VIII.

Waarin de oude, deftige wals een stormwind gelijk wordt.

Wel herkregen de toeschouwers, nadat ze den schouwburg verlaten hadden, hun gewone kalmte; wel gingen ze rustig naar huis, alleen onder den indruk van een voorbijgaande versuftheid, maar toch had de buitengewone opgewondenheid hen geweldig van streek gebracht, en ze vielen in bed alsof zij bijzonder zwaar getafeld hadden.

Den volgenden dag was er voor ieder nog een souvenir van het gebeurde van den vorigen dag: van den een toch was de hoed bij het standje verdwenen, een ander miste een slip van zijn jas; deze dame had haar satijnen laarsje verloren, een andere haar zondagschen mantel. De herinnering aan het voorval werd bij die eenvoudige menschen wakker, en met die herinnering zeker schaamtegevoel over hun onvergeeflijke buitensporigheid. ’t Was alsof zij aan een overdadig festijn hadden deelgenomen en er onbewust de helden van geweest waren! Zij spraken er niet over en wilden er liefst niet meer aan denken.

Niemand was evenwel zoo verbijsterd als de burgemeester Van Tricasse. Toen de waardige man den volgenden ochtend opstond, was hij zijn pruik kwijt. Lotje had overal gezocht, maar ’t hielp niets, de pruik was op het slagveld achtergebleven. Men zou haar kunnen doen uitroepen door Jan Mistrol, den beëedigden omroeper van de stad, maar dat ging niet; dan was het maar beter het hoofddeksel in den steek te laten, dan zich zoo ten toon te stellen, voor iemand die de eer had de eerste overheidspersoon van de stad te zijn.

Zoo nu peinsde de waardige Van Tricasse, terwijl hij met een zwaar hoofd, dikke tong en hijgende borst onder de dekens lag. Hij had geen den minsten lust om op te staan, wel het tegendeel, en in zijn hersenen ging dien morgen meer om dan anders in veertig jaren tijds. De achtbare magistraat overdacht nog eens alles wat bij die onverklaarbare voorstelling gebeurd was. Hij bracht het in verband met het voorgevallene op de partij ten huize van dokter Ox. Hij zocht naar de redenen van die zonderlinge opgewondenheid, die zich nu ten tweede male bij zijne rustige ingezetenen had voorgedaan.

»Maar wat gebeurt er dan toch?” vroeg hij zich zelf. »Hoe komen in mijn stille stad de zinnen zoo verbijsterd? Staan we op het punt gek te worden en moet de gansche stad een groot hospitaal worden? De gansche stad, want alle notabelen, wethouders, rechters, advocaten, geneesheeren, gestudeerden, allen waren er, en als ik mij goed herinner, zijn we allen even dol geweest! En hoe kwam het, dat die muziek zoo’n helsch spektakel maakte? Onbegrijpelijk! Ik voor mij weet zeker, dat ik niets gegeten, niets gedronken had, dat mij zoo kon opwinden! Och neen, gisteren at ik een doorgaar sneedje kalfsvleesch, een paar schepjes spinazie met suiker, geklutste eieren en ik dronk een paar glaasjes onschuldig bier. Dat stijgt niet naar het hoofd! Neen, er is iets onverklaarbaars in de geheele zaak, en daar ik toch de verantwoordelijke man ben voor hetgeen de ingezetenen van mijne stad doen, zal ik een onderzoek doen instellen.”

De stedelijke raad kon zich met dat onderzoek vereenigen, maar het leidde tot niets. De feiten waren niet te loochenen, de oorzaken echter gingen boven het verstand van de magistraten. Overigens waren alle gemoederen nu weer tot kalmte gekomen, en de buitensporigheden geraakten in het vergeetboek. De dagbladen vermeden ook er over te spreken, en in het verslag der voorstelling, dat in de stadscourant verscheen, werd niet eens een toespeling gemaakt op de koortsachtige opgewondenheid van de geheele zaal.

Evenwel, de stad had wel weer haar gewone bedaardheid herkregen, en ze werd wel weer even Vlaamsch als te voren, maar toch was het merkbaar, dat het karakter en de geaardheid der bewoners langzamerhand eene wijziging ondergingen. ’t Was of ze meer zenuwen hadden gekregen, zooals de geneesheer Dominicus Custos opmerkte.

Dat vereischt eenige toelichting. De verandering, die onloochenbaar was en ook niet geloochend werd, openbaarde zich slechts in sommige gevallen. Wanneer de Quiquendoners op de straat waren of langs de Vaar wandelden, waren zij dezelfde kalme, geregelde menschen van vroeger. Zoo ook in hunne woningen, waar de een een handwerk uitoefende, de ander met het hoofd werkte, nog een ander niets deed en een vierde zelfs niet dacht. In hun privaat leven waren ze zwijgend, stil en leidden ze een plantenleven als voorheen. Geen twist, geen verwijt in huis; hun hart klopte niet sneller, hunne hersenen werden door niets aangedaan. De gemiddelde polsslag kwam overeen met dien uit den goeden ouden tijd: vijftig a twee en vijftig in de minuut.

Een volkomen onverklaarbaar verschijnsel was het evenwel, een verschijnsel waarop de knapste physiologen der eeuw zich stomp zouden gedacht hebben, dat de Quiquendoners, in hun particulier leven onveranderd dezelfden, merkbaar veranderden zoodra zij in het openbaar te zamen kwamen.

Zoodra zij zich in een openbaar lokaal vereenigden, »was het mis,” zooals de commissaris Passauf verklaarde. Op de beurs, op het stadhuis, in de academie, zoowel in raadsvergaderingen als in de bijeenkomsten van geleerden, kwam er meer leven onder de aanwezigen, werden ze aangetast door een vreemde opgewondenheid. Geen uur waren ze daar, of ze waren reeds scherp jegens elkander. Na twee uren was een beraadslaging een dispuut geworden; men werd warm en wierp elkaar persoonlijkheden naar het hoofd. In de kerk, zelfs onder de preek, konden de geloovigen niet meer bedaard naar dominé Van Stabel luisteren, die trouwens van zijn kant zich in zijn preekstoel niet meer zoo rustig als vroeger hield en zijn gehoor krachtiger toesprak dan anders.

In dezen stand van zaken ontstonden helaas nog ernstiger woordenwisselingen dan tusschen den geneesheer Custos en den advocaat Schut, en dat nooit de tusschenkomst der autoriteit werd vereischt, was alleen daaraan te danken, dat de twistenden, zoodra zij thuisgekomen waren, er rust vonden en weldra de beleedigingen van weerskanten vergaten.

’t Was een duizelingwekkende omwenteling van razende wezens. Blz. 207.

’t Was een duizelingwekkende omwenteling van razende wezens. Blz. 207.

Die bijzonderheid had echter nooit in het oog kunnen vallen aan menschen, die volstrekt niet konden waarnemen hetgeen met hen gebeurde. Slechts één persoon in de gansche stad, en wel degeen wiens betrekking al sinds dertig jaren lang op de nominatie stond opgeheven te worden, de commissaris van politie Passauf, had de opmerking gemaakt, dat de opgewondenheid, die in de particuliere woningen niet bestond, zich spoedig in publieke gebouwen openbaarde. Nu dacht hij er met zekere bezorgdheid over wat toch wel gebeuren zou, indien deze prikkelbaarheid eens tot de huizen der ingezetenen doordrong en indien de epidemie—want zoo noemde hij haar—zich tot de straat uitbreidde. Dan werden geen beleedigingen meer vergeten, dan waren er geen oogenblikken van kalmte meer in den waanzin, maar dan zou men voortdurend in de hoogste opgewondenheid verkeeren en met elkander in botsing komen.

»Wat dan?” vroeg de commissaris Passauf met schrik. »Hoe moesten die aanvallen van wilde woede te keer gegaan worden? Hoe moesten die prikkelbare gestellen in toom worden gehouden? Dan zal mijne betrekking waarlijk geen sinecure meer zijn, en dan zal de Raad mijne wedde wel dienen te verdubbelen,—tenminste, als hij mij niet laat oppakken... wegens inbreuk op de openbare orde!”

Die zeer rechtmatige vrees begon zich meer en meer te verwezenlijken. Van de beurs, de kerk, den schouwburg, de raadzaal was het kwaad tot de woningen der particulieren doorgedrongen, en wel twee weken na de verschrikkelijke voorstellingen van de Hugenoten.

In de woning van den bankier Collaert werden de eerste verschijnselen der epidemie waargenomen.

Deze rijke bankier gaf aan de notabelen der stad een bal, of althans een soirée dansante. Eenige maanden te voren was hij er gelukkig in geslaagd eene leening van f 15,000 voor drievierden te plaatsen, en ter viering van dit finantieel succes gaf hij zijn stadgenooten dit feest.

Een feest in Vlaanderen loopt gewoonlijk bedaard en kalm af; bier en eenige zoetigheden vormen het onthaal. Men praat wat over het weer, over den stand van den oogst, over de bloemen in den tuin en vooral over de tulpen; van tijd tot tijd waagt men heel langzaam en bedaard een dansje, maakt een menuet, soms ook een wals, maar dan een van die Duitsche walsjes, waarbij men anderhalven keer omdraait in de minuut, terwijl onder den dans de walsers zoover van elkander afblijven als hunne armen gedoogen. Zoo gaat het gewoonlijk toe op een bal onder de voorname lieden van Quiquendone. Men had getracht er de polka in te voeren en ze daartoe in vier tempo’s gedanst, maar de dansende paren kwamen nog altijd bij het orkest achter, hoe langzaam men de maat ook nam, en daarom had men er van moeten afzien.

Deze vreedzame bijeenkomsten, waar jonkmannen en jongedochters zich eerlijk en rustig konden vermaken, hadden nooit eenige schadelijke gevolgen gehad. Maar hoe kwam het dan nu, dat dien avond bij den bankier Collaert die zoete dranken veranderd schenen te zijn in schuimenden wijn, bruisenden champagne, vlammende punch? Hoe kwam het, dat tegen het midden van de partij alle gasten dronken schenen te zijn? Waarom werd de eerzame menuet een rondedans? Waarom verhaastten de muzikanten de maat zoo? Hoe kwam het, dat de kaarsen dien avond, evenals in den schouwburg, zulk een ongewonen glans hadden? Welke electrische stroom liep toch door de salons van den rijken bankier? Hoe kwam het, dat de paren veel dichter bij elkander kwamen, dat de handen elkander hartstochtelijker drukten, dat de »cavaliers seul” ditmaal eenige gewaagde sprongen vertoonden, hoewel ze anders zoo deftig, zoo ernstig, zoo majestueus waren?

Helaas, wie zou het antwoord kunnen geven op al die vragen? De commissaris Passauf was op de partij aanwezig, hij zag den storm aankomen, maar hij kon hem niet bedwingen, hij kon hem niet ontgaan, en zelfs hij voelde zich bevangen! Zijne begeerten en hartstochten werden gedurig sterker; men zag hem herhaaldelijk een aanval doen op het suikerwerk, men zag hem verscheidene schotels ledigen, alsof hij ik weet niet hoelang gevast had!

Inmiddels werd het bal hoe langer hoe geanimeerder. Men begon nu eerst met volle teugen van het dansen te genieten, want het mocht nu werkelijk dansen heeten. De voeten bewogen zich met koortsachtige snelheid. De gezichten werden rood van inspanning, de oogen glinsterden als vurige kolen. De algemeene opgewondenheid had haar hoogste toppunt bereikt.

En toen het orkest de wals uit den Freyschutz aanhief, toen die echt Duitsche en statige wals met dolle woestheid door de muziekanten gespeeld werd, was het meer een met onzinnige snelheid in de rondte draaien, een duizelingwekkende omwenteling van razende wezens. Daarna verviel alles in een helschen galop, die niet kon gestuit worden en een uur lang duurde en niet alleen de salons maar al de vertrekken van het prachtige huis in opschudding bracht, waarin allen met hartstochtelijkheid deelden, jongelieden van beide seksen, oudere van iederen leeftijd, de dikke bankier Collaert en Mevr. Collaert, raadslieden, overheidspersonen, de kantonrechter en Niklausse en Mevr. Van Tricasse en de burgemeester Van Tricasse en de commissaris Passauf in eigen persoon, die zich daarna nooit kon herinneren, wie in dien dollen nacht zijne danseres geweest was.

Maar »zij” ze vergat het niet. En sedert dien nacht, zag »zij” in haar droomen den vurigen commissaris weder, haar met hartstochtelijkheid omkneld houdende! En »zij”, was niemand anders dan de oude tante!