XVI.

Waarin de schrandere lezer wel ziet, dat hij goed geraden had, niettegenstaande al de voorzorgen van den schrijver.

Na de ontploffing was Quiquendone onmiddellijk weder de vreedzame, flegmatische en Vlaamsche stad van vroeger geworden.

Na de ontploffing, die trouwens geen bijzonder diepe ontroering teweegbracht, sloeg iedereen, zonder te weten waarom, werktuiglijk den weg naar huis weder in, de burgemeester gearmd met den wethouder, de advocaat Schut met den geneesheer Custos, Frans Niklausse met zijn medeminnaar Simon Collaert, allen even bedaard en rustig, onbewust zelfs van ’t geen er was voorgevallen, en Virgamen en de wraak reeds vergeten hebbende. De generaal was tot zijn confituren en zijn aide-de-camp tot zijn suikergoed teruggekeerd.

Alles was dus weder tot kalmte gekomen, alles had het gewone leven hervat, menschen en dieren, dieren en planten, zelfs de toren van de Oudenaardsche poort, die de ontploffing,—die ontploffingen zijn dikwijls zulke verwonderlijke zaken,—die de ontploffing weder had opgericht!

En van dien tijd af aan, nooit één woord luider dan het andere, nooit een woordenwisseling in de stad Quiquendone. Geen politiek, geen club, geen proces, geen politieagenten meer! De betrekking van den commissaris Passauf was even als vroeger een sinecure, en dat men hem zijn honorarium niet onttrok, had hij alleen daaraan te danken, dat de burgemeester en de wethouder niet konden besluiten een beslissing ten zijnen opzichte te nemen. Overigens bleef hij, maar zonder er iets van te weten, van tijd tot tijd het onderwerp van de droomen der oude tante.

Wat den medeminnaar van Frans betreft, hij zag edelmoedig van de bekoorlijke Suze af ten behoeve van haren beminde, die zich, vijf of zes jaren na deze gebeurtenissen, haastte haar te huwen.

En wat Mevr. Van Tricasse aangaat, zij stierf tien jaren later juist op den gewenschten termijn en de burgemeester trouwde nu met Mejuffrouw Pélagie Van Tricasse, zijne nicht.