Beschrijving van het land.—Voorstel tot verbetering van moderne landkaarten.—Het koninklijk paleis en een beschrijving van de hoofdstad.—Des schrijvers manier van reizen.—Beschrijving van den voornaamsten tempel.
Ik ga nu den lezer een korte beschrijving geven van dit land, voor zoover ik het doorreisd heb, wat niet meer was dan twee duizend mijlen rondom de hoofdstad Lorbrulgrud; want de Koningin, met wie ik altijd meeging, ging nooit verder wanneer zij den Koning vergezelde op zijn rondreizen, en bleef dan achter totdat Zijne Majesteit terugkeerde van het nazien van zijn grenzen. De heele uitgestrektheid van het gebied van dezen vorst is omstreeks zesduizend mijlen in de lengte en van drie tot vijf in de breedte, waaruit ik niet anders kan dan het besluit trekken dat onze aardrijkskundigen in Europa zeer dwalen, als zij gelooven dat er niets dan zee tusschen Japan en Californië is; want het is altijd mijn meening geweest, dat er een tegenwicht van land moet wezen om evenwicht te houden met het groote vasteland van Tartarije; en daarom behooren zij hunne atlassen en kaarten te verbeteren, door deze uitgestrekte strook land bij de noordwestelijke deelen te voegen van Amerika, waarin ik hen gaarne behulpzaam zal zijn.
Het koninkrijk is een schiereiland, in het noord-oosten begrensd door een bergrug van dertig mijl hoog, die volstrekt onbegaanbaar is, van wege de vulkanen op zijn toppen; ook weten de geleerdste menschen niet, wat soort van stervelingen overzijds die bergen wonen, noch of daar iemand woont. Aan de drie andere zijden is het besloten door den oceaan. Er is geen een zeehaven in het koninkrijk en die deelen van de kusten, waar de rivieren uitmonden, zijn zoo vol puntige rotsen, en de zee gemeenlijk zoo woest, dat de kleinste boot er zich niet wagen kan, zoodat dit volk geheel en al afgesloten is van den handel met de overige volken van de wereld. Maar de groote rivieren zijn vol schepen en rijk aan uitmuntende visschen, want zelden krijgen zij visch van de zee, omdat de zeevisschen van dezelfde grootte als die in Europa zijn, en diensvolgens het vangen niet waard, waardoor het duidelijk is, dat de natuur in het voortbrengen van planten en dieren van een zoo buitengewonen omvang geheel tot dit vasteland begrensd is, de redenen waarom ik den wijsgeeren te vinden overlaat. Nu en dan echter vangen zij een walvisch, die toevallig op de rotsen geworpen is, waarvan het gewone volk met graagte eet. Die walvisschen heb ik zoo groot gekend, dat een man er nauwlijks een op zijn schouders versjouwen kon; en soms worden ze als een merkwaardigheid in manden naar Lorbrulgrud gebracht; ik zag er een in een schotel op de koningstafel, die werd opgediend als een zeldzaamheid, maar ik vond niet dat hij er dol op was; ik denk, dat de omvang van het beest hem tegenstond, ofschoon ik een grooteren in Groenland gezien heb.
Het land is goed bewoond, want het telt een-en-vijftig steden, bijna honderd ommuurde plaatsen en een groot getal dorpen. Het zal om den belangstellenden lezer te bevredigen, voldoende zijn Lorbrulgrud te beschrijven. Deze stad staat op twee gelijke stukken oever; de rivier gaat er midden door. Zij bevat meer dan tachtigduizend huizen en omstreeks zeshonderd duizend inwoners. Zij strekt zich uit over een lengte van drie glomglungs (dat is ongeveer vier en vijftig Engelsche mijlen) en een breedte van twee en een halve; naar de berekening die ik maakte op grond van den koninklijken atlas, op bevel van den koning vervaardigd, die voor me op den vloer werd gelegd en zich honderd voet uitstrekte; ik mat de doorsnee en den omtrek verscheidene malen met mijn bloote voeten en met behulp van de daarbij behoorende schaal, maakte ik een tamelijk nauwkeurige opmeting.
Het koninklijk paleis is geen regelmatig gebouw, maar een opeenhooping van gebouwen, zoo wat zeven mijl in omtrek; de voornaamste kamers zijn meestal tweehonderd veertig voet hoog en breed en lang naar verhouding. Er werd Glumdalclitch en mij een koets toegestaan, waarin haar gouvernante haar dikwijls mee nam om de stad te zien of naar de winkels te kijken en ik was altijd van de partij in mijn doos, schoon het kind op mijn verlangen mij dikwijls er uit nam en in haar hand hield, opdat ik, terwijl we de straten doorgingen, meer op mijn gemak het volk en de huizen kon zien. Ik schatte onze koets zoowat zoo groot te zijn als Westminster Hall, maar niet heelemaal zoo hoog; maar ik kan daar niet heel precies in zijn. Op een keer gaf de gouvernante den koetsier last stil te houden voor verscheidene winkels, waar de bedelaars, hun kans schoon ziende, te hoop liepen om het rijtuig, en mij de afgrijselijkste tooneelen vertoonden, die ooit door Engelsche oogen zijn gezien. Daar was een vrouw met een zweer in haar borst, tot een monsterachtige grootte gezwollen en vol gaten. Daar was een vent met een wrat in zijn nek, grooter dan vijf wolbalen, en een andere met een paar houten beenen, elk van twintig voet hoog. Maar het afschuwlijkst te zien waren de luizen, die op hun kleeren rondkropen. Ik kon duidelijk de ledematen van dat ongedierte zien met mijn bloote oog, veel beter dan die van een Europeesche luis door een microskoop en hun snoeten, waarmee zij wroetten als zwijnen. Zij waren de eerste, die ik ooit zag, en ik zou graag een ontleed en onderzocht hebben, als ik geschikte instrumenten gehad had, die ik ongelukkig in het schip had gelaten; schoon, om de waarheid te zeggen, het gezicht alleen al zoo walgelijk was, dat mijn hart in mijn lijf er van omdraaide.
Behalve de groote doos, waarin ik gewoonlijk gedragen werd, beval de Koningin dat een kleinere gemaakt zou worden van twaalf voet oppervlak en tien voet hoog, voor meerder gemak als we op reis waren, want de andere was een beetje te groot voor Glumdalclitch haar schoot en hinderlijk in het rijtuig; zij werd gemaakt door denzelfden kunstenaar, wien ik bij de heele bewerking mijn aanwijzingen gaf. Dit reisvertrek was precies vierkant, met een venster in het midden van drie zijden en elk venster betralied met ijzer draadwerk van buiten, om bij lange reizen ongelukken te voorkomen. Aan de vierde zijde, die geen venster had, waren twee sterke hengsels bevestigd, waar de man, die mij droeg, een leeren riem doorheen deed en die om zijn middel gespen kon. Dit was altijd de taak van den een of anderen ernstigen vertrouwden dienaar op wien ik aan kon, telkens als ik den Koning en de Koningin vergezelde op hun rondreizen, of lust kreeg de tuinen te zien, of een visite te maken bij een of andere dame of minister van staat aan het hof, als Glumdalclitch een keer ongesteld was; want ik begon spoedig door de grootste heeren gekend en geacht te worden; meer tengevolge van de gunst van hunne Majesteiten, dan om mijn eigen belangrijkheid, waarschijnlijk. Op reis, als het rijtuig mij verveelde, gespte een bediende te paard mijn doos om, en zette haar voor zich op een kussen; zoodat ik een onbelemmerd gezicht had op drie zijden van het land, door mijn drie vensters. Ik had, in dit verblijf, een veldbed, en een hangmat, die aan de zoldering hing, twee stoelen en een tafel, aan den vloer geschroefd, om te voorkomen dat ze heen en weer gegooid werden door het schokken van paard of rijtuig. En daar ik lang aan zeereizen gewend was, hinderden die bewegingen, schoon zij soms vrij hevig waren, mij niet te erg.
Als ik eens lust had de stad te gaan zien, was dat altijd in mijn reisvertrek, dat Glumdalclitch in haar schoot hield, terwijl zij zat in een open draagstoel, naar landsgebruik door vier man gedragen, en begeleid door twee andere, in de liverei der Koningin. Het volk, dat dikwijls van mij hoorde, was altijd nieuwsgierig naar mij en verdrong zich om den draagstoel, en mijn verzorgster was dan zoo welwillend de dragers te doen stilhouden en mij in haar hand te nemen, opdat ik beter zou kunnen gezien worden.
Ik verlangde er zeer naar den grooten tempel te zien, en voornamelijk den bijbehoorenden toren, dien men voor den grootsten van het rijk houdt. Dientengevolge bracht Glumdalclitch mij op een keer daarheen, maar ik moet zeggen dat ik teleurgesteld terugkwam, want de hoogte is niet grooter dan drieduizend voet, van den grond tot de spits; wat, als men bedenkt welk verschil in grootte er is tusschen de menschen daar en in Europa, nu niet zoo erg verbazingwekkend is en niet in verhouding staat (als ik me wel herinner) tot de hoogte van den Salisbury Toren. Maar, om niet een volk te na te spreken, waaraan ik, zoolang ik leef, erkennen zal bizonder veel verplicht te zijn, moet ik erbij voegen, dat wat deze beroemde toren dan moge missen in hoogte, ruimschoots weer wordt goedgemaakt door zijn schoonheid en sterkte. Want de muren zijn bijna honderd voet dik, gebouwd van gehouwen steenen, waarvan elke omstreeks veertig voet vierkant is, en aan alle zijden versierd met beelden van goden en keizers, meer dan levensgroot in marmer gebeiteld, elk in zijn eigen nis. Ik mat een pink, die van een van die beelden was afgevallen en onopgemerkt onder wat afval lag, en vond dat ze juist vier voet en een duim lang was. Glumdalclitch wikkelde haar in een zakdoek, en nam ze in haar zak mee naar huis, om te bewaren bij andere aardigheden, waar ze dol op was, zooals kinderen van haar leeftijd meestal.
De koninklijke keuken was een zeer edel gebouw, van boven overwelfd, en omstreeks zeshonderd voet hoog. De groote oven is tien pas minder breed dan de dom van de St. Paul: want ik mat den laatsten opzettelijk, na mijn terugkomst. Maar als ik den haard beschrijven zou, de ontzaglijke potten en ketels, de stukken rundvleesch aan de spitten, en allerlei andere bizonderheden, dan zou ik misschien nauwelijks geloofd worden; een streng kriticus ten minste zou geneigd zijn te denken, dat ik een beetje erbij maakte, zooals reizigers dikwijls verdacht worden te doen. Om zulke beschuldigingen te vermijden, ben ik, naar ik vrees, al te veel in het tegenovergestelde uiterste vervallen en als dit opstel bij ongeluk vertaald zou worden in de taal van Brobdingnag (wat de algemeene naam van dat land is), en daarheen overgebracht, dan zouden de Koning en zijn volk, geloof ik, reden hebben te klagen, dat ik hun beleedigd had door een onware en verkleinende voorstelling.
Zijne Majesteit houdt zelden meer dan zeshonderd paarden in zijn stallen. Zij zijn meestal van vier-en-vijftig tot zestig voet hoog, maar als hij uitrijdt bij plechtige gelegenheden is hij omgeven door een gewapende garde van vijfhonderd ruiters, wat ik werkelijk geloofde dat het prachtigste schouwspel was, dat ooit kon gezien worden, totdat ik een deel van zijn leger ten oorlog zag uitgerust, waarvan ik later hoop te spreken.
Verschillende avonturen, die den schrijver overkwamen.—De terechtstelling van een misdadiger.—De schrijver toont zijn bekwaamheid in de zeevaart.
Ik zou tamelijk gelukkig in dat land geleefd hebben, als mijn kleinheid me niet aan allerlei belachelijke en lastige ongelukjes had blootgesteld, sommige waarvan ik het wagen zal hier mee te deelen. Glumdalclitch droeg me dikwijls in mijn kleinste doos naar de tuinen van het paleis en placht me daar wel er uit te nemen en me in haar hand te houden of neer te zetten om te wandelen. Ik herinner me dat de dwerg, voor de Koningin hem weg deed, ons op een keer in den tuin volgde en toen mijn oppaster mij had neergezet en hij en ik samen vlak bij een paar dwergappelboomen stonden, kon ik niet laten mijn geestigheid te luchten door een spottende toespeling op hem en de boomen, die in hun taal evengoed steek houdt als in de onze, waarop die kwaadaardige schurk, toen hij zijn kans schoon zag, terwijl ik onder een van die boomen wandelde, hem vlak boven mijn hoofd heen en weer schudde, waardoor een dozijn appelen van de grootte van een bierton, langs mijn ooren neerkwamen, en een trof me op mijn rug, terwijl ik bukte, en bonkte me plat op den grond, maar ik ontving geen kwetsuur, en den dwerg werd op mijn voorspraak vergiffenis geschonken, omdat ik zelf aanleiding tot zijn baldadigheid gegeven had.
Op een anderen keer liet Glumdalclitch me achter om me te vermaken op een effen grasveld, terwijl zij een beetje verder met haar gouvernante wandelde. In dien tusschentijd viel er plotseling zulk een hevige hagelbui, dat ik onmiddellijk tegen den grond werd geslagen, en toen ik lag, troffen mij de hagelsteenen zoo vreeselijk over mijn heele lichaam, dat het wel leek of ik met kaats-ballen gegooid werd; het lukte mij evenwel op handen en voeten kruipende, mij voorover op mijn gezicht liggende, te bergen aan den windvrijen kant van een komkommerbed; maar zoo van hoofd tot voeten gekneusd, dat ik in geen tien dagen uit kon gaan. Dit is ook in ’t geheel niet vreemd, omdat, daar de natuur in dat land in al haar voortbrengselen dezelfde evenredigheid betracht, de hagelsteenen er bijna achttienhonderd maal zoo groot zijn als in Europa, wat ik weet bij proefneming, daar ik ze gewogen en gemeten heb.
Een gevaarlijker ongeval overkwam mij in denzelfden tuin, toen mijn kleine verzorgster, meenende, dat ze mij op een veilige plaats gezet had, (wat ik haar dikwijls verzocht te doen, opdat ik in stilte mijn gedachten kon laten gaan) en mijn doos hebbende thuisgelaten om zich de moeite van het dragen te besparen, naar een ander deel van de tuinen ging met haar gouvernante en eenige dames van haar kennis. Terwijl zij nu afwezig was en mij niet hooren kon, kwam een kleine witte hazewind, die aan een van de oppertuinlui toebehoorde en toevallig in den tuin geraakt was, rondsnuffelen, dicht bij de plek waar ik lag; de hond volgde den reuk van mijn spoor, kwam recht op me af, nam me in zijn bek, en liep met me weg naar zijn meester, kwispelstaartende, en zette mij zoetjes op den grond. Gelukkig was hij zoo goed onderricht, dat ik tusschen zijn tanden gedragen was, zonder in ’t minst gewond te zijn en zonder dat zelfs mijn kleeren gescheurd waren. Maar de arme tuinman, die mij heel goed kende, en veel van mij hield, was doodelijk verschrikt; hij nam mij zachtjes in allebei zijn handen en vroeg me of ik me niet had bezeerd? Maar ik was zoo ontsteld en buiten adem, dat ik geen woord kon spreken. In een minuut of wat kwam ik weer tot mezelf, en hij bracht me veilig naar mijne kleine verzorgster, die juist was gaan kijken op de plaats waar zij mij gelaten had, en doodsangsten uitstond toen ik niet verscheen en niet op haar roepen antwoordde. Zij berispte den tuinman hevig over zijn hond. Maar de zaak werd gesust en nooit aan het hof geweten, want zij was bang dat de Koningin boos zou worden; en wat me zelf betreft, ik kon niet vinden dat het verhaal er van goed zou doen aan mijn reputatie.
Dit ongeval deed Glumdalclitch voor goed het besluit nemen mij in ’t vervolg nooit buitenshuis uit het oog te verliezen. Ik was daar lang bang voor geweest en had juist daarom sommige ongelukkige avontuurtjes voor haar verborgen gehouden, die mij in de oogenblikken, dat ze mij alleen liet, overkwamen. Zoo schoot eens een wouw, die boven den tuin zweefde, op mij neer en als ik niet vastberaden mijn houwer getrokken had, en onder een dikken leiboom gevlucht was, zou hij mij zeker in zijn grijpers hebben meegepakt. Op een anderen keer, terwijl ik naar den top van een verschen molshoop opwandelde, viel ik tot mijn hals in het gat, waardoor het beest de aarde had opgegooid en bedacht het een of ander leugentje, de moeite van het onthouden niet waard, om me te verontschuldigen over het bederven van mijn kleeren. Eveneens schaafde ik mijn rechter scheenbeen tegen een slakkehuis, waarover ik bij ongeluk struikelde, toen ik eenzaam wandelde en peinsde over mijn arme Engeland.
Ik kan niet zeggen of het me onaangenaam of angstig aandeed, op die eenzame wandelingen te bemerken, dat de kleinere vogels volstrekt niet bang voor me leken, maar tot op een el afstands naar me toehupten, wormen en ander voedsel zoekende met evenveel gerustheid en onverschilligheid alsof er geen schepsel in hun nabijheid was. Ik herinner mij dat een lijster zoo brutaal was met zijn snavel een stuk koek uit mijn hand te grissen, dat Glumdalclitch mij pas voor ontbijt had gegeven. Toen ik probeerde een paar van die vogels te vangen, hielden zij stoutmoedig tegen mij stand en trachtten in mijn vingers te pikken, die ik niet tot binnen hun bereik waagde; daarna draaiden zij zich onbezorgd om en zochten wormen en slakken alsof er niets gebeurd was. Maar eens nam ik een dikken knuppel en gooide dien met al mijn kracht naar een vlasvink, zóo raak, dat hij neerviel en ik, met allebei mijn handen vast om zijn nek, sleepte hem in triumf naar mijn oppaster. Nochtans gaf het beest, dat alleen maar bedwelmd was, toen het bijkwam, mij zooveel slagen met zijn vleugels aan weerskanten van mijn hoofd en mijn lichaam, schoon ik het op armslengte hield en buiten het bereik van zijn klauwen was, dat ik twintigmaal op het punt stond het te laten gaan, Maar er kwam me gauw een van de bedienden te hulp, die het beest den nek omdraaide, en ik kreeg het den volgenden dag op bevel van de Koningin voor middagmaal. De vink scheen, voor zoover ik me kan herinneren, iets grooter te zijn dan een Engelsche zwaan.
De hofdames noodigden Glumdalclitch dikwijls uit in hun vertrekken te komen en vroegen haar dan mij mee te brengen om het pleizier te hebben mij te zien en aan te raken. Zij legden mij dikwijls tusschen hun borsten, waar ik erg vies van was, omdat er, om de waarheid te zeggen, een alleronaangenaamste lucht aan hun vel was, waarvan ik niet melding maak om iets te zeggen ten nadeele van die uitstekende dames, waar ik het grootste respekt voor heb; maar ik veronderstel dat mijn reukorgaan fijner was naar evenredigheid van mijn kleinheid, en dat die allerlofwaardigste juffrouwen niet onaangenamer waren voor elkaar of voor hun minnaars, dan dames van denzelfden stand bij ons. En bovendien, hun natuurlijke geur vond ik altijd nog dragelijker dan als ze parfumerieën gebruikten, want daar viel ik onmiddellijk van in zwijm. Ik herinner me altijd, dat een vertrouwd vriend van me in Lilliput zoo vrij was, op een warmen dag, toen ik nog al in de weer was geweest, over een sterke lucht te klagen, die ik bij me had, schoon ik in dat opzicht geen onaangename uitzondering maak op de meeste Engelsche heeren, maar ik veronderstel dat hun reukvermogens even verfijnd waren bij de mijne, als de mijne bij die van dit volk vergeleken. Ik kan hier niet nalaten recht te doen aan de Koningin, mijn meesteres, en Glumdalclitch, mijn oppaster, wier lichamen even aangenaam waren als van eenige dame in Engeland.
Eens op een dag kwam een jong heer, neef van de gouvernante van Glumdalclitch, en drong er op aan dat zij beiden zouden meegaan om een terechtstelling te zien. Het was van een man, die een bizonderen kennis van dien heer vermoord had. Glumdalclitch liet zich overhalen, erg tegen haar zin, want zij was van nature teêrhartig; en ik, schoon ik een afschuw heb van zulk soort vertooningen, was heel nieuwsgierig iets te zien dat ik dacht dat buitengewoon moest wezen. De booswicht werd in een stoel gezet, die te dien einde op het schavot stond, en zijn hoofd met één slag afgeslagen met een zwaard van ongeveer veertig voet lang. De aderen spoten zulk een ontzaglijke hoeveelheid bloed op, en zoo hoog in de lucht, dat de groote jet d’eau te Versailles, zoolang het duurde, niet zoo groot was; en het hoofd, toen het op het schavot viel, gaf zoo’n bons, dat ik er van opschrok, ofschoon ik er een halve mijl af stond.
De Koningin, die me dikwijls praten liet over mijn zeereizen, en zulke gelegenheden te baat nam om mij af te leiden als ik zwaarmoedig was, vroeg me of ik de kunst verstond met een zeil of een paar riemen om te gaan, en of een beetje roeien niet goed voor mijn gezondheid zou zijn? Ik antwoordde dat ik van ’t een zoowel als van ’t ander goed op de hoogte was; want ofschoon mijn eigenlijke betrekking op schip chirurgijn of dokter was geweest, was ik toch dikwijls als ’t niet anders kon verplicht geweest het werk van een gewoon matroos te doen. Maar ik begreep niet hoe dat gebeuren kon in dat land, waar de kleinste wherry zoo groot was als een oorlogsschip eerste grootte bij ons, en een boot, die ik zou kunnen behandelen het in geen éen rivier zou uithouden. Hare Majesteit zei dat als ik een boot wou gemaakt hebben, haar eigen schrijnwerker die zou maken en zij zorgen zou voor een plaats waar ik in zeilen kon. Die knaap was een vernuftig werkman, en voltooide in tien dagen een pleizierboot, met al haar tuig, in staat om met gemak acht Europeanen te bevatten. Toen ze klaar was, was de Koningin zoo verrukt, dat ze met de boot in haar voorschoot naar den Koning liep, die bevel gaf haar in een tobbe met water te zetten, met mij erin bij wijze van proefneming, waar ik mijn twee losse riempjes niet gebruiken kon, wegens gebrek aan ruimte. Maar de Koningin had al vooruit een ander plan bedacht. Zij beval den schrijnwerker een houten trog te maken van driehonderd voet lang, vijftien breed en acht diep; die, goed gepekt, om lekken te voorkomen, op den vloer werd gezet, langs den muur van een van de buitenvertrekken van het paleis. Er was een kraan in bij den bodem, om het water uit te laten, als het begon te bederven; en twee bedienden konden het makkelijk vullen in een half uur. Hier ging ik nu dikwijls roeien, voor mijn eigen pleizier en voor dat van de Koningin en haar dames, die vonden dat ze zich uitstekend vermaakten met mijn vlugheid en handigheid. Soms zette ik mijn zeil op, en dan had ik niets te doen dan te sturen, terwijl de dames een briesje veroorzaakten met hun waaiers; en als zij moe waren, plachten eenige pages in mijn zeil te blazen, terwijl ik mijn bedrevenheid toonde door stuur- of bakboord te sturen, naar welgevallen. Als ik er mee uitscheidde, droeg Glumdalclitch mijn boot geregeld weer naar haar kamer, en hing haar aan een spijker om te drogen.
Op een van die oefeningen gebeurde er iets, dat mij bijna het leven gekost had; want nadat een van de pages mijn boot in den bak gezet had, tilde de gouvernante, die Glumdalclitch vergezelde, mij allerdienstvaardigst op, om me in de boot te zetten; maar ik glipte haar bij ongeluk door de vingers, en zou onredbaar veertig voet omlaag op den vloer gevallen zijn, als ik, door het gelukkigste toeval van de wereld, niet was opgehouden door een groote speld, die in de borstlap van die goede dame stak; de knop van de speld drong tusschen mijn hemd en mijn broeksband, en zoo bleef ik bij mijn middel in de lucht hangen, totdat Glumdalclitch mij te hulp vloog.
Een ander maal was een van de bedienden, die de taak hadden, geregeld om de drie dagen nieuw water in mijn bak te doen, zoo onachtzaam geweest (zonder dat hij het merkte) een grooten kikvorsch uit zijn emmer te laten glippen. De vorsch lag verborgen totdat ik in mijn boot was gezet, maar toen, een vast plekje ziende, klom hij daar tegen op, en deed de boot zoo schuin gaan, dat ik genoodzaakt was met al mijn gewicht te gaan overhangen aan den anderen kant, om te voorkomen, dat ze omsloeg. Toen de vorsch erin was, deed hij een sprong van de halve lengte van de boot, en toen over mijn hoofd, naar achteren en naar voren, en bezoedelde mijn hoofd en kleeren met zijn afschuwelijk slijm. Met zijn monsterachtigen kop leek hij het meest misvormde dier dat men zich kan voorstellen. Maar ik vroeg Glumdalclitch mij met hem te laten begaan. Ik zat hem toen een poosje achterna met een van mijn riemen en dwong hem ten slotte uit de boot te springen.
Klom hij daartegen op en deed de boot zoo schuin gaan....
Maar het grootste gevaar dat ik ooit liep in dat rijk, overkwam me door een aap, die aan een van de keukenbedienden hoorde. Glumdalclitch had me in haar kamer opgesloten, terwijl zij ergens heen was op bezoek of om bezigheden. Daar het heel warm weer was, stond het venster van haar kamer open, als ook de vensters en de deur van mijn grootste doos, waarin ik gewoonlijk vertoefde omdat die grooter en gemakkelijker was. Terwijl ik rustig in gedachten aan mijn tafel zat, hoorde ik iets naar binnen vallen door het venster van de kamer, en van het eene eind naar het andere bewegen, waarop ik, schoon ik erg verschrikt was, waagde naar buiten te zien, maar zonder van mijn plaats op te staan; en toen zag ik een dartel dier heen en weer springen en snuffelen, totdat het eindelijk bij mijn doos kwam, die het bekeek, naar het scheen met grooten schik en nieuwsgierigheid, naar binnen kijkend door de deur en ieder venster. Ik trok me naar den versten hoek van mijn kamer of doos terug; maar de aap, die naar alle kanten binnenkeek, maakte me zóó beangst, dat mij de tegenwoordigheid van geest ontbrak, om me onder het bed te verschuilen, wat ik makkelijk zou hebben kunnen doen. Na een tijd te hebben doorgebracht met gluren, grijnzen en babbelen, kreeg hij mij in ’t oog, en een van zijn pooten door de deur naar binnen stekende, zooals een kat doet, wanneer ze met een muis speelt, kreeg hij, schoon ik hem onophoudelijk trachtte te ontwijken, eindelijk een pand van mijn jas beet (die, van de stof van dat land gemaakt, heel dik en sterk was) en sleepte me daaraan naar buiten. Hij nam me in zijn rechter voorvoet, en hield me zooals een min een kind houdt als ze ’t wil zogen, net zoo als ik Europeesche apen wel met kleine poesjes heb zien doen; en toen ik ging tegenstribbelen drukte hij mij zoo hard, dat ik het voorzichtiger achtte bedaard te zijn. Ik houd het er zeker voor dat hij me voor een jong van zijn eigen geslacht hield, want hij aaide me telkens met zijn anderen poot over mijn gezicht. In dat spelletje werd hij gehinderd door een gedruisch aan de kamerdeur, alsof iemand haar opende, waarop hij plotseling naar het venster sprong, waardoor hij was binnengekomen en daaruit op de lijsten en gootpijpen, terwijl hij op drie beenen liep en mij in het vierde hield, totdat hij op een dak was geklauterd, dat vlak naast het onze was. Ik hoorde Glumdalclitch een schreeuw geven op het oogenblik toen hij met mij naar buiten sprong. Het arme kind was bijna waanzinnig; dat gedeelte van het paleis was heelemaal in oproer; de bedienden zochten ladders; de aap werd door honderden in het hof gezien, op de daklijst van een gebouw zittende, terwijl hij mij als een zuigeling in een van zijn voorpooten hield en mij met de anderen voedde door mijn mond vol te stoppen met eten, dat hij uit een van zijn wangzakken kneep, waarbij hij mij sloeg als ik niet happen wou, waarom velen van het plebs beneden lachen moesten; ook geloof ik niet dat men hun dit verwijten mag, want het gezicht was zonder twijfel belachelijk genoeg voor een ieder, behalve voor mij zelf. Eenigen van het volk gooiden steenen naar de hoogte, op hoop den aap naar beneden te jagen, maar dit werd streng verboden, anders zouden ook waarschijnlijk mijn hersens zijn stukgegooid.
De ladders werden nu aangebracht, en door verscheidene mannen bestegen, waarop de aap, bemerkende dat hij bijna geheel was ingesloten, en niet in staat gauw genoeg op zijn drie beenen weg te komen, mij vallen liet op een vorstpan en zich op de vlucht begaf. Hier zat ik een poosje, driehonderd el boven den grond, ieder oogenblik verwachtende, door den wind te worden naar beneden gewaaid, of te vallen van duizeligheid, en hals over kop van de vorst tot de goot te tuimelen; maar een flinke knaap, een van de knechts van mijn verzorgster, klom naar boven, en, mij in zijn broekzak stoppende, bracht me veilig omlaag.
Ik was bijna gestikt aan het misselijke goed, dat de aap mij door de keel had geduwd; maar mijn lieve kleine oppaster pikte het met een kleine naald weer uit mijn mond en toen ging ik aan ’t braken, wat me erg opluchtte. Ik was evenwel zoo zwak en gekneusd in de zijden door de knepen, die dat afschuwelijke dier mij gegeven had, dat ik genoodzaakt was veertien dagen het bed te houden. De Koning, de Koningin en het heele hof lieten iederen dag informeeren naar mijn gezondheid; en Hare Majesteit kwam me verscheiden malen bezoeken tijdens ik ziek was. De aap werd gedood, en bevel gegeven dat geen zoo’n dier meer in den omtrek van het paleis mocht gehouden worden.
Toen ik, nadat ik hersteld was, mijn opwachting maakte bij den Koning, om hem te bedanken voor zijn goede gunsten, behaagde het hem niet onbelangrijk met mij den draak te steken om dit avontuur. Hij vroeg wat mijn gedachten en bespiegelingen waren, terwijl ik in den aap zijn poot lag; hoe het eten smaakte dat hij me te slikken gaf; of ik hield van zoo gevoed te worden; en of de frissche lucht op het dak mijn eetlust gescherpt had? Hij vroeg me wat ik in mijn eigen land in zoo’n geval zou gedaan hebben. Ik vertelde Zijne Majesteit dat we in Europa geen apen hadden, behalve die voor de aardigheid van andere plaatsen werden aangebracht, en zoo klein, dat ik tegen een dozijn van hen op kon, als zij ’t waagden mij aan te vallen. En dat, wat dat monsterdier betrof, waarmee ik zoo onlangs had te doen gehad (het was inderdaad zoo groot als een olifant), indien mijn angst mij had toegelaten eraan te denken mijn houwer te gebruiken (hier keek ik heldhaftig, en sloeg met mijn hand op het heft), toen hij zijn poot in mijn kamer stak, ik hem misschien zulk een wond zou hebben gegeven, dat hij haar heel graag gauwer terug had getrokken dan hij haar erin stak. Dit sprak ik uit met een vaste stem, als iemand, die niet lijden kan dat zijn moed in twijfel getrokken wordt. Maar mijn woorden veroorzaakten niets anders dan een luid gelach, dat alle eerbied, dien de omstanders hadden voor Zijne Majesteit, hen niet kon doen inhouden. Dit deed mij erover nadenken hoe ’n ijdele poging het is zichzelf als lofwaardig te willen voorstellen onder menschen waarmee men onmogelijk in vergelijking komen kan. En toch heb ik sinds mijn terugkomst heel dikwijls de moraal van mijn eigen gedrag gezien, waar een nietige verachtelijke schobbejak zonder de minste aanspraak op geboorte, voorkomen, geest of gezond verstand, het wel wagen durft zich gewichtig voor te doen en zich op gelijken voet te stellen met de grootsten van het koninkrijk.
Ik verschafte het hof iederen dag de een of andere lachwekkende geschiedenis, en Glumdalclitch, schoon ze overdreven veel van me hield, was toch ondeugend genoeg om de Koningin te vertellen als ik de een of andere dwaasheid begaan had, die zij dacht dat haar vermaken zou. Het kind was een poosje ongesteld geweest, en werd door haar gouvernante meegenomen om wat van de lucht te genieten naar een uur buiten de stad of dertig mijl afstands. Zij stapten uit het rijtuig nabij een smal voetpad in een veld, en toen Glumdalclitch mijn reisdoos had neergezet, ging ik eruit om wat te wandelen. Er was een koeiekoek op dat pad, en ik moest natuurlijk mijn vlugheid beproeven door te trachten erover heen te springen. Ik nam een loopje, maar zette ongelukkig verkeerd af, en kwam juist tot het midden, tot mijn knieën in den drek. Ik waadde er met eenige inspanning door en een van de bedienden veegde me zoo schoon hij kon, met zijn zakdoek; en mijn oppaster sloot me tot we thuiskwamen in mijn doos; waar de Koningin spoedig over het gebeurde werd ingelicht en de bedienden het door het heele hof vertelden; zoodat er een paar dagen lang gelachen werd om niets anders.
Pogingen van den schrijver om den Koning en de Koningin genoegen te doen.—Hij toont zijn muzikale bekwaamheden.—De koning laat zich door den schrijver inlichten over engelsche toestanden.—Wat de Koning naar aanleiding daarvan opmerkt.
Ik placht eens of tweemaal in de week bij het opstaan van den Koning tegenwoordig te zijn en had hem dikwijls onder de handen van zijn barbier gezien, wat waarachtig in ’t eerst verschrikkelijk was om waar te nemen; want het scheermes was bijna tweemaal zoo lang als een gewone zeis. Zijne Majesteit werd, naar de gewoonte daar te lande, maar tweemaal per week geschoren. Ik haalde op een keer den barbier over mij een beetje zeepsop te geven, waar ik veertig of vijftig van de sterkste haarborstels uitpikte. Ik nam toen een stuk fijn hout, en sneed het als den rug van een kam, en maakte er een aantal gaatjes in op gelijke afstanden, met de kleinste naald die ik van Glumdalclitch krijgen kon. Ik maakte daar zoo kunstig de stompjes haar in vast, ze afkrabbende en toespitsende met mijn mes, dat ik een heel geschikten kam kreeg, die me goed van pas kwam, daar uit mijn eigene zooveel tanden gebroken waren, dat hij bijna niet meer te gebruiken was, en ik wist in dat land geen éen kunstenaar zoo fijn en nauwkeurig, dat hij op zich nemen kon me een nieuwen te maken.
Dit doet me denken aan een tijdverdrijf, dat me heel wat vrije uren bezig hield. Ik vroeg de dame van ’t toilet van de Koningin de kamharen van Hare Majesteit voor mij te bewaren, waarvan ik mettertijd een goede hoeveelheid kreeg; en raadplegende met mijn vriend den meubelmaker, die den algemeenen last had kleine karweitjes voor mij te doen, zei ik hem mij twee stoelrompen te maken, niet grooter dan die ik in mijn doos had, en met een fijne aalboor kleine gaatjes te boren rondom die gedeelten waar ik de ruggen en zittingen bedoelde te maken; door die gaatjes weefde ik de sterkste haren die ik erbij had, juist zooals in Engeland rieten stoelen worden gemaakt. Toen ze klaar waren gaf ik ze aan Hare Majesteit present, die ze in haar kabinet zette en ze placht te toonen als merkwaardigheden, zooals ze dan ook inderdaad de verbazing opwekten van elk, die ze zag. De Koningin wou me op een van deze stoelen laten zitten, maar ik weigerde bepaald haar te gehoorzamen, betuigende dat ik eer zou willen sterven dan een onbehoorlijk deel van mijn lichaam plaatsen op die kostelijke haren, die eens Harer Majesteits hoofd versierden. Van deze haren (want ik had aanleg voor zulke werkjes) maakte ik ook een mooi beursje, van zoowat vijf voet lang, met Harer Majesteits naam met goudletters erin geborduurd, die ik met toestemming van de Koningin aan Glumdalclitch gaf. Om de waarheid te zeggen, was ze meer voor de mooiigheid dan om haar te gebruiken, omdat ze niet sterk genoeg was om het gewicht van de grootere munten te dragen, en zij bewaarde er daarom niets in dan een beetje klein speelgoed, waar kinderen zoo dol op zijn.
De koning, die heel veel van muziek hield, had herhaaldelijk concerten aan het hof, waar ik somtijds naartoe gebracht werd en in mijn doos op een tafel gezet om te luisteren, maar het lawaai was zoo hevig, dat ik nauwelijks de wijzen onderscheiden kon. Ik ben zeker dat al de trommels en trompetten van een koninklijk leger, slaande en blazende met hun allen vlak aan je ooren, niet zoo’n lawaai maken. Ik had de gewoonte mijn doos zoo ver ik kon van de muzikanten te laten plaatsen, dan de deuren en vensters er van te sluiten en de gordijnen dicht te trekken, waarna ik hun muziek niet onaangenaam vond.
Ik had in mijn jeugd een beetje op het spinet leeren spelen. Glumdalclitch had er een in haar kamer, en een meester kwam haar tweemaal per week les geven; ik noem het een spinet, omdat het een beetje op dat instrument leek en op dezelfde manier bespeeld werd. Ik kreeg het in mijn hoofd den Koning en de Koningin met een Engelsch deuntje op dit instrument te vermaken. Maar dit bleek verbazend moeielijk, want het spinet was bijna zestig voet lang, daar iedere toets bijna een voet breed was, zoodat ik met uitgestrekte armen niet meer dan vijf toetsen omvatten kon, en om ze neer te drukken moest ik met mijn vuisten goed raak slaan, wat een te zwaar en bovendien vruchteloos werk zou zijn. De methode die ik toen bedacht was deze: ik vervaardigde twee ronde stokken van zoowat de grootte van gewone knuppels; zij waren aan een eind dikker dan aan het andere, en ik bekleedde de dikke enden met een stuk muizevel, opdat ik, als ik ermee sloeg, de toetsen niet beschadigen en het geluid niet storen zou. Voor het spinet werd een bank gezet, zoowat vier voet onder de toetsen en ik werd op de bank getild. Ik liep dwars er op heen en weer, zoo hard als ik kon, de toetsen beukende met mijn twee stokken, en speelde op goed geluk een Ierschen dans (a jig) tot groote voldoening van Hunne Majesteiten; maar het was de geweldigste inspanning, die ik ooit doorstaan heb; en toch kon ik niet meer dan zestien toetsen aanslaan en dus ook niet de eerste en tweede partij te gelijk spelen, zooals andere kunstenaars doen, wat groot nadeel was voor mijn spel.
Ik speelde op goed geluk een Ierschen dans.
De Koning, die, zooals ik te voren opmerkte, een vorst was van een uitmuntend verstand, placht dikwijls last te geven mij in mijn doos bij hem te brengen en op de tafel te zetten in zijn studeervertrek; hij beval nu en dan een van mijn stoelen uit mijn doos te halen, en drie el van hem af op den top van zijn schrijftafel te gaan zitten, wat me bijna gelijk met zijn gezicht bracht. Op die manier had ik verscheiden gesprekken met hem. Eens nam ik de vrijheid Zijne Majesteit te zeggen dat de minachting die hij toonde voor Europa en de rest van de wereld, niet overeenkomstig scheen met die uitmuntende eigenschappen, die in hem uitblonken; dat het verstand niet toenam met den omvang van het lichaam; integendeel, wij maakten in ons land de opmerking, dat de grootste menschen gewoonlijk het slechtst ervan voorzien waren; dat onder alle andere dieren de bijen en mieren den naam hadden van nijverder, kunstvaardiger en verstandiger te wezen, dan verscheidene van de grootere soorten, en dat, voor hoe onbeteekenend hij mij ook houden mocht, ik hoopte, dat ik eens in staat mocht zijn Zijne Majesteit een veelbeteekenenden dienst te bewijzen. De Koning hoorde me met oplettendheid en begon een veel beter idee van me te krijgen dan hij vroeger gehad had. Hij vroeg mij hem een zoo nauwkeurig mogelijk verslag te geven van het bestuur in Engeland, omdat, al zijn vorsten gewoonlijk gehecht aan hun eigen zeden (want zoo vermoedde hij dat andere vorsten waren, naar wat ik wel eens verteld had) hij toch graag iets hooren wou dat navolging verdiende.
Stel u voor, beleefde lezer, hoe dikwijls ik toen verlangde naar de stem van Demosthenes of Cicero, die mij zou hebben bekwaam gemaakt om den lof te verkondigen van mijn eigen lieve vaderland, in een stijl, zijn deugden en zijn welvaart waard.
Ik begon mijne rede met Zijne Majesteit mee te deelen, dat ons gebied bestaat uit twee eilanden, die drie machtige koninkrijken saamstelden, onder eenen vorst, en onze koloniën in Amerika. Ik weidde lang uit over de vruchtbaarheid van den grond en de warmtegesteldheid van ons klimaat. Ik sprak toen in ’t breede over de samenstelling van een Engelsch parlement, gedeeltelijk bestaande in een vermaard lichaam, genaamd het Huis van de Lords, personen van het edelste bloed en van de oudste en rijkste erfdeelen. Ik beschreef de buitengewone zorg die altijd voor hun opvoeding in kunsten en wapenen gedragen wordt, om ze bekwaam te maken raadgevers voor Koning en rijk te zijn, om een aandeel te hebben in de wetgeving, om leden te zijn van het hoogste gerechtshof, waarvan geen beroep meer is, en om kampvechters te wezen altijd vaardig voor de verdediging van hun vorst en hun vaderland, vol moed, beleid en trouw. Dat zij het sieraad en het bolwerk waren van het koninkrijk, waardige opvolgers van hunne vermaarde voorzaten, wier roem de belooning van hun deugd geweest was, waarvan hun nageslacht bij menschenweten ook nog niet één keer was ontaard. Hieraan waren toegevoegd verscheidene heilige mannen, om deel van die vergadering te zijn, en bisschoppen genaamd; wier bizondere taak het is zorg voor den godsdienst te dragen en voor hen die het volk daarin onderrichten. Deze werden onder het heele volk opgespeurd en uitgezocht door den vorst en zijn raadsmannen, uit die leden van de priesterschap, die het meest naar verdienste bekend stonden om de heiligheid van hun leven en de diepte van hun wijze wetenschap, die men naar waarheid de geestelijke vaders van geestelijkheid en volk noemen mocht.
Dat het andere deel van het parlement bestond in een vergadering genaamd het Huis der Gemeenen, allen mannen van beteekenis, vrijelijk gekozen en afgevaardigd door het volk zelf, om hunne groote bekwaamheden en liefde voor hun vaderland, ten einde de wijsheid van het heele volk te vertegenwoordigen. En dat deze twee lichamen de meest indrukwekkende vergadering van Europa vormden; waaraan, gezamenlijk met den vorst, de heele wetgeving is toevertrouwd.
Ik sprak toen van de gerechtshoven, waarin de rechters, die eerwaardige wijzen en wetsuitleggers, zitting hebben, om vast te stellen de bestreden rechten en eigendommen der menschen, zoowel als om te straffen wie kwaad doet en te beschermen wie onschuldig is. Ik prees het voorzichtig bestuur van onze schatkist, de dapperheid en goede uitrusting van onze land- en zeemacht. Ik berekende het aantal inwoners van mijn vaderland, door op te tellen hoeveel millioenen er van iedere godsdienstige sekte of politieke partij bij ons zijn. Ik vergat zelfs niet onze spelen en tijdverdrijven, noch eenige andere bizonderheid, die ik dacht dat strekken mocht tot groote eer van mijn land. En ik eindigde dat alles met een kort historisch overzicht van zaken en verbeteringen in Engeland, gedurende de laatste honderd jaar.
Dit overzicht duurde vijf zittingen, elk van verscheidene uren, en de Koning hoorde het heelemaal aan met de grootste aandacht, herhaaldelijk aanteekeningen makende van het gesprokene en memorandums van alle vragen die hij van plan was mij te doen.
Toen ik mijn lange rede geëindigd had, stelde Zijne Majesteit, in een zesde zitting, terwijl hij zijn aanteekeningen raadpleegde, een aantal twijfelingen, vragen en tegenwerpingen op elk onderdeel. Hij vroeg op welke wijze geest en lichaam van onzen jongen adel werden opgekweekt, en met wat soort bezigheid zij gewoonlijk het eerste en meest indrukwekkende deel van hun leven doorbrachten? Welke weg werd ingeslagen om die vergadering aan te vullen, als de een of andere adellijke familie uitstierf? Aan welke vereischten zij die tot nieuwe lords worden bevorderd moesten voldoen; of de luim van den vorst, een som gelds aan een hofdame of eersten minister, of een plan om een partij te versterken ten nadeele van het algemeen welzijn, ooit misschien beweegredenen waren tot zulke bevordering? Wat die lords wisten van de wetten van hun land, en hoe zij aan die kennis kwamen, die hun toch noodig was om te kunnen oordeelen over de bezittingen van hun mede-onderdanen in het hoogste beroep? Of ze altijd vrij waren van gierigheid, partijdigheid of geldnood, zoodat een omkooping of een of ander duister plan geen vat op hen hebben kon? Of die heilige heeren waar ik van sprak altijd tot dien rang bevorderd werden op grond van hun kennis in godsdienstzaken, en de heiligheid van hun leven; of zij nooit den huig naar den wind gehangen hadden, toen ze nog gewone priesters waren; of slaafsche omgekochte kaplaans waren geweest van den een of anderen edelman, wiens meeningen zij knechtachtig voortgingen te volgen, nadat zij waren toegelaten in die vergadering?
Hij wenschte daarop te weten welke kunsten werden in ’t werk gesteld bij het verkiezen van hen die ik Gemeenen noemde; of een vreemdeling, met een ruime beurs, de minder-ontwikkelde stemmers niet zóó zou kunnen bewerken dat ze hem kozen voor hun eigen landheer, of den aanzienlijksten heer in de buurt? Hoe het kwam dat de menschen zoo verschrikkelijk erop gesteld waren in die vergadering te komen, wat ik beweerde dat grooten last en onkosten veroorzaakte, ja dikwijls den ondergang van hun families, zonder eenig loon of toelage; omdat dit zulk een verheven soort deugd en belangstelling in de publieke zaak zou zijn, dat Zijne Majesteit er aan twijfelde of die wel altijd oprecht kon wezen. En hij wenschte te weten of zulke ijverige heeren misschien ook eenig uitzicht zouden hebben om zich zelf schadeloos te stellen voor de moeiten en kosten die zij moesten beloopen, door het algemeen welzijn op te offeren voor de plannen van een zwak en verdorven vorst, in samenspanning met een bedorven ministerraad. Hij vermenigvuldigde zijn vragen en vroeg me heelemaal uit over dit onderwerp, tal van vragen en tegenwerpingen stellende, die ik het voorzichtig noch oorbaar vind te herhalen.
Omtrent wat ik zei van onze gerechtshoven wenschte Zijne Majesteit verscheidene punten te zien toegelicht, en dit kon ik daarom te beter doen omdat ik indertijd bijna geruïneerd was door een lang proces in de Chancery, dat in mijn voordeel beslist werd, met vergoeding van kosten. Hij vroeg hoeveel tijd er gewoonlijk gebruikt werd om recht te spreken tusschen recht en onrecht, en wat dat kostte? Of het advocaten en redenaars vrij stond te pleiten in zaken, waarvan het openbaar was dat ze onrechtvaardig, ergerlijk of gevallen van machtsoverschrijding waren? Of partijverschil, politiek of godsdienstig, wel eens eenig belangrijk gewicht was in de schaal der gerechtigheid? Of die pleitende redenaars menschen waren, opgevoed in de algemeene kennis der rechtvaardigheid, of alleen in provinciale, nationale en plaatselijke gebruiken? Of zij of de rechters eenig aandeel hadden in het maken van die wetten, die zij de vrijheid namen uit te leggen en te bekantteekenen naar welgevallen? Of zij ooit, op verschillende plaatsen, voor en tegen dezelfde zaak gepleit hadden, en vroegere gevallen hadden aangewend om tegengestelde meeningen te bewijzen? Of zij een rijke of een arme corporatie waren? Of zij eenige geldelijke belooning ontvingen voor hun pleiten of hun raadgeven? En, voornamelijk, of zij ooit werden toegelaten als leden in het Lagerhuis? Toen begon hij aan het bestuur van onze finantiën, en zei dat hij dacht dat mijn geheugen mij in den steek moest hebben gelaten, omdat ik onze inkomsten op vijf of zes millioen per jaar had berekend, en toen ik kwam aan de uitgaven, noemde ik daarvoor bedragen, die soms meer bedroegen dan het dubbele; want de aanteekeningen, die hij gemaakt had, waren over dit punt heel nauwkeurig, omdat hij hoopte, naar hij mij zei, dat de kennis van onze administratie hem van nut zou kunnen zijn, en hij kon zich niet hebben bedrogen in zijn berekeningen. Maar, als wat ik hem vertelde waar was, begreep hij volstrekt niet hoe de zaken van een staat konden verloopen, als die van een privaat persoon. Hij vroeg mij wie onze schuldeischers waren, en waar wij ’t geld vonden om hen te betalen? Het verbaasde hem mij te hooren spreken van zulke dure en drukkende oorlogen. Hij zei, dat wij zeker een erg twistziek volk waren, of erg slechte buren om ons heen hadden, en een Engelsch generaal wel rijker dan een Engelsch koning moest zijn. Hij vroeg wat wij hadden te maken buiten onze eilanden, behalve voor handel, onderhandeling en ter verdediging van de kusten door een vloot? Boven alles was hij verbaasd mij te hooren praten van een staand huurleger in vredestijd en in ’t midden van een vrij volk. Hij zei, dat als wij geregeerd werden met onze eigen toestemming door onze vertegenwoordigers, hij zich niet kon verbeelden waarvoor we bang waren, of tegen wien wij hadden te vechten; en vroeg wat mijn meening was, of iemands huis niet beter zou beschermd worden door hemzelf, zijn kinderen en huisgezin, dan door een half dozijn schurken, op goed geluk opgepikt op straat, voor kleine gage, die honderdmaal meer konden maken door hem den nek af te snijden.
Hij lachte om mijn grappige rekenkunst, zoo noemde hij ’t—van het aantal Engelschen te berekenen door de aanhangers van onze verschillende godsdienstige en staatkundige sekten bij elkaar te tellen. Hij zei dat hij niet begreep waarom zij, die meeningen zijn toegedaan, nadeelig voor het algemeen, zouden worden genoodzaakt die te veranderen, maar ook niet waarom men ze niet dwingen mocht ze voor zich te houden. En, zoo goed als het dwingelandij was in een regeering het eerste te eischen, zoo goed was het zwakheid het tweede niet door te zetten, want wel mag het iemand vergund zijn vergiften in zijn kamer te houden, maar niet ze te verkoopen voor voedsel.
Hij merkte op, dat ik, onder de vermaken van onzen hof- en land-adel, het spel genoemd had; hij wou weten op welken leeftijd dit tijdverdrijf begonnen en op welken er mee geëindigd werd; hoe veel van hun tijd er aan besteed werd; of het ooit zoo hoog was dat het hun vermogen benadeelde; of lage, gemeene menschen, door hun bedrevenheid in die kunst, niet groote rijkdommen verkrijgen, en onze edelen zelf van zich afhankelijk doen zijn, en hen doen verkeeren in onwaardig gezelschap; hen heelemaal beletten zelfs hun geest te beschaven, en hun dwingen door de verliezen die zij lijden, diezelfde schandelijke bedrevenheid te leeren en te beproeven op anderen?
Hij was heelemaal verbaasd over het geschiedkundig overzicht, dat ik gaf, van onze staatszaken in de laatste eeuw; bewerende, dat het niets was dan een hoop samenzweringen, opstanden, moorden, slachtingen, omwentelingen, verbanningen, ja het ergste wat gierigheid, partijzucht, huichelarij, valschheid, wreedheid, woede, krankzinnigheid, afgunst, nijd, wellust, kwaadaardigheid of eerzucht konden voortbrengen.
In een volgende zitting nam Zijne Majesteit de moeite in ’t kort te herhalen al wat ik verteld had; hij vergeleek zijne vragen met mijne antwoorden; toen, mij in zijn handen nemende, en mij zachtjes streelende, uitte hij zich in deze woorden, die ik nooit vergeten zal, noch de wijze waarop hij ze zei: mijn kleine vriend Grildrig, ge hebt een allerbewonderenswaardigste lofrede gehouden op uw vaderland; gij hebt helder bewezen, dat onwetendheid, luiheid en gemeenheid de noodzakelijke eigenschappen zijn, die iemand geschikt maken voor wetgever; dat de wetten het best verklaard, uitgelegd en toegepast worden door hen wier belangen en vermogens hen dwingen ze te verdraaien, te veronwaarden en te ontduiken. Ik merk in uw staatsbestuur een paar lijnen van een inrichting, die, oorspronkelijk, wel dragelijk geweest mag zijn, maar die half uitgewischt, en al het overige heelemaal verknoeid en bevlekt door het bederf. Het blijkt niet, uit al wat ge zeidet, hoe eenige deugd wordt vereischt voor het vervullen van eenige betrekking; veel minder, dat deugd bij u adelt; dat vroomheid en geleerdheid priesters; dat dapperheid soldaten; onbesprokenheid rechters; vaderlandsliefde senatoren; wijsheid raadslieden doet bevorderen. Wat u zelf betreft—vervolgde de koning—die het grootste deel van uw leven reizende hebt doorgebracht, ik ben wel geneigd te hopen, dat gij tot heden veel fouten van uw land ontweken zijt, maar, uit wat ik van uw eigen verhaal gehoord heb, uit de antwoorden ook die ik met moeite u ontrukt en ontwrongen heb, begrijp ik volkomen dat het gros van uw Engelschen het afgrijselijkst ras van walgelijke wormen is, dat de natuur ooit kan geduld hebben dat omkroop op de oppervlakte van deze aard.