’t Was kwart vóor drie, toen het hiervoren vermelde gewichtige gesprek tusschen den wethouder en den burgemeester begon, ’t was kwart vóor vier, toen Van Tricasse zijn gewone pijp opstak, waarin een kwart ons tabak ging. Vijf minuten over half zes had hij haar opgerookt, en al dien tijd was tusschen beide personen geen woord gewisseld. Tegen zes uren maakte de wethouder, die zijn onderwerp niet gemakkelijk losliet, de opmerking:
»Besluiten we dus?...”
»Met niets te besluiten, ja,” was het antwoord van den burgemeester.
»’k Zou wel denken, dat ge ’t bij het rechte eind hadt, Van Tricasse.”
»Mij dunkt het ook, Niklausse. We zullen ten opzichte van den commissaris van politie wel eens een besluit nemen als wij beter op de hoogte zijn... later... ’t Komt er toch op geen maand aan...”
»O, zelfs op een jaar niet,” gaf Niklausse ten antwoord, terwijl hij langzaam zijn zakdoek ontvouwde, waarvan hij overigens een bijna onmerkbaar gebruik maakte.
Het stilzwijgen werd wederom gedurende een uur tijds niet afgebroken. De rust werd door niets verstoord, zelfs niet door het binnenkomen van den hond Lento, die, even bedaard als zijn meester, zich door de kamer bewoog. Dat was een hond! Een waar model voor al zijn rasgenooten. Als hij van bordpapier geweest was met rolletjes onder de pooten, zou hij niet minder leven hebben kunnen maken.
Tegen acht uren, toen Lotje de ouderwetsche lamp had binnengebracht, zeide de burgemeester tot den wethouder:
»Is er geen andere dringende zaak af te doen, Niklausse?”
»Neen, Van Tricasse, zoover ik weet niet.”
»Wat ik zeggen wil; heb ik niet gehoord, dat de Oudenaardesche poort op inzakken stond?”
»Juist,” antwoordde de wethouder, »en wezenlijk, ’t zou mij niet verwonderen, als zij op den een of anderen dag boven een voorbijganger instortte.”
»Nu,” was het antwoord, »voordat dit gebeurt zullen we, hoop ik, daaromtrent wel een beslissing genomen hebben.”
»Dat hoop ik ook, Van Tricasse.”
»Er zijn zaken die meer haast hebben.”
»Zeker,” gaf de wethouder ten antwoord, »bijv. de zaak van het ledermagazijn.”
»Brandt dat nog altijd?” was de vraag.
»Nog altijd, sedert drie weken.”
»Hebben we in den Raad niet besloten het te laten branden?”
»Zeker, Van Tricasse, op uw voorstel nog wel.”
»Was dat niet het beste en eenvoudigste middel om den brand meester te worden?”
»Daar kan niemand iets tegen zeggen.”
»Wel, dan kunnen we ook wachten. Is dat alles?”
»Ja, dat is alles,” zeide de wethouder, met peinzend gelaat het hoofd krabbend, als om zich te vergewissen, dat hij niet de een of andere gewichtige zaak vergat.
»Wacht eens,” hernam de burgemeester, »hebt ge ook niet hooren spreken van een doorbraak, waardoor de laaggelegen wijk van St. Jacob dreigt onder te loopen?”
»Ja, juist,” was het antwoord. »Hoe jammer dat die doorbraak niet ontstond vlak boven het ledermagazijn! Dan was natuurlijk de brand gebluscht en bespaarde het ons vrij wat hoofdbrekens.”
»Och, die ongelukken kunnen zoo wonderlijk loopen,” sprak de waardige burgemeester. »Daar is hoegenaamd geen verband tusschen, en men kan maar niet van het eene gebruik maken om het andere te bestrijden.”
De wethouder had eenigen tijd noodig om ten volle het fijne van die opmerking te beseffen.
»Maar hoe is het mogelijk,” riep een poos later de wethouder Niklausse uit, »hoe is het mogelijk, dat wij niet eens over de groote zaak spreken!”
»Welke groote zaak? Hebben wij dan een groote zaak?” vroeg de burgemeester.
»Wel zeker. De quaestie van de stedelijke verlichting immers!”
»O ja,” gaf de burgemeester ten antwoord. »Als mijn geheugen me niet bedriegt, bedoelt ge de verlichting door dien dokter Ox.”
»Juist.”
»Zoo; en hoe staat het er meê?”
»Best. De zaak marcheert goed. Men begint de buizen reeds te leggen; de fabriek is al klaar. Maar me dunkt, we haasten ons wel wat met die zaak,” zeide de wethouder, terwijl hij zijn schouders ophaalde.
»’t Kan zijn,” antwoordde de burgemeester, »maar we moeten niet vergeten, dat dokter Ox de proef geheel voor zijn rekening neemt. ’t Kost ons geen duit.”
»Ja, dat zegt heel veel. Men moet toch ook met zijn eeuw medegaan. Als de proef gelukt, zal Quiquendone de eerste stad van Vlaanderen zijn, die verlicht wordt met hydro-oxy.... Hoe heet dat gas ook weer?”
»Hydro-oxygeengas.”
»Nu, hydro-oxygeengas dan.”
Op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Lotje den burgemeester zeggen, dat het avondmaal gereed stond. De wethouder Niklausse stond op om afscheid te nemen van den burgemeester, dien het nemen van zoovele besluiten en het behandelen van zoovele zaken geducht hongerig gemaakt hadden. Men besloot ten slotte over een vrij geruimen tijd den raad van notabelen bijeen te roepen, om te beslissen of men ook voorloopig eene beslissing zou nemen ten aanzien van den toren der Oudenaardesche poort.
Daarna gingen de beide waardige magistraatspersonen naar de deur, die op de straat uitkwam en liet de burgemeester den wethouder uit. Deze ontstak zijn lantaarntje, dat hem veilig door de donkere straten van Quiquendone moest brengen, die nog niet verlicht waren door het nieuwe gas van dokter Ox. ’t Was een donkere Octobernacht en er hing een lichte nevel over de stad.
’t Duurde een goed kwartier, voordat de wethouder Niklausse gereed was tot vertrekken, want nadat hij zijn lantaarn had ontstoken, moest hij nog zijn slobkousen aandoen en zijn dikke wollen handschoenen aantrekken. Vervolgens zette hij den gevoerden kraag van zijn overjas op, sloeg de klep van zijn muts neer, nam zijn stevigen parapluie in de hand en was toen eindelijk klaar.
»Wat er is, ik kom van de woning van dokter Ox!” Blz. 178.
Juist toen Lotje den sluitboom van de deur zou nemen, werd plotseling eenig gedruisch van buiten hoorbaar.
Ja, dat klinkt nu wel onwaarschijnlijk, maar er was toch gedruisch, zooals misschien in de gansche stad niet gehoord was sedert de bezetting door de Spanjaarden in 1563, en dat gedruisch riep al de slapende echo’s in het oude huis Van Tricasse wakker. Men duwde tegen de deur, die tot dusver nog nooit door eene hand onbehoorlijk was aangeraakt! Men klopte herhaaldelijk met een klinkend voorwerp, waarschijnlijk een knoestigen stok door een krachtige hand in beweging gebracht! Tusschen de slagen hoorde men roepen, schreeuwen en duidelijk kon men deze woorden verstaan:
»Mijnheer Van Tricasse! Mijnheer de burgemeester! Doe open, doe eens gauw open!”
De burgemeester was al even onthutst als de wethouder, en beiden keken elkander aan zonder een woord te spreken. Van zoo iets hadden zij geen begrip. Als men vlak vóor hen de oude veldslang had afgeschoten die op het kasteel stond en sedert 1385 niet gebruikt was, zouden de bewoners in het huis van Van Tricasse niet meer uit de lijken geslagen zijn dan nu.
Het geklop en het geschreeuw werd inmiddels steeds sterker. Eindelijk was Lotje zichzelve genoeg meester geworden om te durven roepen:
»Wie is daar?”
»Ik ben het! Ik!”
»Wie is ik?”
»De commissaris Passauf!”
Dat leven werd dus gemaakt door den commissaris van politie, terwijl er al tien jaar van gesproken was of die betrekking eigenlijk wel noodig was! Wat was er dan toch gebeurd? Hadden de inwoners van Bourguignon de stad Quiquendone bestormd, evenals in de 14e eeuw? Minstens zoo iets moest er gebeurd zijn om den commissaris Passauf zoodanig op te winden, want anders was hij al niet minder kalm en flegmatiek dan de Burgemeester zelf.
Van Tricasse gaf een teeken, want spreken kon de waardige man niet, en de sluitboom werd weggenomen en de deur geopend.
De commissaris kwam als een hoos de kamer binnenstormen.
»Wat is er toch, mijnheer de commissaris?” vroeg Lotje, een flinke meid, die zelfs in de bangste oogenblikken het hoofd niet verloor.
»Wat er is!” riep de commissaris, wiens groote ronde oogen van ontroering schitterden. »Wat er is? Ik kom van de woning van dokter Ox; daar was partij, en daar...”
»Nu, en daar?” vroeg de wethouder.
»Daar ben ik getuige geweest van een woordenwisseling die... Mijnheer de burgemeester, er is daar over politiek gesproken!”
»Over politiek,” herhaalde Van Tricasse, terwijl hij de kuif van zijn pruik opstreek.
»Over politiek,” hernam de commissaris, waarmede hij iets berichtte, dat stellig in geen honderd jaar te Quiquendone gebeurd was. »Het gesprek is steeds levendiger geworden. De advocaat André Schut en de geneesheer Dominicus Custos hebben zulk een heftige woordenwisseling gehad, dat misschien een uitdaging....”
»Wat! een uitdaging!” riep de wethouder uit. »Een duel! Een duel te Quiquendone! En wat hebben de advocaat Schut en de geneesheer Custos wel gezegd?”
»Woordelijk dit: »Mijnheer de advocaat,” heeft de geneesheer tot zijn tegenpartij gezegd, »gij gaat eenigszins te ver, dunkt mij, en het schijnt, dat gij er niet genoeg op bedacht zijt uwe woorden te wegen!””
De burgemeester Van Tricasse sloeg de handen ineen. De wethouder werd bleek en liet zijn lantaarn vallen. Zulke krasse woorden, en dat door twee van de notabelste inwoners!
»Die geneesheer Custos,” mompelde Van Tricasse, »is zonder twijfel een gevaarlijk man, een heethoofd; laat ons de zaak overwegen, mijne heeren!”
Hierop begaven de wethouder Niklausse en de commissaris zich met den burgemeester in de spreekkamer.