VII.

Honderd tegen een.

Sir Edward Munro vergiste zich niet. Onze trein werd nu door een massa van vijftig of zestig olifanten gevolgd. Zij liepen in dichte rijen en reeds bevonden zich de eerste zoo dicht achter het Stoomhuis—op een afstand van minder dan tien meters,—dat het mogelijk was ze nauwkeurig waar te nemen.

Aan het hoofd liep toen een van de grootste uit de groep, ofschoon zijn grootte, vertikaal tot aan den schouder gemeten, stellig niet meer dan drie meters bedroeg. Zooals ik reeds zeide, is dit een grootte beneden die van de Afrikaansche olifanten, waarvan eenige vier meters bereiken. Zijne slagtanden ook, niet zoo lang als die van zijn Afrikaanschen stamgenoot, waren niet langer dan een meter vijftig aan de buitenste kromming, en veertig van de beenachtige spil af, die tot basis dient. Op het eiland Ceilon ontmoet men een zeker aantal dezer dieren zonder slagtanden, overigens een geducht wapen waarvan zij zich met behendigheid bedienen, doch in Hindostan komen deze »mucknas,”—zoo worden ze genoemd—zeer zelden voor.

Achter dezen olifant kwamen verscheidene wijfjes, die de eigenlijke bestuursters der karavaan zijn. Ware het Stoomhuis er niet geweest, dan zouden zij de voorhoede hebben uitgemaakt en ware dit mannetje stellig achter in de rijen zijner metgezellen gebleven. Inderdaad verstaan de mannetjes niets van de leiding der kudde. Zij hebben niet voor hunne jongen te zorgen en kunnen niet weten wanneer het noodig is halt te houden voor de behoeften dezer »zuigelingen” en ook niet welk soort van kampementen ze noodig hebben. Het zijn dus zedelijk de wijfjes, die de »slagtanden” in het huisgezin dragen en de groote verhuizingen besturen.

Om nu de vraag te beantwoorden waarom die geheele troep nu zoo opbrak, of de behoefte uitgeputte weilanden te verlaten, de noodzakelijkheid den steek van zekere noodlottige vliegen te ontvluchten, of misschien de lust onze vreemde equipage te volgen, ze door de bergengten der Vindhyas dreef, zou moeielijk geweest zijn te beantwoorden. Het land was tamelijk vlak en volgens hunne gewoonten reisden deze olifanten, zoodra zij zich niet meer in boschachtige streken bevinden, op klaarlichten dag. Zouden zij ophouden bij het aanbreken van den nacht, zooals wij zelven verplicht waren het te doen? De tijd zou het leeren.

»Kapitein Hod,” vroeg ik onzen vriend, »je ziet die achterhoede van olifanten, die steeds in aantal toeneemt! Blijf je er bij, geen vrees te hebben?.....”

»Kom!” riep kapitein Hod. »Waarom zouden die beesten ons kwaad willen? ’t Zijn geen tijgers, niet waar, Fox?”

»En niet eens panters!” antwoordde de oppasser, die het natuurlijk eens met zijn meester was.

Doch bij dit antwoord zag ik Kâlagani het hoofd schudden ten teeken van afkeuring. Hij scheen de volkomen gerustheid der beide jagers niet te deelen.

»Je schijnt niet gerust te zijn, Kâlagani,” zei Banks tot hem, die hem op hetzelfde oogenblik aankeek.

»Zou de gang van den trein niet een beetje te verhaasten zijn?” vergenoegde de Hindoe zich te antwoorden.

»Dat zal niet gemakkelijk gaan,” hernam Banks. »We kunnen ’t evenwel beproeven.”

En Banks begaf zich van de achterveranda naar het torentje waar Storr zich bevond. Bijna op hetzelfde oogenblik deed het gebriesch van den IJzeren Reus zich sneller hooren en verhaastte zich de gang van den trein.

Maar al had men den gang van den trein verdubbeld, zou er toch geen verandering in den toestand der reizigers gekomen zijn. De kudde olifanten zou eenvoudig hare schreden verhaast hebben. Dit geschiedde ook werkelijk en de afstand tusschen haar en het Stoomhuis bleef dezelfde.

Verscheidene uren gingen op deze wijze voorbij, zonder belangrijke verandering. Na het diner hernamen wij onze zitplaatsen onder de veranda van het tweede rijtuig.

Op dit oogenblik bood de weg van achteren een rechtlijnige richting van minstens twee mijlen aan, en was de blik dus niet begrensd door plotselinge bochten.

Tot onze ernstige ongerustheid zagen wij dat het aantal olifanten sedert een uur al weer was toegenomen! Wij konden er nu minstens een honderd tellen.

Deze dieren liepen toen in twee- of driedubbele gelederen, al naar de breedte van den weg, in alle stilte, met gelijken pas, zou men zeggen, deze met opgerichten tromp, gene met de slagtanden in de lucht. Het was als het geklots der baren, die door groote grondgolven worden opgelicht. Niets bruischte nog op, om de gelijkenis voort te zetten, maar als een storm deze bewegelijke massa met woest geweld deed uiteenspatten, zou het gevaar waaraan we bloot stonden, vreeselijk zijn.

Intusschen begon de nacht langzamerhand te vallen,—een nacht waaraan het licht van de maan en de glans der sterren zouden ontbreken, want een soort van nevel hulde de hoogere hemelstreken in diepe duisternis.

Zooals Banks voorspeld had, zou men in zulk een donkeren nacht onmogelijk op deze moeielijke wegen kunnen voortgaan, men zou wel moeten stilhouden. De ingenieur besloot dus halt te houden, zoodra een verwijding der vallei of een uitholling in een minder nauwe bergengte de dreigende kudde zou toelaten ter zijde van den trein heen te gaan, en haar verhuizing naar het zuiden voort te zetten.

Maar zou de kudde dit doen, en zou zij niet liever kampeeren op de plek waar wij zelve zouden kampeeren?

Dat was de groote quaestie.

Het werd trouwens merkbaar, dat de olifanten met het vallen van den nacht eenige vrees uitten, waarvan wij op den dag geen enkel verschijnsel hadden waargenomen. Een soort van machtig maar dof geloei ontsnapte aan hunne enorme longen. Op dit verontrustend leven volgde een ander geluid van bijzonderen aard.

»Welk geluid is dat nu?” vroeg kolonel Munro.

»Dat is het geluid, dat deze dieren voortbrengen,” antwoordde Kâlagani, »als ze zich in tegenwoordigheid van een vijand bevinden.”

»En dat zijn wij, ’t kan niet anders zijn dan wij, die ze als zoodanig beschouwen?” vroeg Banks.

»Ik vrees het!” antwoordde de Hindoe.

Het was alsof het in de verte donderde en het herinnerde aan het geluid, dat men achter de schermen van een tooneel voortbrengt door een stuk opgehangen ijzerblik in trilling te brengen. Terwijl de olifanten het uiteinde hunner tromp op den grond wreven, ontlastten zij zich van énorme hoeveelheden lucht, die zij door een langdurige opsnuiving in hunne longen geborgen hadden. Dat was de oorzaak van dien machtigen en diepen klank, die het hart toekneep als het gerommel van den donder.

Het was toen negen uren ’s avonds.

Op deze plek diende een soort van kleine, bijna ronde vlakte, een halve mijl in omtrek, tot uitgang van den weg, die naar het Puturia meer geleidde, in welks nabijheid Kâlagani ons kamp meende op te slaan. Maar dit meer bevond zich nog op een afstand van vijftien kilometers, en wij moesten opgeven het voor den nacht te bereiken.

Banks liet nu halt houden. De IJzeren Reus bleef staan, maar men spande hem niet uit. De vuren werden zelfs niet uitgedoofd en Storr kreeg bevel zich altijd onder drukking te houden, teneinde den trein op het eerste signaal te kunnen doen vertrekken. Men moest zich op alle mogelijkheden voorbereid houden.

Zij liepen in dichte rijen. Blz. 94.

Zij liepen in dichte rijen. Blz. 94.

Kolonel Munro trok zich in zijn kamer terug. Wat Banks en kapitein Hod aangaat, zij wilden liever niet naar bed gaan en ik verkoos bij hen te blijven. Het geheele personeel was trouwens op de been. Doch wat vermochten wij, als het den olifanten in den zin kwam zich op het Stoomhuis te werpen?

Gedurende het eerste uur van ons waken hield een dof geruisch om het kamp aan. Blijkbaar verspreidden de groote massa’s zich over de kleine vlakte. Zouden ze haar oversteken en hun weg naar het zuiden vervolgen?

»’t Blijft altijd mogelijk,” zei Banks.

»’t Is zelfs waarschijnlijk,” voegde kapitein Hod er bij, die er altijd het beste van bleef denken.

Tegen omstreeks elf uren, nam het geraas allengs af en tien minuten later, had het geheel opgehouden.

De nacht was toen volkomen stil. Het minste vreemde geluid zou ons oor getroffen hebben. Men hoorde niets dan het doffe gerommel van den IJzeren Reus in het donker. Men zag niets dan den vonkenregen, die nu en dan uit zijn tromp ontsnapte.

»Welnu,” zei kapitein Hod, »had ik geen gelijk? Zij zijn vertrokken, die goede olifanten!”

»Goede reis!” antwoordde ik.

»Vertrokken!” antwoordde Banks, het hoofd schuddende. »Dat zullen we gauw te weten komen!”

Daarna den machinist roepende, zeide hij:

»Storr, de lichten.”

»Dadelijk, mijnheer Banks!”

Twintig seconden later sprongen twee electrische bundels stralen uit de oogen van den IJzeren Reus, die door een zelfwerkend mechanisme alle punten van den horizont in vollen gloed zette.

En tot hunne ontsteltenis zagen zij nu, dat de olifanten in een wijden kring om het Stoomhuis gelegerd waren, onbeweeglijk, als ingeslapen, slapende misschien. Het electrische vuur, dat hunne dichte massa’s onduidelijk verlichtte, scheen ze met een bovennatuurlijk leven te bezielen. Door een eenvoudig gezichtsbedrog namen die monsters, welke meer rechtstreeks door de schitterende stralen getroffen werden, reusachtige afmetingen aan, waardig om met die van den IJzeren Reus te wedijveren. Verschrikt vlogen ze op, alsof ze door een vurigen prikkel waren gestoken geworden. Hun tromp stak naar voren uit, hunne slagtanden richtten zich op. Men zou gezegd hebben, dat zij den trein gingen bestormen. Een schor gebrom ontsnapte aan hun énormen muil. Spoedig zelfs deelde zich deze plotselinge woede aan allen mede en klonk een oorverdoovend concert ons kampement in het rond, alsof honderd klaroenen tegelijk een wijdklinkend appél hadden aangeheven.

»Doof uit!” schreeuwde Banks.

De electrische stroom werd plotseling afgebroken en het getier hield bijna onmiddellijk op.

»Ze zijn in een kring gelegerd,” zei de ingenieur, »en zullen zich daar morgen ochtend nog bevinden!”

Uit de gelaatstrekken van kapitein Hod meende ik op te maken, dat zijn vertrouwen nu toch eenigszins aan het wankelen gebracht was.

Hoe te handelen? Kâlagani werd geraadpleegd en deze verborg zijne ongerustheid niet.

Kon men er aan denken het kampement in het midden van dezen donkeren nacht te verlaten? Dat was onmogelijk. Waartoe zou dat trouwens ook gediend hebben? De troep olifanten zou ons zeker gevolgd hebben en stellig waren de moeielijkheden grooter dan op den dag.

Men kwam dus overeen, dat men eerst met het krieken van den dag op weg zou gaan. Men zou met de grootst mogelijke voorzichtigheid en snelheid vooruitgaan, maar zonder den geduchten stoet vrees aan te jagen.

»En als nu die dieren ons hardnekkig blijven volgen?” vroeg ik.

»Dan zullen we beproeven een plek te bereiken waar het Stoomhuis zich buiten hun bereik kan stellen,” antwoordde Banks.

»Zullen we die plek vinden, voordat we de Vindhyas verlaten hebben?” zei kapitein Hod.

»Er is er een,” antwoordde de Hindoe.

»Welke?” vroeg Banks.

»Het Puturiameer.”

»Hoe ver is dat nog?”

»Nog ongeveer negen mijlen.”

»Maar de olifanten zwemmen,” antwoordde Banks, »en misschien beter dan één ander viervoetig dier! Men heeft er gezien, die meer dan een halven dag lang op de oppervlakte van het water verbleven! Is het daarom niet te vreezen, dat ze ons op het Puturiameer volgen en dat het Stoomhuis daardoor nog meer in gevaar wordt gebracht?”

»’k Zie geen ander middel om ons aan hun aanval te onttrekken!” zei de Hindoe.

»We zullen het dan beproeven!” antwoordde de ingenieur.

Het was werkelijk het eenige wat we doen konden. Misschien zouden de olifanten het niet durven wagen, om in deze omstandigheden te zwemmen en misschien ook konden we ’t in snelheid van hen winnen!

Men verbeidde met ongeduld den dag, die dan ook eindelijk aanbrak. Men had niet de minste vijandige beweging gedurende het overige van den nacht bespeurd; maar bij het opgaan der zon was geen enkele olifant van plaats veranderd en het Stoomhuis van alle kanten ingesloten.

Er had toen een algemeene opschudding op de plek van het kamp plaats. Het was alsof de olifanten aan een wachtwoord gehoorzaamden. Zij schudden hun snuit, wreven hunne slagtanden tegen den grond, maakten hun toilet, door zich met water te besproeien, haastten zich nog hier en daar eenige mondvollen gras tot zich te nemen, waarmede de bodem dik bezet was en begaven zich eindelijk dichter bij het Stoomhuis, zoo dicht zelfs, dat men ze uit de vensters met pieken zou hebben kunnen verwonden.

Banks beval ons evenwel ten sterkste aan, ze niet te tergen. Het kwam er vooral op aan geen voorwendsel tot een plotselingen aanval van hunne zijde te geven.

Intusschen begonnen enkele olifanten onzen IJzeren Reus al meer en meer op de hielen te zitten. Blijkbaar wilden zij te weten komen wat dat énorme dier was, dat zich tot nog toe onbeweeglijk gehouden had. Beschouwden zij het als een hunner stamgenooten? Vermoedden zij, dat er een verwonderlijke macht in hem school? Den vorigen dag hadden zij geen gelegenheid gehad hem aan ’t werk te zien, omdat hunne eerste rangen zich altijd op een zekeren afstand achter den trein hadden gehouden.

Maar wat zouden zij doen als zij hem hoorden zuchten, als zijn tromp wolken stoom uitwierp, als zij hem zijne dikke gelede pooten zagen oplichten en weder neerzetten, voortloopen en de twee rollende wagens achter zich aan sleepen?

Kolonel Munro, kapitein Hod, Kâlagani en ik hadden voor op den trein plaatsgenomen. Sergeant Mac Neil en zijne metgezellen bleven achter.

Kâlouth stond voor den vuurhaard van zijn stoomketel, dien hij met brandstof bleef voorzien, niettegenstaande de stoom reeds vijf atmosfeeren drukking bereikt had.

Banks, in het torentje bij Storr, hield de hand aan den regulateur.

Het oogenblik van vertrek was daar. Op een wenk van Banks, liet de machinist de stoomfluit haar doordringend schel geluid hooren.

De olifanten spitsten het oor; daarna, een weinig achteruitgaande, lieten zij den weg eenige passen ver open.

De stoom werd in de cilinders gelaten, en met geweld baande hij zich door den tromp een weg naar buiten, de wielen der machine brachten de pooten van den IJzeren Reus en daardoor den geheelen trein in beweging.

Men zal mij wel willen gelooven als ik verzeker, dat er zich in het eerst een levendige verbazing openbaarde bij de dieren, die elkander in de eerste rangen verdrongen. De doorgang tusschen hen in verwijdde zich en de weg scheen nu vrij genoeg om het Stoomhuis een snelheid te doen aannemen, die gelijk kon gesteld worden met die van een paard in den draf.

Maar onmiddellijk zette zich ook de geheele »proboscideaansche massa,”—een uitdrukking van kapitein Hod,—zoowel voor als achter, in beweging. De eerste groepen stelden zich aan het hoofd van den stoet, de laatste volgden den trein. Allen schenen vastbesloten hen niet te verlaten.

Het begon langzamerhand nacht te worden. Blz. 96.

Het begon langzamerhand nacht te worden. Blz. 96.

Terzelfder tijd werden wij aan de zijde van den weg, die hier breeder was, door andere olifanten vergezeld, als ruiters aan de portieren van een staatsiekoets. Mannetjes en wijfjes, alles liep door elkander. Er waren er van allerlei grootte, van allerlei leeftijd, jongelingen van vijfentwintig jaren, volwassenen van zestig, oude dikhuiden van meer dan honderd jaren, zuigelingen bij hunne moeders, die met de lippen aan hunne borsten en niet met hun tromp—zooals men het wel eens geloofd heeft,—onder het loopen, zogen. De geheele troep hield hierbij een zekere orde in acht, haastte zich niet meer dan noodig was en regelde zijne schreden naar die van den IJzeren Reus.

»’k Heb er vrede mee, dat ze op ons die wijze tot aan het meer vergezellen,” zei kolonel Munro.

»Ja,” antwoordde Kâlagani, »maar hoe zal ’t gaan als de weg weder smaller wordt?”

Daarin was het gevaar gelegen.

Niets bijzonders had er plaats in de drie uren, die besteed werden om twaalf kilometers af te leggen van de vijftien, die de afstand bedroeg van het kamp naar het Puturiameer. Twee of drie keeren slechts, hadden zich eenige olifanten dwars op den weg gesteld, alsof het hun plan was geweest hem te versperren, maar de IJzeren Reus liep met zijn slagtanden in horizontale richting vooruit op hen toe, spuwde hun zijn stoom in het gezicht en dwong hen te wijken om hem den doorgang vrij te laten.

Ten tien ure ’s morgens bleven nog vier à vijf kilometers over om het meer te bereiken. Daar,—men hoopte het althans,—zouden wij betrekkelijk in veiligheid zijn.

Het spreekt van zelf, dat, indien de houding van de énorme kudde niet vijandiger werd vóór onze komst aan het meer, Banks dit westelijk liet liggen, zonder er zich op te houden, teneinde den volgenden morgen uit de streek der Vindhyas te komen. Van daar naar het station Jubbulpore zou het dan nog slechts een quaestie van eenige uren zijn.

Ik voeg hier nog bij, dat het land niet alleen zeer woest, maar volkomen verlaten was. Geen enkel dorp, geen enkele landhoeve,—tengevolge van het gebrek aan weiden,—geen enkele karavaan, zelfs geen reiziger. Sedert onze komst in dit bergachtige gedeelte van Bundelkund, hadden wij geen levende ziel ontmoet.

Tegen elf uren begon de vallei, door het Stoomhuis gevolgd, tusschen twee machtige zijgebergten der keten, zich te vernauwen en zooals Kâlagani gezegd had zou de weg zeer smal worden tot de plaats waar hij op het meer uitliep.

Onze toestand, die reeds zeer verontrustend was, zou zich dus nog verergeren.

Inderdaad zou, indien de rijen olifanten zich voor en achter den trein eenvoudig verlengden, de moeielijkheid niet toegenomen zijn. Maar de dieren die aan de zijden liepen, konden er niet blijven, want zij zouden tegen de rotsachtige wanden van den weg verpletterd zijn geworden, of in den afgrond, die hem op vele plaatsen begrensde, gestort zijn. Uit instinct beproefden zij dus zich òf voor- òf achteraan te plaatsen. Het gevolg was, dat het al spoedig niet meer mogelijk was noch achteruit, noch vooruit te gaan.

»Nu wordt de zaak ingewikkeld,” zei kolonel Munro.

»Ja,” antwoordde Banks, »en nu zijn we in de noodzakelijkheid die massa overhoop te werpen.”

»Welnu, ’t zij zoo!” riep kapitein Hod uit. »Wat duivel! De stalen slagtanden van onzen reus zijn opgewassen tegen de ivoren slagtanden van die malle beesten!”

Dus waren nu die proboscideaansche dieren al niet meer dan »malle beesten” voor den levendigen en veranderlijken kapitein!

»Ongetwijfeld,” antwoordde sergeant Mac Neil, »maar we zijn een tegen honderd!”

»Vooruit, in allen gevalle!” riep Banks uit, »anders gaat de gansche kudde over ons heen!”

Eenige stoomslagen deelden den IJzeren Reus een snellere beweging mede. Zijne slagtanden bereikten het achterdeel van een der olifanten, die zich vóór hem bevonden.

Het dier slaakte een kreet van pijn, die beantwoord werd door het woeste geschreeuw van den ganschen troep. Nu zou het dan toch eindelijk tot een worsteling komen, waarvan men den uitslag niet voorzien kon.

Wij hadden onze wapenen ter hand genomen, de geweren met puntkogels geladen, de karabijnen met ontplofbare kogels, de revolvers voorzien van hunne patronen. Wij moesten ons op alles gereed houden.

De eerste aanval kwam van een reusachtig mannetje, van een woest voorkomen, die met de slagtanden vooruit, de achterpooten stevig op den grond geschoord, zich tegen den IJzeren Reus keerde.

»Een »gunesh,” riep Kâlagani uit.

»Kom! hij heeft maar één slagtand!” merkte kapitein Hod aan, die ten teeken van minachting de schouders ophaalde.

»Hij is er slechts te vreeselijker om!” antwoordde de Hindoe.

Kâlagani had dezen olifant met den naam bestempeld, dien de jagers hem geven om de mannetjes met één slagtand aan te duiden. Het zijn dieren, die bijzonder door de Hindoes geëerd worden, vooral als de rechter slagtand hun ontbreekt. Zoodanig een nu was deze, en werkelijk was hij, zooals Kâlagani terecht gezegd had, zeer geducht, zooals allen zijner soort.

Men zag het dadelijk. Deze gunesh stootte een langen trompettoon uit, boog zijn tromp terug, waarvan de olifanten zich nooit bedienen om te vechten, en stortte zich op den IJzeren Reus.

Zijn slagtand trof het plaatijzer van de borst en doorboorde het geheel; maar toen hij tegen het dikke bekleedsel van den inwendigen haard aanstootte, brak hij door den schok glad af.

De geheele trein schudde, maar de eenmaal medegedeelde beweging dreef hem vooruit en duwde den gunesh terug, die, hem het hoofd biedende, te vergeefs beproefde weerstand te bieden.

Maar zijn oorlogskreet was gehoord en begrepen. De geheele voorste massa der kudde bleef staan en bood een onoverkomelijken hinderpaal van levend vleesch. Op hetzelfde oogenblik drongen de groepen van achteren, hun marsch voortzettende, met geweld tegen de veranda aan. Hoe een dergelijke verpletterende kracht te weerstaan!

Terzelfder tijd klemden zich eenigen van hen, die ter zijde liepen, met opgerichte trompen, aan de rijtuigen vast, die zij met geweld heen en weer schudden.

Men moest niet ophouden, of het was met den trein gedaan, doch men moest zich verdedigen. Er viel nu niet meer te aarzelen. Geweren en karabijnen werden op de aanvallers aangelegd.

»Laat geen enkel schot verloren gaan!” riep kapitein Hod. »Mijne vrienden, mikt op het punt waar de tromp begint, of op de holte onder het oog. Dat is ’t best!”

De raad van kapitein Hod werd gevolgd. Er vielen verscheidene geweerschoten, die door kreten van smart gevolgd werden.

Drie of vier olifanten, op de goede plek geraakt, waren gevallen, zoowel achter als terzijde,—een gelukkige omstandigheid, omdat hunne lijken nu den weg niet versperden. De eerste groepen waren een weinig achteruit gegaan en de trein kon zijn weg vervolgen.

»Laadt weder en wacht af!” riep kapitein Hod.

Indien wat hij kommandeerde »af te wachten” de aanval was der geheele kudde, dan werd hun geduld niet op de proef gesteld. Hij kwam en met zulk een geweld, dat we ons verloren waanden.

Een concert van woedende en schorre kreten barstte eensklaps los. Men zou gezegd hebben, dat het de olifanten waren, die de Hindoes door een bijzondere behandeling ten strijde africhten en tot een onkenbare woede, »musth” genaamd, weten op te hitsen. Niets vreeselijkers en de stoutmoedigste olifantendooders, die in Guicowar worden afgericht om tegen deze geduchte dieren te strijden, zouden voor de aanvallers van het Stoomhuis stellig teruggedeinsd zijn.

»Vooruit!” schreeuwde Banks.

»Vuur!” schreeuwde Hod.

En met het snellere zuchten der machine paarden zich de losbarstingen der vuurwapenen. Nu werd het in deze verwarde massa moeilijk juist te mikken, zooals de kapitein had aanbevolen. Iedere kogel vond wel een stuk vleesch te doorboren, maar hij trof niet doodelijk. Ook nam de woede der gekwetste olifanten nog toe en zij beantwoordden onze geweerschoten met nieuwe slagen hunner slagtanden, die de wanden van het Stoomhuis aan flarden scheurden.

De olifanten waren om het Stoomhuis gelegerd. Blz. 98.

De olifanten waren om het Stoomhuis gelegerd. Blz. 98.

Intusschen voegde zich bij de losbarstingen der karabijnen, die van voren en achter aan den trein werden afgeschoten, bij de ontploffing der springkogels in het lichaam der dieren, het gefluit van den stoom, vreeselijk verhit door de kunstmatige trekking. Steeds klom de drukking. De IJzeren Reus stormde op den hoop toe en dreef hem uit een. Terzelfder tijd deed zijn beweeglijke tromp dienst als een geduchte knods en sloeg op de vleeschmassa los, die door zijn slagtanden verscheurd werd.

En op die wijze ging men op den smallen weg vooruit. Een enkele maal draaiden de wielen rond zonder vooruit te gaan, maar weldra sloegen zij met hunne gegroefde vellingen weder in den weg en kwamen wij in de richting van het meer vooruit.

»Hoera!” schreeuwde dan kapitein Hod, als een soldaat, die zich in het dichtst van den strijd stortte.

»Hoera! hoera!” herhaalden we na hem.

Maar nu daalt een tromp op de voorveranda neder en ik zie het oogenblik aankomen, dat kolonel Munro, door den levenden lasso opgenomen, onder de pooten der olifanten geworpen wordt. En werkelijk zou dit gebeurd zijn, zonder de tusschenkomst van Kâlagani, die met een krachtigen bijlslag den tromp doorhakte.

Terwijl dus de Hindoe, met ijver aan de algemeene verdediging deelnam, verloor hij Sir Edward Munro niet uit het oog. Bij de toewijding aan den persoon van den kolonel, die zich nooit verloochend had, scheen hij te begrijpen, dat hij het was, dien men boven allen moest beschermen.

Nu eerst bleek het welk een macht onze IJzeren Reus in zijn schoot verborgen hield! Met welk een zekerheid hij zich een weg in de levende massa maakte als een wig waarvan het doordringingsvermogen om zoo te zeggen oneindig is! En daar tegelijkertijd de olifanten der achterhoede ons met den kop vooruitduwden, ging de trein zonder ophouden, zooal niet zonder schokken vooruit, en wel sneller dan wij het hadden kunnen hopen.

Eensklaps deed zich te midden van het ontzettende rumoer een nieuw geraas hooren.

Het was het tweede rijtuig, dat een groep olifanten tegen de rotsen van den weg verbrijzelde.

»Springt over! springt over!” riep Banks onzen makkers toe, die het Stoomhuis van achteren verdedigden.

En gelukkig waren Goûmi en sergeant Fox in allerijl van het tweede rijtuig in het eerste overgegaan.

»En Parazard?” zei kapitein Hod.

»Hij wil zijn keuken niet verlaten,” antwoordde Fox.

»Ontvoert hem! ontvoert hem!”

Onze kok dacht zeker dat het schande voor hem was den post te verlaten, die hem was toevertrouwd. Maar weerstand te bieden aan de krachtige armen van Goûmi, als deze armen zich aan het werk zetten, zou even vruchteloos geweest zijn als zich te willen ontwringen aan de kaken van een kaaiman. »Mijnheer” Parazard werd dus eenvoudig in de eetzaal nedergezet.

»Allen present?” schreeuwde Banks.

»Ja, mijnheer,” antwoordde Goûmi.

»Snijdt de verbindingsstrengen door!”

»Wat! de helft van den trein achterlaten!....” riep kapitein Hod uit.

»Het moet!” antwoordde Banks.

Nadat de verbinding verbroken, het brugje met bijlslagen vernield was, bleef ons tweede rijtuig achter.

Het was tijd. Dit rijtuig werd heen en weer geslingerd, opgelicht, toen op zijde geworpen, waarna de olifanten er zich met hunne gansche zwaarte op wierpen en het eindelijk totaal verbrijzelden. Het was niets meer dan een vormlooze massa, die nu den weg van achteren versperde.

»Wat blieft je!” zei kapitein Hod, op een toon waarom we gelachen zouden hebben als de toestand anders geweest ware, »en nu zeggen ze nog, dat die dieren zelfs geen lievenheersbeestje kwaad zouden gedaan hebben!”

Indien die olifanten, woest geworden, het eerste rijtuig behandelden, zooals zij het tweede behandeld hadden, dan hadden we ons geen illusie te maken over het lot, dat ons wachtte.

»Stook op, Kâlouth!” schreeuwde de ingenieur.

Nog een halven kilometer, een laatste krachtsinspanning en het Puturiameer was misschien bereikt!

En die laatste krachtsinspanning, die men van den IJzeren Reus verwachtte, werd door het machtige dier door de hand van Storr verricht, die den regulateur geheel opende. Hij baande zich een weg door dat bolwerk van olifanten, waarvan de achtergestellen zich boven de massa afteekenden als die der paarden op de schilderijen van Salvator Rosa. Daarenboven vergenoegde hij zich niet hen met zijne slagtanden toe te takelen, hij overstelpte ze met stralen brandenden stoom, zooals hij de pelgrims van Phalgou gedaan had, hij zweepte ze met stroomen kokend water!... In een woord, hij was prachtig!

Eindelijk vertoonde zich het meer bij de laatste kromming van den weg.

Als onze trein het nu nog tien minuten kon uithouden, zou hij er betrekkelijk in zekerheid zijn.

De olifanten merkten dit zeker,—’t geen een bewijs was hunner schranderheid, waarvoor kapitein Hod partij had getrokken. Een laatste maal trachtten zij ons rijtuig omver te werpen.

Maar opnieuw donderden de vuurwapenen. Als hagel sloegen de kogels op de eerste groepen neder. Nauwlijks versperden nog vijf of zes olifanten den doorgang. De meesten vielen en de raderen knersten op den met bloed gedrenkten grond.

Op honderd schreden van het meer verwijderd, moest men de dieren, die een laatsten hinderpaal in den weg stelden, met geweld wegduwen.

»Stoom! stoom!” riep Banks den machinist toe.

De IJzeren Reus snorde alsof hij een werkplaats mechanische garenwinders in zijn schoot verborgen droeg. De stoom spoot uit de veiligheidskleppen onder een drukking van acht atmosfeeren. Ze te belasten, met hoe weinig ook, zou den ketel, wiens wanden trilden, hebben doen springen. Het was gelukkig onnoodig. De kracht van den IJzeren Reus was nu onweerstaanbaar. Wat van den trein overbleef, sleepte hem na en verbrijzelde de ledematen der op den grond geworpen olifanten, op gevaar af zelf omver te vallen. Indien een dergelijk ongeluk gebeurd was, ware het met al de gasten van het Stoomhuis gedaan geweest.

Het ongeluk gebeurde evenwel niet, de oever van het meer werd eindelijk bereikt en de trein dreef weldra op de stille wateren.

»God zij geloofd!” zei kolonel Munro.

Twee of drie olifanten, verblind van woede, stortten zich mede in het meer en beproefden hen, die zij op vasten grond niet hadden kunnen vernietigen, te vervolgen.

Maar de pooten van den Reus volbrachten hunne taak. De trein verwijderde zich langzamerhand van den oever en eenige laatste, goed gerichte kogels verlosten ons van de woedende dieren op het oogenblik dat hunne trompen op de achterveranda zouden neder komen.

»Wel, kapitein,” riep Banks uit, »wat zeg je nu van de zachtaardigheid der Indische olifanten?”

»Nu, ’t zou wat!” zei kapitein Hod, »met verscheurende dieren zou ’t toch nog heel wat anders geweest zijn! Stel eens een dertigtal tijgers maar, in de plaats van die honderd dikhuiden en ’k mag mijn aanstelling verliezen, als er op dit oogenblik nog een van ons over was om het avontuur te vertellen!”