IV.

Waarin blijkt, dat dokter Ox een bekwaam natuurkundige is en stoute proeven neemt.

Wie is toch die man met dien zonderlingen naam, die dokter Ox? Een zonderling stellig, maar tegelijkertijd ook een stout geleerde, een natuurkundige, wiens talent door gansch Europa gewaardeerd wordt, een gelukkig mededinger van mannen als Davy, Dalton, Bostock, Menzie, Godwin, Vierordt, kortom van al die knappe menschen, die de natuurkunde tot een van de voornaamste vakken der hedendaagsche wetenschap verheven hebben.

Dokter Ox was een vrij gezet man van middelbare grootte; hij telde... neen, hoeveel jaren hij telde, zouden wij niet precies kunnen opgeven, ook niet waar hij vandaan kwam. Dat komt er ook trouwens minder op aan. Hij was, en dat is voldoende, een ongewoon personage, warmbloedig, snel in zijn bewegingen, in één woord een levende tegenstelling van de bewoners van Quiquendone.

In zich zelf en in zijn leer stelde hij een onverstoorbaar vertrouwen. ’t Was een lust hem te zien loopen met zijn eeuwigen glimlach, met opgerichten hoofde, de borst flink en vrij met elke ademhaling zoo krachtig uitzettende. Levendig was hij, zeer levendig zelfs; kwikzilver had hij in de aderen, en hij liep als op spelden. Hij trippelde altijd heen en weer en sprak haastig en met veel beweging.

Was die dokter Ox dan rijk, dat hij op zijn kosten een gansche stad ging verlichten?

Misschien wel, anders doet men zulke uitgaven niet. Meer kunnen we op die onbescheiden vraag niet antwoorden.

’t Zal een vijf maanden geleden zijn, dat de dokter te Quiquendone kwam; hij was vergezeld van zijn assistent, luisterende naar den naam van Gideon Ygeen. Dat was een lange, magere man, die echter even levendig was als zijn patroon.

Maar waarom had dokter Ox aangenomen op zijne kosten de stad te verlichten? En waarom had hij nu juist de vreedzame Quiquendoners gekozen, de rustigste aller Vlamingen; waarom wilde hij hunne stad de weldaden doen genieten van een uitstekende gasverlichting? Kon het ook zijn, dat hij een of andere groote natuurkundige proef op het oog had en die in anima vili wilde uitvoeren? Wat wilde die man toch?

Hierop moeten wij het antwoord schuldig blijven, want dokter Ox had maar één vertrouwde, zijn assistent Ygeen, en die gehoorzaamde hem blindelings.

Naar het schijnt, had dokter Ox aangenomen de stad te verlichten; zij had er behoefte aan, vooral ’s nachts, zooals de commissaris Passauf zeer ter snede opgemerkt had. De inrichting was bijna klaar, en gasbuizen waren gereed het gas te doen stroomen in de sierlijke gasbekken, die in eenige openbare gebouwen en in de woningen van eenige vrienden van den vooruitgang aangebracht waren.

Van Tricasse, als burgemeester, en Niklausse, als wethouder, hadden gemeend in hunne woningen die nieuwe verlichting te moeten doen aanleggen, en eenige andere autoriteiten hadden gemeend hun voorbeeld te moeten volgen.

Dat gas toch was iets nieuws; het was geen gewoon koolwaterstofgas, gas dat uit steenkool gestookt wordt, neen, het hydro-oxygeengas was twintig maal helderder en werd gevormd door eene vermenging van hydrogenium en oxygenium, dus waterstof met zuurstof.

»’t Is in ’t belang van de wetenschap!” Blz. 183.

»’t Is in ’t belang van de wetenschap!” Blz. 183.

De dokter had als bekwaam scheikundige en vernuftig natuurkundige er een middel op gevonden, om het gas op groote schaal te verkrijgen en langs veel goedkooper weg dan de gewone manier. Heel eenvoudig ontleedde hij het water, waarin een zwak zuur was opgelost, met een door hem uitgedachte batterij, uit nieuwe elementen bestaande. De dure hulpmiddelen waren dus vermeden; zoo waren geen platina, geen retorten, geen brandstoffen, geen fijnbewerkte toestel om de beide gassen afzonderlijk daar te stellen, meer noodig. Een electrische stroom liep door groote bakken vol water, en de vloeistof werd ontleed in hare samenstellende deelen: oxygenium en hydrogenium. Het oxygenium ging langs den eenen weg, het hydrogenium, welks volume dubbel zoo groot was als dat van zijn ouden makker, ging den anderen kant uit. Beide gassen werden in afzonderlijke reservoirs opgevangen, dat was noodig, want anders zou er een verschrikkelijke ontploffing gevolgd zijn, als het eens in vlam geraakte. Door pijpen werden ze vervolgens naar de verschillende gasbekken gevoerd, die zoo zouden ingericht zijn, dat er geen ontploffing kon ontstaan. Dat alles zou een prachtige vlam geven, minstens gelijk aan het electrisch licht, dat, zooals iedereen uit de proeven van Casselmann weet, een lichtkracht heeft van niet meer en niet minder dan elf honderd een en zeventig waskaarsen.

Zonder twijfel zou de stad Quiquendone door deze edelmoedige onderneming een heerlijke verlichting rijk worden; maar daar was het dokter Ox en zijn assistent toch minder om te doen, gelijk uit het volgende blijken zal.

Juist den dag nadat de commissaris Passauf op zoo luidruchtige wijze bij den burgemeester was komen binnenstuiven, waren Gideon Ygeen en dokter Ox aan het praten in hun gemeenschappelijk werkvertrek in de benedenverdieping van de fabriek.

»Wel Ygeen, wat zegt ge er van?” riep dokter Ox uit, terwijl hij zich tevreden in de handen wreef. »Ge hebt gisteren op de partij die goede, koudbloedige Quiquendoners eens gezien, die, wat hartstochtelijkheid betreft, het midden houden tusschen sponzen en koraalgewassen. Ge hebt nu gezien, dat ze al beginnen te redetwisten en elkander met woorden en gebaren uitdagen. In geestelijk en lichamelijk opzicht waren ze reeds veranderd. Dat is nog maar een begin! Wacht nu eerst totdat we hun een grootere dosis geven!”

»Ik kan niet anders zeggen, dokter,” antwoordde Gideon Ygeen, terwijl hij met den wijsvinger langs zijn spitsen neus wreef, »dan dat de proef goed begint, en als ik niet zoo voorzichtig was geweest om de kraan te sluiten, weet ik niet wat er gebeurd zou zijn.”

»Ge hebt gehoord wat die advocaat Schut en die geneesheer Custos zeiden,” hernam dokter Ox. »Op zichzelf waren de woorden zoo erg niet, maar voor een Quiquendoner zijn ze wel zoo kras als de gansche reeks van vloeken, die de helden van Homerus elkander naar het hoofd wierpen voordat ze van leer trokken. Ha, die Vlamingen, ge zult eens zien wat we daar nog van maken!”

»We zullen hen tot ondankbaren maken,” antwoordde Gideon Ygeen, op den toon van iemand die de menschheid op haar rechte waarde schat.

»Kom, kom!” was het antwoord van den dokter, »wat kan het ons schelen of ze er ons dankbaar voor zijn of niet, als onze proef maar gelukt.”

»Maar dan is het nog de vraag,” voegde zijn assistent er glimlachend bij, »of wij, door hunne ademhalingswerktuigen zoo in opschudding te brengen, niet de longen van die brave bewoners van Quiquendone eenigszins van streek maken.

»Des te erger voor hen,” gaf de dokter ten antwoord. »Het is in het belang van de wetenschap. Stel u eens voor, dat honden of kikvorschen zich eens niet langer tot de vivisectie wilden leenen!”

Hoogstwaarschijnlijk zouden de honden en kikvorschen, als ze geraadpleegd werden, wel eenige bezwaren inbrengen tegen de verrichtingen der heeren vivisectionisten; dokter Ox bekreunde zich evenwel om die gissing niet veel en gaf een zucht van voldoening over zijn onwederlegbaar argument.

»Alles wèl beschouwd, dokter, hebt ge gelijk,” gaf Gideon Ygeen met berusting ten antwoord. »We konden eigenlijk nergens beter terechtkomen dan bij deze inwoners van Quiquendone.”

»Neen, dat konden we zeker niet,” zeide de dokter met eenigen nadruk op elke lettergreep.

»Hebt ge den pols van die menschen wel eens gevoeld?”

»Wel honderd maal.”

»En hoeveel slagen gemiddeld?”

»Geen vijftig in de minuut. Maar begrijp ook eens; een stad waar sedert een eeuw geen schijn of schaduw van woordenwisseling bestond, een stad waar de karrelui niet vloeken, waar de koetsiers niet schelden, waar de paarden niet hollen, waar de honden niet bijten, waar de katten niet krabben! Een stad waar het kantongerecht het eene jaar in, het andere uit, geen politieovertredingen te behandelen heeft! Een stad waar men zich om geen enkele zaak warm maakt, om geen kunsten, om geen zaken! Een stad waar gendarmes tot de mythe behooren, waar in geen honderd jaar een procesverbaal is opgemaakt! Een stad ten slotte, waar in de laatste drie eeuwen geen klap of stomp toegediend is! Ge begrijpt nu toch, Ygeen, dat zoo iets niet langer kan voortduren, en dat wij daarin eens verandering zullen brengen.”

»Prachtig! Overheerlijk!” gaf de assistent met geestdrift ten antwoord. »Maar de lucht, dokter, hebt ge die onderzocht?”

»Natuurlijk. Negen en zeventig deelen stikstof en twintig deelen zuurstof, koolzuur en waterdamp in veranderlijke hoeveelheid. Dat zijn de gewone verhoudingen.”

»Best, dokter, best,” antwoordde Ygeen. »De proef zal grootsch zijn en beslissend.”

»En als ze beslissend is,” voegde dokter Ox er met een zegepralend lachje bij, »dan herscheppen wij de wereld!”