I.

Waarom men het stadje Quiquendone nergens behoeft op te zoeken, zelfs niet op de beste kaarten.

Zoo ge het stadje Quiquendone op een kaart van Vlaanderen mocht willen opzoeken, hetzij een oude of een nieuwe, zoudt ge het waarschijnlijk niet vinden. Is Quiquendone dan een van die steden, welke van de aarde verdwenen zijn? Niet? Een stad in haar opkomst dan? Ook niet. De stad bestaat, wat de aardrijkskundigen ook mogen beweren, en ze bestaat wel al acht of negen eeuwen. Ze telt zelfs twee duizend drie honderd drie en negentig zielen, aannemende dat ieder inwoner een ziel heeft. Quiquendone ligt dertien en een halve kilometer ten Noordwesten van Oudenaarde en vijftien en een kwart kilometer ten Zuid-oosten van Brugge, in ’t hartje van Vlaanderen dus. De Vaar, een bijriviertje van de Schelde, loopt er midden door, en er zijn drie bruggen over geslagen in middeleeuwschen stijl, zooals men er ook te Doornik vindt. Verder kan men er een oud kasteel bewonderen, waarvan de eerste steen gelegd werd in 1197 door Graaf Boudewijn, den toekomstigen Keizer van het Ottomanische Rijk, en een stadhuis met gothische vensters, versierd met kanteelen en prijkende met een kolossalen klokketoren van drie honderd zeven en vijftig voet hoogte. Elk uur laat zich daar een klokkenspel van vijf octaven hooren; dat is een ware luchtpiano, nog vermaarder dan het beroemde carillon van Brugge. Als er vreemdelingen komen in Quiquendone—zoo dat al ooit gebeurd is—verzuimen zij nooit de zaal der stadhouders te bezoeken, waar het portret van Willem den Zwijger prijkt, door Brandon geschilderd; de kerk, een meesterstuk van bouwkunst uit de zestiende eeuw; de drinkwaterput met een bewonderenswaardig ijzeren hek van Quinten Metsys; het graf, vroeger bestemd voor Maria van Bourgogne, die thans in de Notre Dame te Brugge rust, en andere merkwaardigheden meer. De voornaamste tak van nijverheid te Quiquendone bestaat in de vervaardiging van zeker roomgebak, waarvoor zij beroemd is, en van suikerwerkjes op groote schaal. Sedert eeuwen staat de stad onder bestuur van de familie Van Tricasse, in welke familie die waardigheid van vader op zoon overgaat. Toch komt Quiquendone op de kaarten van Vlaanderen maar niet voor! Hebben de aardrijkskundigen haar vergeten, of misschien met opzet weggelaten? Dat zou ik u niet kunnen zeggen, maar wel weet ik, dat het stadje met zijn nauwe straten, zijn wallen, zijn Spaansche huizen, zijn stadhuis en zijn burgemeester bestaat,—en, wat boven alles bewijst dat het bestaat, is dat er zich onlangs verrassende, buitengewone, even onwaarschijnlijke als waarachtige tooneelen voordeden, waarvan ik u thans een getrouw verhaal zal leveren.

Men moet me geen kwaad spreken van de Vlamingen in West-Vlaanderen! Het zijn welgezeten, brave, spaarzame, gezellige, gastvrije lieden; misschien zijn ze niet erg rad van tong en vlug van geest, maar dat is nog geen reden, waarom een van hun meest belangwekkende steden nog altijd op een plaatsje in den atlas moet wachten.

Zij gaf haren vader een gestopte pijp. Blz. 171.

Zij gaf haren vader een gestopte pijp. Blz. 171.

Dat is een betreurenswaardig verzuim! Spraken nu nog maar de geschiedenis, of althans de kronieken, of zelfs maar de gewestelijke overleveringen van Quiquendone! Maar neen, noch atlassen, noch gidsen, noch reisbeschrijvingen spreken er van. Ieder gevoelt, hoe zeer dit den handel en de nijverheid eener stad moet benadeelen, doch we dienen gauw op te merken, dat Quiquendone noch nijverheid noch handel bezit en er best buiten kan. Ook ’t suikerwerk en het roomgebak, die het vervaardigt, vinden hun man op de plaats zelve en gaan niet naar buiten. Kortom, de Quiquendoners hebben geen mensch noodig. Ze hebben maar weinig wenschen, ze leven zeer eenvoudig, ze zijn kalm, matig, koel, flegmatisch, in een woord, echte Vlamingers!