XI.

Waarin de bewoners van Quiquendone een heldhaftig besluit nemen.

Men ziet in welk een betreurenswaardigen toestand de bevolking van Quiquendone zich bevond. De hoofden verkeerden in een onnatuurlijke gisting. Men kende en herkende elkander niet meer. De vreedzaamste menschen waren twistziek geworden. Men moest hen niet met den nek aanzien, of ze zonden dadelijk getuigen op uw dak. Velen lieten hun snorren staan en enkele echte vechtersbazen krulden ze aan de punten om.

»Naar Virgamen! Naar Virgamen!” Blz. 218.

»Naar Virgamen! Naar Virgamen!” Blz. 218.

Onder dergelijke omstandigheden werd het moeielijk de stad te besturen en de orde op de straten en in de openbare gebouwen te handhaven, want de dienst was voor zulk een stand van zaken niet ingericht. De burgemeester, onze waardige Van Tricasse, dien we zoo zacht, zoo kalm en vreedzaam en zoo besluiteloos gekend hebben, was nu niet meer tot bedaren te brengen. Zijn huis weerklonk den ganschen dag van zijn bevelen. Onophoudelijk beknorde hij zijne agenten en zag in eigen persoon nauwkeurig toe dat zijne orders strikt werden uitgevoerd.

Helaas! Welk een verandering! Waar was de kalmte, die vroeger in het vriendelijke en rustige huis van den burgemeester, die goede Vlaamsche woning, heerschte? Welke treurige huiselijke tooneelen hadden daar nu plaats! Mevrouw Van Tricasse was kregelig, twistziek en kwalijknemend geworden. Mocht het haar man al gelukken haar te overschreeuwen, tot zwijgen kon hij haar niet brengen. De goede vrouw had met haar prikkelbaar humeur op alles en allen wat aan te merken. ’t Ging alles verkeerd! Niets werd op zijn tijd gedaan! Zij gaf Lotje en zelfs tante, haar schoonzuster de schuld, die, niet minder slecht gehumeurd, haar scherpe antwoorden gaf. Natuurlijk hield Van Tricasse zijn dienstbode Lotje de hand boven het hoofd, zooals men dat meermalen in de beste huishoudens ziet. Van daar dan voortdurende verbittering van mevrouw de burgemeesteres, hevige verwijten, woordenwisselingen, twisten, tooneelen tot in het oneindige!

»Maar wat scheelt ons toch?” riep dan de ongelukkige burgemeester uit. »Door welk vuur worden we toch verteerd? Zijn we dan van den duivel bezeten? O! mevrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse! Je verhaast mijn dood en zult maken, dat ik vóór u naar het graf gedragen word en hoe zullen dan de overleveringen der familie worden nagekomen!”

Want de lezer zal zeker de vreemde bijzonderheid niet vergeten hebben, dat de heer Van Tricasse weduwnaar moest worden en hertrouwen, om de eenmaal tot wet geworden gewoonte niet te breken.

Evenwel bracht die eigenaardige gesteldheid der gemoederen nog andere vrij zonderlinge uitwerkselen teweeg, die der vermelding over waardig zijn. Die zenuwachtige overspanning, waarvan de oorzaak voor als nog voor ons in het duister ligt, geleidde tot allervreemdste physiologische verschijnselen, die men niet zou verwacht hebben. Talenten, die anders verborgen zouden gebleven zijn, kwamen nu voor den dag. Bij velen openbaarde zich een bijzondere aanleg hier- of daarvoor. Kunstenaars met tot nog toe middelmatige talenten, stelden zich onverwacht in een nieuw licht. Zoowel in de politiek als in de letteren stonden eensklaps tot nog toe onbekende mannen op. Redenaars behandelden de belangrijkste en moeielijkste quaesties en deden een gehoor ontvlammen, dat trouwens zeer vatbaar was om ontvlamd te worden. Uit de zittingen van den raad, ging de beweging over in de openbare bijeenkomsten: er vormde zich een club te Quiquendone, terwijl twintig dagbladen, de Guetteur de Quiquendone, de Impartial van Quiquendone, de Radical de Quiquendone, de Outrancier de Quiquendone, met vuur geschreven, de gewichtigste maatschappelijke vraagpunten behandelden.

Maar naar aanleiding waarvan? vraagt men niet zonder reden. Naar aanleiding van alles en van niets; naar aanleiding van den toren van Oudenaarde, die overhing en dien sommigen wilden afbreken en anderen wilden herstellen; naar aanleiding van de politieverordeningen, door den raad uitgevaardigd en die kwaadgezinde hoofden trachtten tegen te werken, naar aanleiding van het uitdiepen der beken en het schoonhouden der riolen, enz. En als die onstuimige redenaars nu alleen het stedelijk bestuur nog maar hadden aangevallen! Maar neen, door den stroom medegesleept, holden zij maar voort en zouden ze, als de Voorzienigheid niet tusschenbeide was gekomen, hunne stadgenooten, een oorlog op den hals hebben gehaald.

Wat was het geval? Sedert acht of negen honderd jaar smeulde er in de archieven van Quiquendone een zeldzaam schoone casus belli; maar zij bewaarde hem met de grootste zorg, als een reliquie, en werkelijk scheen hij eenige kans te hebben te verschimmelen en zijn kracht te verliezen.

Ziehier hoe die casus belli was in de wereld gekomen.

Het is niet algemeen bekend, dat Quiquendone, in dat hoekje van Vlaanderen, dicht bij de kleine stad Virgamen gelegen is. Het grondgebied beider gemeenten grenst aan elkander.

Nu gebeurde het in 1135, eenigen tijd voor het vertrek van graaf Baudouin naar het Heilige Land, dat een koe van Virgamen—wel te verstaan, geen koe van een inwoner, maar een koe der gemeente—zich verstoutte op het grondgebied van Quiquendone te gaan weiden. Nauwelijks had het ongelukkige dier drie mondjes vol gras verorberd, maar het wanbedrijf, de misdaad als men wil, was bedreven en geconstateerd bij procesverbaal van dien tijd, want te dien tijde begonnen de overheidspersonen de kunst van schrijven te leeren.

»Ter rechter tijd zullen we ons wreken,” zei eenvoudig Natalis Van Tricasse, de twee en dertigste voorganger van den tegenwoordigen burgemeester, »en uitstel is geen afstel!”

De inwoners van Virgamen waren bij tijds onderricht. Zij wachtten en dachten niet zonder reden, dat de tijd de herinnering der beleediging wel zou uitwisschen en werkelijk leefden zij gedurende verscheidene eeuwen in de beste verstandhouding met hunne buren van Quiquendone.

Maar zij hadden buiten den waard gerekend, of liever buiten die zonderlinge epidemie, die, terwijl zij het karakter hunner buren ten eenenmale veranderde, het uitgedoofde vuur der wraak in die harten weder oprakelde.

Het was in de club van de Monstrelet-straat, dat de vurige advocaat Schut eensklaps de quaestie te berde bracht, en zijne toehoorders electriseerde door de uitdrukkingen en schilderingen te gebruiken, die in deze omstandigheden in zwang zijn. Hij herinnerde de overtreding, hij herinnerde het ongelijk, der gemeente Quiquendone aangedaan, en waarvoor een natie »naijverig op haar rechten” geen verjaring kon dulden; hij wees op de nog altijd gevoelde beleediging, op de nog altijd bloedende wond; hij sprak van zekere eigenaardige bewegingen van het hoofd der inwoners van Virgamen en die aantoonden hoezeer zij de inwoners van Quiquendone verachtten; hij smeekte zijne landgenooten, die misschien »onbewust” gedurende lange eeuwen die doodelijke beleediging verdragen hadden, hij bezwoer »de kinderen der oude stad” geen ander doel meer voor oogen te houden dan een schitterende voldoening te verkrijgen! Eindelijk deed hij een beroep op de levende strijdkrachten der natie!

Het is onmogelijk in woorden weer te geven met welk een geestdrift deze taal, die voor Quiquendonsche ooren zoo nieuw was, ontvangen werd. Het geheele auditorium was opgestaan en met luide kreten, de armen uitgestrekt, vroegen alle toehoorders den oorlog. Nooit had de advocaat Schut zulk een succes gehad en het moet erkend worden, dat hij prachtig geweest was.

De burgemeester, de wethouder, al de notabelen, die deze gedenkwaardige zitting bijwoonden, zouden zich vruchteloos tegen die vervoering van het volk hebben kunnen verzetten. Trouwens hadden zij er ook niet den minsten lust toe en, zooal niet harder, dan toch even hard, schreeuwden ook zij:

»Naar de grenzen! Naar de grenzen!”

Daar nu deze grenzen slechts drie kilometers van de muren van Quiquendone verwijderd waren, is het zeker, dat de inwoners van Virgamen werkelijk gevaar liepen, want zij konden overmeesterd zijn, alvorens den tijd gehad te hebben tot bezinning te komen.

Inmiddels scheen de achtbare apotheker Josse Liefrinck, onder deze ernstige omstandigheden, alleen zijn zinnen bij elkander gehouden te hebben, want hij maakte de opmerking dat er gebrek was aan geweren, kanonnen en generaals.

Men antwoordde hem en liet dit antwoord van eenige handtastelijke bewijsgronden vergezeld gaan, dat men die generaals, die kanonnen en geweren wel zou vinden en dat het goed recht en de liefde voor het vaderland voldoende waren en een volk onwederstaanbaar maakten.

»De plaats van een burgemeester is voorop, mijnheer!” Blz. 220.

»De plaats van een burgemeester is voorop, mijnheer!” Blz. 220.

Daarop nam de burgemeester zelf het woord en brak in een sierlijke, voor de vuist uitgesproken redevoering den staf over die kinderachtige zielen, die achter het masker der voorzichtigheid de vrees verbergen en dit masker rukte hij af met een vaderlandslievende hand.

Men zou op dit oogenblik gezegd hebben, dat de zaal onder de toejuichingen inviel.

Men vroeg stemming.

De stemming geschiedde bij acclamatie, en de kreten verdubbelden:

»Naar Virgamen! Naar Virgamen!”

De burgemeester nam op zich om het leger mobiel te maken en in den naam der stad beloofde hij dengenen zijner aanstaande generaals, die als overwinnaar zou terugkeeren, de eerbewijzingen der zegepraal, zooals dit ten tijde der Romeinen plaatsgreep.

Evenwel wilde de apotheker Josse Liefrinck, die een eigen hoofd had, en zich niet voor geslagen hield, ofschoon hij het werkelijk was, nog een opmerking maken. Hij zei namelijk, dat te Rome de overwinnende generaals niet in triomf werden ingehaald, of ze moesten vijf duizend vijanden gedood hebben.

»Welnu! welnu!” schreeuwde het publiek in de grootste opgewondenheid.

»... En dat, daar de bevolking der gemeente Virgamen niet meer beloopt dan drie duizend vijf honderd vijf en zeventig inwoners, het moeielijk zou zijn, of men moest verscheidene keeren denzelfden persoon dooden...”

Maar men liet den ongelukkigen logischen apotheker niet uitpraten en gestompt en geslagen werd hij de deur uitgesmeten.

»Burgers,” zei daarop Sylvester Pulmacker, een klein kruideniertje, »burgers, laat dien laffen apotheker maar zeggen wat hij wil, ik neem aan vijf duizend Virgamenaars te dooden, als ge mijne diensten wilt aannemen.”

»Vijf duizend vijf honderd!” schreeuwde een nog onversaagder vaderlander.

»Zes duizend zes honderd!” hernam de kruidenier.

»Zeven duizend!” riep de banketbakker uit de Hemlingstraat, Jan Orbideck, die op weg was zijn fortuin in de roomgebakjes te maken.

»Toegewezen!” riep burgemeester Van Tricasse uit, toen hij zag, dat niemand hooger bood.

En zoo kwam het dat de banketbakker Jan Orbideck, de generaal, opperbevelhebber der troepen van Quiquendone werd.