V.

Waarin de burgemeester en de wethouder een bezoek brengen aan dokter Ox en hetgeen daaruit voortvloeit.

De wethouder Niklausse en de burgemeester Van Tricasse wisten nu eens wat een onrustige nacht was. Ze hadden letterlijk niet kunnen slapen van het ernstige voorval ten huize van dokter Ox. Welke gevolgen kon die zaak wel hebben? Ze konden het zich niet voorstellen. Moest er een besluit genomen worden? Zou het gemeentebestuur, in hunne personen vertegenwoordigd, genoodzaakt zijn tusschenbeide te komen? Moesten er besluiten afgevaardigd worden, om te zorgen dat een dergelijk schandaal niet meer voorkwam?

Die twijfel bracht natuurlijk een groote stoornis in hun vreedzaam karakter teweeg. Voordat zij scheidden evenwel, hadden de beide notabelen »besloten” er morgen nog eens over te praten.

Den volgenden dag, nog vóór tafel, begaf de burgemeester Van Tricasse zich in persoon naar den wethouder Niklausse. Hij trof zijn vriend in veel bedaarder gemoedstoestand aan. Hij zelf had weer al zijn waardigheid hernomen.

»Iets nieuws?” was zijn vraag.

»Sinds gisteren niet,” antwoordde Niklausse.

»Hoe is het met den geneesheer Dominicus Custos?”

»Ik heb er evenmin iets van gehoord als van den advocaat André Schut.”

Na een gesprek van een uur, waarvan de inhoud in drie regels zou te vermelden zijn en dat daarom nutteloos zou zijn over te brengen, hadden de burgemeester en de wethouder wezenlijk besloten dokter Ox een bezoek te gaan brengen, teneinde ongemerkt eenige inlichtingen uit hem te trekken.

Nadat, geheel tegen hunne gewoonte in, dit besluit genomen was, vonden de twee notabelen zich verplicht, het onmiddellijk uit te voeren. Zij verlieten het huis en richtten zich naar de fabriek van dokter Ox, buiten de stad, bij de poort van Oudenaarde gelegen,—dezelfde waarvan de toren bijna inviel.

De burgemeester en de wethouder liepen niet gearmd, maar zij liepen passibus aequis, met langzame en deftige schreden, die hen nauwelijks dertien duim per seconde vooruitbracht. ’t Was trouwens de gewone gang hunner onderhoorigen, die bij menschen geheugen, nooit iemand hard hadden zien loopen in de straten van Quiquendone.

Van tijd tot tijd hielden de twee notabelen op den hoek van een stille straat eens op om de menschen te groeten.

»Wat, niet vlug!” Blz. 187.

»Wat, niet vlug!” Blz. 187.

»Goeden dag, mijnheer de burgemeester,” zei de een.

»Goeden dag, mijn vriend”, antwoordde Van Tricasse.

»Niets nieuws, mijnheer de wethouder?” vroeg de ander.

»Niets nieuws,” antwoordde Niklausse.

Maar toch kon men aan zekere verwonderde gezichten, aan zekere vragende blikken merken, dat de woordenwisseling van den vorigen avond in de stad bekend was. Alleen reeds aan de door Van Tricasse gevolgde richting, kon de domste inwoner van Quiquendone raden, dat de burgemeester een ernstigen stap ging nemen. De zaak Custos en Schut hield aller gedachten bezig, maar men was er nog niet aan toe om partij voor den een of ander te trekken. Die advocaat en die geneesheer waren toch inderdaad beiden zeer geachte personages. De advocaat Schut, die nooit in de gelegenheid geweest was te pleiten in een stad, waar de prokureurs en de deurwaarders slechts voor de leus bestonden, had dus ook nooit een proces verloren. Wat den geneesheer Custos betreft, ’t was een achtenswaardige prakticus, die, op het voetspoor zijner collega’s, hunne zieken van alle ziekten genazen, uitgenomen van die waaraan zij stierven. ’t Was een noodlottige gewoonte, die, ongelukkig genoeg, aangenomen is door al de leden van al de Faculteiten, in welk land ze ook praktiseeren.

Toen ze bij de poort van Oudenaarde waren aangekomen, namen de wethouder en de burgemeester voorzichtig een klein omwegje om niet te dicht in den omtrek van den toren te komen, die dreigde omver te vallen; daarna bekeken ze hem met aandacht.

»’k Denk dat hij vallen zal,” zei Van Tricasse.

»’k Denk het ook,” antwoordde Niklausse.

»Of men moet hem stutten,” voegde Van Tricasse erbij. »Maar moeten we ’m stutten? Dat is de vraag.”

»Dat is juist de vraag,” antwoordde Niklausse.

Eenige oogenblikken later meldden ze zich aan de fabriek aan.

»Is dokter Ox te spreken?” vroegen zij.

Dokter Ox was voor de eerste magistraatspersonen der stad altijd te spreken en deze werden dan ook dadelijk in de spreekkamer van den beroemden natuurkundige ontvangen.

Het kan wel een uur zijn dat de twee notabelen moesten wachten, voordat de dokter verscheen. Er bestaat althans alle grond het te gelooven, want de burgemeester—en dit was hem nog nooit in zijn leven gebeurd—toonde zich wel een beetje ongeduldig, waarvan zijn collega ook niet was vrij te pleiten!

Eindelijk trad dokter Ox binnen en begon met zich te verontschuldigen de heeren te hebben laten wachten, maar een nieuw model van een gasmeter, het verbeteren van een vertakking van gasbuizen... Overigens, alles ging goed! De geleidingen voor het oxygenium waren al gesteld. Over eenige maanden zou de stad het voorrecht genieten eener prachtige verlichting. De twee notabelen konden de monden der buizen reeds zien, die in de spreekkamer van den dokter uitkwamen.

Daarna verzocht de dokter de reden te mogen weten van de eer, die hij genoot den burgemeester en den wethouder bij zich aan huis te mogen ontvangen.

»Maar, enkel u eens te zien, dokter, u eens te zien,” antwoordde Van Tricasse. »’t Is al zoo lang geleden, dat we dat genoegen niet mochten smaken. We gaan weinig uit in ons goede Quiquendone. We tellen onze passen en meten onze schreden af. Gelukkig als niets de eentoonigheid komt verstoren...”

Niklausse keek ter sluiks zijn vriend eens aan. Zijn vriend had nooit zoo lang achtereen gesproken,—althans zonder tusschenpoozen en oogenblikken van plechtige stilte. Hij vond dat Van Tricasse zich met een zekere radheid van tong uitdrukte als hij nog nooit van hem gehoord had. Niklausse zelf gevoelde een onweerstaanbaren lust tot spreken.

Dokter Ox van zijn kant keek den burgemeester guitig aan.

Van Tricasse, die nooit redeneerde of hij moest zich eerst gemakkelijk in een goeden leunstoel gezet hebben, was ditmaal opgestaan. Een zekere zenuwachtige overspanning, geheel in strijd met zijn gewone kalme gemoedsstemming, had zich van hem meester gemaakt. Hij gesticuleerde nog wel niet, maar ook dat zou niet lang uitblijven. Wat den wethouder aangaat, hij wreef zich de kuiten en haalde lang en diep adem. Zijn oog verhelderde zich langzamerhand en hij was werkelijk »besloten” om, als het moest, zijn getrouwen vriend den burgemeester, het mocht gaan zoo het wilde, bij te staan.

Van Tricasse was opgestaan, hij had eenige schreden gedaan en was toen weder tegenover den dokter gaan zitten.

»En over hoeveel maanden,” vroeg hij hem met zekeren nadruk, »over hoeveel maanden denkt u met uw werkzaamheden gereed te zijn?”

»Over drie of vier maanden, mijnheer de burgemeester,” antwoordde dokter Ox.

»Over drie of vier maanden, dat is veel!” zeide Van Tricasse.

»Veel te veel!” riep Niklausse, die het op zijn plaats niet langer kon uithouden en bij hem was komen staan.

»Ja, zooveel tijd hebben wij noodig om met ons werk gereed te komen,” antwoordde de dokter. »We hebben onze werklieden hier uit de stad moeten halen, en die zijn niet vlug.”

»Wat, niet vlug!” schreeuwde de burgemeester, die dat woord als een persoonlijke beleediging scheen op te vatten.

»Neen, mijnheer de burgemeester,” hield dokter Ox vol. »Een Fransch werkman werkt op éen dag zoo hard als tien van de uwen. U begrijpt, ’t zijn echte Vlamingen!...”

»Vlamingen!” riep de wethouder Niklausse uit, wiens vingers begonnen te jeuken. »In welken zin, Mijnheer, vat gij dat woord op?”

»Wel, in den zelfden... vleienden zin als ieder ander,” gaf de dokter met een glimlach ten antwoord.

»Hoor eens, Mijnheer!” zeide de burgemeester, terwijl hij met groote stappen heen en weer liep, »’k houd niet van die draaierijen. De werklieden van Quiquendone doen niet onder voor de werklieden uit welke stad ter wereld ook, begrijpt u, en Londen noch Parijs hebben we ons tot voorbeeld te stellen! Overigens verzoek ik u met het werk, dat u onderhanden hebt, haast te maken. Onze straten zijn opgebroken voor het leggen der gasbuizen; dat hindert het verkeer. De handel zal er over klagen, en ik, de verantwoordelijke bestuurder, verkies niet verwijten te hooren, waarvoor maar al te veel reden zou bestaan!”

Flink gesproken, burgemeester. Daar hoort moed toe, van handel, van verkeer te spreken, als men aan die woorden niet gewoon is. Maar wat scheelde hem toch?

»En dan,” voegde Niklausse er bij, »kan de stad ook niet langer van verlichting verstoken blijven.”

»Acht of negen eeuwen lang heeft men het toch wel zonder gedaan,” antwoordde de dokter.

»Reden te meer, Mijnheer,” sprak de burgemeester met veel nadruk: »Andere tijden, andere zeden! De wereld gaat vooruit, en wij willen niet achter blijven! Binnen een maand dienen onze straten verlicht te zijn, of ge zult voor elken dag vertraging een aanzienlijke schadeloosstelling te betalen hebben! Waar zou het heen, als in die duisternis eens ruzie ontstond?”

»Verschrikkelijk!” riep Niklausse. »Er is maar een kleinigheid noodig om den strijdlust van een Vlaming te doen ontvlammen! Vlam—Vlaming!”

»En wat dat betreft,” viel de burgemeester hierop in, »is ons door onzen commissaris van politie Passauf gerapporteerd, dat gisterenavond in uwe salons, mijnheer de dokter, een woordenwisseling gevoerd is. Is het zoo, dat het een gesprek over staatkunde was?”

»Zoo was het, mijnheer de burgemeester,” antwoordde dokter Ox, die moeite had een zucht van voldoening te smoren.

»En werd die woordenwisseling niet gevoerd tusschen den geneesheer Dominicus Custos en den advocaat André Schut?”

»Ja, mijnheer de wethouder, maar de woordenwisseling was nog al niet scherp.”

»Niet scherp!” riep de burgemeester uit, »is dat niet scherp als de eene man tot den ander zegt, dat hij zijn woorden niet schijnt te wegen! Maar van welk deeg zijt gij dan wel gebakken, Mijnheer? Weet gij dan niet, dat hier in Quiquendone niets meer noodig is om uiterst betreurenswaardige gevolgen te veroorzaken? Zie, Mijnheer, als gij of iemand anders zóo tegen mij durfdet spreken...”

Nu nam het jonge meisje den hengel. Blz. 192.

Nu nam het jonge meisje den hengel. Blz. 192.

»Of tegen mij...” riep ook Niklausse, en beide notabelen stonden met gekruiste armen en te bergen gerezen haren vlak voor dokter Ox, die slecht van de reis zou gekomen zijn, als hij het ongeluk gehad had met een enkele beweging, of, nog minder, met een blik slechts de bedoeling te verraden hun het geringste in den weg te willen leggen.

Gelukkig vertrok de dokter geen spier.

»In alle geval, Mijnheer,” liet de burgemeester er op volgen, »stel ik u aansprakelijk voor hetgeen in uwe woning voorvalt. Aan mij is de rust in deze stad toevertrouwd, en ik zal niet dulden dat zij verstoord worde. Hetgeen gisteren gebeurd is moet zich niet herhalen, of ik zal weten wat mij te doen staat. Begrepen? Maar geef dan toch antwoord, Mijnheer!”

Terwijl de burgemeester zich zoo door een buitengewone opgewondenheid had laten medesleepen, was zijn spreken in bulderen overgegaan. Hij was woedend, de waardige Van Tricasse, en buiten zou men hem stellig kunnen hooren. Toen hij eindelijk buiten adem was en zag dat de dokter op zijne uittartingen niet antwoordde, zeide hij tot den wethouder:

»Ga mede, Niklausse.”

De deur werd zoo hard dichtgeslagen, dat het huis dreunde, en de burgemeester was met den wethouder vertrokken.

Langzamerhand, toen zij een twintig pas geloopen hadden, kwamen de waardige vrienden tot bedaren. Zij liepen langzamer, hun stap werd gematigder. Hun gelaat schitterde niet meer zoo; van rood werd het blozend.

Een kwartier nadat zij de fabriek verlaten hadden, zeide Van Tricasse vriendelijk tot den wethouder:

»Wat een aardig man, die dokter Ox! ’k Zie hem altijd met het grootste genoegen.”