Nu gebeurde het in de dagen, toen Caterham bezig was met zijne campagne tegen de Bomkinderen, vóór de Algemeene Verkiezingen die—temidden van de meest tragische en vreeselijke omstandigheden—hem op het kussen moesten helpen, dat de Reuzen-Prinses, die Doorluchtigheid, welker voeding jaren te voren zulk een gewichtige rol had gespeeld in de schitterende loopbaan van Dokter Winkles, het koninkrijk van haren vader verlaten, en zich naar Engeland begeven had, voor eene zaak, die als zeer gewichtig beschouwd werd. Zij was om staatsredenen verloofd met een zekeren Prins—en het huwelijk zou tot een gebeurtenis van internationale beteekenis gemaakt worden. Er was een geheimzinnig oponthoud ontstaan. Het Gerucht en de Verbeelding vertelden samen het wàarom en er ging heel wat van mond tot mond. Men sprak van een recalcitranten prins, die verklaard had, dat hij terwille van niemand een dwaas figuur wou slaan—tenminste niet zóó erg. Men sympathiseerde met hem. En dat is de gewichtigste kant van de zaak.
Nu mag het volgende vreemd lijken, doch het is een feit, dat toen de Reuzen-Prinses naar Engeland kwam, zij niets afwist van het bestaan van nog andere reuzen. Zij had geleefd in een omgeving, waar tact bijna een hartstocht is en gereserveerdheid de adem des levens. Men had alles voor haar verborgen gehouden; men had haar van de buitenwereld afgesloten, zoodat zij nooit een reus gezien of ervan gehoord had, vóór de tijd gekomen was dat zij naar Engeland zou vertrekken. Vóór zij den jongen Redwood ontmoette, had zij zelfs geen flauw vermoeden, dat er sprake kon zijn van nog andere reuzen.
In het koninkrijk van den vader der Prinses waren onherbergzame hooggebergten, waar zij vrij had rondgedwaald. Zij hield méér van den zonsopgang en van den zonsondergang en van het geheele drama der natuur, dan van iets anders ter wereld; doch onder een volk, dat zóó democratisch is en tegelijkertijd zóó koningsgezind als het Engelsche, werd haar vrijheid natuurlijk erg beperkt. De menschen kwamen met Janpleziers, met pleizier-treinen, bij heele menigten om haar te zien; zij fietsten lange afstanden om haar aan te gapen, en zij moest vroeg opstaan als zij tenminste rustig wilde wandelen.
De dageraad was nog pas aangebroken, dien dag, toen de jonge Redwood haar ontmoette.
Het groote Park bij het Paleis waar zij verblijf hield, strekte zich meer dan twintig mijlen ver naar het westen en zuiden van de westelijke poorten van het paleis uit. De kastanjeboomen der lanen verhieven zich hoog boven haar hoofd. En elk hunner scheen, terwijl zij voorbijging, te wedijveren wie van hen haar den rijksten bloemenschat zou aanbieden. Een tijdlang stelde zij zich tevreden met het zien en ruiken der mooie bloesems, doch eindelijk liet zij zich overhalen en begon ijverig uit te zoeken en te plukken, zoodat zij den jongen Redwood niet bemerkte vóór deze vlak bij haar was.
Zij bewoog zich tusschen de kastanjeboomen, met den haar door het lot beschoren minnaar dicht bij zich, zonder dat zij het bevroedde of iets bemerkte. Zij stak haar handen tusschen de takken, ze afbrekend en vergârend. Zij was alleen op de wereld. En toen—
Zij keek op en in dat oogenblik was haar lot beslist.
Wij moeten onze verbeelding op zijn maat stellen, om de schoonheid te kunnen zien, die hij zag. Die onbenaderbare grootheid die het ons onmogelijk maakt ons een met haar te voelen, bestond voor hem niet. Daar stond zij, een gracieus meisje, het eerste schepsel, dat hem een waardige gezellin toeleek, licht en slank, licht gekleed, terwijl de frissche morgenwind haar kleed plooide om de weeke lijnen van haar gestalte, en met een groote massa bloeiende kastanjetakken in hare handen. De boord van haar kleed was open en liet de blankheid van haar hals en een zachte schaduwige rondheid zien, die naar hare schouders afdaalde en aan het oog onttrokken werd. De wind had een vlok haar gestolen en strekte de rood-gepunte haren over haar wangen. Haar oogen waren groot en blauw en om haar lippen zweefde steeds de belofte van een glimlach, terwijl zij tusschen de takken doorreikte.
Zij wendde zich met schrik naar hem om, bemerkte hem, en een tijdlang deden zij niet anders dan elkaar aankijken. Het zien van hem was voor haar wonderbaarlijk en zóó bijna-ongelooflijk, dat het haar eenige oogenblikken lang iets vreeselijks toeleek. Hij was tot haar gekomen en had haar geschokt zooals een bovennatuurlijke verschijning dit gedaan zou hebben; hij verbrak al de vaste wetten van haar wereld. Hij was toen een jongeling van een en twintig, slank, met het donkere teint en den ernst van zijn vader. Hij was gekleed in sobere, zacht-bruin lederen, nauw-passende, doch gemakkelijk-zittende kleêren en met bruine kuitbroek aan, die hem goed stond en zijn figuur deed uitkomen. In weer en wind, hij liep blootshoofds. Zij stonden elkaar al maar aan te kijken—zij ongeloovig-verbaasd, en hij met snelkloppend hart. Het was een oogenblik zonder inleiding, de belangrijkste ontmoeting van hun leven.
Hij was minder verbaasd. Hij had haar aldaar gezocht, en zijn hart klopte onstuimig. Hij ging naar haar toe, langzaam, met de oogen op haar gelaat gevestigd.
„U is de prinses,” zei hij. „Mijn vader heeft mij van u verteld. U is de prinses die men van het Voedsel der Goden gegeven heeft.”
„Ja, ik ben de Prinses,”—zei zij, met verbaasde blikken. „Maar—wie zijt gij?”
„Ik ben de zoon van den man, die het Voedsel der Goden gemaakt heeft.”
„Voedsel der Goden!”
„Ja, het Voedsel der Goden.”
„Maar—”
Haar gezicht drukte de grootste verbazing uit, als begreep zij hem niet.
„Wat is dat? Ik begrijp er niets van. Het Voedsel der Goden, zei u?”
„Hebt ge daar nooit van gehoord?”
„Van het Voedsel der Goden? Néén!”
Zij bemerkte dat zij hevig beefde. Zij verschoot van kleur. „Ik wist niet,” zei zij. „U wilt toch niet zeggen—?”
Hij wachtte tot zij haar zin voltooien zou.
„U wilt toch niet zeggen, dat er nog méér reuzen zijn?”
En hij herhaalde: „Wist u dat niet?”
En zij antwoordde met steeds toenemende verbazing, toen zij begon te begrijpen: „Neen!”
De geheele wereld en de geheele beteekenis ervan begon in haar oog anders te worden. Een kastanjetak ontgleed haar hand. „U wilt toch niet zeggen, dat er nog meer reuzen op aarde zijn? Dat het een of ander voedsel—?”
Nu was het zijn beurt om verbaasd te staan.
„Maar wist u dan niets?” riep hij uit. „Had u dan nooit van ons gehoord? U, die door het Voedsel aan ons verwant zijt!”
Er sprak nog steeds angst uit de blikken die hem aanstaarden. Haar hand ging naar haar keel en viel weder neer. Zij fluisterde: „Neen.” Het was haar of zij òf weenen, òf in zwijm vallen moest. Doch een oogenblik later had zij hare zelfbeheersching herkregen en sprak en dacht zij weder duidelijk en helder. „Dit is alles voor mij verborgen gehouden,” zeide zij. „Het is als een droom. Ik heb gedroomd—Ik heb van dergelijke mogelijkheden gedroomd. Doch wakend—Neen. Vertel mij toch alles. Alles! Wat zijt ge? Wat is dit Voedsel der Goden? Vertel het me langzaam—en duidelijk. Waarom heeft men voor mij verborgen gehouden, dat ik niet alleen sta in mijn grootte?”
„Vertel het mij,” zei zij, en de jonge Redwood begon haar bevend en opgewonden te vertellen—het was toèn maar een onsamenhangende en armelijke vertelling—van het Voedsel der Goden en van de Reuzenkinderen, die over de geheele wereld verspreid waren.
Stel u hen voor, met opgewonden kleur en nog wat verschrikt, trachtend elkaar te begrijpen uit tallooze half-verstane, half-uitgesproken zinnen, steeds weder herhalend, en dan weder plotseling zwijgend, en het nog eens opnieuw beproevend—een wonder-vreemd gesprek, waarbij zij ontwaakte uit de onwetendheid waarin zij haar geheele leven verkeerd had. En heel langzaam werd het haar duidelijk, dat zij geen uitzondering vormde op den gewonen regel der menschheid, doch dat zij deel uitmaakte van een verspreide broederschap, waarvan alle leden van het Voedsel gegeten hadden, en die voor altijd de kleine verhoudingen van de menschjes onder hunne voeten ontgroeid waren. De jonge Redwood sprak van zijn vader, van Cossar, van de broederen die over het gansche land verspreid waren, van den grooten dageraad die grootscher willen met zich had gebracht en die in de geschiedenis der wereld was opgegaan. „Wij zijn in het begin van een begin,” zei hij; „dit wereldje, dat ze nu hebben, is slechts een inleiding tot de wereld die het Voedsel scheppen zal. Mijn vader gelooft—en ik met hem—dat er een tijd zal komen, waarin kleinheid geheel uit de menschenwereld verdwenen zal zijn,—waarin reuzen vrijelijk over deze aarde—hùnne aarde zullen rondwandelen—voortdurend grooter en grootscher dingen verrichtend. Doch dat—dat moet nog komen. Wij zijn hiervan zelfs niet het eerste geslacht—wij zijn de eerste experimenten.”
„En van al deze dingen wist ik niets!” zeide zij.
„Soms denk ik wel eens, dat wij te vroeg gekomen zijn. Natuurlijk één van allen moest het eerst komen. Doch de wereld was geheel onvoorbereid op onze komst en op de komst van al de minder groote dingen, die hunne grootheid aan het Voedsel ontleenden. Er zijn grove fouten begaan; er is strijd geweest. Het kleine menschenvolk haat ons...
„Zij zijn hard jegens òns, omdat zìj zoo klein zijn... En omdat onze voeten zwaar neerkomen op de dingen, die hen doen leven. Doch hoe dit ook zij, zij haten ons nu; zij moeten niets van ons hebben—alleen als wij tot hunne normale grootte konden inkrimpen, zouden zij ons langzamerhand vergeven...
„Zij zijn gelukkig in huizen, die ons gevangeniscellen toelijken; hunne steden zijn ons te klein. Het doet ons pijn langs hunne smalle wegen te loopen; wij kunnen niet mede opgaan naar hunne plaatsen van eeredienst...
„Wij kijken over hunne muren, en over hunne verdedigingswerken; we kijken zonder er bij te denken door hunne bovenste vensters; wij houden geen rekening met hunne gewoonten; hun wetten zijn ons slechts een net om onze voeten...
„Telkens als wij struikelen, hooren wij hen schreeuwen; telkens als wij hunne grenzen overschrijden, of ons opmaken tot eenige breede daad...
„Als wij op ons doode gemak loopen, lijkt het hun alsof wij ergens wild op losstormen, en al de dingen die zij groot en wondervol achten, zijn voor ons niet meer dan poppen-pyramiden. De kleinheid van hun methodes en toepassingen en verbeeldingskracht belemmert en verslaat onze kracht. Er bestaan nog geen machines, die evenredig zijn aan de kracht onzer handen, en geen hulpmiddelen die in onze nooden kunnen voorzien. Zij maken onze grootte dienstbaar door duizenden onzichtbare handen. Wij zijn man voor man honderdmaal sterker, doch wij zijn ongewapend; juist onze grootte maakt ons tot schuldenaren; zij laten rechten gelden op het land, waar wij nu op staan; zij belasten onze grootere behoefte aan voedsel en onderdak, en voor al deze dingen moeten wij om hunne dwergen-grillen te bevredigen, zwaren arbeid verrichten met de werktuigen die deze dwergen voor ons maken....
„Op alle mogelijke manieren belemmeren zij onze bewegingen. Al was het alleen maar om te leven, mòèten wij de grenzen die zij ons gesteld hebben wel overschrijden. Om u hier vandaag te ontmoeten, heb ik zelfs op verboden terrein moeten gaan. Alles wat aangenaam en begeerenswaardig in het leven is, stellen zij buiten ons bereik. Wij mogen niet in de steden komen; wij mogen niet over bruggen loopen; wij mogen niet loopen door hun bebouwde velden of in de wildparken voor het wild, dat zij dooden. Ik ben nu afgesneden van al de Broederen behalve van de drie zonen van Cossar, en zelfs diè doorgang wordt met elken dag nauwer. Het is of zij twist met ons zoèken, om ons het een of ander te kunnen aandoen.”
„Maar we zijn toch heel sterk,” zeide zij.
„Wij behóórden tenminste sterk te zijn, ja. Allen voelen wij—en ik, weet dat jij dat ook moet voelen—dat wij macht hebben, de kracht om groote dingen te doen, macht die in ons dringt om vrijgelaten te worden. Doch vóór wij iets kunnen beginnen—”
Hij stak driftig een hand uit, die een wereld scheen weg te vagen.
„Al heb ik ook gemeend, dat ik alleen op de wereld was,” zeide zij, na een tijdlang gezwegen te hebben, „heb ik tòch wel over deze dingen nagedacht. Men heeft mij steeds geleerd, dat kracht bijna zonde was, dat het beter was klein te zijn dan groot, dat alle ware godsdienst bestond in het beschermen der zwakken en kleinen, de zwakken en kleinen te bemoedigen, hen te helpen zich te vermenigvuldigen en al maar vermenigvuldigen, totdat zij ten laatste elkaar verdringen; men heeft mij geleerd al ònze kracht op te offeren voor hunne zaak, maar... ik heb altijd getwijfeld aan wat men mij onderwees.”
„Dit leven,” zei hij, „deze lichamen, die wij gekregen hebben, zijn niet om te sterven.”
„Neen.”
„En ook niet om in beuzeling door te brengen. Doch zoo wij dit laatste niet doen willen, is het allen Broederen nu reeds duidelijk, dat een strijd niet kan uitblijven. Ik kan niet zeggen hoe verbitterd de strijd, die spoedig komen moet, zijn zal, vóór de kleine menschen zullen dulden, dat wij leven op de wijze waaraan wij behoefte hebben. Al de Broederen hebben hier over nagedacht. Ook Cossar, waarvan ik je verteld heb, heeft hier over nagedacht.”
„Zij zijn heel klein en zwak.”
„Ja dat is zoo, tenminste het lijkt zoo. Maar jij weet ook, evenals ik, dat zij alle middelen om te dooden in handen hebben, en die ook naar de grootte hunner handen gemaakt zijn. Al honderdduizenden jaren lang hebben deze kleine menschjes, wier wereld wij overrompelen, geleerd hoe zij elkaar het beste en snelste kunnen dooden. Hierin zijn zij heel bekwaam. In meerdere dingen zijn zij zeer bekwaam. En bovendien kunnen zij bedriegen en zich plotseling anders voordoen dan zij zijn... ik weet het niet... er is strijd op til. Jij—jij bent misschien anders dan wij. Maar voor òns komt er zeker strijd.... Wat de menschen Oorlog noemen. Wij weten het. En tot op zekere hoogte bereiden wij ons er op voor. Maar je kent—deze kleine menschen!—wij weten niet hoe wij dooden moeten, tenminste wij missen de lust om te dooden—”
„Zie eens,” viel zij hem in de rede, en hij hoorde een toeterenden hoorn.
Hij wendde zich om, en keek in de richting die hare oogen aanduidden en zag hoe een helder-gele automobiel, met een donkeren chauffeur met een motor-bril op, en met in bont gekleede passagiers, gillend en dreunend en nijdig puffend bij zijn hiel stond. Hij verplaatste zijn voet en het ding vervolgde met drie toornige kreten zijn lawaaierigen weg in de richting van de stad.
„Blokkeeren tegenwoordig den weg ook al!” klonk er tot hem op.
Vervolgens zeide iemand: „Zie! heb je haar wel gezien? Daar ginds achter de boomen staat de reuzen-prinses!” en al hun van stof-brillen voorziene gezichten wendden zich naar haar toe om haar aan te staren.
„Nee maar, hoor es,” zei een derde. „Dat gaat niet aan”...
„Dit alles,” zeide zij, „verbaast mij meer dan ik zeggen kan.”
„Dat ze je van dit alles niets gezegd hebben,” zei hij en voltooide zijn zin niet.
„Vóór je mij ontmoette, had ik geleefd in een wereld waarin ik groot en—alléén was. Maar toch had ik mijn leven hier zoo goed mogelijk aangepast. Ik dacht eerst, dat ik het slachtoffer was van een gril der natuur. En nu is mijn wereldje in een half uur in elkaar gevallen, en ik zie een andere wereld, andere voorwaarden, ruimere mogelijkheden—kameraadschap—”
„Kameraadschap,” antwoordde hij.
„Je moet me nog wat meer vertellen, nog véél meer,” zeide zij. „Weet je, dit alles vaart door mijn geest als een verhaal dat mij verteld wordt. Zelfs jij... Binnen een dag of wat zal ik misschien in je kunnen gelooven. Maar nu—nu droom ik... Luister!”
De eerste slag van een klok bovenop de paleisgebouwen ver weg drong tot hen door. Elk telde werktuigelijk tot „zeven.”
„Nu moet ik weg,” zeide zij. „Zij zullen nu net ongeveer de bowl met mijn koffie het vertrek waarin ik slaap binnendragen. De kleine lakeien en bedienden—je kunt je haast niet voorstellen hoe ernstig die zijn—zijn nu al weer druk bezig aan hunne werkzaamheidjes.”
„Zij zullen zich wel verwonderen, waar... maar ik wil met je praten.”
Zij dacht na.—„Maar ik wil er ook over denken. Ik wensch nu alléén er over na te denken, en tot klaarheid te komen in deze algeheele verandering der dingen, en de oude eenzaamheid weg te denken en jou en al die anderen in mijn wereld in te denken... Ik moet nu heen. Vandaag zal ik teruggaan naar mijn oude plaats in het kasteel, en morgen, als de dageraad aanbreekt, zal ik hier weder komen.”
„Ik zal je hier opwachten.”
„Den geheelen dag zal ik droomen van deze nieuwe wereld die je mij gegeven hebt. Ik kan het nu zelfs nog haast niet gelooven—”
Zij deed een schrede achterwaarts en nam hem op van het hoofd tot de voeten. Hunne blikken ontmoetten elkaar en bleven een oogenblik vast op elkaar gericht.
„Ja,” zeide zij, met een lachje, dat bijna een snik was. „Je bent tòch werkelijk. Maar het is zoo wondervreemd! Denk je—werkelijk—? En als ik nu morgen eens hier kwam, en ik vond—dat je net zoo’n dwerg was als de anderen!—Ja, ik moet over alles nog eens nadenken. En daarom, voor vandaag—zooals de kleine menschen doen—”
Zij stak haar hand uit, en voor de eerste maal raakten zij elkander aan. Zij hielden elkaar’s hand stevig vast en hunne blikken ontmoetten elkaar weder.
„Voor vandaag—goedendag,” zeide zij. „Vaarwel! Vaarwel, Broeder Reus!”
Hij aarzelde, alsof hij nog iets wilde zeggen, en eindelijk zei hij eenvoudig „goedendag.”
Een tijdlang hielden zij elkaar’s hand vast, en keken elkaar vorschend aan. En nadat zij van elkaar gegaan waren, keek zij nog verscheidene malen half weifelend naar hem om, en bleef staan op de plaats waar zij elkaar ontmoet hadden...
Zij liep dwars over het plein van het Paleis hare vertrekken binnen als een die in den slaap wandelt, met een grooten kastanje-tak, die slap in hare hand hing.
De twee ontmoetten elkaar, alles bij elkaar genomen, veertien maal vóór het begin van het einde. Zij kwamen samen in het Groote Park, of op de hoogten en in de passen van het moer, dat doorsneden werd door ruwe wegen en hier en daar begroeid was met sombere pijnbosschen, en dat zich naar het zuidwesten uitstrekte. Tweemalen hadden zij elkaar ontmoet in de groote kastanjelaan, en vijf malen aan den breeden, aangelegden vijver, die de koning, haar grootvader, had doen graven. Er was daar een plek waar een groot, mooi-glad grasperk, dat met hooge coniferen bezet was, gracieus afhelde naar den waterkant, en daar placht zij dan te gaan zitten, en hij legde zich aan hare knieën neder, keek op naar haar gelaat en praatte; hij verhaalde haar van alles wat voorgevallen was, en van het groote werk, dat zijn vader hem opgedragen had te volbrengen, en van den grooten en verruimden droom van al wat het reuzenvolk eens zijn zoude. Gewoonlijk kwamen zij bij elkaar bij het aanbreken van den dageraad, doch eens ontmoetten zij elkaar in den middag en zagen weldra, hoe zij omringd werden door een menigte van loerende luisteraars, fietsrijders en voetgangers, die allen van uit de struiken naar hen gluurden, ritselend (zooals de musschen soms ritselen in de boschjes om u heen in de Londensche parken) tusschen de dorre bladeren in de bosschen, het meer komend afroeien in booten naar een punt, vanwaar zij hen konden zien, en trachtend hen zoo dicht te naderen, dat zij hen goed konden zien en hooren. Dit was voor de twee reuzen de eerste aanduiding van de groote belangstelling die de geheele streek in hunne samenkomsten stelde. En eens—het was de zevende maal, en verhaastte het schandaal nog—kwamen zij samen op het frissche moerland bij helder maanlicht en fluisterden, want de nacht was warm en stil. Zeer spoedig hadden zij het bewustzijn verloren, dat in en door hen een nieuwe wereld van reusachtige dingen zich vormde in de aarde, en dachten zij niet langer over den grooten strijd tusschen klein en groot, waarin zij blijkbaar voorbeschikt waren een rol te spelen, en dachten zij slechts aan meer persoonlijke en grooter belangen. Telkens als zij elkaar ontmoetten en met elkaar spraken en elkaar aanzagen, leerden zij iets meer begrijpen, dat er iets dierbaarders en wondervollers dan enkel vriendschap in hun gevoel voor elkaar was, en overal met hen meeging en hunne handen elkaar deed zoeken. En binnen zeer korten tijd vonden zij het woord zelf en waren zij minnenden, de Adam en Eva voor een nieuw geslacht op aarde.
Zij schreden tezamen de wonderschoone vallei der liefde in, met hare diepe en vredige plaatsen. De wereld om hen nam een geheel ander aanzicht aan, naarmate zij zelven anders gestemd waren, totdat weldra een schoonheid als van het Heilige der Heiligen hunnen samenkomsten weldra omgaf en de sterren niet anders dan bloemen van licht waren onder de voeten hunner liefde, en de dageraad en de zonsondergang de kleurige draperiën langs hunnen weg. Zij waren niet langer wezens van vleesch en bloed voor elkaar en voor zichzelven; zij werden tot een belichaamd weefsel en voor zichzelven; zij werden tot een beschaamd weefsel van teederheid en verlangen. Eerst fluisterden zij en toen zwegen zij geheel en naderden elkaar àl meer en staarden in elkaar’s door de maan verlichte, schemerige gezichten onder den oneindigen boog des hemels. En de stille donkere pijnboomen stonden om hen als wachters.
De weerklinkende schreden van den tijd werden tot stilte gebracht en het leek hen alsof het heelal onbeweeglijk om hen heen hing. Alleen de klop hunner harten was hoorbaar. Zij leken samen te leven in een wereld waar geen dood meer was, en dit was werkelijk zoo in hun gevoel. Het leek hen toe, dat zij peilden, en werkelijk peilden zij zulke verborgen heerlijkheden in het hart der dingen als nooit te voren door iemand bereikt was. Zelfs voor lage en kleine zielen is de liefde een openbaring van groote heerlijkheden. En dit waren reuzen-geliefden, die van het Voedsel der Goden gegeten hadden...
Stel u de zich steeds méér verspreidende schrik in deze goed-geordende wereld voor, toen het bekend werd dat Hare Doorluchtigheid de Prinses, die koninklijk bloed in de aderen had en die verloofd was met den Prins! samenkwam,—dikwijls samenkwam—met den overvoeden telg van een gewonen professor in de chemie, een schepsel zonder rang, zonder positie, zonder rijkdom, en met hem praatte alsof er geen Koningen en Prinsen waren, geen orde, geen eerbied—niets dan Reuzen en Dwergen op aarde. Zij praatte met hem en men was er maar al te zeker van, dat zij hem als haar minnaar beschouwde.
„Als de krantenlui er de lucht van krijgen!” zei Sir Arthur Poedel Laarslik...
„Ik heb hooren zeggen”—fluisterde de oude bisschop van Frumps...
„Weer een nieuwtje boven,” zei de eerste lakei, terwijl hij hier en daar knabbelde aan dessert-dingen. „Voor zoover ik er uit wijs kon worden, is die reuzen Prinses—”
„Men zegt—” zei de juffrouw die den winkel in kantoor- en schrijfbehoeften bij den hoofdingang van het paleis hield, en bij wie de kleine Amerikanen hun kaartjes nemen voor de Statie-Vertrekken...
En vervolgens:
„Wij kunnen uit goede bron tegenspreken—” zei „Picaroon,” in „Het Babbeltje.”
En aldus kwam het geheele geval uit en ontstond al de last voor de twee minnenden.
IV.
„Ze zeggen, dat wij scheiden moeten,” zei de Prinses tot haar geliefde.
„Maar waarom?” riep hij uit. „Wat hebben die kleine wezens zich nu weêr voor zotternij in het hoofd gehaald?”
„Weet je wel,” vroeg zij, „dat mij liefhebben hoogverraad is?”
„Lief,” riep hij uit, „wat komt het er alles op aan? Wat kan ons hun recht—recht zonder een zweem van redelijkheid—en hun hoogverraad en hun trouw aan den koning schelen?”
„Dat zal ik je vertellen,” zeide zij, en vertelde hem van al wat men tot haar gezegd had.
„Zoo’n typisch klein mannetje als er toch op me af kwam, met een zachte, prachtig gemoduleerde stem, een gladjes daarheenloopend heertje, dat zijdelings de kamer in kwam, net als een kat, en dat zijn mooie witte handje zóó opstak, telkens als hij iets gewichtigs te zeggen had. Hij is kaal, maar natuurlijk niet heelemaal, en zijn neus en gezicht zijn klein en rozig als van een bazuinengeltje, en zijn baard is allerliefst in een punt geknipt. Hij deed verscheidene malen alsof hij erg onder den indruk was, en liet zijn oogen schitteren. Weet je, hij is een warm aanhanger van de koninklijke familie hier, en hij noemde mij zijn „waarde jonge dame,” en was van het begin af erg deelnemend. „M’n waarde jonge dame, u móógt zoo niet voortgaan,” zei hij verscheidene malen en vervolgens: „u hebt plichten.”
„Waar vormen ze toch zulke mannetjes?”
„O, hij mag zoo iets juist wel,” zeide zij.
„Maar ik begrijp niet—”
„Hij zei heel ernstige dingen tegen me.”
„Je gelooft toch niet, dat er iets zit in wat hij zei?” zei hij, zich plotseling tot haar wendend.
„Zéker zit er iets in,” zeide zij.
„Je meent dat—?”
„Ik meen, dat, zonder dat we ’t zelf wisten, wij op de heiligste concepties van dit kleine volkje hebben getreden. Wij, die koninklijk bloed in onze aderen hebben, zijn een op zichzelfstaande klasse. Wij zijn gevangenen die aangebeden worden, speelgoed om in processies medegevoerd te worden. Wij betalen voor deze hulde met het verlies van—onze vrijheid. En ik had dien prins moeten huwen—Maar van hèm weet je niets. Nu, ’t is een dwerg Prinsje. Hij is niet van ’t minste belang... Het schijnt, dat het den band tusschen mijn land en een ander hechter gemaakt zou hebben. En ook dìt zou er voordeel van gehad hebben. Stel je es voor!—de band hechter maken!”
„En wat nu?”
„Zij wenschen, dat ik in dezelfde verhouding tot hem blijf staan alsof er niets tusschen òns bestond.”
„Niets tusschen ons!”
„Ja, maar dat is nog niet alles. Hij zei—”
„Je specialiteit in takt?”
„Ja. Hij zei, dat het beter voor jou en beter voor alle reuzen zou zijn als wij tweeën—ons onthielden van met elkaar te spreken. Zóó zei hij het.”
„Maar wat willen ze dan doen, gesteld dat we eens doen wat zij verlangen?”
„Hij zei, dat jij je vrijheid dan zou kunnen krijgen.”
„Ik!”
„Hij zei, met nadruk, „m’n waarde jonge dame, het zou heusch beter zijn, het zou waardiger zijn, als ge uit eigen vrijen wil van elkaar scheiddet.” Dat zei hij, en legde den nadruk op „uit vrijen wil.”
„Maar—! Maar wat hebben deze ellendige kleine peuters er eigenlijk mee te maken, waar en hoe wij elkaar liefhebben! Wat hebben zij en hun heele wereldje met ons uit te staan?”
„Zij denken er anders over.”
„Natuurlijk,” zei hij, „geef je niets om wat zij zeggen.”
„Het lijkt me wel héél dwaas toe.”
„Dat hunne wetten ons willen binden! Dat wij, in de eerste lente van ons leven, ons ons geluk zouden laten ontnemen door hun oude engagementen en hun redelooze oude instellingen. O—! Maar wij zullen er ons niet aan storen.”
„Ik ben de jouwe. In zooverre heb je gelijk, ja.”
„In zooverre? Is dat dan niet alles?”
„Maar ze—Als ze ons nu eens willen scheiden—”
„Wat zouden ze kunnen beginnen?”
„Ik weet het niet. Wat kùnnen ze doen?”
„Wie geeft er wat om wat zij kunnen doen, of wat ze zùllen doen. Ik behoor jou en jij mij. Verder is er niets. Ik ben de jouwe en jij de mijne voor eeuwig. Denk je, dat ik je zou laten varen om hun kleine wetjes, en hun kleine verbodjes, en hun roode waarschuwingsbordjes, jawel!—en van jòu wegblijven?”
„Ja. Maar toch, wat kunnen ze ons doen?”
„Je bedoelt”, zeide hij, „wat wij moeten doen?”
„Ja.”
„Wij? wij gaan onzen gang.”
„Maar als ze ons dat nu eens willen beletten?”
Hij balde de vuisten. Hij keek om zich heen alsof de kleine menschjes er reeds aankwamen om het hem te beletten. Toen wendde hij zich van haar af en staarde in de verte. „Ja,” zei hij, „je hadt gelijk met te vragen „wat kunnen ze doen?””
„Hier in dit kleine landje,” zeide zij, en zweeg toen.
Hij scheen alles te overzien. „Ze zijn overal.”
„Maar we konden—”
„Waarheen?”
„We zouden heen kunnen gaan. We zouden samen de zeeën kunnen overzwemmen. Aan de overzijde—”
„Ik ben nooit aan de andere zijde van de zee geweest.”
„Daar zijn groote, eenzame bergen, waartusschen wij niet meer zouden lijken dan kleine menschjes, daar zijn afgelegen en verlaten valleien, nog onbekende meren en met sneeuw bedekte hooglanden, nog niet betreden door een menschenvoet.”
„Daar—”
„Doch om daar te komen, moeten wij ons iederen dag door millioenen en millioenen menschen heen vechten.”
„Het is onze eenige hoop. In dit dichtbevolkte land is geen toevluchtsoord voor ons. Waar zouden wij moeten wonen temidden van al deze millioenen? Zij die zoo klein zijn, kunnen zich voor elkaar verbergen, doch waar moeten wij ons verschuilen? Er is geen plaats waar wij zouden kunnen eten, geen plek om te slapen. Als we vluchtten—zouden zij dag en nacht onze schreden volgen.”
Toen viel hem iets in.
„Er is één plaats,” zei hij, „zelfs op dit eiland.”
„Waar?”
„De plaats die onze Broeders ginds gemaakt hebben. Zij hebben groote aarden wallen om hun huis opgeworpen, aan noord- en zuid-, oost- en westkant; zij hebben diepe groeven en verborgen plaatsen, en straks nog—kwam er een bij mij. Hij zei—ik luisterde niet aandachtig naar wat hij zei. Maar hij sprak van wapenen. Mogelijk—dat we daar een schuilplaats zouden vinden...”
Na lang gezwegen te hebben, zei hij: „ik heb onze Broeders in verscheidene dagen niet gezien... Liefste! ik heb gedroomd, en heb alles om me heen vergeten! De dagen zijn voorbijgegaan en ik heb niets gedaan dan uitgekeken naar het oogenblik, dat ik je weer zou zien... Ik moet met hen gaan spreken en hen van jou vertellen en van al de dingen die ons boven het hoofd hangen. Als zij ons helpen willen, kunnen zij ons helpen. Dàn zou er hoop voor ons zijn. Ik weet niet hoe sterk hun plaats is, maar zonder twijfel zal Cossar haar erg versterkt hebben. Hiervóór—vóór jij mij ontmoette, herinner ik me, dat er ook al onheil broedde. Toen was er eens een verkiezing—dat is als de kleine menschen de zaken opknappen door het aantal hoofden te tellen. Maar die verkiezing moet nu al voorbij zijn. Toen werden er bedreigingen geuit tegen ons geheele ras—dat wil zeggen, tegen ons geheele ras, behalve jou. Ik moet met onze Broeders gaan spreken. Ik moet ze vertellen van al wat er tusschen ons is voorgevallen, en van alles dat ons nu bedreigt.”
De volgende maal dat zij elkaar zouden ontmoeten, moest zij eenigen tijd wachten vóór hij kwam. Zij zouden dien dag tegen twaalf uur bij elkaar komen in een gedeelte van het park dat in een bocht langs de rivier liep, en terwijl zij zuidwaarts uitkeek, haar hand boven de oogen houdend, viel het haar op dat alles heel stil was, ja, dat de stilte drukkend was. En toen bemerkte zij, dat niettegenstaande het reeds zoo laat was, haar gewoon gevolg van vrijwillige spionnen niet tegenwoordig was. Rechts en links, waar zij ook keek, was niemand te zien, en er was geen enkele boot in de zilveren bocht der Theems. Zij trachtte voor deze vreemde stilte om haar een verklaring te vinden...
En toen zag zij tot haar blijdschap, den jongen Redwood aankomen, boven een open plek uit, tusschen de boomen die haar het uitzicht belemmerden.
Een oogenblik onttrokken de boomen hem aan haar gezicht en toen zag zij hem er zich weder doorheen breken. Zij zag wel, dat er iets ongewoons had plaats gegrepen, en toen zag zij, dat hij harder liep dan anders en dat hij hinkte. Hij wenkte haar en zij liep naar hem toe. Zijn gezicht werd nu duidelijker zichtbaar, en zij zag met bezorgdheid, dat zijn gelaat bij iedere schrede pijnlijk vertrok.
Zij snelde naar hem toe, met het hoofd vol vragen en onbestemden angst. Hij bereikte haar en hijgde zonder haar eerst te groeten:
„Moeten wij scheiden?”
„Neen,” antwoordde zij. „Waarom? Wat is er?”
„Maar als we niet van elkaar gaan—! Het ìs al zoover.”
„Wat is er dan?”
„Ik wil niet van je scheiden,” zei hij. „Maar—”
Hij zweeg plotseling en vroeg een oogenblik later: „dus je wilt niet van mij scheiden?”
Zij keek hem met vasten blik in de oogen. „Wat is er gebeurd?” drong zij aan.
„Ook niet voor een tijd?”
„Wat voor een tijd?”
„Voor jaren misschien.”
„Scheiden! Neen!”
„Heb je alles goed gewikt en gewogen?” hield hij aan.
„Ik wil niet scheiden.” Zij vatte zijn hand. „Al moest ik nu op dìt oogenblik sterven, zou ik je niet laten gaan.”
„Al moest je op dit oogenblik sterven,” zei hij, en zij voelde, dat zijn vingers haar hand omknelden.
Hij keek om zich heen alsof hij vreesde de kleine menschen al te zien aankomen terwijl hij nog sprak. En toen: „het is heel wel mogelijk, dat het ons het leven kost.”
„Vertel mij nu wat er gebeurd is,” zeide zij.
„Zij probeerden mijn gaan hierheen te belemmeren.”
„Hoe?”
„En toen ik uit mijn werkplaats kwam, waar ik het Godenvoedsel voor de Cossars maak, om in voorraad te houden in hun kamp, zag ik een klein inspecteurtje van politie—een man in het blauw gekleed, met schoone witte handschoenen aan—die mij wenkte stil te staan. „Deze weg is voor u afgesloten!” zei hij. Dit was geen bezwaar voor mij; ik liep om mijn werkplaats heen naar een anderen weg die westwaarts loopt, en daar stond er weer een. „Hier kunt u niet door!” zei hij en voegde erbij: „alle wegen zijn voor u afgesloten!”
„En toen?”
„Ik redeneerde wat met hem. „Dit zijn publieke wegen!” zei ik.
„Precies,” zei hij. „U maakt ze onbegaanbaar voor het publiek.”
„Heel goed,” zei ik, „dan zal ik de landen overgaan,” en toen sprongen er nog anderen op van achter heggen en zeiden „deze akkers zijn privaat eigendom.”
„Loop naar den duivel met je publiek en je privaat eigendom,” zei ik, „ik ga naar mijn Prinses,” en ik bukte me en nam er een heel voorzichtig op—hij schopte en schreeuwde erg—en zette hem uit den weg. In een oogwenk leken de velden om mij te leven van hardloopende mannen. Ik zag er een te paard naast mij voort hollen, die iets voorlas onder het rijden—of liever, hij schreeuwde het. Hij hield op, wendde zijn paard om, en galoppeerde weg—met gebogen hoofd. Ik begreep er niets van. En toen hoorde ik achter mij het knallen van geweren.”
„Geweren!”
„Geweren—net alsof zij op ratten schoten. De kogels floten door de lucht met een geluid alsof er iets scheurde: een stak me in het been.”
„En wat deed jij?”
„Ik liep door naar jou, en liet hen achter, schreeuwend en rennend en op me schietend.”
„Nu?”
„Dit is slechts een begin. Zij zijn vastbesloten ons te scheiden. Zelfs op dit oogenblik achtervolgen ze mij. Wij willen niet scheiden.”
„Neen. Maar als we niet scheiden willen—dan moet je met me mee naar de Broeders.”
„Welken kant?” zeide zij.
„Naar het oosten. Van gindschen kant zullen mijne vervolgers komen. Dus dit is de weg dien wij moeten volgen. Deze laan af. Laat mij voorgaan, zoodat als zij wachten—”
Hij deed een schrede voorwaarts, doch zij had zijn arm gevat.
„Neen,” riep zij uit. „Ik wil dicht bij je blijven, je vasthouden. Misschien dat ze, omdat ik van koninklijken bloede en dus heilig ben, dat ze niet zullen durven schieten. Als ik je vasthoud—God gave, dat we konden vluchten terwijl ik mijn armen om je heengeslagen hield! dan zouden ze misschien niet op je schieten—”
Zij hield zijn schouder vast, en vatte zijn hand terwijl zij nog sprak; zij drong zich dichter tegen hem aan. „Mogelijk dat ze dan niet op je schieten,” herhaalde zij, en met plotselinge teederheid nam hij haar in zijne armen en kuste haar op de wang. Zóó hield hij haar eenigen tijd vast.
„Zelfs al kost het ons den dood,” fluisterde zij.
Zij sloeg haar armen om zijn hals en hief haar gelaat tot het zijne.
„Liefste, kus mij nog eenmaal.”
Hij trok haar naar zich toe. Stilzwijgend kusten zij elkaar op de lippen, en hielden elkaar nog een oogenblik omklemd. En toen, terwijl zij voortdurend trachtte haar lichaam dicht bij het zijne te houden, gingen zij hand in hand op weg om te trachten het veilige kamp der zonen van Cossar te bereiken, vóór de hen achtervolgende menschjes hen achterhaalden.
En terwijl zij het gedeelte van het park achter het kasteel dóorstaken, kwamen er tusschen de boomen ruiters aan galoppeeren, die tevergeefs trachtten hun reuzenpassen bij te houden. En een oogenblik later zagen zij voor zich huizen en mannen, die met geweren de huizen kwamen uitloopen. Toen zij dit zag, deed zij hem omkeeren hoewel hij wilde doorgaan en strijd leveren, en sloegen zij af naar het zuiden.
Terwijl zij vluchtten vloog een kogel rakelings over hunne hoofden.
Geheel onbewust van den gang van zaken, niets wetend van de wetten die zich steeds nauwer samentrokken om al de Broederen, ja, zelfs niet wetend dat er een Broeder leefde op aarde, koos de jonge Caddles dezen tijd uit om uit zijn krijtgroeve te komen en de wereld te gaan zien. Door zijn somber gepeins kwam hij hièr eindelijk toe. Hij kreeg in Cheasing Eyebright geen antwoord op al zijn vragen; de nieuwe dominé was nòg minder verlicht dan de oude, en het raadsel van zijn doelloozen arbeid werd eindelijk zoo groot, dat hij het niet langer dragen kon. „Waarom moet ik hier dag in dag uit in deze groeve werken?” vroeg hij. „Waarom zou ik me binnen zekere grenzen houden, en zou ik al de wonderen van de wereld daarbuiten niet mogen zien? Wat heb ik gedaan, dat ik hiertoe veroordeeld ben?”
En op zekeren dag stond hij op, rekte zich uit, en zeide met luider stem: „Neen! ik doe ’t niet langer,” en toen verwenschte hij de groeve met kernachtige taal. En toen, daar hij niet rad van tong was, trachtte hij zijn gedachten in daden uit te drukken. Hij nam een lorrie, die half met krijt gevuld was en keilde hem met een smak tegen een anderen aan. Toen greep hij een heele rij leege lorries en gooide ze een glooiing af. Hij smeet er een reusachtig krijtblok tusschen dat aan stukken vloog, en brak toen met één krachtigen schop van zijn voet ongeveer twaalf rails op. Aldus begon hij op nauwgezette wijze de groeve te vernielen.
„’k Zou nog liever, dan hier al mijn dagen in te werken,” zei hij.
De kleine geoloog dien hij, in zijn abstractie, over het hoofd gezien had, beleefde een angstige vijf minuten. Nadat dit arme wezen ternauwernood twee rotsblokken ontweken was, vluchtte hij door den westelijken uitgang, den heuvel over, met zijn knapzak dansend op zijn rug en met glanzende beentjes die in een kuitbroek gestoken waren, en liet een spoor van krijtachtige echinodermata achter zich, terwijl de jonge Caddles, voldaan over de verwoesting die hij aangericht had, met groote passen naar buiten kwam om zijn fortuin in de wereld te gaan zoeken.
„Ik zou nog liever dan in die ouwe rot-groef te werken, tot ik doodga en rot en stink!” Wat voor ’n wurm dachten ze wel, dat in mijn reuzenlichaam huisde? Krijtgraven voor god weet wat een onzinnig doel. ’k Zou je danken!..
De richting van den weg, of van de spoorlijn misschien, deed hem den kant naar Londen opgaan, en daar kwam hij opaan stappen, over de Duinen, dwars over de weiden, in den heeten namiddag, tot groote verbazing van de wereld. Het had voor hem geen beteekenis, dat er aan iederen muur en schuur verscheurde roode en witte aanplakbiljetten fladderden, waarop verschillende namen te lezen waren.
Hij wist niets van de verkiezings-revolutie die Caterham, „Jack de Reuzendooder” plotseling op het kussen gebracht had. Het wilde voor hem niets zeggen, dat op elk aanplakbord aan elk politiebureau langs zijn weg, aangeplakt was wat bekend stond als Caterham’s ukase, proclameerend dat geen reus, of eenig ander persoon boven de acht voet, zich verder dan vijf mijlen buiten zijn „woonplaats” mocht begeven, zonder speciale vergunning. Het zei hem niets, dat achter hem aan constabels, die hem niet bij konden houden, en voor wien het een ware opluchting was dat ze dit niet konden, waarschuwende biljetten achter zijn verdwijnenden rug schudden. Hij wilde zien wat er in de wereld te zien was, de arme ongeloovige domme jongen, en hij was niet van plan zich te laten ophouden door lieden die nu en dan nijdig „ho” tegen hem schreeuwden. Hij liep voort door Rochester en Greenwich op een steeds compacter wordende huizenmassa toe; hij liep nu tamelijk langzaam, verbaasd om zich heen ziend, en met zijn geweldig houweel zwaaiend.
De Londenaars hadden tevoren al wel iets van hem gehoord, hoe hij een beetje idioot was, doch erg zachtzinnig, en wonderwel in toom gehouden door Lady Wondershoot’s rentmeester en den predikant; hoe hij op zijn suffe manier hoog tegen deze autoriteiten opzag en dankbaar was voor de zorg, die zij aan hem besteedden, en zoo voort. Zoodat, toen men dien middag op de plakkaten der nieuwsbladen1 las, dat ook hij het werk neergelegd had, het velen toeleek dat het een afgesproken zaak was. „Zij willen onze kracht op de proef stellen,” zeiden de passagiers in de treinen, die van hun kantoor naar huis gingen.
„’t Is maar goed dat we nu Caterham hebben.”
„Dat is het antwoord op zijn proclamatie.”
De lieden in de societeiten wisten er meer van. Zij verdrongen zich allen om het telegraaflint of praatten in groepen in hunne rookzalen.
„Hij is ongewapend. Als hij wist wat daar gaande was, zou hij naar Sevenoaks gaan.”
„Caterham zal wel weten hoe hij hem klein moet krijgen.”
De winkeliers vertelden het hun klanten. De kellners in restaurants braken er een oogenblik tusschen de schotels uit om een avondblad te lezen. De huurkoetsiers lazen het dadelijk na het wedren-nieuws ingekeken te hebben... Op de plakaten van het voornaamste regeeringsavondblad stond met vette letters te lezen van „De koe bij de horens vatten”—Anderen trachtten effect te bereiken met: „Reus Redwood gaat voort met de prinses te ontmoeten.” „De Echo” volgde een geheel eigen methode: „Berichten van Opstand onder de Reuzen in het Noorden van Engeland. De Sunderland Reuzen op weg naar Schotland.” De „Westminster Gazette” liet haar gewone waarschuwende klanken hooren.
„Reuzen, Laat af,” zei de „Westminster Gazette,” en trachtte uit het geval iets te halen, dat dienstig kon zijn om de Liberale Partij weder te vereenigen—waarin ten dien tijde vreeselijke scheuring ontstaan was door zeven intens-egoïstische leiders. In de latere bladen kwam meer eenheid. „De Reus op den New Kent Road,” luidde hun aankondiging.
„Ik wou wel es weten,” zei de bleeke jongeling in de theezaak, „waarom we niets hooren van de jonge Cossars. Je zoudt anders kunnen verwachten dat zij zich meer dan een van de anderen zouden roeren...”
„Ik heb hooren zeggen, dat er wéér een van die jonge reuzen op pad is,” zei de buffetjuffrouw, een glas afdrogend. „Ik heb altijd gezegd dat’t gevaarlijke kerels waren om zoo maar los te late’ loope’. ’k Heb ’t al dàdelijk gezegd.... Ze moesten d’r ’n stokje voor steke’. Ik ’oop maar, in elk geval, dat ie deze kant niet uitkomt.”
„Ik wou ’m anders wel es zien,” zei de jonge man voor het buffet snoeverig, en voegde erbij „’k heb de Prinses óók gezien.”
„Denk je dat ze ’m wat doen zulle’?” zei de buffetjuffrouw.
„Zulle’ misschien wel moete’,” zei de jonge man die voor den toonbank stond, zijn glas leegdrinkend.
En temidden van tien millioen dergelijke praatjes kwam de jonge Caddles naar Londen...
Ik denk aan den jongen Caddles altijd terug zooals men hem op den Nieuwen Kentschen weg zag, met de warme stralen der ondergaande zon op zijn verbaasd gezicht. De weg was overvol van omnibussen, trams, wagens, karren, trolleys, fietsers, auto’s en een menigte-in-verbazing—straatslijpers, vrouwen, kindermeisjes, winkelende vrouwen, kinderen, vermetele melkbaarden—die alle achter zijn moeilijk-bewegende voeten aankwamen. De schuttingen waren overal slordig van de verscheurde verkiezingsbiljetten. Een gekakel van stemmen rees en daalde om hem. Ge kunt u de klanten en winkeliers zich zien verdringen in de deuren, de gezichten die aan vensters verschenen en weder verdwenen, de kleine straatjongens hardloopend en schreeuwend, de politieagenten die het allen heel stijfjes en kalmpjes opnamen, de werklieden hun karwei neerleggend op de steigers en al de dooreenkrioelende mengelmoes van kleine menschjes. Zij schreeuwden hem toe, vage aanmoedigende woorden of nauw-verstaanbare beleedigingen, de stomme pakmoppen van den dag, en hij keek verbaasd op hen neer, naar zulk een menigte van levende wezens als hij zich nooit op aarde gedacht had.
Naarmate hij verder in Londen vorderde moest hij hoe langer hoe langzamer loopen, daar de kleine menschjes zich zoo om hem heen verdrongen. De menigte werd bij iedere schrede dichter en eindelijk, op den hoek waar twee drukke straten bij elkaar kwamen, stond hij stil, en de menigte vloeide als het ware om hem heen en sloot hem in.
Daar stond hij, met zijne voeten een eindje van elkaar, met zijn rug tegen een grooten hoogen kroeg die wel tweemaal zoo hoog was als hij, en in de lucht eindigde in een reclame bord. Hij staarde neer op de dwergen en verwonderde zich al meer—zonder twijfel trachtend dit alles in verband te brengen met de andere dingen van zijn leven, met de vallei tusschen de lage heuvellanden, de minnaars die hij bij avond betrapte, het zingen in de kerk, het krijt dat hij dagelijks afbikte, en met instinct, den dood en de lucht, trachtend den samenhang en beteekenis van dit alles te vinden. Hij stond daar met gefronste wenkbrauwen. Hij hief zijn enorme hand om er mede door zijn haar te varen, en kermde luid.
„Ik zie het niet”, zeide hij.
Men verstond zijn dialect niet. Een luid gekakel rees over de open ruimte—een gebabbel waartusschen de gongs der trams, die hardnekkig hun weg door de menigte bleven ploegen, uitklonken, zooals roode klaproozen tusschen het koren uitsteken. „Wat zei ie?” „Zei dat ie ’t niet begreep.” Hij zei „waar is de zee?” Hij zei „waar kan ik toch gaan zitten?” „Hij wil gaan zitten.” „Kan die idioot dan niet boven op een huis of iets dergelijks gaan zitten?”
„Wat is jelui doel, jelui kleine krioelende menschjes? Wat doen jelui toch allemaal, waar zijn jelui allemaal voor?”
„Waarom zijn jelui allemaal hier, terwijl ik krijt voor jelui hak in de krijtgroeven daar ginder?”—zijn eigenaardige stem, de stem die zoo nadeelig gewerkt had op de discipline van de school te Cheasing Eyebright, deed de menigte verstommen zoolang zij klonk, en deed hen eindelijk weder in luid tumult losbreken. De een of andere droogkomieke persoon brulde: „Spreken, spreken!” „Wat zegt hij?” werd er telkens en telkens weer gevraagd, en men begon te vertellen dat Caddles dronken was. „Hé, hé, hé,” brulden de omnibus-koetsiers die zich een weg baanden. Een dronken Amerikaansch matroos liep huilend rond en vroeg: „wat moet hij eigenlijk hebben?” Een voddenkoopman, met een leêrachtig gezicht, die op een karretje met een ponnie er voor zat, overstemde de menigte door zijn luidere stem. „Ga naar ’uis, pest van een reus!” brulde hij, „Ga naar ’uis! Jij verpest groot gevaarlijk ding! Zie je dan niet dat je de paarden an ’t schrikke maakt. Ga naar je land. ’Eeft niemand je gezeid wat er in de wet staat?”—En boven al dit rumoer stond de jonge Caddles verward, vol verwachting en niets meer zeggend.
Uit een zijstraat kwam een klein rijtje deftige politieagenten, en kronkelde zich handig door het gedrang; „doorloopen, asjeblieft.”
De jonge Caddles bemerkte dat er een klein donker blauw mannetje hem op zijn scheen stond te tikken. Hij keek naar beneden en zag twee witte gesticuleerende handen. „Wat?” zei hij, zich vooroverbuigend.
„Kunt hier niet blijven staan,” riep de inspecteur.
„Nee! Je kunt hier niet blijven staan,” herhaalde hij.
„Maar waar moet ik dan heen?”
„Terug naar je dorp. Je woonplaats. In ieder geval—je moet doorloopen. Je stremt het verkeer.”
„Wat voor verkeer?”
„Hier op den weg.”
„Maar waar leidt die dan heen? waar komt ie vandaan? wat beteekent dit toch allemaal? ze staan allemaal om me heen. Wat willen ze toch? wat gaan ze doen? Ik wil het weten. Ik heb genoeg van krijt bikken en alleen zijn. Wat doen zij voor mij terwijl ik krijt hak? Nu ik toch hier ben, zou ik graag hebben dat ’t me nù uitgelegd werd.”
„Ja hoor is, maar wij zijn hier niet om dergelijke dingen uit te leggen. Ik moet je verzoeken door te loopen.”
„Maar weet je ’t dan niet?”
„Doorloopen, áls je blieft...... Ik zou je raden om maar te maken dat je thuis komt. We hebben nog geen speciale instructies ontvangen—maar ’t is in ieder geval tegen de wet... Uit den weg daar, uit den weg.”
Het trottoir aan zijn linkerkant werd heerlijk leeg, en de jonge Caddles begaf zich langzaam op weg. Doch nu raakte zijn tong los.
„Ik begrijp het niet,” mompelde hij. „Ik begrijp het niet.”
Hij sprak nu en dan de menigte, die steeds naast en achter hem voortging, met gebroken stem aan. „Ik wist niet dat er zulke plaatsen als deze waren. Wat doen jelui toch allemaal voor de kost? waar is dit allemaal voor? Waar is dit toch allemaal voor en wat is mijn rol hierin?”
Hij had reeds een nieuwe mop doen geboren worden. Jonge mannen, vol geestigheid en boertigen luim, spraken elkander op de volgende wijzen aan: „Hello, ’Arry, O’cock, waar is dit allemaal voor? Hè? Waar dient dit allemaal voor?” waarop een concurreerende varieteit van snedige antwoorden gegeven werd, voor het meerendeel onbeleefd. Het meest populaire en best geschikte voor algemeen gebruik schijnt geweest te zijn „Hou je smoel,” of een verachtelijk eruitgegooid: „Stik!”
Maar er waren ook nog andere die bijna even populair waren.
Wat zocht hij toch? Hij verlangde iets dat de dwergen-wereld hem niet gaf, een doel, dat de dwergen-wereld hem belette te bereiken, dat zij hem zelfs belette duidelijk te zien, en dat hij nooit helder zou zien. Dit was het haken van het eenzame stomme monster naar gezelligheid, naar zijn ras, naar de dingen die aan hem verwant waren, naar iets dat hij zou liefhebben en iets dat hij kon dienen, naar een doel dat hij kon begrijpen, en een bevel dat hij kon gehoorzamen. En ge weet dat dit alles in hem „stom” was en met stomme woede in hem kookte, en dat hij het, zelfs al had hij een broeder-reus ontmoet, niet in woorden had kunnen uitdrukken. Het eenige wat hij van het leven kende was de eentonige kringloop van het dorpsbestaan, de eenige taal die hij kende waren de onbelangrijke praatjes van het boerderijtje, die zelfs zijn minst reusachtige behoefte onbevredigd lieten. Deze reusachtige eenvoudige jongen kende geen geld, wist niets af van handel, niets van de ingewikkelde voorwendsels waarop het maatschappelijke gebouw der kleine menschjes gebouwd was. Hij had behoefte aan...... Hij had behoefte aan......
Maar waar hij ook behoefte aan had, het werd nooit bevredigd.
Dien geheelen dag en den zomeravond die er op volgde, dwaalde hij rond, hongerig wordend, doch tot dàn toe nog onvermoeid, het verkeer, dat verschilde naar het karakter der straten, gadeslaand, de niet na te gane affairetjes van al die ontelbare wezens. Het geheel droeg een zeer verwarrend karakter voor hem......
Ik heb hooren vertellen dat hij in Kensington een dame uit haar rijtuig nam, een dame in zeer chic avond-toilet, dat hij haar nauwkeurig bekeek, haar sleep en schouderbladen en dat hij haar er toen weder—een beetje achteloos—inzette met een diepen zucht. Doch voor de waarheid hiervan kan ik niet instaan. Een uur lang stond hij te kijken naar de menschen die vochten om plaatsen in de omnibussen aan het einde van Picadilly. Men zag hem des middags een paar minuten lang als een toren op Kennington Oval2 staan, doch toen hij zag dat deze opeengepakte duizenden verdiept waren in de mysteriën van het cricket-spel en niet op hem letten, ging hij weder stenend heen.
Hij kwam weder in Picadilly Circus tusschen elf en twaalf uur des nachts en vond daar nu een geheel ander soort van menigte. Blijkbaar keken allen scherp om zich heen: vol van de dingen die zij, hij begreep niet waarom, wilden doen en van andere dingen die zij niet konden doen. Zij keken naar hem op en jouwden hem uit en gingen door. De huurkoetsiers, met hun gierenoogen, volgden elkaar in één lange rij, langs den rand van het krioelende trottoir. Er kwamen lieden uit de restaurants of traden ze binnen, ernstig, vol aandacht, vol waardigheid of lichtelijk en aangenaam opgewonden of waakzaam en scherp om zich heen kijkend—gladder dan de gladste kellner die hen wilde afzetten. Terwijl de kolossus daar op zijn hoek stond, keek hij op dit alles neer. „Wat is toch het doel van dit alles?” mompelde hij zacht en klagelijk. „Wat is toch het doel van dit alles? Zij zijn allemaal zoo ernstig. Wat is er dan dat ik niet begrijp?”
En geen van die allen scheen te zien, zooals hij dit doen kon, de dronken ellende der geblankette vrouwen op den hoek, die in lompen gehulde ellende, die langs de goten voortsloop, de oneindige beuzelachtigheid van al dit gedoe. De oneindige nietigheid! Geen van die allen scheen ook maar in de verte de behoefte van dezen reus te begrijpen, de schaduw der toekomst te zien, die over hun pad viel......
Aan den overkant gloeiden hoog in de lucht de geheimzinnige letters op en verdwenen weder. Zoo hij ze had kunnen lezen, zouden ze hem een denkbeeld hebben kunnen geven van de afmetingen der menschelijke belangen, zouden zij hem hebben kunnen vertellen van de fundamenteele behoeften en van de dingen des levens, zooals de kleine menschjes dit tenminste opvatten. Eerst kwam er een gloeiende T.
Toen volgde er een U.
T U.
Toen P.
T U P.
Totdat er eindelijk in zijn geheel tegen de lucht de blijde mare te lezen stond voor allen die den last van ’s levens ernst voelden:
TUPPER’s VERSTERKENDE WIJN TOT
HERSTEL VAN KRACHTEN.
Klik! en het was weder verdwenen in het duister, om op dezelfde langzame wijze gevolgd te worden door een tweede algemeene behoefte:
SCHOONHEID’s ZEEP.
Let wel, het was geen gewone zeep om schoon te maken, maar iets, wat men noemt „ideaal”; en vervolgens om den drievoet van het kleine leventje volledig te maken:
YANKER’s GELE PILLEN.
Hierna zat er niets anders op dan dat Tupper weder zou verschijnen, in gloeiende purperen letters; klik, klik, schoten ze over het duister:
T U P P............
Kort na middernacht schijnt de jonge Caddles aan de lommerrijke rust van het Regent’s Park gekomen te zijn; hij moet over het hek gestapt zijn en zich neergelegd hebben over een met gras begroeide helling dicht bij de plaats waar men ’s winters schaatst en daar sliep hij een uur lang. Tegen zes uur in den morgen zag men hem praten tegen een beslijkte vrouw, die hij slapende gevonden had in een greppel bij Hampstead Heath, en hij vroeg haar zeer ernstig waar zij voor dacht op de wereld te zijn......
Het omdwalen van Caddles door Londen liep den tweeden dag in den morgen plotseling ten einde. Want toen werd zijn honger hem de baas. Hij bleef aarzelend staan bij een kar waarin warme, lekker riekende brooden gegooid werden, en toen knielde hij snel neder en begon te rooven. Hij ledigde de kar terwijl de bakkersknecht de politie ging halen en toen kwam zijn groote hand den winkel binnen en veegde den toonbank en de kisten ledig. Toen ging hij met een armvol brooden, al etend heen, uitziend naar een tweeden winkel om zijn maal voort te zetten.
Toevallig was het een tijd, waarin het werk schaars en het voedsel duur was, en in dat stadsgedeelte sympathiseerde de menigte zelfs met een reus, al nam hij ook het voedsel dat zij begeerden. Zij juichten hem toe toen hij aan het tweede gedeelte van zijn maal begon, en lachten om zijn domme gebaar tegen den politie-agent.
„Ik had honger”, zeide hij, met zijn mond vol.
„Brayvo!” riep de menigte. „Goed soo!”
Toen hij nu aan een derden bakkerswinkel beginnen wilde, werd hij tegengehouden door een half dozijn politie-agenten die zijne schenen met wapenstokken bewerkten. „Kijk es hier, reusje, jij gaat met mij mee”, zeide de hoofdagent. „Je mâg zoover niet van huis. En nou ga je met mijn mee naar huis!” Zij deden hun uiterste best hem te arresteeren. Men had toen nog geen plan hem te dooden. „Hij heeft niets met het complot te maken,” had Caterham gezegd. „Ik wil mijn handen niet met onschuldig bloed bezoedelen.” En hij voegde erbij:—„vóór we alles beproefd hebben.”
Eerst begreep Caddles niet wat deze attenties te beduiden hadden. Toèn hij het begreep, zei hij den agenten zich niet als zotten aan te stellen, en ging er van door met groote passen, en liet hen allen achter zich. De bakkerswinkels bevonden zich in Harrow Road en hij liep dwars door Londen naar St. John’s Wood en ging daar in een privaten tuin zitten om zijn tanden te stoken, en hier werd hij zeer spoedig weder aangevallen door een nieuwen troep agenten.
„La’ me met rust, hoor,” gromde hij, en liep log door de tuinen—bedierf verscheidene gazons en trapte een paar schuttingen omver, terwijl de rappe politie-agentjes hem volgden, enkelen door de tuinen, anderen langs den weg aan den voorkant der huizen. Er waren er hier ook een paar met geweren, doch zij maakten er geen gebruik van. Toen hij in den Edgeware-Road uitkwam, was er een andere stemming onder de menigte, en een bereden agent reed over zijn voet. Het gevolg was dat het mannetje omver werd gekijld voor zijn dienstijver.
„La’ me met rust,” zei Caddles, zich naar de ademlooze menigte keerend. „Ik heb je niks in den weg gelegd.”
Hij was toen ongewapend, want hij had zijn krijthouweel in Regent’s Park achtergelaten. Doch de arme drommel schijnt nu gevoeld te hebben dat hij een wapen noodig had. Hij liep terug naar het Goederen-emplacement der Great Western Spoorweg-Maatschappij, rukte den paal van een groot booglicht uit den grond, die een geweldigen knots in zijn hand vormde, en schouderde hem. En toen hij bevond dat de politie hem nog maar steeds bleef nazetten en kwellen, liep hij terug, door den Edgware Road, naar Cricklewood, en ging droevig gestemd noordwaarts.
Hij zwierf tot bij Waltham en keerde zich toen weder westwaarts, en zoo weder naar Londen en langs de begraafplaatsen en over den heuvel bij Highgate. En zoo kwam hij tegen den middag weder in het gezicht der enorme stad. Hij ging aan den kant van den weg in een tuin zitten met zijn rug tegen een huis aan, dat op Londen uitzag. Hij was buiten adem en zijn gelaat stond dreigend, en nu verdrongen de menschen zich niet langer om hem zooals de eerste maal, toen hij in Londen kwam, doch loerden naar hem vanuit een tuin daarnaast, en gluurden vanuit veilige schuilplaatsen. Men wist nu dat de zaak er ernstiger uitzag dan men eerst gedacht had.
„Waarom kunnen ze me niet met rust laten?” gromde de jonge Caddles. „Ik moèt eten. Waarom late’ ze me niet met rust?”
Hij zat daar met een gezicht, dat steeds donkerder werd, bijtend op zijn knokkels en op Londen neerziend. Al de vermoeidheid, de kwelling, de verwarring en de onmachtige woede die hij op zijne zwerftochten gevoeld had, bereikten nu hun toppunt. „Wat willen ze toch?” fluisterde hij. „Wat willen ze toch? En ze willen me niet met rust laten.” En telkens herhaalde hij weder bij zich zelven: „wat willen ze toch?”
„Bah, dat kleine volkje!”
Hij beet harder op zijn vingers en zijn gezicht werd nog dreigender. „Krijt voor hen bikken,” fluisterde hij. „En de heele wereld hoort an ze! Ik heb nergens deel aan—nergens.”
Plotseling zag hij met een aanval van weëe woede de hem nu reeds zoo goed bekende gestalte van een agent schrijlings op den tuinmuur zitten.
„La’ me met rust,” gromde de reus. „La’ me met rust.”
„Ik moet m’n plicht doen,” zei het agentje, met een bleek, doch vastbesloten gezicht.
„La’ me met rust, hoor! Ik moet net zoo goed leven as jij ook. Ik moet denken. Ik moet eten. La’ me met rust!”
„De wet is eenmaal niet anders,” zei het agentje, blijvend waar hij was. „Wij hebben de wet niet gemaakt.”
„Ik ook niet,” zei de jonge Caddles. „Jelui kleine menschjes hebben dat allemaal gemaakt vóór ik geboren werd. Jelui met je wet! Wat ik mag doen en wat niet! Geen eten voor me of ik moet er voor werken als een slaaf, geen rust, geen onderkomen, niks, en jij zoudt me willen vertellen—”
„Daar heb ik allemaal niks mee te maken,” zei de agent. „Ik kan daar niet over praten. ’t Eenige wat ik te doen heb, is de wet te voltrekken.” En hij stak zijn tweede been over den muur en scheen van plan te zijn naar beneden te komen. Achter hem werden nog meer agenten zichtbaar.
„Denk erom—tegen jou heb ik niks,” zei de jonge Caddles, zijn reusachtige knots omknellend, met bleek gelaat, en een slappen vinger naar den agent uitstekend. „Tegen jou heb ik niks, maar dit zeg ik je, je láát me met rust.”
De agent trachtte kalm te doen, alsof er niets buitengewoons voorviel, terwijl hij de reusachtige tragedie toch voor zijne oogen had. „Geef mij de proclamatie,” zei hij tot een ander die onzichtbaar was, en een klein wit papier werd hem aangegeven.
„La’ me met rust,” zei Caddles, dreigend naar hem kijkend, en zijn spieren spanden zich.
„Dit papier wil zooveel zeggen als „ga naar ’uis,” zei de agent, vóór hij begon te lezen. „Ga naar ’uis naar je krijtgroef. En als je dat niet wil, dan zul je d’r de last van motte drage!”
Caddles gromde iets onverstaanbaars.
En toen de proclamatie hem voorgelezen was, gaf de agent een teeken. Vier mannen met geweren werden nu zichtbaar en stelden zich met voorgewende kalmte op langs den muur. Ze droegen den uniform der ratten-politie. Toen hij de geweren zag, werd de jonge Caddles plotseling woedend. Hij herinnerde zich de pijnlijke steken die de geweren der Wreckstone boeren hem veroorzaakt hadden. „Wil je die op me afschieten?” zei hij, ernaar wijzend, en het leek den agent, dat hij bang was.
„Als je niet naar je groef terugwilt—”
Het volgend oogenblik had de agent zich laten terugglijden van den muur en van zestig voet boven hem kwam de electrische-booglamp-paal neerschieten met doodelijke juistheid. Pang, pang, pang, knalden de zware geweren, en krak! de versplinterde muur, de grond, en de ondergrond van den tuin vloog in het rond. Er kwam iets meevliegen dat roode droppels op de handen van een der schutters achterliet. De schutters zochten, zich bukkend, een goed heenkomen en keerden zich dapper om, om nogmaals te vuren. Doch Caddles, die reeds tweemaal door het lichaam geschoten was, had zich met een ruk omgekeerd om te zien wie hem zoo ernstig in den rug geraakt had. Pang, pang! Hij zag huizen en serres en tuinen om zich heen draaien, en menschen die zich verschrikt van de ramen terugtrokken, alles draaide en wankelde geheimzinnig en vreeselijk om hem heen. Hij deed drie wankelende schreden voorwaarts, hief zijn reusachtige knods op, liet hem toen vallen, en drukte zijn hand tegen de borst. De pijn stak hem en deed hem ineenkrimpen. Wat was dat, dat daar zoo warm en kleverig op zijn hand lekte?...
Een man die uit een slaapkamerraam gluurde, zag zijn gezicht, zag hem neerkijken, met weenende verslagenheid, toen hij het bloed op zijn hand zag en toen knikten zijne knieën onder hem en hij viel met een smak ter aarde, de eerste der reuzen-netels die in Caterham’s vastbesloten klauwen terechtkwamen, en de allerlaatste die hij gedacht had dat in zijn handen zou vallen.