zerk met lange inscripties en wapenschilden, zooals men in de kerk hangt tot nagedachtenis der dooden.

Donna Elisa vroeg een der dragers, wat dit beteekende en hoorde nu wat er gaande was. Men was bezig de kerk Santa Lucia in Gesu te ontruimen.

De sindaco en de gemeenteraad hadden bevolen, dat men de kerk in een theater zou veranderen.

Na het oproer had men een nieuwen sindaco in Diamante gekregen. ’t Was een jonge man uit Rome, hij kende de stad niet, maar hij wilde toch gaarne iets voor haar doen. Nu had hij in den gemeenteraad voorgesteld, dat Diamante zich op dezelfde wijze een schouwburg zou verschaffen als men in Taormina en in andere steden gedaan had. Men zou eenvoudig een der kerken tot schouwburg inrichten. Men had toch zeker meer dan voldoende aan vijf stadskerken en zeven kloosterkerken; men zou zeker heel goed een daarvan kunnen missen.

Daar was b. v. de Jezuïetenkerk, Santa Lucia in Gesu. Het klooster dat er bij behoorde was reeds veranderd in een kazerne en de kerk was zoo goed als verlaten. Deze kerk zou een uitstekend theater kunnen worden.

Dit had de sindaco voorgesteld en de gemeenteraad had het voorstel aangenomen.

Toen donna Elisa hoorde, wat er plaats greep, wierp zij een mantille en een sluier om en spoedde zich naar de Santa Lucia met even groote haast als waarmee men ijlt naar het huis, waar een stervende ligt.

Hoe zou het nu met de blinden gaan? dacht donna Elisa. Hoe zouden dezen kunnen leven zonder hun kerk Santa Lucia in Gesu?

Toen donna Elisa op de kleine stille markt kwam waar omheen de lange, leelijke gebouwen der Jezuïeten zijn opgetrokken, zag zij op de breede steenen trappen, die langs den ganschen gevel der kerk loopen, een schaar in lompen gehulde kinderen en vele langharige honden. Dat waren de geleiders der blinden, en allen schreiden en klaagden zoo hard zij slechts konden.

„Wat is er te doen?” vroeg donna Elisa.

„Ze willen ons onze kerk ontnemen,” jammerden de kinderen en tegelijkertijd blaften de honden nog klaaglijker dan te voren, want de honden der blinden zijn bijna menschen gelijk.

In de kerkdeur ontmoette donna Elisa meester Pamphilio’s echtgenoote, donna Concetta.

„Ach, donna Elisa,” zei ze, „nooit in uw leven hebt ge zoo iets vreeselijks gezien. Ge doet beter niet in de kerk te gaan.”

Maar donna Elisa ging verder.

In de kerk zag zij eerst niets anders dan een wolk van stof. Maar in dien nevel dreunden hamerslagen, eenige arbeiders waren bezig een grooten steenen ridder los te breken, die in een der vensternissen lag.

„Mijn God,” zei donna Elisa en vouwde haar handen, „ze breken Sor Arrigo los.”

En zij dacht er aan, hoe veilig hij altijd in zijn nis gelegen had. Iederen keer, als zij hem gezien had, wenschte zij, zoo verlost te zijn van alle onrust en smart als de oude Sor Arrigo. En nu werd ook zijn rust verstoord. In de Luciakerk was nog een groot grafmonument. Dat stelde een ouden Jezuïet voor, die op een zwart marmeren sarcophaag lag met een geesel in de hand en zijn hoed diep over het voorhoofd getrokken. Hij werd pater Succi genoemd en men placht de kinderen in Diamante bang te maken met hem.

„Zouden zij het wagen pater Succi aan te raken?” dacht donna Elisa. En door de kalkwolk heen, trachtte zij den weg te vinden naar het koor waar de sarcophaag stond, om te zien of ze den moed hadden den ouden Jezuïet aan te raken.

Maar pater Succi lag nog op zijn steenen bed. Hij lag daar, duister en hard, zooals hij bij zijn leven geweest was, en men kon bijna gelooven, dat hij nog leefde. Was er een dokter en een tafel met medicijnflesschen benevens een brandende kaars voor het bed geweest, dan zou men gedacht hebben dat pater Succi ziek lag in het koor van zijn kerk en op zijn laatste stonde wachtte.

De blinden zaten om hem heen, gelijk bloedverwanten, die zich verzamelen om een stervende, en wiegden hun lichamen van smart heen en weer. Daar waren de beide vrouwen van de hotelpoort, donna Pepa en donna Tura, dan was er oude moeder Saraedda, die genadebrood at bij den sindaco Voltaro. Er waren blinde bedelaars, blinde zangers, blinden van elken leeftijd en stand. Alle blinden van Diamante waren er en in Diamante zijn er ongelooflijk velen, die nooit meer het zonnelicht zien.

Al deze blinden zaten meest zwijgend, maar nu en dan barstte een van hen in jammerklachten uit. Nu en dan trachtte een van hen den weg te vinden naar pater Succi en wierp zich luid jammerend over hem heen.

En wat het nog meer op een sterfbed deed gelijken, was dat de pastoor, don Matteo, en pater Rossi van het Franciscanerklooster rondgingen om de bedroefden te troosten.

Donna Elisa was diep getroffen. Ach, hoe vele malen had zij deze menschen gelukkig gezien in haar winkel, en nu moest zij hen in zulk een ellende treffen?

Zij hadden haar oogen milde tranen ontlokt toen zij treurzangen hadden gezongen over haar man, signor Antonelli, en over haar broer, don Ferrante. Het bedroefde haar hen nu in zulk een nood te zien.

Oud moedertje Saraedda begon te spreken tegen donna Elisa.

„Ik wist niets, toen ik hier kwam, donna Elisa,” zei het oude vrouwtje. „Ik liet mijn hond buiten op de trap en trad binnen door de kerkdeuren. Toen strekte ik mijn armen uit, om mij te steunen aan den deurpost, maar er was geen deurpost. Ik zette mijn voeten neer, alsof er een drempel voor de deur was, maar er was geen drempel. Ik strekte mijn hand uit om wijwater te nemen, ik boog mijn knieën, toen ik voorbij het hoogaltaar ging en ik luisterde naar het klokje, dat geluid wordt, als pater Rossi ter misse gaat.

„Donna Elisa, er was geen wijwater, geen altaar, geen klokgelui, niets, niets was er.”

„Och, arme!” zei donna Elisa.

„Toen hoorde ik gehamer en geklop in een venster. „Wat doet ge met Sor Arrigo?” riep ik, want ik hoorde dadelijk, dat het geluid uit de nis van Sor Arrigo kwam.

„Wij moeten hem wegvoeren,” antwoordde men mij.

„Tegelijkertijd komt don Matteo naar mij toe, neemt mij bij de hand en verklaart mij alles. En ik word bijna boos op den pastoor, als hij mij vertelt, dat men onze kerk voor een theater wil gebruiken. Onze kerk voor een theater!

„Waar is pater Succi?” vraag ik eindelijk. „Is pater Succi nog hier?” En hij brengt mij bij pater Succi. Hij moet mij er wel heen geleiden, want ik kan den weg niet vinden. Sedert ze alle stoelen en bidbankjes, matten en losse treden weggenomen hebben, weet ik niet meer waar ik ben. Vroeger kon ik hier zoo goed den weg vinden als gij.”

„De pastoor zal jelui een andere kerk geven,” zei donna Elisa.

„Donna Elisa, wat wilt ge daarmee zeggen? Ge kunt evengoed zeggen, dat de pastoor ons het gezicht terug zal geven. Kan don Matteo ons een kerk geven, waar wij zien kunnen, zooals wij hier zagen? Geen van ons behoefde hier zijn geleider mee te nemen.

„Daarginds, donna Elisa, stond een altaar, de bloemen daarop waren even rood als de Etna bij zonsondergang en dat konden we zien. Des Zondags telden we zestien kaarsvlammen boven het hoofdaltaar en op feestdagen dertig. Wij konden zien dat pater Rossi hier de mis bediende.

„Wat moeten wij in een andere kerk doen, donna Elisa? Daar kunnen we niets zien. Ze hebben ons het licht onzer oogen opnieuw ontnomen.”

Donna Elisa’s hart werd zoo warm, alsof er gesmolten lava over stroomde. Het was stellig een groot onrecht, dat men dezen ongelukkigen aandeed.

Toen ging donna Elisa naar don Matteo.

„Uw Hoogeerwaarde,” zei ze, „heeft u gesproken met den sindaco?”

„Ach, ach, donna Elisa,” zei don Matteo. „’t Is beter, dat gij beproeft met hem te spreken, dan dat ik het doe.”

„Don Matteo, de sindaco is een vreemdeling, misschien heeft hij nooit hooren spreken over de blinden.”

„Signor Voltara is bij hem geweest, pater Rossi is bij hem geweest en ook ik, ook ik was bij hem. Hij antwoordde niets anders dan dat hij niet kan veranderen wat in den gemeenteraad besloten is.

„Dat weet ge immers wel, donna Elisa, een besluit van den gemeenteraad kan nooit herroepen worden. Als deze besloten heeft, dat uw kat de mis zal lezen in de domkerk, kan er niets aan dit besluit veranderd worden.”

Er ontstond plotseling een opschudding in de kerk. Een groote blinde man kwam binnen.

„Vader Elisa,” fluisterde men. „Vader Elisa.”

Vader Elisa was de deken van het gilde der blinde zangers, die zich in deze kerk plachten te verzamelen. Wit was zijn haar en hij droeg een langen witten baard; hij was schoon als een der heilige patriarchen.

Hij ging gelijk alle anderen naar pater Succi, nam naast hem plaats en drukte zijn voorhoofd tegen het marmer. Donna Elisa ging naar vader Elisa om met hem te spreken.

„Vader Elisa,” zei ze, „ge moest naar den sindaco gaan.” De grijsaard herkende donna Elisa’s stem en hij antwoordde met zijn grove oudemannenstem:

„Gelooft ge dat ik gewacht heb tot gij mij dat zoudt zeggen? Denkt ge dan niet, dat het mijn eerste gedachte was naar den sindaco te gaan?”

Hij sprak zoo luid en duidelijk, dat de arbeiders ophielden met hameren, omdat ze meenden, dat iemand begon te preeken. „Ik heb hem verteld, dat wij blinde zangers een gilde vormen en dat de Jezuïeten reeds drie eeuwen geleden hun kerk voor ons openden en ons het recht gaven hier te vergaderen om nieuwe leden te kiezen en zangen te beoordeelen.

„En ik vertelde hem, dat ons gilde uit dertig zangers bestaat, en dat de heilige Lucia onze schutspatrones is en wij nooit op straat zingen, maar slechts op binnenplaatsen en in de huizen. Ik zei hem, dat we legenden van heiligen zingen en treurzangen, maar nooit een wereldsch lied en dat de Jezuïet pater Succi zijn kerk voor ons opende, omdat wij blinden de zangers zijn van Onzen Lieven Heer.

„Ik vertelde hem, dat sommigen van ons recitatores zijn, die de oude gedichten voordragen, en dat anderen trovatores zijn, die nieuwe dichten.

„Ik zei hem dat wij tot vreugde waren van vele menschen op het edele eiland, en vroeg hem, waarom hij ons niet het leven wilde laten behouden; een daklooze kan niet leven. Ook vertelde ik hem dat wij van stad tot stad plegen te trekken op den Etna, maar dat de Luciakerk ons thuis is en dat hier iederen morgen de mis voor ons wordt gelezen. Waarom wilde hij ons den troost van Gods woord weigeren?

„Ook verhaalde ik hem, dat de Jezuïeten eens van gevoelens jegens ons veranderden en ons uit hun kerk wilden verdrijven, maar dat dit hun niet gelukt was. Wij kregen een gezegeld document van den vice-koning, dat wij ten eeuwigen dage onze vergaderingen in de Santa Lucia in Gesu mogen houden. En ik toonde den sindaco het document.”

„Wat antwoordde hij toen?”

„Hij lachte mij uit.”

„Kan geen der andere raadsleden u helpen?”

„Ik ben bij hen allen geweest, donna Elisa. Ik ben den ganschen morgen van Pontius naar Pilatus gezonden.”

„Vader Elisa,” zei donna Elisa, en ze liet haar stem dalen, „hebt ge vergeten de heiligen aan te roepen?”

„Ik heb de zwarte Madonna aangeroepen, zoowel als San Sebastiaan en Santa Lucia. Ik heb gebeden tot zoo vele heiligen, als ik slechts bij naam kende.”

„Gelooft gij, vader Elisa,” zei donna Elisa en zij liet haar stem nog meer dalen, „dat don Antonio Greco geholpen werd, omdat hij beloofde geld te geven voor donna Micaela’s spoorweg?”

„Ik heb geen geld te geven,” zei de grijsaard moedeloos.

„Gij moest er toch eens over denken, vader Elisa,” zei donna Elisa, „nu gij in zulk een grooten nood verkeert. Gij moest het Christusbeeld beloven, dat gij zelf en allen, die tot uw gilde behooren, zullen zingen en spreken over den spoorweg, om den menschen te overreden bijdragen daarvoor af te staan, indien gij uw kerk moogt behouden. Wij weten niet of het helpt, maar we moeten al het mogelijke beproeven, vader Elisa. Een belofte kost niets.”

„Ik wil beloven wat gij slechts wilt,” zei de grijsaard.

Hij legde weer zijn hoofd op het zwarte marmer, en donna Elisa begreep dat hij de belofte slechts gegeven had om met zijn smart alleengelaten te worden.

„Zal ik uw belofte tot het Christuskind brengen?” zei ze.

„Doe gelijk gij wilt, donna Elisa,” zei de grijsaard.


Denzelfden dag was fra Felice om vijf uur ’s morgens opgestaan en zijn kerk begonnen te vegen. Hij voelde zich vroolijk te moede, maar toen hij daar zoo bezig was, meende hij opeens dat San Pasquale met den zak vol steenen, die in het kerkportaal stond, hem iets te zeggen had.

Hij ging nu naar hem toe, maar San Pasquale stond even onbeweeglijk als altijd. Op hetzelfde oogenblik steeg de zon boven den Etna en zond veelkleurige stralen, harpsnaren gelijk, over den bergketen. Toen de stralen fra Felice’s oude kerk bereikt hadden, tintten ze deze rozerood, rozerood werden ook de oude, verweerde zuilen, die den baldakijn boven het beeld droegen, en San Pasquale met den zak, evenals fra Felice zelf.

„Wij zien er uit als jonge knapen,” dacht de grijsaard. „We hebben nog vele jaren te leven.”

Maar toen hij de kerk weer wilde binnengaan, voelde hij een beklemmenden druk boven het hart en het viel hem in, dat San Pasquale hem geroepen had om hem vaarwel te zeggen. Op hetzelfde oogenblik werden zijn beenen zoo zwaar, dat hij ze nauwelijks kon verzetten. Hij gevoelde geen pijn, maar een loodzware moeheid, die niets anders dan den dood kon beteekenen. Hij had nauwelijks de kracht om den bezem weg te zetten achter de deur van de sacristie; toen sleepte hij zich naar het koor en ging voor het hoogaltaar liggen, terwijl hij zich in zijn pij wikkelde.

’t Was alsof het Christuskind tegen hem knikte en zei: „Nu heb ik je noodig, fra Felice.”

Hij knikte terug. „Ik ben gereed, ik zal je niet ontrouw worden.”

Hij lag daar slechts te wachten, en dat was heerlijk, vond fra Felice. Gedurende zijn gansche leven had hij geen tijd gehad om te voelen hoe moede hij was. Nu kon hij eindelijk eens uitrusten. Het beeld zou de kerk en het klooster wel zonder hem in stand houden.

Hij glimlachte omdat de oude San Pasquale hem naar buiten geroepen had om hem vaarwel te zeggen.

Zoo lag fra Felice een groot gedeelte van den dag, meestal sluimerde hij. Niemand was bij hem, en er kwam een gevoel over hem, dat het niet aanging zoo uit het leven te glijden.

’t Was alsof hij iemand daarmee te kort deed. Die gedachte wekte hem keer op keer. Hij behoorde de priesters bij zich te hebben, maar hij had immers niemand om hen te halen.

Terwijl hij daar zoo lag, scheen het hem dat zijn lichaam al meer en meer inkromp, dat hij steeds kleiner werd. ’t Was alsof hij geheel verdwijnen zou. Nu kon hij zich zeker wel viermaal in zijn pij wikkelen.

Hij zou heel eenzaam gestorven zijn, indien donna Elisa niet gekomen was om het kleine beeld aan te roepen om hulp voor de blinden.

Zij was wonderlijk te moede, want zij wilde gaarne, dat de blinden geholpen werden, maar zij wenschte niet, dat donna Micaela’s zaak bevorderd zou worden.

Toen zij in de kerk kwam, zag zij fra Felice voor het altaar liggen en zij ging naar hem toe en knielde bij hem neer.

Fra Felice wendde zijn oogen naar haar en glimlachte stil. „Ik moet sterven,” zei hij heesch, maar toen verbeterde hij zich en zei: „Ik ga sterven.”

Donna Elisa vroeg wat hem scheelde en zei, dat zij hulp wilde halen.

„Ga hier zitten,” zei hij en deed een matte poging om met zijn mouw het stof van den grond te wisschen.

Donna Elisa zei, dat zij den pastoor en de liefdezusters wilde halen. Hij greep haar bij haar mantel en hield haar terug.

„Eerst moet ik u iets zeggen, donna Elisa.”

’t Spreken viel hem moeielijk, tusschen ieder woord haalde hij zwaar adem. Donna Elisa ging naast hem zitten om te wachten.

Een tijd lang hijgde hij naar adem, toen steeg een vlammend rood op in zijn gelaat, zijn oogen begonnen te glinsteren, en hij sprak vol vuur en zonder eenige moeite.

„Donna Elisa,” zei fra Felice, „ik heb een erfenis weg te schenken. ’t Heeft mij den ganschen dag zorg gebaard, want ik wist niet aan wien ik die zou nalaten.”

„Fra Felice,” zei donna Elisa, „wees daarover niet bezorgd. Er is geen mensch, die een goede gave niet gebruiken kan.”

Maar daar fra Felice zich nu beter gevoelde, wilde hij, vóórdat hij over zijn erfenis beschikte, donna Elisa vertellen hoe goed God voor hem was geweest.

„Heeft God mij geen groote genade bewezen, door mij tot een polacca te maken?” zei hij.

„Ja, dat is een groote gave,” zei donna Elisa.

„Reeds een kleine, zeer kleine polacca te zijn is een groote gave,” zei fra Felice. „Vooral was het nuttig, toen het klooster opgeheven werd en de kameraden weggetrokken of dood waren. ’t Is alsof men een zak vol brood heeft, voordat men de hand uitsteekt om te bedelen, het maakt, dat men altijd vriendelijke gezichten om zich heen ziet en begroet wordt met diepe buigingen. Ik ken geen grooter gave voor een armen monnik, donna Elisa.”

Donna Elisa dacht er aan hoe geliefd en geëerd fra Felice altijd geweest was, omdat hij kon voorspellen op welke nummers prijzen zouden vallen. En zij kon niet nalaten hem gelijk te geven.

„Als ik langs den weg kwam in zonnehitte,” zei fra Felice, „kwam de herder naar mij toe en vergezelde mij een eindweegs, terwijl hij zijn parapluie boven mijn hoofd hield om mij te beschutten tegen de zonnestralen. En als ik bij de arbeiders kwam in de koele steengroeve, deelden zij hun brood en boonensoep met mij. Ik ben nooit bang geweest voor roovers, noch voor karabiniers. De man in het tolkantoor sluimerde, toen ik voorbij ging met mijn zak. ’t Is een goede gave geweest, donna Elisa.”

„Ja, dat is waar,” zei donna Elisa.

„En ’t is geen harde arbeid geweest,” zei fra Felice.

„Zij spraken tot mij en ik antwoordde hun, dat was alles. Zij wisten dat elk woord zijn nummer had, en zij luisterden naar hetgeen ik zei en speelden daarnaar. Ik wist niet, hoe het toeging, donna Elisa, het was een Godsgave.”

„Het arme volk zal u zeer missen, fra Felice,” zei donna Elisa.

Fra Felice glimlachte: „Ze geven niets om mij op Zondag of Maandag, als de trekking pas geweest is,” zei hij. „Maar Donderdags en Vrijdags en Zaterdagsmorgens komen zij tot mij, omdat iederen Zaterdag de loting is.”

Donna Elisa begon onrustig te worden omdat de stervende aan niets anders dacht dan aan dit. Plotseling kwamen haar verschillende menschen in de gedachte, die in de loterij verloren hadden, en zij herinnerde zich velen die hun geheele vermogen daarmee verspeeld hadden. Zij wilde zijn gedachten leiden van dit zondige loterijspel.

„Gij zeidet, dat gij over uw testament wildet spreken, fra Felice.”

„Maar juist omdat ik zoo vele vrienden bezit, valt het mij zoo moeilijk te weten aan wien ik mijn erfenis moet schenken. Zal ik haar geven aan hen, die de zoete koekjes voor mij bakten of aan hen, die artisjokken voor mij roosterden in versche olie? Of zal ik het geven aan de liefdezusters, die mij verpleegden, toen ik ziek was?”

„Hebt gij veel weg te schenken, fra Felice?”

„Dat gaat wel, donna Elisa. Dat gaat wel.”

Fra Felice scheen weer benauwd te worden, zijn borst rees en daalde heftig.

„Ik zou het ook willen geven aan de arme monniken, die hun klooster verloren hebben,” fluisterde hij.

En na een tijdje vervolgde fra Felice: „Ik zou het ook wel gaarne willen schenken aan den goeden man in Rome. Aan hem die over ons allen waakt.”

„Zijt gij zoo rijk, fra Felice?” vroeg donna Elisa.

„Dat gaat wel, donna Elisa, dat gaat wel.”

Hij sloot de oogen een wijle, toen vervolgde hij:

„Ik wil het aan alle menschen schenken, donna Elisa.”

Hij kreeg nieuwe kracht door deze gedachte, weer kleurde een zwak rood zijn wangen en hij richtte zich op zijn ellebogen op.

„Ziehier, donna Elisa,” zei hij, terwijl hij zijn hand in zijn pij stak en een verzegelden brief te voorschijn haalde dien hij haar overreikte. „Dezen moet gij aan den sindaco geven, den sindaco van Diamante.”

„Hier, donna Elisa,” zei fra Felice, „hier zijn de vijf cijfers, die den volgenden Zaterdag zullen winnen. Zij zijn mij geopenbaard geworden en ik heb ze opgeteekend. En de sindaco moet deze cijfers aan de Romeinsche poort laten aanplakken, waar al het gewichtige nieuws aangekondigd wordt. En hij moet het volk doen weten dat dit mijn testament is. Dit schenk ik aan alle menschen Vijf winnende cijfers, een heele quinterne, donna Elisa.”

Donna Elisa nam den brief en beloofde dien aan den sindaco te geven. Zij kon niets anders doen, want de arme fra Felice had niet vele oogenblikken meer te leven.

„Als het nu Zaterdag is,” zei fra Felice, „zullen er velen aan fra Felice denken.

„Zou oude fra Felice ons bedrogen hebben?” zullen zij vragen. „Kan het mogelijk zijn dat we een heele quinterne winnen?”

„Zaterdagavond is er trekking op het balkon van het raadhuis te Catania, donna Elisa. Dan brengt men het loterijrad en de tafel naar buiten en de heeren van de loterij verschijnen, met het kleine, aanvallige kind uit het weeshuis. En het eene na het andere nummer wordt gelegd in het rad van het avontuur, tot ze er alle in zijn, alle honderd.

„Maar de menschen staan beneden op het marktplein te beven van verwachting, gelijk de zee trilt bij storm.

„En alle menschen van Diamante zullen daar zijn, bleek en vol spanning. Ze wagen het nauwelijks elkaar aan te zien. Vóór dien tijd hebben zij geloofd maar nu niet meer. Geen van hen waagt het de minste hoop te koesteren.

„Dan wordt het eerste nummer getrokken en het komt uit. O, donna Elisa, zij zullen zoo ontroerd zijn dat ze nauwelijks kunnen jubelen. Want zij allen hadden gedacht dat zij bedrogen waren. Als het tweede cijfer uitkomt, blijft het doodstil. Dan komt het derde. De heeren van de loterij zullen verbaasd zijn, dat alles zoo stil blijft. „Heden winnen zij niets,” zullen zij zeggen, „heden maakt de staat een goede winst.” Dan komt het vierde cijfer. Het weesje neemt de rol uit het rad en de markeur opent de rol en toont het cijfer.

„Het volk zwijgt in angstige spanning, men kan geen woord spreken bij zooveel geluk. Dan komt het laatste cijfer. Donna Elisa, men schreeuwt, men jubelt, men valt elkaar in de armen, en snikt van vreugde. Men is rijk. Geheel Diamante is rijk...”

Donna Elisa had fra Felice’s hoofd met haar arm gesteund, terwijl hij dit hijgend stamelde. Nu viel zijn hoofd plotseling zwaar achterover. De oude fra Felice was dood.


Terwijl donna Elisa in de kerk was bij fra Felice, hadden vele menschen gehoord van het lot der blinden en waren daardoor diep getroffen. Niet juist mannen, de meeste mannen werkten op het land, maar de vrouwen. Ze waren in groote scharen opgetrokken naar Santa Lucia om de blinden te troosten, en toen er ten slotte ongeveer vier honderd vrouwen verzameld waren, was het haar tegenvallen, dat zij naar den sindaco moesten gaan om met hem te spreken.

Ze waren naar de markt gegaan en hadden om den sindaco geroepen. Toen was hij op het balkon van het raadhuis verschenen en zij hadden gesmeekt, dat de blinden hun kerk mochten behouden. De sindaco was een mooie, vriendelijke man. Hij had haar welwillend te woord gestaan, maar niet toegegeven.

Hij kon niet herroepen, wat de gemeenteraad besloten had. Maar de vrouwen hadden zich stellig voorgenomen, dat het besluit herroepen zou worden, en zij bleven wachten op de markt. De sindaco trok zich terug in het raadhuis, maar zij bleven staan om te roepen. Zij wilden niet naar huis gaan voordat hij toegegeven had.

Terwijl dit plaats vond, kwam donna Elisa er aan om den sindaco het testament te brengen van fra Felice. Zij was zielsbedroefd over al de ellende, maar tegelijkertijd gevoelde zij een bittere voldoening in het feit dat zij geen hulp gevonden had bij het Christuskind. Zij had immers altijd gedacht, dat de heiligen donna Micaela niet wilden bijstaan.

Het was een mooi geschenk dat zij ontvangen had in San Pasquale. Niet alleen dat het de blinden niet kon helpen, maar het was in staat de gansche stad in het verderf te storten. Nu zou het weinige dat het volk nog bezat in de loterij verspeeld worden. Alles wat ze bezaten, zouden ze verpanden en verkoopen.

De sindaco ontving donna Elisa dadelijk en was even beleefd en vriendelijk als altijd, ofschoon de vrouwen nog op de markt stonden te smeeken, blinden in de wachtkamer jammerden en hij den ganschen dag lastig gevallen was door allerlei menschen.

„Waarmee kan ik u van dienst zijn, signora Antonelli?” zei hij. Donna Elisa wist eerst niet tot wie hij sprak.

Toen vertelde zij hem van het testament.

De sindaco was noch bevreesd, noch verwonderd.

„Dat is zeer interessant,” zei hij en strekte de hand uit naar het papier.

Maar donna Elisa hield den brief vast, en vroeg:

„Signor sindaco, wat zijt ge van plan er mee te doen, is het uw voornemen het aan de Romeinsche poort te laten aanplakken?”

„Ja, wat kan ik anders doen, signora? Het is de laatste wil van een stervende.”

Donna Elisa zou hem hebben willen zeggen, welk een noodlottig testament het was. Maar zij zweeg om de zaak der blinden te kunnen bepleiten.

„Pater Succi, die verordende, dat de blinden in zijn kerk mochten bijeenkomen, behoort ook tot de dooden,” sprak zij nu.

„Signora Antonelli, begint gij ook hierover?” zei de sindaco heel vriendelijk. „’t Was een vergissing, maar waarom heeft niemand mij vóór dien tijd gezegd, dat de blinden vergaderden in de Luciakerk? Nu het eenmaal besloten is, kan ik het besluit niet herroepen. Dat kan ik niet.”

„Maar hun rechten en hun document, signor sindaco?”

„Hun rechten beteekenen niets. Die gelden voor het Jezuïetenklooster, maar zulk een klooster bestaat niet meer.

„En signora Antonelli, wat zou er van mij worden, indien ik nu toegaf?”

„Men zou u liefhebben als een goeden man.”

„Signora, men zal gelooven, dat ik zwak ben, en elken dag zullen er vierhonderd vrouwen voor het raadhuis komen bedelen om het een of het ander. Het is immers slechts de quaestie om één dag vol te houden. Morgen zal het vergeten zijn.”

„Morgen!” zei donna Elisa. „Nooit zullen wij het vergeten.”

De sindaco glimlachte, en donna Elisa zag, dat hij geloofde het volk van Diamante beter te kennen dan zij.

„Ge gelooft, dat deze zaak hun na aan het harte ligt?” vroeg hij.

„Ja, dat geloof ik, signor sindaco.”

Toen glimlachte de sindaco weer. „Geef mij dien brief eens, signora.”

Hij ging ermee op het balkon en begon tot de vrouwen te spreken.

„Ik wil u zeggen,” sprak hij, „dat ik juist nu verneem, dat de oude fra Felice dood is en een testament voor u allen nagelaten heeft. Hij heeft vijf cijfers opgeteekend, die den volgenden Zaterdag in de loterij zullen winnen en deze schenkt hij u. Niemand heeft ze nog gezien. Ze zijn opgeteekend in dezen brief, die nog ongeopend is.”

Hij zweeg een oogenblik, opdat de vrouwen konden nadenken over hetgeen hij gezegd had.

En oogenblikkelijk begonnen ze te roepen: „De cijfers, de cijfers!”

De sindaco gaf haar een teeken om te zwijgen.

„Ge moet er wel aan denken,” zei hij, „dat fra Felice onmogelijk weten kon welke nummers den volgenden Zaterdag uit de loterij zullen komen.

„Indien gij op deze cijfers speelt, is het mogelijk dat gij allen verliest. En wij mogen in Diamante niet armer worden, dan wij reeds zijn. Ik verzoek u daarom het testament te mogen vernietigen, vóórdat iemand het gelezen heeft.”

„De cijfers,” riepen de vrouwen. „Laat ons de cijfers zien!”

„Indien ik het testament mag vernietigen,” zei de sindaco, „beloof ik u, dat de blinden hun kerk mogen behouden.”

Het werd stil op de markt. Donna Elisa rees op van haar stoel in de zaal van het raadhuis en klemde zich met beide handen aan de leuning vast.

„Hemelsche Vader,” zuchtte donna Elisa, „is hij een duivel dat hij het arme volk op deze wijze in verzoeking brengt?”

„We zijn tot nu toe arm geweest,” riep nu een vrouw, „we kunnen ook in de toekomst de armoede dragen.”

„We willen Barabbas niet kiezen in plaats van Christus,” riep een andere.

De sindaco nam een lucifersdoosje uit den zak, stak een lucifer aan en bracht dien langzaam bij het testament. De vrouwen lieten lijdelijk toe, dat de sindaco de winnende cijfers van fra Felice vernietigde.

De kerk der blinden was gered.

„Dit is een wonder,” fluisterde de oude donna Elisa. „Allen gelooven aan fra Felice en toch laten ze kalm zijn winnende nummers verbranden! Dat is een wonder.”


’s Namiddags zat donna Elisa weer in haar winkel te borduren. Zij zag er oud uit, het was alsof er iets in haar gebroken en vernietigd was. Het was niet de gewone donna Elisa, die daar zat, het was een arme, oude, verlaten vrouw.

Zij trok de naald langzaam op uit haar werk en toen zij die weer insteken moest, ging dat aarzelend en onwillig. ’t Kostte haar moeite te verhinderen, dat de tranen op haar borduurwerk vielen en het bedierven.

Donna Elisa had zulk een groot verdriet. Heden had zij Gaetano voor altijd verloren. Er was geen hoop hem ooit weer te zien.

De heilige was tegen hem en hielp donna Micaela. Niemand kon er aan twijfelen, dat er nu een wonder was geschied.

De vrouwen van Diamante zouden niet lijdelijk toegestaan hebben, dat men fra Felice’s nummers verbrandde, indien zij niet gebonden waren door een wonder.

Het deed een arm mensch zoo’n verdriet, dat de goede heilige donna Micaela hielp, die niet hield van Gaetano. De bel luidde hevig en donna Elisa stond uit oude gewoonte op. ’t Was donna Micaela, die nu binnenkwam. Zij was verheugd en strekte beide handen uit naar donna Elisa, maar deze wendde zich af. Zij kon haar hand niet drukken.

Donna Micaela was overgelukkig.

„O, donna Elisa, gij hebt mijn spoorweg geholpen. Hoe zal ik u danken!”

„Gij behoeft mij volstrekt niet te danken, schoonzuster!”

„Donna Elisa!”

„Indien de heiligen ons een spoorweg willen geven, dan is dat zeker omdat Diamante daaraan behoefte heeft, maar niet omdat ze u liefhebben.”

Donna Micaela deinsde achteruit. Nu eindelijk meende zij te begrijpen waarom donna Elisa kwaad op haar was.

„Indien Gaetano thuis was,” zei zij, terwijl zij haar hand tegen heur hart drukte:

„Indien Gaetano thuis was, zou hij niet toestaan, dat gij zoo slecht tegen me waart.”

„Gaetano! Zou Gaetano dat niet toestaan?”

„Neen. Zelfs indien gij boos op mij waart, omdat ik hem reeds liefhad, terwijl mijn man nog leefde, zoudt gij het niet wagen mij dat te verwijten indien hij thuis was.”

Donna Elisa trok de wenkbrauwen een weinig op.

„Ge denkt, dat hij mij zou kunnen dwingen te zwijgen over zulk een zaak?” en haar stem klonk wonderlijk vreemd.

„Maar donna Elisa,” fluisterde donna Micaela nu. „’t Is immers geheel onmogelijk hem niet lief te hebben.

„Hij is zoo schoon en hij heeft zooveel macht over mij, dat ik bang voor hem ben.

„Ge moest begrijpen, dat ik hem moest liefhebben.”

„Moest ik dat?” Donna Elisa ging zitten en sprak heel kort af.

Donna Micaela geraakte buiten zich zelf.

„En Gaetano heeft ook mij lief,” riep zij. „Niet Giannita maar mij had hij lief. Gij moest mij als een dochter beschouwen en mij helpen, en gij moest goed jegens mij zijn. Maar in plaats daarvan zijt ge boos op mij. Gij staat mij niet toe tot u te komen om met u over hem te spreken. Hoe ik verlang en hoe ik werk, dat mag ik u niet zeggen.”

Donna Elisa kon zich niet langer bedwingen. Donna Micaela was immers nog een echt kind, jong, dwaas en bevend als een vogelhartje. Juist een wezentje, dat bescherming noodig had. Zij moest haar armen wel om haar heen slaan.

„Dat wist ik immers niet, jij dom, dwaas kindje,” zei zij.