In de nu volgende maanden werd het van kwaad tot erger en breidde de epidemie zich van uit de huizen tot op de straat uit. De stad Quiquendone was onherkenbaar geworden.
En, wat nog het vreemdste natuurverschijnsel was, niet alleen het dierenrijk, maar ook het plantenrijk ontsnapte niet aan den algemeenen invloed.
Volgens den gewonen loop der dingen, zijn de epidemieën speciaal, want zij die den mensch treffen tasten de dieren niet aan en zij die de dieren treffen, verschoonen de planten. Heeft men ooit gezien, dat een paard door de pokken werd aangetast of een mensch door de runderpest en krijgen de schapen de aardappelziekte? Maar hier schenen al de wetten der natuur omgekeerd. Niet alleen waren het karakter, het temperament, de denkbeelden der bewoners en bewoonsters van Quiquendone veranderd, maar ook de huisdieren, honden of katten, koeien of paarden, ezels of geiten, alles verkeerde onder dezen epidemischen invloed, en ’t scheen dat zij volkomen van aard veranderd waren. De planken zelve »emancipeerden” zich, als men ons deze uitdrukking wel wil veroorloven.
Eén aardbei was genoeg voor twee menschen en één peer voor vier. Blz. 210.
In de tuinen, de moestuinen, de boomgaarden toch deden zich allervreemdste verschijnselen op. De klimplanten klommen met meer stoutmoedigheid. De struiken werden boomen. De zaden, nauwelijks gezaaid, vertoonden kleine groene puntjes en in hetzelfde tijdsverloop, wonnen ze in duimen wat vroeger, onder de gunstigste omstandigheden, ze in strepen wonnen. De asperges werden twee voet hoog; de artisjokken werden zoo groot als meloenen, de meloenen zoo groot als pompoenen, de pompoenen zoo groot als de groote klok uit den toren, die negen voet in diameter mat. De kolen waren kreupelboschjes en de paddestoelen parapluies.
Met de vruchten ging het denzelfden weg op als met de groenten. Één aardbei was genoeg voor twee menschen en één peer voor vier. De trossen druiven waren zoo groot als de enorme tros, die voorkomt op het zoo prachtig beschilderde doek van Poussin »de terugkeer der afgezondenen naar het beloofde land.”
Hetzelfde was het geval met de bloemen: de groote viooltjes verspreidden doordringerder geuren, de buitengewoon groote rozen schitterden met levendiger kleuren, de seringen vormden binnen weinige dagen ondoordringbare kreupelbosschen; geraniums, madelieven, dahlia’s, camelia’s, rhododendrons, maakten zich van de paden meester en verstikten elkander! Het snoeimes schoot hier te kort. En de tulpen, de vreugde der Vlamingen, wat brachten ze de liefhebbers in verrukking! De waardige Van Bistrom viel op zekeren dag van louter ontroering bijna omver, toen hij in zijn tuin een eenvoudige tulipa gesneriana van enorme, monsterachtige, reusachtige grootte zag, waarvan de bloemkelk tot nest diende van een gansche familie roodborstjes!
De geheele stad kwam toeloopen om die wonderbaarlijke bloem te zien en gaf haar den naam van tulipa quiquendonia.
Maar, helaas! al kwamen die planten, die vruchten, die bloemen zichtbaar vooruit, al toonden alle gewassen een voorliefde kolossale afmetingen aan te nemen, al bedwelmden de glans hunner kleuren en het doordringende hunner geuren den reuk en de blikken, zoo verwelkten zij daarentegen snel. De lucht, die zij opslorpten, verbrandde ze maar al te spoedig en ze stierven weldra, uitgeput, verwelkt, verteerd.
Dat was het lot van de vermaarde tulp, die na eenige dagen van glans en luister verkwijnde!
Op dezelfde wijze ging het al spoedig met de huisdieren, van den huishond tot de zwijnen in den stal, van het kanarievogeltje in de kooi tot den kalkoen in den hof.
Nu waren die dieren in gewone tijden al even flegmatiek als hunne meesters. Honden en katten leidden meer een plantenleven dan dat ze werkelijk leefden. Nooit sprongen ze in ’t rond van blijdschap, nooit werden ze door een aandoening van toorn in hunne kalmte gestoord. De staarten bewogen zich niet levendiger, dan alsof ze uit brons waren gegoten geweest. Sedert onheuglijke tijden had men van geen krabben of bijten gehoord. Wat de dolle honden betreft, deze beschouwde men als denkbeeldige dieren, die onder de griffoenen en andere fantastische dieren uit de Openbaring moesten gerangschikt worden.
Maar welk een verandering in die weinige maanden, waarvan we de geringste voorvallen trachten op te teekenen! Honden en katten begonnen hunne tanden en klauwen te laten zien. Men was verplicht, tengevolge van herhaalde aanvallen, eenigen af te maken. Men zag voor het eerst in de straten van Quiquendone een paard op hol gaan, een os zich met de horens naar omlaag op een zijner natuurgenooten werpen, een ezel omvervallen met de pooten in de lucht en een gebalk uitgalmen, dat niets »dierlijks” meer had, een schaap, zelfs een schaap tegen het mes van den slager dapper de karbonaden verdedigen, die het in zich droeg!
De burgemeester Van Tricasse was verplicht politie-verordeningen uit te vaardigen tegen de huisdieren die, door razernij aangetast, de straten van Quiquendone onveilig maakten.
Maar, helaas! zoo de dieren gek waren, de menschen waren niet wijs meer!
Geen leeftijd was van de plaag verschoond.
De zuigelingen werden zeer spoedig onverdraaglijk, die wezentjes die tot nog toe zoo gemakkelijk waren groot te brengen en voor het eerst moest de kantonrechter Honoré Syntax zijn kroost met de roede straffen.
Op de school ging het ook vrij oproerig toe en wierpen de jongens elkander met dictionnaires naar het hoofd. Men kon ze niet meer op de banken houden en zelfs de onderwijzers, die ze met allerlei taakwerk overlaadden, deelden in de algemeene overprikkeling.
Nog een ander vreemd verschijnsel was het, dat al die inwoners van Quiquendone, die tot nog toe altijd zoo matig waren, en wier voornaamste voedsel uit melkspijzen en zoetigheidjes bestond, zich nu werkelijk in eten en drinken te buiten gingen. Hun gewone leefregel was hun niet genoeg meer. Iedere maag was een afgrond geworden, dien men met enorme hoeveelheden spijzen en dranken moest trachten te dempen. Het verbruik der inwoners was verdriedubbeld. In plaats van twee maaltijden, nam men er zes. De stoornissen in de spijsvertering waren ontelbaar. De wethouder Niklausse kon zich niet verzadigen. De burgemeester Van Tricasse kon zijn dorst niet stillen en was altijd half dronken.
Kortom, dagelijks openbaarden zich de meest verontrustende verschijnselen en deed zich de toekomst donker voor.
Onophoudelijk kwam men dronken menschen tegen en onder deze dronken lieden, dikwijls notabelen.
De geneesheer Dominicus Custos had het verschrikkelijk druk met allerlei maagstoornissen en zenuwachtige aandoeningen, wel een bewijs van de groote prikkelbaarheid, waaraan de zenuwen der bevolking leden.
De vroeger zoo stille straten van Quiquendone, die tegenwoordig zoo druk waren, want niemand kon thuis blijven, waren nu het tooneel van dagelijksche woordenwisselingen en zelfs twisten.
De politie moest versterkt worden, teneinde de rustverstoorders in toom te houden.
Er moest een gevangenis in het gemeentehuis ingericht worden, die dag en nacht met oproermakers was opgevuld. De commissaris Passauf was bekaf.
Er gebeurde iets, dat nog nooit gebeurd was,—binnen den tijd van twee maanden werd er een huwelijk gesloten. Een ongehoord feit! De zoon van den ontvanger Rupp huwde met de dochter van de schoone Augustine de Rovère en dat binnen slechts zevenenvijftig dagen na haar hand gevraagd te hebben!
Nog andere huwelijken werden beslist, die anders jaren lang zouden uitgesteld zijn. De burgemeester kon er zich geen begrip van vormen en ook zijn dochter, de lieve Suze, leed aan dezelfde kwaal en zou spoedig aan zijn handen ontsnappen.
Wat onze waarde oude tante betreft, ze had waarlijk den commissaris Passauf durven polsen over een vereeniging, die haar toescheen alle elementen in zich te bevatten van geluk, fortuin, wederzijdsche achting, jeugd!...
Om de maat vol te meten, had er tot overmaat van ijselijkheid, een duel plaats! Een wezenlijk duel met pistolen, en nog wel met ruiterpistolen, op vijf en twintig pas! En tusschen wie? Onze lezers zullen ’t nauwlijks kunnen gelooven!
Tusschen den heer Frans Niklausse, den zachtaardigen hengelaar en den zoon van den rijken bankier, den jongen Simon Collaert.
En de onschuldige oorzaak van dit duel was niemand anders dan de dochter van den burgemeester, op wie Simon dol verliefd was en die hij aan niemand ter wereld wilde afstaan.