VI.

Hod tegen Banks.

De Betwa was overgetrokken. Reeds honderd kilometers waren wij van het station van Etawah verwijderd.

Vier dagen gingen zonder bijzondere avonturen voorbij,—zelfs zonder jachtavonturen, want wilde beesten waren niet talrijk in dit gedeelte van Scindia.

»’k Vrees maar al te zeer,” herhaalde kapitein Hod niet zonder groote spijt, »dat ik te Bombay zal aankomen, zonder mijn vijftigsten gedood te hebben!”

Kâlagani geleidde ons met bewonderenswaardige schranderheid door dit minst bevolkte gedeelte van het grondgebied, welks topographie hij zeer goed kende, en, den 29n September begon de trein de noordelijke helling der Vindhyas te beklimmen, teneinde door den pas van Sirgour de reis voort te zetten.

Tot zoover was onze tocht door Bundelkund zonder hindernis volbracht. Dit land, evenwel, is een der meest verdachte van Indië. De misdadigers zoeken er gaarne een schuilplaats, en landloopers worden er in overvloed aangetroffen. Daar ook geven de Dacoits zich bij voorkeur aan hun dubbel bedrijf van gifmengers en dieven over. Het is dus voorzichtig, ernstig op zijn hoede te zijn, als men dit land bereist.

Het slechtste gedeelte nu van Bundelkund is juist deze bergachtige streek der Vindhyas, waarin het Stoomhuis nu zou doordringen. De afstand was niet groot,—honderd kilometer hoogstens,—tot Jubbulpore, het dichtstbijzijnde station van den spoorweg van Bombay naar Allahabad. Doch wij konden niet rekenen, zoo snel en gemakkelijk vooruit te komen, als wij gedaan hadden door de vlakte van Scindia. Vrij steile hellingen, half gebaande wegen, een steenachtige bodem, plotselinge krommingen, zekere smalle gedeelten van den weg, alles liep samen onze snelheid tot beneden het gemiddelde te verminderen. Banks dacht niet meer te verkrijgen dan vijftien tot twintig kilometers in de tien uren, die onze reisdagen uitmaakten. Daarbij kwam, dat de toegangen tot de wegen en kampementen dag en nacht met de uiterste zorg moesten bewaakt worden.

Kâlagani was de eerste geweest om ons dezen raad te geven. Nu waren wij talrijk genoeg en daarbij goed gewapend. Onze kleine troep, met zijn twee huizen en het torentje,—een echte kazemat, door den IJzeren Reus op den rug gedragen, bood een zeker »weerstandsvermogen” aan, om een uitdrukking naar de mode te gebruiken. Straatroovers, Dacoits of andere, zelfs Thugs,—indien er in dit woeste gedeelte van Bundelkund nog waren overgebleven,—zouden ongetwijfeld geaarzeld hebben ons aan te vallen. Doch, het kan nooit kwaad voorzichtig te zijn en het was beter dat wij op alle mogelijkheden gewapend waren.

Des morgens van dezen dag werd de Sirgourpas bereikt, waarin de trein zonder veel moeite zich een weg baande. Enkele malen, bij het bestijgen van steile hellingen, moest men den stoom versterken, maar de IJzeren Reus ontwikkelde onder de hand van Storr onmiddellijk het noodige vermogen, en beklom enkele hellingen van twaalf tot vijftien centimeters per meter.

Een honderdtal individus, gebaren makende en leelijke gezichten trekkende. Blz. 80.

Een honderdtal individus, gebaren makende en leelijke gezichten trekkende. Blz. 80.

Ook behoefde men niet te vreezen zich in den weg te vergissen. Kâlagani was volkomen bekend met de bochtige bergpassen der Vindhyas en meer bijzonder met den Sirgourpas. Hij twijfelde dan ook nooit, zelfs als verscheidene wegen op een kruisweg ergens tusschen hooge rotsen, in diepe bergkloven, uitliepen, te midden van dichte bosschen, die den blik tot twee of driehonderd schreden beperkten. Verliet hij ons tusschenbeiden eens en ging hij nu eens alleen, dan vergezeld door Banks, door mij of door een ander onzer metgezellen vooruit, dan was dit om niet den weg, maar zijn begaanbaarheid te verkennen.

Inderdaad hadden de regens, gedurende het regenseizoen, dat nauwelijks geëindigd was, de paden bedorven, den bodem omgewoeld,—omstandigheden waarvan rekening moest gehouden worden, alvorens zich op wegen te begeven, waarop de terugkeer hoogst moeielijk zou geweest zijn.

Ten opzichte alleen van ons vervoer, ging dus alles zoo goed mogelijk. De regen had geheel opgehouden. De hemel, half door lichte nevels bedekt, die de zonnestralen lieten doorschemeren, dreigde niet met een van die donderbuien, waarvan men in het centrale gedeelte van het schiereiland de vreeselijke hevigheid ducht. Ofschoon de hitte niet hevig was, deed zij toch gedurende eenige uren van den dag vrij sterk aan; maar, over het geheel bleef het een gemiddelde temperatuur, zeer goed te verdragen voor reizigers, die zich in de schaduw aan haren invloed konden onttrekken. Aan klein wild was geen gebrek en onze jagers voorzagen in de behoefte der tafel, zonder zich ver van het Stoomhuis te verwijderen.

Alleen kapitein Hod,—en ook Fox zeker,—betreurde misschien de afwezigheid der wilde beesten, die in Tarryani zoo overvloedig werden aangetroffen. Maar konden zij ook verwachten leeuwen, tijgers, panters te ontmoeten in streken waar aan de voor hun voedsel benoodigde herkauwende dieren gebrek was?

Doch, mochten deze roofdieren al aan de fauna der Vindhyas ontbreken, zoo kwamen wij in de gelegenheid om op ruimer schaal kennis te maken met de olifanten van Indië,—ik meen met de wilde olifanten, waarvan wij tot nog toe slechts enkele exemplaren gezien hadden.

Den 30n September, tegen twaalf uren zagen wij voor den trein uit een paar van die prachtige dieren. Bij onze nadering wierpen zij zich ter zijde van den weg, teneinde de voor hen nieuwe equipage, die hun zeker schrik aanjoeg, te laten voorbijgaan.

Waartoe ze zonder noodzaak uit loutere liefhebberij te dooden? Kapitein Hod dacht er zelfs niet aan. Hij vergenoegde zich die heerlijke dieren te bewonderen, die in volle vrijheid tusschen de bergen rondliepen, waar beken, stroomen en weiden in al hunne behoeften voorzagen.

»Wat een schoone gelegenheid,” zei hij, »voor onzen vriend van Guitt, om ons een les in de zoölogie te geven!”

Men weet, dat Indië bij uitnemendheid het land der olifanten is. Deze dikhuiden behooren allen tot een zelfde soort, die een weinig beneden die der Afrikaansche olifanten staat,—zoowel zij die de verschillende provincies van het schiereiland bewonen, als die waarvan men de sporen in Birmanië, in het koninkrijk Siam en in al de streken ten oosten van de golf van Bengalen kan vinden.

Hoe vangt men ze? Meestal in een »kiddah,” een ruimte door palissaden omgeven. Wil men een geheele kudde vangen, dan drijven de jagers, ten getale van een drie à vierhonderd, aangevoerd door een »djawadar” of inlandschen sergeant, ze langzamerhand in de kiddah, sluiten ze er in op, scheiden ze met behulp van opzettelijk daartoe afgerichte tamme olifanten van elkander af, kluisteren de achterpooten, en de vangst is gemaakt.

Doch deze methode, die tijd en een zekere machtsontwikkeling vordert, is meestal vruchteloos, als men zich van de groote mannetjes wil meestermaken. Deze toch zijn meer bij de hand en schrander genoeg om den kring der drijvers te verbreken en hunne gevangenneming in de kiddah te vermijden. In dat geval worden tamgemaakte wijfjes belast deze mannetjes gedurende eenige dagen te volgen. Zij dragen hunne mahouts op den rug in donker gekleurde dekkleeden gehuld en, als de olifanten, die niets merken, zich aan een gerusten slaap overgeven, maakt men zich van hen meester, worden zij geketend en medegevoerd, zonder zelfs den tijd gehad te hebben tot zich zelve te komen.

Zooals ik reeds vroeger gelegenheid had te zeggen, ving men de olifanten in kuilen, op hun spoor gegraven, en een vijftiental voet diep, maar in zijn val verwondde of doodde zich het dier en heeft men daarom bijna algemeen dit barbaarsche middel opgegeven.

Eindelijk wordt in Bengalen en Népaul de lasso nog gebruikt. Dit is een ware jacht, somtijds vol belangwekkende avonturen. Men gebruikt daartoe goed afgerichte olifanten, die door drie mannen bereden worden. Op hun nek zit een mahout, die ze bestuurt, op het kruis een drijver, die ze met den hamer of met den haak aanport; op den rug, de Hindoe, die belast is met het werpen van den lasso, voorzien van een schuifknoop. Zoo uitgerust, vervolgen deze dikhuiden den wilden olifant uren achtereen, somtijds door vlakten, door bosschen tot groot nadeel somtijds van hen, die ze berijden en eindelijk als het beest den lasso om den kop geslingerd is, valt hij plomp op den grond, aan de jagers overgeleverd.

Op deze verschillende wijzen worden er jaarlijks in Indië een groot aantal olifanten gevangen. Het is geen slechte speculatie. Een wijfje wordt verkocht tegen zeven duizend franken, een mannetje tegen twintig duizend en zelfs tegen vijftig duizend franken als hij van zuiver bloed is.

Zijn ze nu werkelijk nuttig, die dieren, dat men ze tegen zulke hooge prijzen betaalt? Ja, en als men ze maar behoorlijk voedt,—namelijk zes à zeven honderd pond groen voeder in de achttien uren geeft, dat is nagenoeg het gewicht, dat ze op een gewoon traject kunnen dragen,—bewijzen ze werkelijk goede diensten, waaronder vervoer van artillerie in bergachtige landen, of in de voor paarden ontoegankelijke jungles, zwaar werk voor rekening der particulieren, die ze gebruiken, als trekdieren. Deze machtige en zachte reuzen, gemakkelijk en snel te dresseeren, tengevolge van een bijzonder instinct, dat ze tot gehoorzaamheid aanzet, zijn in de verschillende provinciën van Hindostan algemeen gezocht. Daar zij zich nu in tammen toestand niet vermenigvuldigen, moet men onophoudelijk jacht op hen maken, om aan de aanvraag van het schiereiland en van den vreemde te voldoen.

Ook vervolgt men ze, sluit men ze in, vangt men ze op de zooeven vermelde wijzen. En toch schijnt hun getal, niettegenstaande hun verbruik, niet te verminderen; nog altijd blijft er in de verschillende streken van Indië een aanzienlijk getal ever.

Zelfs moet ik er bijvoegen dat er »te veel” overblijven, zooals men weldra zien zal.

De twee olifanten hadden zich, zooals ik reeds zeide, terzijde van den weg geschaard, teneinde onzen trein te laten passeeren, waarna zij hun een oogenblik afgebroken marsch hervat hadden. Bijna dadelijk daarop kwamen andere olifanten in de achterhoede te voorschijn en voegden zich, hunne schreden versnellende, bij de twee, die wij voorbij gegaan waren. Een kwartier later, kon men er een dozijn tellen. Zij hielden het Stoomhuis in het oog, zij volgden ons, zich op een afstand van hoogstens vijftig meters houdende. Zij schenen evenmin begeerig ons in te halen, als ons te verlaten. Nu was dit hun gemakkelijk, omdat de IJzeren Reus op de hellende wegen, die om de voornaamste toppen der Vindhyas heen loopen, zijn gang niet kon versnellen.

Een olifant kan trouwens sneller loopen dan men wel denken zou,—en wel met een snelheid, die, volgens Sanderson, een zeer bevoegde beoordeelaar in deze zaak, somtijds vijf en twintig kilometers per uur overtreft. Voor hen dus, die ons op dat oogenblik volgden, was niets gemakkelijker dan of ons te bereiken, of ons vooruit te komen.

Doch dit scheen niet in hun plan te liggen,—op dit oogenblik althans. Zeker wilden zij zich eerst in grooter getale vereenigen, en werkelijk deden zij uit hun enorme keel zekere kreten hooren, als een sein, dat door kreten van achterblijvers, denzelfden weg volgende, beantwoord werd.

Tegen een uur na den middag werden wij door een troep van een dertigtal olifanten achtervolgd. Het was een geduchte bende geworden. Niets bewees, dat hun aantal niet nog zou aangroeien. Gewoonlijk bestaat een troep van die dikhuiden uit dertig of veertig individus, die een familie vormen van meer of minder naverwante leden, maar niet zelden ontmoet men verzamelingen van een honderdtal dier dieren, iets wat den reizigers wel eenige ongerustheid inboezemt.

Deze neergehurkt, gene overeind op hunne pooten. Blz. 83.

Deze neergehurkt, gene overeind op hunne pooten. Blz. 83.

Kolonel Munro, Banks, Hod, de sergeant, Kâlagani en ik, waren onder de veranda van het tweede rijtuig gezeten en letten op ’t geen achter ons plaatsgreep.

»Hun aantal neemt steeds toe,” zei Banks en zal ongetwijfeld aangroeien met al de olifanten uit de geheele streek!”

»Maar,” deed ik opmerken, »ze kunnen toch elkander niet zoo bijzonder ver hooren.”

»Dat is waar,” antwoordde de ingenieur, »maar ze ruiken elkander en ze hebben zulk een fijnen reuk, dat tamme olifanten de wilde zelfs drie of vier mijlen ver weten te ontdekken.”

»’t Is een wezenlijke verhuizing, zei toen kolonel Munro. »Zie eens! Er is daar achter onzen trein een gansche kudde, in groepen van tien tot twaalf olifanten van elkander gescheiden en die groepen zullen spoedig aan de algemeene beweging deelnemen. We zullen ons wat dienen te haasten, Banks.”

»De IJzeren Reus doet wat hij kan, Munro,” antwoordde de ingenieur. »We hebben al vijf atmosfeeren drukking en de weg is zeer steil!”

»Maar waarom ons zoo gehaast?” riep kapitein Hod uit, die bij dergelijke voorvallen altijd vroolijk werd. »Laat die lieve beestjes ons vergezellen! ’t Is een stoet, onzen trein waardig! Het land was eenzaam en verlaten, dat kunnen we nu niet meer zeggen, want we worden nu geëscorteerd als een rajah op reis!”

»We zullen ze hun zin wel moeten laten,” antwoordde Banks, »want ik zie niet in hoe we ze zouden kunnen beletten ons te volgen!”

»Maar wat vrees je eigenlijk toch?” vroeg kapitein Hod. »Je weet toch wel, dat een kudde altijd minder geducht is dan een enkele olifant! ’t Zijn werkelijk lieve dieren!... Schapen, groote schapen, voorzien van een tromp, anders niet!”

»Komaan! Hod windt zich op!” zei kolonel Munro. »’k Geef gaarne toe dat, als de kudde maar op een respectabelen afstand blijft, we niets te duchten hebben; maar als ze ’t in den zin krijgt ons op dien smallen weg voorbij te komen, zou er voor het Stoomhuis meer dan één nadeel uit kunnen voortvloeien!”

»Zonder nog te rekenen,” voegde ik er bij, »dat, als ze zich voor den eersten keer tegenover onzen IJzeren Reus bevinden, ’k niet weet hoe ze hem zullen ontvangen!”

»Ze zullen hem groeten, voor den drommel!” riep kapitein Hod uit. »Ze zullen hem groeten zooals de olifanten van prins Gourou Singh hem gegroet hebben!”

»Dat waren tamme olifanten,” merkte sergeant Mac Neil terecht aan.

»Welnu,” antwoordde kapitein Hod, »ook deze zullen tam worden, of liever, ze zullen voor onzen reus verstomd staan van verbazing, die spoedig in eerbied zal overgaan!”

Men ziet dat onze vriend niets van zijn enthusiasme verloren had voor den kunstmatigen olifant, »dat meesterstuk van mechanisme, voortgebracht door de hand van een Engelschen ingenieur!”

»Trouwens,” voegde hij er bij, »deze proboscideën,—hij was werkelijk op dat woord gesteld,—deze proboscideën zijn zeer schrander, ze redeneeren, ze oordeelen, ze vergelijken, ze denken aaneengeschakeld en geven bewijzen van een menschelijk verstand!”

»Dat is op zijn minst zeer overdreven,” antwoordde Banks.

»Wat, overdreven!” riep kapitein Hod uit. »Hij, die zoo spreekt, heeft niet in Indië gewoond! Laat men de schrandere dieren niet allerlei huiswerk verrichten? Is er een met hen te vergelijken? Is de olifant in het huis van zijn meester niet gereed tot het verrichten van allerlei diensten? Weet je dan niet, Maucler, wat de schrijvers, die hem het best gekend hebben, van hem zeggen? Volgens hen is de olifant voorkomend voor hen die hij liefheeft, hij ontheft ze van hunne lasten, hij gaat bloemen of vruchten voor hen plukken, hij zamelt aalmoezen in voor de armen als de olifanten voor de beroemde pagode van Willenoor, bij Pondicherie, hij betaalt in de bazars den suiker, de bananen of de mango’s, die hij voor eigen rekening koopt, hij beschermt in Sunderbund de kudden en de woning van zijn meester tegen de wilde dieren, hij pompt water uit de putten, hij past met meer zorg op de kinderen, die men hem toevertrouwt, dan de beste kindermeid van gansch Engeland! En menschelijk, dankbaar, want hij heeft een verbazend geheugen, vergeet hij evenmin de weldaden als het onrecht, dat hem gedaan wordt! Ja, mijne vrienden, die menschelijke reuzen,—’k zeg menschelijke reuzen, zullen niet licht een onschadelijk insect verpletteren! Een mijner vrienden,—en dat zijn trekken, die men niet licht vergeet,—zag dat men een lievenheersbeestje op een steen zette en een tammen olifant beval het te verpletteren! En wat deed de goede dikhuid? Hij lichtte, telkens als hij over den steen heen ging, zijn poot op en noch bevelen, noch slagen zouden hem er toe gebracht hebben hem op het insect te plaatsen! In tegendeel, toen men hem beval het op te nemen en aan te reiken, nam hij het met die soort van wonderhand, die hij aan de punt van zijn snuit heeft, op en stelde het in vrijheid! Zeg nu nog eens, Banks, dat de olifant niet goed, niet edelmoedig en niet boven alle anderen dieren verheven is, zelfs boven den aap, zelfs boven den hond en moeten we niet erkennen, dat de Hindoes gelijk hebben, als zij hem bijna evenveel verstand toekennen als den mensch!”

Nadat hij met vuur deze woorden had uitgesproken, vond kapitein Hod niets beters te doen dan zijn hoed af te nemen om de geduchte kudde, die ons met afgemeten schreden volgde, te groeten.

»Goed gesproken, kapitein Hod!” antwoordde kolonel Munro glimlachende. »De olifanten hebben in u een warmen verdediger!”

»En heb ik dan niet volkomen gelijk, kolonel?” vroeg kapitein Hod.

»’t Is mogelijk, dat kapitein Hod gelijk heeft,” antwoordde Banks, »maar ik hecht meer aan het oordeel van Sanderson, een olifantenjager en een volleerde meester in alles wat hen betreft.”

»En wat zegt die Sanderson dan toch?” riep de kapitein op vrij minachtenden toon uit.

»Hij beweert, dat de olifant slechts een zeer middelmatig verstand heeft en dat de verwonderlijkste zaken, die men die dieren ziet volbrengen, slechts het resultaat zijn van een vrij slaafsche gehoorzaamheid aan de bevelen, die hunne cornac’s meer of minder in ’t geheim hun geven!”

»Nu, die is mooi!” antwoordde kapitein Hod, die zich begon warm te maken.

»Zoo doet hij ook opmerken,” hernam Banks, »dat de Hindoes nooit den olifant als een zinnebeeld van verstand, voor hun beeldhouwwerk of hunne heilige teekeningen gekozen hebben en de voorkeur gaven aan den vos, den raaf, en den aap!”

»’k Protesteer!” riep kapitein Hod uit, wiens arm de golvende beweging van een tromp nabootste.

»Protesteer, kapitein, maar hoor me aan!” hernam Banks. »Sanderson voegt er nog bij, dat, wat den olifant meer bijzonder onderscheidt, de knobbel der gehoorzaamheid is, die een uitwas van belang op zijn schedel moet vormen. Hij merkt ook aan, dat de olifant zich op een zeer gemakkelijke manier laat vangen,—dat is het juiste woord, zooals in kuilen met bladeren bedekt, en dat hij niet de minste moeite doet om er uit te komen! Hij doet verder uitkomen, dat hij zich in omheiningen laat drijven, waartoe met geen mogelijkheid andere wilde dieren zouden te brengen zijn! Eindelijk is het volgens hem een feit, dat de gevangen olifanten, wien het gelukte te ontkomen, zich met een gemakkelijkheid laten hernemen, die hun schranderheid geen eer aandoet! De ondervinding leert hun niet eens voorzichtig te zijn!”

»Arme dieren!” antwoordde kapitein Hod op komieken toon, »wat takelt die ingenieur je toe!”

»Als een laatste bewijsgrond ten gunste van mijn stelling, moet ik er nog bijvoegen,” antwoordde Banks, »dat de olifanten niet zelden zeer moeielijk zijn tam te maken, uit gebrek aan voldoende verstandelijke vermogens en dikwijls is het zeer moeilijk ze te bedwingen, vooral als ze jong zijn of tot de zwakke sekse behooren!”

»Dat is een overeenkomst te meer met de menschelijke wezens!” antwoordde kapitein Hod. »Zijn de mannen niet veel gemakkelijker te leiden dan de kinderen en de vrouwen?”

»Me dunkt, kapitein, dat we beiden al te zeer celibatair zijn om in een dergelijke aangelegenheid juist te oordeelen!”

»Goed geantwoord!”

»Om er een eind aan te maken,” voegde Banks er nog bij, »ik beweer, dat men niet te veel moet vertrouwen op de al te zeer geroemde goedheid van den olifant en dat het onmogelijk zou zijn een troep van die reuzen weerstand te bieden, als de een of andere reden ze woedend maakte en ’k had wel zoo lief, dat zij, die ons op dit oogenblik vergezellen, iets in het noorden te doen hadden, omdat wij zuidelijk gaan!”

De twee olifanten hadden zich terzijde van den weg geschaard. Blz. 88.

De twee olifanten hadden zich terzijde van den weg geschaard. Blz. 88.

»Zooveel te meer nog, Banks,” antwoordde kolonel Munro, »omdat, terwijl ge ’t zamen zoo druk hadt, Hod en gij, hun aantal onrustbarend is toegenomen!”