Zouden wij niet verstaan, zoo onze uitleggers dit woord Latro niet uit de oudheidkunde opgehelderd, en aldus omschreeven hadden; Homo cujus crimen erat aliquid a viatoribus, absque eorum voluntate, vi sumere.(18) Op deze wijze kunnen wij ons nog eenig denkbeeld van deze bij ons onbekende zaak maaken.
Ik. Maar heb ik u niet van schoolen hooren spreeken? O, geleid mij toch ook eens in deze uwe Leerplaatsen der jeugd en des ouderdoms.
Geleider. Ik zal gaarne, zodra wij den Kunstkenner verlaaten; maar zie daar zijn wooning reeds.
Wij gingen, zonder door eenige afsluiting belet te worden, in dit weder zeer eenvouwig en hutsgewijze ingerichte verblijf des Kunstkenners binnen, en vernamen daar van zijn vrouw, dat hij zo even op 't land gegaan was, om te melken; maar zij verzocht ons echter allervriendelijkst, zo lang te willen vertoeven, tot heur man terug gekomen zoude zijn; tevens zeggende, dat zij ons terstond eenige spijs zoude voorzetten; want dat zij begreep, dat wij nog geen middagmaal gedaan hadden; ik stond verzet over de groote gastvrijheid en vriendelijkheid dezer vrouwe, en wilde dankzeggen; maar dit was reeds te laat, wijl zij bereids met een schotel versche melk, boter, brood, kaas, en eenige vruchten aan kwam draagen; wij gebruikten ook daadelijk iets daarvan, althands in mijne mijmerende verrukking, meende ik 'er iets van te smaaken; en juist dit onthaal gaf mij gelegenheid, om de frisheid en zindelijkheid dezer spijze te roemen, zeggende dat ik geloofde dat het vleesch dier beesten, welke zo een zoete melk gaven, mede niet onsmaakelijk zoude zijn?
De Vrouw. Vleesch van leevendige beesten, Vriend!
Ik. Neen, goede vrouw! van doode? slagt men hier dan geen vee?
Mijn Geleidsman hielp mij spoedig uit den droom; zeggende: neen vriend! niemand zou thands eenig beest willen dooden, veel minder het vleesch der dieren eeten. Wij dooden geene andere dieren, dan die ons beschadigen; doch derzelver aart is, door eene meer gezellige bijwooning, aanmerkelijk minder wild geworden, en zo veel als in een tam ras ontaart; zo hebben wij thands, in Africa bijvoorbeeld, Leeuwkatten, welke de gestalte van een' Leeuw hebben, en echter voor huisdieren gebruikt en door den mensch tot huisselijke diensten gebezigd worden.
Wij dooden alleen alsdan het tamme vee, wanneer hetzelve zodanig toeneemt, dat het toch geen bekwaam voedsel zoude kunnen aantreffen; dat toch zeldzaam voorvalt, alzo de jaarlijksche overstroomingen veel vee weg neemen; echter wij eeten die, uit noodzaaklijkheid gedoode, dieren niet; daar voor zouden wij een' afschuw hebben.
Ik. Maar, waar blijft dan toch al dat vee van schaapen, verkens, ossen, koeijen en veele andere leevende schepselen die men tot voedsel pleeg te gebruiken.
Geleider. Daarvan zijn ten deele veele soorten, althands die welke ons geen nut kunnen doen, geheel onder ons vergeeten, en wat de kudden van tam vee betreft, daar weeten wij, geduurende hun leven, schoonen dienst van te trekken, en gebruiken hunne vellen, als zij gestorven zijn, tot kleeding.
De Vrouw. Heden ja, zouden wij die goede beesten vermoorden, en dan nog verslinden; wel foei! zij doen ons immers geen leed, en wat hebben zij toch dierbaarer dan hun leven, dit immers hebben wij hun niet gegeeven; zouden wij hen dat ontneemen!
Ik. Goede vrouw, gij spreekt met veel reden; egter in mijn land begrijpt men deze zaak nog geheel anders; de overoude gewoonte heeft aldaar het slagten en eeten van dieren zo gewoon doen worden, dat de tederste en medelijdendste menschen het vleesch van hunne vermoorde medeschepselen tot een smaaklijk voedsel bezigen: juist niet uit een beginsel van wreedheid; maar uit een voortgeplant begrip dat alle schepselen om des menschen wille, hun aanzijn bekomen, en dat de redenlooze dieren geen gevoel van hun bestaan hebben.—
Geduurende dit ons gesprek, kwam de man binnen, en verwelkomde mij in zijne wooning, mij met de inneemendste vriendelijkheid betuigende, dat het hem leed deede een' reiziger zo lang naar zijn komst te hebben moeten ophouden; allereenvouwigst was zijn kleeding; de beenen en het hoofd bloot, en een schapenvel om de leden geslagen, en om den midden toegegord. Hoe zeer mij het voorkomen van dien Kunstkenner ook verwonderde, konde ik echter niet naalaaten eene gunstige vooringenoomenheid ten opzichte van zijne kennis voor hem te gevoelen, daar zijn leevendig en doordringend uitzicht mij de vlugheid van zijnen geest, ondanks zijne geheel eenvouwige kleeding, verraade. Ik begon dan aldus mijn gesprek: goede vriend, ik heb van mijn' Leidsman vernoomen, dat ge een groot liefhebber der schoone kunsten en weetenschappen zijt en ook veele liefhebberijen van dien aart bezit; zoude 't u ook beletten als ik mij daarover een poosjen met u onderhielde? Mijne liefhebberij is mede, bij uitzondering, op de æsthetica gevallen; zo dat ik wel eenige bijzonderheeden daarover wenschte te verneemen, te weeten: hoedanig dezelve in dit land waar in ik zo veele en groote verscheidenheid met de zeden mijnes lands bespeure, beoefend wordt? Hebt ge hier geen teken- of schilder-academiën?
De Kunstkenner. Och neen! vriend, die zijn voorlang al uit het gebruik geraakt; want men bevondt dat op dezelve weinig vorderingen gemaakt werden; alzo in de laatste jaaren, dat zij nog onder ons in zwang gingen, de smaak in de schilderkunst ten eenemaal begon te veranderen; want in plaats dat men eerst gewoon was, gestadig naakte beelden te tekenen, ten einde tafereelen uit de oudheid te kunnen voorstellen, 't welk ook zeer noodig was, in die eeuwen, toen men de vergaderhuizen der Christenen overal met Tafereelen, verbeeldende voorvallen uit het Oude en Nieuwe Testament, versierde, worden deze thands niet sterk meer gezogt; daar wij alle denkbeeldige Tafereelen misachten; wijl 'er geen waarheid in plaats kan hebben, zo dat ze, door telkens, in het een of ander deel, tegen de Costume te zondigen, een' verkeerden indruk in de beschouwers dier verdichte tafereelen maaken. Wij tekenen het menschbeeld zeekerlijk wel af; waartoe wij daaglijks gelegenheid hebben, daar wij, althands des zomers, meestal half naakt en slegts met eenig beestenvel om den midden gegord gaan; doch wij houden ons niet bepaald bij 't menschbeeld alleen op; maar neemen de natuur in heur geheel ten voorbeeld, zo dat wij ons even zeer toeleggen, op het naauwkeurig navolgen van boomen, beesten, wolken, water, enz. als van menschen; daar bij komt nog, dat wij de tekenende kunsten meest bezigen, om tafereelen van afgelegene oorden en voorvallen, onder ons en andere volken, te vereeuwigen, zo dat 'er geen aanmerklijk voorval gebeurt, of 'er wordt opzettelijk een' Schilder of Tekenaar bij gevraagd, om het zelve na het leven aftebeelden; ten einde de afwezenden en den naakomeling, met geen verdichte schetsen, voor waare afbeeldingen, te misleiden.
Ik. Maar dan kunt ge ook niet anders, dan voorbereide plegtigheeden en gebeurtenissen die men voorzien kan, afbeelden.
De Kunstkenner. Somtijds geeven ons de Tekenaars ook wel schetsen van gebeurtenissen, waar bij zij gevallig tegenwoordig zijn geweest, en die zijn ons even aangenaam; maar geheel verdichte stukken bevallen ons niet; wij hebben liever geene afbeelding dan eene geheel verdichte.
Ik. Ik heb toch zo even bij een' Boekverkooper prenten in een boek gezien van geschiedenissen die in de XVIIIe. eeuw gebeurd zijn en waarin de Costume, na mijn gedagte, zeekerlijk ook niet juist getroffen was.
De Kunstkenner. Dat zal mogelijk een boek geweest zijn, dat uit zeer ver afgelegen en nog zo niet beschaafde landen, hier verkogt wordt.
Ik. Ja, 't was te Peking gedrukt.
De Kunstkenner. Wel, dat wilde ik ook zeggen; men is daar nog aan veele oude gewoonten te zeer gehecht, om dien smaak geheel te kunnen verlaaten; maar hier gebeurt het alleen nog maar tot oefening van den geest voor de leerlingen, en dan laaten wij hen niet meer dan enkele schetsen maaken; ten einde te kunnen zien, in hoe verre zij de geschiedenissen en de gewoonten der oude volken, na onze meening, wel getroffen hebben; doch nooit wordt dit hun werk gemeen gemaakt of verkocht.
Ik. Ja, in mijn land heeft men 'er juist ook niet veel mede op; doch of de oorzaak van die onverschilligheid voor 't ordonneeren van ontwerpen uit de Geschiedenissen, uit een gebrek aan kunde in dezelve, en van oefening van het verdichtend vermoogen, ontstaat, dan of de reden die gij 'er voor opgeeft, bij ons mede de oorzaak van het verval in dezen is, wil ik niet bepaalen.
De Kunstkenner. Wij zijn juist ook door het groot verval in de kunst tot onzen nieuwen smaak overgehaald; want in de laatste jaaren van het verval der aloude Kunstoefening hier te lande, verborgen de Schilders hunne onkunde en armoede van geest, onder het masker van eene edele eenvouwigheid, waar in zij het wezen der schoonheid stelden; dat, wat de stelling aanbelangt, juist niet valsch was; want het is opmerkelijk, na maate de Practische oefening der kunst verminderde begon de Theoretische ongemeen in wijsgeerige kragt te bloeijen; zo dat eindelijk hij, die geen' vinger goed tekenen konde, echter over de twee uuren lang, tot verbaazing der toehoorers, kon redeneeren, over de wijze op welke een vinger, zoude die schoon zijn, getekend behoorde te worden; van waar denkt ge dat deze bekwaame onbekwaamheid en kundige onkunde ontstondt; een door mij dikwijls door en door bestudeerd schrijver, die over het verval der kunst in de negentiende eeuw, een uitvoerig werk samengesteld heeft, dat nu nog onlangs met veel aantekeningen, te Cusco in Peru, herdrukt is, geeft 'er deze reden van: men hadt de voorbereidselen tot de beoefening der kunst in dien tijd te zeer vermeerderd; zo dat de leerling, eer hij de tekenpen of 't penceel in de hand kreeg, eerst een Cursus in de Philosophie, Physica, natuurlijke Historie, en inzonderheid in de Anatomie van het menschelijke lighaam, moest doen; om eerst als 't ware vooraf te leeren, hoe hij de zaaken bij de naauwkeurige beschouwing der natuur, naaderhand zoude bevinden; dit nam hem dus een al te grooten tijd weg, om zig op het bestudeeren der natuur zelve toeteleggen; en versmoorde de vinding in den geest der leerlingen; zo dat zij niet bekwaam werden, iets zelve te ordonneeren, of met smaak te plaatsen. Dit niet kunnende, gebruikten zij hunne geleerdheid, om hunne tijdgenooten te overtuigen, dat hunne voorgangers, die rijk geordonneerde tafereelen geleverd hadden, het waare schoon niet gekend hadden, en men bewees eindelijk, dat dit schoon in eene de natuuroverstijgende uitdrukking bestonde. Als zij, om slegts een voorbeeld van dien smaak te geeven, den slag van Alexander tegen Porus wilden verbeelden, tekenden ze slegts twee strijdende Helden te paard, en deze moesten, op grond der edele eenvouwigheids leer, de beide heirlegers, met hunne opperhoofden, voorstellen; want zij redeneerden dus: Alexander en Porus waren beide krijgshelden; wij hebben nu krijgshelden van beide hun legers verbeeld, of wij dien nu nog duizendmaalen vermenigvuldigden, zouden wij toch niet anders dan krijgshelden 'er van kunnen maaken, en wij gingen te zeer af van het edele eenvouwige, en zouden onze tafereelen te veel, buiten noodzaaklijkheid, overlaaden; 'er was te dier tijde nog een oude, doch merkwaardige, afbeelding van dien slag, door een zeer voornaam meester, in weezen, deze was rijk in beelden, verheven in uitdrukking en verstandig in ordonnantie; hier ging men geweldig op los, wijzende geduurig met den vinger op dit tafereel, daar was dit beeld niet wel gesteld, hier was deze arm niet mooglijk zo te houden; weder elders tekende de deltois te zwak. Gindsch was de pronator, daar weder de supinator niet in behoorlijke werking geplaatst; hier hadt de Schilder de munnikskap spier te breed, weder elders de pectorales te zwak aangeduid. Daar weder hadt men op de Paarden veel te zeggen; terwijl het eenvouwig schoon afbeeldsel dier Schilderhelden wel een bataille van gevilde menschen geleek; want men hadt zeer angstig het doortekenen van het geringste spiertjen, dat slegts even onder de opperhuid zichtbaar kon zijn, waargenomen, en was zelfs, om de kunde in de anatomie te toonen, zo verre gegaan, dat men, als door een doorschijnende huid, ook de verborgen deelen des lighaams aanwees. Dit alles hebbe ik, gelijk ik gezegd hebbe, in een' schrijver van de XIXe. eeuw, die over 't verval der kunst schreef, met verwondering, geleezen.
Ik. Is 't mooglijk, is de kunst zo zeer boven de navolging der natuur gesteegen?
De Kunstkenner. ô Ja, en die ging in alle uitbeeldende kunsten over: zelfs de Tooneelspelkunstenaar hieldt het voor schande de eenvouwige natuur na te bootsen. Hij wrong zijn lighaam doorgaands, immers als ik dien schrijver gelooven mag, in zulke wonderlijke bogten, dat hij, althands in sommige hevige rollen, eer een serpent dan een mensch geleek. De toejuiching, die daar opvolgde, heeft zelfs veelen hals en beenen doen breeken; want de lighaamen konden die schrikkelijke verdraaijingen niet weder staan. 'Er moest ook, te dier tijde, volgends dien schrijver, altijd een Ledenzetter op het tooneel bij de hand zijn, om de verminkte kunstenaars terstond te kunnen verbinden.
De Tooneel dichters gaven ook niet weinig aanleiding tot dit verminken der kunst en der kunstenaars, daar hun gewrochten mede characters voorstelden die verre boven de natuur getrokken waren; zo dat de navolgende kunstenaar niet anders kon doen dan de natuur overschreiden, zoude hij zijn' rol maar even lijdelijk uitvoeren; men bragt de schriklijkste tafereelen der lijdende menschheid en de ondenkbaarste ellenden op het tooneel; dit ging zo ver, dat men dezelve niet meer, door den gewoonen toon der spraak, kon afbeelden; men moest dus de stem mede geheel boven de natuur verheffen, en zingende uitdrukken, 't geen men spreekende geen behoorlijke kragt kon geeven; dit kunt ge denken dat het natuurlijke der voorstelling nog meer verminderde; dit alles werdt nogthands op æsthetische gronden in dien tijd verdedigd; immers zodanig redeneert die schrijver van de XIXe. eeuw over deze zaak; men bragt den aanschouwer de ijsselijkste voorvallen voor oogen; men vertoonde 'er vrouwen en kinderen, die in onderaardsche gevangenissen van honger en gebrek, verkwijnden; en eindelijk, onder het zingen van eenige aria's, stierven. Beroemde Mannen der deftige Oudheid voerde men integendeel weder zeer luchtig ten Tooneele, daar men onder anderen, aloude vermaarde Helden te samen dansende, en bij wijze van een Ballet, liet strijden; terwijl de overwonnene in een soort van dans, welken men toen Hornpijp noemde, op de vlucht huppelde.
Ik. Maar, gij spreekt daar van zingen, hoe is 't toch eindelijk met de muziek gegaan? Hier van zal die schrijver ook wel gewaagen. Bij ons is die kunst thands op een' trap van hoogte die haar met sterke afneeming dreigt.
De Kunstkenner. Zij is ook, volgends dien schrijver, mede op zulk een' trap in de achttiende eeuw hier te lande geweest; in de negentiende begon ze tevens met alle kunsten ongemeen te verbasteren; want zij, eene kunst zijnde, die slegts van het wisselziek gebruik in den tijd pleeg aftehangen, moest men telkens iets nieuws in dezelve uitvinden, om den verflaauwenden lust weder te prikkelen en de zatheid in graagte te veranderen; naa dat men dan eerst de voor ieder aangenaame Harmonie, waarin men het schoon der Toonkunst pleeg te stellen, doch waarvan men nu zat was geworden, in eene onbegrijpelijk vlugge behandeling der speel instrumenten, of in eene de uiterste grenzen der mooglijkheid naderende hoogte in de stem en plotslijke daaling derzelve, gezogt hadde, begon men eindelijk in het laatst der XIXe eeuw ook dat zat te worden en men ging een' geheel anderen, en tegenstrijdigen, weg in; men maakte elkander diets, dat het geen men weleer welluidend gevonden hadde, juist onwelluidend ware en omgekeerd, zo dat men zig nu toelag op de kunst der Kakophonie of kwalijkluidenheid. Deze werdt nu alom de smaak, en men hoorde in de Concerten niet anders dan gillen, krassen, gieren, zo dat veelen, wier natuur niet zeer lijdelijk was, dit wangeluid niet konden uitstaan. 'Er kwamen van alle oorden, virtuosen, in deze Antimelodia uitmuntende, aan, elk trachte zo veel mooglijk, zo door de stem als speel instrumenten, een gevoel van onwelluidenheid in 't gehoor optewekken; men hieldt dit, op wijsgeerige gronden, die men 'er voor opgaf, voor eene schoonheid; doch ook deze smaak duurde niet lang, maar sloeg weldra weder tot het geheel tegen gestelde over; de Harmonie werdt nu weder ten sterksten behartigd; maar men zocht het nieuwe in het uitdrukken van zaaken, welke door geen klanken kunnen uitgedrukt worden; deze dwaasheid ging zo verre, dat men eindelijk de Vaderlandsche Historie, in eenige achtereenvolgende muziekstukken, door geluiden, trachte uittedrukken; kortom, dit werdt mede welhaast weder oud. Thands wordt de toonkunst, immers hier te lande, slegts bij weinigen geoefend; want men vindt hier weinig nuttigheid in oogenbliklijk vervliegende en niets in de ziel naalaatende klanken; maar de Kaffers zijn heden zeer verre in de muziek; alle de kunstnaamen zo van Instrumenten, als van muziek, die eerst Italiaansch of Fransch, waren, zijn nu Hottentotsch; want deze natie is thands op den hoogsten trap van weelde en beschaaving; maar zij is in lange nog niet in wijsgeerigen smaak verlicht geworden.
Men legt 'er zig thands op toe om nieuwe instrumenten te vervaardigen en uittedenken; want heden hebben wij geen enkel instrument van de XVIIIe. eeuw meer in gebruik, ook is 'er in de muziektekens, of nooten, een groote verandering voorgevallen; wij kunnen die der voorige eeuwen volstrekt niet meer verstaan; schoon 'er enkele groote geleerden gevonden worden, die meenen dat zij 'er nog al wat van weeten; immers is 'er onlangs een werk uitgekomen, de Musica proavia, sive de veterum musicis organis, dat is: van de Toonkunst onzer voorouderen of van de speeltuigen der ouden, daarin is de beschrijving der oude muziek instrumenten, gelijk ook een of twee voorbeelden van de nooten onzer voorvaderen, met veel geleerdheid en studie bijeengebragt; ik moet dit boek u eens laaten zien; wijl wij toch over dit onderwerp handelen. Hij ging in een naabij zijnde vertrekjen, en kwam met dit boek terug, toonende mij het zelve. Ik zag dat het door een Hottentots geleerden zeer omstandig in de Latijnsche taal geschreeven was, en herkende ook een of twee muziekstukjens, welke egter zeer gebrekkig, en, met uitlaating en wonderlijke stelling van eenige nooten, die allen naauw kenbaar waren, gesneden waren. Zo veel zag ik echter, dat een der zangstukjens het choor uit de Belle Arsene, Thriomphez, enz. en het andere de vois van Jaapjen staa stil was; de aanmerkingen van dien geleerden Kaffer, waren bij uitstek uitgebreid, en men hadt 'er de toen in gebruik zijnde muziek- en speel- instrumenten bij vergeleeken, en ook in plaat gebragt. Onder dezen zag ik 'er een welks maaksel mij zo vreemd en wonderlijk voorkwam, dat ik niet naalaaten kon, den Kunstkenner te vraagen, of hij mij zulk een instrument niet eens in wezen zou kunnen toonen? ô Ja, was zijn antwoord; dat instrument heet Gom Gom, en is nu zo veel als onze fluit, ik kan u zelfs wel eens het geluid van dezelve doen hooren; hij ging daarop weder heen, kwam met het wonderbaarlijk maaksel zelve ook weldra voor den dag, en begon 'er op te blaasen; maar maakte een voor mij zo erbarmelijk geluid, even of 'er eenige jonge honden tjankten, dat ik hem voor zijne beleefdheid bedankte, voorgeevende nog iets over 't een en ander met hem te willen spreeken.
De Kunstkenner. De Gom-Gom schijnt u toch niet zeer te bevallen?
Ik. Wel, wat zal ik u zeggen! Ja of neen, 't is ongewoonte! en elk landaart, ja bijkans elk mensch schijnt voor de gewaarwording des geluids, anders georganiseerd te zijn. Ik wende voords, zo schielijk mij mooglijk was, het gesprek, zeggende: maar zeg mij toch eens, hoe komt het, dat al de boeken die ik nog gezien heb, in vreemde gewesten gedrukt zijn, worden hier geen boeken gedrukt?
De Kunstkenner. Weinig of geen! want schoon de geheele waereld thands bijna boeken maakt, worden 'er in alle landen maar zeer weinige gedrukt, en echter hebben wij overvloed van boeken; ook gaan 'er jaaren mêe heen, eer een aucteur zijn werk voor de pers gereed gemaakt heeft; zij arbeiden zeer langzaam, en volgen dan nog de les van HORATIUS: nonum prematur in annum, laatende hun werk negen jaaren stil liggen; dat verschilt veel bij ons, vóór dertien eeuwen, toen 'er duizenden daaglijks opgezet, en binnen weinig dagen afgewerkt, en ter waereld ingezonden werden; althands die aucteur, waarvan ik u zo even sprak, verhaalt dat 'er in het laatst van de achttiende eeuw, in Duitschland alleen, meer dan duizend aucteurs te gelijk aan den arbeid waren, en dat de overige landen, en inzonderheid Nederland, maar de handen vol werks hadden, om deze duitsche producten, in hunne moedertaal, somtijds geheel tegen den waaren zin des schrijvers overtegieten, en geheel misvormd, in hun taal te doen verschijnen.—
Ik zuchte hier eens, en dacht vriend! uw schrijver heeft het zeer wel, en na waarheid verhaald.—Thands is dat vertaalen en verminken niet noodig; want daar alles in het latijn geschreeven wordt, en elk die taal leert, kan elk mensch, het werk van de verstäfgelegene schrijvers, in al deszelfs kragt, en zo als het uit hun pen gevloeid is, leezen en verstaan, zo dat wij nu na gelang meer en beter doordagte boeken ontfangen, dan in die tijden; want elk is origineel, en legt zig op zijne eigene navorschingen toe.
Ja, ging hij voord, ik vermaak mij menigmaal met dien ouden schrijver; want hij verhaalt dan klugtige dingen, die in het laatst der achttiende eeuw, in de letter waereld, en althands in den Boekhandel, voorvielen. Begrijp eens, men gaf eindelijk naauwlijks vier of zes regels op een blad; en al de waarde der boeken bestondt eindelijk daarin, dat zij op het keurigst fijnst papier, en met overschoon gesneden letters, gedrukt waren; want zo zeer was in 't begin der XIXe. eeuw de smaak reeds vervallen, dat men niet vroeg wat nut eenig boek behelsde, maar met wat letter, en op welk papier 't gedrukt ware? ook werden 'er daaglijks in de nieuwspapieren de belagchelijkste advertentiën aangekondigd, verscheide Boekverkoopers schreeuwden in de nieuwspapieren, als kwakzalvers op de markt: Hier moet ge weezen! Is 'er iets dat in een Christelijk Huisgezin onontbeerlijk is, het is dit of dat werk, dat voor zo veel te bekomen is, of daar in deze tijden, elk mensch niet leeven kan, zonder eenige kennis, van vreemde landen te hebben, zo is die of die Boekhandelaar teraade geworden, deze of die Reisbeschrijving uittegeeven, eindelijk ging 't zo ver dat dit hevig dringend noodigen krachteloos geworden zijnde, men ten laatsten de menschen met geweld de boeken opdrong, en in huis wierp, en op 't eind des jaars de reekening 'er van dwong te betaalen; ja de boeknegotie werdt, op 't laatst, van eene bedelaarij een rooverij; maar toen begon 't geldgebrek ook algemeen toe te neemen, en wij geraakten allengskens in de gesteldheid waarin wij ons thands bevinden.
Ik. Maar zijn 'er thands geen geleerden, die de werken van andere schrijvers beoordeelen; het fraaije daarin aanwijzen, en het gebrekkige berispen?
De Kunstkenner. Waartoe zou dit toch dienen?
Ik. Wel, om den bekwaamen schrijveren aantemoedigen, en den onbekwaamen te leeren.
De Kunstkenner. Maar wie zou dat toch beslissend durven onderneemen; die zoude zig dan immers voor den bekwaamsten moeten houden?
Ik. Ja; maar zo een werk zoude juist niet door één' schrijver alleen vervaardigd moeten worden: men neemt in zo een geval, een geheel gezelschap geleerden, die elk voor het vak, waarin hij door geleerd is, oordeelen; althands zo gaat het bij ons.
De Kunstkenner. Kunnen de lieden tot uwent dan zelve niet verstaan of beoordeelen, wat zij leezen? Dat moeten wel botte lieden zijn, die noodig hebben, dat anderen hun zeggen, wat ge daar nu leest is goed; maar wat ge daar leest deugt niet. Zij kunnen dit immers zelve wel zien.
Ik. Neen vriend! daar scheelt 't hem juist aan; de groote hoop van leezers weeten tot onzent niet of 't geen zij leezen, gezond menschen verstand bevatte, ten zij, dat ze dat door gezag van anderen hooren bevestigen.
De Kunstkenner. En zoo 't geen de beoordeelaar verwijst nu eens den leezer redenlijk wel bevalt, of zelfs fraai voorkomt, hoe dan? Moeten de leezers zig dan toch aan 't oordeel van die Beoordeelaars onderwerpen? Is dat mooglijk zo een wet tot uwent?
Ik. Wel neen! Elks oordeel is vrij, en de berispte schrijver wreekt zig ook niet zelden, vrij hevig; maar wordt dan weder zo fel, door de Beoordeelaars beantwoord, dat hij somtijds zijn' goeden naam en Kunstroem in de samenleeving verliest.
De Kunstkenner. En zorgen de openbaare wetten, daar niet voor, dat de eene burger, den ander niet zodanig onteeren kan?
Ik. Voorzeeker, 'er zijn goede wetten tegen hoon dien men elkander aandoet; maar dan moet de hooner bekend zijn.
De Kunstkenner. Wel, die is dan immers bekend; ja zelfs algemeen door den druk bekend?
Ik. Wel neen, die Beoordeelaars maaken zig niet bekend.
De Kunstkenner. Maaken die zig niet bekend! durven ze dan mooglijk niet voor hun oordeel openbaar uitkomen?
Ik. Men zegt niet gaarne iemand zo openbaar de waarheid; immers men is 'er niet gaarne voor bekend; want somtijds berispt men wel persoonen op 't allerhevigst, waarmede men daaglijks als vriend omgaat.
De Kunstkenner. Wat zegt ge daar! Neen; dank zij den schenker van alle verstand, dit gebruik is bij ons niet bekend; niemand mag iets zonder zijn' naam uitgeeven, en niemand verlangt het ook te doen; want elk mag hier spreeken en schrijven gelijk hij denkt; en dat kan ook onder ons plaats hebben; want niemand denkt iets dat hij niet zou durven zeggen, en in plaats van eens anders werken te berispen, schrijven onze geleerden zelve; wanneer 'er, bijvoorbeeld, eens een of ander werk uitkomt; dat, na 't oordeel van een' of anderen geleerden, te onvolmaakt, te zwak, of te gebrekkig is, wel! dan houdt die zig niet op, met het zelve te berispen, maar schrijft over dat zelfde onderwerp, terstond, na zijn bevatting, een ander werk, en maakt zelfs in 't geheel geen gewag, van den anderen schrijver; dan besluit de leezer zelve, wat beter is, en dat dan ook beter is, heeft den meesten aftrek, zo gaat het althands bij ons daarmede; wel dat moeten bij u dan wel nijdige en verwaande geleerden zijn.
Ik. Neen, dat ontstaat bij ons niet altijd uit nijd of verwaandheid; maar om dat de uitgeevers dezer Beoordeelingen nog al wat meer aan de schrijvers derzelve, als voor ander Boekwerk kunnen geeven; om dat 'er zeekerlijk altijd goeden aftrek van is; inzonderheid als ze wat steekelig zijn. Dit noodzaakt ook den Boekverkooper, om zodanige boeken liever dan andere werken te onderneemen; want als zo een geschrift eens in den smaak komt, en als 't maar in 't begin wat hevig geschreeven is, kan dat niet missen; wel nu, dan heeft de Boekverkooper 'er een zekere vastigheid aan, waar op hij jaarlijks reekenen en staat maaken kan; want 't meeste wat bij ons in den Boekhandel gebeurt, geschiedt lucri ergo.
De Kunstkenner. Dan mag men tot uwent, met recht, het auri sacra fames, quid non mortalia pectora cogis, over dien handel, uitroepen. Schrijven dan de aucteurs tot uwent om geld?—Wel heden, dat moet al wonderlijk toegaan! Moet dan hun geest juist vaardig zijn, als de maag leeg is?
Ik. Wel dan juist studeert men met het beste gevolg.
Maar ik ben verwonderd geweest, dat de Boekverkooper wiens winkel ik bezogt, niet eens van rijmwerken of rijmen wist? Zijn 'er dan geen Poëeten meer hier te lande?
De Kunstkenner. Ja, ik begrijp 't zeer wel, wat ge met rijmen en rijmwerken bedoelt, meent ge niet die werken, welker regels zo veel als met dezelfde letters eindigen. Ja, Ja, ik verstaa u wel. O, dat is geheel uit den smaak: ik wil wel gelooven, dat de Boekverkooper dien niet kende; men moet al vrij gestudeerd hebben, om daar een denkbeeld van te maaken, en ge moet denken, die lieden welke de boeken verkoopen, zijn juist allen geen geleerden of antiquarii. Neen; zoo 'er al eens een Poëet onder ons opstaat, dat in geene jaaren gebeurt; want iemand die geen natuurlijke geschiktheid tot groote verbeeldingskragt heeft, schrijft geen Dichtwerken; nu dan, als 't al eens gebeurt, dan schrijft zo een Dichter na de maat die zijn hartstocht of verrukking hem aan de hand geeft; doch het gebeurt zeer zelden; hij moet dan ook daar bij de nooten stellen, welke dienen moeten om zijne gedichten wel, en in zijn gevoel, te leezen; want al onze Poëzij is met zekere muziek verzeld, en wordt gezongen. Gelijk ook bij de Grieken en Romeinen gebeurde, anders zoude ons de cadans, die 'er in plaats heeft, ontslippen, of in een lang gedicht, wel dra verveelen.
Ik twijfel echter of ge mijne meening wel vat; want ge moet 'er u zeeker geen juist denkbeeld van kunnen maaken, als aan 't Rijm te zeer gewoon zijnde. Deze soort van Gedichten als bij ons nog enkel voorkomen, konden ook vóór veele eeuwen, en in een land als 't uwe, waar nog veel behoeften zijn, niet ontstaan; 't is bekend wat HORATIUS, in zijn Dichtkunst, daar reeds over gezegd heeft. Wanneer de Goudzucht eens een volk ingenoomen heeft, kan geen onsterflijk dicht meer uit hun voortkomen.(19)
Ik. Men zal toch zeekerlijk wel sierlijk bewerkte Redevoeringen onder u kennen?
De Kunstkenner. Ja, men doet zeekerlijk thands dikwijls openbaare Redevoeringen; want 'er is weeklijks een bijeenkomst in de hooge en laagere zedeschool, waarin bekwaame Redenaars de beoefening der deugd, en de gevolgen van ondeugd, krachtig voordraagen en aanprijzen. Dit geschiedt, of bij wijze van Redevoeringen, of bij wijze van samenspraaken, even als de aloude Tooneelspellen; want ons laagere zedeschool is ook tevens ons Tooneel; doch ik weet niet, dat de Redenaars daartoe zekere kunstregelen volgen: zij spreeken 't geene bij hun opkomt, en zo als eene gezonde Logica voorschrijft; want zij zoeken hunne toehoorers niet met schijn te misleiden.
Ik. Beoefent men dan de Redeneerkunst, of Rhetorica niet meer; bijvoorbeeld leert men niet, hoe men zijn reden opsieren en bevallig voordraagen moet, en hoe de gebaarden, bij de uitspraak, te maaken zijn?
De Kunstkenner. Neen! om dat deel der Rhetorica denken wij niet. Men weet door de Logica immers wel, als men iets wil voordraagen, dat men 't een niet voor 't ander, of verward, of verkeerd, of met oneigene woorden doen moet; en wat de gebaarden betreft, die worden door de natuur zelve geleerd; wij zien niet eens gaarne veel gebaarden op den Redeneerstoel maaken; alzo die den aandacht veel te veel afwenden.
Ik. Gij hebt daarin zeeker geen ongelijk; maar ik bedoel juist geene openbaare Redevoeringen; maar wel bijzondere voorleezingen, gelijk tot mijnent veel plaats hebben; men komt tot onzent niet bij elkander, of men leest iets voor, of doet een kleine Redevoering, over 't een of ander onderwerp; althands in zulke gezelschappen, waar niet geömberd wordt.
De Kunstkenner. Geömberd? wat is dat?
't Berouwde mij, dat ik mij dat woord had laaten ontvallen; want ik wist niet, hoe ik dezen goeden man, met mooglijkheid, eenig denkbeeld van 't à l'hombre spel zou kunnen geeven; ik moest toch wat antwoorden, en zeide:
Ik zal u zeggen, à l'hombre of Ombren, in de wandeling, is een spel dat men zittende met elkander speelt, en bestaat in het op de tafel werpen, van beschilderde blaadjens papier, sommigen derzelve zijn met heele monstreuse beelden beschilderd, met twee hoofden, vier armen, en twee buiken; deze beelden zijn uit de oude en nieuwere tijden ontleend, althands men heeft ze naamen uit de gewijde en fabel geschiedenissen gegeeven; bijvoorbeeld: Koning DAVID en HECTOR, CHARLEMAGNE en HELENA; PENTHAMEE en LUCRETIA, onder anderen is 'er een beeld bij, dat heet CIPRI ROMAN; maar ik kan u betuigen, dat zelfs de ervaarendste omberaar, tot heden, nog niet weet wat dat beduidt; de overige blaadjens zijn met ruiten of met klaverblaadjens, of met hartjens, of met een figuur in de gedaante van een schupjen betekent, en schoppen genoemd; nu, om dan voorttegaan, als men dan aan elk wat van die blaadjens in de handen gegeeven heeft, dan begint men ze na vervolg neder te werpen, en aan het eene blaadjen meer waarde gegeeven zijnde, dan aan het ander, dan is het gevolg, dat hij die de meestwaardige kaarten in handen gekreegen heeft, overwinnen moet, en al de andere die nedergelegen worden, naar zig kan haalen.
De Kunstkenner. En wat gebeurt 'er dan verder?
Ik. Wel! dan is het spel uit, en men geeft elkander geld.
De Kunstkenner. Geld! Ik meende dat ge zo even zeidet, dat het een spel ware?
Ik. Wel ja! ja, een spel; maar men speelt om geld.
De Kunstkenner. Zo! heet men dan al wat tot uwent om geld gedaan wordt, speelen? Nu zo, dat is iets anders: als de Bakker dan brood bakt, speelt hij dan?
Ik. Wel neen! zo moet ge 't niet begrijpen? De Bakker geeft voor geld zijne waaren, die hij, om ze in staat te stellen van gebruikt te worden, bewerken moet; men noemt zulke ruilingen van goed voor geld, geen spel; maar als men elkander iets geeft, uit hoofde van een, vermaakshalven, ingebeelde schuld, dan noemen wij dat speelen.
De Kunstkenner. Nu begrijp ik u, dan is 't alles maar vermaakshalven zo uitgedagt, men zal dan zeekerlijk, als men ophoudt met speelen, elkander 't geld weêrom geeven!
Ik. (Verlegen met 's mans botheid van begrip) Wel zeeker niet! daar zou de winnaar wel degelijk tegen hebben: begrijp dat sommige speelers, geduurende het spel al vrij wat omzetten; veel verliezen of veel winnen kunnen, na dat de speel prijs onder hen hooger of minder is bepaald, en de fatsoenlijkste lieden stellen dien prijs zo hoog mooglijk is; want, na maate men grover speelt, wordt men vermoogender gehouden; bijvoorbeeld, zoo ik 't geld na uwe waarde schat, dat is driemaal zo min dan 't bij ons geschat wordt, dan gebeurt het dikwijls dat de middenclasse, die wij den Burger noemen, somtijds op een' avond een veertig stuivers wint of verliest, welke men veel naauwkeuriger betaalt, dan zulke schulden waarvoor men zijne waarde genooten heeft; want dit heeten wij schulden van eer, en het gebeurt dikwijls dat de bakker en slagter, voor hunne geleverde waaren, niets ontfangen; terwijl men driemaal zo veel als zij te vorderen hebben, om niet, en uit hoofde van die ingebeelde Eerschulden, aan elkander betaalt.
De Kunstkenner. Maar mij dunkt, dit strijdt tegen alle recht. Zorgen daar dan de wetten van uw land niet tegen?
Ik. Ja, dat doen zij voorzeeker; zo dra iemand, bijvoorbeeld, bij ons niets meer heeft om te betaalen, verliest hij zijne vrijheid, en wordt, op kosten zijner schuldeischers, in de gevangenis onderhouden.
De Kunstkenner. Zo, dan zal hij daar met eenig algemeen nuttig werk, iets verdienen, waarvan hij eindelijk zijn schuld voldoen, en zig weder vrijmaaken kan.
Ik. Neen! och neen! daar toe is in die gevangenissen geen de minste gelegenheid.
De Kunstkenner. Ei zie, dat is dan dunkt mij eene zeldzaame gewoonte. Ik bevat juist nog niet, wat voordeel de schuldeischer daar bij hebben kan; doch, wat zal men zeggen, men kan zo oppervlakkig niet over de gewoonten en zeden van een vreemd land oordeelen.—Maar dat kan ik u echter berichten, dat het hier geheel anders toegaat; want 't is bij ons zo eene groote schande meer te verteeren, dan men vermoogend is te betaalen, dat het slegts in veele jaaren enkel eens gebeurt, en dan nog geschiedt dit ongeluk niet door zulke zonderlinge ingebeelde schulden als het spel; maar door onvoorziene rampen, en in die gevallen treedt de geheele streek, waar zo een ongelukkige woont, toe; elk geeft een beuzeling en hier mede is de verarmde persoon gered, en niemand lijdt 'er eenige schaade bij. Zoo 'er al iemand het 'er op toe wilde leggen, om, voorbedagt, anderen te benaadeelen, zoude hij dit onmooglijk uit kunnen voeren; want men zoude hem daarin niet toegeeven; daar het bij ons eene gewoonte is, om, zonder geld of ruiling, niemand iets van 't onze aftestaan, 't geen ook niet behoeft, daar elk van zijnen grond zijn bestaan vinden kan.
Ik. Nu, dat is ook geheel iets anders, als in landen waar veel Koophandel gedreeven wordt; want daar moet ook veel credit gegeeven worden; daar zijn de meeste bezittingen denkbeeldig; immers een koopman moet ten minsten tweemaal zo veel credit dan vermoogen hebben; maar hebt ge dan hier geenerleije spellen?
De Kunstkenner. Ja wel; maar men speelt slegts voor vermaak en gezondheid: wij hebben verscheiden bal-kaats- en lighaamsoefenende spellen; maar nooit denken wij om elkander geld aftewinnen. 't Spel is immers geen kostwinning? Maar, daar wij van 't spel spreeken, moet ik u eens even iets laaten zien, waar over hier zeer sterk onder de geleerden getwist wordt: sommigen houden het voor een spel, en anderen weder voor afgodsbeelden der ouden, en wel van sommige half beschaafde, half onbeschaafde volken, die men zegt dat in de XVIIIe. eeuw in 't hart van Europa gewoond hebben.
Hij vertoonde mij daarop een doos, waarin, onder andere niets beduidende snuisserijen, ook beeldjens van dieren van goud, zilver, en met Juweelen omzet, lagen, als Elephantjens, Penningjens, Lammetjens, Kruisjens, Sterretjens en andere kleinigheeden, welke ik weldra voor Ridderordes erkende. Terwijl ondertusschen de Kunstkenner voortging, dus te redeneeren: zou 'er aan die prulletjens nog al wat gelegen zijn, dunkt u? Ik heb al in den wil geweest, om ze mijn kinderen te geeven, om mede te speelen; maar als 't waar is, dat het oude afgoden zijn, is 't nog al der moeite waardig om ze te bewaaren.
Ik zeide daarop dat het juist geen afgoden waren; maar dat 'er echter bij mij te lande nog groote eer aan beweezen wierde, en dat iemand die zo een Lammetjen, Kruisjen, of Penningjen mogt draagen, al vrij wat aanmerklijks ten dienste des lands moest verricht hebben, ten minsten dat zijn voorouders een' aanmerkelijken dienst aan 't land moesten gedaan hebben.
De Kunstkenner. Wel is 't mooglijk! Nu dat is toch ook al raar; dan zijn 't zo veel als tekens, om iets te kunnen onthouden; zo? Dan was 't zeeker om dat men die groote daaden anders vergeeten zou, als men ze zich niet door zo een figuurtjen herinnerde; wel nu, dan zal ik ze bewaaren: moogelijk is dit Elephantjen dan ter gedagtenis dat iemand die beesten 't eerst ontdekt heeft; dit Lammetjen zal dan voor iemand die het gebruik der wol verbeterd, en dat Sterretjen mooglijk voor iemand die een nieuwe Planeet ontdekt hadt, geschikt geweest zijn; zo, nu zal ik ze wel trouw bewaaren.
Ik. Goede vriend! neen, 't is 'er juist zo niet mede gelegen, als ge wel meent; want deze figuurtjens werden veeltijds door lieden gedraagen die noch van natuurlijke Historie, noch van Koophandel of Sterrekunde iets wisten; hun herkomst is ook van een gantsch anderen aart; doch ik kan u verzeekeren, dat ze meestal voor krijgsverdiensten door de Vorsten gegeeven werden, en die ze droeg was zeekerlijk bij 't gemeen in groote achting, al ware hij ook nog zo bot; maar ze zijn toch aan goud, zilver en juweelen veel waardig.
De Kunstkenner. O, als 't anders niet is, dan zal ik ze maar aan mijn' kleinen jongen geeven; want goud, zilver en juweelen zijn bij ons zaaken van zeer weinig waardij.—
Ik stond zeer verwonderd over de koelheid waarmede de Kunstkenner deze kleinoodiën behandelde, en besloot mijn bezoek met deze woorden: inmiddels danke ik u wel zeer voor uwen vriendelijken ontfangst, in hoope dat ik u toch niet van noodiger bezigheeden afgehouden zal hebben: ik wilde nu nog gaarne eens een Regeerings persoon gaan bezoeken; zoo 'er hier kort bij een mogt woonen; want behalven dien Vader des lands, zullen 'er immers zeekerlijk ook nog wel andere Regenten zijn.
De Kunstkenner. Voorzeeker, maar ge zult ze thands niet tot hunnent vinden; want ze zullen allen ter schoole zijn.
Ik. Ter schoole! Regenten gaan bij u nog school? waar gelijkt dat nu weêr na?
De Kunstkenner. De Regenten gaan niet meer school; maar zij moeten des naademiddags in de schoolen tegenwoordig zijn; om dat de jeugd onder hun eigen opzicht opgevoed en onderweezen wordt.
Ik. Zo! dan zijn uwe Regenten een soort van Atheensche Ephoren? Nu ja, dat is zeer prijsselijk; want de kinderen zijn toch het toekomend geslacht; 't komt 'er dus wel zeer op aan, dat een goede Regeering een naauwkeurig opzicht op derzelver onderwijs en opvoeding draage. Ik ben waarlijk verheugd dit te verneemen; men wordt immers in de schoolen toegelaaten?
De Kunstkenner. Eenen vreemdeling wordt hier nergens toegang geweigerd; men behoeft hier geen schatten te verbergen, die de hebzucht gaande kunnen maaken; al wat wij hier bezitten kan elk weldenkend volk zig eigen maaken. Wij hebben hier alleen goede wetten, veel lust tot weetenschappen en te vredenheid met onzen staat.
Ik. Wel nu, mijn voorneemen was ook, naa een bezoek bij u afgelegd te hebben, de schoolen, immers een derzelve, eens te gaan bezichtigen; ik zal daar tevens uwe Regenten vinden, die ik toch mede gaarne eens aantroffe?
De Kunstkenner. 't Zal uw tijd worden, als ge de school nog wilt zien; want zij zal welhaast geëindigd zijn.
Ik nam, op deze waarschuuwing, terstond mijn afscheid, van den beleefden Kunstkenner, en ging weder met mijnen Geleider op weg. Toen wij een eindjen weegs gegaan hadden, brak mijn Geleidsman het zwijgen, en zeide:
Wij zijn hier reeds digt bij de school; maar, eer wij 'er ingaan, moet ik u nog waarschuuwen, dat gij de persoonen, welken het bestuur aanbetrouwd is, geen Regenten noemt; wij noemen hen alleen Oudsten; want 't zijn in de daad, in alle onze vlekken, de bejaardsten uit het vlek; want hoewel elk inwooner tot dit bestuur gerechtigd is, worden doorgaandsch de bejaardste lieden, daarmede voorzien; mids zij nog in staat zijn, dien gewigtigen post waarteneemen.
Ik dankte mijnen Geleider voor zijn bericht; terwijl wij reeds in eene ruime wooning binnen traden; deze was de school zelve: zij was in vier onderscheidene vertrekken verdeeld; in elke dier vertrekken zaten twee dier Oudsten, in een verheven gestoelte, terwijl de onderwijzers een weinig laager geplaatst waren. De leerlingen welke hier van de jongste waren, kwamen mij niet onder de zeven, en niet boven de negen jaaren voor. Ik vond hen bezig met, aan een der tafels, de letters te leeren, terwijl men aan eene andere reeds een weinig verder met spellen en leezen gevorderd was, en aan een derde tafel werkelijk een' aanvang met schrijven maakte.—Wij wandelden deze school, waar, tegen de gewoonte der kinderschoolen, een groote orde en stilte heerschte, langzaam door, en kwamen in de tweede school, hier vonden wij alles op dezelfde wijze ingericht; de leerlingen waren hier van tien tot veertien jaaren; aan een der tafels, zag ik, gaf men onderwijs in de taal, die in gebruik was; naamlijk in het schrijven van een' goeden stijl, en in de letterkundige regelen der taal; aan een tweede tafel was men bezig om het Latijn en Grieksch te onderwijzen; voor zo verre deszelfs beginselen betrof, hier werdt van buiten geleerd; doch de kinderen leerden in stilte, voor hun zelven; een derde tafel was geschikt voor hun die reeds Latijnsche opstellen konden vervaardigen, en aan een vierde tafel werden Latijnsche Aucteuren geleezen en geëxpliceerd; CICERO was om zijn zuivere taal en SENECA, om zijne zedekunde, hier in gebruik.—Dichters vond ik hier niet.—In de derde school zag ik jongelingen van zestien tot achttien jaaren, deze waren aan een tafel bezig met zig in de wiskundige weetenschappen te oefenen, terwijl aan een tweede tafel de Redenkunde of Logica, en aan een derde de beginselen der zedelijke wijsbegeerte onderweezen werden. Eindelijk in de vierde school, waarin ik jongelingen van achttien tot twintig jaaren vond, werden de Proefondervindelijke Natuurkunde en de kennis van de wetten en constitutie der Regeering op verschillende dagen onderweezen; zo dat reeds deze school den dienst van eene Academie, wat betreft de zedelijke wijsbegeerte, doen konde, en de jongelingen in alle, meest tot het leven noodige, vakken der geleerdheid bekwaam gemaakt konden worden.
Toen wij in deze laatste school binnen traden, was men juist bezig met de verklaaring der wetten, waar na dit land bestuurd werdt; men las dezelve voor, en gaf reden van al wat in de zelve gesteld was; dit juist gaf mij gelegenheid van, bij 't eindigen der voorleezing en geduurende het uitgaan der schoole, in gesprek te treeden, met een der Oudsten, welke in deze school de voorzitting hadt. Ik maakte hem eene aanmerking bekend, welke mij onder het leezen der wetten ingevallen ware; bestaande daarin, dat ze mij niets anders dan zekere geregelde schikkingen van huishouding scheenen te behelsen; zonder dat 'er van eenige misdaaden of straffen in gerept wierde; 't zullen, zeide ik, zeekerlijk, alleen de Burgerlijke of Civile wetten geweest zijn, die ik heb hooren voorleezen; 'er zijn immers, behalven dezen, ook Crimineele wetten hier in gebruik?
De Oudste. O neen! wij kunnen 't met deze gemakkelijk af? Ik weet wel, wat gij bedoelt; maar ge moet die oude tijden, toen 'er crimineele wetten noodzaakelijk waren, niet verwarren, met de behoefte van onzen tegenwoordigen tijd. Wil ik u eens beknoptelijk zeggen, waar om wij alleenlijk civile schikkingen, en geen crimineele wetten noodig hebben; hoor, dat komt van daar, dat wij de Jeugd onder ons eigen toezicht opvoeden; dat onze maatschappijën thands zo geweldig groot niet zijn, dan vóór dertien eeuwen; dat wij onzen rijkdom niet meer in elendig poppengoed van goud en zilver, maar in kennis en vergenoegen zoeken. Want hier door, zegt JUVENAAL, ontstaan gemeenlijk de oorzaaken van schelmstukken, en geen ondeugd van het menschelijk gemoed, heeft ooit meer vergifts gemengd, of zwaarden ter verderve gewet als de felle trek tot onmaatige middelen.(20) In één woord, dat wij waarlijk verstandiger geworden zijn, en daar, waar het verstand verlicht wordt, verminderen allengs de misdaaden; zondigen is dwaalen: wij trachten, zo veel mogelijk, der jeugd van 't eerste oogenblik heurer ontluikende kennis, waare denkbeelden der dingen in te boezemen. De jeugd blijft niet te min wel verschillend van aart; en dat is, tot derzelver bestemming, ook hoogstnoodig; maar alle die misdaaden, die, in voorige eeuwen, uit begeerte naar eens anders goederen en bezittingen ontstonden, en zo wel den koning als den onderdaan besmetteden, zijn bij ons voorwerpen van medelijden. Hier toch is bij niemand overvloed, maar ook bij niemand gebrek; want zo dra iemand meer geld of goed, langs den eenen of anderen weg, verkreegen heeft, dan hij voor zig gebruiken kan, geeft hij 't vrijwillig in de schatkist des Lands, en daaruit worden weder anderen, in gevalle van onvruchtbaarheid, of andere rampen, ondersteund, en voor gebrek behoed; zo dat hier niemand meer dan een ander verlangt, alzo hij zeer tegen de algemeene gewoonte zou handelen, met zijn overhebbende goed, niet ten gemeenen nutte afteleggen. Wat werden 'er, in voorgaande eeuwen, uit den ongelijken eigendom niet al misdaaden gebooren! Hoogmoed, onrecht, moord, diefstal, bedrog, die alle slegts op het mijne en uwe gegrond waren(21). Nu, waar de oorzaaken ophouden, houden ook de gevolgen dier oorzaaken van zelven op; onze voorvaders hebben getracht, langzaamerhand die oorzaaken te doen ophouden; wij genieten daar thands de vruchten van, waartoe zouden wij dan geneesmiddelen tegen de schadelijke gevolgen, dier bij ons onbekende oorzaaken, bezigen?
Ik. Gelukkig en gezegend moet uw land zijn, waarin zulke hevige middelen ontbeerd kunnen worden.
Geheel verrukt, riep ik, in een soort van kortstondig enthusiasmus, de heerlijke Dichtregelen van den grooten MARO uit: