Doch staa mij toe, dat ik u verzoeke mij eene zwaarigheid optelossen. Gij zegt zelve dat de kinderen onder u van verschillenden aart zijn.—Juist dit dunkt mij, moet oorzaak zijn, dat ze tot booswigten, misdaadigers, enz. ontaarten? En in zulk een geval, kunnen 'er, dunkt mij, geen crimineele wetten in eene maatschappij gemist worden.
De Oudste. Ik heb u wel gezegd, dat de kinderen onder ons in aart verschilden; maar niet dat hun aart ten kwaade geneigd ware. De menschlijke aart schijnt altijd ten goeden overhellende; altijd tot zijn zelfs verbetering neigende; dit heeft in de voorige eeuwen, zo veele booswigten, en zo veele braave lieden, tevens opgeleeverd; men wist dien aart maar niet wel te leiden; ook hadt men, te dier tijd, daaden en handelingen voor misdaadig en zondig uitgekreeten, die, na onze inrichtingen, geheel onschuldig zijn. Dit neemt bij ons een groot deel kwaads weg; waarbij dan nog komt, dat wij geen belang in het overtollige hebben leeren stellen; hier door is dieverij, moord, bedrog, en al dat gevolg van het mijne en uwe bij ons verdweenen.—
Ik. Ik kan mij geen maatschappij verbeelden, waar dit kwaad geen' invloed hebbe.
De Oudste. Dat komt enkel daarvan, dat ge nog te midden onder een ander soort van samenleeving leeft; wij kunnen ons ook volstrekt geen juist denkbeeld dier samenleeving van de voorige eeuwen, van hebzucht, en wandaaden maaken.
Ik. Laat dat zo zijn; maar schoon men nu die voorwerpen van misdaaden wegneeme; 'er zullen toch altijd hartstochten van Toorn, Liefde, enz. overblijven, die toch ook gelegenheid tot wanbedrijven kunnen geeven; schoon 'er geen geld of goed mede gemengd zij. Ik denk toch dat uwe Landgenooten wel door driften somtijds in beweging gezet worden; anders zoude het wel een doodelijk slaaperige maatschappij uitmaaken.
De Oudste. Dit verbeeldt ge u slegts; 'er zijn zeekerlijk hartstochten onder ons; maar wij leeren elkanderen het buitenspeurige derzelve tegengaan; een maatschappij behoeft immers niet slaaperig en doodsch te zijn, schoon 'er niet in gemoord of gestoolen worde; ook zijn onze regeeringsschikkingen van dien aart, dat, zoo 'er al eens zulk een ongelukkig voorval gebeurde, men zodanig een door hartstocht overweldigd mensch, onder de zinneloozen en ongezonden, in onze zeer wel ingerichte Gasthuizen, zou trachten te verbeeteren.
Ik. Maar hoe komt het toch, dat ik in deze school geen knaapjens onder de zeven jaaren en geen meisjens aantreffe?
De Oudste. Wij zenden de kinderen onder de zeven jaaren niet ter schoole, noch stellen hen aan geenerlei geheugen, of herssensoefenenden arbeid; maar maaken hen dan sterk en bekwaam tot ligte handwerken, die ze ook door den tijd noodig zullen hebben; dat begint al met hun vijfde jaar; de eerste jaaren der kindsheid, worden slegts met groeijen en speelen versleeten. Wat de meisjens aangaat, deze worden afzonderlijk in schoolen, onder toezicht van vrouwen, opgevoed, en mede in sommige der nuttigste weetenschappen, maar inzonderheid in de huishoudkunde, onderweezen.
Ik. Maar hebt ge geene volks bijeenkomsten, waarin aan bejaarden hunne verhevenste pligten voorgehouden worden? In één woord, hebt ge geen Godsdienstoefenplaatsen, geen Kerken?
De Oudste. Wel voorzeeker! Wat land kan zonder Godsdienst bestaan? maar wij noemen die bijeenkomsten Zedeschoolen, en zij die in dezelve leeren en onderwijzen, Zedeleeraars; doch het gewigtig twistpunt dat vóór veele eeuwen de oorzaak der geweldigste beroeringen in landen en staaten geweest is, te weeten het kerkelijk gezag, is bij ons niet bekend. Al wat het bestuur aangaat wordt aan den Vader des Lands, benevens zijne oudsten, overgelaaten; maar de zedeleeraars bemoeijen zig met verhevene wijsgeerige leeringen, stichtende en aangenaame voordragten te doen, ten einde het gene het volk in de schoole geleerd heeft, en dagelijks tot hunnent oefent, behaaglijk te herhaalen, en hen in 't geheugen te prenten.
Ik. Maar leert men hier in die leerschoolen van den Godsdienst geene Theologische stelsels; hebt ge thands geene Theologanten?
De Oudste. Wel ja! in zekeren zin hebben wij zonder twijfel Theologanten, immers de waare Theologie is onveranderlijk. Mijn voorneemen is zelfs om bij een hunner op 't oogenblik een bezoek te gaan afleggen. Gelieft gij mij gezelschap te houden, dan kunt ge hem zelven over zijne leer onderhouden.
Ik was verheugd die gelegenheid te kunnen waarneemen, om mij met de Theologische stelsels der volgende Eeuwen bekend te maaken. Met al mijn hart, was mijn vuurig antwoord, laat ons, zoo 't u anders niet belet, ten eersten heenen spoeden. Wij deeden dit, ik verbeelde mij den Oudsten aan mijn regtsche en mijn' Geleider aan mijn linksche hand te hebben; vol van gedachten over al 't gene wat ik den Theologant vraagen, en bij hem onderzoeken wilde, naderden wij aan zijn wooning. Hij was mede een eerwaardig, doch eenvouwig grijsaart. Hij ontfing ons met alle tekenen van opregt gemeende gulheid; wij zetteden ons bij hem neder. De Oudste vong het gesprek aan.
De Oudste. Eerwaardige! zie hier een' vreemdeling, die uwe meening omtrent eenige verborgenheeden uwer leer van u wilde verneemen.
De Leeraar. Hij spreeke; 't zal mij aangenaam zijn, hem eenig licht en troost te kunnen verschaffen. Maar (zig tot mij wendende) verborgenheeden, goede vriend! en althands verborgenheeden Gods, zijn en blijven hier op aarde ondoordringbaar voor den zwakken sterveling. Wij prenten daarom onzen kinderen in de schoolen den grooten regel van den alouden POPE in. Mensch! wees dan nederig in uwe hoop, en verhef u niet dan met vrees, wagt den grooten onderwijzer, den dood, en aanbid God(23).
Want de oude SCALIGER zegt, met reden:
Niet te willen weeten, 't geen de opperste leeraar, niet leeren wil, is regt geleerde onweetenheid.
Ik. Dit beken ik, Eerwaardige! maar elk vormt zig toch een zeker eigen denkbeeld over sommige duistere zaaken: ik wilde gaarne onderstaan of wij ook veel in denkbeelden verschillen, ten einde, zoo ik de uwen beter en gegronder vonde, de mijnen vaarwel te zeggen, en voor de uwen te verwisselen; wat, bijvoorbeeld: denkt gij van...
Hier werd ik gestoord...
Eensslags kwam ik, in de zinnelijke waereld, uit die der verbeelding, terug.—Zo ook zullen wij eens, te midden onzer ijverigste navorschingen, in 's levens mijmering gestoord wordende, in de eeuwige waarheid ontwaaken.
Il y a un certain fil dans les affaires du monde, qui les enchaine les unes aux autres; & quand on peut le saisir adroitement on n'est point éloigné de percer dans l'avenir, on apperçoit en gros la suite des choses.
Deslandes, Hist. Crit. de la Philosophie, Tom. II. p. 123.
Veniet tempus, quo ista, quæ nunc latent, in lucem dies extrahat & longioris ævi diligentia. Ad inquisitionem tantorum ætas una non sufficit, ut tota cælo vacet..... Veniet tempus quo posteri nostri tam aperta nos nescisse mirentur.
Senecæ, Nat. Quæst. L. VII. Cap. 25.
Εὰν γαρ τὰ παρεληλυθοτα μνημονευης, ἄμεινον καὶ περι των μελλοντων βουλευση.
Tot nos præceptis, tot nos exemplis instruxit Antiquitas, ut non possit videri ulla sorte ætas felicior, quam nostra, cui docendi priores elaboraverunt.
Quinct. Instit. Orat. Lib. XII.
Non enim parum cognosse; sed in parum cognita stulté et diu perseverasse, turpe est.
CICERO de Invent.
Dat is: Deuzig was eertijds de naam van een volksziekte, het woord is samengesteld uit het Fransche woord, deux twee, en het Hollansche ziek, als of men wilde zeggen, deux ziek brein, dat is een brein dat aan weêrszijden, in 't voor- en agterhoofds gedeelte, door ziekte aangetast is.
E. WOLFF, SARA BURGERHART, na de beste uitgaven, met verschillende leezingen en doorgaande nooten verrykt, gedrukt te Irkutskoi 2110.
MOZES MENDELSZOON.
POPES; Proeven van den Mensch.
In arte Poetica.
Dat is: Het zieltogend Holland hersteld, of Geschiedverhaal van het gene in de Vereenigde Nederlanden in de XVIIIe eeuw voorgevallen is, door Ha-ki-ung van China, met koperen plaaten, gedrukt te Peking, op kosten van La-chi-to-ang, gewoon drukker van het Letterkundig Genootschap aldaar Ao. 2150.
όὐδεν διαφέρει αρχων ἀγαθος ἀγαθο πατρὸς.
Boursault geeft den Koningen, op dien grond, ook deze gewigtige les, in zijn fraai Tooneelstuk Esope à la Cour.
Quid est, libertas? Potestas vivendi, ut velis. Quis igitur vivit ut vult, nisi qui recta sequitur, qui gaudet officio, cui vivendi via considerata atque provisa est.
Parad. V. Cap. I.
PLATO de Rep. Lib. 3.
Idem Protector et Hostis.
De schaamle Reiziger, zal voor den Roover zingen.
Dat is: Een man wiens misdaad bestondt, in iets van de Reizigers, tegen hunnen wil, te neemen.
De arte Poetica.
JUVENALIS Sat. XIV.
De Apostel Paulus zegt mede, zeer juist: de gierigheid is de wortel van alle kwaad.
Vergelijkt hier mede den 11den Zendbrief van den Apostel Paulus aan Thimotheus vers 1–9. ingesloten.
Dus door VONDEL in Neêrduitsche dichtmaat gebragt:
Essai on Man. Ep. I.