II.

Een koningin van Tarryani.

Deze opmerking van den leverancier eindigde ons bezoek aan de kraal. Het was tijd om het Stoomhuis weder op te zoeken.

Om de waarheid te zeggen, scheidden kapitein Hod en Matthias van Guitt niet als de twee beste vrienden van de wereld. De een toch wilde de roofdieren van Tarryani ombrengen, terwijl de ander ze wilde vangen en evenwel waren er genoeg om beiden tevreden te stellen.

Men kwam niettemin overeen, dat de bewoners van de kraal en het sanitarium elkander druk zouden bezoeken. Men zou elkander waarschuwen als er een mooie slag te slaan was. De chikaris van Matthias van Guitt, goed op de hoogte van deze soort van tochten, bekend met de omwegen en schuilhoeken van Tarryani, konden kapitein Hod veel diensten bewijzen, door hem de sporen van dieren aan te wijzen. De leverancier stelde hen welwillend ter zijne beschikking en meer bijzonder Kâlagani. Hoewel deze Hindoe eerst onlangs in het personeel der kraal was opgenomen, deed hij zich als zeer kundig kennen en kon men vast op hem rekenen.

Kapitein Hod van zijn kant beloofde, zooveel hem mogelijk was, bij de vangst der wilde dieren, die nog aan den voorraad van Matthias van Guitt ontbraken, zijn hulp te verleenen.

Alvorens de kraal te verlaten, bedankte Sir Edward Munro, die waarschijnlijk geen plan had er drukke bezoeken te maken, nogmaals Kâlagani, wiens tusschenkomst hem gered had. Hij zeide hem, dat hij altijd welkom in het Stoomhuis zoude zijn.

De Hindoe boog zich koel. Welk gevoel van voldoening hem ook bezielde den man, die hem het leven verschuldigd was, zoo te hooren spreken, liet hij er niets van blijken.

Wij hadden gezorgd vóór het etensuur thuis te zijn. Men kan zich voorstellen, dat Matthias van Guitt de stof tot het gesprek leverde.

»Sakkerloot! wat maakt die leverancier mooie gebaren!” herhaalde kapitein Hod »Welk een woordenschat! Welke uitgezochte uitdrukkingen! Maar als hij nu in de wilde beesten niet anders ziet dan voorwerpen om te laten zien, dan bedriegt hij zich!”

De volgende dagen, 27, 28 en 29 Juni regende het zoo hard, dat de jagers, hoe verzot op de jacht ze ook waren, het Stoomhuis niet konden verlaten. Bij zulk vreeselijk weer zijn trouwens de sporen onmogelijk te herkennen en verlaten de roofdieren, die evenmin van water houden als de katten, niet gaarne hunne schuilplaatsen.

Den 30n Juli was het weer gunstiger en zag de lucht er beter uit. Dinsdag maakten kapitein Hod, Fox, Goûmi en ik onze toebereidselen om naar de kraal af te zakken.

In den loop van den morgen, kwamen eenige bergbewoners ons een bezoek brengen. Zij hadden vernomen, dat een wonderbaarlijke pagode in het Himalayagebergte verschenen was en werden nu door een levendig gevoel van nieuwsgierigheid naar het Stoomhuis gedreven.

Het waren recht schoone menschen, van het ras op de grenzen van Thibet, krijgshaftige inboorlingen, eerlijk en getrouw, op ruime schaal de gastvrijheid beoefenende en zedelijk en lichamelijk verheven boven de Hindoes der vlakte.

De gewaande pagode verbaasde hen wel is waar, maar de IJzeren Reus maakte zulk een overweldigenden indruk op hen, dat zij zich in aanbidding voor hem nederbogen. Hij bevond zich evenwel in rust. Wat zouden de goede lieden opgekeken hebben, als zij gezien hadden, hoe hij rook en vlammen uitspuwende, met vasten tred de ruwe hellingen hunner bergen beklom!

Kolonel Munro bereidde dezen inboorlingen, waarvan eenigen gewoonlijk het grondgebied van Népaul, op de Indo-Chineesche grens doorloopen, een goede ontvangst. Het gesprek liep een oogenblik over dat gedeelte der grenzen waar Nana Sahib een schuilplaats gezocht had, na de nederlaag der Sipayers, toen hij over het geheele grondgebied van Indië werd nagezeten.

Deze bergbewoners wisten eigenlijk niets meer dan ’t geen wij zelven wisten. Ook tot hen was het gerucht van den dood van den nabob doorgedrongen en zij schenen hem niet te betwijfelen. Wat de metgezellen betreft, die hem overleefd hadden, zij waren spoorloos verdwenen. Misschien hadden zij een schuilplaats tot Thibet opgezocht, maar het zou moeilijk geweest zijn hen daar te achterhalen.

Indien kolonel Munro, met zijn reis naar het noorden van het schiereiland, werkelijk het plan gehad had alles op te helderen wat van verre of dichtbij aan Nana Sahib herinnerde, was dit antwoord wel geschikt er hem af te brengen. Evenwel bleef hij, na deze bergbewoners gehoord te hebben, in gedachten verdiept en nam hij geen deel meer aan de gesprekken.

Wat kapitein Hod aangaat, deze stelde hun eenige vragen, maar met geheel andere beweegredenen. Zij meldden hem dat werkelijk door wilde dieren, en meer bijzonder door tijgers, vreeselijke verwoestingen in de onderste streek der Himalaya werden aangericht. Landhoeven en zelfs geheele dorpen waren door de bewoners verlaten moeten worden. Reeds waren verscheidene kudden geiten en schapen verslonden, en men telde ook talrijke slachtoffers onder de inlanders. Niettegenstaande de aanzienlijke premie, door het gouvernement uitgeloofd,—driehonderd ropijen per tijgerkop,—scheen toch het aantal dezer dieren niet te verminderen, en men vroeg zich af, of de mensch niet weldra verplicht zou zijn plaats voor hen te maken.

De bergbewoners voegden er ook nog deze bijzonderheid bij: dat namelijk de tijgers zich niet alleen tot in Tarryani terugtrokken. Overal waar de vlakte hun hoog gras, jungles, struikgewas aanbood waarin zij op de loer konden gaan liggen, ontmoette men ze in grooten getale.

»Kwaadaardige dieren!” zeiden zij.

Matthias van Guitt ons deftig groetende. Blz. 18.

Matthias van Guitt ons deftig groetende. Blz. 18.

Die brave menschen koesterden, en met recht, zooals men ziet, ten opzichte der tijgers niet dezelfde denkbeelden als de leverancier Matthias van Guitt en onze vriend kapitein Hod.

De bergbewoners gingen heen, zeer ingenomen met de ontvangst door hen genoten en beloofden hun bezoek aan het Stoomhuis te herhalen.

Na hun vertrek waren wij weldra met onze toebereidselen gereed en daalden wij, kapitein Hod, onze beide metgezellen en ik, goed gewapend, op elke ontmoeting voorbereid, naar Tarryani af.

Op de open plek in het bosch, waar de val gesteld was, waaruit wij Matthias van Guitt zoo gelukkig verlost hadden, deed deze zich, niet zonder eenige plechtigheid aan ons voor.

Vijf of zes zijner lieden, waaronder Kâlagani, hielden zich bezig met uit den val een tijger, die zich des nachts had laten vangen, in een rollend hok te doen overgaan.

Werkelijk een prachtig dier, dat door kapitein Hod met wangunst werd aangezien!

»Één minder in Tarryani!” mompelde hij met een zucht, die een weerklank vond in de borst van Fox.

»Eén meer in de menagerie,” antwoordde de leverancier. »Nog twee tijgers, een leeuw, twee luipaarden en ’k zal vóór het einde der campagne aan mijne verplichtingen kunnen voldoen. Gaat ge met mij mede naar de kraal, mijne heeren?”

»We zeggen u dank,” zei kapitein Hod, »maar van daag jagen we voor eigen rekening.”

»Kâlagani is ter uwe beschikking gereed, kapitein Hod”, antwoordde de leverancier. »Hij kent het bosch en kan u nuttig zijn.”

»We nemen hem gaarne als gids aan.”

»Nu, mijne heeren,” voegde Matthias van Guitt er bij, »veel geluk! Maar beloof me niet alles te dooden!”

»Wees gerust, we zullen u nog wat overlaten!” antwoordde kapitein Hod.

En Matthias van Guitt verdween, ons deftig groetende, onder de boomen, het rollend hok na.

»Op marsch,” zei kapitein Hod, »op marsch, mijne vrienden. Naar mijn twee en veertigsten!”

»Naar mijn acht en dertigsten!” antwoordde Fox.

»Naar mijn eersten!” voegde ik er bij.

Maar de toon waarop ik deze woorden sprak deed den kapitein glimlachen. Blijkbaar miste ik de noodige bezieling.

Hod had zich naar Kâlagani omgewend.

»Ken je Tarryani goed?” vroeg hij hem.

»’k Heb het twintigmaal doorkruist, nacht en dag, in alle richtingen,” antwoordde de Hindoe.

»Heb je hooren zeggen, dat een tijger meer bijzonder gezien is in den omtrek van de kraal?”

»Ja, maar die tijger is een tijgerin. Men heeft haar op twee mijlen van hier gezien, boven in het bosch en sedert eenige dagen tracht men zich van haar meester te maken. Wilt u dat....”

»Of we willen!” antwoordde kapitein Hod, zonder den Hindoe den tijd te laten den zin te eindigen.

Wij hadden inderdaad niets beters te doen dan Kâlagani te volgen, hetgeen dan ook gedaan werd.

Het is niet twijfelachtig dat de wilde dieren zeer talrijk zijn in Tarryani en daar, gelijk elders, hebben zij niet minder dan twee runderen per week noodig voor hun bijzonder gebruik! Ga eens na wat dit »onderhoud” het geheele schiereiland kost!

Maar al zijn de tijgers er in menigte voorhanden, moet men zich daarom niet voorstellen, dat zij zonder noodzaak het land doorloopen. Zoolang de honger ze niet aandrijft, blijven ze in hunne schuilhoeken verborgen en men zou zich vergissen als men denkt, dat men ze bij elken voetstap ontmoet. Hoevele reizigers hebben niet de bosschen of de jungles doorloopen, zonder er ooit een ontmoet te hebben! Is er dus een jacht op touw, dan moet men beginnen met de gewone toegangen dezer dieren op te sporen en vooral de beek of de bron ontdekken waarin zij gewoonlijk hun dorst gaan lesschen.

En dit is dikwijls nog niet voldoende, men moet ze nog lokken. Men doet dit vrij gemakkelijk door een stuk ossenvleesch, aan een paal gebonden, op een open plek te brengen, omringd door boomen of rotsen, die den jagers ter beschutting kunnen dienen. Op deze wijze gaat men althans in het bosch te werk.

Op de vlakte gaat het anders toe en wordt de olifant de nuttigste helper van den mensch bij de gevaarlijke drijfjachten. Doch deze dieren moeten hiertoe volkomen afgericht zijn en toch in weerwil hiervan worden zij soms door een paniek overvallen, hetgeen den toestand der jagers, die op hun rug zitten, somtijds zeer gevaarlijk maakt. Ook moet hier gezegd worden, dat de tijger niet aarzelt zich op den olifant te werpen. De worsteling tusschen den mensch en hem heeft dan plaats op den rug van het reusachtige dikhuidige dier, dat zich driftig maakt en het is zeldzaam, dat zij niet ten voordeele van het wilde dier beslist wordt.

Op die wijze evenwel hebben de groote jachten der rajahs en der rijke sportsmen van Indië plaats, waardig om in de jaarboeken der jacht te worden opgenomen.

Doch dit was de wijze niet waarop kapitein Hod wilde tewerkgaan. Te voet ging hij de tijgers opzoeken, te voet was hij gewoon ze te bestrijden.

Intusschen volgden wij Kâlagani, die flink doorstapte. Terughoudend als een Hindoe, praatte hij weinig en bepaalde hij zich kort te antwoorden op de vragen, die hem gedaan werden.

Een uur later, hielden wij halt bij een schuimende beek, welker boorden de nog versche sporen van dieren vertoonden. Te midden eener kleine open plek in het bosch was een paal opgericht waaraan een groot stuk rundvleesch was vastgebonden.

Het lokaas was niet geheel gespaard gebleven. De jakhalzen, de gauwdieven der Indische dierenwereld, altijd op eenige prooi uit, al is de prooi niet voor hen bestemd, hadden er juist even van geproefd. Een dozijn van die roofdieren ging bij onze nadering op de vlucht en liet ons volle vrijheid.

»Kapitein,” zei Kâlagani, »hier zullen we de tijgerin afwachten. U ziet dat de plek gunstig is.”

Werkelijk was het gemakkelijk zich in de boomen of achter de rotsen te verschuilen, zoodanig, dat men zijn vuur op de alleenstaande paal in het midden der open plek kon kruisen.

Dit werd dan ook onmiddellijk gedaan. Goûmi en ik hadden op denzelfden tak plaatsgenomen. Kapitein Hod en Fox, beiden op de eerste vertakking van twee groote groene eiken geplaatst, zaten recht tegenover elkander.

Kâlagani had zich half verscholen achter een hooge rots, die hij ingeval van dreigend gevaar kon beklimmen.

Het dier zou dus van alle kanten bestookt worden en het moeielijk kunnen ontloopen. Alle kansen waren dus tegen hem, alhoewel men rekening met onvoorziene omstandigheden moest houden.

Wij hadden nu niets anders te doen dan te wachten.

De jakhalzen, hier en daar verspreid, deden altijd hun schor geblaf in het naburig kreupelhout hooren, maar zij dorsten zich niet meer aan het stuk vleesch te wagen.

Nauwelijks was er een uur verloopen, of dit geblaf eindigde plotseling. Bijna op hetzelfde oogenblik, sprongen twee of drie jakhalzen uit het kreupelhout voor den dag, doorkruisten de open plek en verdwenen in het dichtst van het woud.

Een teeken van Kâlagani, die op het punt stond om de rots te beklimmen, waarschuwde ons op te passen.

Inderdaad was geen andere oorzaak voor deze overhaaste vlucht der jakhalzen te vinden dan de nadering van een wild dier,—de tijgerin ongetwijfeld,—en elk oogenblik kon men verwachten haar op een of ander punt der open plek in het bosch te zien verschijnen.

Onze wapenen waren gereed. De karabijnen van kapitein Hod en zijn oppasser, reeds gericht naar de plek van het kreupelbosch waaruit de jakhalzen ontvlucht waren, wachtten slechts op een vingerdruk om los te branden.

Weldra meende ik de bovenste takken van het kreupelhout even te zien bewegen. Op hetzelfde oogenblik deed zich een gekraak van droog hout vernemen. Duidelijk hoorde men nu een dier, welk dan ook, naderen, maar voorzichtig, zonder zich te haasten. Van de jagers, die, onder dicht gebladerte verscholen, hem beloerden, kon hij blijkbaar niets zien. Nochtans moest zijn instinct hem doen gevoelen, dat de plaats niet veilig voor hem was. Zeer zeker zou, indien hij niet door den honger ware gedrongen en het stuk vleesch hem door den reuk niet had verlokt, zich niet verder gewaagd hebben.

Wij lieten haar tot aan de paal naderen. Blz. 22.

Wij lieten haar tot aan de paal naderen. Blz. 22.

Hij vertoonde zich evenwel, half door de takken van een struik verborgen en bleef zich alleen nog uit een gevoel van wantrouwen ophouden.

Het was wel degelijk een tijgerin, groot van stuk, met een prachtigen kop en een lenig lichaam. Zij kwam langzaam langs den grond voortglijdende, met de golvende beweging van een kruipend dier vooruit.

Algemeen kwam men daarin overeen, haar tot aan de paal te laten naderen. Zij rook den grond, ze richtte zich op, kromde den rug als een énorme kat, die niet van plan is een sprong te nemen.

Eensklaps barstten twee karabijnschoten los.

»Twee en veertig!” riep kapitein Hod.

»Acht en dertig!” riep Fox.

De kapitein en zijn oppasser hadden te gelijkertijd geschoten, en zoo juist, dat de tijgerin, getroffen door een, zoo niet door twee kogels, over den grond rolde.

Kâlagani was op het dier toegesneld en ook wij waren op den grond gesprongen.

De tijgerin bewoog zich niet meer.

Doch wien kwam de eer toe haar doodelijk getroffen te hebben? Den kapitein of Fox? Men kan zich voorstellen, dat dit een punt van gewicht was!

Het dier werd geopend. Het hart was door twee kogels doorboord.

»Kom,” zei kapitein Hod, niet zonder eenigen spijt, »ieder de helft!”

»De helft, kapitein!” antwoordde Fox op denzelfden toon.

En ik geloof, dat noch de een nog de ander gaarne het deel had afgestaan, dat hem toekwam.

Dit was het merkwaardige schot, waarvan het beste resultaat was, dat het dier zonder worsteling bezweken was en bijgevolg zonder gevaar voor de aanvallers,—een resultaat, dat bij de jachten dezer soort zelden voorkomt.

Fox en Goûmi bleven op het slagveld achter, om het dier van zijn prachtige huid te ontdoen, terwijl Hod en ik naar het Stoomhuis terugkeerden.

Het is mijn voornemen niet de voorvallen onzer tochten in Tarryani tot in de minste bijzonderheden te vermelden, tenzij zij iets merkwaardigs opleveren. Het zij genoeg al dadelijk te zeggen, dat kapitein Hod en Fox zich niet te beklagen hadden.

Den 10n Juli, bij een jacht uit de houddi, namelijk uit de hut, hadden zij opnieuw een gelukkige kans, zonder dat zij werkelijk gevaar geloopen hadden. De houddi, trouwens, is zeer geschikt om de groote roofdieren te belagen. Het is een soort van gecreneleerd fortje, welks muren, door schietgaten doorboord, de oevers van een beek beheerschen, waar de dieren gewoon zijn te gaan drinken. Gewoon aan het gezicht dezer kleine gebouwen, hebben zij geen wantrouwen en stellen zij zich rechtstreeks aan het moorddadig lood bloot. Maar ook daar als overal, komt het er op aan hen doodelijk met het eerste schot te treffen, of de worsteling wordt gevaarlijk, want de houddi behoedt den jager niet altijd voor de geduchte sprongen dezer dieren, die gewond, woedend zijn geworden.

Dit was het nu juist wat gebeurde, zooals men weldra zien zal.

Matthias van Guitt vergezelde ons. Misschien hoopte hij wel, dat een licht gewonde tijger naar de kraal medegenomen zou kunnen worden, waar hij dan de zorg op zich zou nemen hem te verzorgen en te genezen.

Nu had onze troep jagers dien dag met drie tijgers te doen, die door de eerste losbranding niet weerhouden werden de muren van de houddi te bespringen. De twee eerste werden, tot groot verdriet van den leverancier, met een tweeden kogel gedood, toen zij over de gecreneleerde omheining sprongen. Wat den derden betreft, hij nam een sprong tot in het inwendige van het gebouwtje, den schouder gewond, maar overigens niet doodelijk getroffen.

»Dien zullen we dan toch hebben!” riep Matthias van Guitt uit, die zoo sprekende wel wat veel waagde, »we zullen hem levend hebben!....”

Nauwelijks had hij deze onvoorzichtige woorden gesproken, of het dier stortte zich op hem, wierp hem omver en het ware gedaan geweest met den leverancier, had een kogel van kapitein Hod den kop des tijgers niet geraakt, die als door den bliksem getroffen neerzeeg.

Matthias van Guitt was weder snel op de been.

»Hé! kapitein,” riep hij uit, in plaats van onzen vriend te bedanken, »u hadt wel kunnen wachten!....”

»Wachten.... wat?....” antwoordde kapitein Hod, »totdat het dier je de borst met zijn klauwen had opengereten?”

»Zoo’n krab is nog niet doodelijk!...”

»Goed!” antwoordde bedaard kapitein Hod. »Een andermaal zal ik wachten!”

Wat er van zij, het dier was buiten staat in de menagerie der kraal te figureeren en had alleen om zijn vel nog eenige waarde; maar deze gelukkige tocht bracht het getal der door den kapitein en zijn oppasser gedoode tijgers op twee en veertig en acht en dertig, zonder de reeds vermelde halve tijgerin mede te rekenen.

Men denke nu niet dat deze groote jachten ons de kleine deden vergeten. Daar zorgde »Monsieur” Parazard wel voor. Een groote verscheidenheid van allerlei wild, zooals patrijzen, hazen, antilopen, gemzen, trapganzen, dat in den omtrek van het Stoomhuis rijk vertegenwoordigd was, prijkte op onze tafel.

Zelden gebeurde het dat Banks ons bij onze tochten in Tarryani vergezelde. Mochten die tochten mij belang beginnen in te boezemen, hem bevielen ze niet bijzonder. Voor hem hadden de hoogere streken der Himalaya meer aantrekkelijkheid, vooral als kolonel Munro hem wilde vergezellen.

Maar een of twee malen slechts hadden de wandelingen van den ingenieur op deze wijze plaats. Hij had opgemerkt, dat Sir Edward Munro in den laatsten tijd weer meer in zich zelven gekeerd en bezorgder geworden was. Hij sprak minder, hield zich meer afgezonderd en had somtijds drukke gesprekken met sergeant Mac Neil. Zouden zij met hun beiden eenig nieuw plan beramen, dat ze wilden verbergen, zelfs voor Banks?

Den 13n Juli kwam Matthias van Guitt ons een bezoek brengen. Hij was minder gelukkig geweest dan kapitein Hod en had zijn menagerie met geen nieuwen gast kunnen verrijken. Geen tijgers, noch leeuwen, noch luipaarden schenen geneigd te zijn zich te laten vangen. De gedachte zich in het verre westen te laten tentoonstellen lachte hun ongetwijfeld niet toe. Vandaar dat de leverancier een ergernis gevoelde, die hij niet trachtte te ontveinzen.

Kâlagani en twee chikaris van het personeel vergezelden Matthias van Guitt bij dit bezoek.

De vestiging van het sanitarium in die bekoorlijke streek behaagde hem buitengemeen. Kolonel Munro noodigde hem te blijven eten. Hij nam het gretig aan en beloofde onze tafel eer aan te doen.

Voor het diner wenschte Matthias van Guitt het Stoom-House te bezoeken, waarvan de geriefelijke inrichting zoo oneindig verschilde met de eenvoudigheid zijner kraal. De twee rollende huizen lokten een kompliment van hem uit, maar ik moet bekennen, dat de IJzeren Reus hem onverschillig liet. Een natuurkundige, zooals hij, moest wel ongevoelig blijven voor dit meesterstuk van werktuigkunde. Hoe kon hij de schepping van dit kunstmatige dier, hoe merkwaardig ook, goedkeuren.

»Denk geen kwaad van onzen olifant, mijnheer van Guitt!” zeide Banks tot hem. »’t Is een machtig dier, en als het moest, zou hij er volstrekt niet over in zitten om tegelijk met onze twee wagens, al de hokken uwer rollende menagerie voort te trekken.”

»Daarvoor heb ik mijn buffels,” antwoordde de leverancier, »en ik geef de voorkeur aan hun bedaarden en zekeren stap.”

»De IJzeren Reus vreest noch de klauwen, noch de tanden der tijgers!” riep kapitein Hod uit.

»Dat moge waar zijn, mijne heeren,” antwoordde Matthias van Guitt, »maar waarom zouden de wilde dieren hem aanvallen? Ze geven niet veel om vleesch van plaatijzer!”

Het ware gedaan geweest met den leverancier. Blz. 23.

Het ware gedaan geweest met den leverancier. Blz. 23.

Mocht de natuurkundige zijn onverschilligheid voor onzen olifant niet ontveinzen, zijne Hindoes en vooral Kâlagani hielden daarentegen niet op hem met de oogen te verslinden. Men gevoelde, dat hunne bewondering van het reusachtige dier gemengd was met een zekere dosis bijgeloovigen eerbied.

Kâlagani scheen zelfs zeer verbaasd toen de ingenieur herhaalde, dat de IJzeren Reus machtiger was dan de geheele bespanning der kraal. Dit gaf kapitein Hod aanleiding, niet zonder eenige fierheid ons avontuur met de drie »proboscidea” van prins Gourou Singh te vertellen.

Een ongeloovig glimlachje speelde om de lippen van den leverancier, maar hij wachtte zich wel het feit te betwisten.

Het diner liep in de beste orde af en vooral Matthias van Guitt deed het alle eer aan. Het menu was uitmuntend en bestond uit de voortbrengselen onzer laatste jachten; werkelijk mag men zeggen, dat »Monsieur” Parazard zich zelven overtroffen had.

Ook de wijnkelder van het Stoomhuis bleek goed voorzien te zijn en vooral schenen een paar glazen Franschen wijn onzen gast uitmuntend te smaken, want elk slokje werd gevolgd door een eigenaardig gesmak van de tong tegen het verhemelte.

Na den maaltijd, op het oogenblik van scheiden, kon men uit de onzekerheid van zijn gang opmaken, dat de wijn hem niet alleen naar het hoofd gestegen, maar ook naar zijne beenen gezakt was.

Bij het vallen van den avond, scheidde men als de beste vrienden van de wereld, en dank zij zijne tochtgenooten, kwam Matthias van Guitt zonder ongelukken in zijn kraal terug.

Evenwel had er den 16n Juli een voorval plaats, die de goede verstandhouding tusschen den leverancier en kapitein Hod dreigde te verstoren.

Op het oogenblik dat een tijger in een der wipvallen zou gevangen worden, werd hij door den kapitein gedood. Maar, mocht deze al zijn drie en veertigste zijn, hij was niet de achtste van den leverancier.

Nochtans werd na eenige wederzijdsche ophelderingen, waarbij het vrij scherp toeging, de zaak in der minne geschikt, dank zij de tusschenkomst van kolonel Munro, en kwamen zij overeen, dat kapitein Hod de wilde dieren zou eerbiedigen, die »van plan waren” zich in de vallen van Matthias van Guitt te laten vangen.

De volgende dagen was het afschuwelijk slecht weder. Men moest tegen wil en dank in het Stoomhuis blijven. Wij verlangden naar het einde van den regentijd, die niet lang meer kon duren, daar hij reeds voor meer dan drie maanden begonnen was. Indien het programma van onze reis gevolgd werd, zooals Banks het van te voren had vastgesteld, bleven ons nog slechts zes weken verblijf in het sanitarium over.

Den 23n Juli kwamen eenige bergbewoners van de grenzen den kolonel Munro een tweede bezoek brengen. Hun dorp, Souari genaamd, was slechts vijf mijlen van ons kamp verwijderd, bijna aan de bovenste grens van Tarryani.

Een van hen deelde ons mede, dat een tijgerin sedert eenige weken vreeselijke verwoestingen in die streken aanrichtte. De kudden werden vernield en men sprak er reeds van om Souari, onbewoonbaar geworden, te verlaten. Er was geen zekerheid meer, noch voor de huisdieren, noch voor de menschen. Allerlei middelen om het dier te belagen, vallen, strikken, drijfjachten, niets had het wreede dier, dat reeds onder de geduchtste roofdieren begon te tellen waarvan de oude bergbewoners ooit hadden hooren spreken, kunnen verjagen of dooden.

Men kan zich voorstellen, dat dit verhaal zeer geschikt was om kapitein Hod in koortsachtige spanning te brengen. Hij bood dadelijk den bergbewoners aan hen naar het dorp van Souari te vergezellen, volkomen bereid zijn ondervinding als jager en de zekerheid van zijn blik ter beschikking van die goede menschen te stellen, die, naar het mij toescheen, wel een weinig op dit aanbod rekenden.

»Ga je mee, Maucler?” vroeg kapitein Hod mij, op den toon van iemand, die geen invloed op een eenmaal genomen besluit wenscht uit te oefenen.

»Wel zeker,” antwoordde ik. »’k Zou niet gaarne zulk een merkwaardigen tocht mankeeren!”

»Ook ik wilde je ditmaal vergezellen,” zei de ingenieur.

»Dat is een heerlijk idée van je, Banks.”

»Ja, Hod! ’k Wensch zeer je daar eens aan ’t werk te zien.”

»Mag ik niet van de partij zijn, kapitein?” vroeg Fox.

»O! die intrigant?” riep kapitein Hod uit. »Hij zou gaarne zijn halve tijgerin willen aanvullen! Ja, Fox! ja! je kunt meegaan!”

Daar men nu dus voor een drie of vier dagen het Stoomhuis ging verlaten, vroeg Banks den kolonel of ook hij ons niet naar het dorp Souari zou vergezellen.

Sir Edward Munro bedankte hem, daar hij van plan was van onze afwezigheid gebruik te maken om met Goûmi en den sergeant Mac Neil de middelste streek of zone van de Himalaya, boven Tarryani te bezoeken.

Banks drong niet verder aan.

Er werd dus bepaald, dat wij denzelfden dag naar de kraal zouden vertrekken, om van Matthias van Guitt eenigen zijner chikaris te leenen, die ons nuttig zouden kunnen zijn.

Een uur later, tegen twaalf uren, waren wij aangekomen. De leverancier werd op de hoogte onzer plannen gebracht. Toen hij de heldendaden van die tijgerin vernam, kon hij zijne geheime voldoening niet verbergen. Dat dier toch, zeide hij, was wel geschikt om bij de kenners den roem der dieren van het schiereiland te verhoogen. Daarna stelde hij drie zijner Hindoes ter onze beschikking zonder Kâlagani mede te rekenen, die altijd gereed was zich in het gevaar te begeven.

Het werd evenwel goed afgesproken met kapitein Hod, dat, zoo onverhoopt de tijgerin zich levend liet vangen, zij rechtens tot de menagerie van Matthias van Guitt zou behooren. Welk een uitlokkend bericht, dat, aan de traliën van het hok gehangen, in welsprekende cijfers de heldendaden zou vermelden van »een der koninginnen van Tarryani, die niet minder dan honderd acht en dertig personen van beide seksen verslonden heeft!”

Onze kleine troep verliet de kraal tegen twee uren van den namiddag. Voor vier uren, kwam hij, na schuins naar het oosten bergopwaarts te zijn gegaan, zonder ongelukken te Souari aan.

De paniek was daar tot het hoogste geklommen. Dien zelfden morgen was een ongelukkige Hindoesche vrouw, onverwacht bij een beek door de tijgerin verrast, naar het bosch medegesleept.

Een der bergbewoners, een rijke Engelsche landeigenaar, nam ons gastvrij in zijne woning op. Onze gastheer had meer dan een ander zich over het geduchte dier te beklagen gehad en gaarne had hij zijn huid met vele duizenden ropijen betaald.

»U moet weten, kapitein Hod,” zeide hij, »dat eenige jaren geleden een tijgerin in de centrale provinciën de bewoners van dertien dorpen verplicht heeft op de vlucht te gaan, zoodat twee honderd vijftig vierkante mijlen beste grond braak moesten blijven liggen!

»Heb je alle mogelijke middelen beproefd om het dier te dooden?” vroeg Banks.

»Alles, mijnheer de ingenieur, vallen, kuilen en zelfs lokazen met strychnine toebereid! Niets heeft geholpen!”

»Mijn goede vriend,” zei kapitein Hod, »ik verzeker niet, dat het ons zal gelukken je te voldoen, maar we zullen ons best doen!”

Zoodra we ons te Souari eenigszins hadden ingericht, werd dien zelfden dag een drijfjacht ondernomen. Een twintigtal bergbewoners, die het grondgebied waarop we ons zouden bewegen, volkomen goed kenden, voegden zich bij ons, bij onze lieden en bij de chikaris der kraal.

Hoe weinig jager Banks ook ware, scheen het mij toe, dat ook hij onzen tocht met de meeste belangstelling zou medemaken.

Drie dagen achtereen, den 24n, 25n en 26n Juli, werd dit geheele gedeelte der bergachtige streek doorzocht, zonder dat onze nasporingen eenig resultaat hadden opgeleverd, geen ander immers dan dat twee andere tijgers, waaraan men weinig dacht, door den kapitein werden neergeveld.

»Vijf en veertig!” vergenoegde zich Hod te zeggen, zonder er anders eenig gewicht aan te hechten.

Eindelijk, den 27n, deed de tijgerin door een nieuwe wandaad van zijn tegenwoordigheid blijken. Een buffel, die onzen gastheer toebehoorde, verdween uit een bij Souari gelegen weide en men vond er een kwart mijl van het dorp niets meer dan de overblijfselen van terug. De moord,—moord met voorbedachten rade, zou een rechtskundige gezegd hebben,—had even voor het opkomen der zon plaats gehad, zoodat de moordenaar onmogelijk ver af kon zijn.

Wij gingen langzaam in stilte vooruit. Blz. 30.

Wij gingen langzaam in stilte vooruit. Blz. 30.

Doch zou de bedrijver van de misdaad wel de tijgerin zijn, die men tot nog toe tevergeefs had trachten op te sporen?

De Hindoes van Souari twijfelden er niet aan.

»’t Is mijn oom, niemand anders dan hij kan de dood bedreven hebben!” zei een der bergbewoners tot ons.

»Mijn oom!” Zoo noemen de Hindoes in de meeste streken van het schiereiland gewoonlijk den tijger. Zij gelooven namelijk, dat ieder hunner voorouders voor eeuwig verblijf houdt in het lichaam van een dezer leden van de familie van het kattengeslacht.

In dit geval zouden zij juister hebben kunnen zeggen: »’t Is mijn tante!”

Onmiddellijk werd het besluit genomen het dier te gaan opzoeken, zonder zelfs den nacht af te wachten, omdat hij zich ’s nachts beter aan de nasporingen zou kunnen onttrekken. Hij moest trouwens verzadigd zijn en zou zijn leger niet voor twee of drie dagen verlaten.

Men ging op marsch. Van de plek waar de buffel door de tijgerin gedood was, toonden bloedige sporen den weg aan, door haar ingeslagen. Deze sporen voerden naar een klein kreupelbosch, dat reeds meermalen was afgeloopen, zonder dat men er iets kon ontdekken. Men besloot dus dit kreupelbosch te omringen, teneinde op die wijze een kring te vormen, die niet door het dier zou kunnen overschreden worden, althans niet zonder gezien te worden.

De bergbewoners verspreidden zich nu eerst, om zich langzamerhand naar het midden terug te trekken, hun kring daarbij verkleinende. Kapitein Hod, Kâlagani en ik bevonden zich aan een kant, Banks en Fox aan den anderen, doch in voortdurende gemeenschap met de lieden van de kraal en met die van het dorp. Elk punt van dezen omtrek was natuurlijk gevaarlijk, daar de tijgerin op elk punt kon trachten hem te verbreken.

Het leed overigens geen twijfel of het dier bevond zich wel degelijk in het kreupelbosch. Inderdaad werden de sporen, die er aan eenen kant op uitliepen, aan den anderen kant niet teruggevonden. Dat daar haar gewone schuilplaats was, was niet bewezen, want men had er haar tevergeefs gezocht, doch op dit oogenblik was het algemeene vermoeden, dat dit kreupelbosch haar werkelijk tot schuilplaats diende.

Het was toen acht uren ’s morgens. Nadat alle voorzorgen genomen waren, gingen we langzaam in stilte vooruit, den kring van insluiting allengs vernauwende. Een half uur later, bevonden wij ons bij de eerste boomen.

Tot nog toe was er niets bijzonders voorgevallen, niets verkondigde de tegenwoordigheid van het dier en wat mij aangaat, begon ik te gelooven, dat al onze moeite tevergeefs was.

Op dit oogenblik was het niet meer mogelijk elkander te zien dan voor hen, die in elkander’s onmiddellijke nabijheid waren en evenwel was het van belang den onderlingen samenhang niet te verliezen.

Men was dus vooraf overeengekomen, dat een geweerschot het oogenblik zou aankondigen waarop de eerste van ons het bosch zou binnentreden.

Het teeken werd gegeven door kapitein Hod, die altijd vooraan was en de zoom van het bosch werd overschreden. Mijn horloge raadplegende, zag ik dat het toen acht uren vijf en dertig minuten was.

Een kwartier later, toen de kring zich vernauwd had, raakte men elkander met de elbogen aan en hield men halt in het dichtste gedeelte van het kreupelhout, zonder iets ontmoet te hebben.

Tot nog toe had niets de stilte gestoord dan het gekraak der droge takken, die niettegenstaande al onze voorzorgen onder het gaan verbroken werden.

Op dit oogenblik deed zich een gehuil hooren.

»Daar is het dier!” riep kapitein Hod uit, naar de opening van een hol wijzende in een opeenhooping van rotsen, die door een groep hooge boomen bekroond werd.

Kapitein Hod bedroog zich niet. Al was het niet het gewone leger der tijgerin, was het althans daar dat zij de wijk genomen had toen zij zich door een talrijke bende jagers vervolgd zag.

Wij allen, Hod, Banks, Fox, Kâlagani, verscheidene lieden der kraal, wij waren de nauwe opening genaderd, waar de bloedige sporen eindigden.

»We moeten daarin doordringen,” zei kapitein Hod.

»Een gevaarlijke onderneming!” deed Banks opmerken. »De eerste, die binnentreedt, loopt gevaar ernstig verwond te worden...”

»Niets zal mij toch weerhouden naar binnen te gaan,” zei Hod, zich verzekerende, dat zijn karabijn gereed was vuur te geven.

»Na mij, kapitein!” antwoordde Fox, die zich naar de opening van het hol bukte.

»Neen, Fox, neen!” riep Hod uit. »Dat gaat mij aan!”

»Och, kapitein!” antwoordde Fox zacht, op verwijtenden toon, »’k ben er zes ten achteren!...”

Op zulk een oogenblik telden zij waarlijk het aantal tijgers, die zij geschoten hadden!

»Geen van beiden zult ge daar binnen gaan!” riep Banks. »Neen! Nooit zal ik toestaan...”

»Er zou misschien wel een middel zijn,” zeide Kâlagani toen, den ingenieur in de rede vallende.

»Welk?”

»Het dier door rook trachten te verdrijven,” antwoordde de Hindoe. »We zouden dan minder gevaar loopen en het gemakkelijker buiten kunnen dooden.”

»Kâlagani heeft gelijk,” zeide Banks. »Komt, mijne vrienden, dood hout, droog gras en gebladerte! Stopt de opening behoorlijk dicht! De wind zal de vlammen en den rook naar binnen jagen. Het beest zal zich moeten laten roosteren of trachten te ontvluchten!”

»Het zal zich willen redden,” hernam de Hindoe.

»Goed!” antwoordde kapitein Hod. »We zullen het in het voorbijgaan onze groeten overbrengen!”

In een oogwenk was een groote hoop brandbare zelfstandigheden, als bladeren, droog gras, dood hout, waaraan in dit kreupelbosch geen gebrek was, voor den ingang van het hol opgehoopt.

Niets had zich tot nog toe in het inwendige bewogen. Niets vertoonde zich in den donkeren gang, die vrij diep moest zijn. Toch hadden onze ooren ons niet kunnen bedriegen en was het gehuil stellig van daar gekomen.

Nu werden al die droge zaken in brand gestoken en stond weldra alles in vlam. Tegelijk ontwikkelde zich een scherpe, dichte rook, die door den wind werd nedergeslagen en de lucht van binnen verstikkend moest maken.

Nu deed zich een tweede gebrul, woedender dan het eerste hooren. Het dier gevoelde zich tot in zijn laatsten schuilhoek teruggedrongen en om niet te stikken zou hij spoedig gedwongen worden zich naar buiten te storten.

Wij wachtten hem af, tegen de zijdelingsche helling van de rots geplaatst, gedekt door boomstammen, teneinde den schok van den eersten sprong te vermijden.

Wat de kapitein betreft, deze had een andere plaats gekozen en, het moet erkend worden, de gevaarlijkste. Deze bevond zich namelijk bij den ingang van een opening in het kreupelhout, de eenige waardoor de tijgerin kon ontvluchten. Hod zat met één knie op den grond, teneinde zekerder van zijn schot te zijn, terwijl hij zijn karabijn stevig tegen den schouder had aangedrukt; zijn geheele wezen had de onbeweeglijkheid van een marmeren beeld aangenomen.

Er waren nauwlijks drie minuten verloopen sedert het oogenblik dat de hoop hout in brand was gestoken, toen voor de derde maal een gehuil of liever ditmaal een gereutel van verstikking aan de opening van het hol weerklonk. In een oogwenk werden de brandbare voorwerpen terzijde geworpen en verscheen er een énorm lichaam te midden van de dwarrelende rookkolommen.

Het was de tijgerin.

»Vuur!” schreeuwde Banks.

Tien geweren brandden los, maar later konden wij ons verzekeren, dat geen enkele kogel het dier getroffen had. Zijn verschijning was te kort geweest. Hoe had men te midden van den rook, die het omgaf, met eenige juistheid kunnen mikken?

Doch, als de tijgerin na haar eersten sprong, den grond had aangeraakt, was dit slechts geweest om een steunpunt te zoeken voor een tweeden nog verderen sprong, die haar in het kreupelhout zou brengen.

Kapitein Hod wachtte het dier af. Blz 33.

Kapitein Hod wachtte het dier af. Blz 33.

Kapitein Hod wachtte het dier met de grootste koelbloedigheid af en als in de vlucht zond hij het een kogel na, die het slechts in het dikke van den schouder raakte.

Snel als de bliksem, was de tijgerin op onzen metgezel toegesprongen, had hem omver geworpen en was op het punt hem met een slag van zijn ontzaglijke klauwen den schedel te verpletteren, toen Kâlagani met een groot mes in de hand op hem toevloog.

De schreeuw, dien wij uitten, was nog niet verstomd of de moedige Hindoe had het woeste dier bij de keel gepakt op het oogenblik dat zijn rechterklauw op het hoofd van den kapitein zou nederkomen.

Het dier, door dien plotselingen aanval afgeleid, wierp den Hindoe met een zijdelingsche beweging omver en viel woedend op hem aan.

Maar kapitein Hod was met één sprong op de been en het mes, dat Kâlagani had laten vallen, oprapende, stak hij het met vaste hand tot aan het heft in het hart van het dier.

De tijgerin rolde op den grond.

Niet langer dan vijf minuten had dit gansche ontzettende tooneel ons in koortsachtige spanning gehouden.

Kapitein Hod lag nog steeds geknield toen wij bij hem kwamen. Kâlagani had zich met bebloeden schouder zoo even opgericht.

»Bag mahryaga! Bag mahryaga!” schreeuwden de Hindoes,—’t geen beteekende: de tijgerin is dood!

Ja, werkelijk dood! Welk een prachtig dier! Tien voet lang van den snuit tot het uiteinde van den staart, grootte naar verhouding, ontzaglijke pooten, gewapend met lange, scherpe klauwen.

Terwijl wij het roofdier bewonderden, overlaadden de Hindoes, die zeer haatdragend van aard zijn, hem met scheldwoorden. Wat Kâlagani aangaat, hij was kapitein Hod genaderd.

»Bedankt, kapitein!” zeide hij.

»Hoe! bedankt?” riep Hod uit. »Als iemand danken moet, dan ben ik het, want zonder je hulp was het gedaan geweest met een der kapiteins van het 1e eskadron der karabiniers van de koninklijke armée.”

»Zonder u zou ik dood geweest zijn!” antwoordde de Hindoe koud.

»Wel, bij alle duivels! Heb je niet, met het mes in de hand je op de tijgerin geworpen, op het oogenblik dat zij me den schedel zou verpletteren!”

»U hebt haar gedood, kapitein, en dat is dus uw zes-en-veertigste!”

»Hoera! hoera!” riepen de Hindoes! »Hoera voor kapitein Hod!”

En inderdaad had de kapitein wel het recht de tijgerin op zijn rekening te schrijven, maar hij betaalde Kâlagani met een stevigen handdruk.

»Kom mee naar het Stoomhuis,” zei Banks tot Kâlagani. »Je schouder is deerlijk gehavend, maar we zullen in onze reisapotheek wel iets vinden om je wond te verzorgen.”

Kâlagani boog ten teeken van goedkeuring en allen richtten we ons, na afscheid genomen te hebben van de bergbewoners van Souari, die hunne dankzeggingen niet spaarden, naar het sanitarium.

De chikaris verlieten ons om naar de kraal terug te keeren. Ook ditmaal kwamen zij met ledige handen weder, en indien Matthias van Guitt gerekend had op deze »koningin van Tarryani,” moest hij rouw voor haar dragen. Het is zeker, dat het onder deze omstandigheden onmogelijk zou geweest zijn, haar levend te vangen.

Tegen twaalf uren, waren wij in het Stoomhuis terug. Daar had zich iets onverwachts voorgedaan. Tot onze groote teleurstelling waren kolonel Munro, sergeant Mac Neil en Goûmi vertrokken.

Een briefje, aan Banks gericht, meldde hem zich niet over hunne afwezigheid te verontrusten, dat, Edward Munro, een verkenning naar de grens van Népaul begeerende te maken, nog eenige twijfelachtige omstandigheden wilde ophelderen betrekkelijk de metgezellen van Nana Sahib en dat hij terug wilde zijn vóór het tijdperk waarop wij de Himalaya moesten verlaten.

Bij het lezen van dit briefje, kwam het mij voor, dat aan Kâlagani een teeken van bijna onwillekeurige teleurstelling ontsnapte.

Waarom die teleurstelling? Ik vergiste mij ongetwijfeld.