II.

Waarin de burgemeester Van Tricasse en de wethouder Niklausse over de belangen der stad spreken.

»Zoudt ge dat denken?” vroeg de burgemeester.

»Ja, dat denk ik,” antwoordde de wethouder na eenige minuten zwijgens.

»Maar ’t zou zeer bedenkelijk zijn lichtvaardig een besluit te nemen,” hernam de burgemeester.

»Ja, dat is zoo, waarde Van Tricasse,” gaf de wethouder Niklausse ten antwoord. »Ik wil u wel zeggen, we zijn nu tien jaren over de gewichtige zaak bezig, maar ik kan er nog niet toe komen een besluit te nemen.”

»Ik kan mij zeer goed verklaren, dat gij aarzelt,” antwoordde de burgemeester, na zich een goed kwartier bedacht te hebben. »Ik kan mij verklaren dat ge aarzelt, en ik zelf aarzel ook. We zullen het best doen door nog niet te beslissen en eerst de zaak eens nauwkeurig te overwegen.”

»Zeker is het,” hernam Niklausse, »dat de plaats van commissaris van politie in een zoo rustige stad als Quiquendone overbodig is.”

»Onze voorganger,” gaf Van Tricasse op ernstigen toon ten antwoord, »onze voorganger zeide nimmer, zou nimmer hebben durven zeggen, dat dit of dat zeker was. ’t Is altijd mogelijk, dat het later berouwt zoo iets stelligs gezegd te hebben.”

De wethouder trok met een bevestigend gebaar de wenkbrauwen op en liet zich in ongeveer een half uur niet hooren. Al dien tijd verroerden de wethouder en de burgemeester geen vin. Daarna vroeg Niklausse aan Van Tricasse, of zijn voorganger, die een twintig jaar geleden gestorven was, ook nooit eens op de gedachte gekomen was, die commissaris-betrekking op te heffen, welke toch elk jaar de stad Quiquendone met een uitgaaf van dertien honderd vijf en zeventig frank en eenige centimes bezwaarde.

»Welzeker,” antwoordde de burgemeester, die met een gewichtig gebaar de hand aan zijn voorhoofd bracht, »welzeker, maar die waardige man stierf voordat hij een besluit genomen had, hetzij ten opzichte van deze zaak, hetzij ten opzichte van eenige andere zaak van administratieven aard. Hij deed wijs. Waarom zou ik ook zoo niet doen?”

De wethouder Niklausse kon geen enkele reden bedenken, waarom de burgemeester niet ook zoo zou doen.

»De man die als hij sterft, zeggen kan nooit in zijn leven tot een besluit gekomen te zijn,” ging Van Tricasse op deftigen toon voort, »heeft in dit ondermaansche bijna het volmaakte bereikt.”

Toen de burgemeester dit gezegd had, drukte hij op de veer eener schel, die een nauw hoorbaar geluid gaf. Bijna op hetzelfde oogenblik gleed iemand met zachte schreden over de vloersteenen. Een muis had op een dik tapijt niet minder leven kunnen maken. De kamerdeur had op hare goedgesmeerde hengsels gedraaid, en een jong meisje met lange blonde vlechten was binnengekomen. Het was Suze Van Tricasse, de eenige dochter van den burgemeester. Zij gaf haren vader een gestopte pijp en zette een koperen komfoortje neer; zonder een woord te spreken verdween zij weder, even onhoorbaar als zij gekomen was.

De burgervader stak den eerbiedwaardigen inhoud van zijn rooktoestel aan en hulde zich weldra in een wolk van blauwen rook, terwijl de wethouder Niklausse in diep gepeins verzonken bleef.

Het vertrek, waarin deze beide bestuurders van Quiquendone hun gesprek voerden, was een spreekkamer, waarin rijke versierselen van snijwerk in donker hout waren aangebracht. Een geheele wand werd ingenomen door een geweldigen vuurhaard, waarop een os gebraden had kunnen worden; daartegenover bevond zich een venster met in lood gevatte ruitjes, welker schilderwerk het daglicht temperde. Boven den schoorsteen hing in een ouderwetsche lijst een portret, naar men zeide van Hemlïng, dat een der voorvaderen der Van Tricasses moest voorstellen, een geslacht, dat stellig opklimt tot de veertiende eeuw, in den tijd toen de Vlamingen strijd moesten voeren met Keizer Rudolf van Habsburg.

Die spreekkamer was een vertrek in het huis van den burgemeester, dat een der aangenaamste woningen van de stad was. Het was naar Vlaamschen trant gebouwd en had al het verrassende, grillige, schilderachtige van den spitsbogenstijl; het behoorde dan ook tot de merkwaardigste monumenten der stad.

In een klooster van Karthuizer monniken of een instituut voor doofstommen had het niet stiller kunnen zijn dan in dat huis. Niets verstoorde er de stilte; men liep niet, maar gleed over den vloer; men praatte niet, maar lispelde. Toch waren er vrouwen in huis, en wel de vrouw van den burgemeester, Mevrouw Brigitta Van Tricasse, hare dochter, Suze Van Tricasse, en een dienstmeisje, Lotje Janssen. Voorts woonde er nog de zuster van den burgemeester, Tante Hermance, een oude-jongejuffrouw, die nog luisterde naar den naam van tantetje, zooals haar nichtje Suze, toen die nog een klein meisje was, haar noemde. Niettegenstaande er dus bouwstoffen te over waren voor oneenigheid, gedruisch en gebabbel, was het in de woning van den burgemeester rustig als in de woestijn.

De burgemeester was iemand van een vijftig jaren, niet dik en niet mager, niet groot en niet klein, niet blozend en niet bleek, niet vroolijk en niet somber, niet tevreden en niet pruilerig, niet ferm en niet flauw, niet trotsch en niet nederig, niet goed en niet kwaad, niet mild en niet gierig, niet dapper en niet laf, niet te veel en niet te weinig,—ne quid nimis,—een man die in alles de maat hield. De burgemeester Van Tricasse was het flegma in eigen persoon; dat had een gelaatskenner dadelijk gezien aan de onverstoorbare langzaamheid van zijne bewegingen, aan zijne eenigszins hangende benedenkaak, aan zijn voortdurend opgetrokken wenkbrauwen, aan zijn glad rimpeloos voorhoofd. Nimmer had, hetzij door toorn, hetzij door hartstocht, eenige aandoening dezen man het hart sneller doen kloppen of zijn gelaat doen kleuren, nooit waren zijne wenkbrauwen door drift samengetrokken, al ware het ook slechts voor een oogenblik. Hij had altijd goede kleeren aan, niet te wijd en niet te nauw, en kon ze ook niet verslijten. Hij droeg altijd groote schoenen met zilveren gespen en driedubbele zolen, die door hun groote duurzaamheid zijn schoenmaker tot wanhoop brachten. Zijn hoofd was bedekt met een breeden hoed, die nog dagteekende van den tijd toen Vlaanderen voor goed van Nederland gescheiden werd, zoodat dit hoofddeksel den achtenswaardigen leeftijd van veertig jaren bereikt had.

Hoe kon het ook anders? Hartstochten doen het lichaam zoowel als de ziel slijten, en de kleedingstukken zoowel als het lichaam, en onze kalme, rustige, onverschillige burgemeester had geen hartstochten. Hij zorgde wel, dat hij niet versleet en hij zorgde er ook wel voor, dat hij niet sleet; daardoor kwam hij zich zelf uiterst geschikt voor, om de stad Quiquendone en haar rustige inwoners te besturen.

De stad toch was niet minder rustig dan de woning van haar burgemeester, en in dat vreedzame verblijf dacht de waardige Van Tricasse zoolang mogelijk het einde zijner dagen af te wachten, in elk geval zoolang tot de goede Mevrouw Brigitta Van Tricasse, zijn vrouw, hem in het graf was voorgegaan, waar zeker haar rust niet grooter kon zijn dan die zij nu reeds sinds zestig jaren hier op aarde smaakte.

Dit vereischt een nadere uitlegging.

Ieder kent de geschiedenis van den man, die al wel vijfentwintig jaren éen mes gebruikt had, maar ook het hecht vernieuwde zoodra het niet meer deugde, en een ander lemmer nam als dit niet goed meer was. Precies iets dergelijks gebeurde ook sedert onheuglijke tijden in de familie Van Tricasse, en de natuur had er zich met zeldzame welwillendheid in gevoegd.

Nu was Van Tricasse reeds de tweede man van de waardige Mevr. Brigitta Van Tricasse. Blz. 174.

Nu was Van Tricasse reeds de tweede man van de waardige Mevr. Brigitta Van Tricasse. Blz. 174.

Sedert het jaar 1340 was het onveranderlijk gebeurd, dat een Van Tricasse, zoodra hij weduwnaar was geworden, hertrouwd was met een jongere Van Tricasse, die, zoodra zij weduwe was geworden, een nieuw huwelijk aanging met een jongeren Van Tricasse, die, werd hij weduwnaar... enz. enz. in een oneindige reeks door. Ieder lid der familie stierf als het zijn beurt was.

Nu was de thans levende Van Tricasse reeds de tweede man van de waardige Mevrouw Brigitta Van Tricasse, die, wilde zij niet in al hare plichten tekortschieten, haar tien jaren jongeren echtgenoot naar de andere wereld moest voorgaan, teneinde plaats te maken voor een nieuwe Van Tricasse. Daar rekende de achtbare burgemeester stellig op, opdat de overleveringen der familie niet geschonden zouden worden.

Zoo zag het er uit in dat vreedzame en stille huis, waar de deuren niet piepten, de vensters niet rammelden, de vloeren niet kraakten, de schoorsteenen niet snorden, de windhanen niet knersten, de meubels niet knapten, de sloten niet klepperden, en waar de bewoners niet meer gedruisch maakten dan hun schaduw. Harpocrates, de God der stilzwijgendheid, had dit verblijf zeker voor den tempel der rust verkozen.