Gedurende twintig jaren speelde de Verandering met de wereld. Voor de meeste menschen kwamen de nieuwe dingen merkwaardig genoeg langzaam en dag aan dag, doch niet zoo plotseling dat zij hen overstelpten. Doch aan één mensch zou alles wat zich in die twintig jaar had opgehoopt, geopenbaard worden plotseling en verbazingwekkend, en wel alles in één dag. Voor ons doel is het noodzakelijk dien dag met hem te doorleven, en iets te verhalen van de dingen die hij toen zag.
Deze man was een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde—wat hij bedreven had komt hier minder op aan—dien de wet na twintig jaren gratie geschonken had.
Op zekeren zomermorgen werd deze arme sukkel, die de wereld verlaten had als een jonge man van drie en twintig, plotseling uit de grauwe sleur van arbeid en discipline, waaraan hij gewoon was geworden, geplaatst temidden der heerlijkst-schitterende vrijheid. Men had hem ongewone kleêren aangetrokken; zijn haar had hij gedurende eenige weken laten groeien, en hij had er gedurende eenige dagen een scheiding in gekamd; en daar stond hij nu, met een soort armoedige, en onbeholpen nieuwheid van lichaam en geest, knipperend met de oogen en zelfs knipperend met zijn ziel, weder buiten de gevangenis, en trachtend in één ongelooflijk iets te denken, namelijk dat hij zich gedurende een tijdje weder in het daadwerkelijke leven bevond, en geheel onvoorbereid op alle andere ongelooflijke dingen. Hij was zoo gelukkig een broeder te bezitten, die wel zóóveel gaf om de vervlogen dingen van vroeger dagen, welke zij tezamen beleefd hadden, om hem te komen afhalen en zijn hand te drukken—een broeder dien hij als kleinen jongen achtergelaten had en die nu een gebaard man was wien het goed ging in de wereld—en wiens oogen hij zelfs niet meer herkende. En tezamen kwamen hij en deze vreemdeling, die tot zijn naaste familie behoorde in de stad Dover aan, wèinig met elkaar sprekend en véél denkend.
Zij zaten een tijdje in een café, terwijl de een de vragen van den ander omtrent dezen en genen persoon beantwoordde; eigenaardige oude gezichtspunten leefden weer op; eindelooze nieuwe uitzichten en verten werden op zij geschoven, en toen was het tijd naar het station te gaan, om den trein naar Londen te kunnen halen. Hunne namen en de persoonlijke dingen die zij te bespreken hadden, komen er voor onze geschiedenis minder op aan, doch enkel de veranderingen en al het vreemde dat deze arme wederkeerende ziel vond in de eens hem zoo bekende wereld. In Dover zelf viel hem weinig anders op dan dat het goed was bier uit een pul te drinken—nooit had bier hem tevoren ooit zóó gesmaakt, en het deed tranen van dankbaarheid in zijne oogen wellen. „’t Bier is nog altijd even goed om te drinken,” zei hij, het inderdaad oneindig veel beter vindend dan vroeger...
Eerst toen de trein hen voorbij Folkestone deed vliegen, was hij in staat iets verder te zien dan zijne onmiddellijke emoties, en zag hij wat er met de aarde gebeurd was. Hij gluurde uit het raampje. „Lekker zonnetje,” zei hij, voor de twaalfde maal. „Ik kon geen beter weêr treffen.” En toen viel het hem voor het eerst op, dat er nieuwe verhoudingen in de dingen gekomen waren. „Goeie hemel,” riep hij uit, terwijl hij rechtop ging zitten, en voor de eerste maal met levendigen blik naar buiten keek, „dat zijn allemachtig groote distels, die daar op den oever bij dat brem daar groeien. As ’t tenminste distels zijn. Of weet ’k ’t niet meer?”
Doch het waren wèl distels, en wat hij voor hooge bremstruiken aanzag, was het nieuwe gras, en hier middenin was een compagnie Britsche soldaten—nog altijd met roode jassen aan—bezig te schermutselen volgens de regelen van het excercitie-boekje dat gedeeltelijk herzien was na den Boeren-oorlog. Toen plotseling—sjt—een tunnel in, en toen vlogen zij Sandling Junction binnen, dat geheel omgeven en verduisterd werd—alle lampen brandden er—door een groot kreupelbosch van rododendrons, die uit een naburigen tuin gekropen waren en zich over de geheele vallei verspreid hadden. Er stond een trein op het zijspoor te Sandling, die hoog opgeladen was met rhododendronblokken, en hièr hoorde de wederkeerende burger voor het eerst van Bomvoedsel.
Toen zij voortsnelden, een landstreek in die geheel onveranderd scheen, waren de beide broeders druk bezig met hunne uitleggingen. De een was vol van driftige vervelende vragen: de ander had zich nooit bekommerd, en er nooit aan gedacht de quaestie als een op zichzelf staand feit te zien, en bij sprak over dingen die hem heel gewoon leken en die de ander zich moeilijk kon voorstellen. „Dat is dat Bomvoedsel,” zei hij, al zijn grondkennis van het geval op èenmaal luchtend... „Snap je? Hebben ze je daar geen van allen iets van verteld? Bomvoedsel! Dat weet je toch wel—Bomvoedsel. Waar de heele verkiezing om draait. Wetenschappelijk goedje. Niemand je d’r ooit van verteld?”
Hij vond dat de gevangenis een ontzettenden sufkop van zijn broeder gemaakt had, dat hij dàt niet wist. Over en weer vlogen de vragen en antwoorden. En hiertusschen waren soms tusschenpoozen dat zij uit het raampje keken. In het begin was de belangstelling die de man voor de dingen voelde, vaag en algemeen. Zijn verbeelding was bezig geweest met wat die en die, dien hij nog kende van vroeger, wel zeggen zou, hoe die en die er wel zou uitzien, hoe hij tegen allen die hij van vroeger kende enkele dingen zou zeggen die zijn „verhuizen naar de Nor,” in een minder ongunstig daglicht zouden stellen. Dit Bomvoedsel had zich ’t eerst aan hem voorgedaan, alsof hij er zóó van in een couranten-artikel gelezen had, en toen was het een bron van geestelijke moeilijkheid geworden tusschen hem en zijn broeder. Doch het werd hem spoedig duidelijk, dat dit Bom-voedsel in ieder gesprek dat hij begon binnensloop.
In die dagen was de wereld in een alles desorganiseerend tijdperk van overgang, zoodat dit groote nieuwe feit hem in zijne contrasten trof met een schok. Het veranderingsproces was niet algemeen geweest; het had zich verspreid vanuit centra, die ver van elkaar lagen. Het land was in plekken verdeeld; er waren groote uitgestrektheden waar het Voedsel nog komen moest, en andere, waar het reeds in den grond en in de lucht zat, sporadisch en besmettend. Het was als een brutaal nieuw motief dat zich tusschen oude, eerwaardige melodieën dringt.
Het contrast was te dien tijde vooral zeer levendig langs de spoorlijn van Dover naar Londen. Een tijd lang snelden zij door juist zulk een landstreek als hij gekend had sedert zijn kindsheid, de kleine ovale met heggen-afgezette akkers, juist groot genoeg om door dwerg-paardjes geploegd te worden, de weggetjes, breed als drie karren, de olmen en eiken en populieren die als spikkels in deze velden stonden, kleine boschjes van wilgen op de oevers der riviertjes, hooischelven die niet hooger waren dan de knieën van een reus, poppen-landhuisjes met ruitvormige venster-ruiten, braakliggende stukken land, en slingerende dorpsstraatjes, de grootere huizen op de klein-groote, met bloemen overdekte stations, en al die kleine dingen der negentiende eeuw die nog weerstand boden aan deze enorme Grootheid. Hier en daar stond een bosje door den wind gezaaide en verwaaide reuzendistels, die den bijl weerstonden; hier en daar stond een tien voet hooge zwam, of de buigzame stengels van een dor afgebrand bosje reuzen-gras; doch dit was het eenige dat op de komst van het Voedsel duidde.
Een veertig mijlen ver was er niets dat wees op de aanwezigheid van het reusachtige graan en van het onkruid, dat op nog geen twaalf mijlen afstand over de heuvelen in de vallei van Cheasing Eyebright groeide. En toen begonnen zich plotseling sporen van het Voedsel te vertoonen.
Het eerste wat hem opviel, was het groote nieuwe viaduct te Tonbridge, waar het moeras van de dichtgegroeide Medway (dit dichtgroeien was veroorzaakt door een reuzen-varieteit van „Chara”) in die dagen begon. Toen weder het gewone kleine land, en vervolgens, toen de klein-krioelende uitgestrektheid van Londen zich in de wazige verte begon uit te spreiden, werden de sporen van den strijd der menschen om deze grootheid buiten te sluiten, talrijk en zonder tusschenpoozen.
In dat zuid-oostelijk gedeelte van Londen, en overal om de plaats waar Cossar en zijn kinderen woonden, was het Voedsel op honderden punten op geheimzinnige wijze losgebroken; het kleine leven ging gewoon zijn gang tusschen deze dagelijksche voorteekenen, die niet langer waarschuwend tot de menschen spraken, door het geleidelijke van hunnen aanwas, en doordat men langzaam en even geleidelijk wende aan hunne tegenwoordigheid. Doch deze huiswaarts-keerende burger staarde naar buiten, en zag voor het eerst hoe vreemd en overweldigend het Voedsel gewerkt had. Platgebrande en verkoolde stukken grond, groote wanstaltige verdedigingswerken en voorzorgsmaatregelen, barakken en arsenalen, die deze subtiele volhoudende invloed in het leven der menschen had gedrongen.
Hier had zich telkens en telkens weder op grooter schaal de ondervinding der eerste Proef-Hoeve herhaald. Het Voedsel had gewerkt in de minder belangrijke dingen des levens—op braakliggende plaatsen, onregelmatig en zonder doel—en hierin had de komst van een nieuwe kracht en nieuwe punten van uitgang zich het eerst doen gelden. Er lagen groote kwalijkriekende erven en afgeschoten plaatsen, waar de een of ander onuitroeibare wildernis van onkruid, brandstof leverde voor reusachtige machinerieën (kleine stadsmenschjes kwamen staan gapen naar de geoliede snorrende raderen en gaven de werklieden een kwartje fooi); er waren wegen en wagensporen voor groote motoren en voertuigen—wegen, die aangelegd waren van de inelkaar gevlochten vezels van overvoed vlas; dan waren er torens met stoom-sirenen, die onmiddellijk konden gillen en de wereld waarschuwen als er weder een nieuw soort ongedierte was losgebroken, of, en dit was nog vreemder, oude eerwaardige kerktorens, die in het oogloopend voorzien waren van mechanisch-gillende instrumenten. Er waren kleine rood-geschilderde vlucht-hutten en barakken voor het garnizoen, elk met een schietbaan van 300 meter, waar de scherpschutters zich dagelijks oefenden met kogels met zacht-looden punten, op schijven die den vorm van reuzen-ratten hadden.
Sedert den tijd der Skinners was er zesmaal een reuzen-ratten-plaag geweest—telkenmale vanuit de riolen van het zuidwesten van Londen, en nù werd hun bestaan geaccepteerd, als dat der tijgers op den delta van Calcutta...
De broeder van den man had op nonchalante wijze een courant gekocht te Sandling en eindelijk viel het oog van den ontslagen gevangene hierop. Hij sloeg de bladen waaraan hij zoozeer ontwend was, op—ze leken hem kleiner, talrijker en anders gedrukt dan de couranten van vroeger—en hij zag voor zich tallooze afbeeldingen van dingen die zóó vreemd waren, dat hij er geen belang in stelde, en met lange kolommen druks, welker opschriften even onbegrijpelijk voor hem waren alsof ze in een vreemde taal geschreven waren—„Groote Redevoering van den heer Caterham”; „De Bomvoedsel-Wetten.”
„Wie is die Caterham?” vroeg hij, pogend het gesprek weder op gang te brengen.
„O, laat diè maar loopen,” zei zijn broeder.
„Aha! Zeker zoo’n politieker, he?”
„Legt ’t ’r op an de Kamers naar huis te sturen. ’t Wordt tijd ook, hoor.”
„Zoo!” Hij dacht even na. „’k Vertrouw dat al de lui die àn waren toen ik er nog was—Chamberlain, Roseberry—al die lui—Wat?”
Zijn broeder had hem plotseling bij den pols gegrepen en wees het portier uit.
„Daar heb je de Cossars!” De oogen van den ontslagen gevangene volgden de richting van den vinger en zagen—”
„Mijn God!” riep hij uit, voor het eerst werkelijk overweldigd van verbazing. De courant viel, nu geheel vergeten, tusschen zijne voeten. Tusschen de boomen kon hij zeer duidelijk een menschelijke gestalte van ruim veertig voet lang zien staan in een gemakkelijke houding, wijdbeens, en in de hand een bal, alsof hij op het punt stond dezen weg te slingeren. De gedaante schitterde in het zonlicht, gekleed als zij was in een pak van gevlochten wit metaal en met een breeden stalen gordel om. Een oogenblik concentreerde hij aller aandacht op zich en toen werd deze afgetrokken door een tweeden reus, die een eind verder stond, als klaar om op te vangen en het werd duidelijk dat dit geheele groote terrein in de heuvelen even benoorden Sevenoaks, gebezigd werd voor reuzendoeleinden.
Een reusachtige omwalde trens omgaf de krijtgroeve, waarin het huis stond, een monsterachtige, plompe Egyptische structuur, die Cossar voor zijne zonen gebouwd had, toen de Reuzen-Kinderkamer haar tijd uitgediend had, en daarachter stond een groote donkere loods, die een kathedraal had kunnen overkappen, waarin een sissende gloeihitte af en aan laaide en waaruit een Titanisch gehamer klonk. Toen werd de aandacht nogmaals gevestigd op den reus, toen de groote, met ijzer beslagen houten bal uit zijne hand schoot en de lucht in vloog.
De beide mannen stonden op en keken verbaasd toe. De bal leek zoo groot als een vat.
„Hij heeft ’em gegrepen!” riep de man uit de gevangenis, toen een boom den werper aan het gezicht onttrok. De trein liet al deze dingen slechts een ondeelbaar oogenblik zien en verdween toen achter boomen en zoo de Chislehurst tunnel in. „Goeie God!” zei de ex-gevangene nogmaals,” toen de duisternis hen omsloot. „Die kerel is zoo groot als een ’uis.”
„Dat zijn die jonge Cossars,” zei zijn broeder, met zijn hoofd een gebaar makend naar den kant waar de reuzen verdwenen waren—„waar al die herrie om is...”
Zij kwamen de tunnel weder uit en ontdekten nog meer torens met sirenen erop, nog meer roode hutten, en toen de rijen villa’s der voorsteden. De kunst van het reclame-biljetten-aanplakken was er in den tusschentijd niet op achteruit gegaan, en op tallooze hooge schuttingen, op zijmuren van huizen, op omheiningen, en honderden van dergelijke schoone gelegenheden waren de veelkleurige oproepingen voor de groote Bomvoedsel-verkiezing te lezen.
„Caterham,” „Bomvoedsel,” en „Jack de Reuzendooder” telkens en telkens weêr, en monsterachtige caricaturen en verminkte afbeeldingen—honderden varieteiten van verkeerde, belachelijke voorstellingen van die schitterende gestalten, die zij van zoo dichtbij gepasseerd waren, enkele oogenblikken geleden...
De jongere broeder was van plan geweest iets heel royaals te doen, namelijk dezen terugkeer tot het leven te vieren met een diner in het een of ander restaurant van onbetwistbare renommé, een diner dat gevolgd zou worden door die uitermate schitterende opeenvolging van indrukken, die de café-chantants dier dagen zoo uitmuntend geven konden. Het was een waardige manier om hiermede alle restende sporen van de gevangenis uit te wisschen door dit vertoon van gulheid; doch wat het tweede gedeelte van het plan betrof, kwam er wijziging in. Het diner werd gegeven, doch er was reeds een sterker verlangen dan de lust naar vertooningen, een verlangen dat beter zijn somber peinzen over zijn verleden kon doen verdwijnen dan eenig theater, en dit was een alles overstemmende nieuwsgierigheid naar dit Bomvoedsel en deze Bomkinderen—dit nieuwe dreigende reuzendom, dat de wereld scheen te overheerschen.
„Ik heb ’t er ’t mijne nog niet van,” zei hij. „Ze wille’ me niet uit ’t hoofd.”
Zijn broeder had die fijnheid van geest, die zelfs kan heenstappen over voorgenomen gastvrijheid. „Jij kunt kiezen vanavond, kerel,” zei hij. „We zullen probeeren in ’t Volkspaleis te komen bij die massavergadering.”
En eindelijk was de ex-gevangene zoo gelukkig zich, van alle kanten opgedrongen, te bevinden tusschen een opeengepakte menigte, en van uit de verte te staren naar een klein, helder-verlicht podium onder een orgel en een gaanderij. De organist had iets gespeeld dat de voeten aan het trappelen had gebracht, terwijl de menigte naar binnen stroomde; doch nu zweeg het orgel weder.
Nauwelijks had de ontslagen gevangene zich neergezet en zijn twist met een lastigen vreemde, die hem met de elbogen op zijde drong, geëindigd, of Caterham kwam binnen. Hij trad vanuit het halfduister midden op het podium, en leek, zoo van uit de verte gezien, een alleronbeduidendste kleine dwerg, een kleine zwarte figuur met een roze vlek als gezicht—en profil zag men zijn sterk geprononceerden arendsneus—een klein gestaltetje, dat achter zich aansleepte—een juichkreet. Applaus dat dicht bij hem werd aangeheven en aangroeide en zich verspreidde. Een gedempt rumoer van stemmen, om het podium, dat plotseling over de geheele menschenmassa heensloeg, in het gebouw en daarbuiten. Wat applaudiseerde men: „Hoera! Hoera!!”
Niemand van al die myriaden applaudiseerde als de ontslagen gevangene. De tranen stroomden hem langs de wangen en hij hield niet eerder op met toejuichen, vóór zijn aandoening hem bijna had doen stikken. Ge moet zoolang als hij in de gevangenis geweest zijn, vóór ge begrijpen kunt, of zelfs ook maar een begrip kunt krijgen, wat het zeggen wil voor zoo iemand om zijne longen eens flink uit te kunnen zetten temidden van een menigte. (Doch niettegenstaande dit alles maakte hij zich zelf zelfs niet wijs dat hij wist waar al dit gejuich om was.) „Hoera!—Hoera!”
En toen volgde er eenigermate stilte. Caterham stond opzichtig-geduldig te wachten tot het rumoer wat bedaard zoude zijn, en onbelangrijke en slecht-te-verstane lieden zeiden en deden officieele en onbeduidende dingen. Het was als stemmen die men in de lente door het ritselen der bladeren heen hoort. „Wawawawa—” Wat kwam ’t er ook op aan? Groepen toehoorders praatten met elkaar—„Wawawawa”—de zaak ging gewoon door. Kwam die grijs-harige suffer dan noòit aan het eind? Tusschenroepen? Natuùrlijk werd er geroepen. „Wa, wa, wa, wa—” Doch zullen wij Caterham beter hooren? In ieder geval kan je naar Caterham kijken, en je kan opstaan en van uit de verte de trekken van den grooten man eens opnemen. Hij was gemakkelijk te teekenen, deze man, en reeds kon de wereld hem naar hartelust bekijken op lampeschermpjes en kinder-bordjes, op Anti-Bomvoedsel-medailles en Anti-Bomvoedsel-vlaggen, op het zelfkant van Caterham-zijde en katoen en aan den binnenkant van Goede Oude Engelsche Caterham-hoeden. In al de caricaturen van dien tijd is hij te vinden. Men ziet hem als een zeeman bij een ouderwetsch kanon staan, met een lontstok, met „Nieuwe Bomvoedsel-Wetten” erop, in zijn hand; terwijl de zee dat reusachtige, leelijke, dreigende monster „Bomvoedsel” opgeeft; of hij is een figuur-ten-voeten-uit in volle wapenrusting, met ’t St. George’s kruis op schild en helm, en een laffe titanische Caliban, aan den ingang van een vreeselijk hol gezeten, weigert onder allerlei verwenschingen te gehoorzamen aan de „Nieuwe Bomvoedsel-Bepalingen;” of hij komt als Perseus uit de lucht aanvliegen en bevrijdt een geketende en schoone Andromeda (met een gordel om waarop duidelijk te lezen staat „Beschaving”) van een zich tot in oneindige verten kronkelend zeemonster, op welks verschillende halzen en klauwen te lezen staat: „Anti-Christ”, „Alles vertredend Egoïsme”, „Mechanisme”, „Monsterachtigheid” en dergelijke dingen. Doch als „Jack de Reuzen-Dooder” beschouwde het groote publiek hem het best getroffen, en de ontslagen gevangene stelde zich de gestalte die daar in de verte stond dan ook voor als een Jack de Reuzen-Dooder, zooals hij die op de aanplakbiljetten had zien staan.
Het „Wawawawa” hield plotseling op.
„Hij is klaar. Hij gaat zitten. Ja! Nee! Jawel! ’t Is Caterham! Caterham! Caterham!” En toen begon het gejuich opnieuw.
Er is een menigte toe noodig om zùlk een stilte te kunnen veroorzaken als toen volgde op het lawaaierlge gejuich. Een man alléén in een wildernis;—zeker is ook dit stilte tot op zekere hoogte; doch hij hoort zichzelven ademhalen, hij hoort zichzelven bewegen, en hij hoort allerlei andere dingen. Doch hier in deze zaal was Caterham’s stem het eenige dat verneembaar was, heel helder en duidelijk, als een klein lichtje dat brandt in een zwart fluweelen nis. Of je hem kon verstaan? Je kondt hem verstaan alsof hij naast je stond te spreken.
De indruk op den ontslagen gevangene was geweldig: die kleine gesticuleerende gestalte, die daar stond in een stralenkrans van licht, in een krans van weelderige, golvende klanken; en achter de gestalte op het podium zaten, met gedeeltelijk uitgewischte gezichten, de partijgenooten die hem steunden, en op den voorgrond was een ruim veld van tallooze ruggen en profielen, één reusachtige aandacht van een menigte. Die kleine gestalte scheen het wezen van die allen uitgezogen te hebben.
Caterham sprak van onze oude instellingen.
„Juistjuistjuist”, brulde de menigte, „Juist! net zoo!” zei de ontslagen gevangene. Hij sprak van onzen ouden geest van orde en rechtvaardigheid. „Jajajaja!” brulde de menigte. „Ja ja!” riep de man uit de gevangenis, diep bewogen. Hij sprak van de wijsheid onzer voorvaderen, van den langzamen groei van eerbiedwaardige instellingen, van zedelijke en maatschappelijke overleveringen, die zich aan onze nationale Engelsche eigenaardigheden aanpasten zooals de huid over de hand. „Ja, ja!” kermde de man uit de gevangenis, terwijl de tranen van opwinding hem over de wangen biggelden. En nu zouden al deze dingen in den smeltkroes moeten verdwijnen. Ja, in den smeltkroes! omdat twintig jaar geleden drie mannen een vreemde zelfstandigheid hadden uitgevonden, daarom moest voor de geheele geregelde orde der dingen—„Kreten van „Neen! Neen!”—Nu, als dit nièt moest, dan dienden allen zich in te spannen, en alle aarzeling op zij te zetten.—Toen Caterham zóóver gekomen was, volgde er weder een uitbarsting van gejuich.—Dan moesten zij alle aarzeling en halve maatregelen vaarwel zeggen.”
„Wij hebben gehoord, heeren,” riep Caterham, „van brandnetels, die reuzen-netels werden. Eerst zijn ze niet meer dan gewone netels—kleine plantjes die een stevige hand kan beetpakken en uittrekken; doch als ge ze laat staan—als ge ze laat staan, groeien ze met zóóveel giftige kracht, dat ge eindelijk bijl en touw noodig hebt, en loopen uw leven en ledematen gevaar, en moet gij u inspannen en volgt er moeite—onder het vellen ervan kunnen menschen gedood worden, onder het vellen ervan kunnen menschen gedood worden—”
Er volgde even eenig rumoer en toen hoorde de ontslagen gevangene Caterham’s stem weder, die helder en krachtig opklonk: „Leer uw les omtrent ’tgeen ge met het Bom-voedsel te doen hebt van het Bom-voedsel zelf en—” Hij hield even op—”pak de brandnetel beet voor het te laat is!”
Hij zweeg, en wischte zich de lippen af. „Een glas,” riep iemand, „een glas,” en toen hoorde men weder dat geluid, dat zoo merkwaardig snel aangroeide tot een donderend gejuich, tot het leek alsof de geheele wereld juichte...
De ontslagen gevangene verliet de zaal eindelijk wonderbaar bewogen; op zijn gelaat eene uitdrukking alsof hij een visioen gezien had. Nu wist hij het, iedereen wist het nu; zijn denkbeelden waren niet langer vaag. Hij was teruggekeerd in eene wereld die in een crisis verkeerde, die onmiddellijk moest beslissen in een geweldige moeilijkheid. Hij ook moest zijn rol in den grooten strijd spelen als een man—als een vrij man, doordrongen van zijn verantwoordelijkheidsgevoel. De vijandelijke botsing stond voor zijn verbeelding als een schilderij—Aan de eene zijde deze reusachtige in-malien-gekleede gestalten van dien morgen—nu zag hij ze in een heel ander licht—aan de andere zijde dit kleine, in het zwart gekleede gesticuleerende mannetje onder het magnesium-licht, dit dwergje met zijn goed-geordenden vloed van welluidende overredende argumenten, met zijn klein-menschelijke, wonder-doordringende stem, „John Caterham”—„Jack de Reuzen-Dooder.” Zij moesten allen schouder aan schouder staan „om de netel beet te pakken” vóór het „te laat” was.
Het grootst, het sterkst en het meest ontzien van al de kinderen van het Voedsel waren de drie zonen van Cossar. Het stuk bij Sevenoaks van een mijl lengte en breedte ongeveer, waarop zij hun jeugd doorbrachten, werd zóó omwald, zóó uitgegraven en onderste-boven-gehaald, zóó bedekt met loodsen en reusachtige werk-modellen en al het gespeel van hunne zich ontwikkelende krachten, dat er geen tweede plaats op aarde was die hiermede vergeleken kon worden. En reeds lang was zij te klein geworden voor de dingen die zij wilden doen. De oudste zoon was een machtig ontwerper van rader-machines; hij had zich een soort reuzen-fiets gemaakt, waarvoor geen weg ter wereld ruimte genoeg had, en die geen brug kon dragen. Daar stond het ding, een groote structuur van raderen en machines, in staat een snelheid van twee honderd vijftig mijlen per uur te ontwikkelen, ongebruikt, behalve wanneer hij er nu en dan op stapte en er die overvulde plaats mede overrende en weder terug. Hij had er deze kleine aarde mee rond willen rennen; met dit doel had hij het ding gemaakt, toen hij nog niet veel meer dan een droomerige jongen was. Nu had de roest in de spaken gevreten, die rood waren als wonden, overal waar het nikkel eraf geraakt was.
„Je moet er eerst een weg voor maken, zoontje,” had Cossar gezegd, „voor je dat kunt doen.”
Zoodat op een goeden morgen de jonge reus en zijn beide broeders aan het werk waren getogen om een weg om de wereld aan te leggen. Zij schijnen een voorgevoel gehad te hebben van komende tegenkanting, en zij werkten derhalve met nog meer vaart. De wereld had ze gauw genoeg betrapt, terwijl ze dien weg aanlegden, zoo recht als een kegelbaan naar het Engelsche Kanaal, toen ze er reeds eenige mijlen van gelijk gemaakt en vastgestampt hadden. Vóór het midden van den dag waren ze in hun werk gestoord door een groote menigte opgewonden lieden, bestaande uit landeigenaars, makelaars, plaatselijke overheden, advocaten, politie-agenten, en zelfs soldaten.
„We zijn bezig een weg aan te leggen,” had de grootste jongen hun uitgelegd.
„Dat is een heel verdienstelijk werk,” zei de leidende advocaat ter plaatse, „maar eerbiedig alstublieft de rechten van anderen. U hebt nu reeds inbreuk gemaakt op de privaat-rechten van zeven en twintig privaat-bezitters; om nog niet eens te spreken van de bijzondere privilegien en het eigendom van een stedelijk bestuur, negen parochie-besturen, een graafschapsraad, twee gasfabrieken en een spoorweg-maatschappij”....
„Goeie grootje!” zei de oudste jongen van Cossar.
„U zult hier mee uit moeten scheiden.”
„Maar heb je dan geen mooie rechte weg noodig, inplaats van al die vunze stinkende laantjes?”
„Ik zal niet zeggen, dat het geen groot voordeel zou zijn, maar—”
„’t Is niet te doen,” zei de oudste Cossar, zijn gereedschap opnemend.
„Niet op deze manier,” zei de advocaat, „zeker niet zóó!”
„Maar hoe dan wèl?”
Het antwoord van den woordvoerenden advocaat was ingewikkeld en vaag.
Cossar zelf was er ook bijgekomen om te kijken naar het kwaad, dat zijn kinderen aangericht hadden en berispte hen ernstig en lachte verbazend en scheen erg blij te zijn met dit zaakje. „Jelui zult nog een beetje moeten wachten, jongens,” brulde hij naar hen op, „voor je dergelijke dingen kunt gaan doen.”
„Die advocaat zei, dat we moesten beginnen met een plan te maken, en speciale vergunningen aan te vragen en dergelijke onzin. Zei dat ’t jaren zou duren”—
„We zullen gauw genoeg een schema klaar hebben, ventje,” riep Cossar met zijn handen aan den mond, „maak je maar niks bezorgd. Maar nu moet je nog maar liever een beetje hier spelen en modellen maken van de dingen die je wilt doen.”
En zij deden als gehoorzame zoons wat hij hen beval.
Maar niettegenstaande dit, broeiden de jongens van Cossar op iets.
„Dat is allemaal heel goed en wel,” zei de tweede tot den eerste, „maar ik heb er geen zin in hièr altijd te spelen en plannen te maken. Ik wil iets doèn, weet je. Wij zijn niet geboren met zooveel kracht in ons om hier maar wat te spelen op dit ellendige lapje grond, en wandelingetjes te doen en zorgvuldig de steden te vermijden”—want het was nu zoover gekomen dat alle bewoonde plaatsen hun verboden waren. „Niets doen is slecht. Zouden we niks kunnen vinden, dat de kleine menschjes noodig hebben, en het dan voor hen maken—alleen maar voor het plezier van het doen?”
„Hoopen menschjes hebben geen goed-bewoonbare huizen,” zei de tweede jongen. „Laten we een huis voor ze gaan bouwen, vlak bij Londen, waar er hoopen en nog es hoopen in kunnen, en het zoo maken, dat ’t er prettig en gezellig in is, en laten we een mooi weggetje voor hen maken naar de plek waar ze allemaal heengaan om zaken te doen—een mooi recht weggetje. We zullen alles zoo helder en prettig maken, dat ze geen van allen langer zoo smerig en beestachtig meer kùnnen leven zooals ze nu doen. Massa’s water om zich in te wasschen moeten ze hebben—want ze zijn zoo smerig, nu negen van de tien huizen zelfs geen badgelegenheid hebben, die smerige kleine bunsings! En weet je wat zoo grappig is, de lui die wèl baden hebben, gooien de anderen die ze niet hebben beleedigingen naar hun hoofd, inplaats van ze te helpen, zoodat ze er ook een kunnen aanschaffen—en noemen ze de „Groote Ongewasschen Menigte.” Nu zullen wij daar es verandering in brengen. En we zullen electrisch licht voor ze maken en voor ze koken en groote schoonmaak voor hen houden en al dergelijke dingen. Stel je voor! Ze laten hun vrouwen—vrouwen die moeders zullen worden—rondkruipen en de vloeren schrobben! Wij zouden alles zoo mooi kunnen doen. We zouden een dam om een vallei ginds in die heuvelrij kunnen leggen, en een mooi reservoirtje maken, en dan konden we hièr een groote flinke gelegenheid maken voor het opwekken van onze electriciteit en ’t alles zoo knus mogelijk maken. Is ’t niet, broêr?... En dan zouden ze ons misschien nog wel meer laten doen ook.”
„Ja,” zei de oudere broeder, „we zouden ’t hun werkelijk heel prettig kunnen maken.”
„Nou, laten we ’t dan doen óók,” zei de tweede broeder.
„Ik heb er niet op tegen,” zei de oudere broeder en keek om zich heen naar een geschikt stuk gereedschap.
En ook dit leidde weer tot ontzettende moeilijkheden.
Opgewonden menigten zaten hun in minder dan geen tijd op den hals, hun om duizenderlei redenen bevelend uit te scheiden, hen bevelend te stoppen zonder éénige reden—kakelende, verwarde, veelsoortige menigten. Het gebouw dat ze bouwden was te hoog—dat kon onmogelijk veilig zijn. Het was leelijk; het stond bovendien het behoorlijk verhuren van huizen in de buurt die de juiste hoogte hadden, in den weg; het bracht den stijl van de geheele buurt in de war; ’t was ònbuurzaam; het was in strijd met Plaatselijke Bouwverordeningen; het maakte inbreuk op de rechten der plaatselijke overheid, om zelf te gaan knoeien met een eigen dure, petiterige, electrische centrale; het botste aan tegen de belangen der plaatselijke waterleidings-maatschappij.
Klerken van het Ministerie van Handel en Nijverheid werden zoo actief, dat ze rechtskundige bezwaren in het midden brachten. Het kleine advocaatje kwam weer te voorschijn om het woord te doen voor een twaalftal bedreigde belanghebbenden; plaatselijke landeigenaars voerden oppositie; menschen met vage aanspraken wenschten onzinnig hooge schadevergoedingen; de werkliedenbonden van al de bouwvakken verhieven eendrachtig hun stem; en een trust van handelaars in allerlei soorten van bouwmateriaal werd een ware hinderpaal. Buitengewone vereenigingen van menschen met profetische visies van aesthetische verschrikkingen wierpen zich in den strijd om het natuurschoon te bewaren van de plaats waar zij het groote huis wilden neerzetten, en van de vallei waar zij het waterreservoir wilden maken. Deze laatste groep van lieden waren wel de grootste ezels van het heele zoodje, vonden de jongens van Cossar. Dat mooie huis van Cossar’s jongens werd in minder dan geen tijd als een wandelstok, die in een wespennest gestoken wordt.
„Wel god beware me!” zei de oudere jongen.
„We kunnen er zoo niet mee voortgaan,” zei de tweede broeder.
„Beroerde kleine beestjes zijn ’t,” zei de derde der broeders; „we kunnen eenvoudig nìks doen?”
„Zelfs als ’t voor hun eigen gemak is, niet.”
„En we zouden ’t hun zoo prettig en gezellig gemaakt hebben.”
„Ze schijnen hun zotte kleine leventjes door te brengen met mekaar in de wielen te rijden,” zei de oudste jongen. „Rechten en wetten en bepalingen en gemeenigheden; net een knibbelspelletje... Nu, dan moeten ze nog maar wat langer in hun stoffige, smerige, zotte huisjes wonen. ’t Is nog al duidelijk dat wij er mee uit moeten scheiden.”
En de kinderen van Cossar lieten het groote huis onvoltooid, niet veel meer dan een gat voor de fundamenten en het begin van een muur, en gingen bedrukt terug naar hun groote omheinde plaats. Na eenigen tijd vulde het gat zich met water dat ging stinken, met waterplanten en allerlei ongedierte, en het Voedsel, dat daar òf door Cossar’s zonen neergeworpen, òf als stof er heen gewaaid was, zette de groeikracht aan als gewoonlijk. Waterratten verspreidden zich over het land en richtten ontzettende verwoesting aan, en op zekeren dag betrapte een boer zijne biggen op het drinken uit dezen poel, en slachtte ze allen onmiddellijk met groote tegenwoordigheid van geest—want hij herinnerde zich nog het geval met die groote zeug te Oakham. En uit dien diepen poel kwamen ook de muskieten, werkelijk vreesaanjagende muskieten, die alleen dit bewerkten, dat de zonen van Cossar, na een beetje gestoken te zijn, het niet langer konden uithouden, doch een maannacht uitkozen, toen wet en orde sliepen, en het water afleidden naar de rivier bij Brook.
Doch de groote waterplanten en het onkruid en de groote waterratten en allerlei andere ongewenschte dingen bleven nog leven en zich voortplanten in de streek die Cossar’s zonen bewoonden—het stuk grond waarop het mooie groote huis voor de kleine menschjes zich ten hemel had kunnen verheffen...
Dit alles was voorgevallen toen zij nog maar jongens waren, doch nu waren zij bijna mannen. En de ketenen waren àl nauwer om hen saamgetrokken, met elk jaar van hun groei. Met ieder jaar dat zij groeiden en het Voedsel zich verspreidde en groote dingen zich vermenigvuldigden, werd ook de spanning grooter. Voor de groote massa was het Voedsel eerst niet meer dan een ver-af wonder geweest, en nu kwam het tot voor bijna iederen drempel, de geheele geregelde orde van zaken bedreigend en verdringend. Het deed dìt dichtgroeien en wierp dàt omver; het veranderde natuurlijke producten, en doordat het de natuurlijke producten veranderde, zette het allerlei bedrijven stil en maakte honderdduizenden werkloos; het vloog de grenzen over en bracht de geheele handelswereld slag op slag toe; geen wonder dat de menschen het haatten.
En daar het gemakkelijker is levende, dan levenlooze wezens te haten, dieren meer dan planten, en zijn medemenschen meer dan dieren, werd de angst en al de last die veroorzaakt werd door reuzennetels en zes voet hooge grassprieten, vreeselijke insecten en tijgerachtig ongedierte samengevat in één grooten haat tegen die verspreide groep van groote menschelijke wezens, de kinderen van het Voedsel. Die haat was de voornaamste kracht geworden in het politieke leven. De oude partij-grenzen werden overschreden en uitgewischt en maakten plaats voor deze nieuwere belangen, en de strijd werd nù gevoerd tusschen de partij dergenen die wilden schipperen, die kleine politieke mannetjes het Voedsel wilden laten controleeren en regelen; en de partij der reactie voor wie Caterham sprak, steeds sprekend met een sinistere dubbelzinnigheid, zijn bedoeling kristalliseerend nu eens in dezen dreigenden zin, en dan weer in een anderen; nu eens zei hij, dat men „den reuzengroei der bremstruiken moest snoeien,” dan weder dat men een „middel tegen olifantiasis” moest zien te vinden, en eindelijk, aan den vooravond der verkiezingen, dat men de „netel moest aanpakken.”
Op zekeren dag zaten de drie zonen van Cossar, die nu niet langer jongens doch mannen waren, tusschen de massa’s van hun nuttelooze gewrochten, en spraken samen op hun wijze over al deze dingen. Zij hadden den geheelen dag gewerkt aan een van een serie groote samengestelde verschansingen die hun vader hen verzocht had te maken, en nu neeg de zon ten ondergang, en zaten zij in het lapje tuin voor het groote huis en keken op de wereld neder en rustten, totdat de kleine bediendetjes daarbinnen zouden aankondigen dat het eten klaar was.
Ge moet u deze machtige gestalten voorstellen, de kleinste veertig voet lang, uitgestrekt liggend op een stuk grasveld, dat een gewoon mensch een met rietstoppels bedekte oppervlakte zou toegeleken hebben. De eene ging overeind zitten en krabde de aarde van zijn reusachtige schoenen met een ijzeren dwarsbalk, die hij in de hand geklemd hield; de tweede rustte op zijn elboog; de derde sneed een punt aan een pijnboom met zijn zakmes en vervulde de lucht met harsgeur. Zij waren gekleed, niet in laken, doch in onderkleeren van gevlochten touw en bovenkleederen van met vilt bekleed aluminium-draad; ze waren geschoeid met hout en ijzer, en de maliën en knoopen en gordels hunner kleederdracht waren alle van geplet staal. Het groote huis met één verdieping waarin zij woonden, in zijn massiefheid gelijkend op de Egyptische pyramiden, gedeeltelijk gebouwd van monsterachtig-groote blokken krijt, en half uitgehouwen in het graniet van den heuvel, had een gevel van ruim honderd voet hoog, en daarachter rezen de schoorsteenen en raderen, de kranen en daken hunner werk-plaatsen wondervreemd ten hemel. Door een cirkelvormig raam in het huis was een pijp zichtbaar, waaruit een wit-gloeiende metaal-massa druppelde in afgemeten druppels in een onzichtbaren vergaarbak. De plaats was omheind, en ruw versterkt door reusachtige aarden wallen, gestut door staal, zoowel boven de kruinen der heuvelen uit, als dwars door de golvende vallei. Alleen een mensch van gewone grootte kon de kolossaalheid ervan opmerken. De trein die van Sevenoaks kwam aanrazen, binnen hun gezichtskring, en een oogenblik later de tunnel invloog en zóó aan bun blik onttrokken werd, zag er in zijn contrast met hen uit als een klein automatisch stukje speelgoed.
„Ze hebben de grenzen van al de bosschen aan dezen kant van Ightham veranderd,” zei de eene, „en het bord met „verboden terrein” erop, dat eerst bij Knockholt stond, meer dan twee mijlen hierheen gezet.”
„Ze konden slecht anders doen, hè?” zei de jongste, na een oogenblik zwijgen. „Ze probeeren den wind uit Caterham’s zeilen te nemen.”
„Daar is het niet genoeg voor, en—het is ons bijna te veel,” zei de derde.
„Zij willen ons van Broeder Redwood afsnijden. De laatste maal toen ik naar hem toeging, waren de roode waarschuwingsborden al weer een mijl naar beide kanten verder gezet. De weg, die over de duinen naar hem toeleidt, is niet meer dan een nauw laantje.” De spreker dacht na. „Wat kan er met onzen broeder Redwood gebeurd zijn?”
„Hoezoo?” zei de oudste broeder.
De spreker kapte een tak van zijn pijnboom.
„Het was net—of hij niet goed wakker was. Hij scheen heelemaal niet te luisteren naar wat ik te zeggen had. En hij zei iets over—liefde.”
De jongste tikte met zijn dwarsbalk op den rand van zijn ijzeren zool en lachte. „Broer Redwood” zei hij, „is een droomer.”
Beiden zwegen eenigen tijd. Toen zei de oudste:
„Dit hoe langer hoe nauwer insluiten wordt me haast te machtig. Ze zullen zoowaar op z’n laatst nog een lijn om onze laarzen trekken en ons bevelen daarbinnen te leven.”
De middelste broeder veegde met één hand een massa dennetakken terzijde en verschikte.
„Wat ze nu doen is nog niets vergeleken bij wat ze zullen gaan doen als Caterham de macht in handen krijgt.”
„Als hij die krijgt,” zei de jongste broeder, met zijn dwarsbalk op den grond slaand.
„Dat zal hij beslist,” zei de oudste, naar zijn voeteind kijkend.
De middelste broeder hield op met kappen en zijn blik ging naar de groote aarden wallen die hen aan alle kanten beschermden. „Dan, broeders,” zei hij, „is onze jeugd voorbij, en zullen wij ons, zooals Vader Redwood ons lang geleden al gezegd heeft, moeten weren als mannen.”
„Jawel,” zei de oudste broeder; „maar wat wil dat eigenlijk precies zeggen? wat wil dat zeggen als die moeilijke dag aanbreekt?”
Ook hij keek naar die ruwe, ontzaglijke aarden wallen om hen heen, doch niet zoozeer nààr hen, als wel er dóórheen en over de heuvelen naar de ontelbare menigten daarachter. Allen overdachten iets dergelijks—een visie van een klein volkje dat ten strijde optrok, in ontelbare scharen, het kleine, onuitputtelijke, kwaadaardige kleine volk der menschen...
„Ze zijn klein,” zei de jongste broeder; „doch zij zijn niet te tellen, als het zand aan den oever der zee.”
„Zij hebben wapenen—zij hebben wapenen ja, die onze broeders in Sunderland nog wel voor hen gemaakt hebben.”
„Bovendien, Broeders, wat weten we van doodmaken, behalve hier en daar wat ongedierte en kleine ongelukjes met kwade dingen?”
„Ja, ’t is waar,” zei de oudste broeder. „Maar toch—we zijn die we zijn. Als de kwade dagen komen moeten we doen wat onze hand vindt om te doen.”
Hij klikte zijn mes dicht—het lemmet was zoo lang als een mensch—en gebruikte zijn nieuwe dennenstaf om op te staan. Hij stond op en wendde zich naar het kolossale, plompe huis. Het purper van den zonsondergang overstroomde hem terwijl hij opstond, viel op de maliën en gespen bij zijn hals en het gevlochten metaal over zijn armen, en het leek zijnen broeders toe alsof hij plotseling overstroomd was van bloed...
Terwijl de jonge reus oprees, kreeg hij een kleine zwarte gedaante in het oog, afstekende tegen den westelijken gloed die het bovengedeelte van den aarden wal, machtig rijzend boven het duin, nog verlichtte. De zwarte kleine ledematen zwaaiden met vreemde gebaren. Iets in dit zwaaien deed den jongen reus denken aan haast. Hij zwaaide met zijn dennemast ten antwoord, vervulde de geheele vallei met zijn enorm „Hallo!” riep zijn broeders toe „d’r is iets aan de hand,” en ging met passen van vijf en twintig voet zijn vader tegemoet om te zien of er te helpen viel.
Toevallig was ook juist op dezen tijd een jonge man, die geen reus was, bezig zijn hart te luchten over deze zonen van Cossar. Hij en zijn vriend waren van over de heuvels achter Sevenoaks gekomen, en hij was voortdurend aan het woord. Onder het voorbijgaan hadden zij in het kreupelhout een erbarmelijk gepiep gehoord en hadden drie jonge meezen die in het nestje zaten, beschermd tegen den aanval van twee reuzenmieren. Dit avontuur had hen aan het praten gebracht.
„Reactionair!” zei hij, toen zij het kamp der Cossars in het zicht kregen. „Wie zou niet reactionair worden? Zie dat vierkant stuk grond eens aan, dat gedeelte van God’s aarde, dat eens zoo liefelijk en mooi was, hoe woest, en ontheiligd en uitgegraven het is! Die loodsen! Dat groote windrad! Die monsterachtige machine op raderen! Die aarden wallen! Zie eens hoe die drie monsters daar neerhurken, onder elkaar de een of andere duivelsche streek uitdenkend! Zie eens—zie de geheele streek eens aan!”
Zijn vriend keek naar zijn gelaat. „Je hebt zeker Caterham hooren spreken,” zei hij.
„Nee, ik gebruik mijn eigen oogen en blik eens terug naar den vrede en de goede orde van het verleden, dat wij achter ons gelaten hebben. Dit gemeene Voedsel is de laatste gedaante van den Duivel, nog altijd bedacht op den ondergang van onze wereld. Bedenk toch eens wat de wereld moet geweest zijn vóór onzen tijd, wat zij nog was toen onze moeders ons droegen, en zie nù eens! Bedenk toch eens hoe deze hellingen blijde lachten onder den gouden oogst, hoe de heggen vol geurige kleine bloemen stonden, en het bescheiden stukje grond van den een scheidden van dat van zijn buurman; hoe de rood-gedakte boerderijen over het land verspreid lagen en de kerkklokken van gindschen toren elken Zondag de geheele omgeving tot het gebed opriepen. En nu groeit er met ieder jaar steeds meer reusachtig onkruid en komt er steeds meer monsterachtig ongedierte, en dan deze reuzen, die overal om ons heen opgroeien, die over ons heen stappen, en tegen alles wat ons heilig is aanloopen. Hier—kijk bijvoorbeeld hier maar eens!”
Hij wees ergens heen en het oog van zijn vriend volgde de richting van zijn vinger.
„Eén van hun voetindrukken. Kijk! Is er drie voet diep in gezonken, een valkuil voor paard en berijder, een valstrik voor hen die er geen erg in hebben. Daar is een wilde roos vertrapt; daar is gras uitgerukt en een koordendistel geknakt, de draineer-buis van een boer afgebroken en de kanten van het pad afgetrapt. Vernielen! Dat doen ze de geheele wereld over, en alle orde en fatsoen die tot nu heerschten gooien zij omver. Ze vertrappen alles onder hun plompe voeten. Reactie! Wat anders?”
„Maar—wat denk je met die reactie te bereiken?”
„Paal en perk stellen aan dit alles, vóór het te laat is,” zei de jonge man van Oxford.
„Maar—”
„Het is niet onmogelijk,” riep de jonge man van Oxford, terwijl zijn stem plotseling de hoogte in ging. „We hebben de vaste hand noodig; een vernuftig plan, en een onwrikbaren geest. Wij zijn te bedeesd geweest in onze uitdrukkingen en te zwak van hand; we hebben onzen tijd verknoeid en de zaak op de lange baan geschoven, en het Voedsel heeft tijd gehad om zich te verspreiden. En zelfs nù nog—”
Hij zweeg een oogenblik. „Dit is de echo van Caterham,” zei zijn vriend.
„En zelfs nù nog. Zelfs nù is er nog hoop—gegronde hoop, als we maar eerst goed weten wat wij willen en wat we moeten vernietigen. Wij hebben de groote massa op onze hand, veel meer dan dit een paar jaren geleden het geval was; de wet is op onze hand, de grondwet en de goede gang van zaken der maatschappij, de geest der erkende godsdiensten, de gebruiken en gewoonten der menschheid staan allen aan onzen kant—en tegenover het Voedsel. Waarom zouden wij de zaak nog langer op de lange baan schuiven? Waarom zouden wij liegen? Wij haten het en hebben het niet noodig; waarom zouden wij het dan dulden? Wou jij dan maar bij de pakken neerzitten, en alleen lijdelijke obstructie voeren en niets doen—tot het te laat is?”
Hij zweeg en wendde zich om. „Zie dat boschje brandnetels daar eens. In het midden ervan staan huizen—verlaten—waar ééns heldere gezinnen van eenvoudige lieden hun leven leefden! En daar!” hij keerde zich driftig om naar de plaats waar de jonge Cossars over het onrecht dat hun aangedaan werd zaten te praten.
„Kijk hen eens! En ik ken hun vader, een bruut, een soort van bruut beest met een onverdragelijk luide stem, een wezen, dat nu al dertig jaar en meer amok maakt in onze maar al te genadige wereld. Een werktuigkundige! Alles wat ons heilig en dierbaar is, is hem niets. Niets! De schoone overleveringen van ons ras en land, de edele instellingen, de eerbiedwaardige orde, de breede, langzame gang van precedent tot precedent, die ons Engelsche volk groot gemaakt heeft en dit zonnige eiland vrij—dit is alles een ijdel verhaal, dat verteld en dan vergeten wordt. Wat bombast over de Toekomst wordt boven al deze heilige dingen gesteld..... Het soort van man dat een trambaan over zijn moeder’s graf zou laten loopen als hij dacht dat het ’t goedkoopst was hem zóó aan te leggen! En jij denkt er nog aan, de zaak op de lange baan te schuiven, een compromis te sluiten, dat je in staat zal stellen op jouw manier te leven, terwijl die—die machinemensch het op zijn manier doet. Ik zeg je, ’t geeft niets, ’t is hopeloos. Je zoudt even goed een verdrag met een tijger kunnen sluiten! Zij willen de dingen reusachtig groot hebben—wij wenschen ze liefelijk en normaal. Je staat hier òf voor ’t een, òf voor het ander.”
„Maar wat kùn je aanvangen?”
„O, heel veel! Alles! Het Voedsel inhouden! Zij zijn nu nog verspreid, deze reuzen, nog onrijp en nog niet vereenigd. Keten ze, stop ze een prop in den mond, doe ze een muilband voor. Hoe dan ook, ze moeten gestuit worden. Het gaat erom of deze aarde de hunne zal worden of de onze blijven! We kunnen het Voedsel inhouden. We kunnen de lui die het fabriceeren in de kast duwen. We zullen àl het mogelijke doen om Cossar te stuiten! Je schijnt heelemaal niet in aanmerking te nemen, dat—dat we maar één geslacht behoeven te onderdrukken, en dàn—Dan kunnen we die aardhoopen weer met den grond gelijk maken, hun voetsporen dempen, de leelijke sirenen van onze kerktorens nemen, al onze olifanten-geweren aan stukken slaan, en terugkeeren tot de oude orde der dingen, de rijpe oude beschaving, waarvoor de ziel van den mensch aangelegd is.”
„Dat zal een geweldige poging worden.”
„Tot het bereiken van een grootsch doel. En als we haar niet wagen? Zie je dan niet zoo helder als de dag, het verschiet dat voor ons ligt? Overal zullen de reuzen zich vermenigvuldigen en groeien; overal zullen zij het Voedsel gaan maken en verspreiden. Het gras zal reusachtig hoog opgroeien in onze velden, het onkruid in onze heggen, het ongedierte in het kreupelhout, de ratten in de riolen, alles zal reusachtig worden. Steeds meer en meer. Dit is nog pas een begin. De insecten-wereld zal tegen ons opstaan, en de plantenwereld eveneens; ja, zelfs de visschen der zee zullen onze schepen doen volloopen en ze doen zinken. Een reusachtige plantengroei zal onze huizen verduisteren en ze verbergen, onze kerken verstikken, de goede orde in onze steden vernietigen en wij zullen niet veel meer zijn dan een zwak soort van ongedierte onder de voeten van het nieuwe ras. De menschheid zal overstroomd worden en verdrinken in dingen die zij zelve verwekt heeft! En dat volkomen doelloos. Grootte. Niets anders dan grootte! Uitzetting en „da capo.” Nu reeds moeten we oppassen waar we onze voeten zetten tusschen de eerste aanduidingen van den komenden tijd. En het eenige wat we doen, is zeggen: „wat een last!” We grommen en doen niets. Neen!”
Hij hief zijne hand op.
„Laten zij doen wat ze denken te moeten doen. Dat zal ik ook. Ik ben voor Reactie—voor reactie zonder vrees en die van geen wijken weet. Wat kun je in deze wereld nog beginnen, als je zelf het Voedsel niet wilt innemen? We hebben te lang getreuzeld op den gulden middenweg. Treuzelen op middenwegen is jullie gewoonte, jelui bestaan, en hetgeen waar jelui je tijd aan geeft. Doch Ik ben niet zoo! Ik ben tegen het Voedsel met al de kracht die in mij is, en tot het uiterste zal ik mij er tegen verzetten.”
Hij wendde zich tot zijn metgezel toen hij diens gegrom van afkeuring hoorde. „Aan welken kant sta jij?”
„Ja, dat is zoo in een paar woorden niet te zeggen, ’t is een ingewikkelde zaak—”
„Och—drijfhout!” zei de jonge man van Oxford bitter, terwijl hij een wanhopend gebaar maakte met alle ledematen. ”De middenweg leidt tot niets. Wij hebben hier òf het een, òf het andere te kiezen. Ons laten òpeten, of zèlf vernietigen. Wat kunnen we ànders beginnen?”