Zevende hoofdstuk.

Des schrijvers vaderlandsliefde.—Hij doet den Koning een voordeelig voorstel, dat wordt verworpen.—Des Konings groote onwetendheid in de politiek.—De wetenschap van dat land zeer onvolkomen en beperkt.—Hun wetten, en zaken van oorlog, en staatkundige partijen.

Niets dan een buitengewone waarheidsliefde zou mij hebben kunnen beletten dit deel van mijn verhaal achter te houden. Het was vergeefs mijn boosheid te doen merken, die altijd belachelijk werd gemaakt, en ik was genoodzaakt mij bedaard te houden, terwijl mijn edel en zeer bemind vaderland zóó beleedigd werd. Het spijt mij even erg als wien ook van mijn lezers, dat het gebeuren moest; maar deze vorst was nu eenmaal zoo nieuwsgierig en uitvorschend naar iedere bizonderheid, dat het tegen alle erkentelijkheid en goede manieren zou geweest zijn hem niet zoodanige inlichtingen te geven als ik kon. Toch moge ik dit doen opmerken tot mijn rechtvaardiging, dat ik kunstiglijk menige vraag ontweken heb, en elk punt een gunstiger draai gaf, dan met strenge waarheid bestaanbaar was; want ik heb altijd die prijselijke partijdigheid voor mijn eigen vaderland voorgestaan, die Dionysius van Halicarnassus, zoo ten rechte, den geschiedschrijver aanbeveelt; ik wilde de zwakheden en mismaaktheden van mijn staatkundige moeder verbergen, en deugden en schoonheden in het gunstigste licht hebben gesteld. Dit was mijn ernstig streven, in die gesprekken die ik voerde met den koning, schoon dat streven helaas niet met goeden uitslag werd beloond. Maar ook weer moet men niet te hard oordeelen over een koning, die geheel leeft afgesloten van de overige wereld, en, dientengevolge, volslagen onbekend moet wezen met de zeden en gewoonten die bij andere volken in zwang zijn: een onkunde, die veel vooroordeelen baart, en een zekere bekrompenheid van denken, waar wij en de beschaafde volken van Europa volkomen vrij van zijn; en het zou hard wezen, werkelijk, als de begrippen van deugd en ondeugd van een vorst die zoo veraf woont, werden voorgesteld als een standaard voor het heele menschdom.

Om te bevestigen wat ik nu gezegd heb, en verder de ellendige gevolgen van een beperkte opvoeding te doen zien, zal ik hier een verhaal inlasschen dat nauwelijks zal worden geloofd. In de hoop mij verder van Zijner Majesteits gunst te verzekeren, vertelde ik hem van een uitvinding, gedaan tusschen drie- en vierhonderd jaren geleden, om een zeker poeder te maken, dat de kleinste vonk die er in viel, al was het op een hoop, die zoo groot als een berg was, kon doen ontbranden, en in de lucht vliegen met een geluid en geweld, grooter dan dat van den donder. Dat een tamelijke hoeveelheid van dit poeder, in een holle pijp van koper of ijzer gestampt, meer of min naar die pijp groot was, een ijzeren of looden kogel met zulk een geweld daaruit zou drijven, dat niets in staat was zijn kracht te weerstaan; dat de grootste kogels, zoo afgeschoten, niet alleen heele slagorden tegelijk konden verwoesten, maar de sterkste muren tot puin brijzelen, schepen doen zinken, met duizend man er in; en als ze met een ketting aan elkaar verbonden waren, masten en tuig konden doorsnijden, honderden lichamen middendoor deelen, en alles voor hen uit plat slaan. Dat wij dit kruit dikwijls in groote holle ijzeren kogels deden, en ze met een werptuig afzonden naar de een of andere stad, die wij belegerden, waar ze het plaveisel opscheurden, de huizen aan stukken reten, splinters van zich werpende naar alle kanten, die de nabijzijnden doodden. Dat ik de ingrediënten heel goed kende, die heel goedkoop en gemakkelijk verkrijgbaar waren; en ook de kunst verstond van ze te mengen, en zijn werklieden aanwijzingen kon geven voor het maken van die buisjes, van eene grootte, evenredig aan die van alle andere dingen in Zijner Majesteits rijk, en de grootste zou niet langer dan honderd voet hoeven te zijn; twintig of dertig van welke tuben, met de noodige hoeveelheid kruit en kogels geladen, de muren zouden stukschieten van de sterkste stad in zijn koninkrijk, als die het ooit zou wagen zijn vorstelijke bevelen te weerstaan. Dit bood ik den koning onderdanig aan, als een kleine schatting van erkentelijkheid, en mijn dank voor zooveel blijken van zijn koninklijke gunst en bescherming.

De Koning stond versteld van de beschrijving, die ik hem van die schrikkelijke machines gegeven had, en het voorstel dat ik hem deed. Hij verbaasde zich er over dat zulk een machteloos en kruipend insekt als ik (dat waren zijne uitdrukkingen), zulke onmenschelijke denkbeelden ontwikkelen kon, en dat nog wel zoo volmaakt gemoedelijk, zoo volkomen onbewogen bij het spreken over al de tooneelen van bloedige verwoesting, die ik als de gewone gevolgen van die verwoestende werktuigen schilderde: werktuigen, zeide hij, waarvan de booze geest, een vijand van het menschdom, de uitvinder moet zijn geweest. Wat hem zelf betrof, hij verklaarde, dat schoon weinig zaken hem zóo verheugden als nieuwe ontdekkingen in de kunst of de natuur, hij toch eerder de helft van zijn koninkrijk zou prijsgeven dan deelgenoot van zulk een geheim te zijn; dat hij mij last gaf, indien ik mijn leven liefhad, nooit meer voor iemand te noemen.

Welk wonderlijk uitwerksel van bekrompen beginselen en beperkte inzichten! dat een vorst, in ’t bezit van elke eigenschap die eerbied, liefde en achting afvergt; van een heerlijken aanleg en groote wijsheid, een grondige geleerdheid, begaafd met bewonderenswaardige gaven voor de regeering, door zijne onderdanen bijna vergood, uit overdreven, onnoodig gemoedsbezwaar, zooals wij in Europa ons niet kunnen voorstellen, een gelegenheid laat voorbijgaan, die hem in de handen gegeven wordt, om oppermachtig meester te worden van het leven, de vrijheid en de bezittingen van zijn volk! En dit zeg ik niet met de minste bedoeling iets af te dingen op de vele deugden van dien uitstekenden koning, wiens karakter, daar ben ik zeker van, om déze reden heel erg dalen zal in de opinie van den Engelschen lezer: maar ik houd het er voor, dat dit gebrek onder hen is voortgekomen uit hun onwetendheid, daar zij tot nu toe de politiek nog niet tot een wetenschap gemaakt hebben, zooals de schranderder vernuften van Europa hebben gedaan. Want, ik herinner me zeer goed, dat toen ik in een gesprek met den koning, op een keer zoo zeggen mocht, dat er bij ons verscheiden duizenden boeken over de kunst van regeeren geschreven zijn, hij daardoor (juist omgekeerd van wat ik bedoelde) een heel min denkbeeld kreeg van ons gezond verstand. Hij verklaarde te verafschuwen en te verachten tevens alle geheimzinnigheid, verfijning, en dubbelzinnigheid in een vorst zoowel als in een minister. Hij kon niet begrijpen wat ik bedoelde met staatsgeheimen, als er niet sprake was van een vijand of een naijverig naburig volk. Hij beperkte de regeerkunst in heel enge grenzen, van gezond verstand en overleg, van rechtvaardigheid en lankmoedigheid, van spoedige afdoening van burgerlijke rechts- en strafzaken; met nog een paar in ’t oog vallende onderwerpen, die de moeite niet waard zijn. En hij sprak als zijn meening uit, dat diegene, die twee halmen graans, of twee sprietjes gras kon doen groeien op een plek, waar vroeger maar éen opschoot, meer goeds aan de menschheid verdiende, en beteekenisvoller dienst deed aan zijn vaderland, dan het heele ras van staatskunstenaars bij elkaar.

De wetenschap van dit volk is heel onvolkomen; bestaande enkel in zedekunde, geschiedenis, poëzie en wiskunde, waarin ik zeggen moet dat zij uitmunten. Maar de laatste wordt alleen toegepast op wat in het leven van nut kan zijn, op de verbetering van den landbouw en alle takken van werktuigkunde; zoodat ze, onder ons, in geringe achting zou zijn. En wat betreft ideeën, het absolute, abstracties en transcendenties, daarvan kon ik hen nooit het minste begrip doen krijgen.

Geen wet van dit koninkrijk mag meer woorden hebben dan er letters in het alfabet zijn, en die zijn er maar twee-en-twintig. Maar er zijn maar weinig van de volle lengte. Zij zijn vervat in de eenvoudigste en simpelste termen, waarin dit volk niet spitsvondig genoeg is om meer dan éen uitlegging te zien: en op het schrijven van een aanteekening op een wet, staat de doodstraf. Wat betreft het beslissen over burgerlijke zaken en rechtsvervolging tegen misdadigers, de precedenten zijn zoo weinig talrijk, dat zij weinig aanleiding hebben zich te verheffen op eenige bijzondere bedrevenheid daarin.

De kunst van drukken kennen zij, zooals de Chineezen, sinds onheugelijke tijden: maar hun boekerijen zijn niet zeer groot, want die van den koning, die voor de grootste gehouden wordt, telt niet meer dan duizend deelen, geplaatst in een galerij van twaalfhonderd voet lang, waaruit ik de vrijheid had zooveel te zoeken als ik wou. De schrijnwerker van de koningin had in een van de kamers van Glumdalclitch een houten stelling vervaardigd, vijf-en-twintig voet hoog, gevormd als een staande ladder: de treden waren elk vijftig voet lang: het was dus eigenlijk een bewegelijke trap, waarvan het benedeneind op tien voet afstand van den kamermuur was geplaatst. Het boek, dat ik lezen wou, werd tegen den muur gezet: ik klom eerst de ladder op tot de bovenste treê, en begon, mijn gezicht naar het boek keerende, boven aan de bladzij, en zoo wandelende naar rechts en links, acht of tien pas ongeveer, naar de regel lang was, totdat ik een beetje onder de lijn van mijn oog gekomen was; waarna ik weer opklom, en aan de andere bladzij begon op dezelfde manier en dan het blad omsloeg, wat ik gemakkelijk met mijn beide handen doen kon, want het was dik en stijf als bordpapier en in de grootste folianten niet meer dan achttien of twintig voet lang.

Hun stijl is duidelijk, mannelijk en vloeiend, maar niet bloemrijk; want niets vermijden zij meer dan het onnoodig herhalen van woorden, of het gebruik van verschillende zegswijzen. Ik heb verscheidene van hun boeken gelezen, hoofdzakelijk die over zedekunde en geschiedenis. Onder andere had ik heel veel schik in een kleine oude verhandeling, die altijd in de slaapkamer van Glumdalclitch lag, en behoorde aan haar gouvernante, een ernstige, bejaarde dame, die veel deed aan zedelijke en vrome werken. Het boek handelt over de zwakte van het menschelijk geslacht en is in kleine achting, behalve bij vrouwen en onontwikkelden. Ik was evenwel benieuwd te zien wat een schrijver van dat land kon zeggen over dit onderwerp. Deze schrijver behandelde al de gewone onderwerpen van Europeesche moralisten, aantoonende hoe een nietig, verachtelijk en hulpeloos wezen de mensch van nature was; hoe onbekwaam zich te beveiligen tegen de ruwheden van den dampkring, of de woede van wilde dieren; hoe ver hij door het eene schepsel in kracht, door het andere in vlugheid, door het derde in inzicht, door het vierde in kunstvaardigheid overtroffen wordt. Hij voegde er bij, „dat de natuur ontaard was in deze latere afnemende eeuwen, en nog alleen maar kleine misgeboorten kon voortbrengen, in vergelijking met de geboorten van oude tijden.” Hij zeide, „dat het zeer aannemelijk was, dat niet alleen het menschengeslacht oorspronkelijk veel grooter was geweest, maar ook dat er reuzen moeten geweest zijn in vorige eeuwen; wat, zooals het beweerd wordt door geschiedenis en overlevering wordt bevestigd door groote beenderen en schedels, nu en dan opgegraven in verschillende deelen van het koninkrijk, die ver die overtreffen van het tegenwoordige weggeslonken geslacht.” Hij betoogde „dat de wetten der natuur zelf noodzakelijk vereischten dat wij, in den beginne, grooter en sterker zouden geschapen zijn; niet zoo blootstaande aan den dood door nietige toevallen, door het vallen van een dakpan op ons hoofd, of een steen, geworpen door een kinderhand, of door het verdrinken in een kleine beek. Uit deze redeneeringen trok de schrijver allerlei zedelijke toepassingen, nuttig om naar te leven, maar noodeloos hier te herhalen. Wat mij betrof, ik kon niet laten bij mijzelf te bedenken hoe algemeen dit talent was, zedelessen te halen, of liever oorzaak van wrok en ontevredenheid te zoeken uit den strijd, die er zou zijn tusschen de natuur en ons. En ik geloof, dat, na ernstig onderzoek, die strijd even ongegrond zou blijken bij ons, als hij is onder dit volk. Aangaande hun legerzaken, verheffen zij er zich op, dat des konings leger uit honderd-zes-en-zeventig-duizend man voet- en twee-en-dertig-duizend paardevolk bestaat: als dat een leger genoemd mag worden, dat is samengesteld uit de handelaars in de verschillende steden, en de boeren op het land, wier bevelhebbers de adel en de heeren zijn, zonder loon of vergoeding. In hun oefeningen zijn zij inderdaad vrijwel volmaakt, en onder zeer goede tucht, waarin ik geen groote verdienste vond; want hoe kon het ook anders, waar iedere boer onder het bevel van zijn eigen landheer staat, en iedere burger onder dat van den voornaamsten van zijne eigene stad, gekozen bij stemming, als in Venetië?

Ik heb dikwijls de militie van Lorbrulgrud zien uitrukken om te exerceeren in een groot veld bij de stad, van twintig mijl in ’t vierkant. Er waren in ’t geheel niet meer dan vijf-en-twintig-duizend man voet- en zesduizend paardenvolk; maar het was me onmogelijk hun aantal precies te tellen, omdat ze zoo’n groote ruimte besloegen. Een ruiter, zittende op een groot paard, mag zoowat negentig voet hoog zijn geweest. Ik heb die heele ruitermacht, op éen woord van commando, in eens hun zwaarden zien trekken en in de lucht zwaaien. Geen verbeelding kan zich iets zoo groots, zoo verrassends, zoo overweldigends voorstellen! het was alsof tienduizend bliksems tegelijkertijd van iedere hemelwolk neerschoten.

Ik was benieuwd te weten hoe deze vorst, tot wiens rijk geen toegang van eenig ander land is, eraan kwam aan legers te denken, of zijn volk te wennen onder militaire tucht. Maar ik werd spoedig, door gesprekken en geschiedboeken, daarover ingelicht; want, in den loop van verscheidene eeuwen, hebben zij geleden aan dezelfde kwaal, waaraan veel andere regeeringen onderhevig zijn; de adel strevende naar macht, het volk naar vrijheid en de vorst naar het alleenheerscherschap. Al welke, hoewel gelukkig getemperd door de wetten, soms door elk van de drie partijen verkracht zijn, en een of meer malen burgeroorlog deden ontstaan; waarvan aan de laatste gelukkig een eind gemaakt werd door den grootvader van dezen vorst, bij algemeen verdrag; en het leger, toen met algemeene toestemming opgericht, is sinds dien tijd onder strenge tucht gehouden.

Achtste hoofdstuk.

De Koning en Koningin maken een reis naar de grenzen.—De schrijver vergezelt hen.—De wijze waarop hij het land verlaat zeer omstandig verteld.—Hij keert naar Engeland terug.

Ik had altijd een vast vertrouwen dat ik eens mijn vrijheid herkrijgen zou, schoon het onmogelijk vooruit te zeggen was op welke wijze, of eenig plan te maken dat de minste kans van slagen had. Het schip waarmee ik gekomen was, was het eerste dat bij menschen weten in ’t gezicht van de kust gekomen was, en de koning had strikte orders gegeven, dat, als er te eeniger tijd weer een opdaagde, het aan land gehaald zou worden en met de heele bemanning en alle passagiers, in een ton naar Lorbrulgrud gebracht. Ik werd, dat is waar, met veel goedheid behandeld; ik was de lieveling van een groot koning en zijn koningin, en de vreugd van het heele hof; maar ik werd met dat al behandeld op een voet, die slecht overeenkwam met de waardigheid van de menschheid. Ik kon nooit die huiselijke panden vergeten, die ik achtergelaten had. Ik had behoefte aan het verkeeren onder menschen met wie ik op gelijken voet kon omgaan, en langs de straten en velden wandelen zonder vrees te worden doodgetrapt als een vorsch of een jong hondje. Maar mijn verlossing kwam spoediger dan ik verwacht had, en op een ongewone wijze; waarvan ik de geschiedenis en de omstandigheden getrouw vertellen zal.

Ik was twee jaar in het land geweest; en omstreeks den aanvang van het derde vergezelden Glumdalclitch en ik den koning en de koningin, op een reis naar de zuidkust van het koninkrijk. Ik werd, als gewoonlijk, vervoerd in mijn reisdoos, die, zooals ik reeds beschreven heb, een welingericht vertrek was van twaalf voet breed. En ik had een hangmat, met zijden koorden, aan de vier hoeken bovenaan doen bevestigen, om den schok te breken als een bediende mij voor zich op ’t paard had, zooals ik somtijds vroeg; en in die hangmat placht ik dikwijls onderweg een slaapje te doen. In het dak van mijn vertrekje, niet precies midden boven de hangmat, liet ik den timmerman een gat steken van een voet in ’t vierkant, om me lucht te maken bij warm weer, terwijl ik sliep; en ik sloot dat gat wanneer ik wilde met een schuif die achter- en vooruit door een gleuf gleed.

De knaap liep met mij in mijn doos naar de rotsen aan de zeekust.

De knaap liep met mij in mijn doos naar de rotsen aan de zeekust.

Toen wij het doel van onze reis nabij waren, dacht het den koning goed een paar dagen te vertoeven in een paleis dat hij had nabij Flanflasnic, een stad achttien Engelsche mijlen van zee af gelegen. Glumdalclitch en ik waren erg moe: ik had een beetje kou gevat, maar het arme kind was zoo ziek dat zij haar kamer moest houden. Ik smachtte er naar de zee te zien, waar alleen ik over ontsnappen kon, als dat ooit gebeuren mocht. Ik deed mijn ongesteldheid erger voorkomen dan ze was, en vroeg verlof de frissche zeelucht te mogen gaan inademen, met een page waar ik veel van hield, en dien men soms met mij vertrouwde. Ik zal nooit vergeten hoe ongaarne Glumdalclitch er in toestemde, noch den strikten last dien zij den page gaf goed voor mij te zorgen, terwijl zij tegelijk in tranen uitbarstte, als had zij een voorgevoel van wat er te gebeuren stond. De knaap liep met mij in mijn doos, tot een half uur van het paleis, naar de rotsen aan de zeekust. Ik beval hem mij neer te zetten, en een van mijn gordijnen opgehaald hebbende, wierp ik verlangende, droefgeestige blikken naar de zee. Ik voelde me niet heel wel, en zei den page dat ik lust had een dutje te doen in mijn hangmat, wat ik hoopte dat mij goed zou doen. Ik kroop erin, en de knaap deed het venster goed dicht, om de kou buiten te houden. Ik viel spoedig in slaap, en al wat ik gissen kan, is dat de page, toen ik sliep, niet denkende dat er eenig gevaar was, tusschen de rotsen ging zien naar eieren, waarnaar ik hem uit mijn venster al had zien zoeken, en een of twee in de spleten oppakken, maar hoe dat mag zijn, ik werd plotseling wakker door een hevigen ruk aan den ring, die voor het gemak van mij te dragen boven aan mijn doos was vastgemaakt. Ik voelde mijn doos heel hoog in de lucht worden opgevoerd, en daarop vooruit gedragen met een verbazende snelheid. De eerste schok had mij bijna uit mijn hangmat geworpen, maar daarna was de beweging zacht schommelend. Ik riep verscheiden malen zoo luid als ik kon, maar vruchteloos. Ik keek door mijn venster en zag niets dan wolken en lucht. Ik hoorde een gedruisch vlak boven mijn hoofd, als het slaan van vleugels, en begon toen te merken in wat jammerlijken toestand ik was; dat een arend den ring van mijn doos in zijn bek had, en mij straks op een rots zou laten vallen, als een schildpad in zijn schaal, en mijn lichaam dan er uitpikken en verslinden: want de scherpe blik en de fijne reuk van dien vogel stelt hem in staat zijn prooi te ontdekken op een grooten afstand, zelfs beter verborgen, dan ik binnen tweeduims planken kon zijn.

Ik merkte binnen kort, dat het gedruisch en het kleppen van vleugels snel toenam, en mijn doos werd heen en weer gezwaaid als een uithangbord in den wind. Ik hoorde verscheiden stooten of slagen, die naar ik dacht neerkwamen op den arend (want dat moet hij, daar ben ik zeker van, geweest zijn, die den ring van mijn doos in zijn bek hield), en toen, plotseling, voelde ik mij meer dan een minuut lang loodrecht neervallen, maar met zulk een ongelooflijke snelheid, dat ik bijna geen adem meer kon krijgen. Mijn val werd gestuit in een verschrikkelijk gedreun, dat mij luider in de ooren klonk dan de waterval van Niagara, waarna ik een volgende minuut heelemaal in den donkere was, en toen begon mijn doos te rijzen, zoo hoog, dat ik boven door mijn vensters licht kon zien. Ik bemerkte nu, dat ik in de zee gevallen was. Mijn doos bleef, door het gewicht van mijn lichaam, de goederen, die er in waren, en de breede ijzeren platen, waarmee de vier hoeken van het dak en de bodem beslagen waren, vijf voet onder water. Ik veronderstelde en veronderstel nog, dat de arend, die met mijn doos was weggevlogen, door twee of drie anderen vervolgd en genoodzaakt was geworden mij los te laten, om zich te verdedigen tegen de anderen, die in zijn buit hoopten te deelen. De ijzeren platen, waar de bodem mee beslagen was, hielden, (want die waren de zwaarste) de doos onder het vallen in evenwicht, en voorkwamen dat zij op het oppervlak van het water stuk viel. Iedere voeg was goed gesloten, en de deur draaide niet op hengels, maar schoof op en neer als een raam, wat mijn doos zoo dicht deed zijn, dat ze heel weinig water binnenkreeg. Ik kwam met veel moeite uit mijn hangmat, nadat ik eerst beproefd had het schuifje op het dak te openen, waarvan ik vroeger zei, dat het was aangebracht om lucht binnen te laten, waaraan ik tot stikkens toe behoefte had.

Hoe dikwijls verlangde ik toen naar mijn lieve Glumdalclitch, van wie een enkel uur mij zoo ver gescheiden had. En ik mag naar waarheid betuigen, dat ik, te midden van mijn eigen ongelukken, niet ophouden kon mijn arme verzorgstertje te beklagen, het verdriet, dat zij van mijn verdwijnen hebben zou, het ongenoegen van den koning en den ondergang van haar fortuin. Weinig reizigers misschien hebben grooter moeielijkheden en benauwdheid doorgemaakt, dan waar ik in was in dit angstig oogenblik, ieder oogenblik verwachtende mijn doos te zien stukslaan of tenminste, door den eersten hevigen rukwind, of een hooge golf, omvergooien. Een barst in éen venster-ruit zou mijn onmiddellijken dood veroorzaakt hebben, en die ruiten zouden het stellig zoo lang niet hebben uitgehouden, zonder de sterke traliedraden, die aan de buitenzijde waren aangebracht tegen ongevallen op reis. Ik zag het water door verscheidene reten binnendruppelen, schoon de lekken niet belangrijk waren, en ik ze trachtte te stoppen zoo goed ik kon. Ik was niet in staat het dak van mijn vertrek op te lichten, wat ik anders zeker zou gedaan hebben en er boven op zijn gaan zitten; waar ik tenminste een paar uur langer in veiligheid zou zijn, dan door te zijn opgesloten (zooals ik het noemen mag) binnen in: of, als ik deze gevaren al een dag of twee ontsnapte, wat kon ik anders verwachten dan een ellendigen dood door honger en koude? Ik was vier uur in deze omstandigheden, verwachtende, ja bijna wenschende, elk oogenblik, dat dit het laatste zou zijn.

Ik heb den lezer reeds verteld, dat er twee sterke krammen bevestigd waren aan die zijde van mijn doos, die geen venster had, en waarin de knecht, die me te paard placht te dragen, een lederen gordel haalde en om zijn midden gespte. Terwijl ik nu zoo troosteloos in mijn doos zat, hoorde ik, of meende ik tenminste te hooren een soort van knarsend geluid, aan die zijde waar die krammen zaten; en kort daarop ging het me voorkomen dat de doos door zee voortgetrokken of gesleept werd; want ik voelde af en toe een soort van drukking, die de golven tot bijna boven mijn vensters rijzen deed en me haast in ’t donker liet. Dit gaf me eenigszins hoop op uitredding, schoon ik niet in staat was mij te verbeelden door wat middel die zou plaats hebben. Ik waagde het een van mijn stoelen los te schroeven, die altijd aan den grond vast waren; en na hem met groote inspanning weer te hebben vastgeschroefd vlak onder het dakschuifje, dat ik kort te voren geopend had, klom ik er op, en riep, met mijn mond zoo dicht ik kon bij de opening, zoo hard mogelijk om hulp, in al de talen die ik sprak. Toen bond ik mijn zakdoek aan een stok, dien ik gewoonlijk bij mij droeg, en wuifde hem, boven het gat, herhaaldelijk heen en weer, opdat als eenig schip of boot in de nabijheid was, de zeelieden begrijpen konden dat een of ander ongelukkige sterveling in deze doos zat opgesloten. Ik bespeurde geen gevolg op al wat ik deed, maar bemerkte duidelijk dat mijn kamer voortgesleept werd; en binnen den tijd van een uur, of minder, stootte die zij van de doos waar de krammen waren, en die geen vensters had, tegen iets hards. Ik vreesde dat het een rots was, en voelde mij meer dan ooit ontsteld heen en weer schudden. Ik hoorde duidelijk een geluid op het dak van mijn kamer als van een kabel, en een schuren alsof hij door den ring gehaald werd. Toen voelde ik me, langzaam aan, ophijschen, tot ten minste drie voet hooger dan ik eerst was. Waarop ik weer mijn zakdoek aan den stok uitstak, en om hulp riep totdat ik nagenoeg heesch was. In antwoord waarop ik een luid driemaal herhaald gejuich hoorde, wat mij zulke vervoeringen van vreugd gaf als alleen kunnen begrepen worden door hen die ze voelen. Ik hoorde nu voeten boven mijn hoofd, en iemand die met luider stem door het gat riep, in ’t Engelsch, of er iemand beneden was, en zoo ja of hij dan maar spreken wou. Ik antwoordde dat ik een Engelschman was, door mijn noodlot in de jammerlijkste omstandigheden gebracht waar ooit eenig schepsel in verkeerde, en smeekte, bij al wat hen bewegen kon, uit de gevangenis waar ik in was bevrijd te worden. De stem antwoordde dat ik buiten gevaar was, want mijn doos lag vast aan hun schip, en de timmerman zou onmiddellijk een gat in de zoldering zagen, groot genoeg om me er door te hijschen. Ik antwoordde dat dit niet hoefde en te veel tijd zou kosten; maar dat een van de bemanning liever eenvoudig zijn vinger door den ring moest steken, en de doos uit zee in ’t schip zetten en bij den kapitein in zijn hut brengen. Eenigen, toen zij mij zoo vreemd hoorden praten, dachten dat ik gek was, anderen lachten; want ’t was mij geen oogenblik in ’t hoofd gekomen te denken dat ik nu weer onder menschen van mijn eigen lengte en kracht gekomen was. De timmerman kwam, en zaagde, binnen een minuut of wat, een doorgang van ongeveer vijf voet in ’t vierkant, liet een kleine ladder neer, waar ik opklom, en erg verzwakt in ’t schip werd opgenomen.

De schepelingen stonden allen verbaasd en deden mij duizend vragen, die ik geen lust had te beantwoorden. Ik was eveneens verbaasd bij het gezicht van zooveel dwergen, want zoo leken zij mij, nu ik zoo lang mijn oogen gewend had aan de monsterachtige afmetingen, die ik pas verlaten had. Maar de kapitein, mr. Thomas Wilcocks, een braaf eerlijk man uit Shropshire bemerkende dat ik op ’t punt stond flauw te vallen, nam me in zijn hut, gaf me een hartsterking om me op te wekken, en deed me op zijn eigen bed liggen, met den raad wat rust te nemen, die ik hard noodig had. Voor ik slapen ging, zei ik hem dat ik een beetje goed onderhouden huisraad in mijn doos had, te goed om te laten verloren gaan; een mooie hangmat—een knap veldbed—twee stoelen—een tafel—en een kabinet. Dat mijn kamer aan alle kanten behangen, of liever gevoerd was met zijde en katoen; dat, als hij een van het volk mijn kamer in zijn hut wou laten brengen, ik haar daar voor hem zou openen en hem mijn goederen laten zien. Toen de kapitein mij dien zotteklap hoorde uitslaan, kreeg hij de overtuiging dat ik ijlde; nochtans (ik denk om me tevreden te stellen) beloofde hij mij te zullen doen zooals ik gevraagd had, en op dek gegaan zijnde, zond hij eenige van zijn volk naar beneden in mijn kamer, waar zij, (zooals ik later bemerkte) al mijn goederen uithaalden, en de voering afstroopten; maar de stoelen, de kast en de bedstede, die aan den vloer geschroefd waren, werden door de onwetendheid van de zeelieden, die hen met geweld losscheurden, erg beschadigd. Toen sloegen zij eenige planken af die op schip konden gebruikt worden, en toen zij zoo alles ervan gehaald hadden wat hun geschikt leek, lieten zij het overschot in zee vallen, waar het, wegens de vele bressen in bodem en zijwanden, onmiddellijk zonk. En ik was werkelijk blij dat ik geen toeschouwer geweest was van de schade, die zij aanrichtten, omdat ik overtuigd ben dat het mij zeer zou hebben aangedaan, en vroegere gebeurtenissen in mijn geest teruggeroepen, die ik liever vergeten wou.

Ik sliep een paar uur, maar mijn slaap werd onophoudelijk gestoord door droomen van de plaats waar ik van daan kwam, en de gevaren waaraan ik was ontsnapt. Toen ik wakker werd, voelde ik mij evenwel veel beter. Het was toen zoo wat acht uur ’s avonds en de kapitein bestelde dadelijk avondeten, meenende dat ik reeds te lang gevast had. Hij onderhield mij allerminzaamst, bemerkende dat ik niet wild keek of onsamenhangend praatte; en toen wij alleen waren vroeg hij mij hem het verhaal te doen van mijn reizen, en hoe ik zoo kwam rond te drijven in een houten kast. Hij zei, dat hij, omstreeks twaalf uur op den middag, toen hij door zijn glas keek, iets bespeurde op een afstand, dat hij voor een zeil hield, dat hij besloot te praaien, daar het niet ver uit zijn koers lag, in de hoop een beetje beschuit te kunnen koopen, omdat die hij had, begon op te raken. Dat hij, naderbijkomende, en zijn vergissing bemerkende, zijn sloep had laten uitzetten om te ontdekken wat het was; dat zijn matrozen doodsbang terugkwamen, zwerende dat zij een drijvend huis gezien hadden. Dat hij lachte om hun dwaasheid, en zelf in de boot gegaan was, terwijl hij zijn volk last gaf een sterk kabeltouw mee in de boot te nemen. Dat hij, daar de zee kalm was, verscheiden malen om me heen geroeid was, mijn vensters had opgemerkt en het traliewerk dat ze beschutte. Dat hij twee krammen aan éene zijde bespeurde, die heelemaal van planken was en zonder doorgang voor het licht. Hij beval toen zijn volk naar dien kant op te roeien, en een kabel aan een van de krammen bevestigende, gaf hij hun last mijn kast, zooals zij haar noemden, naar het schip te sleepen. Toen ze daar was, gaf hij order een anderen kabel te bevestigen aan den ring, die in de zoldering vastzat, en mijn kast met katrollen op te hijschen, wat al de matrozen niet bij machte waren hooger dan twee of drie voet te doen. Hij zei, dat zij mijn stok met den zakdoek uit het gat zagen gestoken, en daaruit opmaakten, dat de een of andere ongelukkige er binnen moest opgesloten zijn. Ik vroeg of hij of een van zijn volk niet sommige monsterachtige groote vogels in de lucht gezien hadden omstreeks den tijd dat zij mij in ’t gezicht kregen? Waarop hij antwoordde, dat, terwijl hij deze zaak, toen ik sliep, met de matrozen besprak, een van hen zeide, dat hij drie arenden gezien had, die naar het noorden vlogen, maar niets bemerkte van dat zij meer dan de gewone grootte hadden; wat ik veronderstel dat moet worden toegeschreven aan de groote hoogte waarop zij waren; en hij begreep niet om wat reden ik dat vroeg. Ik vroeg toen den kapitein hoever wij, naar zijne berekening, van land waren? Hij zei, naar de beste berekening die hij maken kon, tenminste honderd mijlen. Ik verzekerde hem, dat hij zich bijna de helft vergissen moest, want dat ik het land, waar ik vandaan kwam, verlaten had niet meer dan twee uur voordat ik in zee viel. Waarop hij opnieuw ging gelooven dat mijn hoofd van streek was, wat hij me half en half te verstaan gaf, en toen raadde naar bed te gaan in een hut, die hij voor me had laten klaarmaken. Ik verzekerde hem dat ik door zijn goede zorgen en gezelschap uitstekend was opgefrischt, en zoo goed bij mijn verstand als ooit. Toen werd hij ernstig, en verzocht mij hem vrijuit te zeggen of mijn geest niet ontrust werd door het bewustzijn van een vreeselijke misdaad, waarvoor ik gestraft was, op bevel van een of anderen vorst, met in die kast gezet te worden; zooals groote misdadigers, in andere landen, gedwongen zijn op zee te gaan in een lek vaartuig, zonder teerkost: want ofschoon het hem spijten zou zulk een slecht man in zijn schip genomen te hebben, gaf hij toch zijn woord, dat hij mij veilig aan land zou zetten in de eerste de beste haven waar wij aankwamen. Hij voegde erbij, dat zijn vermoedens zeer versterkt waren door sommige allerdwaaste praatjes, die ik eerst tegen de matrozen en daarna tegen hem zelf gehouden had, aangaande mijn kamer of kast, zoowel als door mijn zonderlinge blikken en gedrag bij ’t avondeten.

Ik verzocht hem geduldig te willen luisteren naar mijn verhaal, dat ik hem daarop getrouwelijk vertelde, van den laatsten keer dat ik Engeland verliet tot het oogenblik dat hij mij het eerst ontdekte. En, zooals de waarheid zich altijd een weg baant in redelijke geesten, zoo werd ook deze brave eerlijke man, die een beetje geleerdheid en een zeer gezond verstand had, onmiddellijk van mijn oprechtheid en waarheidsliefde overtuigd. Maar om al wat ik gezegd had verder te bevestigen, verzocht ik hem last te geven dat mijn kabinet gebracht zou worden, waarvan ik den sleutel in mijn zak had; want hij had me al verteld hoe het volk over mijn kamer had beschikt. Ik opende het waar hij bij was, en toonde hem de kleine verzameling merkwaardigheden, die ik in het land, waaruit ik zoo wonderlijk verlost was, had aangelegd. Daar was de kam, die ik uit de haartjes van des konings baard gemaakt had, en nog een van dezelfde grondstof, maar met voor rug een knipsel van Harer Majesteits duimnagel. Daar was een verzameling naalden en spelden van een voet tot een halve el lang; vier wespenangels, als kastenmakers-spijkers; eenige kamselharen van de koningin; een gouden ring, dien zij mij op een keer op de innemendste wijze ten geschenke gegeven had door hem van haar pink te nemen en me om het hoofd te werpen als een halsband. Ik wenschte, dat de kapitein mij het genoegen zou doen dezen ring in erkentelijkheid voor zijn beleefdheden aan te nemen, wat hij heel stellig afsloeg. Ik liet hem een likdoorn zien, dien ik met eigen handen van den teen van een hofdame gesneden had; hij was zoo wat zoo groot als een pippeling, en zoo hard geworden, dat ik hem, toen ik in Engeland terug was, uitholde tot een beker en in zilver zette. Ten laatste liet ik hem de broek zien, die ik aanhad, die gemaakt was van muizevel.

Ik kon hem niets anders doen aannemen als een tand van een hofbediende, dien ik zag dat hij zeer belangstellend bekeek en graag hebben wou. Hij nam hem aan met de overvloedigste dankbetuigingen, meer dan zulk een kleinigheid verdiende. Hij was door een onhandigen dokter getrokken aan een van de bedienden van Glumdalclitch, die aan tandpijn leed, maar hij was zoo gaaf als hij een in zijn hoofd had. Ik liet hem schoonmaken en legde hem in mijn kast. Hij was zoo wat een voet lang en vier duim in doorsneê.

De kapitein was met het eenvoudige verhaal, dat ik hem gedaan had, volmaakt tevreden, en zei, dat hij hoopte, dat ik, in Engeland teruggekeerd, de wereld verplichten zou door het op schrift te stellen en uit te geven. Mijn antwoord was, dat ik meende, dat we al zeer overvoerd waren met reisboeken, dat er niets meer gebeuren kon, dat buitengemeen was; waarom ik ook geloofde, dat sommige schrijvers de waarheid minder dan hun eigen ijdelheid, of geldzucht, of het vermaak van onwetende lezers raadpleegden; dat mijn verhaal weinig anders dan gewone gebeurtenissen bevatten kon, zonder die opsierende beschrijvingen van vreemde planten, boomen, vogels en andere, of van de barbaarsche gewoonten en den afgodendienst van wilde volksstammen, die bij de meeste schrijvers talrijk zijn. Evenwel dankte ik hem voor zijn goede bedoeling en beloofde hem de zaak in bedenking te houden.

Hij zei, dat hij zich over éen ding verwonderde, daarover namelijk, dat ik zoo luid sprak; en vroeg mij of de koning of de inwoners van dat land hardhoorig waren? Ik zei hem dat ik dat twee jaar lang voor gewoonte had gehad, en dat ik me evengoed verwonderde over zijn stem en die van zijn volk, die mij niets schenen te doen dan fluisteren, en toch kon ik ze goed genoeg verstaan. Maar, als ik sprak in dat land, was het als een man die in een straat spreekt tegen een, die van den top van een toren kijkt, tenzij ik op tafel stond of in iemands hand. Ik vertelde hem, dat ik nog iets bemerkt had, namelijk dat toen ik eerst op ’t schip kwam en de matrozen om me heen stonden, ik dacht dat ze de allernietigste schepseltjes waren die ik ooit gezien had. Want, toen ik in het land van dien vorst was, kon ik niet over mij krijgen in een spiegel te kijken nadat mijn oogen gewoon waren geraakt aan zulke ontzaglijke voorwerpen, omdat de vergelijking mij zoo’n afschuwelijk klein denkbeeld van mij zelf gaf. De kapitein zei, dat hij aan ’t avondeten gemerkt had dat ik alles met zekere verbazing bekeek, en soms nauwelijks mijn lachen, naar ’t scheen, bedwingen kon, wat hij niet wist hoe hij ’t verklaren moest, maar toeschreef aan de eene of andere stoornis in mijn hersens. Ik antwoordde, dat het zeer waar was: en ik wel eens zou willen weten hoe ik dat laten moest als ik zijn schotels zag van de grootte van een zilver driestuiverstuk, een zwijnspoot van nauwelijks een mond vol, een beker, niet zoo groot als een notedop; en zoo ging ik voort, de rest van huisraad en eetwaren beschrijvende op dezelfde manier. Want ofschoon de koningin een kleine uitrusting van alle noodige zaken voor mij had laten maken, toen ik in haar dienst was, waren mijn denkbeelden toch heelemaal vervormd door wat ik aan alle kanten om me heen zag, en ik zag mijn eigen kleinheid maar voorbij zooals de menschen hun fouten doen. De kapitein begreep mijn scherts volkomen en antwoordde luimig met het oude Engelsche spreekwoord, dat hij vermoedde dat mijn oogen grooter dan mijn buik waren, want hij merkte niet dat mijn maag heel trekkerig was, al had ik den heelen dag gevast; en in zijn vroolijkheid doorgaande, verklaarde hij dat hij graag honderd pond zou hebben gegeven om mijn kamer in den snavel van den arend, en later in haar val van zoo hoog in zee te zien; wat stellig een verbazingwekkend schouwspel geweest moest zijn, waardig dat de beschrijving ervan naar toekomstige eeuwen werd overgebracht; en de vergelijking met Phaëton lag zoo voor de hand, dat hij het niet laten kon haar te maken, schoon ik de figuur niet erg aardig vond.

De kapitein was, van Tonkin komende, op de thuisreis naar Engeland noordoostwaarts gedreven tot op 44 graden breedte en 143 lengte. Maar twee dagen nadat ik aan boord kwam, en langs de kust van Nieuw-Holland zeilende, hielden wij onzen koers west-zuid-west, en toen zuid-zuid-west, tot wij om de kaap de Goede Hoop voeren. Onze reis was zeer gelukkig, maar ik zal den lezer niet plagen met een dagverhaal ervan. De kapitein liep een of twee havens in, en zond de sloep uit om levensmiddelen en versch water in te nemen; maar ik verliet het schip niet voor we in de Duyns kwamen, wat gebeurde op den derden Juni 1706, zoowat negen maanden na mijn ontsnapping. Ik bood aan mijn goederen in pand te laten voor de betaling van mijn overtocht, maar de kapitein verklaarde dat hij geen duit ontvangen wou. Wij namen van elkaar een hartelijk afscheid en ik deed hem beloven dat hij mij zou komen opzoeken in mijn huis te Redriff. Ik huurde een paard en een gids voor vijf shillings, die ik van den kapitein leende.

Onderweg, de kleinheid van de huizen, de boomen, het vee en de menschen ziende, begon ik te denken dat ik in Lilliput was. Ik was bang op iederen reiziger dien ik tegenkwam te trappen, en riep hun dikwijls luidskeels toe uit den weg te gaan, zoodat het weinig scheelde of ik was voor mijn onbeschaamdheid met een of twee gebroken schedels thuis gekomen.

Toen ik aan mijn huis kwam, waarnaar ik genoodzaakt was te vragen, bukte ik mij, nadat een van de bedienden de deur geopend had, om binnen te gaan (als een gans onder een hek) uit vrees van mijn hoofd te stooten. Mijn vrouw vloog me tegemoet om me te omhelzen, maar ik boog me lager dan haar knieën, meenende dat ze anders nooit bij mijn mond zou kunnen komen. Mijn dochter knielde om mijn zegen te vragen, maar ik kon haar niet zien eer ze weer opstond, daar ik zoo lang gewoon was geweest met mijn hoofd en oogen zestig voet naar boven gericht, te staan; en toen ging ik haar met een hand om ’t midden vatten. Ik keek op de boden neer, en op een of twee vrienden die in huis waren, als waren zij dwergen en ik een reus. Ik zei tegen mijn vrouw, dat ze te spaarzaam was geweest, want ik vond dat ze zichzelf en haar dochter tot niets vermagerd had. In ’t kort, ik gedroeg me zoo onverklaarbaar, dat zij allen van de meening van den kapitein waren, toen die me ’t eerst zag, en geloofden dat ik mijn verstand was kwijtgeraakt. Dit doe ik opmerken als een staaltje van de groote macht van gewoonte en vooroordeel.

Binnen weinig tijd gingen ik en mijn huisgenooten en vrienden elkaar beter verstaan; maar mijn vrouw verklaarde dat ik nooit meer naar zee zou gaan, ofschoon mijn ongelukkig noodlot het zoo besloten had dat zij geen macht had mij tegen te houden, zooals de lezer hierna hooren zal. Ondertusschen eindig ik hier het tweede deel van mijn ongelukkige reizen.