Hoofdstuk III.

De Reuzen-Ratten.

I.

Twee nachten na het verdwijnen van den heer Skinner, reed de dokter van Podbourne nog laat in zijn tilbury in de buurt van Hankey. Hij was den geheelen nacht bezig geweest een onaanzienlijken jongen burger onze vreemde wereld in te helpen, en nadat zijn taak volbracht was, reed hij slaperig naar huis.

Het was ongeveer twee uur in den morgen en de afgaande maan kwam op. De zomernacht was kil geworden, en er hing een lage bleeke mist, die de dingen onduidelijk zichtbaar maakte. Hij was geheel alleen—want zijn koetsier lag ziek te bed—en er was aan weerszijden van den weg niets te zien dan een erg-mysterieus-uitziende heg, die voor het gele licht zijner lantarens heentrok, en er was niets te hooren dan het getrappel van zijn paard en de scherpe echo’s die door de heg weerkaatst werden. Zijn paard was even betrouwenswaardig als hijzelf en het is dan ook niet te verwonderen dat hij dommelde...

Gij kent dat afwisselende indutten en met schrik wakker worden wel, dat knikkebollen van het hoofd, het knikken op het rhytmisch geluid der wielen, nu eens met de kin op de borst en dan het plotseling weder opschrikken.

„Klep, klep, klep.”

„Wat was dat?”

Het leek den dokter toe alsof hij een zacht, schril gejank vlak bij zich hoorde. Een oogenblik lang was hij klaar wakker. Hij zeide een paar onverdiende verwijtingen tegen zijn paard en keek om zich heen. Hij trachtte zichzelven gerust te stellen. ’t Zou ’t verwijderde geblaf van een vos wel zijn,—of misschien een jong konijn dat door een fret gepakt was.

„Rikke-tikke-e-tik-tik-tik....”

„Wat was dat dan toch?”

Hij voelde dat zijn verbeelding hem parten begon te spelen. Hij schurkte es met de schouders en jeude zijn paard aan. Hij luisterde, doch hoorde niets meer.

„Of zou het niets geweest zijn?”

Hij had een vaag idee dat er even iets naar hem gegluurd had over de heg, een rare, groote kop. Met ronde ooren! Hij tuurde ingespannen, maar zag niets.

„Onzin,” zei hij.

Hij ging rechtop zitten met de overtuiging dat hij de nachtmerrie gehad had, gaf zijn paard een heel zacht tikje met de zweep, sprak het toe en tuurde weer over de heg. Het helle licht van zijn lantaarn, samen met den mist, maakte de dingen schimmig, en hij kon niets onderscheiden. Het kwam toen plotseling in hem op, zegt hij, dat daar niets kòn zijn, want als er iets geweest was, zou zijn paard wel schichtig geworden zijn. Doch hoe hij zichzelf ook trachtte gerust te stellen, bleven zijn zinnen toch zenuwachtig waakzaam.

Toen hoorde hij heel duidelijk een zacht gepetter van voeten achter zich aan, op den weg.

Hij wilde zijn ooren niet gelooven. Hij kon niet omkijken, want de weg nam daar juist een scherpen draai. Hij legde de zweep over zijn paard en keek nogmaals op zijde. En toen zag hij heel duidelijk, waar een straal van zijn lantaarn over een laag eindje heg heengleed, den gekromden rug van—het een of ander groot dier, hij kon niet bepalen wat het was, dat met snelle, schokkende sprongen voortliep.

Hij zegt dat hij dacht aan de oude heksen-verhalen—het beest leek zoo absoluut niet op eenig ander dier dat hij kende, en hij vatte de teugels steviger beet uit vrees voor den angst van zijn paard. En man van opvoeding als hij was, geeft hij toch toe, dat hij zichzelven afvroeg of dit iets was dat zijn paard niet kon zien.

Voor hem uit, en steeds dichterbij komend zag hij tegen de opkomende maan, de silhouet van het kleine gehucht Hankey. Dit was geruststellend, al zag hij ook geen enkel licht en hij klapte met de zweep en zei nog eens wat tegen zijn paard, en toen schoten plotseling als een bliksemstraal de ratten op hem toe!

Hij kwam een hek voorbij, en terwijl hij dit deed, sprong de voorste rat erover op den weg. Het ding besprong hem van uit het duister, en was nu zeer duidelijk te zien, het scherpe, felle, rond-oorige gezicht, het lange lichaam dat nòg langer leek door de bewegingen die het maakte; en wat hem vooral trof waren de roode, van vliezen voorziene voorpooten van het dier. Wat het nog vreeselijker moet gemaakt hebben, was, dat hij geen vaag idee had of het beest, hetwelk hem aanviel, wel een áárdsch beest was. Hij herkende het niet als een rat, doordat het zoo groot was. Zijn paard sprong opzij toen het wezen naast hem op den weg neerkwam. Het smalle laantje was plotseling vol gerucht door het klappen van de zweep en den schreeuw dien de dokter gaf. Alles ging plotseling snel.

„Rrr-klr-pats—.”

Het schijnt dat de dokter opstond en zijn paard aanvuurde, en er uit alle macht op los sloeg. De rat deinsde terug en sprong opzij onder zijn slag—wat den dokter geruststelde omtrent het aardsche van het dier—bij het schijnsel der lantaarn was de voor, die de zweep in het haar gehaald had, duidelijk zichtbaar—en hij sloeg telkens weder, onbewust dat er aan de andere zijde een tweede vervolger staag veld won.

Hij vierde de teugels, keek om, en zag de derde rat, hem achtervolgend...

Het paard sprong vooruit. De tilbury sprong hoogop bij een kruisspoor. Een krankzinnig oogenblik lang leek alles hem met rukken en sprongen te gaan...

Het was puur geluk dat het paard nog in Hankey kwam te vallen, en niet vóór zij aan de huizen kwamen of ze achter zich gelaten hadden.

Niemand weet hoè het paard kwam te vallen, of het struikelde, of dat de rat van de andere zijde het werkelijk een van die kervende beten van boven naar beneden gaf met haar tanden (die zij aanbrengen en kracht bijzetten met hun volle zwaarte); en de dokter werd niet gewaar dat hij zelf gebeten was, vóór hij in het huis van den metselaar was, en nog veel minder had hij gemerkt wannéér de beet was toegebracht—hoewel hij gebeten was en erg ook—een lange snede, als de snee van een dubbelen tomahawk, die twee evenwijdigloopende reepen vleesch van zijn linker schouder gerukt had.

Hij stond op een gegeven oogenblik rechtop in zijn tilbury en het volgende was hij op den grond gesprongen, met een erg verstuikten enkel, hoewel hij dit toen niet bemerkte, en sloeg woest naar een derde rat, die direct op hem kwam aanvliegen. Hij kan zich den sprong dien hij gedaan moet hebben boven over het rad, toen de tilbury kantelde, haast niet meer herinneren, zoo snel en verward werd hij bestormd door indrukken.

Ik voor mij geloof dat het paard steigerde toen de rat het in den strot beet, opzij viel en de heele geschiedenis meesleepte; en dat de dokter als het ware instinctmatig er uit sprong. Toen de tilbury viel, sprong het oliereservoir van de lantaarn, en smakte plotseling een hellen gloed van brandende olie en witten vlammengloed temidden van den strijd.

Dit was het eerste wat de metselaar zag.

Hij had het geratel van de naderende tilbury gehoord en—hoewel de dokter zich hier niets van herinnert —het wilde geschreeuw dat de dokter deed hooren. Hij was haastig uit bed gekomen, en terwijl hij dit deed, hoorde hij den vreeselijken smak, en zag dien gloed buiten opschieten door het half-opgehaalde gordijn. „’t Was nog helderder dan de dag,” zegt hij. Hij bleef met het gordijnkoord in de hand staan en staarde met open mond het venster uit naar den welbekenden weg, die een verandering had ondergaan als in een nachtmerrie. De donkere gestalte van den dokter met zijn om zich heen slaande zweep rees en daalde tegen de vlam. Hij zag het paard staan, half verborgen door den gloed, met een rat aan zijn keel. In de duisternis, die tegen den kerkhofmuur opstond, schitterden de oogen van een tweede monster kwaadaardig. Een derde—niets meer dan één brok vreeselijke duisternis met rood-gloeiende oogen en vleeschkleurige handen—klemde zich onvast aan den rand van den muur, waar het tegen opgesprongen was bij het oplaaien van den uit-elkaar-springende lantaarn.

Ge kent wel den scherpen snuit van een rat, met die twee scherpe tanden en de meedoogenlooze oogen. Ongeveer zes maal vergroot en nog meer vergroot door duisternis en verbazing en de plotseling opschietende schimmen van een grilligen gloed, moet dit alles iets vreeselijks geweest zijn om aan te zien voor den metselaar—die nog meer dan half sliep.

Toen had de dokter de gelegenheid, die het oplaaien der vlam hem een oogenblik aanbood, te baat genomen, en verdween uit het gezicht van den metselaar, en stond beneden op de deur te rameien met den knop van zijn zweep....

De metselaar wilde hem niet binnenlaten vóór hij licht aangestoken had.

Er zijn lieden die dat in den man gelaakt hebben, maar ik aarzel om mij aan hun zijde te scharen, tot ik mijn eigen moed beter heb leeren kennen.

De dokter gilde en hamerde op de deur...

De metselaar zegt dat hij huilde van angst toen de deur eindelijk openging.

„Grendel,” zei de dokter, „grendel”—hij kon niet zeggen „grendel de deur.” Hij probeerde te helpen maar kon niet. De metselaar grendelde de deur en de dokter moest eerst een poosje op den stoel naast de klok zitten voor hij den trap kon opkomen...

„Ik weet niet wàt ’t zijn!” herhaalde hij verscheidene malen. „Ik weet niet wat het zijn,”—en zijn stem ging de hoogte in, telkens als hij aan „zijn” kwam.

De metselaar wilde hem whiskey geven, doch de dokter wilde niet alleen gelaten worden met niets dan een flakkerend licht.

Het duurde geruimen tijd voor de metselaar hem ertoe kon bewegen naar boven te gaan...

En toen het vuur uit was, kwamen de reuzenratten terug, sleepten het doode paard dwars het kerkhof over naar het veld waar het puin neergeworpen werd en aten ervan tot de dageraad aanbrak, en zelfs toèn durfde nog niemand hen storen.

II.

Redwood liep den volgenden morgen tegen elf uur bij Bensington aan, met de „tweede edities” van drie avondbladen in de hand.

Bensington, die in moedeloos gepeins verzonken zat boven de vergeten bladzijden van den meest afleidenden roman, dien de boekhandelaar op den Bromptonweg voor hem had kunnen vinden, keek op. „Iets nieuws?” vroeg hij.

„Twee menschen gestoken bij Chatham.”

„Zij moesten ons dat nest laten uitrooken. ’t Is hun eigen schuld.”

„Zeker is ’t hun eigen schuld,” zei Redwood.

„Heb je ook iets gehoord—omtrent den aankoop van de boerderij?”

„De huizen-makelaar,” zei Redwood, „is een wezen met een grooten mond en gemaakt van ondoordringbaar hout. Het wezen geeft voor, dat er een ander zin in het huis heeft—dat is zoo z’n vaste taktiek, snap je—en wil maar niet begrijpen dat er haast bij is. „Maar dit is een kwestie van leven of dood,” zeide ik, „begrijpt u dat dan niet?” Het wezen sloot zijn oogen half en zeide: „waarom is u dan niet genegen die overige tweehonderd pond er bij te geven?”

„Ik moet zeggen dat ik liever in een wereld van reuzenwespen leef, dan dat steenen-metselende brok stomheid zijn zin te geven. Ik—”

Hij zweeg even, voelend dat een dergelijke zin licht bedorven kon worden door zijn samenhang.

„’t Is te veel om te durven hopen,” zei Bensington, „dat er een van die wespen—”

„De wesp heeft niet meer idee van algemeen nut dan een—dan een makelaar in huizen,” zei Redwood.

Hij praatte nog een poosje door over huizen-makelaars en advocaten en dergelijke menschen, op de onrechtvaardige, onredelijke manier die zoovele lieden aannemen als ze over deze zaken-factotums aan het praten raken—(van al de zotte dingen in deze zotte wereld, lijkt het mij ’t zotst van alles, dat, terwijl wij eer, moed, bekwaamheid van een doctor of een krijgsman verwachten als iets dat vanzelf spreekt, wij procureurs of makelaars in huizen niet alleen vergunnen, maar zelfs van hen verwachten, een schraperige, vettige, in-den-weg-staande, afzetterige stomheid ten toon te spreiden—enz.)—en ging toen, erg opgelucht, naar het venster en keek wat naar het verkeer in Sloane-street.

Bensington had den roman op het tafeltje gelegd dat zijn electrischen standaard droeg. Hij bracht de vingers van zijne beide handen zeer voorzichtig tegen elkaar en keek er naar. „Redwood,” zei hij, „wordt er veel over òns gepraat?”

„Niet zooveel als ik dacht.”

„Maar veroordeelen ze ons heelemaal niet?”

„Nee, heelemaal niet. Maar daarentegen bevorderen ze ook heelemaal niet wat ik aangetoond heb dat moèt gedaan worden. Ik heb naar de „Times” geschreven, moet je weten, en heb alles uitgelegd—”

„Wij lezen de „Daily Chronicle,” zei Bensington.

„En de „Times” heeft een lang hoofdartikel over het onderwerp—een erg goed doorwerkt, goed geschreven hoofdartikel met drie stukken „Times”-Latijn—status quo is er een van—en het laat zich lezen als de stem van Iemand die zijn naam niet noemt, van grooten invloed en die lijdt aan Influenza-Hoofdpijn en die door vellen en vellen viltpapier heenpraat zonder er baat bij te vinden. Als je tusschen de regels dóór leest, merk je tamelijk duidelijk dat de „Times” het noodeloos vindt er doekjes om te winden, en dat er iets (natuurlijk wordt er niet gezegd wàt) moet gedaan worden en dat wel onmiddellijk. Anders steeds meer ongewenschte gevolgen, „Times”-Engelsch, snap je, voor nòg méér wespen en steken. Een door en door diplomatisch artikel!”

„En onder de hand verspreidt zich deze Grootheid al meer en meer op allerlei leelijke manieren.”

„Precies.”

„Ik wou wel eens weten of Skinner gelijk had omtrent die groote ratten—”

„Kom! Dàt zou tè erg zijn,” zei Redwood.

Hij kwam naast Bensington’s stoel staan.

„Tusschen twee haakjes,” zei hij, terwijl hij zijn stem iets liet dalen, „hoe vat zìj—?”

Hij wees naar de gesloten deur.

„Nicht Jane? Zij weet er nog niets van. Brengt ons er niet mee in verband, en wil de artikelen niet lezen. „Reuzenwespen!” zegt ze, „ik zou nog net zoo lief, als die kranten te lezen.”

„Dat is heel gelukkig,” zei Redwood.

„Ik hoop toch niet, dat—mevrouw Redwood—?”

„Nee,” zeide Redwood, „’t wordt net gevoed—ze tobt verschrikkelijk over het kind. ’t Gaat àl maar door, moet je weten.”

„’t Groeien?”

„Ja. Is in tien dagen een-en-veertig ons aangekomen. Weegt nu bijna tachtig pond. En nog maar zes maanden! Natuurlijk een beetje onrustbarend.”

„Is ie goed in orde?”

„Puik. Zijn kindermeid vertrekt omdat hij zoo van zich af trapt. En natuurlijk is hij overal totaal uitgegroeid. We hebben alles nieuw voor hem moeten laten maken, kleeren en al ’t overige. Van de kinderwagen—’n licht ding—brak een rad, en het ventje moest naar huis gebracht worden op de handkar van den melkboer. Ja. Een heele menigte er achteraan... En we hebben Georgina Phyllis in zijn bed moeten laten slapen en hem in het bed van Georgina Phyllis. Zijn moeder—natuurlijk wat geschrokken. Eerst vol trots en geneigd Winkles te prijzen. Nu niet meer. Voelt dat zoo iets niet gezond kàn zijn. Begrijp je natuurlijk.”

„Ik dacht dat je hem kleinere doses zou geven.”

„Heb ’t geprobeerd.”

„Werkte ’t niet?”

„Gegil. In gewone gevallen is het geschreeuw van een kind al luid en hinderlijk; ’t is goed voor de soort dàt dit zoo is,—maar sints hij gevoed wordt met Herakleophorbia—”

„Hm”—zei Bensington, met meer gelatenheid naar zijn vingers kijkend dan tot nu toe het geval was geweest.

„’t Ligt voor de hand dat de zaak moèt uitkomen. De menschen zullen van dit kind hooren, het in verband brengen met onze kippen en ’t andere spul, en m’n vrouw zal de heele zaak te weten komen... Ik heb geen vaag idee hoe ze ’t zal opvatten.”

„’t Is stellig moeilijk,” zei Bensington, „om eenig plan te maken——”

Hij zette zijn bril af, en veegde hem zorgvuldig schoon.

„’t Is alweer een voorbeeld van wat er voortdurend geschiedt. Wij—als ik het tenminste zoo eens mag uitdrukken—wij, mannen der wetenschap—wij werken natuurlijk altijd om een theoretisch resultaat te bereiken—’n zuiver theoretisch resultaat. Doch, zonder dat wij het zelf willen—brengen wij soms krachten in werking—nìèuwe krachten. Wij mógen die niet beheerschen—en niemand anders kàn het. Feitelijk hebben wij de quaestie niet langer in onze macht, Redwood. Wij verschaffen het materiaal—”

„En zij” zei Redwood, zich naar het raam wendend, „ondervinden de gevolgen.”

„Voor zoover het die plaag in Kent betreft, zal ik mij er niet verder moeilijk over maken.”

„Als ze het òns tenminste niet moeilijk gaan maken.”

„Precies. En als ze willen komen aanzeuren met procureurs en beunhazen in de rechten en wettelijke belemmeringen en allerlei wichtige bezwaren van het nonsensicale soort, tot ze een aantal nieuwe soorten reuzen-ongedierten in de wereld geschopt hebben—De zaken zijn altijd in de war geweest, Redwood.”

Redwood trok een kromme ineengestrengelde lijn in de lucht.

„En het belang dat wij bij de zaak hebben, zetelt feitelijk op dit oogenblik alleen bij jouw jongen.”

Redwood wendde zich om, kwam naderbij en keek zijn medewerker scherp aan.

„Wat is jouw idee omtrent hem, Bensington? Jij kunt de zaak onbevooroordeelder bekijken dan ik. Wat moet ik met hem aanvangen??”

„Doorgaan met hem te voeden.”

„Met Herakleophorbia?”

„Met Herakleophorbia.”

„En dan groeit hij dóór.”

„Hij zal opgroeien, voor zoover ik het kan berekenen naar de kippen en wespen, tot een lengte van ongeveer vijf en dertig voet—met alles daaraan geëvenredigd—”

„En wat zal hij dan aanvangen?”

„Dat,” zei Bensington, „maakt de geheele quaestie juist zoo interessant.”

„Maar goeie hemel, kerel, denk es aan zijn kleêren! En als hij volwassen is,” zei Redwood, „zal hij een eenzame Gulliver zijn temidden van een Lilliputter-wereld.”

De oogen van den heer Bensington keken veelbeteekenend over zijn bril.

„Waarom eenzaam?” zeide hij, en herhaalde nog somberder: „waarom eenzaam?”

„Maar je wilt toch niet zeggen—?”

„Ik zeide,” zei de heer Bensington, met de zelfvoldoening van iemand die een goed beteekenisvol iets gezegd heeft, „waarom eenzaam.”

„Bedoel je dat we nog meer van dergelijke kinderen zouden kunnen grootbrengen—?”

„Neen, ik bedoel niets meer dan wat ik vroeg.”

Redwood begon de kamer op en neer te loopen.

„Natuurlijk,” zeide hij, „dat zou kunnen.—Maar toch! Wat zou het einde ervan zijn?”

Bensington schepte blijkbaar behagen in zijn eigen hooge gedachtenvlucht.

„Wat mij het meeste belangstelling inboezemt, Redwood, is de gedachte dat zijn brein daar hoog in de lucht, als mijn redeneering tenminste juist is, óók vijfendertig voet of zoo verheven zal zijn boven ons niveau... Wat is er?”

Redwood stond voor het venster en keek verbaasd naar een plakkaat op een wagen van een courantenbureau, die de straat kwam afratelen.

„Wat is er aan de hand?” herhaalde Bensington, opstaand.

Redwood slaakte een luiden kreet.

„Wat is er dan toch?” zei Bensington.

„Haal even een courant,” zei Redwood, naar de deur gaand.

„Waarom?”

„Haal een courant.—Ik heb ’t niet heelemaal—Reusachtige ratten—!”

„Ratten?”

„Ja, ratten. Skinner had bij slot van rekening toch gelijk!”

„Wat bedoel je?”

„Hoe kan ik dat zeggen vóór ik een krant heb? Groote Ratten. Goeie God. Als ze hem maar niet opgegeten hebben!”

Hij keek rond naar zijn hoed en besloot dan maar zonder hoed te gaan.

Terwijl hij den trap afrende, twee treden tegelijk, kon hij op straat het geweldige gebrul der Hooligan-couranten-verkoopers hooren, dat nu eens nader kwam, en zich dan weder verwijderde. De kerels sloegen er een aardig slaatje uit.

„Vraiselijke gebeurtenis in Kent—vraiselijke gebeurtenis in Kent. Dokter ............ opgevreten door ratte. Vraiselijke gebeurtenis—ratte,—opgevreite door reusachtige ratte—”

III.

Cossar, de welbekende civiel-ingenieur, vond hen beiden staan in de groote deur der bovenwoningen, terwijl Redwood de nog vochtige, rose courant op armslengte hield en Bensington op de teenen stond, over zijn arm heen lezend. Cossar was een groote man met magere onbehouwen ledematen, die toevallig op geschikte hoeken van zijn lichaam geplaatst waren en een gezicht als een houtsnee, die in begin-stadium reeds onafgewerkt was gelaten, al tè weinig belovend om ze te voltooien. Zijn neus was vierkant gelaten en zijn onderkaak stak verder uit dan de bovenkaak. Hij ademde hoorbaar. Weinig lieden vonden hem knap. Zijn haar was volkomen tangentiaal en zijn stem, die hij niet te veel deed hooren, was hoog en meestal klonk er een bitter protest in door. Hij droeg bij alle gelegenheden een grijs linnen jacket-costuum en een zijden hoed. Hij peilde een onmetelijken zak met een groote roode hand, betaalde zijn koetsier en kwam hijgend en resoluut den trap op, een exemplaar van de rose courant in het midden vastklemmend als een bliksemstraal van Jupiter.

„Skinner?” zei Bensington, niet lettend op Cossar’s nadering.

„Staat niks over hem in,” zei Redwood. „Is beslist opgegeten. Allebei. ’t Is te vreeselijk!... Hallo, Cossar!”

„Is dat dat goedje van jullie?” vroeg Cossar, met de courant wuivend. „Waarom maak je er geen eind aan?” vroeg hij.

„De plaats koopen?” riep hij uit. „Wat een onzin! Brand ’em tegen den grond. Ik wist wel dat lui als jelui d’r ’n rommel van zoudt maken. Wat je moet aanvangen? Wel—wat ik je zeg.”

„Jij? Doen? Natuurlijk de straat opgaan naar den wapenhandelaar. Waaròm? Om geweren. Ja—er is maar één winkel. Haal acht geweren! Met getrokken loop. Geen olifant-roeren—nee! Te groot. Geen infanteriegeweren ook—te klein. Zeg dat ’t is om ’n stier dood te schieten. Zeg dat ze zijn om buffels te schieten! Zie je? Hè? Ratten? Nee! Hoe kunnen ze dàt begrijpen, voor den duivel?... Acht? Omdat we er acht nóódig hebben. Zorg voor een hoop ammunitie. Koop geen geweren zonder ammunitie—nee! Neem ’t heele zaakje mee in een vigelante naar—waarheen ook weer? Urshot? Dan moet je Charing-Cross station hebben. Er gaat een trein om—enfin, de eerste de beste trein na tweeën. Denk je dat je ’t doen kunt? Goed zoo. Vergunning? Haal er acht aan een postkantoor, natuurlijk. Vergunning voor ’t dragen van geweren, snap je. Geen jachtakte. Waarom? Omdat ’t ratten zijn, man.”

„Jij—Bensington! Heb je ’n telephoon? Ja. Ik zal vijf van m’n mannetjes uit Ealing opbellen. Waarom vijf? Omdat dat ’t juiste getal is.—Waar ga jij heen, Redwood? Een hoed zoeken! Onzin. Hier heb je den mijne. Geweren heb je noodig, man—geen hoeden. Heb je geld? Genoeg? Goed zoo. Vooruit dan maar. Waar is die telephoon, Bensington?”

Bensington keerde zich gehoorzaam om en ging voor. Cossar gebruikte de telephoon en belde af. „Dan heb je die wespen nog,” zei hij. „Daar zijn zwavel en salpeter goed voor. Natuurlijk. Gips. Jij bent scheikundige. Waar kan ik zwavel bij de ton krijgen in zakken die niet te groot zijn. Waarvoor? Wel, m’n goeie god!—om dat nest uit te rooken, natuurlijk! Moet toch zwavel zijn, niet waar? Jij bent scheikundige. Zwavel het beste, he?”

„Ja, ik gelóóf wel dat zwavel ’t beste is.”

„Niets beters? Goed, dat is jouw werk. Zie zooveel zwavel te krijgen als je kunt—en salpeter om het te doen branden. Sturen? Charing Cross. Dàdelijk. Zorg ervoor dat ze ’t doen ook. Loop zèlf mee. Nog iets?”

Hij dacht een oogenblik na.

„Portland cement—alle cement is goed—nest blokkeeren—gaten, snap je? Dàt zal ìk wel halen.”

„Hoeveel?”

„Hoeveel wat?”

„Zwavel.”

„Ton. Begrepen?”

Bensington kneep zijn bril wat vaster met een hand die beefde van vastberadenheid. „In orde,” zei hij, zeer kortaf.

„Geld in je zak?” vroeg Cossar. „Loop naar den duivel met cheques. Gereed geld betalen. Natuurlijk. Waar is je bank? Goed. Stap onder weg uit en haal veertig pond—bankbiljetten en goud.”

Weer even nadenken. „Als we dit zaakje aan de ambtenaren overlaten dan gaat heel Kent aan flarden,” zei Cossar. „Is er nog iets—? Neen. Hìèr!”

Hij stak een enorme hand op naar een vigelante die gretig aan-hotste om hem te bedienen. „Rijtuig, meneer?” zei de aapjes-man. „Nog al vanzelf,” zeide Cossar en Bensington, nog steeds zonder hoed, pagaaide den trap af, en maakte zich gereed in te stappen.

„Ik vind,” zei hij, met zijn hand op het zeil der vigelante, en met een schichtigen blik naar de vensters zijner verdieping, „ik geloof dat ik het eerst nog even aan nicht Jeanne ga vertellen.—”

„Meer tijd om te vertellen als je terugkomt,” zei Cossar, hem erin duwend met een enorme hand die zijn rug ongeveer besloeg... „Knappe kerels,” merkte Cossar op, „maar geen zier initiatief. Jawel, nicht Jeanne. Ik ken ’er. Snert, al die nichten Jeanne!—’t land is er mee verpest. Ik wed dat ’t me den geheelen nacht zal bezighouden om ervoor te zorgen dat ze doen wat ze aldoor geweten hebben dat ze moèsten doen. Ik wou wel es weten of ’t dat napluizen of nicht Jeanne of iets anders is, dat ze zoo maakt?”

Hij liet dit ondoorgrondelijke probleem voor wat het was, staarde een poosje in gedachten op zijn horloge en bevond dat er nog juist tijd genoeg zou zijn om een restaurant binnen te vallen en koffie te drinken vóór hij op het portland-cement uitging en het naar Charing Cross vervoerde. De trein vertrok om vijf minuten over drieën, en hij kwam te Charing-Cross aan om kwart vóór drie, en vond daar Bensington buiten het station in heet dispuut met twee politie-agenten en zijn wagenvoerder buiten het station en Redwood in het goederenbureau, in een technische moeilijkheid gewikkeld omtrent zijne ammunitie. Iedereen gaf voor, niets te weten of geen macht te hebben, op de manier waarvan de beambten op de Zuid-Ooster-lijn zooveel houden als ze zien, dat ge haast hebt.

„Jammer dat ze al die beambten niet kunnen neerschieten en een nieuw stel nemen,” merkte Cossar zuchtend op. Doch de tijd was te kort om lang te redekavelen en deshalve schoof hij al deze kleinere hinderpalen op zij, en dook uit de een of andere obscure schuilplaats een wezen op, dat de station-chef kan geweest zijn—maar het ook even goed niet kan geweest zijn—liep heen en weer, hem stevig vasthoudend, gaf orders in zijn naam, en was het station uit met alles en iedereen veilig aan boord, vóór die beambte den vollen omvang begreep van de inbreuk die er gemaakt was op den meest heiligen gang van zaken en voorschriften. „Wie wàs dat?” vroeg de hooge beambte, den arm betastend, dien Cossar beet had gehad, en glimlachend met gefronste wenkbrauwen.

„Hoe of wat dan ook meneer,” zei een kruier, „maar ’t was een meneer. ’IJ en allemaal die bij ’em waren, reisden eerste klas.”

„Nu, we hebben hèm en zijn goedje aardig vlug de baan uitgestuurd—wie hij dan ook was”, zeide de hooge beambte, zijn arm wrijvend met iets dat naar voldoening zweemde.

En terwijl hij langzaam terugwandelde, knipoogend in het daglicht waaraan hij zoo weinig gewoon was, naar die deftige plaats van afzondering waarin de hoogere beambten te Charing Cross hun toevlucht zoeken tegen den overlast van het plebs, liep hij nog steeds te glimlachen om zijn ongewone energie. Het geval gaf hem een zeer veel voldoening gevenden blik op zijn eigen handigheid, niettegenstaande zijn stijven arm. Hij wenschte dat enkelen van die verwenschte critici, die in een gemakkelijken stoel het bestuur der spoorwegen liggen af te kammen, hem eens hadden kunnen zien.

Tegen vijven had die niet genoeg te bewonderen Cossar zonder eenigen schijn van overhaasting, al zijn materiaal voor zijn strijd tegen deze losgebroken Grootheid Urshot reeds uit, en was hij op weg naar Hickleybrow. Twee vaten petroleum en een vracht droge rijzen had hij in Urshot gekocht; een meer dan voldoend aantal zakken zwavel, acht geweren voor groot wild en ammunitie, drie lichte achterladers, met fijne-hagel-patronen voor de wespen, een bijl, twee kapmessen, een houweel en drie spaden, twee streng touw, wat flesschen bier, soda en whiskey, een gros pakjes rattenkruid en koude proviand voor drie dagen, waren uit Londen mee gekomen. Dit alles had hij op zeer zakelijke manier in een kolenlorrie en een hooiwagen vooruit gezonden; behalve de geweren en de ammunitie, die geborgen werden onder de bank van het wagentje uit den Rooden Leeuw, dat bestemd was om Redwood en de keurbende van vijf man die op Cossar’s bevel uit Ealing gekomen was, te vervoeren.

Cossar leidde al deze werkzaamheden met een air, alsof het de meest doodgewone zaak ter wereld was; hoewel er in Urshot een ware paniek heerschte over de ratten, en alle wagenbestuurders moesten extra betaald worden. Alle winkels in het plaatsje waren gesloten, en men zag bijna niemand op straat, en als hij op een deur klopte, ging niet de deur, maar het raam open. Hij scheen het zaken-drijven vanuit open vensters een volkomen gewettigd en voor de hand liggend iets te vinden. Eindelijk kregen hij en Bensington den sjees uit den Rooden Leeuw, en gingen op weg met net karretje, om zich bij de bagage te voegen die reeds een eind vooruit was. Dit deden zij een eindje voorbij de kruiswegen, en kwamen zoodoende het eerst te Hickleybrow aan.

Bensington, met een geweer tusschen de knieën, naast Cossar zittend in de sjees, voelde een reeds lang in zich groeiende verbazing tot rijpheid komen. Al wat zij nu deden, was, zooals Cossar volhield, zonder twijfel het meest voor de hand liggende om te doen, maar—! In Engeland doet men zelden wat voor de hand ligt. Hij keek van de voeten van zijn buurman, naar de forsch gespierde handen op de teugels. Cossar had blijkbaar nooit gemend, en reed maar recht uit recht aan over het midden van den weg, volgens een zonder twijfel voor de hand liggende, doch zeer zeker ongewone eigen methode.

Waarom doen wij toch niet allemaal wat voor de hand ligt? dacht Bensington. Wat ’n goeie wereld zou ’t dan worden als iedereen dat deed! Waarom doe ik bijvoorbeeld zoo’n massa dingen niet, terwijl ik weet dat ’t goed zou zijn ze te doen—dingen die ik graag doen zou! Is iederéén dan zóó, of ligt ’t alleen aan mij!” Hij verzonk in sombere overpeinzingen over den wil. Hij dacht na over de ingewikkelde, ingeroeste beuzelachtigheden van het dagelijksch leven, en in tegenstelling hiermede, over de eenvoudige en voor de hand liggende dingen die men behoorde te doen, de aangename en mooie daden, die eigenaardige invloeden ons nooit veroorloven te volbrengen. Nicht Jeanne? Hij bemerkte dat nicht Jeanne op de een of andere listige en moeilijk-na-te-gane manier een belangrijke factor in deze quaestie was. Waarom moeten wij, bij slot van rekening, eten, drinken, slapen, ongetrouwd blijven, híerheen gaan, dáár nièt heen gaan, en dit alles uit consideratie voor nicht Jeanne?

Zij werd symbolisch zonder op te houden ondoorgrondelijk te zijn!...

Een overstap, en een pad dwars door de velden trokken zijn aandacht en deden hem denken aan dien vroolijken helderen dag, nog zoo kort geleden wat tijd betrof, terwijl de emoties ervan reeds zoo ver achter hem lagen, toen hij van Urshot naar de Proef-Hoeve liep om naar de reuzen-kuikens te gaan kijken...

Het lot speelt met ons.

„Tchek, tchek,” zeide Cossar, „sta op.”

Het was een zeer warme middag, er was geen zuchtje en het stof lag dik op de wegen. Menschen waren er niet veel te zien, doch de herten achter de omheining van het park graasden vreedzaam.

Zij zagen een paar van de groote wespen een kruisbessenstruik leegplunderen even buiten Hickleybrow, en er kroop er een op en neer voor het kleine kruideniers-winkeltje in de dorpstraat, trachtend ergens een ingang te vinden. De kruidenier was nog zichtbaar binnen, met een oud vogelroer in de hand en de pogingen van het dier aandachtig volgend. De koetsier van het karretje hield stil voor „de Vroolijke Koejongens,” en deelde Redwood mede, dat zijn deel van de overeenkomst hiermede afliep. Hierbij sloten zich een oogenblik later ook de voerlieden van den hooiwagen en de kolenlorrie aan. Zij hielden deze bewering niet alleen staande, doch weigerden pertinent om de paarden verder mee te laten gaan.

„Die groote ratten zijn dol op paarden”, herhaalde de kolentremmer telkens.

Cossar keek het getwist een oogenblik aan.

„Haal de spullen uit het wagentje”, zeide hij, en een van zijne mannen, een lange, blonde, smerige werktuigkundige, gehoorzaamde.

„Geef me dat jachtgeweer es an”, zeide Cossar.

Hij ging tusschen de voerlui staan. „Wij verlangen niet van jelui dat je rijden zult,” zeide hij.

„En nu kun je verder zeggen wat je wilt,” gaf hij toe—„maar wij moeten die paarden hebben.”

Zij begonnen over en weer te praten, maar hij ging voort: „Als jelui het hart hebt om een hand naar ons uit te steken, schiet ik je uit zelfverdediging in je beenen. Maar de paarden gaan mee verder.”—Hij beschouwde de zaak hiermede als afgedaan.

„Klim op dien wagen, Flack,” zei hij tot een breedgeschouderden, taaien, kleinen man. „Boon, jij neemt den kolenwagen.”

Twee wagenvoerders begonnen tegen Redwood te tieren.

„Jelui hebt je plicht gedaan jegens jelui werkgevers”, zeide Redwood. „Jelui blijven in dit dorp tot wij terugkomen. Niemand zal je de schuld geven, als ze zien dat wij geweren hebben. Wij willen niets onrechtvaardigs of gewelddadigs doen, maar de quaestie is dringend. Ik betaal als er iets met de paarden gebeurt, dus stel je op dat punt maar gerust.”

„Goed zoo,” zeide Cossar, die zelden beloften deed.

Zij lieten de sjees achter, en de mannen, die menden, gingen te voet. Over elken schouder bungelde een geweer. Het was een allervreemdste kleine expeditie voor een Engelschen landweg. Het geleek meer op een Yankee-troep, die bezig was westwaarts te trekken in de goede oude dagen der Indianen.

Zij volgden den weg, totdat zij op den top van den heuvel, bij den overstap, de Proef-Hoeve in het zicht kregen.

Zij vonden boven op den heuvel een klein troepje mannen met een geweer—de beide Fulchers waren er onder anderen ook bij—en een man, een vreemde uit Maidstone, stond een paar pas vóór de anderen en nam het terrein op door een tooneelkijker.

Deze mannen wendden zich om en keken verbaasd naar Redwood’s troep.

„Iets nieuws?” zeide Cossar.

„De wespen vliegen af en an,” zei de oude Fulcher.

„Kan niet zien of ze wat meebrengen.”

„Het kanariekruid is nou al tusschen de pijnboomen,” zeide de man met den tooneelkijker. „Van morgen was het daar nog niet. Je kunt het zien groeien terwijl je er naar staat te kijken.”

Hij haalde een zakdoek uit zijn zak en wreef de glazen van den tooneelkijker doodbedaard zorgvuldig af.

„Jelui gaan zeker naar beneden, he?” waagde Skelmersdale te zeggen.

„Ga je mee?” vroeg Cossar.

Skelmersdale scheen te aarzelen.

„Duurt den geheelen nacht.”

Skelmersdale besloot, als dat zoo was, maar liever niet mee te gaan.

„Ook ratten op de vlakte?” vroeg Cossar.

„D’r zat er een tusschen de dennen van morgen. Ik vertrouw dat ie op konijnen uit was.”

Cossar sjokte weer voort om de anderen in te halen. Bensington, die van onder zijn hand naar de Proef-Hoeve tuurde, kreeg voor het eerst eenigermate een denkbeeld van de kracht van het voedsel. Zijn eerste indruk was, dat het huis kleiner was dan hij gedacht had—véél kleiner zelfs; zijn tweede indruk was, dat de geheele plantengroei tusschen het huis en het pijnbosch ontzettend groot was geworden. Het dak boven den put keek nog maar even uit van tusschen acht voet hooge graspluimen en het kanariekruid had zich om den schoorsteen geslingerd en gesticuleerde met stijve ranken in de lucht. Zijn bloemen waren helder-gele vlekken, die wel een mijl ver duidelijk zichtbaar waren als afzonderlijke, gele, spikkels.

Een groote, groene kabel had zich dwars door het ijzergaas van den looper der reuzen-kuikens gewrongen en had zijn bladerstelen geslingerd om twee aan den buitenkant staande pijnboomen. Bijna half zoo hoog was ook het boschje brandnetels, dat om de karreschuur was opgeschoten. De geheele aanblik deed, hoe meer zij naderden, denken aan een aanval van dwergen op een poppenhuis dat in een vergeten hoekje van den een of ander grooten tuin is blijven staan.

Zij zagen dat de wespen voortdurend ijverig af en aan vlogen. Een zwerm zwarte gedaanten vloog door elkaar in de lucht boven de verweerde heuvelhelling achter het pijnbosch en telkens schoot een van deze gedaanten op in de lucht, met ongelooflijke snelheid, en zweefde heen naar een verwijderd doel. Hun gegons was reeds hoorbaar op meer dan een halve mijl van de Proef-Hoeve.

Eenmaal kwam een geel-gestreept monster hun kant uit schieten, zweefde een tijdlang vóór hen, naar hen kijkend met zijn groote facettenoogen, doch op een mislukt schot uit Cossar’s jachtgeweer, vloog het weder heen. Rechts in een hoek van het veld, kropen er verscheidene over eenige afgekloven beenderen, die waarschijnlijk de overblijfselen waren van het lam dat de ratten hierheen gesleept hadden van Huxter’s boerderij. De paarden begonnen onrustig te worden, toen zij deze wezens naderden. Geen van het gezelschap was een goed menner, en zij moesten ieder paard bij den teugel leiden en het aanmoedigen met hun stem.

Zij zagen geen enkel spoor van de ratten, toen zij het huis naderden, en alles scheen volmaakt rustig, behalve het nu eens duidelijker, dan weer minder duidelijk aanzwellende whoozzzzzzZZZ, whoooooozoo—oe uit het wespen-nest.

Zij leidden de paarden het erf op en een van Cossar’s mannen die de deur zag openstaan—het geheele middengedeelte ervan was weggeknaagd—ging naar binnen. Niemand miste hem den eersten tijd, daar de anderen bezig waren met de vaten petroleum, en zij bemerkten eerst dat hij niet bij hen was, toen zij het knallen van zijn geweer en het fluiten van zijn kogel hoorden. „Pang, pang,” allebei de loopen, en zijn eerste kogel ging, schijnt het, door het vat zwavel, rukte er een duig aan den anderen kant uit, en vervulde de lucht met geel poeder. Redwood had zijn geweer in de hand gehouden en trok het schot er af op iets grijs’ dat hem voorbij rende. Hij zag nog even het breede achtergedeelte, den langen schubachtigen staart en lange zolen der achterpooten van een rat, en ledigde zijn tweeden loop. Hij zag Bensington neervallen op het oogenblik, dat het beest om den hoek verdween.

Toen was iedereen een tijdlang druk in de weer met een geweer. Drie minuten lang waren levens geen cent meer waard op de Proef-Hoeve, en het knallen der geweren vervulde de lucht. Redwood in zijn opwinding niet op Bensington lettend, achtervolgde het dier, en werd omver gegooid door een massa puin, kalk, cement en splinters van vermolmde latten, die recht op hem af kwam stuiven, nadat een kogel juist tegenover hem door den muur was komen vliegen.

Hij vond zich zelf op den grond zitten met bebloede handen en lippen en groote stilte hing drukkend over alles om hem heen.

Toen merkte hij een geestlooze stem vanuit het huis op:

„Gee—whizz!”

„Hallo!” zei Redwood.

„Hallo daar!” antwoordde de stem.

En toen: „hebben jellui ’em?”

Een besef van de plichten der vriendschap ontwaakte in Redwood. „Is meneer Bensington gewond?” vroeg hij.

De man binnen verstond hem niet goed. „’t Is jullie schuld zèker niet, dat ik nog leef” zeide de stem.

Het werd Redwood steeds duidelijker, dat ’t niet anders kon, of hij had Bensington neergeschoten. Hij dacht niet langer aan de schrammen in zijn gezicht, stond op en vond Bensington op den grond zitten, zijn schouder wrijvend.

Bensington keek hem over zijn bril aan. „We hebben ’em smeer gegeven, Redwood”, zeide hij en toen: „hij probeerde over me heen te springen, en gooide me omver. Maar ik gaf ’m allebei de loopen, en goeie hemel, m’n schouder is murw.”

Er verscheen een man in de deur van het huis. „Eéns raakte ik ’m in zijn borst en eens in z’n zij,” zeide hij.

„Waar zijn de wagens?” zeide Cossar, te voorschijn komend uit een warbos van reusachtige kanariekruid-bladen.

Het bleek tot Redwood’s verbazing, ten eerste, dat er niemand doodgeschoten was, en ten tweede dat de trollen en de wagen wel een vijftig pas verplaatst waren, en nu met ineengeloopen wielen in den verwoesten moestuin van Skinner stonden.

De paarden hadden opgehouden met slaan en steigeren. Een eind verder lag het gebarsten vat zwavel op het pad met een wolk van stof er boven. Hij vestigde Cossar’s aandacht hierop en ging er naar toe. „Heeft een van jullie die rat ook gezien?” brulde Cossar, hem volgend. „Ik raakte hem éénmaal tusschen z’n ribben, en éénmaal recht in zijn facie toen hij op me afkwam.”

Terwijl zij nog bezig waren om de in elkaar gewerkte raderen te trekken, voegden juist twee mannen zich bij hen.

„Ik heb die rat neergelegd,” zeide een van hen.

„Hebben ze ’em?” vroeg Cossar.

„Jim Bates heeft ’m gevonden, achter de heg. Ik raakte ’m net toen hij om den hoek kwam....”

„Pats, achter zijn schouder......”

Toen de zaken weder een beetje op orde waren, ging Redwood eens kijken naar het kolossale, wanstaltige lijk. Het dier lag op zijn zijde, met lichtelijk gekromd lijf. Zijn knaagtanden, die uitstaken over de onderkaak, gaven aan zijn gezicht een uitdrukking van zwakheid bij al zijn grootte en vraatzucht. Het leek niet in ’t minst woest of vrees-aanjagend. De klauwen der voorpooten deden denken aan vermagerde handen. Behalve een klein rond gaatje met een geschroeiden rand er om heen aan weerszijden van den hals, was het dier volkomen ongedeerd.

Hij bleef hierover eenigen tijd staan peinzen.

„Dan moeten er twéé ratten geweest zijn,” zeide hij eindelijk, zich afwendend.

„Ja, en die, die iedereen geraakt heeft,—is ontsnapt.”

„Ik weet anders zeker dat mijn schot......”

Een kanariekruid-rank, die op de geheimzinnige manier van alle kruipplanten naar een houvast zocht, boog zich allervriendelijkst naar zijn hals, en deed hem haastig ter zijde gaan.

„Whoe-z-z-z-z-z-z-Z-Z-Z”, klonk het uit het wespennest, een eind verder, „whoe-oe-zoe-oe.”

IV.

Dit geval deed het gezelschap op zijn hoede zijn, hoewel het er niet buitengewoon ontdaan over was.

Zij brachten hun provisie in het huis, dat blijkbaar ondersteboven gehaald was door de ratten, nadat juffrouw Skinner het verlaten had, en vier van de mannen brachten de twee paarden naar Hickleybrow terug. Zij sleepten de doode rat door de heg, zóó dat zij van uit de vensters van het huis goed te zien was, en bemerkten toevallig een kolonie reuzen-oorwormen in de greppel. Deze dieren gingen haastig uit elkaar, doch Cossar stak zijn ontzettende ledematen uit en slaagde er in, er verscheidene te dooden met zijn laarzen en geweer-kolf. Vervolgens hakten twee der mannen verscheidene hoofd-stammen van het kanarie-kruid door—dit waren reusachtige cylinders van een paar voet in doorsnede, die uitkwamen bij den zinkput achter het huis; en terwijl Cossar het huis voor den nacht in orde bracht, liepen Bensington, Redwood en een der bijstand-verleenende electriciens behoedzaam om de kippenrennen heen, zoekend naar de rattenholen.

Zij maakten een wijden boog om de reuzen-brandnetels heen, want dit reusachtig onkruid bedreigde hen met giftige doornen van ruim een duim lang.

Vervolgens kwamen zij aan gene zijde van het afgeknaagde, onttakelde hek, en stonden plotseling voor het meest westelijk-gelegen reusachtige ratten-hol—, een kwalijk-riekende diepte,—dat hen op éen rij deed gaan staan.

„Ik hoop dat zij te voorschijn zullen komen”, zeide Redwood met een blik naar het afdak van den put.

„En als ze er eens niet uitkomen,” zei Bensington.

„Dat zullen ze wel,” zei Redwood.

Zij bleven in gedachten verzonken staan.

„We zullen op de een of andere manier vuur moeten aanmaken àls we er in gaan,” zeide Redwood.

Zij gingen een klein paadje van wit zand op, door het dennenbosch, en hielden een oogenblik later stand in het gezicht der wespen-holen.

De zon ging nu onder, en de wespen kwamen allen naar huis; hun vleugels vormden in het gouden licht snel-ronddraaiende stralen-kransen om hen heen. De drie mannen keken behoedzaam toe van onder de boomen—zij waagden het niet tot aan den rànd van het bosch te gaan—en zagen deze kolossale insecten neerkomen, een beetje rondkruipen, de holen binnengaan en verdwijnen.

„Binnen een paar uur zijn ze kalm,” zei Redwood... ’t Is net of je weer een jongen bent.”

„We kunnen deze holen niet misloopen,” zei Bensington, „al is de nacht ook donker. Tusschen twee haakjes—hoe moet het met ’t licht”—

„Volle maan,” zei de electricien. „Heb ’t opgezocht.”

Zij gingen terug en raadpleegden Cossar.

Hij zeide, dat ’t „voor de hand lag”, dat ze voor ’t schemer de zwavel, salpeter en gips ’t bosch doorbrachten en derhalve ontlaadden zij de wagens en droegen de zakken op hun rug.

Na het noodige geschreeuw der voorafgaande orders werd er geen woord meer gesproken, en toen het gezoem uit het wespen-nest verstierf, was er bijna geen ander geluid te hooren dan het gedruisch van voetstappen, de zware ademhaling van beladen mannen en het neerwerpen der zakken. Om beurten hielp ieder een handje behalve Bensington die hier klaarblijkelijk ongeschikt voor was. Hij vatte post in de slaapkamer der Skinners met een geweer, om het lijk der doode rat te bewaken en de andere droegen om beurten zakken en rustten dan weder, en hielden twee aan twee de wacht bij de ratten-holen achter het brandnetel-boschje. De zaadbolletjes der netels waren rijp, en telkens werd hun waken verlevendigd door het opengaan van een dezer bolletjes, wat precies klonk als het knallen van een pistool, en de zaadkorrels, zoo groot als hertenloopers, vlogen overal om hen heen.

Bensington zat voor zijn venster in een harden paardenharen leunstoel, waarover een smoezelige anti-macasser lag, die gedurende vele jaren een tikje van maatschappelijke distinctie gegeven had aan de huiskamer der Skinners.

Zijn geweer, waaraan hij zoo weinig gewoon was, rustte op het kozijn, en zijn bril keek nu eens naar de duistere gestalte der doode rat in het steeds-meer-dalende schemerduister, dan weer om zich heen, in vreemde overpeinzingen. Er was een flauwe stank van petroleum, want een van de vaten lekte, en deze lucht vermengde zich met een minder onaangenamen geur, die opsteeg uit den afgehakten en vertreden stengel van het kanariekruid.

Als hij het hoofd omwendde herinnerde een mengeling van vage huiselijke geuren, van bier, kaas, rotte appels en oude laarzen als leidmotieven, hem sterk aan de verdwenen Skinners. Hij keek een tijdje lang rond in het duistere vertrek. Het meubilair was zeer in wanorde gebracht—misschien wel door de een of andere nieuwsgierige rat—doch een jas aan een pen, tegen de deur, een scheermes en enkele vuile strookjes papier, en een stukje zeep dat tot een hoornachtigen dobbelsteen geworden was doordat het sedert jaren niet meer gebruikt werd, dit alles rook naar Skinner’s marquante persoonlijkheid.

De gedachte kwam in Bensington’s brein op, dat hoogstwaarschijnlijk het monster, dat daar nu in het halfduister lag, Skinner gedood en opgegeten had, tenminste gedeeltelijk, iets waarvan hij den geheelen omvang nog niet overdacht had.

Waar toch een er-onschuldig-uitziende ontdekking op chemisch gebied al niet toe leiden kon!

Hier zat hij nu, in zijn eenvoudige, oude Engeland, en toch aan alle zijden belaagd door gevaren, geheel alleen met een geweer in een halfduister, bouwvallig huis, ver van elk gemak, met zijn schouder deerlijk gekneusd door het stooten van een geweer, en—bij alle heiligen!

Hij begreep nu eerst ten volle hoezeer de gewone orde van zaken van het Heelal voor hem veranderd was. Hij was weggegaan naar de plaats van dit verbazingwekkende avontuur, zonder er zelfs met één woord van te reppen tegen zijn nicht Jeanne!

Wat moest zij wel van hem denken?

Hij trachtte zich dit voor te stellen, doch het gelukte hem niet. Hij had het vreemde gevoel, dat hij en zij nu voor altijd gescheiden waren, en elkander nooit weer zouden zien. Hij gevoelde, dat hij een verbazenden stap gedaan had, en een wereld van nieuwe onmetelijke dingen had betreden. Wat voor monsters konden die steeds duisterder wordende schaduwen niet verbergen?... De toppen der reuzen-netels staken donker en scherp af tegen het bleeke groen en amber van de lucht in het westen. Alles was heel stil—heel, heel stil. Hij verwonderde zich waarom hij de anderen niet kon hooren daar ginds om den hoek van het huis. De schaduw in het karrehuis was nu één zwarte diepte.

Pang... pang... pang.

Een keten van echoos en een schreeuw.

Toen lange stilte.

Goddank! daar kwamen Redwood en Cossar opdoemen uit de onhoorbare duisternis, en Redwood riep „Bensington!”

„Bensington! We hebben wéér ’n rat! Cossar heeft een tweede rat neergelegd!”

V.

Toen de expeditie zich voldoende ververscht had, was de nacht gedaald. De sterren schenen zoo helder als zij maar konden, en een steeds grooter wordende bleekheid in de richting van Hankey kondigde de maan aan. Nog steeds werd er wacht gehouden bij de rattenholen, doch de wakers hadden van plaats verwisseld en hadden post gevat op de heuvelhelling boven de holen, voelend dat dit een veiliger punt was om te vuren. Zij hurkten daar in de overvloedig vallende dauw, en bestreden de vochtigheid met whiskey. De anderen bleven in huis en de drie leiders bespraken met de mannen het werk dat hun gedurende den nacht voor de borst stond. Tegen middernacht ging de maan op, en zoodra zij boven de duinen uitkwam, begaven allen, behalve de schildwachten bij de rattenholen, zich op weg, achter elkaar loopend, in den ganzenpas, en aangevoerd door Cossar, naar het wespennest. Voor zoover het ’t wespennest betrof, was hun taak buitengewoon licht—verbàzend licht. Behalve dat ’t langer duurde, had het niet veel meer voeten in de aarde dan het eerste het beste gewone wespennest. Zeker, er was eenig gevaar bij—levensgevaar nog wel, doch dit stak zelfs het hóófd niet buiten het hol. Zij propten er de zwavel en salpeter in, stopten de holen zorgvuldig dicht en staken hunne lonten aan.

Toen wendde het geheele gezelschap, behalve Cossar, zich als één man om en rende dwars door de lange schaduwen der pijnboomen, en ziende dat Cossar stand gehouden had, kwamen zij een honderd meter verder tot staan, dicht op elkaar gedrongen, knus dicht bij een greppel, die een schuilplaats aanbood. Een paar minuten lang was de zwarte en witte maannacht zwaar van een gesmoord gegons, dat aanzwol tot een gebrul, tot een diepen breeden klank, zijn hoogtepunt bereikte en toen weder verstierf; en toen—het was haast niet te gelooven—was de nacht weder stil.

„Bij den hemel!” zei Bensington, bijna fluisterend, „hij heeft ’t klaargespeeld.”

Allen stonden in spanning. De heuvelhelling boven het donkere naald-kantwerk van de schaduwen der pijnboomen was helder als het daglicht en kleurloos als sneeuw. Het verstijvende cement in de holen glom zoo waar. Cossar’s losse gestalte kwam op hen toe.

„Klaar hoor”—zei Cossar.

„Pang—pang!”

Een schot van dicht bij het huis en toen—stilte.

„Wat is dàt?” zei Bensington.

„Een van de ratten zal z’n kop naar buiten gestoken hebben,” opperde een van de mannen.

„Tusschen twee haakjes, we hebben onze geweren ginds gelaten,” zei Redwood.

„Bij de zakken.”

Iedereen begon weer den kant van den heuvel uit te loopen.

„Dat moeten de ratten zijn,” zei Bensington.

„Ligt voor de hand,” zei Cossar, op zijn nagels bijtend.

„Pang!”

„Hallo?” zei één van de mannen.

Toen klonken er plotseling een roep, twee schoten, een luiden schreeuw die bijna een gil was, drie snel op elkaar volgende schoten en het geluid van hout dat versplinterde. Al deze geluiden waren zeer duidelijk en zeer klein in de onmetelijke stilte van den nacht. Toen eenige minuten lang niets dan een zacht, gedempt verward geluid uit de richting der rattenholen, en toen weder een woeste gil... allen liepen om ’t hardst naar de geweren... Weer twee schoten.

Bensington holde met het geweer in de hand door het pijnbosch achter een aantal voor hem uithollende ruggen aan. Het is eigenaardig dat de gedachte, die op dat oogenblik den boventoon voerde in zijn brein, de wensch was, dat nicht Jeanne hem nu eens kon zien. Zijn bolle opengewerkte schoenen sloegen uit in wilde groote passen en zijn gezicht was vertrokken tot een voortdurende grijns, omdat dit zijn neus deed rimpelen en zijn bril op zijn plaats hield. Ook hield hij den loop van zijn geweer recht voor zich uit, terwijl hij daar door het plekken-werpende maanlicht holde. De man die weggeloopen was, kwam hen in vollen ren tegen—hij had zijn geweer laten vallen.

„Hallo,” zei Cossar, en ving hem op in zijn armen. „Wat heeft dit te beduiden?”

„Ze kwamen er allemaal samen uit,” zei de man.

„De ratten?”

„Ja, zes waren ’t er.”

„Waar is Flack?”

„Die ligt ginds.”

„Wat zegt ie?” hijgde Bensington, die kwam aanloopen zonder dat iemand op hem lette.

„Ligt Flack ginds?”

„Hij viel.”

„Ze kwamen er een voor een uit.”

„Wat?”

„Deden een uitval. Ik loste m’n beide loopen.”

„En heb je Flack daar alleen achtergelaten?”

„Zij zaten ons op ’t lijf.”

„Vooruit,” zei Cossar. „Jij gaat met ons mee. Waar is Flack? Breng ons er heen.”

Het geheele gezelschap ging op weg. Verdere bijzonderheden omtrent het gevecht ontvielen den man die weggeloopen was. De anderen, behalve Cossar die voorop ging, verdrongen zich om hem.

„Waar zijn ze nou?”

„Misschien al weer in hun holen. Ik smeerde ’n ’m. Ze renden op ons in om bij hun holen te kommen.”

„Wat bedoel je? Waren jelui dan achter ze gekomen?”

„Wij gingen naar hun hol. Zagen ze d’r uit kommen, en probeerden ze den pas af te snijden. Ze kropen d’r uit—net als konijnen. Wij holden naar beneden, en brandden los. Zij liepen wild in ’t rond na ons eerste schot, en toen kwamen ze plotseling op ons af. Op ons àf, hoor!”

„Hoeveel?”

„Zes of zeven.”

Cossar ging vóór naar den rand van het pijnbosch en hield stil.

„Bedoel je dat ze Flack gepakt hebben?” vroeg iemand.

„’k Zag wel dat er een op ’em afkwam.”

„Schoot je niet?”

„Hoe kon ik dat nou?”

„Heeft iedereen geladen?” zei Cossar over zijn schouder. Van alle kanten werd toestemmend geantwoord.

„Maar Flack—” zei er een.

„Je wilt toch niet zeggen dat Flack—” begon een tweede.

„Er is geen tijd te verliezen,” zei Cossar en riep luid „Flack!” terwijl hij vóórging. De geheele gewapende macht ging op de rattenholen toe, de man die weggeloopen was een beetje in de achterhoede. Zij gingen voorwaarts door allerlei soorten welig, overdreven-groot onkruid en liepen om het lichaam van de tweede gedoode rat heen. Zij waren uitgespreid tot een lijn, waarbij elke man dicht bij zijn buurman liep; allen liepen met hun geweer recht voor zich uit en gluurden om zich heen in het heldere maanlicht, of ze niet een ineengedoken, onheilspellende gestalte zagen. Zij vonden zeer spoedig het geweer van den man die weggeloopen was.

„Flack!” riep Cossar. „Flack!”

„Hij liep voorbij de netels en viel toen,” zei de man die weggeloopen was.

„Waar?”

„Daar ginds.”

„Waar viel hij?”

Hij aarzelde en leidde hen een tijdlang door de donkere schaduwen en keerde toen om.

„Zoowat daar, geloof ik.”

„Zoo, maar nu is hij er toch niet meer.

„Maar zijn geweer dan—?”

„Bliksems nog an toe!” vloekte Cossar, „maar waar is dan alles gebleven?” Hij deed een schrede in de richting der donkere schaduwen op de heuvelhelling die de rattenholen verborg en bleef staan kijken. Toen stootte hij nogmaals een vloek uit, „àls ze hem naar binnen gesleept hebben—!”

En aldus bleven zij een tijdlang dralen, elkaar hunne gedachtetjes toewerpend. Bensington’s brilleglazen schoten stralen uit als diamanten, als hij van den een naar den ander keek. De gezichten der mannen veranderden van koude helderheid tot geheimzinnige duisternis, naarmate zij zich van of naar de maan keerden. Iedereen sprak, doch geen van allen maakten zij een zin af. Toen besloot Cossar, met zijn korte manier van optreden, wat hij doen moest. Hij gooide zijn ledematen hierheen en daarheen en gooide er bevelen uit als ballen. Het lag voor de hand, dat hij lampen noodig had. Iedereen behalve Cossar liep heen in de richting van het huis.

„Ga je in de holen?” vroeg Redwood.

„Ligt voor de hand,” zei Cossar.

Hij maakte het hun nog eens duidelijk dat de lantaarns van de kar en de trolley gehaald moesten worden.

Toen Bensington dit ten volle begreep, ging hij op weg, het pad bij den put af. Hij keek over zijn schouder en zag de reusachtige gestalte van Cossar op den voorgrond staan, alsof hij in gedachten verzonken naar de holen stond te kijken. Op dit gezicht bleef Bensington een oogenblik staan en wendde zich half om. „Zij lieten Cossar daar maar alleen staan—!”

Natuurlijk, Cossar was wel in staat voor zichzelven te zorgen. Plotseling zag Bensington iets dat hem een ademloos „Hier!” deed uitschreeuwen. In een oogwenk hadden drie ratten zich uit den donkeren warbos van slingerplanten losgemaakt en kwamen op Cossar toeschieten. Drie seconden lang stond Cossar daar, zonder hen op te merken, en toen werd hij plotseling het actiefste wezen ter wereld. Hij schoot niet. Klaarblijkelijk had hij geen tijd om te mikken, of dacht hij niet aan mikken; Bensington zag dat hij zich bukte om een hem bespringende rat te ontgaan, en gaf het dier toen een slag achter zijn kop met de kolf van zijn geweer. Het monster sprong in de hoogte en viel over zijn kop duikelend op den grond.

Cossar’s gedaante verdween uit het gezicht tusschen het rietachtige gras, en toen kwam hij weder te voorschijn, op een van de andere ratten inrennend en zijn geweer boven zijn hoofd zwaaiend. Een zwakke kreet trof Bensington’s oor, en toen zag hij de twee overige ratten in verschillende richtingen wegloopen en Cossar hen achterna in de richting der holen. Het geheele voorval was in nevelachtige schaduwen gehuld; alle drie vechtende monsters werden nog grooter en onwerkelijker gemaakt door de bedriegelijke helderheid van het licht. Nu eens was Cossar kolossaal, dan weder onzichtbaar. De ratten schoten voor zijn oog heen met plotselinge onverwachte sprongen, of renden met zulk een snelle beweging der pooten, dat zij op raderen leken te gaan. Het geheele voorval was afgespeeld in een halve minuut. Niemand anders dan Bensington zag het. Hij kon de andere achter zich hooren nog steeds op weg naar het huis. Hij schreeuwde iets onsamenhangends en liep toen terug naar Cossar, terwijl de ratten verdwenen.

Hij bereikte hem buiten de holen. In het maanlicht duidde het spelen der schaduwen, die over Cossar’s gezicht gleden, kalmte aan. „Hallo,” zei Cossar, „al terug? Waar zijn de Iantaarns? Ze zijn nu allemaal weer in hun holen. Eén heb ik z’n nek gebroken toen ie langs me heen kwam... Zie je? daar!” En hij wees naar het dier met een mageren vinger.

Bensington was te verbaasd om iets te zeggen... Het leek een ontzettend langen tijd vóór de Iantaarns kwamen. Eindelijk verschenen zij, eerst één helder, onbeweeglijk oog, voorafgegaan door een heen en weer bewegenden gelen gloed, en toen, nu en dan even verdwijnend en dan weder tevoorschijn komend, nòg twee. Daar achter kwamen kleine gestalten aan met zachte stemmen, en toen enorme schaduwen. Deze groep vormde als het ware één plek brand in het reusachtige droomland van maneschijn.

„Flack,” zeiden de stemmen. „Flack.”

Een verklarende zin kwam tot Cossar en Bensington over. „Heeft zichzelf in het dakkamertje opgesloten.”

Cossar wekte van oogenblik tot oogenblik méér verbazing. Hij haalde groote handen-vol ruw katoen voor den dag, en propte die in zijne ooren.—Bensington vroeg zich verwonderd af waarvoor dit diende. Toen laadde hij zijn geweer met een kwart lading kruit. Wie anders dan Cossar kon aan zoo iets gedacht hebben. De illusie van het wonderland bereikte zijn hoogtepunt, toen Cossar’s twee breede vlakken schoenzool in het middelste hol verdwenen.

Cossar kroop op handen en voeten met twee geweren die aan weerszijden achter hem aan sleepten aan een touw, dat vastgemaakt was onder zijn kin, en zijn meest vertrouwde helper, een kleine donkere man met een ernstig gezicht, zou hem in de holen volgen, achter hem aan kruipen, en een lantaarn boven zijn hoofd houden. Alles was met even veel verstand voorbereid en was éven voor de hand liggend en in orde, als de droom van een krankzinnige. Het bleek dat het katoen was om het effect van het geweerschot tegen te gaan; ook de helper had wat in zijn ooren. Natuurlijk! Zoo lang de ratten voor Cossar uitvluchtten, was er geen gevaar, en zoodra zij stand hielden, zou hij hun oogen zien en daar tusschen vuren. En daar zij door den koker van het hol moesten komen, kòn Cossar ze bijna niet missen. Cossar verklaarde, dat het de meest voor de hand liggende manier was, misschien een beetje vervelend, maar absoluut zeker. Toen de helper zich bukte om naar binnen te kruipen, zag Bensington dat het eind van een kluwen bindtouw aan het jaspand van den man was vastgebonden. Hiermede moest hij het touw naar binnen trekken om zoo noodig de lichamen der ratten naar buiten te sleepen.

Bensington bemerkte dat het voorwerp hetwelk hij in de hand hield, Cossar’s zijden hoed was.

Hoe was die daar gekomen?...

In ieder geval was het een soort souvenir. Bij elk van de aangrenzende holen stond een klein groepje met een lantaarn op den grond, die het hol verlichtte, en een man lag voor elk hol geknield te mikken op de ronde, ledige diepte, wachtend dat er iets zoude uitkomen.

Eindelooze spanning.

Toen hoorden zij Cossar’s eerste schot, als een ontploffing in een mijn...

Elk’s zenuwen en spieren spanden zich, en pang! pang! pang! de ratten hadden geprobeerd weg te komen, en twee waren neergeveld. Toen rukte de man die het kluwen bindtouw vasthield aan de lijn.

„Hij heeft er daar binnen een neergelegd,” zei Bensington, „en hij heeft het touw noodig.”

Hij zag toe hoe het touw het hol inkroop, en het leek wel alsof er een slangachtig leven in gevaren was—want de duisternis maakte het bindgaren onzichtbaar. Eindelijk kroop het niet langer voort, en gebeurde er een heelen tijd niets. Toen kroop er, wat Bensington het vreemdste monster van alles toeleek, langzaam uit het hol en ontpopte zich als de kleine werktuigkundige, die er achterwaarts uitkroop. Achter hem aan en diepe voren ploegend, stak Cossar zijn voeten naar buiten en toen volgde zijn door den lantaarn verlichten rug...

Slechts nog één rat was er nu in leven, en deze arme, ten doode opgeschreven sukkel zat ineengedoken in den versten schuilhoek, tot Cossar en de lantaarn weder in het gat verdween en het doodde, en eindelijk deed Cossar, die menschelijke fret, de ronde door al de holen om zich te vergewissen, dat er niet méér waren.

„We hebben ze,” zei hij tot zijn van eerbied bijna stomme gezelschap. „En als ik niet zoo’n stuipekop geweest was, dan zou ik me tot op m’n middel uitgekleed hebben. Ligt voor de hand, niet waar. Voel m’n mouwen es, Bensington! Kletsnat van ’t zweet. Maar je kunt niet an alles tegelijk denken. Alleen een halve flesch whiskey kan me ’n kou van ’t lijf houden.”

VI.

Er waren oogenblikken in dezen wondervollen nacht waarin het Bensington toescheen, dat hij voorbestemd was voor een leven van fantastische avonturen. Dit was voornamelijk wel een uur lang het geval nadat hij een flink glas whiskey gedronken had. „’k Ga niet terug naar Sloanestreet,” deelde hij den langen, blonden, groezeligen monteur in vertrouwen mede.

„Niet?”

„Waarachtig niet,” zei Bensington, somber het hoofd schuddend.

De inspanning die het sleepen van de zeven doode ratten naar den brandstapel bij het brandnetelboschje van hem vereischte, deed hem baden in zweet, en Cossar wees op de voor de hand liggende physieke reactie van whiskey om hem te behoeden voor de anders onvermijdelijke kou.

Ze hielden een soort van roovers-souper in de oude met tegels bevloerde keuken, terwijl de rij doode ratten tegen de kippeloopen buiten lag in het maanlicht en na ongeveer een half uur slaap, wekte Cossar hen allen weder om het werk, dat nog gedaan moest worden, te verrichten. „’t Ligt voor de hand dat we de plaats met den grond gelijk moeten maken,” zei hij. „Geen rommel, en geen schandaal. Snap je?” Hij haalde hen over tot zijn idee om de verwoesting volkomen te maken. Zij sloegen en versplinterden ieder stukje hout in huis; zij legden paden van gehakt hout overal waar de ontzaglijke plantengroei opschoot; zij maakten een brandstapel voor de rattenlijken, en overgoten ze met petroleum.

Bensington werkte als een polderjongen, die weet wat hem te doen staat. Hij bereikte zijn toppunt van vroolijkheid en energie tegen twee uur. Als hij in het verwoestingswerk een bijl zwaaide, ontvluchtte zelfs de dapperste zijn nabijheid. Daarna kalmeerde hij een beetje door het tijdelijk verlies van zijn bril, die de anderen eindelijk vonden in den zijzak van zijn jas. Mannen liepen af en aan—vuile, nijvere mannen. Cossar bewoog zich tusschen hen als een god.

Bensington dronk diep van die vreugde, die men vindt in elkaars gezelschap, die zegevierende legers en stoere expedities leeren kennen,—doch nooit zij, die het leven van eerzaam burger in steden leiden. Nadat Cossar hem zijn bijl had afgenomen, en hem aan het hout-dragen gezet had, liep Bensington af en aan, zeggend dat ze allemaal „goeie kerels” waren. Hij werkte dóór, nog lang nadat hij vermoeidheid begon te voelen.

Eindelijk was alles in gereedheid en werd er begonnen met het openbreken der petroleum-vaten. De maan, nu beroofd van haar toch reeds niet talrijk nachtelijk gevolg van sterren, scheen hoog boven den dageraad.

„Verbrand alles,” zei Cossar, af en aan loopend—„verbrand den grond en alles wat er op staat of groeit.”

Bensington kreeg hem in ’t oog; Cossar zag er nu zeer mager en vreesaanjagend uit in het eerste bleeke aanlichten van den dageraad, voorbijhollend met vooruitstekende onderkaak, en een walmend zwam in de hand.

„Vooruit, kom mee!” zei iemand, aan Bensington’s arm trekkend.

De stille dageraad—er zongen daar geen vogels—was plotseling vervuld met een rumoerig geknapper; een klein, dof rood vlammetje lekte om de basis van den brandstapel, werd blauw toen het den grond raakte, en begon van blad tot blad tegen den stam van een reuzennetel op te klimmen. Een zangerig geluid vermengde zich met het geknapper...

Zij grepen haastig hunne geweren uit den hoek van de woonkamer der Skinners, en toen holden allen weg. Cossar kwam achter hen aan met zware reuzenpassen...

Nu stonden allen te kijken naar de Proef-Hoeve.

Langzamerhand vatte alles vlam; de rook en de vlammen stortten naar buiten als een menigte in een paniek, uit deuren en vensters en uit duizend spleten en reten van het dak. Cossar wist wel hoe hij een vuurtje moest stoken! Een groote rookkolom waaruit bloedroode tongen en uitschietende vuurstralen te voorschijn kwamen, schoot op ten hemel. Het was alsof er een ontzaglijke reus plotseling opstond, zich uitrekte en op eens zijn reuzenarmen over den hemel uitspreidde. Het dompelde hen weder in het duister en verbleekte geheel den gloed der zon die er achter opging. Geheel Hickleybrow bemerkte spoedig den ontzaglijken rookkolom, en kwam aangeloopen naar den heuveltop, in allerlei vormen van déshabillé om hen te zien terugkeeren. Achter hen, als een fantastische fungus1 zwaaide en vervormde zich deze rookkolom, al hooger en hooger de lucht in—en deed de heuvelen laag lijken en alle andere voorwerpen klein, en op den voorgrond, aangevoerd door Cossar volgden de stichters van dezen brand, het pad, acht kleine donkere gestalten die moe, met het geweer op schouder, de weide doorkwamen.

Toen Bensington omkeek, kwam er in zijn moede brein een welbekend gezegde op, en bleef daar hangen. Wat was het ook? „Ge hebt vandaag ontstoken—? Ge hebt vandaag ontstoken?—”

Toen herinnerde hij zich Latimer’s woorden: „wij hebben heden een licht ontstoken in Engeland, dat niemand ooit weder blusschen kan—”

Wàt ’n man was die Cossar! Hij bewonderde zijn rug een tijdje en was er trotsch op, dien hoed vastgehouden te hebben. Trotsch! Hoewel hij een beroemd navorscher was en Cossar slechts aan toegepaste wetenschap deed.

Plotseling begon hij te huiveren en vreeselijk te geeuwen en wenschte, dat hij warm ingestopt in zijn bed lag op zijn kleine bovenhuis, dat uitzag op Sloanestreet. Aan nicht Jeanne te denken ging heelemaal niet meer. Zijn beenen waren strengen katoen geworden, en zijn voeten van lood. Hij verwonderde er zich over of er iemand in Hickleybrow hun koffie zou kunnen verschaffen. Hij was gedurende drie en dertig jaren nooit een heelen nacht opgebleven.

VII.

En terwijl deze acht avonturiers om de Proef-Hoeve ratten bevochten, kampte, negen mijlen ver weg, in het dorp Cheasing Eyebright, een oude juffrouw met een ontzettenden neus, met groote moeilijkheden bij het licht van een flakkerende kaars. Zij had een tang om sardinenblikjes open te breken in de eene knokkige hand, en in de andere hield zij een bus Herakleophorbia, die zij zei te willen openen, of te sterven in de poging. Zij spande zich onvermoeid in, terwijl door het uiterst dunne beschot de stem van het kleine kind der Caddles klaagde. „’t Arme schaap,” zei juffrouw Skinner; en vervolgens, zich met haar eenigen tand in de lip bijtend in een extase van vastbeslotenheid, zei zij: „Hier d’r maar mee!”

En een oogenblik later, „jap!” en een nieuwe voorraad van het Voedsel der Goden werd vrijgelaten om zijn reuzengroeikracht de wereld in te slingeren.


1 Sponsachtige uitwas van het genus fungales.