Tweede deel.

Een reis naar Brobdingnag.

Eerste hoofdstuk.

Een hevige storm; de sloep wordt uitgezonden om water te halen; de schrijver gaat mee om het land op te nemen; hij wordt op de kust achtergelaten; gegrepen door een van de inboorlingen en naar een boerenwoning gevoerd; zijn ontvangst daar, met de verschillende dingen die hem daar overkwamen; een beschrijving van de inwoners.

Door de natuur en het noodlot tot een bezig en rusteloos leven veroordeeld, verliet ik twee maanden na mijn wederkomst, opnieuw mijn vaderland, en ging scheep in de Duyns, op den 20sten Juni 1702, in de Adventure, gezagvoerder kapitein John Nicholas, van Corn-Wales, met bestemming naar Surat. We hadden een zeer voordeeligen wind tot we aan de Kaap de Goede Hoop kwamen, waar we ankerden om water in te nemen, maar daar we een lek ontdekten, ontscheepten we onze goederen en bleven er overwinteren; en doordat de kapitein een aanval van jicht kreeg, konden wij de Kaap niet verlaten voor het eind van Maart; wij gingen toen onder zeil en hadden een goede reis totdat we de straat van Madagaskar doorgingen; maar toen wij ten Noorden van dat eiland gekomen waren, en op ongeveer vijf graden zuiderbreedte, begon de wind, die, zooals men heeft opgemerkt, in die zeeën van het begin December tot het begin van Mei geregeld uit den hoek tusschen het Noorden en Westen waait, heviger op te zetten en meer uit het Westen dan gewoonlijk, en bleef zoo twintig dagen achter elkaar, in welken tijd wij een beetje ten Oosten van de Molucca-eilanden werden gedreven, en ongeveer drie graden ten Noorden van den Evenaar, naar de waarnemingen die de kapitein deed op den 2den Mei, toen de wind ophield en er een volledige kalmte intrad, waarover ik niet weinig blij was. Maar, hij die goed ervaren was in de scheepvaart in die zeeën, zeide ons, allen gereed te zijn voor een storm, die dan ook den volgenden dag opkwam; want de zuidelijke wind, de Zuid-mousson genaamd, begon te waaien en zwol spoedig aan tot een orkaan.

Tijdens dezen storm, die gevolgd werd door een zwaren wind W.Z.W., werden wij, naar mijn berekening, ongeveer vijfhonderd mijlen oostwaarts gedreven, zoodat de oudste matroos aan boord niet zeggen kon in welk deel van de wereld wij waren. Onze levensmiddelen hielden het wel uit, ons schip was stevig en onze bemanning gezond, maar wij lagen in den uitersten nood van water: wij oordeelden het best in dezelfde richting voort te zeilen, liever dan ons meer Noordwaarts te wenden, waardoor we in de noordwestelijke deelen van Noord-Tartarije en in de IJszee zouden zijn verdwaald.

Den 16den Juni 1703 bespeurde een jongen in den topmast land. Den 17den kwamen we in ’t onmiddellijk gezicht van een groot eiland of vasteland (want we wisten niet welk van beide), ten Zuiden waarvan een kleine punt of landengte in zee uitstak, en een kreek was, te ondiep om een schip van meer dan 100 ton toe te laten. Wij wierpen het anker uit binnen een mijl van deze kreek, en onze kapitein zond een dozijn van zijne mannen, goed gewapend in de sloep, met vaten om water in te halen, als zij dat vinden konden. Ik verzocht verlof met hen te gaan, opdat ik het land zien mocht en kijken wat ontdekkingen ik doen kon. Toen wij aan land kwamen zagen wij geen rivier of bron, noch eenig teeken van inwoners. Ons volk liep daarom de kust op om versch water te vinden dicht bij de zee, en ik wandelde alleen zoowat een mijl naar den anderen kant, waar ik zag dat het land kaal en rotsig was. Ik begon nu vermoeid te worden, en niets ziende dat mijn belangstelling gaande hield, ging ik zachtjes aan terug naar de kreek, waar ik, daar de zee vlak voor me open lag, ons volk al weer in de boot zag en zoo hard mogelijk naar schip roeien. Ik wou ze juist achterna roepen, ofschoon het toch weinig zou geholpen hebben, toen ik een reusachtigen man-mensch gewaar werd, die hen zoo snel hij kon achtervolgde in zee: hij waadde niet veel dieper dan zijn knieën en nam ontzaglijke stappen, maar ons volk was hem een halve mijl vooruit, en daar de zee daaromtrent vol scherppuntige rotsen was, kon het monster de boot niet inhalen. Dit werd mij later verteld, want ik dorst niet daar blijven om den afloop van dit avontuur te zien, en liep zoo hard ik kon den weg terug waar ik vandaan kwam en beklom toen een steilen heuvel, vanwaar ik het land eenigszins overzien kon. Ik bevond dat het overal bebouwd was; maar wat mij in ’t eerst verraste was de lengte van het gras, dat in die vakken, die voor hooien bestemd schenen, meer dan twintig voet hoog stond.

Ik raakte op een heerweg, want daar hield ik het voor, ofschoon het den inwoners alleen voor voetpad tusschen een korenveld diende. Hier wandelde ik een poosje door, maar kon aan weerszijde bijna niets zien, want daar het nu bijna oogsttijd was, stond het koren minstens veertig voet hoog. Na een uur wandelens kwam ik aan het eind van dit veld, dat omhaagd was met palen van minstens honderdtwintig voet, en de boomen waren zoo hoog, dat ik ze niet schatten kon. Er was een overloop om van het eene veld in het andere te komen. Die had vier treden en een steen, dien men over moest stappen als men op de hoogte kwam. Het was onmogelijk voor mij dien overloop te beklimmen, want iedere trede was zes voet hoog, en de steen er op meer dan twintig. Ik trachtte een opening in de heg te vinden, toen ik in het naaste veld een van de inwoners naar den overloop zag toekomen, van dezelfde grootte als die ik in zee onze boot had zien vervolgen. Hij leek zoo hoog als een gewone kerktoren en nam stappen naar schatting van ongeveer tien el; ik was in de uiterste vrees en ontsteltenis, en liep om me in het graan te verschuilen, vanwaar ik hem, op den top van den overloop staande, naar het veld rechts ernaast zag kijken, en ik hoorde hem roepen met een stem heel wat luider dan een spreektrompet; maar dit geluid was zoo hoog in de lucht, dat ik in het eerst dacht dat het donderde; waarop zeven monsters van zijn soort naar hem toekwamen met sikkels in hun handen, iedere sikkel zoowat van de grootte van zes zeisen. Deze lieden waren niet zoo goed gekleed als de eerste, wiens knechts of arbeiders zij leken; want, ingevolge een paar woorden die hij hun zei, gingen ze het koren afmaaien in het veld, waar ik in lag. Ik bleef zoo ver mogelijk van hen vandaan, maar kon niet dan met de grootste moeite voortkomen, want de halmen stonden soms niet meer dan een voet van elkaar af, zoodat ik nauwelijks mijn lichaam er tusschen door kon wringen.

Ik slaagde er echter in vooruit te komen totdat ik kwam aan een deel van het veld, waar het koren door regen en wind neergeslagen was. Hier was het me onmogelijk een stap verder voort te gaan, want de halmen waren zoo door elkaar gevlochten, dat ik er niet door kon kruipen en de baard van de omgevallen aren was zoo hard en puntig, dat hij mij door mijn kleeren heen in het vleesch stak. Tegelijkertijd hoorde ik de maaiers niet meer dan honderd el achter me. Op van inspanning en overweldigd door verdriet en wanhoop, ging ik in een vore liggen en hoopte van harte, dat ik daar mijn dagen mocht eindigen. Ik beklaagde mijn verlaten weduwe en vaderlooze kinderen. Ik betreurde mijn eigen dwaasheid en grilligheid om een tweede reis te ondernemen, in weerwil van den raad van al mijn vrienden en betrekkingen. Onder deze vreeselijke aandoeningen kon ik niet nalaten te denken aan Lilliput, waar de inwoners mij aanzagen voor het grootste wonder dat ooit in de wereld verschenen was; waar ik in staat was geweest een keizerlijke vloot met mijn hand te voeren, en al die daden te bestaan die vermeld zullen worden in de geschiedboeken van dat rijk, terwijl het nageslacht ze nauwelijks gelooven zal, schoon millioenen er getuigenis van doen. Ik dacht bij mij zelf wat een vernedering het voor me zijn zou, voor dit volk even onbeduidend te schijnen als een enkele Lilliputter bij ons zou zijn, maar dit begreep ik, zou toch nog de minste zijn van mijn rampen, want daar het is opgemerkt dat menschelijke wezens wilder en wreeder zijn naarmate ze grooter zijn van omvang, wat kon ik anders verwachten dan een hapje te zullen wezen in den mond van den eersten van deze ontzaglijke barbaren, die mij vangen mocht. Ongetwijfeld hebben de wijsgeeren gelijk als zij zeggen, dat niets groot of klein is dan in vergelijking met iets anders. Het lot zou de Lilliputters een land hebben kunnen laten vinden, waar de menschen even klein waren ten opzichte van hen, als zij het waren ten opzichte van mij. En wie weet of niet zelfs dit reusachtig ras van stervelingen even zooveel in grootte overtroffen wordt in een of ander deel van de wereld dat tot nu toe niet is ontdekt.

Ontsteld en ontdaan als ik was, kon ik niet nalaten met die bedenkingen voort te gaan, toen een van de maaiers, door de plaats waar ik lag, tot op tien el afstands voorbij te komen, mij vreezen deed dat ik bij den eerstvolgenden stap zou worden doodgetrapt onder zijn voet of in tweeën gesneden door zijn sikkel. En daarom, zoodra hij zich weer bewegen ging, schreeuwde ik zoo hard als mijn angst alleen me kon doen uithouden; waarop het monster-schepsel zijn stap inhield, en nadat hij een poosje om zich heen gekeken had, eindigde met mij te bespeuren, waar ik voor hem op den grond lag.

Hij bekeek mij eerst met de voorzichtigheid van iemand, die probeert een klein gevaarlijk diertje zoo op te pakken, dat het hem niet krabben of bijten kan, zooals ik zelf dikwijls een wezeltje in Engeland gedaan heb. Ten laatste waagde hij het en vatte mij op, van achteren om de middel, tusschen zijn voorvinger en duim en bracht me tot binnen drie el van zijn oogen, om beter te kunnen waarnemen hoe ik er precies uitzag. Ik raadde zijn bedoeling en had gelukkig zooveel tegenwoordigheid van geest, dat ik besloot in ’t minste niet tegen te stribbelen, terwijl hij mij in de lucht hield, meer dan zestig voet boven den grond, ofschoon hij mij vreeselijk in mijn zijde kneep, uit angst dat ik hem door de vingers zou glippen. Al wat ik waagde was mijn oogen naar de zon op te heffen, mijn handen samen te vouwen in smeekende houding en eenige woorden te spreken, met een nederige en zwaarmoedige uitdrukking, zooals dat mij in mijn toestand paste; want ik vreesde ieder oogenblik dat hij mij tegen den grond zou smakken, zoo als wij gewoonlijk doen met een klein griezelig insekt, dat we willen doodmaken. Maar mijn goed gesternte beschikte dat hij scheen behagen te scheppen in mijn stem en gebaren, en me begon te bekijken als iets heel zonderlings, erg verbaasd mij gearticuleerde woorden te hooren uitspreken, ofschoon hij die niet verstaan kon. In dien tusschentijd kon ik niet nalaten te kreunen en tranen te storten, en mijn hoofd naar mijn zijden te draaien, om hem zoo goed ik kon te kennen te geven, hoe verschrikkelijk ik bezeerd werd door den druk van zijn vinger en duim. Hij scheen mijn bedoeling te begrijpen, want de panden van zijn jas oplichtende, stak hij mij zachtjes daarin en liep dadelijk met mij naar zijn meester, die een gezeten boer was en dezelfde, dien ik eerst in het veld gezien had.

Toen de boer (zooals ik uit hun praten opmaakte) zich door zijn knecht had laten vertellen, wat die van mij wist, nam hij een stukje van een klein strootje, zoowat zoo groot als een wandelstok en lichtte daarmede de panden van mijn jas op, die hij naar ’t scheen voor een soort bedeksel hield, dat de natuur mij gegeven had. Hij blies mijn haar uit mijn gezicht om dit beter te kunnen bekijken. Hij riep zijn knechts bij zich en vroeg hen, zooals ik later leerde begrijpen, of ze ooit in het veld een wezentje gezien hadden dat iets van mij had? Toen zette hij mij zachtjes op den grond op handen en voeten, maar ik sprong dadelijk op en wandelde langzaam achteruit en vooruit, om dien lieden te toonen, dat ik niet van plan was weg te loopen. Ze gingen allemaal in een kring om me heen zitten, om beter mijn bewegingen te kunnen zien. Ik nam mijn hoed af en maakte een diepe buiging voor den boer. Ik viel op mijn knieën en hief mijn handen en oogen omhoog en sprak zoo luid ik kon verscheidene woorden; ik haalde een beurs met goudgeld uit mijn zak en bood hem die nederig aan. Hij nam haar aan op de palm van zijn hand, hield haar toen dicht bij zijn oogen om te zien wat het was, en draaide haar daarna een keer of wat om en om met de punt van een speld, (die hij van zijn mouw haalde), maar hij kon er niet uit wijs worden. Ik wenkte hem daarom zijn hand op den grond te leggen, nam toen de beurs er af, opende haar, en stortte al het goud op zijn handpalm uit. Er waren zes Spaansche stukken, elk van vier pistolen, behalve twintig of dertig kleinere munten. Ik zag hem den top van zijn middelsten vinger vochtig maken, en eerst een, en toen nog een van de grootste stukken er mee opnemen; maar hij scheen heelemaal niet te begrijpen wat dat waren. Hij beduidde mij ze weer in mijn beurs te doen en de beurs in mijn zak te steken, wat ik, na ze hem nog een paar keer te hebben aangeboden, besloot te doen.

De boer begon nu overtuigd te worden dat ik een redelijk wezen zijn moest. Hij sprak me herhaaldelijk toe, maar het geluid van zijn stem verscheurde mijn ooren als dat van een watermolen; maar zijn woorden klonken wel geartikuleerd. Ik antwoordde zoo hard ik kon in verscheidene talen, en hij bracht zijn oor telkens tot op twee el van me af, maar alles te vergeefs, want wij verstonden elkaar volstrekt niet. Hij stuurde toen zijn knechts weer aan ’t werk, en zijn zakdoek uit zijn zak gehaald hebbende, deed hij dien dubbel en spreidde hem uit op zijn linkerhand, die hij plat op den grond hield, met de palm naar boven, en wenkte mij er op te stappen, wat ik gemakkelijk doen kon, want ze was niet meer dan een voet dik. Ik achtte het het voordeeligst te gehoorzamen en ging uit vrees voor vallen, languit op den zakdoek liggen, waarvan hij de punten veiligheidshalve tot aan mijn hoofd om me heen wikkelde en droeg me zoo ingepakt meê naar zijn huis. Daar riep hij zijn vrouw en liet me aan haar zien, maar ze begon te gillen en liep weg zooals de vrouwen in Engeland doen als ze een pad of een spin zien. Maar toen ze een poosje mijn manieren gezien had en hoe goed ik luisterde naar de gebaren van haar man, werd ze spoedig met mij verzoend en ging langzamerhand erg veel van me houden.

Het was omstreeks twaalf uur op den middag en een dienstbode bracht het eten binnen. Het bestond uit niets dan een stevig vleesch-gerecht (naar den eenvoudigen stand van een landman) in een schotel van zoowat vier en twintig voet doorsnede. De aanzittenden waren de boer en zijn vrouw, drie kinderen en een oude grootmoeder. Toen zij zaten zette de boer mij een eindje van zich af, op de tafel, die dertig voet hoog was. Ik was doodsbang dat ik er af zou vallen en bleef zoo ver mogelijk van den rand. De vrouw sneed een snippertje vleesch af en kruimelde wat brood op een schoteltje en zette me dat vóor. Ik maakte een diepe buiging voor haar, haalde mijn mes en vork uit en ging aan ’t eten, waar ze verbazend veel schik in hadden. De meesteres liet de meid een klein likeurkelkje halen, dat zoowat twee gallons inhield, en vulde het met drank: ik tilde het vat met moeite met mijn twee handen op en dronk met eerbiedige gebaren op mevrouws gezondheid, waarbij ik de Engelsche woorden uitsprak zoo luid ik kon, wat het gezelschap zoo hartelijk aan ’t lachen maakte dat ik bijna doof werd van ’t lawaai.

De drank smaakte als een lichte ciderwijn, en was niet onaangenaam. Toen gaf de meester mij een wenk om bij den rand van zijn bord te komen; maar terwijl ik over de tafel liep, voortdurend, zooals de lezer wel begrijpt en verontschuldigen zal, in de grootste verbazing, struikelde ik over een broodkorst en viel plat op mijn gezicht, maar zonder me te bezeeren. Ik stond dadelijk op en toen ik zag dat de goede liên nog bezorgd over me waren, nam ik mijn hoed (dien ik als welgemanierd mensch onder mijn arm hield), en riep, terwijl ik er mee boven mijn hoofd zwaaide, driemaal hoera! om te toonen dat de val goed was afgeloopen. Maar terwijl ik naar mijn meester (zooals ik hem in ’t vervolg noemen zal) toekwam, pakte zijn jongste zoon, een bengel van een jongen van vier jaar oud, die naast hem zat, mij bij mijn beenen en hield mij zoo hoog in de lucht, dat ik sidderde aan al mijn leden; maar zijn vader griste me van hem af en gaf hem tegelijkertijd een klap om zijn ooren, die een heele afdeeling Europeesche ruiterij tegen den grond zou hebben geslagen, terwijl hij hem beval van tafel te gaan. Maar daar ik bevreesd was dat de knaap een hekel aan mij krijgen zou, en mij te binnen bracht hoe baldadig alle kinderen bij ons van natuur zijn tegenover musschen, kleine katjes en jonge hondjes, viel ik op mijn knieën, en gaf, naar den knaap wijzende, mijn meester zoo goed ik kon te verstaan, dat ik om vergiffenis voor hem verzocht: de vader gaf toe en de knaap mocht weer gaan zitten, waarop ik naar hem toeging en zijn hand kuste, die mijn meester in de zijne nam en mij zachtjes deed aaien.

Midden onder het maal sprong de lievelingspoes van mijn meesteres op haar schoot. Ik hoorde een gedruisch als van een dozijn kousenwevers aan hunne weefgetouwen, en toen ik mijn hoofd omdraaide merkte ik dat het het spinnen van dit dier was, dat driemaal grooter leek dan een os, zooals ik opmaakte uit de grootte van haar kop en een klauw, dien ik zag, terwijl haar meesteres haar eten gaf en aaide. Het woeste uitzicht van dit gedrocht bracht me heelemaal van de wijs, schoon ik aan het andere eind van de tafel stond, zoowat vijftig voet van haar af en mijn meesteres haar vasthield, uit vrees dat ze een sprong zou doen en me in haar klauwen grijpen. Maar daar was gelukkig geen gevaar voor, want poes nam niet de minste notitie van me, zelfs niet toen mijn meester me tot binnen drie el afstands van haar neerzette. En daar men mij altijd gezegd heeft en ik dit op mijn reizen altijd bij ondervinding had bewaarheid gezien, dat vluchten of zich bevreesd toonen voor een wild dier, een zeker middel is om zich er door te laten aanvallen, besloot ik in dit gevaarlijk oogenblik mij in ’t geheel niet bezorgd te toonen. Ik wandelde daarom stoutmoedig vijf- of zesmaal vlak voor poes haar kop heen en weer en kwam tot op een halve el bij haar, waarop zij zich terugtrok, alsof zij banger voor mij dan ik voor haar was; minder bang was ik voor de honden, waarvan er drie of vier in de kamer kwamen, zooals in boerenhuizen gebruikelijk is; waarvan er één een bandhond was, zoowat van den omvang van vier olifanten, en een hazewind ietwat hooger dan de bandhond, maar niet zoo zwaar.

Toen de maaltijd bijna gedaan was, kwam de kindermeid binnen met een kind van een jaar oud in haar armen, dat me dadelijk in de gaten kreeg en begon te blèren dat men het zou kunnen hooren van Amsterdam tot Sloterdijk, op de gebruikelijke manier van kinderen, om me voor speelgoed te hebben. De moeder nam me uit pure goedheid op en hield me naar het kind toe, dat me dadelijk bij mijn middel greep en mijn hoofd in zijn mond stak, waar ik zoo hard ging schreeuwen dat de dreumes er van schrikte en mij vallen liet, zoodat ik onvermijdelijk mijn nek zou hebben gebroken, als de moeder niet haar boezelaar onder me had gehouden. De kindermeid gebruikte, om het kind zoet te houden, een ratel, die niets anders was dan een soort hol vat vol groote steenen en met een kabel om het middel vastgemaakt; maar het was alles te vergeefs, zoodat ze als laatste redmiddel wel besluiten moest het kind de borst te geven. Ik moet bekennen dat nooit een voorwerp mij zoo walgde als haar monsterachtige borst, waarvan ik niet kan zeggen waar ik ze mee vergelijken moet om den belangstellenden lezer een denkbeeld te geven van haar omvang, gedaante en kleur.

Dit bracht me aan ’t denken over het fijne vel van onze Engelsche dames, die ons zoo mooi lijken, alleen omdat ze van onze eigen grootte zijn, en hun gebreken alleen door een vergrootglas zijn te zien, wanneer we bij ondervinding weten, dat het gladste en witste vel er ruw en grof en akelig van kleur uitziet.

Ik herinner mij, dat, toen ik in Lilliput was, de gelaatskleur van die miniatuur-menschjes mij de mooiste in de wereld leek; en in een gesprek over dit onderwerp met een geleerde daar, die een vertrouwd vriend van mij was, zei die mij dat mijn gezicht veel fijner en gladder leek als hij het van den grond, dan als hij het van nabij zag, als ik hem in mijn hand nam en er vlak voorhield, wat werkelijk, zei hij, in ’t eerst een heel griezelig gezicht was. Hij zei dat hij groote gaten in mijn huid kon waarnemen, dat de stompjes van mijn baard tienmaal sterker waren dan de stekels van een wild zwijn en mijn gelaatskleur bestond uit verschillende kleuren, volmaakt onaangenaam. Schoon ik toch vrijheid vragen moet te betuigen, dat ik even blank ben als de meeste van mijn mannelijke landgenooten, en door al mijn reizen maar heel weinig verschroeid.

Daarentegen, sprekende van de dames aan het hof van dien Keizer, placht hij wel te zeggen dat éen sproeten had, een andere een te grooten mond, een derde een te breeden neus; dingen waar ik allemaal niets van onderscheiden kon. Ik moet zeggen dat deze overwegingen hinderlijk genoeg zijn; maar ik kon ze toch niet achterwege laten, omdat de lezer anders denken zou dat die groote schepsels werkelijk mismaakt waren, wat niet zoo is, want ik moet om billijk te zijn, erkennen dat ze een knap soort volk zijn, en voornamelijk de trekken van het gezicht van mijn meester, ofschoon hij maar een boer was, zagen er als ik ze op hun hoogte van zestig voet zag zeer evenredig gevormd uit.

Na den maaltijd ging mijn meester zien naar zijn arbeiders, en gaf zijn vrouw, zooals ik uit zijn stem en gebaren kon opmaken, strikten last om goed zorg voor mij te dragen. Ik was erg vermoeid en slaperig en mijn meesteres, dat bemerkende, legde me op haar eigen bed en dekte me toe met een schoonen witten zakdoek, maar grooter en grover dan het schoenerzeil van een oorlogsschip.

Ik sliep ongeveer twee uur en droomde dat ik thuis was bij mijn vrouw en kinderen, wat mijn verdriet nog deed toenemen toen ik wakker werd en mij alleen, in een uitgestrekt vertrek van tusschen twee- en driehonderd voet breed en meer dan tweehonderd hoog in een bed van twintig ellen breedte liggen vond. Mijn meesteres was aan haar huishouden gegaan en had mij opgesloten. Het bed was acht el boven den vloer. Ik wenschte er af te komen, maar dorst niet roepen; en als ik het gedaan had zou het te vergeefs geweest zijn, met een stem als de mijne, op een zoo grooten afstand als van de kamer waar ik was tot de keuken, waar de familie zich in ophield. Terwijl ik mij in die omstandigheden bevond, kropen twee ratten tegen de gordijnen op, en liepen snuffelende naar achteren en naar voren over het bed. Een kwam bijna vlak bij mijn gezicht, waarop ik beangst opsprong en mijn houwer trok om me te verdedigen. Deze afgrijselijke dieren hadden de stoutmoedigheid mij aan weerszijden aan te vallen en een hield zijn voorpooten aan mijn halsboord; maar ik had het geluk haar den buik op te rijten, voor zij mij eenig kwaad kon doen. Zij viel voor mijn voeten neer en de andere, het lot van haar makker ziende, nam de vlucht, maar niet zonder een geduchte wond op haar rug, die ik haar gaf terwijl zij wegliep en haar het bloed langs de zijden deed druppelen. Na deze heldendaad wandelde ik zoetjes op en neer over het bed, om weer op adem en op mijn verhaal te komen. De beesten waren van de grootte van een grooten dog maar oneindig vlugger en woester, zoodat, als ik voor ik slapen ging, mijn gordel had afgelegd, ik onfeilbaar in stukken gescheurd en verslonden zou zijn. Ik mat den staart van de doode rat en bevond dat hij twee el lang was, op een duim na; maar ik walgde er een beetje van het lijk van het bed af te sleepen, waar het maar al lag te bloeden; ik merkte dat er nog eenig leven in was, maar met een fikschen houw over den nek, maakte ik het heelemaal van kant. Spoedig daarop kwam mijn meesteres in de kamer, die mij geheel bebloed ziende, toeschoot en mij in haar hand nam. Ik wees haar naar de doode rat, glimlachende en nog andere teekens makende om te toonen dat ik niet gewond was, waarop ze uitermate blij werd, roepende de meid om de doode rat op te nemen met een tang en haar uit het venster te gooien. Toen zette ze mij op tafel, waar ik haar mijn houwer toonde heelemaal bebloed, en stak hem, nadat ik hem aan mijn jaspanden had afgeveegd, weer in zijn schede.

Ik hoop dat de vriendelijke lezer mij het uitweiden over deze en dergelijke bijzonderheden ten goede zal houden, die, hoe onbeteekenend zij voor gewone geesten schijnen mogen, toch zeker een wijsgeer zullen helpen zijn gedachten en verbeelding te verrijken, en er gebruik van te maken ten welvaren van publiek zoowel als bijzonder leven, wat mijn eenig doel was met het voorleggen van deze en andere berichten van mijn reizen aan de wereld, waarin ik voornamelijk naar waarheid gestreefd heb, zonder eenige versierselen van geleerdheid of stijl voor te wenden. Maar het geheele tooneel van deze reis maakte zoo een sterken indruk op mijn geest, en is zoo diep gegrift in mijn geheugen, dat ik, haar op papier brengende, niet eene bijzonderheid van beteekenis vergeten heb; evenwel heb ik bij een strenge herziening, verscheidene gedeelten van minder gewicht weggeschrapt, die in mijn eerste handschrift waren, uit vrees te worden veroordeeld als vervelend en onbeteekenend, wat reizigers dikwijls, misschien niet ten onrechte, beschuldigd worden te zijn.

Tweede hoofdstuk.

Een beschrijving van het dochtertje van den boer.—De schrijver naar een marktplaats gebracht en daarna naar de hoofdstad.—Bizonderheden over zijn—reis.—

Mijn meesteres had een dochtertje van negen jaar oud, een voordeelig kind voor haar leeftijd, heel vlug met de naald en handig in het kleeden van haar pop. Haar moeder en zij brachten tegen den nacht de poppewieg voor mij in orde; de wieg werd in een kleine la van een kabinet gezet, en de la op een hangende plank geplaatst uit vrees voor de ratten. Dit was mijn bed, al den tijd, dat ik bij die menschen in huis bleef, schoon het langzamerhand meer naar mijn gemak werd ingericht, naarmate ik hun taal begon te leeren, en mijn behoeften bekend te maken. Dit jonge meisje was zoo handig, dat toen ik een of twee keer mijn kleeren had uitgetrokken waar zij bij was, ze mij aan en uit kon kleeden, maar ik deed haar die moeite nooit aan, tenzij ze er op aandrong. Zij maakte zeven hemden en ander linnengoed voor me, van het fijnste goed dat ze krijgen kon, dat toch nog grover was dan zakkegoed, en die waschte ze geregeld zelf. Zij was ook mijn schooljuffrouw, die me de taal leerde; als ik naar iets wees, zei zij mij den naam er van in haar taal, zoodat ik in een dag of wat vragen kon om wat ik hebben wou. Zij was een goed kind en niet grooter dan veertig voet, wat klein is voor haar leeftijd. Zij gaf mij den naam van Grildrig, dien de familie overnam en later het heele rijk. Het woord beteekent wat de Latijnen Nanunculus, de Italianen Homunceletino en de Engelschen mannikin noemen. Ik ben haar grootendeels verschuldigd dat ik in dit land mijn leven behield; ik noemde haar mijn Glumdalclitch of kindermeisje, en ik zou me schuldig maken aan groote ondankbaarheid als ik deze eervolle vermelding naliet van haar zorg en genegenheid voor mij, die ik van harte wensch dat het in mijn macht stond, te beloonen zooals ze het verdient, in plaats van, zooals ik maar te veel reden heb te vreezen, de onschuldige, maar ongelukkige bewerker van haar schande te zijn.

Die man zette een bril op om mij te bekijken.

Die man zette een bril op om mij te bekijken.

Het begon nu bekend, en in de buurt erover gepraat te worden, dat mijn meester een vreemd diertje in ’t veld had gevonden, zoowat zoo groot als een splacnuck, maar volmaakt gevormd als een menschelijk wezen, dat het ook in al zijn bewegingen nabootste; en dat een eigen taaltje scheen te spreken, al verscheidene woorden van hun taal geleerd had, rechtop op zijn twee beenen liep, tam en aardig was, kwam wanneer het geroepen werd, alles deed wat het gezegd werd, de fijnste ledematen van de wereld had, en een complexie teerder dan een edelmansdochter van drie jaar oud. Een andere boer, die dichtbij woonde, en een bizonder vriend van mijn meester, kwam een bezoek brengen met het doel te onderzoeken wat er waar was van dat verhaal. Ik werd onmiddellijk voor den dag gehaald en op een tafel gezet, waar ik wandelde zooals men mij beval, mijn houwer trok, weer opstak, een buiging maakte voor den gast, hem in zijn eigen taal vroeg hoe hij het maakte, en hem zei dat hij welkom was, zooals mijn kindermeisje mij dat had geleerd. Deze man, die oud en bijziende was, zette zijn bril op om mij beter te zien, waarop ik niet laten kon hartelijk te lachen, want zijn oogen leken me wel volle manen, schijnende in een kamer met twee vensters. De huisgenooten, die de oorzaak van mijn vroolijkheid ontdekten, hielden mij in mijn lachen gezelschap, waarover de oude mal genoeg was boos en uit zijn humeur te worden. Hij stond bekend voor een ergen vrek; en hij kon dat, tot mijn ongeluk, best wezen, naar den vervloekten raad dien hij mijn meester gaf, mij te laten kijken op een marktdag in de naburige stad, die een half uur rijdens, ongeveer twee-en-twintig mijlen, van ons af was. Ik vermoedde dat er eenig kwaad broeide, toen ik mijn meester en zijn vriend met elkaar zag fluisteren, terwijl zij soms naar mij wezen; en mijn vrees deed me gelooven dat ik af en toe enkele van hun woorden verstaan kon. Maar den volgenden morgen vertelde Glumdalclitch, mijn kleine oppaster, mij de heele zaak, waarover ze haar moeder listig had uitgehoord. Het arme kind legde mij aan haar borst, en viel aan ’t schreien van verdriet en schaamte. Zij was bang dat mij een ongeluk zou overkomen van gemeene hardhandige menschen, die me misschien dood zouden knijpen of een van mijn leden breken, als ze me in hun handen namen. Zij had ook gemerkt hoe preutsch ik van nature was, hoe gesteld op mijn eer, en wat een schande ik het vinden zou voor geld ten toon gesteld te worden, als een publieke vertooning voor het minste volk. Zij zeide, dat vader en moeder haar beloofd hadden, dat Grildrig van háar zou hooren; maar nu merkte zij, dat ze haar net zoo zouden behandelen als het vorige jaar, toen zij haar een lam beweerden te geven, en het toch, zoodra het goed vet was, verkochten aan een slager. Wat mij betreft, ik kan naar waarheid getuigen, dat ik minder bezorgd was dan mijn verzorgstertje. Ik had een vast vertrouwen, dat me nooit verliet, dat ik eens mijn vrijheid zou terugkrijgen; en wat aangaat de schandelijkheid van te worden door het land gevoerd als een kijkspel, ik bedacht dat ik een volslagen vreemdeling was in dat land, en dat zulk een ongeluk mij nooit als een verwijt kon worden nagegeven, als ik mocht terugkomen in Engeland, daar de koning van Groot-Brittannië zelf, in mijn geval, hetzelfde lot had moeten ondergaan.

Mijn meester nam me dan, ingevolge den raad van zijn vriend, den volgenden marktdag, in een doos met zich naar de naburige stad en liet zijn dochtertje, mijn kleine verzorgster, op een kussen achter hem opzitten. De doos was aan alle kanten dicht, met een kleine deur voor mij om in en uit te gaan en een paar boor-gaatjes om lucht in te laten. Het meisje was zoo zorgvol geweest er de sprei van haar poppebedje in te doen, waarop ik liggen kon. Nochtans werd ik op die reis verschrikkelijk geschokt en heen en weer gegooid, ofschoon ze maar een half uur duurde: want het paard nam stappen van zoo wat veertig voet, en draafde zoo hoog, dat de beweging gelijk was aan het op- en neergaan van een schip in een hevigen storm, maar veel veelvuldiger. Onze reis was iets verder dan van Londen naar St. Albans. Mijn meester stapte af aan een herberg, waar hij dikwijls kwam; en na een poosje met den herbergier overlegd, en eenige noodzakelijke toebereidselen gemaakt te hebben, huurde hij den grultrud, of omroeper, om door de stad bekend te maken, dat een vreemd wezen te zien was, waar de Groene Arend uithing, niet zoo groot als een splacnuck (een dier in dat land, fraai gevormd, ongeveer zes voet lang) en in al zijn lichaamsdeelen een menschelijk wezen gelijkende; het kon verscheidene woorden spreken en honderd aardige kunstjes doen.

Ik werd op een tafel gezet in het grootste vertrek van de herberg, dat bijna driehonderd voet in ’t vierkant mag zijn geweest. Mijn kleine meesteres stond op een lagen stoel vlak bij de tafel, om op me te passen en me te zeggen wat ik doen moest. Om gedrang te vermijden wou mijn meester niet meer dan dertig personen tegelijk binnenlaten. Ik stapte over de tafel heen en weer, zooals mij door het dochtertje bevolen werd: zij stelde mij vragen, die ze wist dat ik met mijn kennis van de taal kon beantwoorden, en ik antwoordde zoo hard ik kon. Ik wendde mij verscheiden malen naar het gezelschap, groette het beleefd, zei dat het welkom was, en gebruikte een paar andere spreekwijzen, die ik had geleerd. Ik nam een vingerhoed, gevuld met drank, dien Glumdalclitch mij voor beker gegeven had en dronk hun gezondheid. Ik trok mijn houwer, en zwaaide hem, naar de wijze van de schermers in Engeland. Mijn verzorgster gaf me een stuk stroo, dat ik hanteerde als een piek, hebbende die kunst geleerd in mijn jeugd. Ik werd dien dag vertoond aan twaalf partijen volk, en was even dikwijls genoodzaakt dezelfde dwaasheden over te doen, totdat ik halfdood was van uitputting en ergernis; want zij die mij gezien hadden brachten zulke wondervolle verslagen uit, dat het volk op het punt stond de deur open te breken om binnen te komen. Mijn meester wou niet, in zijn eigen belang, dat iemand mij aanraakte dan zijn dochtertje, en om ongelukken te voorkomen, waren banken rondom de tafel gezet op zoo’n afstand, dat ik buiten ieders bereik was. Maar een ondeugende schooljongen mikte een hazelnoot vlak op mijn hoofd, die me bijna geraakt had; gelukkig bijna, want ze kwam met zooveel kracht, dat ze onfeilbaar mijn hersens zou hebben stukgeslagen, want ze was haast zoo groot als een kleine meloen; maar ik had de voldoening den jeugdigen rekel flink afgerost en buiten de deur gezet te zien.

Mijn meester liet bekend maken dat hij mij den volgenden marktdag weer vertoonen zou; en maakte meteen een geriefelijker voertuig voor me klaar, wat ook wel noodig was; want ik was zoo uitgeput van mijn reis heen en van het acht uur achter elkaar kunstjes maken, dat ik nauwelijks op mijn beenen staan en geen woord spreken kon. Het duurde ruim drie dagen voor ik weer op mijn verhaal was; en opdat ik ook thuis toch maar vooral geen rust zou hebben, kwamen al de buren van honderd mijl in de rondte, die van mij hoorden, mij bij mijn meester aan huis zien. Het kunnen niet minder geweest zijn dan dertig personen, met hun vrouwen en kinderen (want het land was zeer bevolkt); en mijn meester vroeg telkens, als hij me thuis vertoonde, den prijs van een volle kamer, al kwam er maar een enkele familie, zoodat ik gedurende eenigen tijd geen dag van de week op mijn gemak was (behalve Woensdag, dat hun rustdag is) ook al werd ik niet naar stad gebracht.

Mijn meester, merkende hoe winstgevend ik voor hem zijn kon, besloot de belangrijkste steden van het koninkrijk met mij rond te reizen. Hebbende daarom zich voorzien van al wat noodig is voor een lange reis, en op zijn zaken thuis orde gesteld, nam hij afscheid van zijn vrouw, en op den 17den Augustus 1703, zoowat twee maanden na mijn aankomst, reisden wij af naar de hoofdstad, die bijna in het midden van dat rijk gelegen is, en op ongeveer drieduizend mijlen afstand van ons huis. Mijn meester had zijn dochtertje Glumdalclitch achter zich te paard. Ze hield mij op haar schoot in een doos, die om haar middel gebonden was. Het kind had die doos aan alle kanten gevoerd met het zachtste goed dat zij krijgen kon, het van onderen goed opgevuld, haar poppebedje erin gelegd, mij voorzien van linnen en andere behoeften, en alles zoo geriefelijk mogelijk gemaakt. Wij hadden geen ander gezelschap dan een knechtje, die achter ons reed met de bagage.

Het plan van mijn meester was mij in alle steden te laten zien, waar we doorreisden, en vijftig of honderd mijl bezijden den weg af te gaan naar ieder dorp of heerenhuis, waar hij verwachten kon zaken te doen. Wij maakten makkelijke dagreizen van niet meer dan honderdvijftig mijlen: want Glumdalclitch klaagde, om mij te sparen, over vermoeidheid door het schokken van het paard. Zij nam me, op mijn verlangen, dikwijls uit de doos, om me lucht te geven en me het land te laten zien, maar hield me altijd aan een draadje vast. Wij gingen vijf of zes rivieren over, heel wat breeder en dieper dan de Nijl of de Ganges, en er was nauwelijks een riviertje zoo smal als de Theems bij London Bridge. Onze reis duurde tien weken en in dien tijd was ik vertoond in achttien groote steden, behalve in een groot aantal dorpen en afzonderlijke huizen.

Den 26sten October bereikten wij de hoofdstad, in hun taal Lorbrulgrud, of Trots van het Heelal genoemd. Mijn meester nam zijn intrek in de hoofdstraat van de stad, niet ver van het Koninklijk paleis, en hing aanplakbiljetten buiten, in den gewonen vorm, waarop een nauwkeurige beschrijving van mijn persoon en hoedanigheden. Hij huurde een groote kamer tusschen drie- en vierhonderd voet breed. Hij schafte zich een tafel aan van zestig voet in doorsnee, waarop ik mijn kunsten vertoonen zou en omheinde haar in de rondte drie voet binnen den rand en evenveel hoog om afvallen te voorkomen. Ik werd tienmaal per dag vertoond, tot de verbazing en de voldoening van iedereen. Ik kon de taal nu tamelijk wel spreken en verstond volkomen elk woord dat tegen me gezegd werd. Ook had ik hun alphabet geleerd en kon hier en daar probeeren een volzin te verklaren; want Glumdalclitch had mij toen we nog thuis waren en in onze vrije uren op reis, onderwezen. Zij droeg een klein boekje bij zich, niet veel grooter dan een Sanson’s Atlas, dat was een eenvoudige verhandeling ten gebruike van jonge meisjes, bevattende een kort overzicht van hun godsdienst; daaruit leerde zij mij de letters en legde mij de woorden uit.

Derde hoofdstuk.

Er wordt van het hof gezonden om den schrijver.—De Koningin koopt hem van zijn meester en stelt hem voor aan den koning.—Hij houdt twistgesprekken met Zijner Majesteits geleerden.—Een kamer aan ’t hof wordt voor hem ingericht.—Hij staat in gunst bij de Koningin.—Hij verdedigt de eer van zijn vaderland.—Zijn vijandschap met den dwerg van de Koningin.

De aanhoudende veranderingen die ik iederen dag onderging, veroorzaakten binnen weinige weken een belangrijke verandering in mijn gezondheid: hoe meer mijn meester aan me verdiende, hoe begeeriger hij werd. Ik had heelemaal mijn eetlust verloren, en was bijna afgevallen tot een geraamte. De boer merkte het en overleggende bij zich zelf dat ik gauw sterven zou, besloot hij nog zooveel uit me te halen als hij kon. Terwijl hij zoo bij zichzelf overlegde en besloot, kwam een slardral, of kamerdienaar van het hof, met bevel aan mijn meester onmiddellijk daarheen te komen en mij te laten kijken aan de koningin en haar dames. Eenige van de laatste waren me al komen zien en brachten Haar Majesteit de vreemdste verhalen over van mijne schoonheid, mijn manieren en mijn gezond verstand. Hare Majesteit en zij die bij haar waren, toonden zich bovenmate over mijn voorkomen verrukt. Ik viel op mijn knieën en verzocht om de eer haar vorstelijke voeten te mogen kussen; maar deze bevallige vorstin hield, toen ik op tafel gezet was, haar pink naar me toe, die ik omvatte met bei mijn armen en waarvan ik den top met den diepsten eerbied aan mijn lippen bracht, en zij deed mij een paar algemeene vragen over mijn land en mijn reizen, die ik zoo duidelijk en zoo beknopt als ik kon beantwoordde. Zij vroeg of ik wel aan het hof zou willen leven? Ik boog tot het vlak van de tafel en antwoordde weder dat ik mijns meesters slaaf was, maar dat als ik over mij zelf beschikken mocht, ik er trotsch op wezen zou mijn leven aan Harer Majesteits dienst te wijden. Zij vroeg toen mijn meester of hij geneigd was me tegen een goeden prijs te verkoopen. Hij, die vreesde dat ik geen maand meer zou leven, was willig genoeg afstand van mij te doen en vroeg duizend stukken goud, die hem onmiddellijk werden toegestaan; elk stuk zoowat van de zwaarte van achthonderd moidores, maar in aanmerking nemende de evenredigheid in alles tusschen dat land en Europa en den hoogen prijs van het goud in dat rijk, was die som nauwelijks zoo groot als duizend guineas bij ons. Ik zei toen tot de Koningin, dat ik nog, daar ik Harer Majesteits onderdanigste dienaar en vasal was, om de gunst verzoeken dorst dat Glumdalclitch die mij altijd met zooveel zorg en zoo hartelijk had opgepast en daar zoo goed voor berekend was, ook in haar dienst zou mogen overgaan, en ook in het vervolg mijn onderwijzeres en oppaster zijn.

Hare Majesteit stond mijn verzoek toe, en verkreeg gemakkelijk de toestemming van den boer, die heel blij was zijn dochter te zien aangesteld aan het hof, en het arme kind zelf was niet in staat haar vreugd te verbergen. Mijn gewezen meester ging weg, mij vaarwel zeggende en mij toevoegende dat hij mij in een goeden dienst achterliet, waar ik geen woord op antwoordde, makende alleen een lichte buiging.

De Koningin bespeurde mijn koelheid, en vroeg mij, toen de boer uit het vertrek was, de reden daarvan. Ik waagde het Hare Majesteit te zeggen, dat ik aan mijn gewezen meester geen grooter verplichting had dan daarvoor, dat hij mij arm, schadeloos schepsel, bij toeval in ’t veld gevonden, niet doodgetrapt had; een verplichting waar ruim tegen opwoog de winst die hij gemaakt had door me in het halve koninkrijk te laten kijken en de prijs waar hij me nu voor verkocht had; dat het leven dat ik al dien tijd geleid had vermoeiend genoeg was om een dier van tienmaal mijn kracht te dooden; dat mijn gezondheid erg geschaad was door het voortdurend geploeter van ieder uur van den dag het plebs te moeten pleizieren; en dat, als mijn meester niet gedacht had dat mijn leven gevaar liep, Hare Majesteit mij niet zoo goedkoop zou gekregen hebben. Maar daar ik nu buiten alle vrees voor slechte behandeling was, onder de bescherming van een zoo groote en goede vorstin, het sieraad der natuur, de lieveling van de wereld, de verrukking van hare onderdanen, de phoenix der schepping, nu hoopte ik dat de vrees van mijn gewezen meester zonder grond zou blijken te zijn; want ik voelde mijn levensgeesten al weer wakker worden onder den invloed van hare zeer verheven tegenwoordigheid.

Dit was het hoofdzakelijke van mijn rede, gebrekkig en aarzelend uitgesproken. Het laatste deel was in den bij dit volk gebruikelijken stijl, waar ik sommige volzinnen van leerde van Glumdalclitch, terwijl ze mij naar het hof bracht.

De koningin, mijn gebrekkelijkheid in ’t spreken goedgunstig voorbijziende, was verrast over zooveel geest en verstand in een zoo nietig schepseltje. Zij nam mij in haar eigen handen en liep met me naar den Koning, die toen in zijn kabinet alleen was. Zijne Majesteit, een vorst van grooten ernst en streng voorkomen, op ’t eerste gezicht mijn gestalte niet juist bemerkende, vroeg de Koningin eenigszins koel, sinds hoe lang zij de gewoonte had dol te zijn op een splacnuck? want daar hield hij mij voor naar het schijnt, terwijl ik op mijn buik lag, op haar Majesteits rechterhand. Maar deze vorstin, een wonder van geest en beminlijkheid, zette mij zachtjes op mijn voeten op de schrijftafel en beval mij Zijne Majesteit zelf over me in te lichten, wat ik in weinige woorden deed; en Glumdalclitch, die wachtte aan de deur van het kabinet, en niet velen kon dat ik uit haar gezicht was, bevestigde, toen haar vergund was binnen te komen, mijn verhaal van al wat er gebeurd was sinds mijn aankomst in haar vaders huis.

De Koning, schoon hij zoo geleerd als iemand in zijn rijk was en onderwezen in de wijsbegeerte en voornamelijk in de wiskunde, hield het toch er voor, toen hij mijn figuur nauwkeurig bekeken had en mij rechtop loopen zag, maar nog niet had hooren spreken, dat ik een soort klokwerk was, (in het maken waarvan men in dat land een groote volmaaktheid bereikt heeft) bedacht door een vindingrijk kunstenaar. Maar toen hij mijn stem hoorde, en merkte dat wat ik sprak geregeld en redelijk was, kon hij zijn verbazing niet verbergen. Hij was volstrekt niet tevreden met het verhaal dat ik hem deed van hoe ik in zijn rijk gekomen was, maar hield het voor een vertelseltje bedacht door Glumdalclitch en haar vader, die mij een stel woorden geleerd hadden, om me duurder te kunnen verkoopen. In die overtuiging deed hij me een aantal vragen en kreeg telkens redelijke antwoorden, alleen uitgesproken met een vreemden tongval en door mijn gebrekkige kennis van de taal vervat in boersche volzinnen, die ik bij den boer thuis had geleerd, en die in den beschaafden hofstijl niet zouden hebben gepast.

Zijn Majesteit liet drie groote geleerden komen, die hun éénweeksche wacht hadden, zooals gebruikelijk is in dat land. Deze heeren waren, nadat zij een poosje mijn gedaante zorgvuldig en oplettend onderzocht hadden, van verschillende meening over mij. Zij kwamen er in overeen dat ik niet kon ontstaan zijn overeenkomstig de gewone natuurwetten, omdat ik niet zoo was ingericht dat ik mijn leven kon beveiligen, hetzij door snelheid, of het beklimmen van boomen, of het graven van holen in den grond. Zij maakten op uit mijn tanden, die zij heel nauwkeurig bekeken, dat ik een vleeschetend dier moest zijn; maar daar de meeste viervoetige dieren mij de baas waren, en veldmuizen met nog een paar andere mij in vlugheid de loef afstaken, konden zij zich niet verbeelden hoe ik mij voeden zou, tenzij dan door te leven van slakken en andere insekten, wat zij aanboden met allerlei geleerde argumenten te bewijzen dat ik onmogelijk kon doen. Een van deze kunstvaardigen scheen te meenen dat ik een embryo of misgeboorte zijn zou. Maar die meening werd verworpen door de anderen, op grond dat mijn leden volkomen gevormd waren, en dat ik verscheiden jaren geleefd had, zooals duidelijk bleek aan mijn baard, waarvan zij de stompjes bespeurden door een vergrootglas. Zij konden mij ook niet voor een dwerg houden, omdat mijn kleinheid buiten alle vergelijking was; want de lievelings-dwerg van de koningin, de kleinste, die ooit in dat koninkrijk bekend was, was bijna dertig voet hoog. Na veel overleggingen besloten zij eenparig dat ik niets was dan een relplum scalcath, wat vertaald wordt lusus naturae,1 eene bepaling, die uitnemend paste bij de nieuwere wijsbegeerte in Europa, wier belijders, versmadende het vroegere redmiddel van „verborgen oorzaken”, waarmee de volgers van Aristoteles te vergeefs beproefden hun onkunde te verbergen, deze wonderlijke oplossing van alle moeielijkheden gevonden hebben, tot onuitsprekelijke bevordering van de menschelijke wetenschap.

Na dit beslissend oordeel verzocht ik een paar woorden te mogen spreken. Ik wendde mij tot den Koning en verzekerde Zijne Majesteit, dat ik van een land kwam waar het krioelde van millioenen menschen, van beiderlei geslacht en allen van mijn gestalte; waar de boomen en huizen naar evenredigheid klein waren, waar ik, dientengevolge, even geschikt was mij te verdedigen en voor mijn onderhoud te zorgen, als Zijner Majesteits onderdanen hier; wat ik meende dat een voldoend antwoord was op de beweringen van de heeren daar. Hierop antwoordden zij alleen met een minachtenden glimlach en het zeggen dat de boer mij uitstekend mijn lesje had voorgezeid. De Koning, die een veel beter begrip had, liet zijn geleerden gaan en zond om den boer, die gelukkig nog niet uit de stad was. Toen hij dien nu eerst afzonderlijk ondervraagd had en daarna met mij en het dochtertje tegelijk, begon Zijne Majesteit te meenen, dat wat wij hem vertelden mogelijk wel waar kon zijn. Hij verzocht de Koningin bizondere zorg voor mij te dragen, en vond het goed dat Glumdalclitch in haar betrekking van oppaster blijven zou, omdat hij zag dat wij elkander zoo genegen waren. Een welingericht vertrek aan het hof werd haar aangewezen, een soort van gouvernante werd benoemd om zorg te dragen voor haar opvoeding, een hofdame om haar te kleeden en twee andere bedienden voor het mindere werk; maar de zorg voor mij werd heel en al aan haar alleen toevertrouwd. De Koningin beval haar eigen meubelmaker een doos te vervaardigen, die ik voor slaapkamer gebruiken zou, naar het model dat Glumdalclitch en ik zouden vaststellen. Deze man was een zeer vindingrijk kunstenaar en vervaardigde naar mijn aanwijzingen binnen drie weken een houten kamer, van zestien voet in ’t vierkant en twaalf hoog, met schuiframen, een deur en twee kleine vertrekjes als een Londensch slaapvertrek. Het dak dat het plafond vormde kon men oplichten en neerlaten aan twee scharnieren en zoo werd mijn bed er in gezet, kant en klaar geleverd door Harer Majesteits bekleeder, dat Glumdalclitch iederen dag eruit nam om het te luchten, met haar eigen handen opmaakte, en ’s avonds weer van boven erin zette en het plafond boven me sloot. Een kunstig werkman, beroemd om de kleine snuisterijen die hij maken kon, nam op zich twee stoelen te leveren met ruggen en zittingen van een stof, die veel op ivoor leek, en twee tafels en een kast voor mijn zaken. De kamer was aan alle kanten bekleed, ook de vloer en de zoldering, om ongelukken te voorkomen, die ontstaan konden uit de zorgeloosheid van hen, die mij heen en weer droegen, en de kracht van een schok te breken, als ik mee in een rijtuig ging. Ik vroeg om een slot op mijn deur, om ratten en muizen te verhinderen binnen te komen. De smid, na verscheidene vruchtelooze pogingen, maakte ’t kleinste dat daar ooit gezien is, want ik heb een grooter gekend aan de deur van een heerenhuis in Engeland. Ik bewaarde den sleutel in mijn zak, uit vrees dat Glumdalclitch hem verliezen zou. De Koningin gaf ook bevel de fijnst mogelijke zijde te doen uitzoeken, om kleederen voor me van te maken, niet veel dikker dan een Engelsche deken, en nog al bezwarend, zoolang ik er niet aan gewend was. Zij waren naar de mode van het rijk, en leken deels Perzisch, deels Chineesch, maar stonden ernstig en waardig.

De Koningin werd zoo gesteld op mijn gezelschap dat ze niet meer eten kon zonder me. Ik had een tafel staan op de tafel waar Hare Majesteit aan at, vlak aan haar rechter elleboog, en een stoel waar ik op zitten ging. Glumdalclitch stond op een bankje op den vloer naast mijn tafel om te helpen en zorg voor me te dragen. Ik had een volledig stel zilveren schalen en borden, en andere benoodigdheden, die, vergeleken bij die van de Koningin, niet veel grooter waren dan ik er wel eens gezien heb in een Londenschen speelgoedwinkel, bij den inboedel van een poppehuis; mijn kleine oppaster droeg die altijd in haar zak in een zilveren doos, en gaf ze me aan tafel als ik ze noodig had, en maakte ze altijd zelf schoon. Er at niemand met de Koningin dan de twee koninklijke prinsessen, de oudste van even zestien en de jongste van dertien jaar en een maand. Hare Majesteit placht een stukje vleesch op een van mijn borden te leggen, waarvan ik sneed voor mij zelf, en haar grootste schik was mij zoo in miniatuur te zien eten; want de Koningin, (die eigenlijk een zwakke maag had) gebruikte in een mondvol zooveel als een dozijn Engelsche boeren voor hun middagmaal zouden gebruiken; wat voor mij te dien tijde een heel walgelijk gezicht was. Zij verbrijzelde een leeuwriksvleugel, met been en al, tusschen haar tanden, al was hij negen maal zoo groot als een volwassen kalkoen; en zij stak een stuk brood in haar mond, dat tweemaal zoo groot was als twee brooden van twaalf stuivers. Zij dronk uit een gouden kop, meer dan een okshoofd in een slok. Haar messen waren tweemaal zoo lang als een zeis, die recht op haar heft staat. De lepels, vorken en ander tafelgereedschap waren alle naar dezelfde verhouding. Ik herinner me dat, toen Glumdalclitch me, voor de aardigheid, naar eenige hoftafels droeg, waar tien of twaalf van die reusachtige messen en vorken tegelijk in handen waren, ik dacht bij me zelf, dat ik nooit van mijn leven zoo iets vreeselijks had gezien.

Het is de gewoonte, dat iederen Woensdag (die, zooals ik hiervoor heb opgemerkt, hun rustdag is) de Koning en de Koningin, met de koninklijke prinsen en prinsessen, gezamenlijk eten in de kamer van Zijne Majesteit, bij wien ik zeer in de gunst was; en bij die gelegenheden werden mijn tafeltje en stoeltje aan zijn linkerhand gezet, vóor een van de zoutvaten. Deze vorst had er vermaak in met mij te praten, en mij uit te hooren over de zeden, den godsdienst, de wetten, het bestuur en de wetenschap van Europa; waarover ik hem zoo goed ik kon inlichtte. Zijn verstand was zoo helder, en zijn oordeel zoo juist, dat hij bij al wat ik zei zeer wijze overwegingen en opmerkingen maakte. Maar ik moet toegeven, dat, nadat ik een beetje te rijkelijk gepraat had over mijn dierbaar vaderland, over onzen handel en onze oorlogen te land en ter zee, over onze godsdiensttwisten en staatspartijen, de vooroordeelen van zijne opvoeding zoo sterk werden, dat hij niet laten kon mij in zijn rechterhand te nemen, en terwijl hij mij zachtjes streelde, met de andere, mij na een hartelijke lachbui te vragen: Wat ik nu was, een Whig of een Tory? Toen, zich wendende tot zijn eersten minister, die achter hem stond met een witten staf, wel haast zoo groot als de hoofdmast van de Royal Sovereign, zei hij: wat een verachtelijk poppenspel toch menschelijke grootheid was, die kon worden nageaapt door zulke nietige insecten als ik; en toch, zei hij, durf ik volhouden, dat deze schepseltjes hun titels hebben en onderscheidingen; dat zij kleine nestjes en molshoopen bouwen, die ze huizen en steden noemen; dat zij vertoon maken met kleeding en rijtuigen; dat ze liefhebben, vechten, twisten, bedriegen en verraad plegen! En zoo ging hij voort, terwijl mijn kleur ging en kwam van verontwaardiging, om zóo ons edel vaderland, de meesteres van kunsten en wapenen, den geesel van Frankrijk, de scheidsrechteres van Europa, den zetel van deugd, vroomheid, eer en waarheid, den trots en den naijver van de wereld, zóo minachtend te hooren bespreken.

Maar daar ik niet in omstandigheden was om wraak te nemen over beleedigingen, begon ik er rijper over na te denken of ik wel beleedigd wás. Want, nu ik mij verscheidene maanden eraan gewend had dit volk te zien en ermee om te gaan, en zag dat elk voorwerp, waar mijn oogen op vielen, van evenredige grootte was, begon de afschuw, dien ik eerst had gevoeld voor hun omvang en voorkomen, zoo zeer te slijten, dat, als ik op dat oogenblik een gezelschap van Engelsche heeren en dames in hun Zondagspakjes en versierseltjes gezien had, allen in hun dagelijksch bedrijf van hoffelijk loopen en buigen en babbelen; ik zou om de waarheid te zeggen een onweerstaanbaren lust gehad hebben zóo hard om hen te gaan lachen als de Koning en zijn grooten om mij. Ook kon ik niet nalaten te glimlachen om mijzelf, als de Koningin mij wel eens op haar hand voor een spiegel hield, waardoor onze beide gestalten languit tegen elkaar zichtbaar werden, want er kon niets belachelijker zijn dan de vergelijking; zoodat ik mij werkelijk begon te verbeelden, dat ik verscheiden graden beneden mijn oorspronkelijke grootte gekrompen was.

Er was niets dat mij zoo kwelde en boos maakte als de dwerg van de Koningin; die, zelf het kleinste menschje dat ooit was geweest in dat land, (want ik geloof wezenlijk dat hij nauwelijks dertig voet hoog was) zoo onbeschaamd werd door een schepsel te zien dat nog zoo’n stuk kleiner was, dat hij geregeld zijn best deed zich groot en gewichtig voor te doen en luidruchtig heen en weer te zwaaien als hij langs me kwam in de antichambre van de Koningin, terwijl ik op een of andere tafel stond te praten met de heeren en dames van het hof; en zelden verzuimde hij met een paar scherpe woorden te schimpen op mijn kleinheid; waartegen ik mij alleen verdedigen kon door hem broeder te noemen, hem uit te dagen met mij te worstelen, en meer zulke dingen te zeggen, als onder hofbedienden gebruikelijk zijn. Eens, aan den maaltijd, was dit kwaadaardige kleine monster zoo neetoorig over iets dat ik tegen hem gezegd had, dat hij op de zitting van Harer Majesteits stoel klom, en mij, terwijl ik zonder erg op mijn stoeltje zat, bij het middel pakte, en in een groote zilveren kom met room vallen liet, waarna hij zoo hard hij kon wegliep. Ik ging heelemaal kopje onder, en als ik niet zoo’n goed zwemmer was geweest zou het slecht met me zijn afgeloopen; want Glumdalclitch was op dat oogenblik juist aan het andere eind van de kamer, en de Koningin zóo geschrokken, dat ze de tegenwoordigheid van geest miste om me te helpen. Maar mijn kleine oppaster vloog me te hulp en haalde me eruit nadat ik meer dan een kan room had ingekregen. Ik werd te bed gebracht, maar gelukkig zonder ander nadeel dan het verlies van een pak kleeren, dat heelemaal bedorven was. De dwerg kreeg een flink pak met de zweep, en werd, tot verdere straf, veroordeeld den schotel met room, waar hij me in had gegooid, leeg te drinken; ook werd hij nooit meer in gunst hersteld; want kort daarna schonk de Koningin hem aan een dame van aanzien; zoodat ik hem niet weerom zag, tot mijn groote voldoening, want ik kon niet zeggen tot wat voor uitersten zoo’n kwaadaardige dwerg zijn wrok zou hebben voortgezet.

Daarvóór had hij me nog een gemeenen trek gespeeld, die de Koningin aan ’t lachen maakte, ofschoon ze tegelijk erg boos was en hem onmiddellijk zou hebben weggejaagd als ik niet zoo edelmoedig was geweest hem voor te spreken. Hare Majesteit had een mergpijp op haar bord genomen, en de pijp, toen ze het merg eruit had geklopt, weer rechtop in de schaal gezet; de dwerg, die op de loer lag, totdat Glumdalclitch even naar het buffet gegaan was, klom, toen hij zoo zijn kans schoon zag, op den stoel waarop zij stond als ze aan tafel voor me zorgde, nam met allebei zijn handen me op, kneep mijn beenen bij mekaar en duwde ze zoo in de mergpijp tot boven mijn middel, waar ik een poosje in steken bleef en een allerbelachelijkst figuur sloeg. Ik geloof dat het bijna een minuut duurde voordat iemand wist wat er van me geworden was; want ik vond het beneden me te schreeuwen. Maar, daar vorsten zelden te warm eten gebruiken, waren mijn beenen niet verschroeid en zag het er alleen bedroefd uit met mijn broek en kousen. De dwerg kreeg op mijn verzoek niet anders dan een flink pak slaag.

Ik werd dikwijls door de Koningin geplaagd om mijn vreesachtigheid; en zij placht mij te vragen of mijn landgenooten allemaal zulke lafaards waren als ik zelf? Dit was het geval: Het koninkrijk is des zomers verpest van vliegen; en die walgelijke insecten, waarvan elk zoo groot is als een leeuwrik, lieten mij nauwelijks een oogenblik rust als ik aan den maaltijd zat, met hun onophoudelijk gebrom en gegons om mijn ooren heen. Soms gingen zij zitten op mijn eten, en soms op mijn neus of voorhoofd, waar ze mij vinnig staken, en daarbij allerhinderlijkst riekten; en ik kon gemakkelijk die lijmachtige stof bemerken, die zooals de natuurbeschrijvers zeggen, die dieren in staat stelt met hun voeten naar de hoogte tegen een zoldering te wandelen. Ik had druk werk met mij tegen die afschuwelijke dieren te verdedigen, en kon niet laten op te schrikken als zij op mijn gezicht kwamen.

De dwerg had nog al eens de gewoonte een aantal van die beesten te vangen in zijn handholte, zooals de schooljongens bij ons doen, en ze dan plotseling vlak onder mijn neus er uit te laten, ten einde mij te verschrikken en de Koningin te vermaken. Mijn hulpmiddel daartegen was, ze met mijn mes in stukken te snijden, terwijl ze om me heen vlogen, waarin ik bewonderd werd om mijn handigheid.

Ik herinner me, dat op een morgen, toen Glumdalclitch mij in mijn doos voor een venster gezet had, zooals zij meestal deed als het zonnig weer was, om me frissche lucht te geven (want ik dorst niet wagen de doos aan een nagel buiten het venster te laten hangen, zooals wij met vogelkooitjes doen in Engeland), nadat ik een van mijn ramen had opgeschoven en aan mijn tafel zat om een stukje koek voor mijn ontbijt te gebruiken, meer dan twintig wespen door den reuk aangelokt, mijn kamer kwamen invliegen, harder brommende dan het geblaas van zooveel doedelzakken. Eenige grepen mijn koek en brachten die bij stukjes weg; anderen vlogen om mijn hoofd en gezicht, mij doof makende met hun geluid en doodsbang met hun angels. Ik had evenwel den moed op te staan, mijn houwer te trekken en hen aan te vallen. Ik doodde er vier, maar de rest vloog weg en ik sloot dadelijk het venster. Deze wezens waren zoo groot als patrijzen; ik rukte hun angels uit die anderhalven duim lang waren en zoo scherp als naalden. Ik bewaarde ze zorgvuldig en nadat ik ze met andere merkwaardigheden in verschillende deelen van Europa vertoond had, gaf ik er na mijn terugkomst in Engeland drie aan Gresham College, en hield den vierden voor mijzelf.


1 Een speling der natuur.