Zoodra Caterham het oogenblik om den netel aan te vatten gekomen wist, nam hij de uitvoering der wet in eigen handen en zond lieden uit om Cossar en Redwood te arresteeren.
Met Redwood ging dit gemakkelijk genoeg. Hij had een operatie in de zijde ondergaan en de doktoren hadden alle verontrustende tijdingen voor hem verborgen gehouden, totdat hij aan de betere hand zou zijn. En nu was hij zoover. Hij was juist opgestaan, en zat in een verwarmd vertrek, met een berg couranten om zich heen, voor het eerst lezend van de agitatie die aan Caterham het land in handen gespeeld had, en van al de moeilijkheden die zich boven de hoofden van zijn zoon en de prinses samenpakten. Het was ’s morgens op den dag dat de jonge Caddles stierf en waarop de politieagent den jongen Redwood trachtte te weerhouden van zijn tocht naar de Prinses. De laatste bladen die Redwood had, stipten deze dingen slechts vaag aan. Hij las deze eerste afschaduwingen van tegenspoed nog eens over met een zinkend hart, en las er steeds meer de schaduw des doods uit; hij las voort om zijn geest bezig te houden tot er verder nieuws zoude komen. Toen de politiebeambten den knecht de kamer in volgden, keek hij verlangend op.
„Ik dacht dat je me een avondblad bracht,” zei hij.
Toen stond hij op, en zei met een plotselinge verandering van houding: „Wat heeft dit te beteekenen?....”
Hiernà bereikte Redwood geen tijding van iets gedurende twee dagen.
Men was met een rijtuig gekomen om hem mede te nemen, doch toen het bleek dat hij ziek was, besloot men hem nog een dag of zoo te laten waar hij was, tot hij veilig kon vervoerd worden, en de politie bezette zijn huis en veranderde het in een tijdelijke gevangenis. Het was hetzelfde huis waarin de Reus Redwood geboren was, en waarin Herakleophorbia voor de eerste maal aan een menschelijk wezen gegeven was, en Redwood was nu al gedurende acht jaar weduwnaar en woonde daar alleen.
Hij was nu metaal-grijs, met een klein puntbaardje, en met nog altijd levendige bruine oogen. Hij was tenger en had een zachte stem, zooals hij altijd gehad had, doch zijne trekken hadden nu die niet te beschrijven uitdrukking welke ontstaat door het peinzen over groote dingen. Het leek den beambte die hem kwam arresteeren, toe, dat zijn voorkomen een indrukwekkend contrast vormde met de kolossaalheid zijner vergrijpen. „Deze vent,” zei de hoofdagent tot zijn ondergeschikte, „heeft zijn uiterste best gedaan om alles in de war te schoppen, en hij heeft een gezicht als een kalm landedelman; en daar heb je nou Rechter Hangbrow, die de zaken in orde houdt voor iedereen, en die heeft een kop als een varken. En dan hun manier van optreden! De één een en al vriendelijkheid en de ander niks dan grommen en brommen. ’k Wil dus alleen maar zeggen dat je niet op iemand z’n uiterlijk kunt afgaan.”
Doch dezen lof van Redwood’s minzaamheid werd al heel gauw den bodem ingeslagen. De agenten vonden hem lastig in het begin, tot zij hem aan zijn verstand gebracht hadden dat het nutteloos was, vragen te doen of om couranten te vragen. Zij stelden een onderzoek in, in zijn studeerkamer, en namen zelfs de couranten mede die hij hàd. Redwood’s stem was luid en vol protest. „Maar begrijp jelui dan niet,” zei hij telkens weer, „dat het mijn zoon is, mijn eenige zoon, die in moeilijkheid zit. Om het Voedsel geef ik niets, maar mijn zoon.”
„Ik wou waarachtig dat ik u iets kon mededeelen, mijnheer,” zei de agent. „Maar onze orders zijn strict.”
„En wie heeft je die orders gegeven?” riep Redwood uit.
„Ah, ja, ziet u, meneer—” zei de agent, naar de deur gaand...
„Hij loopt z’n kamer op en neer,” zei de tweede agent, toen zijn superieur naar beneden kwam.
„Goed zoo, dan zal hij ’t er wel wat uitloopen.”
„Ik mag ’t lijjen,” zei de hoofdagent, „van diè kant heb ik ’t nog niet bekeken, zie je, maar die Reus, die met de Prinses verkeert, weet je, is zijn zóón.”
De twee keken elkaar aan en toen den derden agent.
„Ja, dan is ’t wel wat hard voor hem,” zei de derde agent.
Het bleek dat Redwood nog niet ten volle begrepen had, dat er een ijzeren gordijn gevallen was tusschen hem en de buitenwereld. Zij hoorden hem naar de deur gaan, aan den knop draaien en aan het slot rammelen, en vervolgens de stem van den agent, die op den overloop geplaatst was, en die hem beduidde dat dit alles hem niets hielp. Daarna hoorden zij hem aan de vensters, en zagen de agenten buiten opkijken. „Neen, u kunt er langs dièn kant evenmin uit,” zei de tweede agent. Toen begon Redwood uit alle macht te bellen. De inspecteur ging naar boven en legde hem met veel geduld uit, dat het hem niets gaf of hij al belde, en dat als hij er nù voor niets op drukte, men er wel eens niet naar kon luisteren, als hij wèrkelijk iets noodig had. „We willen u graag in ’t redelijke geven wat we kunnen, meneer,” zei hij, „maar als u op het knopje drukt, eenvoudig om te protesteeren, dan zullen we ’em moeten uitschakelen.”
Het laatste woord dat de inspecteur hoorde was een luid: „maar u kondt me toch in ieder geval wel vertellen of mijn zoon—”
Hierna bracht Redwood een groot gedeelte van zijn tijd aan de vensters door.
Doch de vensters lieten hem heel weinig zien van den gang der zaken buiten. Het was altijd al een stille straat geweest en dien dag was zij buitengewoon stil. Men zag er bijna geen enkel huurrijtuig, en dien geheelen morgen ging er bijna niets anders voorbij dan een winkeliers-karretje nu en dan. Af en toe gingen er menschen voorbij—zonder dat er iets bijzonders aan hen te zien was,—nu en dan een troepje kinderen, een kindermeisje en een vrouw die ging winkelen, en zoo voort. Ze kwamen de straat af links of rechts, met een tergenden schijn van onverschilligheid voor alles wat grooter en ruimer van zin was dan zijzelven, zij kregen het door de politie bewaakte huis met verbazing in het oog en verwijderden zich in tegenovergestelde richting, waar de groote ranken van een reuzen hydrangea over de straat hingen, en keken dan nog eens om en wezen.... Nu en dan ging er een man naar een van de agenten toe om dezen iets te vragen en kreeg dan een kort antwoord...
Aan den overkant schenen de huizen uitgestorven te zijn. Eenmaal verscheen er een werkmeisje aan een slaapkamerraam en bleef een tijdlang nieuwsgierig staan kijken, en het viel Redwood in, haar teekens te geven. Een poosje bleef zij naar deze gebaren kijken alsof zij haar interesseerden en maakte op haar beurt eenige gebaren terug, toen keek ze plotseling over haar schouder en ging heen. Een oude man kwam Nummer 37 uitstrompelen, de stoep af en ging zonder op te kijken de straat af. Het eenige wat er gedurende tien minuten in de straat te zien was, was een kat... En met dergelijke onbelangrijke gebeurtenisjes rekte zich die oneindige en toch zoo gewichtige morgen.
Tegen twaalf uur begonnen de courantenjongens in de straat daar dichtbij te schreeuwen; doch ook dit verstomde. Tègen hunne gewoonte kwamen zij niet door Redwood’s straat en hij begon te vermoeden dat de politie het einde der straat had afgezet. Hij trachtte het raam op te schuiven, doch dit haalde hem onmiddellijk een agent op den hals.
De klok der naburige kerk sloeg twaalf, en na een zee van tijd—één uur.
Het was alsof ze hem wilden voor den gek houden met hem een lunch voor te zetten.
Hij at een stukje en strooide het voedsel wat rond opdat ze het maar weg zouden nemen, dronk nog al wat whiskey, nam een stoel en ging weder voor het venster zitten. De minuten rekten zich uit tot grijze oneindigheden, en een tijdlang sliep hij...
Hij werd wakker met een vagen indruk van verwijderde ontploffingen. Hij nam een trillen der vensterruiten waar als bij een aardbeving; dit duurde een minuut of zoo en hield weder op. Toen, na een tijdje stilte, herhaalde het zich nogmaals... Toen hield het weder op. Hij dacht dat het eenvoudig het voorbijgaan van het een of ander zware voertuig in de hoofdstraat zou zijn. Wat zou het anders kunnen wezen?...
Na eenigen tijd begon hij het te betwijfelen of hij dit geluid wel gehoord had.
Hij hield eindelooze redeneeringen met zichzelf.
Waarom hadden ze hem eigenlijk gevangen genomen? Caterham was pas twee dagen áán—juist lang genoeg—om zijn koe bij de horens te grijpen! Zijn koe bij de horens te grijpen! Zijn Reuzen Netel! Toen dit refrein hem eenmaal in zijn hoofd zat, kon hij het niet weder kwijtraken. Wat kon Caterham eigenlijk doen? Hij was een godsdienstig man. Hierdoor kon hij niet zonder geldige redenen geweld gebruiken.
Zijn Netel uitrukken! Misschien dat ze de Prinses zouden gevangen nemen en haar buitenslands sturen. Dan konden moeilijkheden volgen met zijn zoon. En in dàt geval—! Maar waarom was hijzèlf gearresteerd? Waarom was het noodzakelijk hem omtrent een dergelijk iets onwetend te laten? Het leek wel alsof er—iets meer—iets gewichtigs achterzat.
Misschien dat ze àl de reuzen wilden oppakken! Allemaal tegelijk. Daar was al op gedoeld in de verkiezingstoespraken. En dan?
Zonder twijfel hadden ze Cossar ook al opgepakt.
Caterham was een godsdienstig man. Dààr hield Redwood zich aan vast. Het was of de achtergrond van zijn brein een zwart gordijn was, en op dit gordijn verscheen en verdween telkens weder een woord—een woord, geschreven in vurige letters. Hij vocht voortdurend om het woord niet te zien. Het was alsof het telkens begon op het voorhangsel te komen en niet voleindigd werd.
Eindelijk zag hij het onder de oogen. „Slachting!” Daar stond het woord in zijn volle bruutheid.
Neen! Neen! Neen! Dat was onmogelijk! Caterham was een man met godsdienstige principes, een beschaafd man. En bovendien het kòn toch niet, dat het werk van al deze jaren, dat al deze hoop met één slag vernietigd werd!
Redwood sprong op, en liep de kamer op en neêr. Hij praatte in zichzelf; hij riep luide: „Neen!”
Zóó krankzinnig zou de menschheid toch zeker niet zijn—’t kòn niet! Het was onmogelijk, het was niet te gelooven, het kòn niet. Wat voor nut kon het hebben de menschen-reuzen te dooden, waar de tijd van het reusachtige in al de lager-staande dingen nu onherroepelijk aangebroken was? Zóó krankzinnig kònden ze niet zijn.
„Ik moet dit uit mijn hoofd zetten,” zei hij luid, „ik moet dit denkbeeld absoluut uit mijn hoofd zetten!”
Hij zweeg plotseling. Wat was dat?
Nu was hij er toch zeker van dat de ruiten gerateld hadden. Hij ging naar het venster om in de straat te kijken. Aan den overkant zàg hij de onmiddellijke bevestiging van wat zijne ooren gehoord hadden. Voor een slaapkamerraam, op nummer 35 stond een vrouw, met een handdoek in de hand, en aan het venster van de eetzaal van nummer 37 zag hij een man staan achter een groote vaas overvoed venus-haar, en beiden keken ongerust en nieuwsgierig naar boven. Hij zag nu maar al te duidelijk dat de agenten op straat het ook gehoord hadden. Het kwam dus niet voort uit zijne verbeelding.
Hij wendde zich om naar de duisterwordende kamer.
„Kanonnen,” zei hij.
Hij bleef staan peinzen.
„Kanonnen?”
Men bracht hem sterke thee, zooals hij die gewoon was te drinken. Blijkbaar had men zijn huishoudster hierin geraadpleegd. Nadat hij zijn thee had uitgedronken was hij te rusteloos om nog langer aan het venster te zitten, en hij liep de kamer op en neer. Hij begon langzamerhand geregelder te denken.
Deze kamer was al vierentwintig jaar zijn studeerkamer geweest. Zij was gemeubeld bij zijn trouwen, en al de zwaardere meubels dateerden van dien tijd, de groote dubbele schrijftafel, de draai-stoel, de luie-stoel bij het vuur, de draaiende boekenstander, de vaste rij genummerde vakjes die de nis aan het eind van het vertrek vulden. Het kleurige Turksche tapijt, de kleeden uit den lateren tijd van Victoria’s regeering, en gordijnen die nu verschoten waren tot een mooie waardige kleurschakeering, en het roode en gele koper blonk prachtig vóór den gloed van het vuur. Electrische lampjes hadden de plaats ingenomen van de petroleum-lamp van vroeger dagen; dit was de voornaamste verandering, die het oorspronkelijke meubilair ondergaan had. Doch tusschen al deze dingen had zijn omgaan met het Voedsel allerlei sporen achtergelaten. Langs den eenen wand, boven den dado, was een drukke groepeering van foto’s en photogravures in lijsten, die zijn eigen zoon en Cossar’s zonen en andere Bomvoedsel-kinderen voorstelden op verschillende leeftijden en temidden van verschillende omgevingen. Zelfs het peinzende gezicht van den jongen Caddles kon men weervinden in deze verzameling. In den hoek stond een bosje reusachtige grashalmen uit een weide bij Cheasing-Eyebright, en op de schrijftafel lagen ledige manekoppen zoo groot als hoeden. De gordijn-roeden waren grasstengels. En de reusachtige schedel van het groote varken van Oakham hing met den snuit naar beneden als een massieve ivoren schouw, met een Chineesche pul in elke oogholte, boven het vuur...
Redwood ging naar de foto’s en keek in het bijzonder naar de foto’s van zijn zoon.
Zij riepen hem tallooze herinneringen in het geheugen terug, die hij haast vergeten had, uit de dagen toen het Voedsel nog pas in de geboorte was; hij dacht aan Bensington’s bloode verschijning, aan Bensington’s nicht Jeanne, aan Cossar en aan den nachtelijken arbeid op de Proef-Hoeve. Deze dingen kwamen hem nu weder erg klein en helder en duidelijk voor den geest, als dingen die men op een zonnigen dag door een verrekijker ziet. En dan was er die reusachtige kinderkamer, de kindertijd van den reus, de eerste pogingen om te spreken, en de eerste duidelijke teekenen van affectie van het reuzen-kind.
Kanonnen?
Het drong zich aan hem op, onwederstaanbaar en overweldigend, dat daarbuiten, ver van deze vervloekte stilte en geheimzinnigheid, zijn zoon en Cossar’s zonen en al deze heerlijke eerste vruchten van een grootscher eeuw aan het vechten waren—op dàt oogenblik zelfs—aan het vechten waren om het leven! Zelfs op dat oogenblik was het mogelijk dat zijn zoon in de een of andere groote moeilijkheid zat, gewond en vermeesterd....
Hij wendde zich plotseling van de foto’s af en liep gesticuleerend het vertrek op en neer.
„Het kàn niet,” riep hij uit. „Het is onmogelijk. Het kàn zoo niet eindigen!”
„Wat was dat?”
Hij bleef als verstijfd staan.
Het beven der ramen was weder begonnen, en toen was er plotseling een doffe plof gevolgd—een ontzettende ontploffing die het geheele huis deed dreunen. Dat moest erg dichtbij geweest zijn. Een oogenblik lang leek het hem alsof iets het huis boven hem geraakt had—een enorme drukking waarop een gerinkel van vallend glas volgde en toen een stilte die eindelijk eindigde in een duidelijk hoorbaar geluid van dravende voeten beneden op straat.
Deze voeten schudden hem uit zijne verstijving wakker. Hij wendde zich naar het venster en zag dat de ruiten gebarsten waren.
Zijn hart klopte hevig, als voelde hij dat nu de crisis, de eindbeslissing en de bevrijding gekomen was. En toen viel de plotselinge gedachte aan de gevangenschap, die hem machteloos maakte, weder om hem heen als een gordijn!
Buiten zag hij niets behalve dat de kleine electrische lamp aan den overkant niet brandde; hij hoorde niets na de eerste aanduiding van wilde verwarring. En hij kon niets verders gewaar worden om dit mysterie te verklaren of nog te vergrooten, behalve dat er een oogenblik later een roodachtig, heen en weer bewegende gloed in de lucht zichtbaar werd in het zuid-oosten. Dit licht werd telkens helder en verdween weder. Als het verdween twijfelde hij eraan of het eerst wel opgekomen was. Het was langzamerhand in de kamer gegleden met het schemerduister. Het werd het voornaamste feit in dien langen nacht, vol spanning. Soms leek het hem dat het beefde als flikkerende vlammen en dan weder verbeeldde hij zich dat het niets anders was dan de gewone reflectie der avond-lantarens. Het groeide aan en werd weder minder, al die uren lang, en verdween niet éér voor het vervloeide in den aanbrekenden dageraad. Beteekende dit—? Wat hàd het te beduiden? Hij was er bijna zeker van dat het een brand was, dichtbij of verwijderd, doch hij kon zelfs niet zeggen of het rook was of wolken die langs de lucht zeilden. Doch tegen één uur begonnen er zoeklichten te flikkeren door dien rossigen schijn, die den geheelen nacht bleven heen en weder glijden. Dit óók kon allerlei beteekenen. Wat kòn het beduiden. Wat betéékende het? Het eenige wat hij had om zijn geest bezig te houden, waren deze vuilgevlekte rustelooze lucht en de indruk van een geweldige ontploffing. Verder deed zich geen geluid vernemen, geen verder heen en weer gedraaf, niets dan geschreeuw dat evengoed van dronken lieden op een afstand kon komen....
Hij draaide zijn lichten niet op; hij bleef voor zijn tochtige gebroken ruiten staan, en leek den agent, die telkens eens in de kamer kwam kijken en hem aanried om wat te gaan rusten, een kommervol, klein donker omlijnd mannetje toe.
Den geheelen nacht bleef Redwood voor het venster staan, keek op naar het verwarde voorbijdrijven der wolken, en niet vóór den dageraad, gaf hij aan zijne vermoeidheid toe en ging hij liggen op het veldbed dat men voor hem gespreid had tusschen zijn schrijftafel en het steeds lager vlammende vuur in den haard, onder den kop van het groote varken.
Zesendertig uur lang bleef Redwood opgesloten in zijn kamer en afgesloten van het groote drama der Twee Dagen, waarop de kleine menschenkinderen, in den dageraad der grootheid, tegen de Kinderen van het Voedsel streden. En toen ging plotseling het ijzeren gordijn weder op en bevond hij zich dichtbij het centrum van den strijd. Laat in den middag werd hij naar het venster getrokken door het rollen van een huurrijtuig dat buiten stilhield. Een jonge man sprong eruit en een oogenblik later stond er voor hem in de kamer, een tenger gebouwde jonge man van misschien dertig jaren, gladgeschoren, goed gekleed en welgemanierd.
„Mijnheer Redwood, mijnheer,” begon hij, „zoudt u genegen zijn bij mijnheer Caterham te komen? Hij verzoekt u zeer dringend bij hem te komen.”
„Verzoekt mij dringend!”... Er kwam plotseling een vraag in Redwood’s hoofd op, die hij niet kon uiten. Hij aarzelde. En toen vroeg hij met bevende stem: „Wat heeft hij met mijn zoon gedaan?” en wachtte ademloos op het antwoord.
„Uw zoon, mijnheer? Uw zoon maakt het goed. Ten minste dat vertrouwen wij.”
„Maakt hij het goed?”
„Hij werd gisteren gewond, mijnheer. Hebt u dat dan niet gehoord?”
Redwood wierp deze huichelarijen omver door te zeggen, met een stem waarin nu niet langer vrees, doch toorn klonk: „U weet heel goed dat ik dit niet vernomen heb. U weet heel goed dat ik niets vernomen heb.”
„Mijnheer Caterham was bang, mijnheer—Het was een tijd van opstand. Iedereen—overrompeld. Hij arresteerde u om uwe veiligheid te verzekeren, Mijnheer.”
„Hij arresteerde mij om te voorkomen, dat ik mijn zoon zou waarschuwen of hem raadgeven. Maar ga voort. Vertel mij wat er gebeurd is. Zijn uwe pogingen geslaagd? Hebt gij ze allen gedood?”
De jonge man deed een schrede in de richting van het venster en wendde zich toen om.
„Neen, mijnheer,” zei hij kortaf.
„Waarvoor komt u hier?”
„Het is ons bewijs, mijnheer, dat wij dit gevecht niet begonnen zijn. Zij vonden ons—geheel onvoorbereid.
„U bedoelt?”
„Ik bedoel, mijnheer, dat de reuzen zich tot op zekere hoogte hebben—staande gehouden.”
Redwood zag nu alles in een ander licht. Een oogenblik leek het alsof eene zenuwaandoening de spieren van Redwood’s gelaat en keel deed schokken. Toen uitte hij een diep „Ah!” En zijn hart sprong in hem op van vreugde. „De reuzen hebben zich staande gehouden.”
„Er is vreeselijk gevochten—en er zijn vreeselijke verwoestingen aangericht. Alles komt voort uit een afgrijselijk misverstand... In het Noorden en in het midden van het land zijn er Reuzen gedood... Overal.”
„Wordt er nù nòg gevochten?”
„Neen, mijnheer. Er werd een wapenstilstand gevraagd.”
„Door hen?”
„Neen, mijnheer. Mijnheer Caterham zond een witte vlag en vroeg een wapenstilstand aan. Alles komt voort uit een vreeselijk misverstand. Daarom wenscht hij met u te spreken, en u zijn geval voor te leggen. Zij staan erop, dat u als bemiddelaar zult optreden—”
Redwood viel hem in de rede. „Weet u ook wat er met mijn zoon gebeurd is,” vroeg hij.
„Hij werd gewond!”
„Vertel het mij, vertel het mij!”
„Hij en de Prinses stuitten—nog vóór de beweging om het kamp der Cossar’s—de groeve der Cossar’s te Chislehurst—te omsingelen geheel uitgevoerd was, plotseling op een colonne infanterie toen zij door een dicht kreupelbosch van reuzen-haver kwamen breken... De soldaten waren den heelen dag al erg zenuwachtig geweest en dit veroorzaakte een paniek.”
„Hebben ze hem doodgeschoten?”
„Neen, mijnheer. Zij vluchtten. De een of ander schoot in het wilde op hem—tegen de bevelen in.”
Redwood gaf te kennen dat hij dit niet geloofde.
„Het is zoo, mijnheer. Ik wil niet beweren dat ’t om uw zoon was, maar terwille van de prinses.”
„Juist, dàt is het.”
„De twee reuzen renden schreeuwend naar het kamp. De soldaten liepen wild door elkaar en toen vuurde er een. Men zegt, dat ze hem zagen wankelen—”
„Hu!”
„Ja, mijnheer. Maar wij weten ook dat hij niet ernstig gewond is.”
„Hoè weet u dat?”
„Hij zond bericht, mijnheer, dat hij wel was!”
„Aan mij?”
„Aan wien anders, mijnheer?”
Redwood stond bijna een minuut lang met over elkaar geslagen armen om dit alles te omvatten. En toen gaf de verontwaardiging hem zijn stem weder.
„Omdat jelui krankzinnig waren dit alles te doen, omdat jelui je misrekend en een stomme fout gemaakt hebt, zou je mij willen doen gelooven, dat jelui geen moordenaars in voorbedachten rade zijt. En bovendien—Hoe is het met de anderen?”
De jonge man keek hem vragend aan.
„De andere Reuzen?”
De jonge man wendde niet langer voor hem niet te begrijpen. Zijn stem daalde.
„Er zijn er dertien gesneuveld, mijnheer.”
„Ja, mijnheer.”
„En Caterham,” hijgde hij, „wil hebben, dat ik hem ga opzoeken!... Waar zijn de anderen?”
„Enkelen bereikten het kamp onder het gevecht, mijnheer.... Zij schijnen geweten te hebben dat—”
„Natuurlijk wisten ze dat. Als Cossar er niet geweest was—Is Cossar daar ook?”
„Jawel, mijnheer. En al de nog overgebleven reuzen bevinden zich daar—die welke het kamp niet konden bereiken onder het gevecht, zijn verdwenen, of zijn nu veilig onder de vlag der wapenstilstand.”
„Dat wil dus zooveel zeggen, als dat jelui verslagen zijt,” zei Redwood.
„Wij zijn nièt verslagen, mijnheer. Neen, mijnheer. Dàt kunt u niet zeggen. Maar uwe zonen hebben tegen de krijgsgebruiken gehandeld. Eenmaal gisterenavond en vandaag wèder. Nadat onze aanvallende colonnes zich teruggetrokken hadden. Vanmiddag begonnen zij Londen te bombardeeren—”
„Dat is volkomen gewettigd!”
„Zij vuurden bommen af, gevuld met—vergif.”
„Vergif?”
„Ja. Vergif. Het Voedsel—”
„Herakleophorbia?”
„Ja, mijnheer. Mijnheer Caterham, mijnheer—”
„U zijt verslagen! Natúúrlijk kunnen jelui dáár niet tegen op. Dat is het werk van Cossar! En wat rest jullie nu nog? Wat geeft het of je de hemel weet wat ook begint? Jelui zult het inademen met het stof van de straten. Waarom zouden jelui nog dóórvechten? Jawel, krijgsregelen! En nu wil Caterham mij zoover overduvelen dat ik hem zal helpen onderhandelen. Goeie God, man? Waarom zou ik meegaan naar jelui uitelkaar gespatte zak met wind? Hij heeft zijn kaart uitgespeeld... gemoord en de boel wanhopig in de war gestuurd. Waarom zou ik nù nog meegaan?”
De jonge man stond daar in een houding van eerbiedige waakzaamheid.
„Mijnheer, het is zooals ik u zei,” viel hij Redwood in de rede; „de reuzen staan er op u te zien. Zij willen geen anderen bemiddelaar dan u. Ik vrees dat, zoo u niet naar hen toegaat, er nog meer bloed zal vloeien.”
„Aan úw kant misschien.”
„Néén, mijnheer—aan beide zijden. De wereld heeft vast besloten, dat er een einde aan moet komen.”
Redwood keek zijn studeervertrek rond. Zijn oog bleef een oogenblik rusten op de foto van zijn zoon. Hij wendde zich om en antwoordde den in spanning verkeerenden jongen man:
„Ja, ik zal meegaan.”
Zijn ontmoeting met Caterham was geheel anders dan hij verwacht had. Hij had den man slechts tweemaal in zijn leven gezien, eenmaal aan een diner, en eens in de corridors van het Parlementsgebouw, en zijn verbeeldingskracht had zich beziggehouden, niet met den màn, doch met de creatie der nieuwsbladen en karikaturen, met den Caterham uit de legende, „Jack de Reuzendooder,” „Perseus” en al die andere nonsens. Doch nu kwam de persoonlijkheid van vleesch en bloed dit alles omverwerpen. Dit was niet het gelaat uit de caricaturen en afbeeldingen, doch het gelaat van een afgewerkt man die aan slapeloosheid leed, gerimpeld en lusteloos, en met geel in het wit zijner oogen, en een beetje verzwakt om den mond. Zeker, dit waren de roodbruine oogen, het zwarte haar, het gepronunceerde arends-profiel van den grooten volksman, doch hier was eveneens iets dat alle vóór-opgevatte geringschatting en rhetorica wegdreef. Deze man was lijdende; hij leed acúut; en zijne zenuwen waren tot het uiterste gespannen. Van het eerste oogenblik af aan zag hij eruit als de man die zijn rol speelt. Een oogenblik later zag Redwood aan een enkel gebaar, en aan een lichte beweging, dat hij zich met artsenijen op de been hield. Hij bracht zijn duim naar zijn vestzak en na nog even doorgepraat te hebben, wierp hij alle geheimhouding terzijde en liet het tabletje tusschen zijn lippen doorglijden.
Bovendien, niettegenstaande zijne overspanning, niettegenstaande het feit dat hij ongelijk had, en een dozijn jaren jonger dan Redwood, voelde Redwood toch in hem die vreemde hoedanigheid, dat onverklaarbaar iets—men zou het bij gebrek aan een beteren naam „persoonlijk magnetisme” kunnen noemen—nog aanwezig hetwelk hem deze noodlottige hoogte had doen bereiken. En ook hièrop had Redwood niet gerekend. Van het eerste oogenblik af aan, overheerschte Caterham Redwood voor zoover het den loop en de leiding van hun gesprek betrof. De aard van het eerste gedeelte van hun samenspreking, de toon en de leiding er van gingen van hem uit. En dat gebeurde alsof het zoo vanzelf sprak. Al Redwood’s verwachtingen gingen in rook op toen hij voor hem stond. Zij hadden elkaar de hand gedrukt vóór Redwood zich nog goed bewust was, dat hij deze familiariteit had willen afwijzen; hij gaf van het begin den toon van het gesprek aan, zeker en duidelijk, alsof zij samen naar middelen zochten om een gemeenschappeltjke ramp te bezweren.
Als hij al eens een fout beging, was het wanneer zijne vermoeidheid zijne aandacht een oogenblik de baas werd, en de gewoonte in het publiek te spreken hem meêsleepte. Dan richtte hij zich op—gedurende hun geheele conferentie stónden de beide mannen—en staarde hij langs Redwood heen, en begon zich te verweren en zich te rechtvaardigen. Eenmaal zei hij zelfs: „Mijne heeren!” Rustig uiteenzettend, begon hij te praten...
Op sommige oogenblikken vergat Redwood zelfs, dat hij tegenover dezen man stond als ondervrager, en werd hij niets dan de toehoorder van een monoloog. Hij werd de begunstigde toeschouwer van een buitengewoon verschijnsel. Hij voelde bijna iets van een specifiek verschil tusschen zich zelf en dit wezen welks mooie stem als het ware om hem heenvloeide, al maar doorpratend. Deze geest, die zich hier voor hem uitte, was zoo machtig en toch tegelijk zoo klein. De naar zijn doel stuwende energie, het persoonlijke gewicht, het onverbeterlijke over het hoofd zien van zekere dingen, deden in Redwood’s geest een belachelijk en vreemd beeld geboren worden. Inplaats van als een tegenstander, die een medemensch was, een man dien men moreel verantwoordelijk kon stellen, en tot wien men redelijke verzoeken kon richten, zag hij Caterham als iets, ja, als een monsterachtigen rhinoceros, als het ware een beschaafden rhinoceros, voortgekomen uit de wildernis van het democratische leven, een monster welks aanval en verdediging onwederstaanbaar en onoverwinbaar waren. In al de tegen elkaar indruischende woordenwisselingen van die netelige zaak was hij de eerste. En verder? Deze man was een wezen, bij uitnemendheid geschikt om zich een weg te banen door menigten van menschen. Voor hem bestond er geen grover fout dan zelftegenspraak, geen wetenschap zóó belangrijk als het verzoenen van met elkaar strijdige „belangen.” Economische werkelijkheid, topografische behoeften, de nauwelijks aangeraakte mijnen van wetenschappelijke hulpmiddelen bestonden voor hem evenmin, als spoorwegen of geweren of land- en volkenkunde bestaan voor den rhinoceros waarop hij in Redwood’s verbeelding geleek. Wat alléén voor hem bestond waren vergaderingen en kiesvereenigingen en stemmen—ja bovenal, stèmmen. Hij was de geïncarneerde stem—millioènen stemmen.
En nu, in deze geweldige crisis met de Reuzen, die wel geleden hadden, doch niet verslagen waren, praatte dit stem-monster.
Het was zoo duidelijk dat hij zelfs nù nog alles te leeren had. Hij wist niet dat er physieke en economische wetten waren, grootheden en reacties die de geheele menschheid, al stemt ze ook „nemine contradicente” niet kan weg-stemmen, en waaraan men alleen ten koste van algeheele vernietiging kan ongehoorzaam worden. Hij wist niet, dat er moreele wetten zijn, die niet verbogen kunnen worden door welk oogbedrog ook, of die slechts gebogen worden om met wrekende hevigheid terug te springen. Het werd Redwood duidelijk, dat deze man als hij voor schroot of den Dag des Oordeels gesteld werd, zich zou verschuilen achter de een of andere op eigenaardige manier verdraaide „stemming van het Lagerhuis.”
Wat zijn geest zelfs op dit oogenblik het meest bezig hield, waren niet de machten die de sterkte ginds in het zuiden bezet hielden, niet nederlaag of dood, doch den indruk dien dit alles op zijne „Meerderheid” zou maken, (de eenige, groote werkelijkheid in zijn leven.) Hij moest de Reuzen verslaan of zelf van het politiek tooneel verdwijnen. Hij was nog geenszins geheel wanhopig. In dit uur van algeheel falen, met bloed en ramp op zijn geweten, en de rijke belofte van nog meer vreeselijke rampen; terwijl de reusachtige krachten der wereld zich hoog boven hem verhieven en over hem heen vielen, was hij nog in staat te gelooven dat als hij zijn stem maar uitzette, en uitlegde en nog eens weder uitlegde, hij zijn macht weder zou kunnen herstellen. Zonder twijfel zat hij in de klem, en was hij moe en lijdend, maar als hij zich er maar bovenop kon houden, als hij maar kon blijven sprèken—
Terwijl hij praatte leek het Redwood toe alsof hij naar voren trad en zich weder terugtrok, alsof hij zich uitzette en inkromp. Redwood’s aandeel in wat er gezegd werd, was van zeer ondergeschikt belang, en niet anders als het ware dan wiggen, plotseling tusschen zijn phrases geschoven.
„Onzin mijnheer.” „Neen.” „Dàt voorstel geeft natuurlijk niets.” „Waarom begon u er dan mee?”
Het is twijfelachtig of Caterham hem wel hoorde. Caterham’s rede omvloeide dergelijke onderbrekingen als een snelle stroom een rots. Daar stond deze wonderbare man, op zijn officieele haardkleed, pratend, al maar pratend met enorme kracht en vaardigheid, pratend alsof een oogenblik rust in zijn rede, in zijne uitleggingen, in zijn voorstelling van een standpunt, van overwegingen en middelen, den een of anderen vijandigen invloed gelegenheid zou geven zich te doen gelden—zich in wóórden uit te drukken,—het eenige wat hij begrijpen kon. Daar stond hij temidden der lichtelijk verwelkte pracht van dat officieele vertrek waarin de eene man na den ander was ondergegaan door het geloof dat een zekere handigheid in het bemiddelen de beste manier was om een keizerrijk te regeeren...
Hoe meer deze man praatte, hoe sterker Redwood doordrongen werd van de verbazende oppervlakkigheid van dezen woordenvloed. Besefte deze man wel dat, terwijl hij daar stond te praten, de geheele groote wereld voortleefde; dat het niet te keeren getij van groei al maar voortstroomde, dat er nog andere uren bestonden dan die welke men in het Parlement doorbracht met praten, en dat de hand der Wrekers van het vergoten Bloed gewapend was? Buiten tikte één enkel reuzenblad van een Virginische meelbloem, dat het geheele vertrek verduisterde, tegen de ruiten, zonder dat iemand er op lette.
Redwood verlangde naar het slot van deze wondere alleenspraak, om te kunnen gaan naar een plaats waar hij weder gezonde rede en oordeel zou hooren, naar het belegerde kamp, naar de sterke vesting der toekomst, waar de Zonen nu bij elkaar waren, in al de glorie hunner grootheid. Om daarheen te kunnen gaan had hij al dit gepraat geduldig aangehoord. Hij kreeg het eigenaardige gevoel, dat zoo deze alleenspraak niet spoedig eindigde, hij er door zou meê gesleept worden, dat hij moest kampen tegen den indruk dien Caterham’s stem op hem maakte, zooals men kampt tegen de werking van een slaapmiddel. De feiten waren veranderd, en vervormden zich nog steeds onder die betoovering.
Wat zei die man toch?
Daar Redwood het den Kinderen van het Voedsel moest overbrengen, begreep hij dat het tot op zekere hoogte van belang was ernaar te luisteren.
Hij zou beter moeten luisteren en zijn neiging om zich te laten afleiden door de dingen om hem heen, zoo veel mogelijk moeten beheerschen.
Hij hoorde veel praten over „bloedschuld.” Dat was alleen maar terwille van de welsprekendheid. Dus dat kwam er minder op aan. En dan?
Hij stelde een verdrag voor!
Hij stelde voor, dat de nog overgebleven Kinderen van het Voedsel zouden capituleeren en ergens afzonderlijk zouden gaan wonen en een eigen maatschappij vormen. De geschiedenis kon op meer dergelijke maatregelen wijzen. „Wij zouden hun grondgebied kunnen aanwijzen—”
„Waar?” viel Redwood hem in de rede, zich verwaardigend om te praten.
Caterham greep naar de vraag als een concessie. Hij wendde zijn gelaat naar Redwood, en zijn stem werd overredend. Dat zou men later kunnen bepalen. Hij moest opmerken, dat dit een punt van ondergeschikt belang was. Toen ging hij voort met vaststellen: „En behalve over hetgeen zij zelf behoeven op de plaats waar zij zijn, moeten wij de absolute beschikking hebben over het Voedsel, en al de Vruchten van het Voedsel moeten verdelgd worden—”
Redwood bemerkte dat hij zelf ook aan het onderhandelen raakte: „En de Prinses?”
„Die staat erbuiten.”
„Neen,” zei Redwood, kampend om weder tot het oude standpunt terug te keeren. „Dat is belachelijk!”
„Daar spreken we later nog wel over. In elk geval zijn wij het er over eens, dat het fabriceeren van het Voedsel moet ophouden—”
„Ik heb niets toegegeven. Ik heb niets gezegd—”
„Maar het gaat toch niet aan, op één planeet twéé menschensoorten te hebben, een groot en een klein! Denk eens aan wat er gebeurd is! Bedenk dat het nog slechts een voorproefje is van wat er gebeuren zal als dit Voedsel ongestoord zijn gang gaat! Denk eens aan al wat u al over deze aarde gebracht hebt! Als er een ras van Reuzen moet zijn, dat steeds aangroeit en zich vermenigvuldigt—”
„Ik kan daar niet over gaan redeneeren,” zei Redwood. „Ik moet naar onze kinderen. Ik wil naar mijn zoon. Daarom ben ik naar u toe gekomen. Zeg me kort en goed wat uwe voorwaarden zijn.”
Caterham hield weder een redevoering over zijne voorwaarden.
Den Kinderen van het Voedsel zou een groot eigen grondgebied afgestaan worden—misschien in Noord-Amerika of in Afrika—waarop zij hun leven konden leven zooals zij dit zelven wenschten.
„Maar dat is onzin,” zei Redwood. „Op dit oogenblik zijn er overal al Reuzen. Over geheel Europa—overal!”
„Wij zouden een internationaal verdrag kunnen sluiten. Het is niet onmogelijk. Iets dergelijks is al besproken... Doch op dit terrein kunnen zij hun leven leven zooals zij dit zelven wenschen. Zij mogen doen wat zij willen; zij mogen maken wat zij willen. Wij zullen het apprecieeren, als zij allerlei dingen voor ons willen maken. Zij kunnen er zeer gelukkig zijn. Bedenk dit eens!”
„Mits er niet meerdere Kinderen komen?”
„Juist. De Kinderen zijn voor ons. En op deze wijze, mijnheer, zullen wij de wereld redden, wij zullen haar geheel vrijwaren voor de vruchten uwer vreeselijke ontdekking. Het is nog niet te laat voor ons. Doch tevens willen wij gaarne deze practische noodzakelijkheid verzachten met wat toe te geven. Op dit oogenblik reeds zijn wij bezig de plaatsen waar hunne granaten gisteren insloegen, uit te branden en dicht te maken. We zullen het overwinnen. Geloof me, we zullen het onderdrukken. Doch op die wijze, zonder wreedheid, zonder onrechtvaardigheid—”
„En als de Kinderen hier eens niet in kunnen treden?”
Voor de eerste maal keek Caterham Redwood recht in de oogen.
„Zij moèten!”
„Ik geloof niet dat zij het doen zullen.”
„Waarom zouden zij niet toestemmen?” vroeg Caterham, met warm-geschakeerde verbazing.
„En als ze het eens niet doen?”
„Wat rest ons dan nog behalve strijd? Wij mògen het zóó niet voort laten gaan. Wij mógen niet, mijnheer. Hebben jullie, mannen der wetenschap dan geen verbeeldingskracht? Hebt ge geen mededoogen? Wij kunnen onze aarde niet laten vertrappen door een steeds aangroeiende kudde van zulke monsters en door monsterachtigen plantengroei zooals uw Voedsel veroorzaakt heeft. Wij kùnnen niet, en ik herhaal nog eens, wij mógen het niet! Ik vraag u, mijnheer, wat rest ons dan nog dan oorlog? En bedenk wel—wat nu gebeurd is was nog pas een begin! Dit was een schermutseling. Niets anders dan een gevecht met politie. Gelooft u me, niets anders dan een gevecht met de politie. Laat u niet misleiden door perspectief, door de grootheid van deze nieuwere dingen en wezens. Achter ons staat de natie—staat de menschheid. Achter de duizenden die gevallen zijn, staan millioenen. Zoo ik niet teruggedeinsd was voor nog meer bloedvergieten, mijnheer, zouden zich achter onze eerste aanvallen, nieuwe aanvallen vormen, zelfs op dit oogenblik. Of wij dit Voedsel al of niet kunnen uitroeien, zonder eenigen twijfel kunnen wij uwe zonen dooden! U bouwt te veel op de dingen die gisteren gebeurd zijn, op de gebeurtenissen van een twintig jaren, op één slag. U hebt geen begrip van den langzamen gang der Geschiedenis. Ik stel u dit verdrag voor terwille van de menschenlevens, nièt omdat het het onvermijdelijk einde kan afwenden. Zoo u denkt dat uw armelijke paar dozijn Reuzen de geheele kracht van ons volk en van al de met ons verbonden natiën die ons ter hulp zullen snellen, kunnen weerstaan; als u denkt dat u de Menschheid kunt veranderen in één slag, in één enkele generatie, en den aard der natuur en de lichaamsbouw van den Mensch—” Hij stak een arm uit. „Ga naar hen toe, Mijnheer! Nù dadelijk! En zie hoe zij, om al het kwaad dat zij aangericht hebben, neerhurken tusschen hunne gewonden—”
Hij zweeg, alsof hij toevallig een blik op Redwood’s zoon geslagen had.
Een tijdlang zwegen de beide mannen.
„Ga naar hen toe,” zei hij.
„Ja, dat is juist wat ik wil.”
„Ga dan nù...”
Hij wendde zich af, drukte op het knopje van een schel; en buiten klonk, als antwoord, onmiddellijk een geluid van deuren die zich openden en voeten die kwamen aansnellen.
Het gesprek was geëindigd. De comedie was afgespeeld. En plotseling scheen Caterham in te krimpen, te verschrompelen tot een man, met een geel gezicht, uitgeput, van middelbare lengte en van middelbaren leeftijd. Hij deed een schrede voorwaarts, alsof hij uit de lijst van een schilderij trad, en met een voorwenden van die vriendelijkheid die loert achter al den openlijken strijd van ons ras, stak hij Redwood de hand toe.
En alsof dit zoo van zelf sprak, drukte Redwood hem ten tweeden male de hand.
Eenigen tijd later zat Redwood in een trein die zuidwaarts over den Theems ging. Hij zag in het voorbijgaan even de rivier, die schitterde onder de lichten, en de rook die nog opsteeg van de plaats op den noordelijken oever waar de granaat neergekomen was, en waar een groote menigte mannen aan het werk gezet was om de Herakleophorbia uit den grond te branden.
De zuidelijke oever was duister, en om den een of anderen reden waren de straten zelfs niet verlicht, en het eenige wat duidelijk zichtbaar was, waren de omtrekken der hooge alarm-torens en de duistere massa’s van bovenverdiepingen en scholen, en na een minuut lang naar buiten gegluurd te hebben ging hij met den rug naar het raampje zitten en verzonk in gepeins. Er was niets meer te doen of te zien vóór hij de zonen zag...
Hij was moe van de spanning der laatste twee dagen. Het leek hem toe dat zijne emoties nu uitgeput moesten zijn, doch hij had zich versterkt met sterke koffie voor hij op weg ging en nu dacht hij weder helder. Hij dacht na over velerlei dingen. Hij ging nog eens na,—doch nu in het licht van de gebeurtenissen die voorgevallen waren—, de wijze waarop het Voedsel het eerst in de wereld was gekomen en hoe het zich ontwikkeld had.
„Bensington meende, dat het een uitstekend Voedsel voor kleine kinderen zou zijn,” fluisterde hij bij zich zelven, flauwtjes glimlachend. En toen kwam in zijn brein weder op, alsof hij nog onbeslist was, de pijnigende twijfel nadat hij het Voedsel aan zijn eigen kind gegeven had. En hierna, met een stagen, niet aarzelenden gang, niettegenstaande elke poging der menschen om het te bevorderen of het tegen te houden, had het Voedsel zich verspreid over de geheele menschenwereld. En nu?
„Al dooden zij hen allen,” fluisterde Redwood, „dan is de zaak tòch geschied.”
Het geheim van het maken ervan, was nu heinde en ver bekend. Dit was zìjn werk geweest. Planten, dieren, een menigte ontzettend-sterk groeiende kinderen zouden onwederstaanbaar samenspannen om de wereld te dwingen toch weder tot het Voedsel terug te keeren, wat er ook uit den huidigen strijd mocht voortvloeien. „De zaak is niet meer te veranderen,” zei hij, terwijl zijn geest, niettegenstaande alle pogingen om het te verhinderen, toch weder begon na te denken over het tegenwoordige lot der Kinderen en dat van zijn zoon. Zou hij hen uitgeput vinden van de vermoeienissen van den strijd, gewond, omkomend van honger, op het punt verslagen te worden, of zou hij hen nog krachtig en vol hoop vinden, gereed voor den nog meer verwoeden strijd van morgen?... Zijn zoon was gewond! Doch hij had een boodschap gezonden!
Hij begon weder te denken over zijn interview met Caterham.
Hij werd uit zijne overpeinzingen opgeschrikt door het stoppen van den trein aan het station te Chislehurst. Hij herkende de plaats aan den reusachtigen ratten-alarmtoren die op den top van den heuvel te Camden stond, en de rij bloeiende reuzen-klavers die langs den weg groeiden.
Caterhams privaat-secretaris kwam naar hem toe uit het andere rijtuig en zei hem, dat de lijn een half uur verder opgebroken was, en dat het overige der reis afgelegd zou moeten worden in een auto. Redwood stapte uit, op het perron, dat slechts verlicht werd door een handlantaarn en waarover de nachtwind koel aanwoei. De stilte van deze verlaten, met hout begroeide, en door onkruid overdekte buitenwijk—want al de bewoners hadden den vorigen dag de wijk genomen naar Londen, zoodra de strijd een aanvang nam—was indrukwekkend. Zijn geleider voerde hem den trap af naar de plaats waar een automobiel stond te wachten met helle lantaarns aan—de eenige lichten die te zien waren—beval den chauffeur goed zorg voor hem te dragen en zei hem vaarwel.
„Zult u uw best voor ons doen?” zei hij, zijns meesters wijze van optreden zoo getrouw mogelijk nabootsend, terwijl hij Redwood’s hand gevat hield.
Zoodra Redwood goed in het bont gestopt was, reden zij het nachtelijk duister in. Een oogenblik stond de auto stil en toen vloog hij zacht en snel het stationsplein af. Zij draaiden een hoek om en daarna nog een, volgden de kronkelingen van een met villa’s afgezette laan en toen lag de weg voor hen. Het gesnor van den auto klonk al luider en luider, tot hij zijn grootste snelheid bereikt had en de donkere nacht vloog hen voorbij. De geheele omgeving lag zeer duister onder het licht der sterren uitgespreid en het gansche drukke leven lag daar, geheimzinnig stil, volkomen geluidloos. Er voer geen zuchtje door de boomen en struiken waar zij langs vlogen; de verlaten, bleek-witte villa’s aan weerszijden, met hunne donkere vensters waarachter geen licht brandde, deden hem denken aan het geruischlooze voorbijtrekken van een processie skeletten. De chauffeur naast hem was een zwijgzaam man, of misschien dat hij zich niet tot spreken geneigd voelde door de omstandigheden van den tocht. Hij antwoordde op de korte vragen van Redwood met monosyllaben en tamelijk barsch. Langs de zuiderlucht schoten geruischloos zoeklichten; de eenige vreemde teekenen van leven in die geheele verlaten wereld, die zich overal om de voortsnellende machine uitstrekte.
Een oogenblik later stonden er overal langs den kant van den weg reusachtige sleedoorn-twijgen die het erg donker maakten, en dan stonden er nog hoog gras en pijpkruid, reusachtige doove netels, zoo hoog als boomen, wier duistere silhouetten boven hunne hoofden voorbijschoten. Toen zij Keston voorbij waren, kwamen zij aan een heuvelhelling en reed de chauffeur langzamer. Toen hij den top bereikt had, stopte hij. De machine dreunde en zweeg. „Daar,” zei hij, en zijn groote gehandschoende hand schoof al wijzend, als een zwarte vormlooze massa voor Redwood’s oogen.
Hij meende in de verte de groote schans, gekroond door den gloed waaruit de zoeklichten schoten, tegen de lucht te zien afsteken. Deze stralen kwamen en gingen tusschen de wolken en het heuvelland om hen heen alsof zij geheimzinnige tooverformules trokken.
„Verder weet ik niet,” zei de chauffeur eindelijk en het was duidelijk dat hij bang was verder te gaan.
Daar schoot een zoeklicht uit de lucht naar hen neer, bleef plotseling, als met schrik, staan, bekeek hen nauwkeurig, een verblindende blik die nog eerder verscherpt dan verzacht werd door den stengel van het een of ander reuzen-onkruid, dat zich tusschen hen en dit licht plaatste. Zij zaten daar met hunne handschoenen voor de oogen, trachtende er onderdoor te kijken, tegen het licht in.
„Rij door,” zei Redwood na eenigen tijd.
De chauffeur aarzelde nog steeds; hij trachtte zijn aarzeling onder woorden te brengen, doch het eenige wat hij zeggen kon was: „verder weet ik niet.”
Eindelijk waagde hij het verder te gaan. „Nou, vooruit dan maar,” zei hij, en bracht weder leven in zijn machine, zorgvuldig gevolgd door dat groote helle oog.
Het leek Redwood geruimen tijd toe dat zij niet langer op aarde waren, doch in een toestand van zenuwachtigen haast door een lichtende wolk schoten. Tuf, tuf, tuf, tuf, ging de machine en telkens—gehoorzamend, ik weet niet aan welke zenuwachtige aandrift—liet de chauffeur zijn hoorn toeteren.
Zij schoten de welkome duisternis eener met hooge schuttingen afgezette laan in, een vallei binnen, en zoo voorbij eenige huizen weder in dat verblindende licht. Toen liep de weg een tijdlang over een onbegroeiden heuvel, en zij schenen dreunend in de oneindige ruimte te hangen. Toen vertoonde zich weder reuzen-onkruid om hen heen en schoot langs hen. En toen stond er plotseling vlak voor hen de gestalte van een reus, helder blinkend waar liet zoeklicht van onderen op hem viel en donker afstekend tegen de lucht daarboven. „Hallo daar!” riep hij. „Stop! verder gaat de weg niet... Is dat Vader Redwood?”
Redwood stond op en schreeuwde flauwtjes ten antwoord, en toen stond Cossar plotseling naast hem op den weg, zijne beide handen stevig drukkend en hem uit den auto trekkend.
„Hoe is ’t met mijn zoon?” vroeg Redwood.
„O, goed,” zei Cossar. „Hèm hebben ze niet erg geraakt.”
„En jouw eìgen jongens?”
„Goed in orde, allemaal. Maar ’t is een warm dagje geweest gisteren.”
De reus zei iets tot den chauffeur. Redwood ging op zij toen de auto omdraaide en toen verdween Cossar plotseling, alles verdween, en hij stond een tijd lang in absolute duisternis. Het zoeklicht volgde den auto weder terwijl deze terugreed naar den top van den heuvel van Keston. Hij zag het kleine rijtuig zich verwijderen temidden van dien witten stralenkrans. En het eigenaardige van de zaak was dat het net was alsof het voertuig zelf stilstond en de stralenkrans zich voortbewoog. Een groep, door den krijg gehavende, reuzen-elzen werd plotseling zichtbaar met hunne grillige verkoolde takken, en werd weder verzwolgen door de duisternis... Redwood wendde zich weder naar de duidelijk-zichtbare gestalte van Cossar en drukte hem de hand: „Ze hebben me opgesloten en van alles totaal onwetend gehouden, twee volle dagen lang,” zei hij.
„Wij vuurden het Voedsel op hen af,” zei Cossar. „Ligt voor de hand! Dertig schoten. Hè!”
„Ik kom van Caterham.”
„Dat weet ik.” Hij lachte en er klonk iets bitters in dien lach. „Ik vertrouw dat hij bezig is ’t op te vegen, he?”
„Waar is mijn zoon?” zei Redwood.
„O, daar is alles mee in orde, hoor. De Reuzen wachten op je boodschap.”
„Jawel, maar mijn jongen—”
Hij ging met Cossar een lange, hellende tunnel af die een oogenblik rood verlicht en toen weder duister werd, en uitkwam op de groote veilige groeve die de reuzen gemaakt hadden.
Redwood’s eerste indruk was die van een enorme arena, die omzet was met heel hooge rotsen, en welker vloer bestrooid was met allerlei dingen. Het eenige licht dat dit alles deed zien was het schijnsel der zoeklichten die voortdurend hoog over de groeve heenschoten, en een gloed die nu eens aanlaaide dan weder verflauwde, vanuit een hoek, waar twee reuzen samen werkten temidden van metaal-geklank. Toen deze gloed weder oplaaide zag hij tegen de lucht de bekende omlijningen der oude werkloodsen en speelgebouwen die daar gemaakt waren voor de jongens van Cossar. Zij hingen nu, als het ware, aan den rand van een rots, en waren eigenaardig vervormd en gehavend door het bombardement van Caterham’s geschut. Hij zag daar boven iets dat op stellingen voor reusachtig geschut geleek, en dichter bij lagen groote pyramiden kolossale cylinders opgestapeld die misschien ammunitie voorstelden. Over de geheele ruime uitgestrektheid beneden lagen groote machinerieën en massa’s, waarvan hij het gebruik niet kon gissen, in wanorde door elkaar. De reuzen verschenen en verdwenen weder tusschen deze massa’s en in het onzekere licht; allen groote gestalten doch niet buiten verhouding met de dingen waartusschen zij zich bewogen. Enkelen waren druk bezig, anderen zaten en lagen alsof zij den slaap zochten, en een, die zich vlak bij Redwood bevond en wiens lichaam verbonden was, lag op een ruw leger van dennetakken en sliep vast.
Redwood keek verbaasd naar deze nauwelijks te onderscheiden gedaanten; zijn oogen dwaalden van den eenen bewegenden omtrek naar den anderen.
„Waar is mijn jongen, Cossar?”
En toen zag hij hem.
Zijn zoon zat in de schaduw van een grooten stalen muur. Hij was niet anders dan een groote zwarte gedaante, slechts te herkennen aan zijn houding—zijn gelaat was onzichtbaar. Hij zat met de kin in de hand, alsof hij moê of in gedachten verdiept was. Naast hem ontdekte Redwood de gestalte der Prinses, of liever, hij meende uit de donkere gestalte die naast zijn zoon stond, te kunnen opmaken dat zij het was, en toen, toen de gloed van het ijzer, een eind verder, weder oplichtte, zag hij een oogenblik haar rood-verlichte zachte gezicht. Zij keek op haren minnaar neer, terwijl haar hand tegen het staal van den muur rustte. Het scheen dat zij tot hem fluisterde.
Redwood wilde naar hen toe gaan.
„Straks,” zei Cossar. „Eerst je boodschap.”
„Ja,” zei Redwood, „maar—”
Hij hield plotseling op. Zijn zoon keek nu op en zei wat tot de Prinses, doch te zacht om het te verstaan. De jonge Redwood hief zijn gezicht op en zij boog zich tot hem over, en wendde haar gelaat af voor zij begon te spreken.
„Maar als wij nu eens verslagen worden,” hoorde hij de stem van zijn zoon fluisteren.
Zij zweeg even, en de roode gloed liet haar oogen zien die glansden van ongestorte tranen. Zij boog zich nog meer naar hem over en sprak nog zachter. Er was iets zóó intiems en innigs in hun houding, in hun fluisteren, dat Redwood—Redwood die twee dagen lang aan niets anders dan zijn zoon gedacht had—zich hier te veel voelde. Hij bleef plotseling staan. Voor het eerst in zijn leven misschien besefte hij, hoeveel méér een vader zijn zoon kan liefhebben dan een zoon ooit zijn vader; hij besefte ten volle de heerschappij der toekomst over het verleden. Tusschen deze twee was geen plaats voor hem. Hij had zijn rol gespeeld. Hij wendde zich tot Cossar, terwijl dit besef hem nog vasthield. Hunne oogen ontmoetten elkaar. Zijn stem klonk nu heel anders met een toon van kleurlooze vastbeslotenheid erin.
„Ik wil mijn boodschap nù afleveren,” zei hij. „Daarna—....Dan kan ’t altijd nog wel.”
De groeve was zoo enorm en lag zoo bezaaid met allerlei, dat de weg naar de plaats vanwaar Redwood de Reuzen kon toespreken, lang en kronkelig was,
Hij en Cossar volgden een steil afgaanden weg die onder een boog van inelkaar sluitende machinerieën doorliep, en kwamen zoo in een groote diepe verschansing die dwars over den bodem der groeve liep. Deze verschansing, breed en ledig, en toch betrekkelijk smal, droeg er, met al het verdere om hem heen, toe bij om Redwood’s gevoel van eigen kleinheid nog te verhoogen. Het begon hem als het ware een uitgegraven keel toe te lijken. Hoog boven zijn hoofd, van hem gescheiden door duistere rotsen, flikkerden en schenen hel de zoeklichten en de blinkende gedaanten gingen af en aan. Reuzen-stemmen riepen elkander daar boven toe, riepen de Reuzen ten Krijgsraad, om de voorwaarden te hooren die Caterham gesteld had. De verschansing helde steeds verder naar donkere ruimten, naar schaduwen en mysteriën en niet te begrijpen dingen, waarin Redwood langzaam afdaalde met aarzelende schreden en Cossar met vastberaden tred als van een, die dit alles reeds kende...
Redwood’s gedachten gingen over allerlei dingen.
De beide mannen waren nu in de diepste duisternis gekomen, en Cossar vatte zijn metgezel bij den pols. Zij waren nu wel gedwongen langzaam voort te gaan.
Redwood voelde zich gedrongen te spreken.
„Dit alles is heel vreemd om te zien,” zei hij.
„Groot,” zei Cossar.
„Vreemd. En het is vréémd dat het mij vreemd toeschijnt—mij, die, tot op zekere hoogte, de schepper van dit alles ben. Het is—”
Hij zweeg, trachtende zijn bedoeling duidelijk te maken, en maakte een gebaar naar de klip boven, dat de ander door de duisternis niet kon zien.
„Ik heb er nooit zoo aan gedacht. Ik heb het druk gehad en de jaren zijn omgevlogen. Maar hier zie ik—Het is een nieuw geslacht, Cossar, met nieuwe aandoeningen en nieuwe behoeften. Dit alles, Cossar—”
Cossar zag nu zijn onduidelijk gebaar naar de dingen om hen heen.
„Dit alles is de Jeugd.”
Cossar gaf geen antwoord, en zijn onregelmatige schreden gingen voort.
„Maar ònze jeugd is het niet, Cossar. Zij hebben alles overgenomen. Zij vangen nu aan met eigen aandoeningen, eigen ondervinding en eigen levenswijze. Wij hebben een nieuwe wereld gemaakt, die de onze niet meer is. Zij is mij zelfs niet—sympathiek. Deze groote ruimte—”
„Die heb ik ontworpen,” zei Cossar, met strak gezicht.
„Maar nù?”
„Ah, ik heb haar aan mijn jongens gegeven.”
Redwood kon den lossen zwaai van den arm dien hij niet zien kon, voelen.
„Juist, zoo is het. Wij hebben onzen tijd uitgediend—of tenminste bijnà.”
„Je boodschap!”
„Ja. En dan—”
„Is ’t gedaan met ons.”
„Nu—? Natuurlijk staan wij buiten dit alles, wij twee oudjes,” zei Cossar, met den welbekenden klank van plotselingen toorn in zijn stem. „Natuurlijk. Ligt voor de hand. Een ieder op zijn tijd. En nu—is het hùn tijd om te beginnen. Natuurlijk. Wij doen wat we doen moeten en dan gaan we heen. Snap je? Daar is de dood voor. Wij verwerken ons kleine verstand en onze kleine emoties en dan beginnen die na ons komen opnieuw. Met frisschen moed! Heel eenvoudig, niet waar? En wat is daar niet goed in?”
Hij zweeg even om Redwood naar een trap te leiden.
„Ja,” zei Redwood, „maar ik voel toch—”
Hij voltooide den zin niet.
„Daar is de Dood voor.” Hij hoorde ’t Cossar beneden zich nogmaals met overtuiging zeggen: „Hoe zou ’t ànders met de wereld moeten gaan? Dààr is de Dood voor.”
Na veel gedaal en geklim kwamen zij uit op een vooruitstekenden rand, vanwaar het mogelijk was het grootste gedeelte van de groeve der Reuzen te overzien, en vanwaar Redwood zich verstaanbaar kon maken voor de geheele vergadering. De Reuzen waren reeds verzameld, beneden hem en op verschillende hoogten, om de boodschap te hooren die hij zou brengen. Cossar’s oudste zoon stond op den wal daarboven, gadeslaand wat de zoeklichten openbaarden, want zij vreesden dat de wapenstilstand verraderlijk zou verbroken worden. Zij die het groote instrument in den hoek bedienden, stonden daar hel verlicht door hun eigen licht; zij waren bijna geheel naakt; zij wendden hunne gezichten naar Redwood, doch keken telkens weder naar de gietvormen die zij niet konden verlaten. Hij zag degenen, die dichtbij stonden onduidelijk in het weifelende licht en zij die verder af stonden, nòg onduidelijker. Zij verschenen plotseling uit, en verdwenen weder in de diepten der duisternis, want deze Reuzen brandden niet méér licht dan absoluut noodig was in de groeve, opdat hunne oogen dadelijk elke aanvallende strijdmacht, die hen van uit de duisternis mocht bespringen, zouden kunnen zien.
Telkens als er toevallig een lichtstraal op hen viel, werd er de een of andere groep van lange reuzen-gestalten zichtbaar, de Reuzen van Sunderland gekleed in metalen platen die over elkaar heenvielen, en de anderen gekleed in leder, in gedraaid touw of in gevlochten metaal, al naar de omstandigheden hen hadden doen kiezen. Zij zaten tusschen, of lieten de handen rusten op, of stonden rechtop tusschen machinerieën en wapenen even machtig als zijzelven, en in hun aller oogen, als ze zichtbaar werden, lag vastberadenheid.
Hij probeerde te beginnen, doch kwam zoover niet. Toen, in een plotseling oplaaien van het vuur, zag hij het gelaat van zijn zoon naar hem geheven, vol liefde en toch sterk; en toen vond hij zijn stem weder om hem toe te spreken, en was het hem of hij dwars over een afgrond tot zijn zoon sprak.
„Ik kom van Caterham,” zei hij. „Hij heeft mij tot u gezonden, om u de voorwaarden die hij u aanbiedt, mede te deelen.”
Hij zweeg even. „Ik weet, dat zij onmogelijk zijn aan te nemen, nu ik u hier allen verzameld zie; het zijn onmogelijke voorwaarden, doch ik breng ze u over, omdat ik u allen wenschte te zien—en ook mijn zoon. Ik wilde mijn zoon—nog eens zien...”
„Zeg hun de voorwaarden,” zei Cossar.
„Dit is wat Caterham aanbiedt: Hij wil, dat jullie van hier gaat en zijn grondgebied verlaat!”
„Waarheen?”
„Dat weet hij nog niet. Hij zei zoo iets van „een groot terrein ergens in de wereld reserveeren.... En gij moogt geen Voedsel meer maken, geen kinderen krijgen, ge moogt leven zooals ge wilt tot ge sterft, en dan is alles meteen uit.”
Hij zweeg.
„Meer niet?”
„Meer niet.”
Er volgde een diepe stilte. De duisternis die de Reuzen omhulde leek hem peinzend aan te staren. Hij voelde dat iemand zijn elboog aanraakte, en Cossar schoof hem een stoel toe—een typisch stukje poppenspeelgoed temidden van deze op elkaar gestapelde reuzen-dingen. Hij ging zitten en sloeg de beenen over elkaar, legde vervolgens het eene been dwars over de knie van het andere, en hield zenuwachtig zijn laars vast, en voelde zich erg klein en alleen, en scherp zichtbaar en belachelijk misplaatst temidden van dit alles. Toen klonk er plotseling een stem en vergat hij zichzelven weder.
„Ge hebt het gehoord, Broeders,” zei deze stem vanuit het duister.
En een tweede antwoordde: „Wij hebben het gehoord.”
„En het antwoord, Broeders?”
„Aan Caterham?”
„Is „Neen!”
„En dan?”
Er volgde een stilte van eenige seconden.
Toen zei een stem: „Deze menschen hebben gelijk. Dat wil zeggen, van hùn standpunt en naar het verstand dat zij gekregen hebben. Zij hadden gelijk alles te dooden wat grooter was dan zijzelven—dier en plant, en alle groote dingen die opschoten. Zij hadden gelijk, toen zij ons trachtten om te brengen. En ook nù hebben zij gelijk als zij zeggen, dat wij niet mogen huwen met anderen die even groot zijn als wij. Zij beseffen—en het wordt tijd, dat wij dit ook inzien—dat reuzen en dwergen niet tezamen in één samenleving passen. Caterham heeft dat telkens en telkens weder herhaald—heel duidelijk—òf aan hun of aan òns de wereld.”
„Maar wij zijn geen vijftig man sterk,” zei een ander, „en zij tallooze millioenen.”
„Dat is mogelijk. Maar het is zooals ik gezegd heb.”
Toen volgde er weder een lange stilte.
„En moeten wij dan sterven?”
„God beware ons daarvoor!”
„Zij dan?”
„Neen.”
„Maar dàt zegt Caterham! Hij wil hebben, dat wij ons leven uitleven, éen voor éen sterven, totdat er slechts één over is, en die eene zal eindelijk ook sterven, en zij zullen alle reuzen-planten en onkruid omhakken, de lager-staande reuzen-dierenwereld uitroeien, alle sporen van het Voedsel uitbranden—ook aan ons en aan het Voedsel een einde maken voor altijd. Dan eerst zal de dwergen-wereld weer veilig zijn. Zij zullen voortgaan—voor altijd veilig,—hun kleine leventjes te leven, dwergen-vriendelijkheidjes bewijzend, en dwergen-wreedheidjes begaand tegenover elkaar; ze zouden het misschien zelfs wel tot een dwergen-heilstaat kunnen brengen, een eind maken aan allen krijg, een eind maken aan overbevolking, en zich neerzetten in een de geheele wereld omvattende stad om aan dwerg-kunst te doen, elkaar vereerend tot de wereld begint te bevriezen....”
In den hoek viel een ijzeren plaat met donderend geraas op den grond.
„Broeders, wij weten wat wij willen.”
Bij een plotseling flikkeren der zoeklichten, zag Redwood ernstige jeugdige gezichten zich naar zijn zoon wenden.
„Het is nu gemakkelijk het Voedsel te maken. Wij zouden gemakkelijk Voedsel voor de geheele wereld kumnen fabriceeren.”
„Je bedoelt, Broeder Redwood,” zei een stem uit de duisternis, „dat de kleine menschjes het Voedsel moeten eten.”
„Wat valt er anders te doen?”
„Maar wij zijn geen vijftig man sterk en zij vele millioenen.”
„Maar wij hebben ons staande gehouden.’’
„Tot nu toe, ja.”
„Als God het wil, kunnen wij dit nògmaals.”
„Ja, maar denk eens aan de dooden!”
Toen vervolgde een andere stem: „De dooden. Denk aan de nog niet geborenen....”
„Broeders,” zei de stem van den jongen Redwood, „wat rest ons nog, dan hen te bevechten, en àls wij hen verslaan, hen te dwingen om van het Voedsel te eten? Zij moèten het nu wel nemen. Veronderstel, dat wij ons erfdeel zouden afstaan en dezen nonsens die Caterham ons aanbiedt, aannemen! Gesteld dat wij dit kònden! Gesteld dat wij al dit groote opgeven dat in ons leeft, en al wat onze vaders voor ons gedaan hebben,—dat gìj vader—voor ons gedaan hebt—en als onze tijd daar is, in het niet verzinken en rotten! Wat dan? Zal deze kleine wereld dan zijn zooals zij tevoren was? Zij mogen kampen tegen grootheid in ons die menschenkinderen zijn, maar zullen zij overwinnen? Zelfs al doodden zij ons een voor een, wat zou dit dan nog? Zou dit hen redden? Neen! Want er is Grootheid opgestaan, niet alleen in ons, niet alleen in het Voedsel, maar in het willen van alle dingen. Het uit zich in den aard van alles; het is een deel geworden van tijd en ruimte. Te groeien, al maar te groeien, dit is het doel—dit is de Levenswet. Welke andere wet kan daarnaast nog bestaan?”
„Om anderen te helpen?”
„Te groeien. Anderen te helpen is óók groei. Tenzij wij hen helpen te falen....”
„Zij zullen hun uiterste best doen om ons te verslaan,” zei een stem.
En weer een andere: „Wat zou dat?”
„Zij zullen vechten,” zei de jonge Redwood. „Als wij deze voorwaarden niet aannemen, twijfel ik er niet aan of zij zullen vechten. Ik hoop werkelijk, dat zij er open en rond mee voor den dag zullen komen en ons bevechten. Als zij ons bij slot van rekening vrede aanbieden, zal hun dit des te beter in staat stellen ons onverhoeds aan te vallen. Begaat geen fout, Broeders; op de een of andere wijze bestrijden zij ons tòch. De strijd is begonnen en wij moeten strijden tot het einde. Als wij niet wijs zijn, zullen wij nog bevinden, dat wij slechts geleefd hebben om hun beter wapenen tegen onze kinderen en ons geslacht in handen te geven. Tot nu toe hebben wij slechts den dageraad van den strijd gezien. Ons geheele leven zal één strijd zijn. Eenigen van ons zullen gedood worden in den strijd, anderen zullen belaagd worden. Er zal geen gemakkelijke overwinning volgen—geen overwinning, die niet half een nederlaag voor ons is. Weest daar zeker van. Doch waarom zou ons dit afschrikken? Als wij ons slechts staande houden, zoo wij slechts achterlaten een groeiende menigte, om den strijd voort te zetten als wij heengegaan zijn!”
„Zullen wij het Voedsel overal verspreiden; wij zullen de wereld verzadigen van het Voedsel.”
„En als zij eens nieuwe en meer aannemelijke voorwaarden mochten stellen?”
„Onze voorwaarden zijn het Voedsel. Nooit kunnen klein en groot naast elkander leven in een duurzamen vrede. Of het één, of het ànder. Met welk recht zouden onze ouders zeggen: „Mijn kind zal geen ander licht hebben dan ik gehad heb, zal niet grooter worden dan ik geworden ben.” Zijt gij het met mij eens, Broeders.”
Een goedkeurend gemompel antwoordde hem.
„En voor de kinderen die vrouwen zullen worden, zoowel als voor de kinderen die mannen zullen worden,” zeide een stem uit het duister.
„Méér nog—die moeders zullen worden van een nieuw geslacht...”
„Doch voor het volgend geslacht moet er nog groot en klein zijn,” zei Redwood met de oogen op het gelaat van zijn zoon gevestigd.
„Nog vele geslachten lang. En het kleine zal het groote steeds in den weg staan en het groote zal het kleine onderdrukken. Dit mòèt zoo zijn, vader.
„Er zal strijd heerschen.
„Strijd zonder einde. Eindeloos misverstand. Het geheele leven is zoo. Groot en klein kunnen elkaar niet begrijpen. Doch in elk kind dat uit menschen geboren wordt, Vader Redwood, schuilt een zaadje grootheid—dat op het Voedsel wacht.”
„Dan zal ik naar Caterham moeten gaan en hem zeggen, dat—”
„Gij blijft bij ons, Vader Redwood. Bij het aanbreken van den dageraad gaat ons antwoord naar Caterham.”
„Hij zegt, dat hij jullie zal bevechten tot....”
„Zoo zij het,” zei de jonge Redwood, en zijne broederen mompelden goedkeurend.
„Het ijzer wacht,” mompelde een stem, en de twee reuzen die in den hoek aan het werk waren, begonnen rythmisch te hameren, wat bij dit tooneel klonk als een begeleiding van een machtige muziek. Het metaal gloeide heller dan het tevoren had gedaan, en liet Redwood het kamp duidelijker zien dan hij het tot nu toe had kunnen waarnemen.
Om hem heen stonden de jonge reuzen, torenhoog en schoon, glanzend in hun maliën, temidden der toebereidselen voor den dag van morgen. Zijn hart sprong op van vreugde toen hij hen zoo zag. Hun kracht kwam zoo gemakkelijk! Zij waren zoo groot en gracelijk! Hunne bewegingen waren zoo vast! En daar stond zijn zoon tusschen hen, met de eerste van alle reuzen-vrouwen, de Prinses naast zich....
In zijn hoofd kwam plotseling een allervreemdst contrast op, het terugdenken aan Bensington, heel levendig en klein—Bensington met zijn hand in het zachte borstdons van dat eerste groote kuiken, staande in zijn conventioneel gemeubileerde kamer, en weifelend over zijn bril heenkijkend naar Nicht Jane, die de deur dichtsmeet...
Het was alles gebeurd in een gisteren van een en twintig jaren.
Toen werd hij plotseling bevangen door een vreemden twijfel: dat deze plaats en al de grootheid die hij om zich zag, slechts een droomweefsel was; dat hij zelf droomde en straks zou ontwaken, en zich weder in zijn studeerkamer bevinden, de Reuzen vermoord, het Voedsel geheel vernietigd en hij zelf gevangen en opgesloten.
Als je daar op neer kwam; wat was het leven dan anders dan een voortdurende gevangenschap! Dit was het hoogtepunt en het einde van zijn droom. Hij zou ontwaken temidden van bloedvergieten en strijd, en zijn Voedsel het dwaaste aller hersenschimmen bevinden, en zijn hoop op en geloof aan een beter wereld zouden evenmin verwezenlijkt worden als het kleurige vliesje op een poel vol rottende stoffen. Onverwinbare kleinheid!...
En zoo hevig en diep was deze neerslachtigheid, deze vrees voor ontnuchtering, dat hij opsprong; Hij stond daar en drukte de gebalde vuisten tegen zijne oogen en bleef zoo een oogenblik staan, bang, als hij ze opende, te zien, dat de droom reeds in het niet vergaan was.....
De stemmen der reuzenkinderen spraken tot elkaar, als een zachteren klank door de galmende melodie der smeden. Zijn twijfel verminderde. Hij hoorde de reuzenstemmen; hij hoorde hunne bewegingen nog om zich heen. Het was werkelijk, ongetwijfeld was het werkelijkheid—even werkelijk als spijtige daden! Inderdaad méér werkelijk, want mogelijk zijn deze groote dingen, de dingen die komen zullen; en de kleinheid, bestialiteit, en de zwakheid der menschen zijn dingen die voorbijgaan. Hij opende de oogen.
„Klaar!” riep een der twee smeden, en zij wierpen hunne hamers neer.
Er klonk een stem hoog boven Redwood. De zoon van Cossar, die op de groote aarden wal stond, had zich omgewend en sprak hun nu allen toe.
„Het is niet ons opzet om het kleine volk de wereld uit te dringen,” zei hij, „opdat wij die slechts één stap verder zijn van hun kleinheid, de wereld voor altijd zouden kunnen bezitten. Het is de trap waarlangs wij moeten opklimmen, waarvoor wij strijden, en niet voor onszelven.... Hier zijn wij, Broeders, en met welk doel? Om getrouw te zijn aan het leven en het Doel waarvoor wij geboren zijn. Wij strijden niet voor onszelven—want wij zijn slechts de handen en oogen van het Leven der wereld. Dit hebt gij, Vader Redwood, ons geleerd. Uit ons, zoowel als uit het kleine volk, spreekt de Geest. En van ons moet hij, door woord, geboorte en daad overgaan—op nòg gróótere levens. Deze aarde is geen rustplaats, deze aarde is geen speelplaats; als dit zoo was, ja, dan zouden wij onze keel het mes van het kleine volkje kunnen voorhouden, daar wij dan niet méér recht om te leven zouden hebben dan zij. En dan zouden zij op hun beurt moeten onderdoen voor mieren en ongedierte. Wij strijden niet voor onszelven, doch voor den Groei—groei die steeds dóórgaat. Morgen, hetzij wij blijven leven of sterven, zal de Groei door ons overwinnen. Dat is de wet van den Geest voor altijd. Te groeien zooals God het wil! Deze spleten en holen, schaduwen en duisternis te ontgroeien, naar grootheid en licht! Grooter,” zei hij, het woord langzaam en met nadruk uitsprekend,—„steeds grooter. Al maar te groeien—. Groeien tot wij eindelijk groot genoeg zijn om bij God te leven. Groeien... tot de aarde niet meer is dan een voetbank onzer voeten... Tot de geest de vrees geheel zal verdreven hebben en zich over alles zal hebben verspreid”... Hij zwaaide zijn arm hemelwaarts:—„Daar!”
Zijn stem zweeg. De witte gloed van een der zoeklichten straalde neer, en viel een oogenblik op hem, en hij stond daar, reusachtig, met één hand ten hemel geheven.
Eén oogenblik straalde hij, en keek onbevreesd in de met sterren bezaaide hemeldiepten; gekleed in maliën, jong en sterk, vastberaden en kalm. Toen gleed het licht heen en was hij nog slechts een groote donkere omtrek, die tegen den sterrenhemel afstak,— een groote zwarte omtrek, die met een machtig gebaar het firmament en al die sterrenscharen bedreigde.